← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.028

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.028 Arrest- Rolnummer: 28/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 329 - laatst gezien 2026-06-19 17:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (art. 14, § 1, eerste lid, eerste zin, van de wet van 6 augustus 1993, zoals gewijzigd bij art. 27 van de wet van 25 april 2007 « betreffende de pensioenen van de openbare sector » in zoverre de verplichting die het vastlegt niet rust op de niet plaatselijke openbare werkgevers waarnaar personeelsleden zijn overgeheveld van een geherstructureerde bestuur dat, vóór die overheveling, aangesloten was bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden ») - Schending (art. 161bis, § 1, eerste lid, eerste zin, van de Nieuwe Gemeentewet, zoals gewijzigd bij art. 20 van de wet van 25 april 2007 in zoverre de bijdrageverplichting die het vastlegt in geval van overheveling van personeelsleden van een geherstructureerd bestuur dat aangesloten was bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden », niet rust op de niet plaatselijke openbare werkgevers) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 14 van de wet van 6 augustus 1993 « betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen » en artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet, zoals die artikelen zijn gewijzigd bij de wet van 25 april 2007 « betreffende de pensioenen van de openbare sector », gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Sociale zekerheid - Gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden - Niet-plaatselijke openbare werkgevers waarnaar statutaire personeelsleden zijn overgeheveld van een geherstructureerd plaatselijk bestuur dat, vóór die overheveling, aangesloten was bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden - Ontstentenis van verplichting tot bijdrage in de pensioenlast. Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 28/2022 van 24 februari 2022 Rolnummer : 7397 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 14 van de wet van 6 augustus 1993 « betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen » en artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet, zoals die artikelen zijn gewijzigd bij de wet van 25 april 2007 « betreffende de pensioenen van de openbare sector », gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 7 mei 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 juni 2020, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 14 van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen en artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 25 april 2007 betreffende de pensioenen van de openbare sector, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij de volgende verschillen doen ontstaan : 1) een onderscheid tussen : - enerzijds, de private of niet-plaatselijke openbare werkgevers die, hetzij ten gevolge van een overdracht van alle activiteiten of van bepaalde activiteiten van een plaatselijk bestuur dat inzake pensioenen aangesloten is bij het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen (Pool 2), hetzij ten gevolge van de herstructurering of de afschaffing van een dergelijk plaatselijk bestuur gedurende de periode van 1 januari 1993 tot 1 januari 2009, personeel van dat plaatselijk bestuur hebben overgenomen, die ertoe gehouden zijn te blijven bijdragen, na 31 mei 2007, in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van het plaatselijk bestuur 2 die in die hoedanigheid gepensioneerd werden vóór de overdracht van activiteiten, de herstructurering of de afschaffing, en, - anderzijds, de private of niet-plaatselijke openbare werkgevers die, hetzij ten gevolge van een overdracht van alle activiteiten of van bepaalde activiteiten van een plaatselijk bestuur dat inzake pensioenen aangesloten is bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden (Pool 1), hetzij ten gevolge van de herstructurering of de afschaffing van een dergelijk plaatselijk bestuur gedurende dezelfde periode, personeel van dat plaatselijk bestuur hebben overgenomen, die niet of niet meer ertoe gehouden zijn bij te dragen, vanaf 1 juni 2007, in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van het plaatselijk bestuur die in die hoedanigheid gepensioneerd werden vóór de overdracht van activiteiten, de herstructurering of de afschaffing; 2) een onderscheid tussen : - enerzijds, de private of niet-plaatselijke openbare werkgevers die, hetzij ten gevolge van een overdracht van alle activiteiten of van bepaalde activiteiten van een plaatselijk bestuur dat inzake pensioenen aangesloten is bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden (Pool 1), hetzij ten gevolge van de herstructurering of de afschaffing van een dergelijk plaatselijk bestuur na 31 december 2008, personeel van dat plaatselijk bestuur hebben overgenomen, die ertoe gehouden zijn bij te dragen in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van het plaatselijk bestuur die in die hoedanigheid gepensioneerd werden vóór de overdracht van activiteiten, de herstructurering of de afschaffing, en, - anderzijds, de private of niet-plaatselijke openbare werkgevers die, hetzij ten gevolge van een overdracht van alle activiteiten of van bepaalde activiteiten van een plaatselijk bestuur dat inzake pensioenen aangesloten is bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden (Pool 1), hetzij ten gevolge van de herstructurering of de afschaffing van een dergelijk plaatselijk bestuur gedurende de periode van 1 januari 1993 tot 1 januari 2009, personeel van dat plaatselijk bestuur hebben overgenomen, die niet of niet meer ertoe gehouden zijn bij te dragen, vanaf 1 juni 2007, in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van het plaatselijk bestuur die in die hoedanigheid gepensioneerd werden vóór de overdracht van activiteiten, de herstructurering of de afschaffing; 3) een onderscheid tussen : - enerzijds, de plaatselijke werkgevers die niet aangesloten zijn bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden (Pool 1) en die, hetzij ten gevolge van een overdracht van alle activiteiten of van bepaalde activiteiten van een plaatselijk bestuur dat inzake pensioenen aangesloten is bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden (Pool 1), hetzij ten gevolge van de herstructurering of de afschaffing van een dergelijk plaatselijk bestuur gedurende de periode van 1 januari 1993 tot 1 januari 2009, personeel van dat plaatselijk bestuur hebben overgenomen, die ertoe gehouden zijn te blijven bijdragen, na 31 mei 2007, in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van het plaatselijk bestuur die in die hoedanigheid gepensioneerd werden vóór de overdracht van activiteiten, de herstructurering of de afschaffing, en, - anderzijds, de private of niet-plaatselijke openbare werkgevers die, hetzij ten gevolge van een overdracht van alle activiteiten of van bepaalde activiteiten van een plaatselijk bestuur dat inzake pensioenen aangesloten is bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de 3 plaatselijke overheden (Pool 1), hetzij ten gevolge van de herstructurering of de afschaffing van een dergelijk plaatselijk bestuur gedurende dezelfde periode, personeel van dat plaatselijk bestuur hebben overgenomen, die niet of niet meer ertoe gehouden zijn bij te dragen, vanaf 1 juni 2007, in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van het plaatselijk bestuur die in die hoedanigheid gepensioneerd werden vóór de overdracht van activiteiten, de herstructurering of de afschaffing ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de Federale Pensioendienst, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Votquenne, advocaat bij de balie te Brussel; - de « Société wallonne des eaux », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Vandenbergen en Mr. E. Renard, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Lombaert en Mr. S. Adriaenssen, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 24 november 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 8 december 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 8 december 2021 de dag van de terechtzitting bepaald op 19 januari

  1. Op de openbare terechtzitting van 19 januari 2022 : - zijn verschenen : . Mr. L. Depaepe, tevens loco Mr. D. Claes, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Federale Pensioendienst; . Mr. A. Vandenbergen en Mr. E. Renard, voor de « Société wallonne des eaux »; . Mr. S. Adriaenssen, tevens loco Mr. B. Lombaert, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 4 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 1 januar1 2003 neemt de « Société wallonne des eaux » het personeel over van de « Association intercommunale des eaux du Nord de la Province de Namur », die meteen ook wordt ontbonden. Op 1 december 2006 neemt de « Société wallonne des eaux » « AQUASAMBRE » over, alsook het deel van de « Association Intercommunale pour l’Énergie et l’Eau » dat actief is in de watersector, en neemt zij het betrokken personeel van die twee intercommunales, die als gevolg van die overnames worden ontbonden, over. Op 1 januari 2010 neemt de « Société wallonne des eaux » het personeel over van de « Compagnie Intercommunale de Distribution d’Eau de Salles et Robechies », die kort ervoor in vereffening is gesteld. Als gevolg van die operaties vordert de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, van de « Société wallonne des eaux » de betaling van bijdragen in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van de geherstructureerde intercommunales, die in die hoedanigheid werden gepensioneerd vóór die herstructureringen. Aanvankelijk is hij van mening dat die bijdragen verschuldigd zijn krachtens artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 « betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen » (hierna : de wet van 6 augustus 1993); vervolgens oordeelt hij dat zij verschuldigd zijn krachtens artikel 161bis, § 1, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet, zoals gewijzigd bij artikel 20 van de wet van 25 april 2007 « betreffende de pensioenen van de openbare sector » (hierna : de wet van 25 april 2007). Bij een dagvaarding in rechte betekend op 26 november 2013 aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, vordert de « Société wallonne des eaux » de veroordeling van die Rijksdienst tot de terugbetaling van de onder voorbehoud gestorte bijdragen en tot het verbod om van haar nog de betaling van zulke bedragen, wegens de voormelde herstructureringen van intercommunales, te vorderen. Bij vonnis van 4 februari 2016 neemt de burgerlijke rechtbank te Brussel akte van het feit dat de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels intussen de opdrachten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten heeft overgenomen en het geding in diens plaats wil voortzetten. De rechtbank merkt ook op dat, vóór 1 juni 2007, de « Société wallonne des eaux », met toepassing van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993, de in die bepaling vastgelegde bijdrage verschuldigd was wegens de overname van het personeel van de drie voormelde intercommunales die waren geherstructureerd in 2003 of
  2. Zij oordeelt ook dat, sinds 1 juni 2007, dag van de inwerkingtreding van de wijziging van die wetsbepaling door artikel 27 van de wet van 25 april 2007, er geen wet meer bestaat op grond waarvan dat soort bijdrage, dat verband houdt met de overname van het personeel van de drie voormelde intercommunales, kan worden gevorderd van de « Société wallonne des eaux ». De rechtbank is ten slotte van oordeel, wat betreft de overname van het personeel van de vierde voormelde intercommunale, die na 2008 geherstructureerd werd, dat de « Société wallonne des eaux » wel degelijk een bijdrage verschuldigd is, krachtens artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet, zoals gewijzigd bij artikel 58 van de wet van 22 december 2008 « houdende diverse bepalingen (I) ». Op 26 april 2016 stelt de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels hoger beroep in tegen het vonnis van 4 februari
  3. Het Hof van Beroep te Brussel neemt akte van het feit dat de Federale Pensioendienst de opdrachten van de appellant heeft overgenomen en het geding in diens plaats wil voortzetten. Het Hof van Beroep merkt overigens op dat, in tegenstelling tot de « Société wallonne des eaux », die vier voormelde intercommunales plaatselijke besturen zijn in de zin van artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet en van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993, en dat, vóór de herstructurering ervan, die intercommunales aangesloten waren bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden. Het Hof van Beroep bevestigt vervolgens dat de « Société wallonne des eaux », in haar hoedanigheid van openbare werkgever in de zin van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993, krachtens die wetsbepaling, vóór 1 juni 2007, een bijdrage verschuldigd was wegens de overname van het personeel van de drie in 2003 of 2006 geherstructureerde intercommunales. Het Hof van Beroep bevestigt ook dat, sinds 1 juni 2007, noch artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet, noch artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 de mogelijkheid biedt om van de « Société wallonne des eaux » te eisen dat zij nog bijdraagt in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van die drie intercommunales die in die hoedanigheid werden gepensioneerd vóór de herstructureringen. Het Hof van Beroep bevestigt ook het standpunt van de burgerlijke rechtbank over de toepassing van artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet, zoals gewijzigd bij artikel 58 van de wet van 22 december 2008, op de overname van het personeel van de vierde geherstructureerde intercommunale. 5 Na een onderzoek van het arrest van het Hof nr. 162/2005 van 9 november 2005 beslist het Hof van Beroep te Brussel aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen, die door de Federale Pensioendienst is gesuggereerd en waarvan de verschillende onderdelen door het Hof als drie afzonderlijke vragen worden behandeld. III. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen A.
  4. De « Société wallonne des eaux » voert aan dat de drie prejudiciële vragen niet ontvankelijk zijn omdat zij betrekking hebben op wetsbepalingen die kennelijk niet van toepassing zijn op het geschil dat ten grondslag ligt aan de verwijzingsbeslissing. Zij preciseert dat die vragen, die op verzoek van de Federale Pensioendienst door het Hof van Beroep te Brussel zijn gesteld, niet nuttig zijn voor de oplossing van het voor dat rechtscollege hangende geschil, daar de Federale Pensioendienst niet als opdracht heeft de grondwettigheid te betwisten van een wet die bepaalt wie een bijdrage verschuldigd is, met als doel het toepassingsgebied van die wet uit te breiden en meer socialezekerheidsbijdragen te innen. De « Société wallonne des eaux » merkt op dat de Federale Pensioendienst evenmin belang heeft bij die betwisting. A.
  5. De Federale Pensioendienst is van oordeel dat hij daadwerkelijk over een rechtstreeks belang beschikt om uiteen te zetten in welk opzicht artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 en artikel 161bis, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet, zoals zij waren geformuleerd ingevolge de wijziging ervan bij de artikelen 20 en 27 van de wet van 25 april 2007, onbestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij onderstreept dat het Hof van Beroep te Brussel dat belang heeft erkend en dat dit belang niet meer formeel moet worden aangetoond voor het Hof. Hij wijst vervolgens erop dat het antwoord dat het Hof op de drie prejudiciële vragen zal geven, ontegenzeggelijk een weerslag zal hebben op de uitkomst van het voor het Hof van Beroep hangende geschil tussen de Federale Pensioendienst en de « Société wallonne des eaux » over de betaling van de bijdragen vastgelegd in de in het geding zijnde wetsbepalingen. Hij herinnert ook eraan dat het in de regel aan het rechtscollege dat een wet wil toepassen op het geschil dat het moet beslechten, toekomt te beoordelen of het pertinent is aan het Hof een vraag te stellen over de grondwettigheid van die wet. De Federale Pensioendienst voegt eraan toe dat hij, als beheerder van het « Gesolidariseerde Pensioenfonds van de provinciale en plaatselijk besturen », dat werd opgericht bij de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen » (hierna : de wet van 24 oktober 2011), ertoe gehouden is de belangen van de bij dat Fonds aangesloten provinciale en plaatselijke besturen te verdedigingen en dus, zo nodig, een wet te betwisten die kan leiden tot een aanzienlijk inkomstenverlies dat nadelig is voor de financiering van dat Fonds. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.3.
  6. De Federale Pensioendienst voert aan dat het discriminerend is een niet-plaatselijke openbare werkgever waarnaar statutaire personeelsleden van een tussen 1 januari 1993 en 31 december 2008 geherstructureerd plaatselijk bestuur worden overgeheveld, ertoe te verplichten bij te dragen in de financiering van de pensioenen van de personeelsleden van de plaatselijke overheden wanneer dat plaatselijk bestuur, vóór die overdracht, aangesloten was bij het « stelsel van de nieuwe aangeslotenen » van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, maar hem niet dezelfde verplichting op te leggen wanneer dat bestuur, vóór die overdracht, was aangesloten bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden ». 6 A.3.
  7. De Federale Pensioendienst is van oordeel dat de situatie van een werkgever die personeel overneemt van een bestuur dat is aangesloten bij het « stelsel van de nieuwe aangeslotenen », vergelijkbaar is met de situatie van een werkgever die personeel overneemt van een bestuur dat is aangesloten bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden ». Hij is van mening dat die twee pensioenstelsels vergelijkbaar waren omdat zij op vrijwel identieke wijzen werden gefinancierd en omdat zij de last van de pensioenen solidair verdeelden onder plaatselijke besturen waarvan de aansluiting onherroepelijk was. Hij brengt in herinnering dat het « gemeenschappelijk stelsel » betrekking had op de meerderheid van de plaatselijke besturen, die, vóór 1987, aangesloten waren bij een omslagkas die was ingesteld bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, terwijl het « stelsel van de nieuwe aangeslotenen » in 1993 was ingevoerd om in eerste instantie de grote steden en hun openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en vervolgens bepaalde provincies erbij te betrekken. Hij voegt eraan toe dat de weinige verschillen tussen beide pensioenstelsels enkel een weerslag hadden voor de aangesloten besturen. Hij oordeelt dat zowel die pensioenstelsels als de plaatselijke besturen die erbij waren aangesloten, bijgevolg vergelijkbaar waren. De Federale Pensioendienst merkt ook op dat het Hof, bij het arrest nr. 71/2013 van 22 mei 2013, heeft bevestigd dat die twee pensioenstelsels, alsook de daarbij aangesloten plaatselijke besturen vergelijkbaar zijn. A.3.
  8. De Federale Pensioendienst zet vervolgens uiteen dat het in A.3.1 beschreven verschil in behandeling onder werkgevers niet pertinent is in het licht van de algemene doelstellingen, noch in het licht van de specifieke doelstelling van de federale wetgevende macht ter zake. Hij preciseert dat, indien het de bedoeling is de financiering van de pensioenstelsels van de plaatselijke besturen te verzekeren, het onzinnig is een financiële bijdrage vast te leggen ten laste van de openbare werkgever die personeel overneemt van wie het pensioen wordt gefinancierd door een bepaald stelsel, en niet diezelfde bijdrage vast te leggen ten laste van de openbare werkgever die personeel overneemt van wie het pensioen wordt gefinancierd door een ander stelsel. Hij brengt ook in herinnering dat dit soort bijdrage tot doel heeft toe te zien op een eerlijke behandeling van de plaatselijke overheden door te vermijden dat de plaatselijke overheden die aangesloten blijven bij het betrokken pensioenstelsel, het inkomstenverlies moeten compenseren dat voortvloeit uit de overdracht van nog in dienst zijnde statutaire personeelsleden naar een ander pensioenstelsel waarbij de voormelde openbare werkgever is aangesloten. Hij is van mening dat, in die context, het bekritiseerde verschil in behandeling niet relevant is. De Federale Pensioendienst voegt eraan toe dat het in A.3.1 beschreven verschil in behandeling zelfs volledig in strijd is met het doel dat door de wetgever werd nagestreefd bij de wijziging van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 bij artikel 27 van de wet van 25 april 2007, namelijk de draagwijdte van de bijdrageplicht uitbreiden tot de niet-plaatselijke openbare werkgevers die personeel overnemen van een bestuur dat is aangesloten bij het « stelsel van de nieuwe aangeslotenen », zonder evenwel de niet-plaatselijke openbare werkgevers die personeel overnemen van een bestuur dat is aangesloten bij het « gemeenschappelijk stelsel » van die bijdrageplicht te ontslaan. A.3.
  9. De Federale Pensioendienst zet ook uiteen dat de gevolgen van het in A.3.1 beschreven verschil in behandeling des te onevenrediger zijn omdat, vóór de inwerkingtreding van artikel 27 van de wet van 25 april 2007, de niet-plaatselijke openbare werkgevers die personeel hadden overgenomen van een bestuur dat was aangesloten bij het « gemeenschappelijk stelsel » ertoe gehouden waren financieel bij te dragen in dat pensioenstelsel, overeenkomstig artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993, en omdat de wetswijziging van 2007 precies tot doel had een einde te maken aan het verschil in behandeling dat toen bestond ten nadele van die werkgevers, die een bijdrage moesten betalen waarvan, zonder dat daarvoor een verantwoording bestaat, de niet-plaatselijke openbare werkgevers die personeel hadden overgenomen van een bestuur dat was aangesloten bij het « stelsel van de nieuwe aangeslotenen » waren vrijgesteld. De Federale Pensioendienst merkt ook op dat, vóór de wijziging ervan bij de wet van 25 april 2007, de tekst van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 in een bijdrage voorzag zowel ten laste van de niet-plaatselijke openbare werkgever die personeel had overgenomen van een bestuur dat was aangesloten bij het « gemeenschappelijk stelsel » als ten laste van de openbare werkgever die personeel had overgenomen van een bestuur dat was aangesloten bij het « stelsel van de nieuwe aangeslotenen ». A.3.
  10. De Federale Pensioendienst is dan ook van mening dat het verschil in behandeling discriminerend is, zodat de in het geding zijnde wetsbepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. 7 Hij is evenwel van mening dat het op grond van de parlementaire voorbereiding met betrekking tot de wijzigingen die de wet van 25 april 2007 heeft aangebracht in artikel 161bis, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet en in artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 mogelijk is de in het geding zijnde wetsbepaling zo te interpreteren dat zij ook de niet-plaatselijke openbare werkgever waarnaar statutaire personeelsleden zijn overgeheveld van een geherstructureerd plaatselijk bestuur dat, vóór die overdracht, aangesloten was bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden », ertoe verplicht bij te dragen in de financiering van de pensioenen van de personeelsleden van de plaatselijke overheden. De Federale Pensioendienst merkt op dat die interpretatie het onderzochte verschil in behandeling doet verdwijnen en toelaat vast te stellen dat de in het geding zijnde wetsbepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. De Federale Pensioendienst merkt ten slotte op dat, indien het Hof van Beroep te Brussel artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993, zoals gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, buiten toepassing laat wegens de ongrondwettigheid van die bepaling, het de oorspronkelijke versie van die bepaling zal moeten toepassen, namelijk die welke van toepassing was vóór die wijziging en die de wettelijke grondslag vormde van de bijdrage die terecht werd gevorderd van de « Société wallonne des eaux ». A.4.
  11. In hoofdorde voert de « Société wallonne des eaux » aan dat de situatie van een werkgever die personeel overneemt van een plaatselijk bestuur dat is aangesloten bij het « stelsel van de nieuwe aangeslotenen », niet vergelijkbaar is met de situatie van een werkgever die personeel overneemt van een plaatselijk bestuur dat is aangesloten bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden ». Zij is van mening dat die twee categorieën van werkgevers zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden. De « Société wallonne des eaux » onderstreept eerst dat de besturen die zijn aangesloten bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden » verschillen van de besturen die aangesloten zijn bij het « stelsel van de nieuwe aangeslotenen ». De besturen van de eerste categorie zijn meer dan vijftien keer talrijker maar hebben minder personeel in dienst dan de besturen van de tweede categorie. Bovendien waren die twee pensioenstelsels verschillend en maakten zij het voorwerp uit van een afzonderlijk beheer. De « Société wallonne des eaux » merkt vervolgens op dat, bij de aanneming van de in het geding zijnde wetsbepaling, de financiële situatie van het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden » evenwichtig en gezond was, terwijl het « stelsel van de nieuwe aangeslotenen » een problematisch tekort vertoonde. Zij merkt op dat het wegens dat aanzienlijke verschil is dat de wet van 24 oktober 2011, die die pensioenstelsels heeft samengevoegd, overgangsregels bevat die worden geacht rekening te houden met de respectieve situaties van de twee samengevoegde stelsels. Zij leidt uit de motivering van het arrest nr. 71/2013 af dat die wet geen identieke behandeling voor die twee pensioenstelsels had kunnen voorbehouden zonder het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te schenden. Zij besluit hieruit dat de in het geding zijnde wetsbepaling niet discriminerend kan worden geacht om reden dat zij die twee stelsels verschillend behandelt. A.4.
  12. In ondergeschikte orde zet de « Société wallonne des eaux » uiteen dat, in de veronderstelling dat de situaties van de twee in A.3.1 geïdentificeerde categorieën van werkgevers vergelijkbaar zouden worden geacht, het verschil in behandeling tussen die twee categorieën van werkgevers daarom nog niet discriminerend is. Zij onderstreept in dat verband dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie de wetgevende macht niet verbiedt de wet te wijzigingen omdat die, om politieke redenen of op grond van zijn beoordelingsbevoegdheid, beslist andere doelstellingen na te streven dan die welke hij voorheen nastreefde. Zij is ook van mening dat het aantal opeenvolgende wijzigingen van artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet en van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 aantoont dat de wetgevende macht grondig heeft nagedacht over die ingewikkelde reglementering, waarvan de eerste versie zeker voor verbetering vatbaar was. De « Société wallonne des eaux » is van mening dat die wetsbepalingen herhaaldelijk moesten worden gewijzigd omdat de verbetering van de situatie van de plaatselijke besturen sinds 1992 stapsgewijs moest gebeuren. Zij is van mening dat alleen het gegeven dat sommige werkgevers de bijdrage moeten betalen die door de in het geding zijnde wetsbepaling is vastgesteld, terwijl anderen dat niet moeten doen, niet volstaat om aan te tonen dat de wet discriminerend zou zijn. A.4.
  13. In nog meer ondergeschikte orde voert de « Société wallonne des eaux » aan dat, indien het Hof zou oordelen dat het verschil in behandeling tussen de twee in A.3.1 geïdentificeerde categorieën van werkgevers discriminerend is, het in zijn dictum zou moeten aangeven dat de vaststelling van schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet tot gevolg heeft dat geen enkele van die werkgevers ertoe verplicht was bij te dragen in de financiering van de pensioenen van de personeelsleden van de plaatselijke overheden met toepassing van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993, zoals gewijzigd bij de wet van 25 april
  14. 8 Zij is van mening dat een redactionele vergissing vanwege de wetgevende macht niet ertoe kan leiden schade te berokkenen aan de personen die worden beoogd door de verkeerde tekst door hen ertoe te verplichten de door die vergissing veroorzaakte financiële last retroactief te dragen. A.4.
  15. In uiterst ondergeschikte orde vraagt de « Société wallonne des eaux » aan het Hof gebruik te maken van de bevoegdheid die artikel 28, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989) aan het Hof verleent, door aan te geven dat de vroegere gevolgen van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993, zoals gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, ten aanzien van de « Société wallonne des eaux » als definitief moeten worden beschouwd. Zij is van mening dat een arrest van het Hof waarin de ongrondwettigheid van de in het geding zijnde wetsbepaling wordt vastgesteld, alleen gevolgen zou kunnen hebben voor de bijdragen die verschuldigd zouden zijn vanaf de datum van dat arrest. Zij merkt op dat die bepaling is opgeheven bij artikel 54 van de wet van 24 oktober 2011, dat voorziet in specifieke financieringsmechanismen voor de herstructurering van plaatselijke besturen na 1 januari
  16. Zij motiveert haar verzoek voorts door de zorg dat, na bepaalde tijd, bestaande situaties niet meer in het gedrang zouden komen en dat de geschapen verwachtingen niet meer zouden worden doorkruist. A.4.
  17. De « Société wallonne des eaux » merkt ten slotte op dat, in tegenstelling tot wat de Federale Pensioendienst aanvoert, het niet mogelijk is een argument te halen uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 25 april 2007 om artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993, zoals gewijzigd bij de voormelde wet, zo te interpreteren dat de niet-plaatselijke openbare werkgever waarnaar statutaire personeelsleden zijn overgeheveld van een geherstructureerd plaatselijk bestuur dat, vóór die overdracht, was aangesloten bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden », ook ertoe gehouden is bij te dragen in de financiering van de pensioenen van de personeelsleden van de plaatselijke overheden. De « Société wallonne des eaux » onderstreept dat de duidelijke en nauwkeurige tekst van de in het geding zijnde wetsbepaling alleen de plaatselijke besturen beoogt die, vóór een dergelijke overdracht van hun personeel, waren aangesloten bij het « stelsel van de nieuwe aangeslotenen ». A.
  18. De Ministerraad gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.6.
  19. De Federale Pensioendienst voert aan dat het discriminerend is een niet-plaatselijke openbare werkgever waarnaar statutaire personeelsleden zijn overgeheveld van een geherstructureerd plaatselijk bestuur dat, vóór die overdracht, was aangesloten bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden », ertoe te verplichten bij te dragen in de financiering van de pensioenen van de personeelsleden van de plaatselijke overheden wanneer die overdracht heeft plaatsgehad na 31 december 2008, en hem daartoe niet te verplichten wanneer die overdracht heeft plaatsgehad tussen 1 januari 1993 en 1 januari
  20. A.6.
  21. De Federale Pensioendienst is van mening dat de situatie van een werkgever die personeel van een na 31 december 2008 geherstructureerd plaatselijk bestuur overneemt, vergelijkbaar is met de situatie van een werkgever die personeel overneemt van een tussen 1 januari 1993 en 1 januari 2009 geherstructureerd plaatselijk bestuur. In dat verband voert hij aan dat, gelet op de draagwijdte van de oorspronkelijke versie van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 en op de doelstelling die de federale wetgevende macht toen nastreefde, het bekritiseerde verschil in behandeling niet in overeenstemming is met de wil van die laatstgenoemde en slechts het resultaat is van een vergissing die is begaan tijdens de totstandkoming van de wet van 25 april
  22. Hij merkt op dat dat verschil in behandeling alleen bestaat vanwege het woord « plaatselijke » in artikel 161bis, § 1, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet, zoals gewijzigd bij artikel 20 van de wet van 25 april
  23. A.6.
  24. De Federale Pensioendienst zet vervolgens uiteen dat het verschil in behandeling onder werkgevers zoals beschreven in A.6.1, niet relevant is ten aanzien van het algemene doel van billijkheid dat door de wetgever werd nagestreefd bij de aanneming van de wet van 6 augustus 1993, namelijk voorkomen dat sommige plaatselijke besturen die zijn aangesloten bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden » de kostprijs moeten dragen van de pensioenen van personeelsleden van een andere plaatselijk bestuur dat is 9 aangesloten bij hetzelfde pensioenstelsel, die zijn overgeheveld naar niet-plaatselijke werkgevers bij de herstructurering van dat laatste bestuur. De Federale Pensioendienst is van mening dat dat doel van billijkheid zowel geldt voor de herstructureringen die hebben plaatsgehad vóór 1 januari 2009 als voor die welke hebben plaatsgehad na die datum. A.6.
  25. De Federale Pensioendienst zet ook uiteen dat de gevolgen van het in A.6.1 beschreven verschil in behandeling onevenredig zijn. Hij merkt op dat de werkgever die personeel van een vanaf 1 januari 2009 geherstructureerd plaatselijk bestuur heeft overgenomen, ertoe gehouden is op billijke en betekenisvolle wijze bij te dragen in de financiering van het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke besturen », terwijl de werkgever die personeel heeft overgenomen van een vóór die datum geherstructureerd lokaal bestuur, zelfs niet gedeeltelijk bijdraagt in die financiering, terwijl hij het voordeel geniet van de bijdragen betaald door de personeelsleden die zijn overgeheveld, zonder de kostprijs te moeten dragen van de pensioenen die worden toegekend aan de personeelsleden van dat bestuur die vóór de herstructurering reeds waren gepensioneerd. A.6.
  26. De Federale Pensioendienst is bijgevolg van mening dat het verschil in behandeling discriminerend is, zodat de in het geding zijnde wetsbepalingen in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Om de in A.3.5 aangegeven redenen is hij evenwel van mening dat een conforme interpretatie van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 toelaat het in A.6.1 vermelde verschil in behandeling te doen verdwijnen. Ten aanzien van de versie van artikel 161bis, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet en van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 die het Hof van Beroep te Brussel zou moeten toepassen in geval van een bevestigend antwoord op de tweede prejudiciële vraag, formuleert de Federale Pensioendienst dezelfde opmerking als die in verband met de gevolgen van een bevestigend antwoord op de eerste prejudiciële vraag (A.3.5). A.7.
  27. In hoofdorde voert de « Société wallonne des eaux » aan dat de respectieve situaties van de twee in de A.6.1 omschreven werkgevers niet vergelijkbaar zijn. Zij zet in dat verband uiteen dat het bekritiseerde verschil in behandeling voortvloeit uit de toepassing van overgangsbepalingen ingevoegd bij de artikelen 59 en 61 van de wet van 22 december 2008 « houdende diverse bepalingen (I) » (hierna : de wet van 22 december 2008), namelijk respectievelijk het tweede en het derde lid van artikel 161quater van de Nieuwe Gemeentewet en artikel 14bis van de wet van 6 augustus
  28. Uit die bepalingen vloeit voort dat de wijzigingen die in artikel 161bis, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet en in artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 zijn aangebracht bij de artikelen 58 en 60 van de wet van 22 december 2008 alleen van toepassing zijn op de herstructureringen van plaatselijke besturen die hebben plaatsgehad vanaf 1 januari
  29. De « Société wallonne des eaux » is van mening dat die overgangsbepalingen niet onverenigbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, daar het de wetgevende macht vrijstond te beslissen dat die wijzigingen alleen voor de toekomst zouden gelden. A.7.
  30. In ondergeschikte orde zet de « Société wallonne des eaux » uiteen dat, in de veronderstelling dat de situaties van de twee in A.6.1 geïdentificeerde categorieën van werkgevers vergelijkbaar zouden worden geacht, het verschil in behandeling tussen die twee categorieën van werkgevers daarom nog niet discriminerend is. Haar argumenten zijn identiek aan die welke zijn uiteengezet in A.4.
  31. A.7.
  32. In nog meer ondergeschikte orde voert de « Société wallonne des eaux » aan dat, indien het verschil in behandeling tussen de twee in A.6.1 geïdentificeerde categorieën van werkgevers door het Hof discriminerend wordt bevonden, het Hof in zijn dictum zou moeten aangeven dat de vaststelling van schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet tot gevolg heeft dat geen enkele van die werkgevers ertoe verplicht was bij te dragen in de financiering van de pensioenen van de personeelsleden van de plaatselijke overheden met toepassing van artikel 161bis, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet en van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993, zoals gewijzigd bij de wet van 25 april
  33. Zij is van mening dat een redactionele vergissing vanwege de wetgevende macht niet ertoe kan leiden schade te berokkenen aan de personen die worden beoogd door de verkeerde tekst door hen ertoe te verplichten de door die vergissing veroorzaakte financiële last retroactief te dragen. 10 A.7.
  34. In uiterst ondergeschikte orde en om de in A.4.4 vermelde redenen vraagt de « Société wallonne des eaux » aan het Hof aan te geven dat de vroegere gevolgen de van in het geding zijnde wetsbepalingen als definitief moeten worden beschouwd ten aanzien van de « Société wallonne des eaux ». A.
  35. De Ministerraad gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag A.9.
  36. De Federale Pensioendienst voert aan dat het discriminerend is een plaatselijk bestuur waarnaar statutaire personeelsleden zijn overgeheveld van een ander plaatselijk bestuur dat, vóór de herstructurering ervan, was aangesloten bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden », ertoe te verplichten bij te dragen in de financiering van de pensioenen van de personeelsleden van de plaatselijke overheden, terwijl een niet-plaatselijke openbare werkgever waarnaar hetzelfde soort personeel is overgeheveld, niet ertoe gehouden is in die financiering bij te dragen. A.9.
  37. De Federale Pensioendienst is van mening dat dat bestuur en die werkgever zich in vergelijkbare situaties bevinden, daar het in beide gevallen gaat om werkgevers die hetzelfde soort personeel overnemen en die niet zijn aangesloten bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden ». De Federale Pensioendienst preciseert dat de tweede categorie van werkgevers die in de derde prejudiciële vraag wordt geïdentificeerd, de « Société wallonne des eaux » omvat. A.9.
  38. De Federale Pensioendienst voert aan dat het in A.9.1 beschreven verschil in behandeling niet relevant is in het licht van het doel van de financiering van het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden » en van de wil om een billijke behandeling te verzekeren aan de plaatselijke overheden die, terwijl zij bij dat stelsel aangesloten blijven, bij ontstentenis van een bijdrage van de werkgever die personeel van het geherstructureerd plaatselijk bestuur overneemt, de pensioenlast van de personeelsleden van dat bestuur die vóór die herstructurering zijn gepensioneerd integraal zouden moeten dragen. De Federale Pensioendienst is van mening dat het risico voor het financieel evenwicht van het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden » en de aantasting van de billijkheid die voortvloeien uit de overname van het personeel van een geherstructureerd plaatselijk bestuur door een ander plaatselijk bestuur dat niet is aangesloten bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden », ook bestaan wanneer dat personeel wordt overgenomen door een niet-plaatselijke openbare werkgever. A.9.
  39. De Federale Pensioendienst verklaart dat geen enkele reden verantwoordt dat een niet-plaatselijke openbare werkgever, met name een « para-gewestelijke » instelling zoals de « Société wallonne des eaux », wordt vrijgesteld van de bijdrage in de financiering van het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden » wanneer hij personeel overneemt van een bij dat stelsel aangesloten plaatselijk bestuur. Hij merkt ook op dat er geen enkele reden is om de « Société wallonne des eaux » anders te behandelen dan andere niet-plaatselijke openbare werkgevers die personeel hebben overgenomen dat is aangesloten bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden ». Hij merkt in dat verband op dat artikel 12bis van de wet van 28 april 1958 « betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden » (hierna : de wet van 28 april 1958) een pensioenstelsel regelt dat vergelijkbaar is met de twee voormelde pensioenstelsels van de plaatselijke overheden, en voorziet in een bijdrage die vergelijkbaar is met die bepaald in artikel 14 van de wet van 6 augustus 1993 en in artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet. Hij merkt op dat artikel 12bis van de wet van 28 april 1958 reeds is toegepast in het kader van verschillende overdrachten van personeel van een nationale instelling van openbaar nut naar de gewesten, zonder dat hierover betwisting is gerezen ten aanzien van de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.9.
  40. De Federale Pensioendienst zet ook uiteen dat de gevolgen van het in A.9.1 beschreven verschil in behandeling onevenredig zijn omdat dat verschil tot gevolg heeft de last van de financiering van het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden » alleen te laten dragen door de plaatselijke besturen, en elke andere overnemer van personeel van een dergelijk bestuur vrij te stellen van enige bijdrage in die financiering. 11 A.9.
  41. De Federale Pensioendienst is derhalve van mening dat het verschil in behandeling discriminerend is, zodat de in het geding zijnde wetsbepalingen in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Om de in A.3.5 aangegeven redenen is hij evenwel van mening dat een conforme interpretatie van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 het in A.9.1 vermelde verschil in behandeling doet verdwijnen. Ten aanzien van de versie van artikel 161bis, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet en van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 die het Hof van Beroep te Brussel zou moeten toepassen in geval van een bevestigend antwoord op de prejudiciële vraag, formuleert de Federale Pensioendienst dezelfde opmerking als die in verband met de gevolgen van een bevestigend antwoord op de eerste prejudiciële vraag (A.3.5). A.10.
  42. In hoofdorde voert de « Société wallonne des eaux » aan dat de twee in A.9.1 beschreven werkgevers zich niet in vergelijkbare situaties bevinden. Zij is allereerst van mening dat de draagwijdte van de prejudiciële vraag dient te worden beperkt door de situatie van de eerste categorie van werkgevers alleen te vergelijken met de situatie van de « para-gewestelijke » instellingen. Zij legt uit dat het geschil dat ten grondslag ligt aan de prejudiciële vraag uitdrukkelijk betrekking heeft op een gewestelijke instelling beoogd in artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), met andere woorden een instelling waarvan de situatie, inzake pensioenen, niet kan worden vergeleken met die van andere publiekrechtelijke instellingen, zoals de plaatselijke overheden of federale instellingen. De « Société wallonne des eaux » zet in de tweede plaats uiteen dat een plaatselijk bestuur niet kan worden vergeleken met een « para-gewestelijke » instelling omdat het gaat om twee totaal verschillende werkgevers. Zij onderstreept in dat verband dat een dergelijke instelling zich nooit kan aansluiten bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden », terwijl een plaatselijk bestuur dat personeel overneemt van wie het pensioen valt onder dat stelsel, kan kiezen tussen de beëindiging van de aansluiting van dat personeel en het behoud van de band tussen dat personeel en dat pensioenstelsel, met dien verstande dat zij in dat laatste geval de bij de in het geding zijnde bepalingen vastgestelde bijdrage niet verschuldigd zal zijn en een subsidie van de Staat zal kunnen genieten. De « Société wallonne des eaux » onderstreept eveneens dat het pensioen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke besturen een exclusieve federale aangelegenheid is, terwijl het pensioen van het personeel van de « para-gewestelijke » instellingen uitsluitend ressorteert onder de bevoegdheid van de gewesten. A.10.
  43. In ondergeschikte orde zet de « Société wallonne des eaux » uiteen dat, in de veronderstelling dat de situaties van de twee in A.9.1 geïdentificeerde categorieën van werkgevers vergelijkbaar zouden worden geacht, het verschil in behandeling tussen die twee categorieën van werkgevers daarom nog niet discriminerend is. Haar argumenten zijn identiek aan die welke zijn uiteengezet in A.4.
  44. A.10.
  45. In nog meer ondergeschikte orde voert de « Société wallonne des eaux » aan dat, indien het Hof het verschil in behandeling tussen de twee in A.9.1 geïdentificeerde categorieën van werkgevers discriminerend zou bevinden, het in zijn dictum zou moeten aangeven dat de vaststelling van schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet tot gevolg heeft dat geen enkele van die werkgevers ertoe verplicht was bij te dragen in de financiering van de pensioenen van de personeelsleden van de plaatselijke overheden met toepassing van artikel 161bis, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 25 april
  46. Zij is van mening dat een redactionele vergissing vanwege de wetgevende macht niet ertoe kan leiden schade te berokkenen aan de personen die worden beoogd door de verkeerde tekst door hen ertoe te verplichten de door die vergissing veroorzaakte financiële last retroactief te dragen. A.10.
  47. In uiterst ondergeschikte orde en om de in A.4.4 vermelde redenen vraagt de « Société wallonne des eaux » aan het Hof aan te geven dat de vroegere gevolgen van de in het geding zijnde wetsbepaling als definitief moeten worden beschouwd ten aanzien van de « Société wallonne des eaux ». A.
  48. De Ministerraad is van mening dat de draagwijdte van de prejudiciële vraag niet moet worden beperkt in de zin die de « Société wallonne des eaux » aangeeft. Hij is van mening dat die vraag relevant is daar die instelling een niet-plaatselijke openbare werkgever is in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 6 augustus
  49. Voor het overige gedraagt hij zich naar de wijsheid van het Hof 12 Ten aanzien van de door de « Société wallonne des eaux » geformuleerde prejudiciële vraag A.
  50. De « Société wallonne des eaux » verzoekt het Hof te antwoorden op een andere prejudiciële vraag, die zij in haar memorie formuleert. Die vraag heeft betrekking op de verenigbaarheid van artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet en van artikel 14 van de wet van 6 augustus 1993 met artikel 35 van de Grondwet en met artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus
  51. De « Société wallonne des eaux » zet uiteen dat de in het geding zijnde wetsbepalingen de bevoegheidsverdeling tussen de federale overheid en de gewesten aantasten, in zoverre die bepalingen zo worden geïnterpreteerd dat zij de « Société wallonne des eaux » beogen. A.
  52. De Federale Pensioendienst is van mening dat die prejudiciële vraag niet dient te worden beantwoord, omdat alleen de rechtscolleges prejudiciële vragen aan het Hof mogen richten en omdat de partijen bij een voor het Hof hangende procedure de draagwijdte of de inhoud van een gestelde prejudiciële vraag niet mogen wijzigen. Hij merkt ook op dat de verwijzingsbeslissing de uitdrukkelijke weigering bevat om aan het Hof een vraag te stellen over de bestaanbaarheid van artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet en van artikel 14 van de wet van 6 augustus 1993 met de bevoegdheidverdelende regels. Ten slotte zet hij uiteen dat die wetsbepalingen geenszins inbreuk maken op een gewestbevoegdheid, maar het pensioenstelsel regelen van het personeel van de ondergeschikte besturen, hetgeen een federale aangelegenheid is gebleven. A.
  53. De Ministerraad is eveneens van mening dat de prejudiciële vraag die de « Société wallonne des eaux » suggereert, niet ontvankelijk is omdat zij niet is geformuleerd in de verwijzingsbeslissing, die, volgens artikel 27 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, de akte is waarmee een zaak bij het Hof aanhangig wordt gemaakt. Hij merkt ook op dat het arrest nr. 71/2013 bevestigt dat de federale overheid bevoegd was om de in het geding zijnde wetsbepalingen aan te nemen. -B- B.
  54. Uit de uiteenzetting van de drie prejudiciële vragen die in de verwijzingsbeslissing worden gesteld alsook uit de motivering van die beslissing blijkt dat het Hof wordt ondervraagd over de grondwettigheid van artikel 161bis, § 1, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet en van artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1993 « betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen » (hierna : de wet van 6 augustus 1993), zoals zij waren geformuleerd na de wijziging ervan bij de artikelen 20 en 27 van de wet van 25 april 2007 « betreffende de pensioenen van de openbare sector » (hierna : de wet van 25 april 2007). 13 Ten aanzien van de door de « Société wallonne des eaux » geformuleerde prejudiciële vraag B.2.
  55. Uit artikel 142, derde lid, van de Grondwet, alsook uit de artikelen 26 tot 30 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989), blijkt dat alleen rechtscolleges gemachtigd zijn om aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen. B.2.
  56. De prejudiciële vraag die voor het Hof werd geformuleerd door de « Société wallonne des eaux », is bijgevolg niet ontvankelijk. Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.
  57. Na de wijziging ervan bij artikel 153 van de wet van 25 januari 1999 « houdende sociale bepalingen », bepaalde artikel 161, eerste en tweede lid, van de Nieuwe Gemeentewet : « De gemeenten die voordien aangesloten waren bij de Omslagkas voor gemeentelijke pensioenen zoals bedoeld in artikel 4 van de wet van 25 april 1933 omtrent de pensioenregeling van het gemeentepersoneel, vóór zijn opheffing door het koninklijk besluit nr. 491 van 31 december 1986, zijn van rechtswege aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen. De gemeenten die niet rechtstreeks of door tussenkomst van een voorzorgsinstelling de betaling van het pensioen van hun personeel alsmede van het pensioen der weduwen en wezen op zich nemen, alsmede de provincies, wat de brigadecornmissarissen betreft, worden inzake de pensioenregeling aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen ». B.
  58. Artikel 161bis, § 1, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet, zoals ingevoegd bij artikel 75 van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen », bepaalde : « Wanneer, ten gevolge van de herstructurering of de afschaffing van een plaatselijke overheidsdienst die inzake pensioenen aangesloten is bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, personeel van deze overheidsdienst overgeheveld wordt naar een of meer andere plaatselijke overheidsdiensten die niet deelnemen 14 aan het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden, zijn deze andere overheidsdiensten, vanaf de datum van de herstructurering of de afschaffing, ertoe gehouden bij te dragen in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van de geherstructureerde of afgeschafte plaatselijke overheidsdienst die in deze hoedanigheid gepensioneerd werden vóór de herstructurering of de afschaffing ervan. […] ». B.
  59. Oorspronkelijk bepaalde artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1993 : « Wanneer, hetzij ten gevolge van een overdracht van alle activiteiten of van bepaalde activiteiten van een plaatselijk bestuur dat inzake pensioenen aangesloten is bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, hetzij ten gevolge van de herstructurering of de afschaffing van een dergelijk plaatselijk bestuur, personeel van dit bestuur, al naar gelang het geval, overgeheveld wordt naar één of meer privé- of openbare werkgevers die niet kunnen deelnemen aan het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de lokale overheden, gedetacheerd wordt bij dergelijke werkgevers of door deze gebezigd wordt, zijn deze laatste ertoe gehouden bij te dragen in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van het plaatselijk bestuur die in deze hoedanigheid gepensioneerd werden vóór de overdracht van activiteiten, de herstructurering of de afschaffing. […] ». B.6.
  60. In de eerste zin van artikel 161bis, § 1, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet, weergegeven in B.4, vervangt artikel 20 van de wet van 25 april 2007 de woorden « bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten » door de woorden « bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden » en, in de Franse tekstversie, de woorden « régime de pension commun » door de woorden « régime commun de pension ». Die wijzingen zijn in werking getreden op de eerste dag van de maand na de bekendmaking van artikel 20 van de wet van 25 april 2007 (artikel 74 van die wet), dat wil zeggen op 1 juni
  61. B.6.
  62. In de eerste zin van artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1993, weergegeven in B.5, vervangt artikel 27 van de wet van 25 april 2007 de woorden « bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten » door de woorden « bij het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen », en de woorden « niet kunnen deelnemen aan het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de lokale overheden » door de woorden « niet deelnemen aan het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen ». 15 Die wijzingen zijn in werking getreden op de eerste dag van de maand na de bekendmaking van artikel 27 van de wet van 25 april 2007 (artikel 74 van die wet), dat wil zeggen op 1 juni
  63. B.
  64. Vóór de opheffing ervan bij artikel 54, 2°), van de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen » (hierna : de wet van 24 oktober 2011), definieerde de wet van 6 augustus 1993 : - het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de lokale overheden » als « het stelsel waarbij de personeelsleden van de plaatselijke besturen zijn aangesloten, met toepassing van artikel 161, eerste en tweede lid, van de nieuwe gemeentewet » (artikel 1, c), van de wet van 6 augustus 1993, dat artikel 1bis, c), van dezelfde wet is geworden krachtens artikel 36, 3°, van de wet van 6 mei 2002 « tot oprichting van het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid »); - het « stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen » als « het stelsel waarbij de plaatselijke besturen met toepassing [van de wet van 6 augustus 1993], bij de Rijksdienst het geheel of een gedeelte van hun vastbenoemde personeelsleden zullen aansluiten » (artikel 1, d), van de wet van 6 augustus 1993, dat artikel 1bis, d), van dezelfde wet is geworden krachtens artikel 36, 3°, van de wet van 6 mei 2002). B.8.
  65. Artikel 58 van de wet van 22 december 2008 « houdende diverse bepalingen (I) » (hierna : de wet van 22 december 2008) vervangt artikel 161bis, § 1, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet. Artikel 59 van de wet van 22 december 2008 voegt aan artikel 161quater van de Nieuwe Gemeentewet een tweede en een derde lid toe, die bepalen : « De bepalingen van de paragrafen 1 tot 3 van artikel 161bis, zoals gewijzigd bij artikel 58 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I), zijn uitsluitend van 16 toepassing op de plaatselijke besturen waarin vanaf 1 januari 2009 een herstructurering of een afschaffing heeft plaatsgevonden. De bepalingen van artikel 161bis, zoals ze luidden vóór ze bij hetzelfde artikel 58 werden gewijzigd, blijven van toepassing op de herstructureringen en de afschaffingen die tussen 1 januari 1993 en 1 januari 2009 hebben plaatsgevonden ». Uit het derde lid van artikel 161quater van de Nieuwe Gemeentewet blijkt dat artikel 161bis, § 1, eerste lid, van die wet, zoals het was geformuleerd na de wijziging ervan bij artikel 20 van de wet van 25 april 2007, van toepassing is gebleven ondanks de vervanging ervan bij artikel 58 van de wet van 22 december
  66. B.8.
  67. Bij artikel 54, 1°), van de wet van 24 oktober 2011 worden onder meer de artikelen 161bis en 161quater van de Nieuwe Gemeentewet opgeheven. Artikel 55, eerste lid, van de wet van 24 oktober 2011, zoals vervangen bij artikel 112 van de programmawet van 22 juni 2012, bepaalt : « De bepalingen van de artikelen 161bis, 161ter en 161quater van de nieuwe gemeentewet, zoals deze luidden vóór de opheffing ervan door artikel 54 van deze wet, blijven van toepassing op personeelsoverdrachten die vóór de inwerkingtreding van deze wet hebben plaatsgevonden ». Uit die bepaling, die nog steeds van kracht is, blijkt dat het derde lid van artikel 161quater van de Nieuwe Gemeentewet, weergegeven in B.8.1, thans van toepassing blijft, zodat artikel 161bis, § 1, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet, zoals het was geformuleerd na de wijziging ervan bij de wet van 25 april 2007 en vóór de vervanging ervan bij artikel 58 van de wet van 22 december 2008, thans van toepassing blijft op de herstructureringen die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari
  68. B.9.
  69. Artikel 60 van de wet van 22 december 2008 vervangt artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 6 december
  70. Artikel 61 van de wet van 22 december 2008 voegt in de wet van 6 augustus 1993 een artikel 14bis in, dat bepaalt : 17 « De bepalingen van artikel 14, §§ 1 tot 4, zoals gewijzigd bij artikel 60 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I), zijn uitsluitend van toepassing op de plaatselijke besturen waarin vanaf 1 januari 2009 een overdracht van activiteiten, een herstructurering of een afschaffing heeft plaatsgevonden. De bepalingen van artikel 14, zoals zij luidden vóór ze bij hetzelfde artikel 60 werden gewijzigd, blijven van toepassing op de overdrachten van activiteiten, de herstructureringen en de afschaffingen die tussen 1 januari 1993 en 1 januari 2009 hebben plaatsgevonden ». Uit het tweede lid van artikel 14bis van de wet van 6 augustus 1993 blijkt dat artikel 14, § 1, eerste lid, van die wet, zoals het was geformuleerd na de wijziging ervan bij artikel 27 van de wet van de 25 april 2007, van toepassing is gebleven ondanks de vervanging ervan bij artikel 60 van de wet van 22 december
  71. B.9.
  72. Bij artikel 54, 2°), van de wet van 24 oktober 2011 wordt de wet van 6 augustus 1993 opgeheven. Artikel 55, tweede lid, van de wet van 24 oktober 2011, zoals vervangen bij artikel 112 van de programmawet van 22 juni 2012, bepaalt : « De bepalingen van de artikelen 14, 14bis en 15 van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen, zoals deze luidden vóór de opheffing ervan door artikel 54 van deze wet, blijven van toepassing op personeelsoverdrachten die vóór de inwerkingtreding van deze wet hebben plaatsgevonden ». Uit die bepaling, die nog steeds van kracht is, blijkt dat artikel 14bis van de wet van 6 augustus 1993, weergegeven in B.9.1, thans van toepassing blijft, zodat artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1993, zoals het was geformuleerd na de wijziging ervan bij de wet van 25 april 2007 en vóór de vervanging ervan bij artikel 60 van de wet van 22 december 2008, thans van toepassing blijft op de herstructureringen die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari
  73. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
  74. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 14, § 1, eerste lid, eerste zin, van de wet van 6 augustus 1993, zoals gewijzigd bij artikel 27 van de wet van 25 april 2007, met de 18 artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de in het geding zijnde wetsbepaling een verschil in behandeling doet ontstaan tussen twee categorieën van niet-plaatselijke openbare werkgevers waarnaar statutaire personeelsleden van een tussen 1 januari 1993 en 31 december 2008 geherstructureerd plaatselijk bestuur zijn overgeheveld : enerzijds, de werkgevers waarnaar personeel is overgeheveld van een bestuur dat, vóór die overheveling, aangesloten was bij het « stelsel van de nieuwe aangeslotenen » van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en, anderzijds, de werkgevers waarnaar personeel is overgeheveld van een bestuur dat, vóór die overheveling, aangesloten was bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden ». Gelet op de duidelijke bewoordingen van de in het geding zijnde wetsbepaling, zijn alleen de werkgevers van de eerste categorie ertoe gehouden bij te dragen in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van het plaatselijk bestuur die in die hoedanigheid gepensioneerd werden vóór de herstructurering van dat bestuur. B.
  75. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.12.
  76. Om de bestaanbaarheid van een wetskrachtige norm met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te beoordelen, onderzoekt het Hof eerst of de categorieën van personen ten aanzien van wie een ongelijkheid wordt aangevoerd, in voldoende mate vergelijkbaar zijn. B.12.
  77. Zoals in herinnering werd gebracht tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 27 van de wet van 25 april 2007, gold de verplichting om bij te dragen in de last van de rustpensioenen, zoals uitgedrukt in de oorspronkelijke versie van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 – weergegeven in B.5 – zowel voor een niet-plaatselijke openbare werkgever waarnaar personeelsleden waren overgeheveld van een plaatselijk bestuur dat aangesloten was bij 19 het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden » als voor een niet-plaatselijke openbare werkgever waarnaar personeelsleden waren overgeheveld van een plaatselijk bestuur dat aangesloten was bij het « stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2877/001, p. 15). De twee in B.10 omschreven categorieën van personen zijn dus voldoende vergelijkbaar in het licht van de in het geding zijnde maatregel. B.
  78. Het doel van de verplichting om bij te dragen in de last van de rustpensioenen, die was vastgelegd in de oorspronkelijke versie van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993, bestond erin de handelwijze tegen te gaan van bepaalde plaatselijke besturen die, als aangeslotenen bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden » van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, leden van hun personeel overhevelden naar een werkgever die niet deelnam aan de financiering van dat stelsel, hetgeen « tot gevolg [had] dat het financieel evenwicht van dit pensioenstelsel in gevaar [werd] gebracht » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 1012/1, pp. 5-6). Zoals in B.12.2 is vermeld, deed die eerste versie van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 dus niet het in B.10 vermelde verschil in behandeling ontstaan, aangezien de twee categorieën van werkgevers die erin worden omschreven, op dezelfde manier werden behandeld. B.
  79. Dat verschil in behandeling is ontstaan uit de vervanging, in de eerste zin van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993, van de woorden « bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten » door de woorden « bij het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen », die volgt uit artikel 27 van de wet van 25 april
  80. Die wijziging van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 had niet tot doel de oorspronkelijke doelstelling die door de wetgever werd nagestreefd met de invoering van een verplichting tot bijdrage in de financiering van de last van de rustpensioenen – vermeld in B.13 - opnieuw ter discussie te stellen. Het doel dat wordt aangevoerd om die wijziging van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 te rechtvaardigen, was een « leemte » op te vullen die voortkwam uit het feit 20 dat die bepaling niet de werkgever beoogde die niet aangesloten was bij het « stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen » maar die zich daarbij had kunnen aansluiten (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2877/001, pp. 15-16). B.
  81. Dat doel kan geen redelijke verantwoording vormen voor het in B.10 omschreven verschil in behandeling. B.
  82. In zoverre de verplichting die het vastlegt niet rust op de niet-plaatselijke openbare werkgevers waarnaar personeelsleden zijn overgeheveld van een bestuur dat, vóór die overheveling, aangesloten was bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden », is artikel 14, § 1, eerste lid, eerste zin, van de wet van 6 augustus 1993, zoals gewijzigd bij artikel 27 van de wet van 25 april 2007, niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.17.
  83. Artikel 28, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de bijzondere wet van 25 december 2016, bepaalt : « Zo het Hof dit nodig oordeelt, wijst het, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de ongrondwettig bevonden bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt ». B.17.
  84. Zoals in B.9.2 is vermeld, blijft, met toepassing van artikel 55, tweede lid, van de wet van 24 oktober 2011, artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1993 van toepassing in de mate als aangegeven in artikel 14bis van dezelfde wet, dat in B.9.1 is weergegeven. Het argument dat de « Société wallonne des eaux » afleidt uit de omstandigheid dat de wet van 24 oktober 2011 de wet van 6 augustus 1993 heeft opgeheven, laat het Hof dus niet toe te oordelen dat het « nodig » is te beslissen dat de gevolgen van de in het geding zijnde wetsbepaling als gehandhaafd moeten worden beschouwd in zoverre de verplichting die zij vastlegt niet geldt voor de niet-plaatselijke openbare werkgevers waarnaar personeelsleden zijn overgeheveld van een geherstructureerd bestuur dat, vóór die overheveling, aangesloten was bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden ». 21 Bovendien zou het als gehandhaafd beschouwen van de gevolgen van de in het geding zijnde wetsbepaling, in zoverre zij het in B.10 beschreven verschil in behandeling, dat als discriminerend wordt beschouwd, doet ontstaan, een weerslag hebben op de financiering van het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden », die men met de verplichting vastgelegd in artikel 14 van de wet van 6 augustus 1993 precies wilde beschermen, zoals in B.13 is vermeld. B.17.
  85. Er dient dus niet te worden aangegeven dat bepaalde gevolgen van artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1993, zoals gewijzigd bij artikel 27 van de wet van 25 april 2007, als gehandhaafd moeten worden beschouwd. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
  86. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 161bis, § 1, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet en van artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1993, zoals zij werden gewijzigd bij de artikelen 20 en 27 van de wet van 25 april 2007, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre die wetsbepalingen een verschil in behandeling zouden doen ontstaan tussen twee categorieën van niet-plaatselijke werkgevers die « personeel […] hebben overgenomen » van een plaatselijk bestuur dat aangesloten is bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden : enerzijds, diegenen die moeten bijdragen in de last van de rustpensioenen van voormalige personeelsleden van dat bestuur en, anderzijds, diegenen die die verplichting niet hebben. B.19.
  87. De bijdrage in de last van de rustpensioenen die is vastgelegd bij artikel 161bis, § 1, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet, zoals gewijzigd bij artikel 20 van de wet van 25 april 2007, heeft enkel betrekking op de « plaatselijke overheidsdiensten » waarnaar personeelsleden van een andere « plaatselijke overheidsdienst » worden overgeheveld. Die wetsbepaling legt dus geen bijdrage vast ten laste van niet-plaatselijke werkgevers. B.19.
  88. De bijdrage in de last van de rustpensioenen die is vastgelegd bij artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1993, zoals gewijzigd bij artikel 27 van de wet van 25 april 22 2007, heeft enkel betrekking op de overheveling van de personeelsleden van een plaatselijk bestuur dat « aangesloten is bij het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen ». Die wetsbepaling legt dus geen bijdrage vast ten laste van werkgevers die « personeel […] hebben overgenomen » van een plaatselijk bestuur « dat aangesloten is bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden ». B.
  89. De in het geding zijnde wetsbepalingen doen dus niet het in de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling tussen werkgevers ontstaan. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag B.
  90. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 161bis, § 1, eerste lid, eerste zin, van de Nieuwe Gemeentewet, zoals gewijzigd bij artikel 20 van de wet van 25 april 2007, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de in het geding zijnde wetsbepaling een verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, een plaatselijk bestuur dat niet aangesloten is bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden » waarnaar statutaire personeelsleden worden overgeheveld van een plaatselijk bestuur dat tussen 1 januari 1993 en 31 december 2008 is geherstructureerd en dat aangesloten is bij dat pensioenstelsel en, anderzijds, een niet-plaatselijke openbare werkgever waarnaar personen worden overgeheveld die zich in dezelfde situatie bevinden. Volgens de in het geding zijnde wetsbepaling is alleen het plaatselijk bestuur waarnaar personeelsleden van het geherstructureerde bestuur worden overgeheveld, ertoe gehouden bij te dragen in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van dat laatste bestuur die in die hoedanigheid werden gepensioneerd vóór de herstructurering. B.
  91. Zoals tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 27 van de wet van 25 april 2007 in herinnering werd gebracht, waren zowel het plaatselijk bestuur dat niet aangesloten was bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden » en waarnaar statutaire personeelsleden waren overgeheveld van een geherstructureerd plaatselijk bestuur dat wel bij dat pensioenstelsel aangesloten was, als de niet-plaatselijke openbare werkgever die niet 23 bij dat stelsel aangesloten was en waarnaar personen die zich in dezelfde situatie bevinden, waren overgeheveld, vóór de inwerkingtreding van die wet, ertoe gehouden bij te dragen in de last van de rustpensioenen van personeelsleden van het geherstructureerde plaatselijk bestuur die in die hoedanigheid gepensioneerd werden vóór die herstructurering. Die verplichting vloeide, in het eerste geval, voort uit artikel 161bis, § 1, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet, weergegeven in B.4, en, in het tweede, uit artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1993, weergegeven in B.5 (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2877/001, p. 15). De twee in B.21 omschreven categorieën van personen zijn dus voldoende vergelijkbaar in het licht van de in het geding zijnde maatregel. B.23.
  92. Het doel van de verplichting om bij te dragen in de last van de rustpensioenen, die was vastgelegd in de oorspronkelijke versie van artikel 161bis, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet, bestond erin de handelwijze tegen te gaan van bepaalde plaatselijke besturen die, als aangeslotenen bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden » van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, leden van hun personeel overhevelden naar een ander plaatselijk bestuur dat niet deelnam aan de financiering van dat stelsel, hetgeen tot gevolg had dat het financieel evenwicht van het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden in gevaar werd gebracht (Parl. St., Senaat, 1992- 1993, nr. 526/1, pp. 24-25; ibid., nr. 526/4, pp. 1-3; Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 752/10, pp. 1-3). De in B.6.1 vermelde wijzigingen die bij artikel 20 van de wet van 25 april 2007 zijn aangebracht in artikel 161bis, § 1, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet, tasten de draagwijdte van die verplichting niet aan in het geval van de herstructurering van een plaatselijk bestuur dat aangesloten is bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden. De parlementaire voorbereiding van de wet van 25 april 2007 geeft niet aan dat de wetgever het doel van die verplichting ter discussie wilde stellen. B.23.
  93. Het doel dat door de wetgever werd nagestreefd bij de aanneming van de oorspronkelijke versie van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993, was identiek. Vanuit het perspectief dat men moest vermijden het financieel evenwicht van hetzelfde pensioenstelsel in 24 gevaar te brengen, ging het toen erom, « uit billijkheidsoverwegingen », de draagwijdte van de bij artikel 161bis, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet ingevoerde bijdrageverplichting uit te breiden tot, onder meer, de overheveling van personeel van een plaatselijk bestuur dat aangesloten was bij het gemeenschappelijk stelsel naar niet-plaatselijke openbare werkgevers die niet deelnamen aan het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden, « zoals pararegionalen » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 1012/1, pp. 5-6). Ingevolge de inwerkingtreding van die eerste versie van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 werden de twee in B.21 omschreven categorieën van werkgevers dus op dezelfde manier behandeld. B.
  94. Het in B.21 vermelde verschil in behandeling is ontstaan bij de vervanging, in de eerste zin van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993, van de woorden « bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten » door de woorden « bij het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen », die volgt uit artikel 27 van de wet van 25 april
  95. Die wijziging van artikel 14, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 had niet tot doel de oorspronkelijke doelstelling die door de wetgever werd nagestreefd met de invoering van een verplichting tot bijdrage in de financiering van de last van de rustpensioenen, vermeld in B.23, opnieuw ter discussie te stellen. Het doel dat werd aangevoerd om die wijziging te rechtvaardigen, was een « leemte » op te vullen die voortkwam uit het feit dat die bepaling niet de werkgever beoogde die niet aangesloten was bij het « stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen » maar die zich daarbij had kunnen aansluiten (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2877/001, pp. 15-16). B.
  96. Dat doel kan geen redelijke verantwoording vormen voor het in B.21 omschreven verschil in behandeling. B.
  97. In zoverre de bijdrageverplichting die het vastlegt in geval van overheveling van personeelsleden van een geherstructureerd bestuur dat aangesloten was bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden », niet rust op de niet-plaatselijke openbare werkgevers, is artikel 161bis, § 1, eerste lid, eerste zin, van de Nieuwe 25 Gemeentewet, zoals gewijzigd bij artikel 20 van de wet van 25 april 2007, niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.27.
  98. Zoals in B.9.1 is vermeld, blijft, met toepassing van artikel 55, eerste lid, van de wet van 24 oktober 2011, artikel 161bis, § 1, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet van toepassing in de mate als aangegeven in artikel 161quater, tweede en derde lid, van dezelfde wet, dat in B.8.1 is weergegeven. Het argument dat de « Société wallonne des eaux » afleidt uit de omstandigheid dat de wet van 24 oktober 2011 artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet heeft opgeheven, laat het Hof dus niet toe te oordelen dat het « nodig » is te beslissen, met toepassing van artikel 28, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, dat de gevolgen van de in het geding zijnde wetsbepaling als gehandhaafd moeten worden beschouwd in zoverre de verplichting die zij vastlegt niet geldt voor de niet-plaatselijke openbare werkgevers waarnaar personeelsleden zijn overgeheveld van een bestuur dat, vóór die overheveling, aangesloten was bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden ». Bovendien zou het als gehandhaafd beschouwen van de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij het in B.21 beschreven verschil in behandeling, dat als discriminerend wordt beschouwd, doet ontstaan, een weerslag hebben op de financiering van het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden », die men met de verplichting vastgelegd in artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet precies wilde beschermen, zoals in B.23 is vermeld. B.27.
  99. Er dient dus niet te worden aangegeven dat bepaalde gevolgen van artikel 161bis, § 1, eerste lid, van de Nieuwe Gemeentewet, zoals gewijzigd bij artikel 20 van de wet van 25 april 2007, als gehandhaafd moeten worden beschouwd. 26 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 14, § 1, eerste lid, eerste zin, van de wet van 6 augustus 1993 « betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen », zoals gewijzigd bij artikel 27 van de wet van 25 april 2007 « betreffende de pensioenen van de openbare sector », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de verplichting die het vastlegt niet rust op de niet-plaatselijke openbare werkgevers waarnaar personeelsleden zijn overgeheveld van een geherstructureerd bestuur dat, vóór die overheveling, aangesloten was bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden ». - Artikel 161bis, § 1, eerste lid, eerste zin, van de Nieuwe Gemeentewet, zoals gewijzigd bij artikel 20 van de wet van 25 april 2007, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bijdrageverplichting die het vastlegt in geval van overheveling van personeelsleden van een geherstructureerd bestuur dat aangesloten was bij het « gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden », niet rust op de niet-plaatselijke openbare werkgevers. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 24 februari
  100. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.