id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.033 Arrest- Rolnummer: 33/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 860 - laatst gezien 2026-06-19 17:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van het beroep (onder voorbehoud van de in B.14.5 vermelde interpretatie en rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.46.3) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 22 mei 2019 « tot wijziging van diverse bepalingen wat het politionele informatiebeheer betreft », ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains ». Publiek recht - Politie - Politioneel informatiebeheer - Verwerking van persoonsgegevens - 1. Gevoelige gegevens - a. doeleinden van de verwerking van gezondheidsgegevens en van genetische gegevens - b. bewaringstermijn van de gegevens - c. waarborgen - d. recht op toegang tot de gegevens en rechtsmiddelen - 2. Koppeling van databanken - 3. Verwerking van gegevens betreffende personen die het voorwerp uitmaken van een bestuurlijke maatregel - 4. Bewaring en archivering van gegevens - 5. Verwittigen van het Controleorgaan in geval van aanmaak of wijzigingen betreffende een bijzondere gegevensbank - 6. Rechtstreekse toegang van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tot de algemene nationale gegevensbank - 7. Advies van het Controleorgaan in geval van mededeling van gegevens aan openbare overheden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 33/2022 van 10 maart 2022 Rolnummer : 7330 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 22 mei 2019 « tot wijziging van diverse bepalingen wat het politionele informatiebeheer betreft », ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 december 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 december 2019, heeft de vzw « Ligue des droits humains », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Forget, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4, 7, 8, 13, 14, 21 en 22 van de wet van 22 mei 2019 « tot wijziging van diverse bepalingen wat het politionele informatiebeheer betreft » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 juni 2019). De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Lombaert, Mr. S. Adriaenssen en Mr. J. Simba, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 20 oktober 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Detienne en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 10 november 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. 2 Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 10 november 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het enige middel A.1. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 14, 15, 16, 17 en 28 van de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad » (hierna : de Politierichtlijn), en van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 47 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de algemene rechtsbeginselen van evenredigheid, transparantie, voorzienbaarheid, wettigheid en gelijkheid. Het bestaat uit zeven onderdelen. A.2. De Ministerraad werpt de niet-ontvankelijkheid van het enige middel op wegens, enerzijds, de rechtstreekse toetsing aan de bepalingen van de Politierichtlijn waartoe het Hof wordt verzocht en, anderzijds, het ontbreken van een uiteenzetting van de grieven. Hij wijst erop dat de bestreden wet in een algemeen wettelijk kader past dat de inachtneming van de rechten en vrijheden op structurele wijze beoogt te verzekeren. Hij verwijst naar de waarborgen die zijn vastgelegd bij de artikelen 28, 29 en 65, 2°, van de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens » (hierna : de wet van 30 juli 2018), bij de titels 5 en 7 van dezelfde wet, bij artikel 144 van de wet van 7 december 1998 « tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus » en bij de artikelen 44/1 tot 44/11/13 van de wet van 5 augustus 1992 « op het politieambt » (hierna : de wet op het politieambt). A.3. De verzoekende partij zet uiteen dat uit de uiteenzetting van het enige middel blijkt dat het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de andere referentienormen die zij aanvoert. Wat de bijzondere categorieën van gegevens betreft (artikel 44/1, § 2, van de wet op het politieambt) A.4. In het eerste onderdeel van het enige middel klaagt de verzoekende partij aan dat artikel 44/1 van de wet op het politieambt, zoals gewijzigd bij artikel 4 van de bestreden wet, de verwerking, door de politiediensten, van de bijzondere categorieën van gegevens, met name de biometrische gegevens, de gegevens betreffende gezondheid en de genetische gegevens, niet tot het strikt noodzakelijke beperkt. Wat de biometrische gegevens betreft, doet de verzoekende partij gelden dat de bewaartermijn van die gegevens niet proportioneel is en dat het ontbreken van een verbod om die gegevens door te zenden, strijdig is met overweging 37 van de Politierichtlijn. Wat de gezondheidsgegevens betreft, voert de verzoekende partij aan dat het doel van de verwerking is uitgedrukt in bewoordingen die niet voldoen aan het wettigheidscriterium. Zij onderstreept dat, in zijn advies nr. 9/2018 van 12 december 2018, het Controleorgaan op de politionele informatie (hierna : het Controleorgaan) de wetgever heeft verzocht om de bewoordingen « het begrijpen van de omstandigheden waarin de betrokken 3 persoon zich bevindt » te verduidelijken. Overigens is, volgens de verzoekende partij, de bewaartermijn van de gezondheidsgegevens, niet proportioneel. Zij voert daarnaast aan dat de bestreden bepaling niet in strengere toegangsvoorwaarden voorziet voor de verwerking van gezondheidsgegevens, noch in een verbod om die gegevens door te zenden, wat strijdig is met de Politierichtlijn. Zij is ten slotte van mening dat de bestreden bepaling zou moeten voorzien in criteria voor de beoordeling van de kwaliteit van de gezondheidsgegevens, in een procedure voor validering en in een mechanisme van voorafgaande kennisgeving aan het Controleorgaan. Wat de genetische gegevens betreft, doet de verzoekende partij gelden dat het doel van de verwerking te ruim is en niet toelaat te beoordelen of de bewaartermijn van die gegevens gerechtvaardigd is. Zij doet eveneens gelden dat de bestreden bepaling niet erin voorziet het verzamelen van genetische gegevens te beperken tot « die welke verband houden met de betrokkene », noch in strengere toegangsvoorwaarden voor de verwerking van gezondheidsgegevens, noch in een verbod om die gegevens door te zenden. Zij voert aan dat er voor de verwerking van genetische of biometrische gegevens striktere beveiligingsvereisten nodig zijn. De verzoekende partij zet overigens uiteen dat de wetgever heeft nagelaten de in de artikelen 14, 15 en 17 van de Politierichtlijn bepaalde regels om te zetten betreffende de rechten van de betrokkene om de gegevens in te zien bij de verwerkingsverantwoordelijke en de toezichthoudende autoriteit, die nochtans een essentiële voorwaarde zijn voor de uitoefening van het recht op een daadwerkelijk beroep. De verzoekende partij vraagt het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vragen te stellen : « Kunnen de artikelen 42, § 2, en 38, § 2, van de wet van 30 juli 2018, in zoverre zij artikel 17, lid 1, en 17, lid 3, van de Politierichtlijn omzetten, worden geïnterpreteerd in die zin dat zij toelaten het inzagerecht geheel te beperken door de toezichthoudende autoriteit toe te staan de betrokkenen enkel ervan in kennis te stellen dat ‘ alle noodzakelijke controles […] door de toezichthoudende autoriteit hebben plaatsgevonden ’ of legt artikel 17, lid 1, van de Politierichtlijn daarentegen ‘ ook ’ de verplichting op om te bepalen dat het inzagerecht van de betrokkene kan worden uitgeoefend bij de verwerkingsverantwoordelijke, bovenop de inzage via de toezichthoudende autoriteit ? » « Dient artikel 17, lid 3, van de Politierichtlijn te worden geïnterpreteerd in die zin dat, wanneer de rechten worden uitgeoefend via de toezichthoudende autoriteit zoals bepaald in artikel 42, § 1, van de wet van 30 juli 2018, die laatste zich kan beperken tot de vermelding dat zij al de nodige verificaties heeft verricht in de zin van artikel 42, § 2, van de wet van 30 juli 2018, of moet het daarentegen, bij ontstentenis van een gehele of gedeeltelijke beperking, door de nationale wet (in casu de wet op het politieambt), van het inzagerecht, worden geïnterpreteerd in die zin dat de toezichthoudende autoriteit verplicht is de verwerkingsverantwoordelijke te identificeren op verzoek van de betrokkene en hem alle hem betreffende informatie mee te delen in de zin van artikel 38, § 1, van de wet van 30 juli 2018 ? ». A.5.1. De Ministerraad merkt op dat de grieven enkel betrekking hebben op artikel 4, 2°, van de bestreden wet, in zoverre het, in de wet op het politieambt, een tweede paragraaf invoegt in artikel 44/1. Hij werpt de niet-ontvankelijkheid van het eerste onderdeel van het enige middel op wegens de laattijdigheid van de grieven met betrekking tot de onvoldoende waarborgen die worden geboden inzake het recht op inzage in de gegevens en het recht op een daadwerkelijk beroep, die volgens hem hadden moeten zijn gericht tegen de wet van 30 juli 2018. A.5.2. In ondergeschikte orde zet de Ministerraad eerst uiteen dat de inachtneming van het wettigheidscriterium op specifieke wijze wordt beoordeeld wat betreft de inmengingen die strekken tot bescherming van de nationale veiligheid. Wat de gezondheidsgegevens betreft, geeft de Ministerraad aan dat het doel, namelijk « het garanderen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid van elke persoon die mogelijks in contact zou komen met de betrokken personen in het raam van de politionele interventie », moet toelaten dat al dan niet geplande interventies volkomen veilig verlopen en moet vermijden dat personen die tijdens de interventie aanwezig zijn het risico lopen op besmetting met een infectieziekte. Aangezien de gegevensverwerking tot doel heeft de openbare orde en het recht op leven te verzekeren, is het volgens hem onmogelijk, voor de wetgever, om alle concrete interventies die aanleiding zouden kunnen geven tot een verwerking van gezondheidsgegevens, op exhaustieve wijze te identificeren. De Ministerraad voert aan, enerzijds, dat het Controleorgaan de wetgever heeft verzocht om het toepassingsgebied van de verwerking van gezondheidsgegevens uit te breiden en, anderzijds, dat de wetgever rekening heeft gehouden met de opmerkingen die dat Orgaan formuleerde in verband met de bewoordingen « het begrijpen van de omstandigheden waarin de betrokken persoon zich bevindt ». Wat de genetische gegevens betreft, is de Ministerraad van mening dat de grief niet pertinent is vermits artikel 3 van de wet van 22 maart 1999 « betreffende de identificatieprocedure via DNA- analyse in strafzaken » de voorwaarden bepaalt waaronder genetische gegevens mogen worden verwerkt, terwijl 4 de bestreden bepaling zich beperkt tot het uitvoeren van die bepaling. Hij wijst overigens erop dat de verzoekende partij geen schending van de wettigheidsvereiste aanvoert met betrekking tot de biometrische gegevens. A.5.3. De Ministerraad oordeelt vervolgens dat de bijzondere categorieën van gegevens onderworpen zijn aan de bewaartermijnen bepaald bij de artikelen 44/1, § 1, 44/9 en 44/11/2 van de wet op het politieambt, die werden ingevoerd bij de wet van 18 maart 2014 « betreffende het politionele informatiebeheer en tot wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en het Wetboek van strafvordering » (hierna : de wet van 18 maart 2014). Hij is van mening dat, bij zijn arrest nr. 108/2016 van 14 juli 2016, het Hof reeds heeft geoordeeld dat die bewaartermijnen proportioneel zijn (B.109 tot B.116). Volgens hem moet het Hof niet overgaan tot een nieuwe evenredigheidstoets omdat de Politierichtlijn geen specifieke regel voorschrijft met betrekking tot de bewaartermijnen van de bijzondere categorieën van gegevens. De Ministerraad doet bovendien gelden dat de wetgever redelijkerwijs vermocht de bewaartermijnen van de bijzondere categorieën van gegevens af te stemmen op die welke gelden voor de andere categorieën van gegevens die zij aanvullen of ondersteunen. Hij besluit dat de bijzondere categorieën van gegevens, krachtens de bestreden bepaling, niet worden bewaard voor een langere tijd dan de tijd die nodig is in het licht van het doel waarvoor zij worden verwerkt. A.5.4. De Ministerraad voert daarnaast aan dat het verbod om de gegevens door te zenden, in overweging 37 van de Politierichtlijn wordt vermeld als één van de mogelijke passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen, zonder dat die richtlijn een verplichting oplegt om dat verbod aan te nemen. Na te hebben opgemerkt dat het vrije verkeer van gegevens een van de doelstellingen is van de Europese reglementering inzake gegevensbescherming, oordeelt hij dat de waarborgen van artikel 4 van de bestreden wet passend zijn. Wat de gezondheidsgegevens betreft, doet de Ministerraad ten eerste gelden dat een onderscheid is vastgelegd tussen de gezondheidsgegevens die op feiten gebaseerd zijn en die welke op een persoonlijk oordeel gebaseerd zijn, bij artikel 32 van de wet van 30 juli 2018 en bij artikel 4 van de bestreden wet. Ten tweede bepaalt noch overweging 30, noch artikel 7 van de Politierichtlijn dat de lidstaten categorieën moeten vaststellen naar gelang van de mate van juistheid of betrouwbaarheid van de verwerkte informatie. Ten derde verplicht artikel 32, § 2, van de wet van 30 juli 2018 de bevoegde overheden om de juistheid van de gegevens te controleren voordat zij worden doorgezonden en de ontvanger de informatie te verstrekken die noodzakelijk is om de mate van juistheid te beoordelen. Ten vierde wordt niet aangetoond dat er geen criteria zijn voor de beoordeling van de kwaliteit van de gezondheidsgegevens, noch dat er geen valideringsprocedure is en geen systeem van voorafgaande kennisgeving aan het Controleorgaan. Ten vijfde zijn de lidstaten niet verplicht de aanbeveling van Groep 29 waarnaar de verzoekende partij vaag verwijst, in acht te nemen. Ten zesde voorziet artikel 58 van de wet van 30 juli 2018 in waarborgen wanneer nieuwe technologieën worden gebruikt. Wat de genetische gegevens betreft, voert de Ministerraad aan dat het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 december 2008, in zake S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, niet kan worden overgenomen. A.5.5. De Ministerraad is ten slotte van mening dat het recht op toegang tot persoonsgegevens en het recht op een daadwerkelijk beroep van de betrokkenen worden gewaarborgd bij de wet van 30 juli 2018, en dat er geen prejudiciële vragen moeten worden gesteld aan het Hof van Justitie. A.6. De verzoekende partij voert aan dat het eerste onderdeel van het enige middel ontvankelijk is omdat artikel 44/1 van de wet op het politieambt, ingevoegd bij de wet van 18 maart 2014, niet voorzag in de verwerking van de biometrische gegevens, de gezondheidsgegevens en de genetische gegevens. Zij voert overigens aan dat die algemene bepaling geen kader biedt voor de duur van bewaring van de gegevens. Met verwijzing naar de bewaartermijnen die zijn bepaald in de artikelen 44/9 en 44/11/2 van de wet op het politieambt, doet zij gelden dat de wetgever heeft nagelaten de bewaartermijn voor de biometrische gegevens en de gezondheidsgegevens te beperken tot het strikt noodzakelijke. Zij merkt op dat de gegevens betreffende personen die geregistreerd zijn wegens een strafbaar feit dat is gepleegd in het kader van de handhaving van de openbare orde, bijvoorbeeld niet mogen worden gearchiveerd zolang een maatregel moet worden genomen door een bevoegde administratieve of gerechtelijke overheid, zelfs indien het gaat om biometrische gegevens waarvan de verwerking tot doel heeft de betrokkene te identificeren. Zij verduidelijkt dat zij niet de wet van 30 juli 2018 bekritiseert, maar wel de ontstentenis, in de bestreden wet, van specifieke bepalingen die een omkadering bieden voor de rechten van de betrokkenen. Volgens de 5 verzoekende partij vormt de wet van 30 juli 2018, die een generiek karakter heeft, geen voldoende wettelijke basis. De noodzaak om met een sectorale wetgeving een kader te bieden voor de waarborgen van de rechtzoekenden blijkt volgens haar uit artikel 38, § 2, van de wet van 30 juli 2018, uit de parlementaire voorbereiding van die wet en uit de adviezen van de Privacycommissie en van het Controleorgaan. Zij merkt bovendien op dat de bestreden wet niet verwijst naar de wet van 30 juli 2018. Zij is van mening dat de betrokkene in geen geval over een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikt omdat, aangezien wanneer hij zijn recht op inzage in de gegevens uitoefent via het Controleorgaan, dat laatste zich beperkt tot de vermelding dat het alle noodzakelijke controles heeft uitgevoerd, zonder de betrokkene toe te laten te weten of gegevens die op hem betrekking hebben al dan niet worden verwerkt. Met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie voert de verzoekende partij aan dat het ontbreken van informatie, van toegang en van een jurisdictioneel beroep met betrekking tot de verwerking van de bijzondere categorieën van gegevens des te meer vatbaar is voor kritiek omdat artikel 14 van de Politierichtlijn het recht op rechtstreekse inzage daartoe veralgemeent en artikel 17 van die richtlijn vereist dat een specifiek wettelijke basis een beperking van dat inzagerecht moet verantwoorden. A.7.1. Volgens de Ministerraad verplichten noch de Politierichtlijn, noch de wet van 30 juli 2018 de wetgever om de rechten van de betrokkenen vast te leggen in een sectorale wet. Volgens hem zijn die rechten, zoals bepaald bij de Politierichtlijn, op exhaustieve wijze omgezet door de artikelen 38, 42 en 209 en volgende van de wet van 30 juli 2018. Hij doet gelden dat, door te opteren voor een recht op onrechtstreekse toegang, via het Controleorgaan, tot de betrokken gegevens, de wetgever uitvoering heeft gegeven aan de keuze die de Politierichtlijn op dat punt aan de lidstaten overlaat. Hij doet eveneens gelden dat de uitoefening van de rechten van de betrokkenen via de bevoegde toezichthoudende autoriteit voordien was vastgelegd bij artikel 13 van de wet van 8 december 1992 « tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens ». Hij is van mening dat de verzoekende partij ten onrechte verwijst naar uittreksels van de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 juli 2018 die betrekking hebben op de verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). De Politierichtlijn stelt echter een regeling vast voor de bescherming van persoonsgegevens inzake politie en justitie, die afwijkt van de regeling waarin de AVG voorziet. Zo bevat de Politierichtlijn met name geen bepalingen die vergelijkbaar zijn met de artikelen 9 en 23, lid 2, van de AVG, die vereisen dat de verwerking van de bijzondere categorieën van gegevens het voorwerp moet uitmaken van specifieke wetsbepalingen. Wat het advies van het Controleorgaan betreft, voert de Ministerraad aan dat dit orgaan niet gemachtigd is om te oordelen over de grondwettigheid van wetten, dat het in zijn advies verwijst naar de intentie van de Europese wetgever en dat het op zijn website erkent de rechten van de betrokkene uit te oefenen op grond van artikel 42, § 2, van de wet van 30 juli 2018. De Ministerraad zet ten slotte uiteen dat het artikel van het voorontwerp van wet dat ten grondslag ligt aan artikel 42 van de wet van 30 juli 2018, werd aangenomen naar aanleiding van het advies van de Privacycommissie. A.7.2. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de maximale bewaartermijnen die van toepassing zijn op de bijzondere categorieën van persoonsgegevens, zoals bepaald in de artikelen 44/9 en 44/11/2 van de wet van 30 juli 2018, proportioneel zijn. Ten eerste vraagt de verzoekende partij dat de bewaartermijn uitsluitend op basis van de aard van de verwerkte gegevens zou worden bepaald, hetgeen niet verenigbaar is met het beginsel dat de bewaartermijn steeds moet beantwoorden aan objectieve criteria die toelaten een verband vast te stellen tussen de bewaarde gegevens en het doel van de verwerking. Ten tweede zouden specifieke bewaartermijnen voor de bijzondere categorieën van gegevens, die zouden verschillen van de bewaartermijnen die zijn bepaald voor de hoofdgegevens die zij aanvullen, de doeltreffendheid van de verwerking in gevaar brengen. Ten derde gaat de verwerking van de bijzondere categorieën van persoonsgegevens gepaard met talrijke waarborgen, waaronder de controle die wordt uitgeoefend door het Controleorgaan. De Ministerraad verwijst naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 17 december 2009, in zake B.B. t. Frankrijk. Volgens de Ministerraad blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, uit die van het Grondwettelijk Hof en uit de artikelen 15 tot 17 van de Politierichtlijn dat de rechten van de betrokkene, met inbegrip van het recht op informatie en het recht op inzage in de gegevens, geheel of gedeeltelijk kunnen worden beperkt voor zover de beperking van de rechten van de betrokkene wordt verantwoord door een legitiem doel, er waarborgen zijn tegen misbruik, met inbegrip van de uitoefening van de rechten van de betrokkene via de 6 bevoegde toezichthoudende autoriteit, en voor zover een doeltreffende controle door de gerechtelijke macht wordt vastgelegd. Hij is van mening dat de wet van 30 juli 2018 en de bestreden wet de inachtneming van die voorwaarden garanderen. Volgens de Ministerraad is, ten eerste, de beperking van de rechten van de betrokkene verantwoord door de bescherming van de openbare en nationale veiligheid. Ten tweede kunnen de maatregelen inzake de bewaartermijn en de termijn van inzage in de gegevens, de bijkomende maatregelen met betrekking tot de bijzondere categorieën van persoonsgegevens alsook het systeem van indirecte toegang tot de gegevens via het Controleorgaan misbruiken voorkomen. De Ministerraad doet gelden dat het Controleorgaan een onafhankelijk orgaan is dat is samengesteld uit personen met een relevante ervaring op het gebied van bescherming van persoonsgegevens. Dat het Controleorgaan enkel vermeldt dat alle noodzakelijke controles en evaluaties door het Controleorgaan hebben plaatsgevonden, is volgens hem een gevolg van artikel 17, lid 3, van de Politierichtlijn. Hij is daarnaast van mening dat, bij zijn arrest van 18 mei 2010 in zake Kennedy t. Verenigd Koninkrijk, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een met het bestreden systeem vergelijkbaar systeem in overeenstemming achtte met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Ten derde beschikt de betrokkene over een recht op een daadwerkelijk beroep. De artikelen 209 en volgende van de wet van 30 juli 2018 voorzien in een vordering tot staking voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, uitspraak doende in kortgeding, terwijl artikel 220 van dezelfde wet andere administratieve of gerechtelijke beroepen organiseert. Volgens de Ministerraad heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, bij zijn voormeld arrest in zake Kennedy t. Verenigd Koninkrijk, geoordeeld dat een systeem dat vergelijkbaar is met het bestreden systeem, het recht op een daadwerkelijk beroep zoals bepaald in artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet schendt. De Ministerraad oordeelt ten slotte dat, bij zijn voormelde arrest nr. 108/2016, het Hof heeft geoordeeld dat de regeling die is bepaald bij de wet van 8 december 1992 en bij de wet van 18 maart 2014, evenredig was in het licht van artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en dat zij een daadwerkelijk beroep waarborgde. Aangezien die regeling identiek is aan die van de wet van 30 juli 2018, dienen de leringen van dat arrest te worden bevestigd. Wat de koppeling van de politionele gegevensbanken betreft (artikel 44/4 van de wet op het politieambt) A.8. In het tweede onderdeel van het enige middel doet de verzoekende partij gelden dat, in zoverre het rechtstreeks uitvoeringsopdrachten toevertrouwt aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, artikel 44/4 van de wet op het politieambt, zoals vervangen bij artikel 7 van de bestreden wet, niet voldoet aan het wettigheidscriterium. Volgens haar is de bestreden bepaling bovendien onduidelijk en niet voorzienbaar in zoverre zij niet preciseert welke categorieën van gegevensbanken, welke modaliteiten voor koppeling noch welke regels voor toegang die ministers moeten vaststellen door middel van richtlijnen. De verzoekende partij voert vervolgens aan dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met artikel 28 van de Politierichtlijn in zoverre zij niet bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijken verplicht zijn het Controleorgaan te raadplegen vóór de verwerking van de persoonsgegevens die in een nieuw te creëren bestand zullen worden opgenomen. Zij verzoekt het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag te stellen : « Leidt een koppeling tussen verschillende gegevensbanken ipso facto tot de aanmaak van een nieuw bestand in de zin van de Politierichtlijn en dient zij bijgevolg te worden onderworpen aan een voorafgaande raadpleging van de toezichthoudende autoriteit (
- a)wanneer een gegevensbeschermingseffectbeoordeling, zoals bepaald in artikel 27, aangeeft dat de verwerking een hoog risico zou inhouden indien de verwerkingsverantwoordelijke geen maatregelen zou nemen om het risico te beperken; of (
- b)wanneer het soort verwerking, in het bijzonder wegens het gebruik van nieuwe systemen, technologieën of procedures, hoge risico’s inhoudt voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen, overeenkomstig artikel 28 van de Politierichtlijn ? ». De verzoekende partij voert overigens aan dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met artikel 16 van de Politierichtlijn in zoverre zij niet bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijken verplicht zijn om de ontvangers van de gegevens mee te delen dat de gegevens werden gerectificeerd of gewist. Zij is ten slotte van mening dat de bestreden bepaling onevenredig is in zoverre een koppeling van de gegevensbanken voor de onderzoekers gegevens toegankelijk maakt die voor hen niet interessant zijn en in zoverre de personen op wie die gegevens betrekking hebben een daadwerkelijk beroep wordt ontnomen. Zij verwijst naar de ontwerpapplicatie « i-Police », naar het tussentijds rapport van 15 juni 2017 van de parlementaire onderzoekscommissie « Terroristische aanslagen » en naar de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet. 7 A.9. De Ministerraad werpt de niet-ontvankelijkheid van het tweede onderdeel van het enige middel op wegens de louter wetgevingstechnische aard van de wijzigingen die bij artikel 7 van de bestreden wet zijn ingevoerd in artikel 44/4, § 4, van de wet op het politieambt. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de delegatie die bij artikel 7 van de bestreden wet wordt verleend aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie betreffende de nadere regels voor de koppeling, voldoet aan de wettigheidsvereiste aangezien zij voldoende nauwkeurig is omschreven, betrekking heeft op de uitvoering van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgesteld en wordt verwezenlijkt door de aanneming van dwingende teksten. Hij wijst bovendien erop dat de Politierichtlijn geen specifieke regel inzake koppeling oplegt en dat de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie als verwerkingsverantwoordelijken worden aangewezen door artikel 44/4, § 1, van de wet op het politieambt. De Ministerraad is van mening dat de voorzienbaarheidsvereiste eveneens in acht is genomen, vermits het onmogelijk is om vooraf alle omstandigheden te bepalen waarin een koppeling gerechtvaardigd is omwille van de nationale veiligheid, vermits verduidelijkingen werden aangebracht tijdens de parlementaire voorbereiding en vermits de zorg om de nadere regels voor de koppeling en de toegangsregels te bepalen in nauwkeurige bewoordingen aan de ministers werd gedelegeerd. De Ministerraad zet uiteen dat, overeenkomstig artikel 59, § 1, van de wet van 30 juli 2018 dat artikel 8, lid 1, van de Politierichtlijn omzet, het Controleorgaan moet worden geraadpleegd vóór een verwerking die een koppeling tussen verschillende bestaande gegevensbanken met zich meebrengt, krachtens artikel 7 van de bestreden wet. Op dezelfde wijze zijn, overeenkomstig artikel 39, § 6, van dezelfde wet, dat artikel 16, leden 5 en 6, van de Politierichtlijn omzet, de verwerkingsverantwoordelijken verplicht om in geval van rectificatie of wissing van meegedeelde gegevens de ontvangers daarvan in kennis te stellen. Hij merkt op dat de bestreden bepaling een wettelijke basis vastlegt voor de oprichting van het toekomstige « i-Police »-platform, zonder reeds te voorzien in de oprichting van dat platform. Hij voert daarnaast aan dat, overeenkomstig artikel 44/4/, § 4, tweede lid, van de wet op het politieambt, de onderzoekers enkel toegang zullen hebben tot de voor hun onderzoek relevante informatie en dat een agent uitsluitend toegang zal hebben tot de persoonsgegevens volgens de gebruiksrechten die hem zijn toegekend voor de « bron »-gegevensbank. Hij wijst erop dat de kruispuntbank van de veiligheid, een wens van de parlementaire onderzoekscommissie « Terroristische aanslagen », een ander project is dan dat van het « i-Police »-platform. Hij onderstreept dat, bij de bestreden wet, de wetgever echter reeds rekening heeft gehouden met de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie, door het principe op te nemen dat de toegang van onderzoekers tot de gegevens die in een kruispuntbank beschikbaar zijn, moet worden beperkt tot het onderwerp van de opdracht die zij volbrengen. A.10. De verzoekende partij voert aan dat het tweede onderdeel van het enige middel ontvankelijk is omdat de koppeling tussen gegevensbanken zoals bepaald door de wet van 21 maart 2018 « tot wijziging van de wet op het politieambt om het gebruik van camera's door de politiediensten te regelen, en tot wijziging van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid », verschilt van die welke door de bestreden wet wordt georganiseerd. Wat betreft de verwerking van de gegevens betreffende personen die het voorwerp uitmaken van een bestuurlijke maatregel (artikel 44/5, § 1, eerste lid, 7°, van de wet op het politieambt) A.11. In het derde onderdeel van het enige middel doet de verzoekende partij gelden dat artikel 44/5 van de wet op het politieambt, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de bestreden wet, niet voldoet aan het wettigheidscriterium doordat noch die bepaling, noch de parlementaire voorbereiding ervan het begrip « bestuurlijke maatregel » definieert. Zij verwijst naar het advies van het Controleorgaan nr. 9/2018 van 12 december 2018. A.12. De Ministerraad doet gelden dat de wetgever het begrip « bestuurlijke maatregel » heeft verduidelijkt ingevolge het advies van het Controleorgaan. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat bestuurlijke maatregelen die maatregelen zijn die worden aangenomen door een bestuur dat maatregelen of sancties kan treffen, waaronder het toezicht op de opdrachten van de politie. 8 Wat het bewaren en het archiveren van de gegevens betreft (artikel 44/11/2 van de wet op het politieambt) A.13. In het vierde onderdeel van het enige middel voert de verzoekende partij aan dat het systeem voor het bewaren en archiveren van de gegevens bedoeld in artikel 44/11/2 van de wet op het politieambt, zoals gewijzigd bij artikel 13 van de bestreden wet, onevenredig is. Zij verwijst naar het advies van het Controleorgaan nr. 9/2018 van 12 december 2018, naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 108/2016 en naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 18 september 2014 in zake Brunet t. Frankrijk. A.14. De Ministerraad werpt de niet-ontvankelijkheid van het vierde onderdeel van het enige middel op, aangezien de grief van de verzoekende partij erin bestaat de regeling voor het bewaren en archiveren van gegevens die werd ingevoerd bij de wet van 18 maart 2014 alsook de bestaanbaarheid van de bestreden bepaling met een andere wetskrachtige norm (artikel 30 van de wet van 30 juli 2018) te bekritiseren. Die grief werd bovendien reeds verworpen bij het arrest nr. 108/2016. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de in 2014 ingevoerde regeling voor het bewaren en archiveren van gegevens grondwettig is. Hij verwijst naar de uiteenzetting met betrekking tot de weerlegging van het eerste onderdeel van het enige middel, en naar het arrest nr. 108/2016. Volgens de Ministerraad is het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zake Brunet t. Frankrijk niet pertinent daar het betrekking heeft op een situatie die niet door de bestreden bepaling wordt beoogd (het bewaren, in een politionele gegevensbank, van de vermelding van een seponering na strafrechtelijke bemiddeling) en omdat het systeem waarin de wet op het politieambt voorziet, aanzienlijk verschilt van het systeem dat bij dat arrest werd afgekeurd. Wat betreft het verwittigen van het Controleorgaan in geval van aanmaak of wijzigingen betreffende een bijzondere gegevensbank (artikel 44/11/3 van de wet op het politieambt) A.15. In het vijfde onderdeel van het enige middel doet de verzoekende partij gelden dat artikel 44/11/3 van de wet op het politieambt, zoals gewijzigd bij artikel 14 van de bestreden wet, de referentienormen schendt in zoverre het de verplichting opheft om, vóór de aanmaak ervan, een bijzondere gegevensbank aan te geven bij het Controleorgaan. A.16. De Ministerraad werpt de niet-ontvankelijkheid van het vijfde onderdeel van het enige middel op omdat de referentienormen waarvan de schending wordt aangevoerd, niet worden geïdentificeerd. In ondergeschikte orde merkt de Ministerraad op dat geen enkele bepaling van grondwettelijk of Europees recht een advies van het Controleorgaan oplegt vóór de aanmaak van een bijzondere gegevensbank. Volgens hem heeft de wetgever geoordeeld dat het vroegere systeem van verplichte aangifte en van verzoek om advies bij het Controleorgaan dat een register bijhield, niet langer aangepast was aan de wet van 30 juli 2018. De Ministerraad is van oordeel dat het nieuwe systeem van verwittiging via het unieke register van de verwerkingsactiviteiten, gepaard gaat met vele waarborgen. De voorafgaande raadpleging van het Controleorgaan wordt gehandhaafd bij artikel 59 van de wet van 30 juli 2018, maar die raadpleging is beperkt tot bepaalde gevallen, die het Controleorgaan kan aanvullen. Wat betreft de rechtstreekse toegang van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tot de algemene nationale gegevensbank (hierna : de A.N.G.) (artikel 44/11/8bis van de wet op het politieambt) A.17. In het zesde onderdeel van het enige middel voert de verzoekende partij aan dat artikel 44/11/8bis van de wet op het politieambt, ingevoegd bij artikel 21 van de bestreden wet, niet aan het wettigheidscriterium voldoet doordat het niet de regels bepaalt volgens welke de inlichtingen- en veiligheidsdiensten rechtstreeks toegang krijgen tot de A.N.G. Volgens de verzoekende partij neemt de bestreden bepaling evenmin het finaliteitsbeginsel, het recht op het vermoeden van onschuld en de criteria van noodzakelijkheid en evenredigheid in acht. A.18. De Ministerraad werpt de niet-ontvankelijkheid van het zesde onderdeel van het enige middel op om reden dat de betwiste toegang tot de A.N.G. is vastgelegd bij artikel 24 van de wet van 22 mei 2019, dat niet wordt aangevochten. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat, bij de artikelen 44/11/12, § 1, en 44/11/8bis van de wet op het politieambt, de wetgever uitdrukkelijk de overheden heeft aangewezen die aanspraak kunnen maken op een rechtstreekse toegang tot de A.N.G. Artikel 44/11/12 van de wet op het politieambt bepaalt overigens, in 9 paragraaf 1 ervan, dat de nadere regels van die rechtstreekse toegang door de Koning worden vastgesteld, na advies van het Controleorgaan. Diezelfde bepaling legt in paragraaf 2 ervan de essentiële elementen van die toegangsregels vast. Volgens de Ministerraad heeft het Hof reeds geoordeeld dat die delegatie grondwettig is, bij zijn arrest nr. 108/2016 (B.66.4). Hij wijst bovendien erop dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten voordien reeds bij de politiediensten alle voor de uitoefening van hun opdrachten nuttige informatie konden verkrijgen, krachtens artikel 14 van de wet van 30 november 1998 « houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten » (hierna : de wet van 30 november 1998). De Ministerraad oordeelt overigens dat de rechtstreekse toegang van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tot de A.N.G. helpt om de nationale en openbare veiligheid te vrijwaren, onlusten en criminaliteit te voorkomen en de rechten en vrijheden van anderen te beschermen, wat legitieme doelstellingen zijn. Hij doet gelden dat artikel 29, § 2, van de wet van 30 juli 2018 toestaat dat persoonsgegevens verder worden verwerkt voor een andere doeleinden dan die waarvoor zij werden verzameld door de politiediensten, indien die doelstelling is toegestaan overeenkomstig de wet, en dat die verdere verwerking wordt toegestaan door artikel 44/11/8bis van de wet op het politieambt en door de artikelen 14 en 19 van de wet van 30 november 1998. Hij wijst ook erop dat de doelstellingen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn bepaald in de artikelen 7, 8 en 11 van de wet van 30 november 1998 en dat de rechtstreekse toegang die aan die diensten is toegekend, beantwoordt aan de vereisten van de aanbeveling van Groep 29. Volgens de Ministerraad kan het vermoeden van onschuld niet worden geschonden omdat, overeenkomstig artikel 19/1 van de wet van 30 november 1998, de verwerking van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten niet de enige grond mag zijn voor de veroordeling van een persoon. Hij is daarentegen van mening dat de rechtstreekse toegang tot de A.N.G. door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en de discretie van de onderzoeken die zij verrichten ertoe bijdragen het vermoeden van onschuld van de betrokkene te vrijwaren tegenover de politiediensten, die het bestaan van een onderzoek door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in de A.N.G. verkeerd zouden kunnen interpreteren. Volgens de Ministerraad blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de rechtstreekse toegang tot de A.N.G. voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten evenredig is. Volgens hem hebben de tegengestelde beweringen van de verzoekende partij veel weg van een petitio principii. Hij voert aan dat de bewering volgens welke de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van mening zijn dat de bestreden maatregel onevenredig is, onjuist is. Hij verwijst naar een brief van het Comité I van 5 februari 2019. Wat betreft het advies van het Controleorgaan in geval van mededeling van gegevens aan openbare overheden (artikel 44/11/9 van de wet op het politieambt) A.19. In het zevende onderdeel van het enige middel doet de verzoekende partij gelden dat artikel 44/11/9 van de wet op het politieambt, zoals gewijzigd bij artikel 22 van de bestreden wet, de referentienormen schendt in zoverre het geen bindend advies van het Controleorgaan oplegt in geval van mededeling van persoonsgegevens aan openbare overheden. A.20. De Ministerraad werpt de niet-ontvankelijkheid van het zevende onderdeel van het enige middel op omdat de referentienormen waarvan de schending wordt aangevoerd, niet worden geïdentificeerd. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat een voorafgaande controle door het Controleorgaan wordt gehandhaafd door artikel 44/11/9, § 2, van de wet op het politieambt, dat bepaalt dat de lijst van de overheden, organen of publieke organen waaraan de persoonsgegevens eveneens kunnen worden meegedeeld, wordt opgesteld na het advies van het Controleorgaan. Hij doet eveneens gelden dat het Hof reeds heeft geoordeeld, bij zijn arrest nr. 108/2016, dat het voorafgaande advies van het Controleorgaan grondwettig was (B.99). Hij merkt op dat de wetgever, na de rol van de verwerkingsverantwoordelijke en de opdrachten van het Controleorgaan te hebben versterkt in de artikelen 59, 239, § 3, en 247 van de wet van 30 juli 2018, het niet noodzakelijk heeft geacht het voorafgaande advies van het Controleorgaan bindend te maken in geval van mededeling van gegevens aan openbare overheden. De Ministerraad wijst erop dat overweging 22 van de Politierichtlijn enkel van toepassing is in het precieze geval van de niet-toepasselijkheid van de AVG op de ontvanger. Volgens hem kan de bestreden bepaling niet worden geïnterpreteerd in die zin dat zij het mogelijk maakt, voor openbare overheden, om zich een gehele politionele gegevensbank te laten meedelen, aangezien de mededeling van gegevens aan openbare overheden rechtmatig, evenredig en in overeenstemming moet zijn met het beginsel van minimale gegevensverwerking bedoeld in artikel 28 van de wet van 30 juli 2018. 10 -B- Ten aanzien van de context van de bestreden bepalingen B.1.1. De verzoekende partij vordert de gedeeltelijke vernietiging van de wet van 22 mei 2019 « tot wijziging van diverse bepalingen wat het politionele informatiebeheer betreft » (hierna : de bestreden wet). Die wet strekt ertoe de wetgeving met betrekking tot het beheer van persoonsgegevens en van informatie door de politiediensten aan te passen na het aannemen, op 27 april 2016, van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG) en van de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad » (hierna : de Politierichtlijn) (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3697/001, p. 5). Met het oog op de uitvoering van de AVG en de omzetting van de Politierichtlijn heeft de Belgische wetgever een kaderwetgeving aangenomen, die met name de wet van 3 december 2017 « tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit » (hierna : de wet van 3 december 2017) en de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens » (hierna : de wet van 30 juli 2018) omvat. Titel 2 van de wet van 30 juli 2018 stelt het algemene kader vast dat van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens door de politiediensten. De bestreden wet strekt ertoe dat algemene kader « concreet [te vertalen] in de bestaande operationele en statutaire wetgeving inzake de geïntegreerde politie » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3697/001, p. 6). 11 B.1.2. De bestreden wet wijzigt twee andere wetten. Zij wijzigt in de eerste plaats de wet van 5 augustus 1992 « op het politieambt » (hierna : de wet op het politieambt). De in de wet op het politieambt aangebrachte wijzigingen zijn vervat in hoofdstuk 1 van titel II van de bestreden wet (artikelen 2 tot 26). B.1.3. De bestreden wet wijzigt ook de wet van 7 december 1998 « tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus ». De in de voormelde wet van 7 december 1998 aangebrachte wijzigingen zijn vervat in hoofdstuk 2 van titel II van de bestreden wet (artikelen 27 tot 33). B.1.4. De bestreden wet is in werking getreden op 29 juni 2019. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2.1. Aangezien de door de verzoekende partij opgeworpen grieven uitsluitend zijn gericht tegen de artikelen 4, 7, 8, 13, 14, 21 en 22 van de bestreden wet, is het beroep enkel ontvankelijk in zoverre het tegen die artikelen is gericht. B.2.2. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van de meeste grieven die in het enige middel zijn geformuleerd om reden dat zij onvoldoende zouden zijn uiteengezet of zouden zijn gericht tegen andere wetsbepalingen dan die welke worden bestreden. Bovendien beklemtoont hij dat het enige middel onontvankelijk zou zijn omdat het Hof niet bevoegd is om rechtstreeks te toetsen aan wetgevingshandelingen van de Europese Unie (de voormelde Politierichtlijn). B.2.3. Het Hof is bevoegd om wetskrachtige normen te toetsen aan de regels die de bevoegdheden verdelen tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, alsook aan de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. 12 Alle grieven zijn afgeleid uit de schending van een of meer van die regels waarvan het Hof de naleving waarborgt. Voor zover de verzoekende partij daarnaast de schending van een wetgevingshandeling van de Europese Unie vermeldt, onderzoekt het Hof de grieven enkel in zoverre de verzoekende partij de schending aanklaagt van de voormelde grondwetsbepalingen, in samenhang gelezen met de beoogde handeling. In die mate zijn de grieven ontvankelijk. B.2.4.1. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.2.4.2. In het vijfde onderdeel van het enige middel voert de verzoekende partij aan dat artikel 44/11/3 van de wet op het politieambt, zoals gewijzigd bij artikel 14 van de bestreden wet, de in B.3 vermelde referentienormen schendt, in zoverre de wetgever de verplichting tot voorafgaande aangifte van de oprichting van een nieuwe gegevensbank bij het Controleorgaan op de politionele informatie (hierna : het Controleorgaan) heeft vervangen door een systeem waarbij het controleorgaan actief op de hoogte wordt gebracht via het unieke register van de verwerkingsactiviteiten van de politiediensten. De verzoekende partij zet evenwel niet uiteen op welke manier de bestreden bepaling die referentienormen zou schenden. Zij beperkt zich tot de vaststelling dat een dergelijk verregaande beperking van de rechten van de betrokken personen een voorafgaande controle zou vereisen, maar geeft niet aan waarom de bestreden bepaling, die een alternatieve waarborg bevat, niet zou volstaan om die rechten te beschermen. Bijgevolg is het vijfde onderdeel van het enige middel onontvankelijk. B.2.4.3. In het zevende onderdeel van het enige middel voert de verzoekende partij aan dat artikel 44/11/9 van de wet op het politieambt, zoals gewijzigd bij artikel 22 van de bestreden wet, de in B.3 vermelde referentienormen schendt, in zoverre het geen bindend advies van het Controleorgaan oplegt in geval van mededeling van persoonsgegevens aan openbare overheden. 13 De verzoekende partij geeft slechts aan dat een dergelijke waarborg « thans ontbreekt », maar geeft niet aan waarom een dergelijke waarborg nodig zou zijn. Aldus voldoet zij niet aan haar verplichting om uiteen te zetten in welk opzicht die referentienormen door de bestreden bepaling zou zijn geschonden. Bijgevolg is het zevende onderdeel van het enige middel onontvankelijk. B.2.4.4. Het Hof onderzoekt ook de overige onderdelen van het enige middel en de daarin vermelde grieven slechts in zoverre zij voldoen aan de in B.2.4.1 vermelde vereisten. B.2.5. De vraag of de aangevoerde grieven hun oorsprong vinden in andere bepalingen dan die welke worden bestreden, hangt af van de draagwijdte ervan. Het onderzoek van die exceptie van onontvankelijkheid valt samen met dat van de grond van de zaak. Ten aanzien van het enige middel B.3. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 14, 15, 16, 17 en 28 van de Politierichtlijn, met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 47 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest) en met de algemene rechtsbeginselen van evenredigheid, transparantie, voorzienbaarheid, wettigheid en gelijkheid. Volgens de verzoekende partij zou de bestreden wet afbreuk doen aan het recht op eerbiediging van het privéleven, aan het recht op bescherming van persoonsgegevens en aan het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, die door die bepalingen worden gewaarborgd. Verschillende maatregelen die bij de bestreden wet zijn ingevoerd, zouden het wettigheidsbeginsel niet in acht nemen en zouden onevenredig zijn. 14 Wat betreft het recht op eerbiediging van het privé-leven en het recht op bescherming van persoonsgegevens B.4.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». B.4.2. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.4.3. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.4.4. Het recht op eerbiediging van het privé-leven, zoals gewaarborgd in de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privé-leven. Het voorstel dat is voorafgegaan aan de aanneming van artikel 22 van de Grondwet beklemtoonde « de bescherming van de persoon, de erkenning van zijn identiteit en de belangrijkheid van zijn ontplooiing en die van zijn gezin » en het onderstreepte de noodzaak om het privéleven en het gezinsleven te beschermen tegen « inmenging, onder meer als gevolg 15 van de onafgebroken ontwikkeling van de informatietechnieken, wanneer maatregelen van opsporing, onderzoek en controle door de overheid en particuliere instellingen worden uitgevoerd bij het uitoefenen van hun functie of hun activiteit » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-4/2°, p. 3). In dat voorstel werd eveneens aangegeven dat de wetgever « het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven op geen enkele wijze mag uithollen; anders schendt hij niet alleen een grondwetsregel, maar ook internationale rechtsregels » (ibid.). Het recht op eerbiediging van het privéleven heeft een ruime draagwijdte en omvat, onder meer, de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke informatie. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat, onder meer, de volgende gegevens en informatie betreffende personen vallen onder de bescherming van dat recht : de naam, het adres, de professionele activiteiten, de persoonlijke relaties, digitale vingerafdrukken, camerabeelden, foto’s, communicatiegegevens, DNA-gegevens, gerechtelijke gegevens (veroordeling of verdenking), financiële gegevens en informatie over bezittingen (zie onder meer EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden, §§ 47-48; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, §§ 66-68; 17 december 2009, B.B. t. Frankrijk, § 57; 10 februari 2011, Dimitrov-Kazakov t. Bulgarije, §§ 29-31; 18 oktober 2011, Khelili t. Zwitserland, §§ 55-57; 9 oktober 2012, Alkaya t. Turkije, § 29; 18 april 2013, M.K. t. Frankrijk, § 26; 18 september 2014, Brunet t. Frankrijk, § 31). B.4.5. Het recht op eerbiediging van het privéleven is evenwel niet absoluut. Artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, voor zover zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; grote kamer, 12 november 2013, Söderman t. Zweden, § 78). De wetgever beschikt ter zake over een beoordelingsvrijheid. Die vrijheid is evenwel niet onbegrensd : opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het 16 privéleven, is vereist dat de wetgever een billijk evenwicht heeft ingesteld tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Bij de beoordeling van dat evenwicht houdt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onder meer rekening met de bepalingen van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (hierna : het Verdrag nr. 108) en de aanbeveling nr. R
(87)15 van het Comité van Ministers aan de verdragsstaten tot regeling van het gebruik van persoonsgegevens in de politiesector (hierna : de aanbeveling nr. R
(87)15) (EHRM, 25 februari 1997, Z t. Finland, § 95; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, § 103). Het Verdrag nr. 108 bevat onder meer de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens : rechtmatigheid, behoorlijkheid, transparantie, doelbinding, evenredigheid, juistheid, opslagbeperking, integriteit en vertrouwelijkheid, en verantwoordingsplicht. Datzelfde Verdrag is geactualiseerd bij een protocol tot amendering dat op 10 oktober 2018 voor ondertekening is opengesteld. B.5.1. Wanneer het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gewaarborgd door het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, « zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend ». Die bepaling stemt de inhoud en reikwijdte van de door het Handvest gewaarborgde rechten af op de corresponderende rechten die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In de toelichtingen bij het Handvest (2007/C 303/02), bekendgemaakt in het Publicatieblad van 14 december 2007, wordt aangegeven dat, onder de artikelen « met dezelfde inhoud en reikwijdte als de daarmee corresponderende artikelen van het EVRM », artikel 7 van het Handvest correspondeert met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het Hof van Justitie van de Europese Unie herinnert in dat verband eraan dat « artikel 7 van het Handvest, inzake de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, rechten bevat die corresponderen met de rechten die worden gegarandeerd door artikel 8, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het EVRM),] en dat, overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest, aan dat artikel 7 dus dezelfde inhoud en 17 reikwijdte moeten worden toegekend als die welke aan artikel 8, lid 1, van het EVRM worden toegekend, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens » (HvJ, 17 december 2015, C-419/14, WebMindLicenses Kft., punt 70; 14 februari 2019, C-345/17, Buivids, punt 65). Wat artikel 8 van het Handvest betreft, oordeelt het Hof van Justitie dat « zoals in artikel 52, lid 3, tweede zin, daarvan uitdrukkelijk wordt bepaald, [artikel 52, lid 3, eerste zin, van het Handvest] niet [verhindert] dat het Unierecht een ruimere bescherming biedt dan het EVRM », en dat « artikel 8 van het Handvest betrekking heeft op een ander grondrecht dan het in artikel 7 van het Handvest geformuleerde grondrecht, dat geen equivalent heeft in het EVRM » (HvJ, grote kamer, 21 december 2016, C-203/15 en C-698/15, Tele2 Sverige, punt 129). Uit het voorgaande volgt dat, binnen de werkingssfeer van het Europees Unierecht, artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie analoge grondrechten waarborgen, terwijl artikel 8 van dat Handvest een specifieke rechtsbescherming van persoonsgegevens beoogt. B.5.2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt dat de eerbiediging van het recht op persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens gelijk welke informatie betreft aangaande een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (HvJ, grote kamer, 9 november 2010, C-92/09 en C-93/09, Volker und Markus Schecke en Eifert, punt 52; 16 januari 2019, C-496/17, Deutsche Post AG, punt 54). B.6. De Politierichtlijn stelt, op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en van politiële samenwerking, specifieke regels vast betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten « met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid », met inachtneming van de specifieke aard van die activiteiten (artikel 1, lid 1, van de Politierichtlijn). 18 Zoals blijkt uit de artikelen 2, lid 1, en 9, leden 1 en 2, van de Politierichtlijn, uit de overwegingen 11, 12 en 34 ervan, uit artikel 2, lid 2, d), van de AVG en uit overweging 19 ervan, valt de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten voor de in het voormelde artikel 1, lid 1, van de Politierichtlijn vermelde doeleinden inzake strafrechtspleging onder die richtlijn en niet onder de AVG. De binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallende verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan die inzake strafrechtspleging is daarentegen onderworpen aan de AVG. B.7. Zoals in artikel 25 van de wet van 30 juli 2018 wordt gepreciseerd, voorziet titel 2 van die wet in de omzetting van de Politierichtlijn. Zoals in artikel 27 van dezelfde wet wordt gepreciseerd, is titel 2 van de wet van 30 juli 2018 van toepassing op de « verwerkingen van persoonsgegevens door de bevoegde overheden met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid ». Zijn bevoegde overheden in de zin van titel 2 : de politiediensten in de zin van artikel 2, 2°, van de wet van 7 december 1998 « tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus », de gerechtelijke overheden en de in artikel 26, 7°, van de wet van 30 juli 2018 bedoelde andere overheden. De politiediensten zijn dus onderworpen aan titel 2 van de wet van 30 juli 2018 wanneer zij persoonsgegevens verwerken met het oog op een van de in artikel 27 van die wet opgesomde doeleinden inzake strafrechtspleging. Zoals in B.6 is vermeld, zijn de politiediensten daarentegen onderworpen aan de AVG en aan de uitvoeringsmaatregelen ervan in het interne recht voor de verwerkingen van persoonsgegevens die zij verrichten voor andere doeleinden dan die inzake strafrechtspleging, bijvoorbeeld voor de verwerkingen met het oog op het beheer van de human ressources van de politiediensten (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3126/001, pp. 17 en 69). Het Controleorgaan is de toezichthoudende autoriteit van de politiediensten. Het is belast met het toezicht op de toepassing van titel 2 van de wet van 30 juli 2018, met de controle van de verwerking van de informatie en de persoonsgegevens bedoeld in de artikelen 44/1 tot 44/11/13 van de wet op het politieambt, met inbegrip van die welke zijn ingevoegd in de 19 gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2 van dezelfde wet, en met elke andere opdracht die door of krachtens andere wetten aan het Controleorgaan is verleend (artikel 71, § 1, derde lid, van de wet van 30 juli 2018). De bepalingen met betrekking tot de samenstelling, de opdrachten, de bevoegdheden en de financiering van dat orgaan vormen titel 7 van de wet van 30 juli 2018 (artikelen 231 tot 251). Wat betreft de volgorde van het onderzoek van de grieven B.8. De verzoekende partij bekritiseert verschillende aspecten van de bestreden wet, die het Hof in de volgende volgorde onderzoekt : 1. de bijzondere categorieën van gegevens (artikel 44/1, § 2, van de wet op het politieambt); 2. de koppeling van de politionele gegevensbanken (artikel 44/4 van de wet op het politieambt); 3. de verwerking van de gegevens betreffende personen die het voorwerp uitmaken van een bestuurlijke maatregel (artikel 44/5, § 1, eerste lid, 7°, van de wet op het politieambt); 4. de bewaring en de archivering van de gegevens (artikel 44/11/2 van de wet op het politieambt); 5. de rechtstreekse toegang van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tot de Algemene Nationale Gegevensbank (hierna : de A.N.G.) (artikel 44/11/8bis van de wet op het politieambt); Ten aanzien van de bijzondere categorieën van gegevens (artikel 44/1, § 2, van de wet op het politieambt) B.9. In het eerste onderdeel van het enige middel voert de verzoekende partij aan dat artikel 44/1, § 2, van de wet op het politieambt, zoals vervangen bij artikel 4, 2°, van de 20 bestreden wet, in strijd is met het recht op eerbiediging van het privéleven en met het recht op bescherming van persoonsgegevens, die door de in B.3 vermelde bepalingen worden gewaarborgd, in zoverre, ten eerste, de doeleinden van de verwerking van de gezondheidsgegevens en van de genetische gegevens onvoldoende duidelijk zijn, ten tweede, de termijn voor het bewaren van de biometrische gegevens en van de gezondheidsgegevens onevenredig is, ten derde, de beoogde waarborgen niet volstaan en, ten vierde, de betrokken personen niet over een recht op toegang tot de bijzondere categorieën van gegevens, noch over een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikken. B.10.1. Artikel 10 van de Politierichtlijn bepaalt : « Verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijkt, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon, gegevens over gezondheid of gegevens over seksueel gedrag of seksuele gerichtheid van een natuurlijke persoon zijn slechts toegelaten wanneer de verwerking strikt noodzakelijk is, geschiedt met inachtneming van passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkene, en :
- a)bij het Unierecht of het lidstatelijke recht is toegestaan;
- b)noodzakelijk is om vitale belangen van de betrokkene of een andere natuurlijke persoon te beschermen; of
- c)die verwerking betrekking heeft op gegevens die kennelijk door de betrokkene zelf openbaar zijn gemaakt ». Overweging 37 van de Politierichtlijn vermeldt : « Persoonsgegevens die door hun aard bijzonder gevoelig zijn wat betreft de grondrechten en fundamentele vrijheden verdienen specifieke bescherming aangezien de context van de verwerking ervan aanzienlijke risico's voor de grondrechten en fundamentele vrijheden kan meebrengen. Die persoonsgegevens dienen de persoonsgegevens te omvatten waaruit ras of etnische afkomst blijkt, waarbij het gebruik van de term ‘ ras ’ in deze verordening niet impliceert dat de Unie theorieën aanvaardt die erop gericht zijn vast te stellen dat er verschillende menselijke rassen bestaan. Dergelijke persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien bij de verwerking passende bij wet vastgelegde waarborgen gelden wat de rechten en vrijheden van de betrokkene betreft en zij is toegelaten in bij wet bepaalde gevallen; bij ontstentenis van zulke wet, indien de verwerking noodzakelijk is om de vitale belangen van de betrokkene of een andere persoon te beschermen; of indien de verwerking betrekking heeft op gegevens die de betrokkene zelf kennelijk openbaar heeft gemaakt. Passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkene kunnen bijvoorbeeld inhouden dat die gegevens enkel mogen worden verzameld in samenhang met andere gegevens over de natuurlijke persoon 21 in kwestie, dat de verzamelde gegevens afdoende kunnen worden beveiligd, dat strengere regels gelden voor de toegang van het personeel van de bevoegde autoriteit tot de gegevens, en dat de doorzending van die gegevens wordt verboden. De verwerking van die gegevens dient ook bij wet toegelaten te zijn wanneer de betrokkene uitdrukkelijk heeft toegestemd met de verwerking die een ingrijpende inbreuk vormt op zijn privacy. De toestemming van de betrokkene op zich mag evenwel geen rechtsgrond vormen voor de verwerking van die gevoelige persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten ». Uit artikel 10 van de Politierichtlijn, in samenhang gelezen met overweging 37 ervan, blijkt dat de bijzondere categorieën van persoonsgegevens de persoonsgegevens zijn die door hun aard bijzonder gevoelig zijn wat betreft de grondrechten en fundamentele vrijheden. Het betreft persoonsgegevens waaruit « ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijkt, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon, gegevens over gezondheid of gegevens over seksueel gedrag of seksuele gerichtheid van een natuurlijke persoon ». B.10.2. Artikel 34 van de wet van 30 juli 2018, waarbij artikel 10 van de Politierichtlijn wordt omgezet, bepaalt : « § 1. Verwerking van persoonsgegevens waaruit de raciale of etnische afkomst, de politieke opvattingen, de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging of het lidmaatschap van een vakvereniging blijken, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon, gegevens over gezondheid of gegevens over seksueel gedrag of seksuele gerichtheid van een natuurlijke persoon zijn slechts toegelaten wanneer de verwerking strikt noodzakelijk is en geschiedt met inachtneming van passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkene, en enkel in een van de volgende gevallen : 1° wanneer de verwerking door de wet, het decreet, de ordonnantie, de Europese regelgeving of de internationale overeenkomst is toegestaan; 2° wanneer de verwerking noodzakelijk is ter verdediging van de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon; 3° wanneer de verwerking betrekking heeft op gegevens die kennelijk openbaar zijn gemaakt door de betrokkene. § 2. De passende waarborgen zoals bedoeld in paragraaf 1 voorzien ten minste [erin] dat de bevoegde overheid of de verwerkingsverantwoordelijke een lijst van de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens opstelt, met een beschrijving van hun hoedanigheid ten opzichte van de verwerking van de beoogde gegevens. Deze lijst wordt ter beschikking gehouden van de bevoegde toezichthoudende autoriteit. 22 De bevoegde overheid waakt erover dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting, of door een evenwaardige contractuele bepaling ertoe gehouden zijn het vertrouwelijke karakter van de betrokken gegevens in acht te nemen ». B.11.1. Bij artikel 4, 2°, van de bestreden wet wordt paragraaf 2 van artikel 44/1 van de wet op het politieambt vervangen. Ingevolge die wijziging bepaalt artikel 44/1, § 2, van de wet op het politieambt : « Met het oog op het uitoefenen van hun opdrachten mogen de politiediensten de persoonsgegevens bedoeld in artikel 34 van de wet gegevensbescherming verwerken ter aanvulling of ondersteuning van de andere categorieën van gegevens zoals bedoeld in artikel 44/5. Naast de voorwaarde bedoeld in het eerste lid geldt het volgende : 1° de biometrische gegevens worden enkel verwerkt met het oog op het verzekeren van de ondubbelzinnige identificatie van de betrokken persoon als bedoeld in artikel 44/5, § 1, 2° tot en met 7[°] en § 3, 1° tot 6°. De biometrische gegevens van de personen, bedoeld in § 3, 7° tot en met 9°, en § 4 van artikel 44/5 worden uitsluitend verwerkt op basis van de toestemming van de betrokken persoon of wanneer zij duidelijk openbaar worden gemaakt door de betrokkene of om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen. Wanneer de verwerking van biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van de betrokken personen, in het bijzonder een verwerking waarbij nieuwe technologieën worden gebruikt, waarschijnlijk een hoog risico voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen oplevert, raadpleegt de verwerkingsverantwoordelijke of zijn verwerker het controleorgaan; 2° de gegevens betreffende gezondheid worden enkel verwerkt met het oog op het begrijpen van de omstandigheden waarin de betrokken persoon zich bevindt, evenals het garanderen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid van elke persoon die mogelijks in contact zou komen met de betrokken personen in het raam van politionele interventie. Wanneer gezondheidsgegevens worden verwerkt, wordt vermeld of deze gegevens al dan niet afkomstig zijn van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg. De verwerking van gezondheidsgegevens waarnaar in dit artikel wordt verwezen, heeft nooit als gevolg de betrokkenen te laten onderwerpen aan medische onderzoeken; 3° de verwerking van genetische gegevens betreft enkel het inwinnen van genetische gegevens en de registratie van administratieve vermeldingen verbonden aan het genetisch profiel, met uitsluiting van de vergelijking van genetische profielen of de identificatie van het DNA-codenummer en wordt uitgevoerd in het kader van de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke politie en de toepassing van de wetgeving inzake civiele bescherming. Tijdens de in deze paragraaf bedoelde verwerkingen van persoonsgegevens zijn de volgende waarborgen inzake bescherming van persoonsgegevens van toepassing : 23 1° de categorieën personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens worden aangewezen door de verwerkingsverantwoordelijke of, in voorkomend geval, door de verwerker, met een beschrijving van hun functie ten aanzien van de verwerking van de gegevens in kwestie; 2° de lijst van de aangewezen personen om de in deze paragraaf bedoelde gegevens te verwerken, stelt de verwerkingsverantwoordelijke of, in voorkomend geval, de verwerker ter beschikking van het Controleorgaan; 3° de aangewezen personen moeten, op grond van een wettelijke of statutaire verplichting, of een overeenkomstige contractuele bepaling, het vertrouwelijke karakter van de gegevens in kwestie in acht nemen; 4° er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de in artikel 44/5 bedoelde categorieën van personen; 5° er worden gepaste technische of organisatorische maatregelen getroffen om de persoonsgegevens tegen toevallige of niet-toegelaten vernietiging, tegen toevallig verlies of wijziging of elke andere niet-toegelaten verwerking van die gegevens te beschermen; 6° de verwerkingsverantwoordelijken vermelden in hun gegevensbeschermingsbeleid de te ondernemen acties om de verwerking van die gegevenscategorieën te beschermen en om de kwaliteit van de verwerkte gegevens te waarborgen, met name voor aspecten in verband met de beoordeling van de kwaliteit van de gegevens die in deze gegevensbestanden worden verwerkt, onder andere voor de aspecten in verband met de juistheid, volledigheid, betrouwbaarheid en de mate waarin zij actueel zijn. De bevoegde functionarissen voor gegevensbescherming zien erop toe dat dat beleid gevolgd wordt. De Koning kan in andere gepaste aanvullende waarborgen voorzien ». B.11.2. Krachtens artikel 44/1, § 1, van de wet op het politieambt, zoals gewijzigd bij artikel 4, 1°, van de bestreden wet, kunnen de politiediensten in het kader van de uitoefening van hun opdrachten en overeenkomstig de doeleinden inzake strafrechtspleging die zijn vermeld in artikel 27 van de wet van 30 juli 2018, dat in B.7 is vermeld, informatie en persoonsgegevens verwerken « voor zover deze laatste toereikend, terzake dienend en niet overmatig van aard zijn in het licht van de doeleinden van bestuurlijke en van gerechtelijke politie waarvoor ze verkregen worden en waarvoor ze later verwerkt worden ». Artikel 44/1, § 2, van de wet op het politieambt, zoals vervangen bij artikel 4, 2°, van de bestreden wet, stelt het wettelijk kader vast dat van toepassing is op de verwerkingen van bijzondere categorieën van persoonsgegevens door de politiediensten. Krachtens die bepaling worden de bijzondere categorieën van persoonsgegevens verwerkt « ter aanvulling of ondersteuning » van de hoofdverwerking met betrekking tot een van de categorieën van 24 gegevens die zijn opgesomd in artikel 44/5 van de wet op het politieambt (artikel 44/1, § 2, eerste lid). In dat verband wordt in de parlementaire voorbereiding gepreciseerd : « De persoonsgegevens waaruit de raciale of etnische afkomst, de politieke opvattingen, de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, het lidmaatschap van een vakvereniging blijken evenals de gegevens betreffende het seksueel gedrag of seksuele gerichtheid van een natuurlijke persoon worden enkel en alleen incidenteel verwerkt betreffende een hoofdverwerking die betrekking heeft op één van de in artikel 44/5 voornoemde categorieën van gegevens. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn voor een onderzoek betreffende homofobe agressies » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3697/001, pp. 11-12). De verwerking van de bijzondere categorieën van gegevens gaat bovendien gepaard met de in artikel 44/1, § 2, derde lid, van de wet op het politieambt bedoelde waarborgen, waaronder de twee in artikel 34, § 2, van de wet van 30 juli 2018 bedoelde minimale waarborgen. Krachtens artikel 44/1, § 2, vierde lid, van de wet op het politieambt kan de Koning in andere gepaste aanvullende waarborgen voorzien. De verwerking van de biometrische gegevens, van de gezondheidsgegevens en van de genetische gegevens is daarenboven onderworpen aan de voorwaarden waarin voor elk van die bijzondere categorieën van gegevens is voorzien bij artikel 44/1, § 2, tweede lid, van de wet op het politieambt. Krachtens artikel 44/3, § 1, eerste lid, van de wet op het politieambt, zoals gewijzigd bij artikel 6, 1°, van de bestreden wet, gebeurt de verwerking van de persoonsgegevens « bedoeld in artikel 44/1 van de wet op het politieambt met inbegrip van deze uitgevoerd in de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2 » overeenkomstig de wet van 30 juli 2018. De verwerking van de bijzondere categorieën van gegevens die in paragraaf 2 van het voormelde artikel 44/1 van de wet op het politieambt worden beoogd, gebeurt dus eveneens overeenkomstig de wet van 30 juli 2018. Wat betreft de doeleinden van de verwerking van de gezondheidsgegevens en van de genetische gegevens B.12. Wat de gezondheidsgegevens betreft, voert de verzoekende partij aan dat de bewoordingen « het begrijpen van de omstandigheden waarin de betrokken persoon zich bevindt », bedoeld in artikel 44/1, § 2, tweede lid, 2°, van de wet op het politieambt, ingevoegd bij artikel 4, 2°, van de bestreden wet, onvoldoende duidelijk zijn. Wat de genetische gegevens 25 betreft, is zij van mening dat de bewoordingen « de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke politie » en « de toepassing van de wetgeving inzake civiele bescherming », bedoeld in artikel 44/1, § 2, tweede lid, 3°, van de wet op het politieambt, ingevoegd bij artikel 4, 2°, van de bestreden wet, onvoldoende precies zijn. B.13.1. Bij artikel 22 van de Grondwet wordt aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voorbehouden om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van het privéleven. Het waarborgt aldus aan elke burger dat geen inmenging in de uitoefening van dat recht kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Een delegatie aan een andere macht is evenwel niet in strijd met het wettigheidsbeginsel, voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. Bijgevolg moeten de essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens in de wet zelf worden vastgelegd. In dat verband maken de volgende elementen, ongeacht de aard van de betrokken aangelegenheid, in beginsel essentiële elementen uit : 1°) de categorie van verwerkte gegevens; 2°) de categorie van betrokken personen; 3°) de met de verwerking nagestreefde doelstelling; 4°) de categorie van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens en 5°) de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens (advies van de algemene vergadering van de afdeling wetgeving van de Raad van State nr. 68.936/AV van 7 april 2021 over een voorontwerp van wet « betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie », Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1951/001, p. 119). B.13.2. Naast het formele wettigheidsvereiste legt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest, de verplichting op dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op bescherming van persoonsgegevens in duidelijke en voldoende nauwkeurige bewoordingen wordt geformuleerd die het mogelijk maken de hypothesen te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven toestaat. 26 Inzake bescherming van de gegevens impliceert dat vereiste van voorzienbaarheid dat voldoende precies moet worden bepaald in welke omstandigheden de verwerkingen van persoonsgegevens zijn toegelaten (EHRM, grote kamer, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, § 57; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, § 99). Derhalve moet eenieder een voldoende duidelijk beeld kunnen hebben van de verwerkte gegevens, de bij een bepaalde gegevensverwerking betrokken personen en de voorwaarden voor en de doeleinden van de verwerking. Meer in het bijzonder wanneer het optreden van de overheid een geheim karakter vertoont, dient de wet voldoende waarborgen te bieden tegen willekeurige inmengingen in het recht op eerbiediging van het privéleven, namelijk door de beoordelingsbevoegdheid van de betrokken overheden op voldoende duidelijke wijze af te bakenen, enerzijds, en door te voorzien in procedures die een effectief jurisdictioneel toezicht toelaten, anderzijds (EHRM, grote kamer, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, § 55; 6 juni 2006, Segerstedt-Wiberg t. Zweden, § 76; 4 juli 2006, Lupsa t. Roemenië, § 34). De vereiste graad van precisie van de betrokken wetgeving - die niet in elke hypothese kan voorzien - is onder meer afhankelijk van het domein dat wordt gereguleerd en van het aantal en de hoedanigheid van de personen tot wie de wet is gericht (EHRM, grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, §§ 95 en 96). Zo heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat de vereiste van voorzienbaarheid in domeinen die te maken hebben met de nationale veiligheid, niet dezelfde draagwijdte kan hebben als in andere domeinen (EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden, § 51; 4 juli 2006, Lupsa t. Roemenië, § 33). 1) De gezondheidsgegevens B.14.1. Krachtens artikel 26, 14°, van de wet van 30 juli 2018 zijn gezondheidsgegevens « persoonsgegevens die verband houden met de fysieke of mentale gezondheid van een natuurlijke persoon, met inbegrip van de persoonsgegevens over verleende gezondheidsdiensten, waarmee informatie over zijn gezondheidstoestand wordt gegeven ». 27 B.14.2. De verwerking van gezondheidsgegevens door de politiediensten is onderworpen aan de in B.11.2 aangehaalde voorwaarden die van toepassing zijn op elke verwerking van bijzondere categorieën van gegevens krachtens artikel 44/1, § 2, eerste en derde lid, van de wet op het politieambt. Bovendien mag de verwerking van gezondheidsgegevens door de politiediensten krachtens artikel 44/1, § 2, tweede lid, 2°, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 4, 2°, van de bestreden wet,
(1)enkel geschieden « met het oog op het begrijpen van de omstandigheden waarin de betrokken persoon zich bevindt » en « het garanderen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid van elke persoon die mogelijks in contact zou komen met de betrokken personen in het raam van politionele interventie »,
(2)met de vermelding of die gegevens al dan niet afkomstig zijn van beroepsbeoefenaars in de gezondheidzorg, en
(3)zonder dat de betrokkenen dientengevolge verplicht worden zich aan medische onderzoeken te onderwerpen. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat die laatste bepaling is ingevoerd opdat de al dan niet geplande interventies op een veilige wijze kunnen verlopen en om te vermijden dat de politieambtenaren en de andere personen die aanwezig zijn bij een interventie, het risico lopen om besmet te worden met een besmettelijke ziekte : « De bepaling aangaande de gezondheidsgegevens wordt ingevoegd omwille van het feit dat politieambtenaren en beveiligingsassistenten en -agenten van politie, maar ook de personen die aan hun bescherming zijn toevertrouwd, hulpverleningspersoneel, arrestanten, advocaten die bijstand geven (meer bepaald voor vertrouwelijk overleg) in het kader van verhoren, gerechtsdeskundigen (tolken) steeds het risico lopen om besmet te worden met een zwaar besmettelijke ziekte. Dit risico loopt men bij vechtpartijen, fouilleringen, bijtincidenten, arrestaties, … Naast het emotioneel beheer blijft men nog met andere vragen zitten, zoals de grote onzekerheid omtrent het feit van een eventuele besmetting. Medische testen naar bepaalde besmettelijke ziekten kunnen vaak pas maanden na de vermoedelijke besmetting uitsluitsel geven. Ondertussen blijft de betrokkene, maar ook zijn familie met de pijnlijke onzekerheid zitten. Eenzelfde situatie kan ook aanleiding geven tot arbeidsongeschiktheid. In sommige gevallen is er ook een belang om een snelle interventie toe te laten met het oog op het nemen van postexpositie profylaxe medicatie. Zo kan bij voorbeeld na een prikincident een behandeling met HIV-remmers (liefst binnen 2 uur, maximaal 72 uur) nodig zijn om het risico van infectie zo klein mogelijk te maken. De behandeling met HIV-remmers geeft soms bijwerkingen. Daarom is het belangrijk om een goede afweging te maken tussen het gelopen risico en de last van de behandeling. 28 Daarenboven is het op basis van informatie bij vorige confrontaties nuttig om te weten waarom er zich bij een betrokkene een plotse stemmingswisseling of paniekreactie kan voordoen. Bij bepaalde personen met een ontwikkelingsstoornis kan een bepaalde situatie immers een hevige reactie uitlokken. Het is van belang dat wanneer dit bij een vorige interventie aan het licht is gekomen, dit element kan verwerkt worden. Informatie in die zin kan ook nuttig zijn met het oog op de opsluiting van een persoon. Dit kan de politie doen besluiten om te voorzien in aangepaste maatregelen bij opsluiting (aanvullend toezicht, …) in het belang van de gezondheid van de persoon die het voorwerp uitmaakt van een bestuurlijke of gerechtelijke vrijheidsbeneming. De politiediensten kunnen om die reden op basis van verkregen informatie (bv. betrokkene heeft het spontaan gemeld) of ervaringen bij vorige interventies (bv. plotse stemmingswisseling of paniekreactie bij een opsluiting, agressie tegen medearrestanten, …) bepaalde informatie hebben. Bij verwerking van een categorie van persoonsgegevens zoals bepaald in artikel 44/5 [van de wet op het politieambt] kan een bepaalde te nemen maatregel toegevoegd worden. Het kan evenwel geen aanleiding geven tot discriminerende maatregelen en overdreven beveiligingsmaatregelen (bv. al te opzichtige beschermingskledij). De bedoeling is enkel de onvoorziene interventies, of te voorziene interventies (inschatting van risico’s bij een overbrenging van een persoon naar de gevangenis of voorleiding voor een magistraat) op een veilige wijze te laten verlopen. Inzonderheid kan alvorens op te treden het personeel op de hoogte worden gebracht (bv. interventieploeg op weg naar een opdracht, de voorgenomen arrestatie van een gekend persoon, de bijstand te leveren aan een gerechtsdeurwaarder, …). Er kan verwezen worden naar artikel 2 EVRM en de positieve verplichting van een staat om de burgers te beschermen wanneer er een reële dreiging tegen hun leven (en gezondheid) bestaat. Daarnaast is het ook zo dat de wetgever reeds voorzien heeft in een mogelijkheid om een verdachte te verplichten mee te werken aan een bloedtest om na te gaan dat bij het plegen van een misdrijf geen besmettelijke ziekte werd overgedragen (artikelen 524quater e.v. wetboek van strafvordering) » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3697/001, pp. 13-14). B.14.
- Het wetsvoorstel dat aan de oorsprong van de bestreden wet ligt, gaat terug op een voorontwerp van wet « betreffende het politionele informatiebeheer en tot wijziging van de wet op het politieambt en de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3697/003, p. 3). In zijn advies nr. 9/2018 van 12 december 2018 betreffende dat voorontwerp van wet had het Controleorgaan geoordeeld dat de bewoordingen « met het oog op het begrijpen van de omstandigheden waarin de betrokken persoon zich bevindt » onvoldoende duidelijk waren in zoverre zij in die zin konden worden begrepen dat zij verwijzen naar externe omstandigheden in plaats van naar de gezondheidstoestand van de betrokken persoon : « […] de mogelijkheden voor de politiediensten om gezondheidsgegevens te verwerken [worden], naast het aanvullend (en ondersteunend […]) karakter van de verwerking, verder 29 vernauwd door de zinssnede ‘ en enkel met het oog op het begrijpen van de omstandigheden waarin de betrokken persoon zich bevindt, evenals het garanderen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid van elke persoon die mogelijks in contact zou komen met de betrokken personen in het raam van politionele interventie ’. De steller van het ontwerp dient zich te beraden of hiermee alle in de praktijk courante verwerkingen van gezondheidsgegevens door de politie gedekt zijn. Het laatste zinsdeel (‘ het garanderen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid van elke persoon die mogelijks in contact zou komen met de betrokken personen in het raam van politionele interventie ’) behoeft geen verdere verduidelijking, maar beoogt een specifiek toepassingsgeval en beoogt de bescherming van derden (al dan niet personeel van de politiediensten). Het eerste zinsdeel (‘ met het oog op het begrijpen van de omstandigheden waarin de betrokken persoon zich bevindt ’) is daarentegen voor interpretatie vatbaar. Zo is het duidelijk dat de politie gezondheidsgegevens moet kunnen verwerken in het kader van de vaststelling van allerhande misdrijven tegen de orde der familie en openbare zedelijkheid (Boek II, Titel VII Sw.), zowel van een verdachte als van een slachtoffer. Het gaat dan niet zozeer om ‘ de omstandigheden waarin de betrokken persoon zich bevindt ’ maar eenvoudigweg bijvoorbeeld om zijn of haar gezondheidstoestand (drager van een ziekte, hartpatiënt, historiek van psychiatrische problemen, enz …). Het Controleorgaan beoordeelt de gebruikte bewoordingen in dat opzicht dan ook als dubbelzinnig (het lijkt eerder te gaan om externe omstandigheden) met alle gevolgen van dien op de regelmatigheid van de verdere politionele opsporings- of onderzoekshandelingen, of meer algemeen, de procedurele regelmatigheid. Het lijkt verkieselijk discussies op dat vlak uit te sluiten zodat het de steller van het ontwerp toe komt hierin duidelijkheid te scheppen. Die duidelijkheid kan er in bestaan eenvoudigweg te verwijzen naar de noodzakelijkheid om gezondheidsgegevens te verwerken voor de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie en de bescherming van de gezondheid van derden » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54- 3697/003, p. 40). B.14.
- In antwoord op die opmerking werd in de parlementaire voorbereiding gepreciseerd : « Om te antwoorden op de vraag van het Controleorgaan op de verwerking van gegevens betrekkelijk de gezondheid (punt 6 van het advies nr. 9 van 12 december 2018), moet goed begrepen worden dat de omstandigheid verbonden aan de betrokken persoon van toepassing is op het geheel van bestuurlijke en gerechtelijke politionele opdrachten en de verwijzing naar de ‘ betrokken persoon ’ strekt tot alle categorieën van personen bedoeld in het artikel 44/
- De bovengenoemde voorbeelden zijn geenszins exhaustief » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3697/001, p. 14). B.14.
- Uit de in B.14.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat artikel 44/1, § 2, tweede lid, 2°, van de wet op het politieambt werd ingevoerd om te waarborgen dat politionele interventies op een veilige wijze verlopen voor zowel de betrokkene en zijn naasten als voor de personen die aan de interventie deelnemen. Bijgevolg kan de bestreden bepaling aldus worden geïnterpreteerd dat de bewoordingen « met het oog op het begrijpen van de omstandigheden waarin de betrokken persoon zich bevindt » betrekking hebben op de gevallen waarin de veiligheid en de gezondheid van de betrokkene zelf dienen te worden gewaarborgd, 30 terwijl de bewoordingen « het garanderen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid van elke persoon die mogelijks in contact zou komen met de betrokken personen in het raam van een politionele interventie » betrekking hebben op het waarborgen van de veiligheid en de gezondheid van de personeelsleden van de politie en van alle andere personen die bij de interventie betrokken zijn, waaronder andere hulpverleners, de naasten van de betrokkene en andere aanwezigen. B.
- In die interpretatie zijn de bewoordingen « met het oog op het begrijpen van de omstandigheden waarin de betrokken persoon zich bevindt » in artikel 44/1, § 2, tweede lid, 2°, van de wet op het politieambt, ingevoegd bij artikel 4, 2°, van de bestreden wet, voldoende duidelijk zodat de betrokkene kan begrijpen in welke omstandigheden een verwerking van de persoonsgegevens kan plaatsvinden. Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.14.5 is de grief, in de mate zij gericht is tegen de bewoordingen « met het oog op het begrijpen van de omstandigheden waarin de betrokken persoon zich bevindt » niet gegrond. 2) De genetische gegevens B.16.
- Krachtens artikel 26, 12°, van de wet van 30 juli 2018 zijn genetische gegevens « persoonsgegevens die verband houden met de overgeërfde of verworven genetische kenmerken van een natuurlijke persoon die unieke informatie verschaffen over de fysiologie of de gezondheid van die natuurlijke persoon en die met name voortkomen uit een analyse van een biologisch monster van die natuurlijke persoon ». B.16.
- De verwerking van genetische gegevens door de politiediensten is onderworpen aan de in B.11.2 aangehaalde voorwaarden die van toepassing zijn op elke verwerking van bijzondere categorieën van gegevens krachtens artikel 44/1, § 2, eerste en derde lid, van de wet op het politieambt. Bovendien wordt de verwerking van genetische gegevens, krachtens artikel 44/1, § 2, tweede lid, 3°, van de wet op het politieambt, ingevoegd bij artikel 4, 2°, van de bestreden wet, gedefinieerd als « het inwinnen van genetische gegevens en de registratie van administratieve vermeldingen verbonden aan het genetisch profiel, met uitsluiting van de vergelijking van genetische profielen of de identificatie van het DNA-codenummer ». In 31 dezelfde bepaling wordt gepreciseerd dat de aldus gedefinieerde verwerking van genetische gegevens wordt uitgevoerd « in het kader van de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke politie en de toepassing van de wetgeving inzake civiele bescherming ». Volgens de verzoekende partij zijn die laatste bewoordingen niet voldoende precies. B.16.
- In de parlementaire voorbereiding wordt de bestreden bepaling als volgt toegelicht : « Ten slotte beperkt de politie zich, betreffende de genetische gegevens, tot het verzamelen van genetische sporen (DNA) en referentiemateriaal van personen (wet van 7 november 2011 betreffende identificatieprocedure via DNA onderzoek in strafzaken) met de noodzakelijke administratieve gegevens voor de chain of custody. De politie ontvangt informatie over de geanalyseerde sporen wat de bruikbaarheid daarvan en de mogelijke verbanden betreft (zie Col 21/2017) » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3697/001, pp. 14-15). B.17.
- In zoverre zij bepaalt dat de verwerking van genetische gegevens door de politiediensten zich beperkt tot het inwinnen van genetische gegevens en de registratie van administratieve vermeldingen verbonden aan het genetisch profiel en dat zij wordt uitgevoerd « in het kader van de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke politie », wordt in de bestreden bepaling gepreciseerd dat de voormelde verwerkingen enkel plaatsvinden in het kader van de uitoefening, door de politiediensten, van hun opdrachten van gerechtelijke politie, met uitsluiting van de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke politie. B.17.
- De taken van de politiediensten inzake civiele bescherming worden afgebakend door artikel 17 van de wet op het politieambt, dat bepaalt : « Bij ramp, onheil of schadegeval in de zin van de wetgeving op de civiele bescherming, begeven de politiediensten zich ter plaatse en waarschuwen de bevoegde bestuurlijke en gerechtelijke overheden. In afwachting dat deze overheden optreden, treffen zij in onderling akkoord alle maatregelen om de in gevaar verkerende personen te redden, het evacueren van personen en goederen te beschermen en plundering te voorkomen. Te dien einde kunnen zij de medewerking van de bevolking vorderen die hieraan gevolg moet geven en in voorkomend geval de nodige middelen moet verschaffen. 32 Zij verlaten pas de plaats van de ramp, het onheil, of het schadegeval na hiervan een officier van bestuurlijke politie te hebben ingelicht en zich ervan te hebben vergewist dat hun aanwezigheid niet langer vereist is om opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie te vervullen ». De organisatie en de taken van de Civiele Bescherming worden voorts geregeld door onder andere de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid » en de wet van 31 december 1963 « betreffende de civiele bescherming ». In zoverre zij bepaalt dat de verwerking van genetische gegevens door de politiediensten zich beperkt tot het inwinnen van genetische gegevens en tot de registratie van administratieve vermeldingen verbonden aan het genetisch profiel en dat zij wordt uitgevoerd « in het kader van […] de toepassing van de wetgeving inzake civiele bescherming », staat de bestreden bepaling de politiediensten bijgevolg toe genetische gegevens in te winnen en administratieve vermeldingen verbonden aan het genetisch profiel te registreren in het kader van de opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie die zij dienen uit te voeren « bij ramp, onheil of schadegeval in de zin van de wetgeving op de civiele bescherming » krachtens artikel 17 van de wet op het politieambt. B.17.
- De wetgever heeft de doeleinden van de verwerkingen van genetische gegevens die door de politiediensten kunnen worden uitgevoerd, aldus op voldoende precieze wijze bepaald. Voor het overige kunnen de politiediensten, krachtens artikel 44/1, § 1, van de wet op het politieambt, genetische gegevens enkel verwerken voor zover die gegevens « toereikend, terzake dienend en niet overmatig » van aard zijn in het licht van het doeleinde waarvoor zij worden verkregen en waarvoor zij later worden verwerkt. De politiediensten worden op dat punt gecontroleerd door het Controleorgaan dat, krachtens artikel 71, § 1, derde lid, 2°, van de wet van 30 juli 2018, met name « de controle van de verwerking van de informatie en de persoonsgegevens bedoeld in de artikelen 44/1 tot 44/11/13 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, met inbegrip van deze ingevoegd in de gegevensbank bedoeld in artikel 44/2 van dezelfde wet » als taak heeft. 33 B.
- Wat de bewoordingen « in het kader van de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke politie en de toepassing van de wetgeving inzake civiele bescherming » betreft, voldoet de bestreden bepaling aan de wettigheidsvereiste. Wat betreft de termijn voor het bewaren van de biometrische gegevens en van de gezondheidsgegevens B.
- De verzoekende partij voert, enerzijds, aan dat de bestreden wet niet in een specifieke bewaartermijn voor de biometrische gegevens voorziet en, anderzijds, dat de termijnen voor het bewaren van de biometrische gegevens en van de gezondheidsgegevens onevenredig zijn. B.
- Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en uit die van het Hof van Justitie blijkt dat persoonsgegevens niet langer dan nodig voor de verwezenlijking van het doel waarvoor ze werden opgeslagen, mogen worden bewaard in een vorm die identificatie toelaat of die toelaat een verband te leggen tussen een persoon en strafbare feiten. Bij de beoordeling van de evenredigheid van de duur van bewaring ten aanzien van het doel waarvoor de gegevens werden opgeslagen, wordt rekening gehouden met het al dan niet bestaan van een onafhankelijk toezicht op de verantwoording voor het behoud van gegevens in de databanken aan de hand van duidelijke criteria, zoals de ernst van de feiten, het feit dat de betrokken persoon reeds in het verleden is aangehouden, de ernst van de verdenkingen die rusten op een persoon, en elke andere bijzondere omstandigheid (EHRM, grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, § 103; 18 april 2013, M.K. t. Frankrijk, § 35; 17 december 2009, B.B. t. Frankrijk, § 61; 18 september 2014, Brunet t. Frankrijk, §§ 35-40; grote kamer, 25 mei 2021, Centrum för rättvisa t. Zweden, § 275; grote kamer, 25 mei 2021, Big Brother Watch t. Verenigd Koninkrijk, § 361; HvJ, grote kamer, 6 oktober 2020, C-511/18, C-512/18 en C-520/18, La Quadrature du Net e.a., punten 137-
- Artikel 5, e), van het Verdrag nr. 108 en artikel 7 van de aanbeveling nr. R
(87)15 voorzien in gelijksoortige waarborgen. B.21.
- De artikelen 44/9 en 44/10 van de wet op het politieambt, zoals gewijzigd bij de artikelen 10 en 11 van de bestreden wet, bepalen de regels betreffende de duur van de bewaring 34 van persoonsgegevens en informatie in de A.N.G., alsook de regels betreffende de archivering van die gegevens en informatie na het verstrijken van die periode. Artikel 44/11/2 van die wet, zoals gewijzigd bij artikel 13 van de bestreden wet, bepaalt de regels betreffende de bewaring van de gegevens vervat in de basisgegevensbanken. B.21.
- Krachtens artikel 44/2 van de wet op het politieambt zijn de persoonsgegevens en de informatie die in de A.N.G. en in de basisgegevensbanken worden verwerkt, die welke worden bedoeld in artikel 44/1 van dezelfde wet, en dus met inbegrip van de in artikel 44/1, § 2, bedoelde bijzondere categorieën van gegevens. B.21.
- De Politierichtlijn legt de lidstaten niet de verplichting op om specifieke bewaartermijnen voor de bijzondere categorieën van gegevens aan te nemen. B.21.
- De verzoekende partij toont niet aan dat de door de wetgever gemaakte keuze om niet in een specifieke bewaartermijn voor de bijzondere categorieën van gegevens te voorzien onredelijk zou zijn, dan wel zou leiden tot een bewaring van gegevens die onevenredig zou zijn ten aanzien van de door hem nagestreefde doelstellingen die, per categorie van bewaringstermijn, worden toegelicht in de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 maart 2014 « betreffende het politionele informatiebeheer en tot wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en het Wetboek van Strafvordering » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3105/001, pp. 37-43; zie het arrest nr. 108/2016 van 14 juli 2016, B.112.3). Aangezien de bijzondere categorieën van persoonsgegevens krachtens artikel 44/1, § 2, eerste lid, van de wet op het politieambt ter aanvulling of ondersteuning van de hoofdverwerking met betrekking tot andere categorieën van gegevens worden verwerkt, heeft de wetgever niet op onredelijke wijze gehandeld door de bijzondere categorieën van persoonsgegevens aan dezelfde bewaartermijnen te onderwerpen als die welke van toepassing zijn op de categorieën van hoofdgegevens die zij aanvullen of ondersteunen. B.21.
- Voor het overige heeft het Hof, bij zijn arrest nr. 108/2016 van 14 juli 2016, geoordeeld dat, onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.113.2, B.113.3, B.114.2, 35 B.114.4, B.115.3, B.115.4 en B.115.8 van dat arrest, de artikelen 44/9, 44/10 en 44/11/2 van de wet op het politieambt de in B.20 vermelde voorwaarden in acht nemen, wat betreft de duur van de bewaring van persoonsgegevens in politionele databanken (B.109 tot B.116). Er is te dezen geen aanleiding om tot een ander besluit te komen. B.
- De in B.19 geformuleerde grieven zijn niet gegrond. Wat betreft de waarborgen voor de betrokken persoon B.
- De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepaling in strijd is met de in het middel bedoelde bepalingen in zoverre zij niet voorziet in striktere voorwaarden voor de toegang tot de biometrische gegevens, de gezondheidsgegevens en de genetische gegevens (eerste grief), noch in het verbod om die gegevens door te zenden (tweede grief), noch erin voorziet het inwinnen van genetische gegevens te beperken « tot die in verband met de betrokken persoon » (derde grief). Wat de gezondheidsgegevens betreft, bekritiseert de verzoekende partij bovendien het feit dat de bestreden bepaling niet voorziet in de verplichting om de gegevens die op feiten zijn gebaseerd, te onderscheiden van die welke op een persoonlijk oordeel zijn gebaseerd (vierde grief), in de verplichting voor de verwerkingsverantwoordelijke om « categorieën [vast te stellen] op grond van de mate van juistheid of betrouwbaarheid van de informatie die hij verwerkt » (vijfde grief), in de verplichting om de juistheid van de gegevens te verifiëren alvorens ze door te zenden of beschikbaar te stellen (zesde grief), in de verplichting om aan de ontvangende bevoegde overheid de informatie te verstrekken die haar de mogelijkheid biedt zich te vergewissen van de juistheid van de gegevens en van de mate waarin zij actueel zijn (zevende grief), in precieze criteria voor het beoordelen van de kwaliteit van de gegevens (achtste grief), in een validatieprocedure die gepaard gaat met het actief op de hoogte brengen van het Controleorgaan (negende grief), in de verplichting om een voorafgaande effectbeoordeling uit te voeren (tiende grief) en in de voorafgaande toelating van het Controleorgaan vóór elke toegang tot die gegevens (elfde grief). Ten slotte is de verzoekende partij van mening dat de verwerking van genetische en biometrische gegevens striktere vereisten inzake beveiliging vergt (twaalfde grief). 36 B.
- Volgens artikel 6 van het Verdrag nr. 108 mogen persoonsgegevens die betrekking hebben op gezondheid niet langs geautomatiseerde weg worden verwerkt, tenzij het interne recht passende waarborgen ter zake biedt. Artikel 9 van dat Verdrag bepaalt evenwel dat van artikel 6 kan worden afgeweken indien de wet in een dergelijke afwijking voorziet en het een maatregel betreft die in een democratische samenleving noodzakelijk is ten behoeve van de bescherming van de veiligheid van de Staat, de openbare veiligheid, de geldelijke belangen van de Staat, de bestrijding van strafbare feiten, de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen. Volgens de aanbeveling nr. R
(87)15 mogen gevoelige gegevens enkel worden verwerkt als dit absoluut noodzakelijk is voor een bepaald onderzoek. Noch het Verdrag nr. 108, noch de aanbeveling nr. R
(87)15 verhinderen bijgevolg een verwerking van gevoelige gegevens door de politiediensten wanneer zulk een verwerking strikt noodzakelijk is voor de uitoefening van hun opdrachten. B.25.
- Zoals in B.11.2 is vermeld, wordt de verwerking van elk gevoelig gegeven, ongeacht de categorie waartoe het behoort, die door de politiediensten wordt uitgevoerd, onderworpen aan de in artikel 44/1, § 2, eerste en derde lid, van de wet op het politieambt bedoelde waarborgen, alsook, overeenkomstig artikel 44/3, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, aan die welke zijn bedoeld in de wet van 30 juli
- De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Zoals overweging 37 van de Richtlijn in herinnering brengt, moeten voor alle in het kader van dit artikel 4 verwerkte gegevens geschikte waarborgen worden gegeven. Een van de geschikte waarborgen bestaat er natuurlijk in die gegevens slechts te verwerken als aanvulling op andere in het kader van de operationele opdrachten verwerkte gegevens. Vervolgens werden de waarborgen voor de verwerking van de gevoelige gegevens vermeld in het koninklijk besluit van 13 februari 2001 ter uitvoering van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens integraal opgenomen in artikel 44/1, § 2bis, vijfde lid, met name dat : 37 - de lijst van categorieën van personen, die toegang hebben tot de persoonsgegevens, worden aangewezen door de verwerkingsverantwoordelijke of, in voorkomend geval, door de verwerker, met een beschrijving van hun functie ten aanzien van de verwerking van de gegevens in kwestie; - de lijst van de categorieën van de aangewezen personen om de in deze paragraaf bedoelde gegevens te verwerken, door de verwerkingsverantwoordelijke of, in voorkomend geval, door de verwerker ter beschikking wordt gesteld van het Controleorgaan; - de aangewezen personen, op grond van een wettelijke of statutaire verplichting, of een overeenkomstige contractuele bepaling, het vertrouwelijke karakter van de gegevens in kwestie in acht moeten nemen. Drie bijkomende waarborgen inzake bescherming van de betrokken personen werden toegevoegd. Het gaat er in de eerste plaats om, een onderscheid te maken tussen de in artikel 44/5 bedoelde categorieën van personen. Op die manier zullen de systemen voor de gegevensverwerking bijvoorbeeld duidelijk aangeven of de verwerkte gegevens over de politieke opvattingen een verdachte of een slachtoffer betreffen dat precies wegens die opvattingen zou worden vervolgd. Vervolgens moeten technische en organisatorische maatregelen getroffen worden tegen toevallige of niet-toegelaten vernietiging, tegen toevallig verlies of tegen de wijziging of elke andere niet-toegelaten verwerking van die gegevens. Die maatregelen zijn zeer ruim en betreffen in het bijzonder de veiligheid van de fysieke toegangen tot de lokalen waar die gegevens worden verwerkt en de toegangen tot de gegevens. Bij wijze van voorbeeld, de politielaboratoria waar biometrische gegevens worden verwerkt, maken het voorwerp uit van veiligheidsregels wat de fysieke toegangen alsook de toegangen tot de verwerkte gegevens betreft. Tot slot wordt aan de verwerkingsverantwoordelijken gevraagd in hun gegevensbeschermingsbeleid de concrete maatregelen op te nemen die ze zullen nemen om de opvolging van die categorieën van gegevens te verzekeren. De bevoegde functionarissen voor gegevensbescherming zullen de opvolging van de toepassing van dat beleid, waaronder de naleving van de maatregelen voor de verwerking van de gevoelige gegevens, op zich nemen. Daartoe zullen ze bijvoorbeeld gerichte controles op die maatregelen of algemene controles op alle punten van het veiligheidsbeleid doorvoeren. De Koning krijgt een volmacht om andere geschikte maatregelen te kunnen treffen. Betreffende het advies van de Raad van State 65.312/2 van 4 maart 2019 wordt gepreciseerd dat de waarborgen die de Koning kan bieden, aanvullend zijn op deze die reeds in dit artikel zijn voorzien. Het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn dat de Koning de waarborgen die in dit artikel worden gesteld met betrekking tot de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens beperkt, maar veeleer versterkt door ze aan te vullen indien nodig » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3697/001, pp. 15-16). 38 B.25.
- Krachtens artikel 44/1, § 1, van de wet op het politieambt kunnen de politiediensten informatie en persoonsgegevens verwerken voor zover deze, onder meer, « terzake dienend en niet overmatig » zijn. Rekening houdend met de voormelde bepalingen van het Verdrag nr. 108, dient die bepaling te worden begrepen in die zin dat een verwerking van gevoelige gegevens slechts mogelijk is wanneer dit strikt noodzakelijk is voor de uitoefening van de opdrachten van de politiediensten. B.25.3.
- In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden bepaling niet in striktere voorwaarden voorziet voor de toegang tot de biometrische gegevens, de gezondheidsgegevens en de genetische gegevens en in een verbod om die gegevens door te zenden, beroept zij zich op overweging 37 van de Politierichtlijn, die is aangehaald in B.10.1, volgens dewelke de passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de persoon op wie een verwerking van bijzondere categorieën van gegevens betrekking heeft, « bijvoorbeeld [kunnen] inhouden […] dat strengere regels gelden voor de toegang van het personeel van de bevoegde autoriteit tot de gegevens, en dat de doorzending van die gegevens wordt verboden ». In zoverre zij aanvoert dat de bestreden bepaling niet voorziet in het beperken van het inwinnen van genetische gegevens « tot die in verband met de betrokken persoon », lijkt zij te verwijzen naar een ander uittreksel uit dezelfde overweging volgens hetwelk de passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de persoon op wie een verwerking van bijzondere categorieën van gegevens betrekking heeft, « bijvoorbeeld [kunnen] inhouden dat die gegevens enkel mogen worden verzameld in samenhang met andere gegevens over de natuurlijke persoon in kwestie ». B.25.3.
- Het Hof is niet bevoegd om wetskrachtige normen te toetsen aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, louter in samenhang gelezen met de overwegingen uit de preambule die aan de bepalingen van een richtlijn van de Europese Unie voorafgaan, aangezien die overwegingen geen bindende kracht hebben. Die overwegingen dienen slechts als hulpmiddel bij de interpretatie van de normatieve bepalingen van die richtlijn. B.25.3.
- De eerste tot en met de derde grief van het eerste onderdeel van het enige middel zijn onontvankelijk. 39 B.25.
- In zoverre daarin niet wordt uiteengezet in welk opzicht het feit dat de bestreden bepaling niet voorziet in « categorieën op grond van de mate van juistheid of betrouwbaarheid van de informatie die [de verwerkingsverantwoordelijke] verwerkt », onbestaanbaar zou zijn met de in het middel bedoelde bepalingen, voldoet de vijfde grief niet aan de in B.2.4.1 aangehaalde vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, en is zij bijgevolg niet ontvankelijk. B.25.
- De vierde, zesde en zevende grief van het eerste onderdeel van het enige middel zijn niet gegrond, aangezien die aspecten worden geregeld in artikel 32 van de wet van 30 juli
- Het onderscheid tussen de gegevens die op feiten zijn gebaseerd en die welke op een persoonlijk oordeel zijn gebaseerd, dat wordt beoogd in artikel 32, § 1, van de wet van 30 juli 2018, wordt met betrekking tot de gezondheidsgegevens bovendien versterkt bij artikel 44/1, § 2, tweede lid, 2°, van de wet op het politieambt, ingevoegd bij artikel 4, 2°, van de bestreden wet. Die laatste bepaling voorziet immers erin dat, « wanneer gezondheidsgegevens worden verwerkt, wordt vermeld of deze gegevens al dan niet afkomstig zijn van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg ». B.25.
- Krachtens artikel 44/1, § 1, van de wet op het politieambt kunnen de politiediensten persoonsgegevens slechts verwerken voor zover zij « toereikend » zijn. Die voorwaarde heeft tot gevolg dat de persoonsgegevens die worden verwerkt, voor zover mogelijk, moeten toelaten zich een juist beeld te vormen van de persoon waarover het gaat, zodat het, onder meer, niet is toegelaten de beschikbare informatie te manipuleren door alleen de voor de betrokkene nadelige aspecten ervan te verwerken. Artikel 28 van de wet van 30 juli 2018 bepaalt daarenboven dat de persoonsgegevens « rechtmatig en eerlijk » dienen te worden verwerkt, en dat zij « juist [dienen te zijn] en […] zo nodig [dienen te worden] geactualiseerd ». Wat dit laatste betreft, voorziet artikel 28, 4°, van die wet nog erin dat « alle redelijke maatregelen worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren ». Wat in het bijzonder de bijzondere categorieën van gegevens betreft, vermelden de verwerkingsverantwoordelijken in hun gegevensbeschermingsbeleid, krachtens artikel 44/1, § 2, derde lid, 6°, van de wet op het politieambt, ingevoegd bij artikel 4, 2°, van de bestreden 40 wet, de te ondernemen acties om de verwerking van de bijzondere categorieën van gegevens te beschermen en om de kwaliteit van de verwerkte gegevens te waarborgen, met name voor de aspecten in verband met de beoordeling van de juistheid, de volledigheid en de betrouwbaarheid ervan en van de mate waarin zij actueel zijn. Die precisering werd toegevoegd bij een amendement nr. 3 dat als volgt werd verantwoord : « De beoordeling van de kwaliteit van de verwerkte gegevens, met name in het geval van bijzondere categorieën van gegevens, is een zeer belangrijk element, zowel op operationeel niveau als voor de bescherming van persoonsgegevens. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijken om criteria en richtlijnen te geven om de kwaliteit van de verwerkte gegevens te beoordelen en aldus het gebruik ervan te kaderen. De functionarissen voor de gegevensbescherming nemen concrete maatregelen om de opvolging van deze richtlijnen in goede banen te leiden » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3697/005, p.
- Zie eveneens : DOC 54-3697/006, pp. 4 en 7). De wetgever heeft aldus op voldoende nauwkeurige wijze voorzien in de kwaliteitsvereisten waaraan de bijzondere categorieën van gegevens moeten voldoen om door de politiediensten te kunnen worden verwerkt. De achtste grief van het eerste onderdeel van het enige middel is niet gegrond. B.25.
- De verzoekende partij toont niet aan in welk opzicht het feit dat de wetgever niet heeft voorzien in een validatieprocedure die gepaard gaat met het actief op de hoogte brengen van het Controleorgaan, tot gevolg zou hebben dat de verwerking van gezondheidsgegevens niet gepaard zou gaan met passende waarborgen. De negende grief van het eerste onderdeel van het enige middel is niet gegrond. B.25.
- Bij de artikelen 58 en 59 van de wet van 30 juli 2018 worden, overeenkomstig de artikelen 27 en 28 van de Politierichtlijn, de gevallen vastgesteld waarin een effectbeoordeling en/of een raadpleging van het Controleorgaan, vóór de verwerking van persoonsgegevens, moeten plaatsvinden. Krachtens artikel 58 en artikel 59, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 30 juli 2018 dient de verwerkingsverantwoordelijke een gegevensbeschermingseffectbeoord