← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.034

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.034 Arrest- Rolnummer: 34/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 361 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 594 van het Wetboek van strafvordering en artikel 63 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » (zoals van toepassing in de Franse Gemeenschap), gesteld door de familie- en jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen Jeugdbescherming - Franse Gemeenschap - Minderjarigen die worden vervolgd wegens een als misdrijf omschreven feit - Strafregister - Meldingen - Toegang door bepaalde administratieve overheden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 34/2022 van 10 maart 2022 Rolnummer : 7425 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 594 van het Wetboek van strafvordering en artikel 63 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » (zoals van toepassing in de Franse Gemeenschap), gesteld door de familie- en jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters en E. Bribosia, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 8 juli 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 juli 2020, heeft de familie- en jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 594 van het Wetboek van strafvordering en/of artikel 63 van de wet van 8 april 1965 niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en zelfs andere grondwetsbepalingen, in zoverre : - het voormelde artikel 594 de Koning de mogelijkheid biedt aan bepaalde administratieve overheden toegang te verlenen tot het strafregister, zulks uitsluitend in het kader van door of krachtens de wet bepaalde doeleinden, en met uitzondering van beslissingen gewezen in het kader van amnestieën, vernietigingen, intrekkingen, opheffingen, herstel in eer en rechten, opschorting van de uitspraak van de veroordeling, werkstraffen, straffen onder elektronisch toezicht en autonome probatiestraffen, - terwijl de minderjarige persoon die voor de jeugdrechtbank ten gronde wordt vervolgd wegens een of meer als misdrijf omschreven feiten : 2 . niet om het voordeel van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling of van een andere probatiemaatregel kan verzoeken, . maar ten hoogste, als meest gunstige maatregel, om het voordeel van een berisping, in het kader van de maatregelen opgesomd in artikel 63 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, waarin wordt gepreciseerd : ‘ (…) Die (…) maatregelen mogen nooit aan particulieren ter kennis worden gebracht. Zij mogen aan de gerechtelijke overheden ter kennis worden gebracht. Zij mogen ook aan de administratieve overheden, de notarissen en de gerechtsdeurwaarders worden ter kennis gebracht, indien dezen die inlichtingen voor de toepassing van een wets- of verordeningsbepaling volstrekt nodig hebben. Deze mededeling geschiedt onder de controle van de gerechtelijke overheden volgens de door de Koning te bepalen procedure. ’ . en dus zonder dezelfde uitzondering op de toegang tot de in zijn strafregister opgenomen gegevens voor, met name, bepaalde administratieve overheden te kunnen genieten als die welke een meerderjarige persoon kan genieten die wegens misdrijven voor een strafgerecht wordt vervolgd, wanneer hij om het voordeel van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling of van een andere probatiemaatregel verzoekt ? Hetzelfde zou gelden wanneer de meerderjarige persoon het voordeel van een werkstraf geniet, ten opzichte van een minderjarige persoon die het voordeel zou genieten van een maatregel waarbij hij ertoe wordt gedwongen een aantal uren prestaties in het algemeen belang te verrichten zoals bepaald in artikel 108, tweede lid, 3°, van het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 22 december 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Detienne en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 19 januari 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 19 januari 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil M.M. wordt voor de familie- en jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, gebracht omdat hij tussen 2017 en 2019 meerdere als misdrijf omschreven feiten heeft gepleegd. M.M. was minderjarig op het ogenblik van die feiten. Voor de rechtbank suggereert de voogd van M.M. om een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen over het verschil in behandeling tussen meerderjarige personen en minderjarige personen met betrekking tot de inschrijving van bepaalde maatregelen in het strafregister van de betrokkenen en de toegang van de administratieve overheden tot die gegevens. De rechtbank herformuleert de gesuggereerde vraag. III. In rechte -A- A.

  1. De Ministerraad is van mening dat de draagwijdte van de prejudiciële vraag moet worden beperkt tot het onderzoek van de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet omdat het niet aan het Hof staat zelf te onderzoeken welke andere bepalingen zouden kunnen zijn geschonden. A.2.
  2. De Ministerraad is van mening dat de prejudiciële vraag drie verschillende aspecten heeft. A.2.
  3. In de eerste plaats stelt de verwijzende rechter het Hof een vraag over het bestaan van een discriminatie tussen meerderjarige personen en minderjarige personen die voortvloeit uit de omstandigheid dat de minderjarige persoon die voor de jeugdrechtbank wordt vervolgd wegens als misdrijf omschreven feiten, niet om het voordeel van een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of van een andere probatiemaatregel kan verzoeken, maar, als meest gunstige maatregel, enkel om een berisping kan verzoeken. A.2.
  4. In de tweede plaats stelt de verwijzende rechter het Hof een vraag over het bestaan van een discriminatie tussen meerderjarige personen en minderjarige personen in zoverre de opschorting van de uitspraak van de veroordeling of de probatiemaatregel die de eerstgenoemden genieten, niet ter kennis wordt gebracht van de administratieve overheden die door de Koning zijn gemachtigd om, onder bepaalde voorwaarden, toegang tot het strafregister te hebben, terwijl de berisping ter kennis van die administratieve overheden kan worden gebracht. A.2.
  5. In de derde plaats stelt de verwijzende rechter het Hof een vraag over het bestaan van een discriminatie tussen meerderjarige personen en minderjarige personen in zoverre de werkstraf die aan de eerstgenoemden wordt opgelegd, niet ter kennis zal worden gebracht van de administratieve overheden die, in bepaalde omstandigheden, ertoe gemachtigd zijn toegang tot het strafregister te hebben, terwijl de beslissing van de jeugdrechtbank om aan de laatstgenoemden prestaties in het algemeen belang op te leggen, ter kennis van die administratieve overheden kan worden gebracht. A.3.
  6. In hoofdorde is de Ministerraad van mening dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet nuttig is voor de oplossing van het voor de verwijzende rechter hangende geschil. Hij zet uiteen dat het aan die rechter toekomt een van de maatregelen te bevelen die zijn bedoeld in artikel 108 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (hierna : het decreet van 18 januari 2018). Hij beklemtoont dat de decreetgever in beginsel als enige bevoegd is om de maatregelen vast te stellen die de rechter kan bevelen ten aanzien van een minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd. Hij stelt vast dat, zelfs indien het Hof de prejudiciële vraag bevestigend zou beantwoorden, dat antwoord tot gevolg zou hebben dat de keuze van de verschillende maatregelen die door de verwijzende rechter ten aanzien van M.M. kunnen worden bevolen, noch wordt uitgebreid, noch wordt ingeperkt, maar dat het hoogstens tot gevolg zou hebben dat een lacune aan het licht wordt gebracht die de decreetgever zou moeten wegwerken. 4 Hij preciseert dat de rechterlijke beslissing als dusdanig moet worden onderscheiden van de uitvoeringsmaatregelen die erop volgen en is van mening dat het beginsel van de scheiding der machten eraan in de weg staat dat een rechter de keuze van de maatregel die hij wenst uit te spreken, laat afhangen van de wijze waarop die door de administratieve overheid zal worden uitgevoerd. Hij beklemtoont in dat verband dat de grondwettigheid van de maatregel die de verwijzende rechter kan uitspreken, als dusdanig niet in twijfel wordt getrokken, aangezien de vraag betrekking heeft op de wijze waarop de beslissing zal worden uitgevoerd. Hij is van mening dat het de administratieve overheid die belast is met het uitvoeren van de rechterlijke beslissing, toekomt zich af te vragen of die uitvoering al dan niet in overeenstemming zal zijn met de Grondwet. A.3.
  7. De Ministerraad voegt eraan toe dat het decreet van 18 januari 2018 de artikelen 36, 37 (in essentie) en 39 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » heeft opgeheven, maar dat artikel 63 van die wet ongewijzigd is gebleven. Hij leidt daaruit af dat zou kunnen worden geoordeeld dat die bepaling gedeeltelijk onwerkzaam is geworden, zodat de maatregelen die zijn uitgesproken ten aanzien van de minderjarigen die voor de jeugdrechtbank zijn gebracht, niet meer in het strafregister worden ingeschreven. A.
  8. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat het verschil in behandeling, gesteld dat het is aangetoond, zou voortvloeien uit de verdeling van de bevoegdheden in het federale België, aangezien de meerderjarige personen die als misdrijf omschreven feiten hebben gepleegd, onder de federale wetgeving vallen en de minderjarige personen die dergelijke feiten hebben gepleegd, onder de gemeenschapswetgeving vallen. Hij brengt in herinnering dat een verschil in behandeling dat voortvloeit uit het aannemen van verschillende wetgevingen door verschillende wetgevers die optreden binnen de uitoefening van hun eigen bevoegdheden, niet discriminerend kan worden geacht. Hij voegt eraan toe dat dat verschil in behandeling bovendien niet voortvloeit uit de in het geding zijnde bepalingen, maar wel uit artikel 108 van het decreet van 18 januari
  9. A.5.
  10. In meer ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat de door de verwijzende rechter vergeleken personen klaarblijkelijk niet vergelijkbaar zijn, aangezien de minderjarige personen die als misdrijf omschreven feiten hebben gepleegd, in beginsel niet worden vervolgd voor de strafgerechten en geen strafsancties opgelegd krijgen. A.5.
  11. De Ministerraad doet gelden dat het onderzochte verschil in behandeling hoe dan ook op een objectief en redelijk criterium berust. Hij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 1/2011 van 13 januari
  12. Hij geeft aan dat de fundamentele verschillen in aard en in finaliteit tussen de op meerderjarige personen van toepassing zijnde regeling ter bestraffing van misdrijven en de op minderjarige personen van toepassing zijnde beschermende regeling verantwoorden dat het voor de jeugdrechtbank onmogelijk is om ten aanzien van de minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een andere probatiemaatregel uit te spreken. Voor hem verantwoorden dezelfde verschillen ook het verschil in behandeling met betrekking tot de gegevens waartoe bepaalde administratieve overheden al dan niet toegang zouden kunnen hebben wanneer zij het strafregister raadplegen. A.5.
  13. Daarenboven beklemtoont de Ministerraad dat de administratieve overheden krachtens de twee in het geding zijnde bepalingen enkel toegang kunnen hebben tot de gegevens in het strafregister indien zij die inlichtingen voor de toepassing van een wets- of verordeningsbepaling volstrekt nodig hebben en op machtiging van de Koning, volgens de daartoe bepaalde procedure. Hij leidt daaruit af dat de administratieve overheden niet zonder controle en zonder beperkingen vrij toegang hebben tot de gegevens die in het strafregister van de minderjarige personen zijn vervat. Hij preciseert dat met de in het geding zijnde bepalingen het legitieme doel wordt nagestreefd dat erin bestaat het de administratieve overheden mogelijk te maken hun opdrachten te vervullen en dat zij evenredig zijn met dat doel. -B- B.1.
  14. De prejudiciële vraag heeft betrekking op, enerzijds, artikel 594 van het Wetboek van strafvordering en, anderzijds, artikel 63 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de 5 jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » (hierna : de wet van 8 april 1965), zoals het in de Franse Gemeenschap van toepassing is. B.1.
  15. Artikel 594 van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan bepaalde administratieve overheden toegang verlenen tot in het Strafregister opgenomen gegevens, zulks uitsluitend in het kader van door of krachtens de wet bepaalde doeleinden, en met uitzondering van : 1° de veroordelingen en beslissingen bedoeld in artikel 593, 1° tot 4°; 2° arresten van herstel in eer en rechten en veroordelingen waarop dat herstel in eer en rechten betrekking heeft; 3° beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling en tot probatie- opschorting of het verval van de strafvordering overeenkomstig de artikelen 216bis, § 2 en 216ter, § 6; 4° de beslissingen die veroordelen tot een werkstraf overeenkomstig artikel 37quinquies van het Strafwetboek, met uitzondering voor het opmaken van de voorbereidende lijst van gezworenen overeenkomstig artikel 224, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek; 5° de beslissingen die veroordelen tot een straf onder elektronisch toezicht overeenkomstig artikel 37ter van het Strafwetboek, met uitzondering voor het opmaken van de voorbereidende lijst van gezworenen overeenkomstig artikel 224, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek; 6° de beslissingen die veroordelen tot een autonome probatiestraf overeenkomstig artikel 37octies van het Strafwetboek, behalve voor het opmaken van de voorbereidende lijst van gezworenen overeenkomstig artikel 224, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek. Zij hebben geen toegang meer tot gegevens betreffende veroordelingen tot gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, tot veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring, tot geldboete van ten hoogste 500 euro en tot geldboete, ongeacht het bedrag ervan, die is opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, na een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, behalve indien deze veroordelingen een vervallenverklaring of een ontzetting inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken, uitgesproken in het vonnis of waarvan die overheden absoluut kennis moeten hebben om een wets- of verordeningsbepaling te kunnen toepassen. Zij hebben wel toegang tot gegevens inzake de ontzettingen en maatregelen bedoeld in artikel 63 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, onder de voorwaarden vastgesteld in dat artikel ». 6 B.1.
  16. Artikel 63 van de wet van 8 april 1965, zoals van toepassing in de Franse Gemeenschap, bepaalt : « De ontzetting van het ouderlijke gezag en de maatregelen die ingevolge de artikelen 37 en 39 worden bevolen ten aanzien van minderjarigen die op grond van artikel 36, 4°, voor de jeugdrechtbank zijn gebracht, worden in het strafregister van de betrokkenen vermeld. Die ontzetting en die maatregelen mogen nooit aan particulieren ter kennis worden gebracht. Zij mogen aan de gerechtelijke overheden ter kennis worden gebracht. Zij mogen ook aan de administratieve overheden, de notarissen en de gerechtsdeurwaarders worden ter kennis gebracht, indien dezen die inlichtingen voor de toepassing van een wets- of verordeningsbepaling volstrekt nodig hebben. Deze mededeling geschiedt onder de controle van de gerechtelijke overheden volgens de door de Koning te bepalen procedure. De meldingen die bij toepassing van deze wet in het strafregister van een minderjarige zijn gemaakt, kunnen op verzoek van degene die er het voorwerp van was, bij beslissing van de jeugdrechtbank geschrapt worden na verloop van vijf jaren sedert het tijdstip waarop die maatregelen een einde hebben genomen. De ontzetting van het ouderlijke gezag wordt ambtshalve geschrapt, wanneer daaraan door herstel een einde is gemaakt ». B.2.
  17. Het Hof wordt verzocht om de situatie van minderjarige personen en die van meerderjarige personen te vergelijken met betrekking tot de toegang van de administratieve overheden tot de vermelding van de maatregelen die te hunnen aanzien door een rechtscollege zijn bevolen en in het strafregister zijn ingeschreven. Uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat de rechter de minderjarige personen en de meerderjarige personen aan wie een van de lichtste maatregelen wordt opgelegd, namelijk, voor de eerstgenoemden, de berisping en, voor de laatstgenoemden, de opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een andere probatiemaatregel, met elkaar wil vergelijken. Volgens de verwijzende rechter worden, krachtens de in het geding zijnde bepalingen, alle maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een minderjarige persoon die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, ingeschreven in het strafregister en kunnen zij, onder bepaalde voorwaarden, ter kennis worden gebracht van de administratieve overheden. De opschorting van de uitspraak van de veroordeling en de andere probatiemaatregelen die ten aanzien van meerderjarige personen zijn genomen, die eveneens in het strafregister worden ingeschreven, kunnen daarentegen niet ter kennis van de administratieve overheden worden gebracht. 7 B.2.
  18. Aan het Hof wordt ook een vraag gesteld over het verschil in behandeling tussen minderjarige personen aan wie het verrichten van prestaties in het algemeen belang wordt opgelegd en meerderjarige personen die worden veroordeeld tot het uitvoeren van een werkstraf, in zoverre de vermelding van die maatregelen, die in het strafregister van de betrokkene wordt ingeschreven, ter kennis van de administratieve overheden kan worden gebracht in het eerste geval en niet in het tweede. B.
  19. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, wordt aan het Hof geen vraag gesteld over het verschil in behandeling tussen minderjarige personen en meerderjarige personen die soortgelijke feiten hebben gepleegd wat betreft de maatregelen die ten aanzien van de eerstgenoemden kunnen worden genomen en de straffen die aan de laatstgenoemden kunnen worden opgelegd, maar wel wat betreft de toegang van de administratieve overheden tot de vermelding van die maatregelen en straffen in hun strafregister. Bijgevolg vindt het verschil in behandeling waarover aan het Hof een vraag wordt gesteld, zijn oorsprong in de in het geding zijnde bepalingen, die de toegang van de administratieve overheden tot de vermeldingen in het strafregister regelen en niet in de normen, die door verschillende wetgevers bij de uitoefening van hun eigen bevoegdheden zijn aangenomen, die voorzien in de straffen en maatregelen die in elk geval door de rechter kunnen worden uitgesproken. B.4.
  20. De Ministerraad is van mening dat de in het geding zijnde bepalingen, sedert de inwerkingtreding, op 1 mei 2019, van boek V en van artikel 184 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (hierna : het decreet van 18 januari 2018), in ruime mate onwerkzaam zijn geworden, zodat de prejudiciële vraag geen antwoord zou behoeven. B.4.
  21. Krachtens het in het geding zijnde artikel 594, derde lid, van het Wetboek van strafvordering kunnen de administratieve overheden door de Koning worden gemachtigd tot toegang tot de « maatregelen bedoeld in artikel 63 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade ». B.4.
  22. In artikel 63, eerste lid, van de wet van 8 april 1965, zoals van toepassing in de Franse Gemeenschap, wordt gepreciseerd dat « de maatregelen die ingevolge de artikelen 37 8 en 39 worden bevolen ten aanzien van minderjarigen die op grond van artikel 36, 4°, voor de jeugdrechtbank zijn gebracht », in het strafregister van de betrokken minderjarige persoon worden vermeld. B.5.
  23. Bij het decreet van 18 januari 2018 worden artikel 36, 4°, van de wet van 8 april 1965 (artikel 184, 2°), artikel 37, met uitzondering van paragraaf 3, vijfde lid (artikel 184, 4°), en artikel 39 van dezelfde wet (artikel 184, 9°) opgeheven. B.5.
  24. Artikel 108 van het decreet van 18 januari 2018 bepaalt : « De jeugdrechtbank, als hij ten gronde beslist, geeft de voorkeur aan een herstelgericht aanbod en onderzoekt daarna de haalbaarheid van een geschreven project dat door de jongere voorgedragen zou worden. Indien het herstelgericht aanbod en het geschreven project onverwezenlijkbaar of onaangepast blijken of indien het herstelgericht aanbod onvoldoende blijkt, kan, bij wijze van opvoedingsmaatregel, de rechtbank : 1° de jongere berispen; 2° de jongere, via de directeur, aan het toezicht van de dienst voor jeugdbescherming onderwerpen; 3° hem opleggen een opvoedingsprestatie in het algemeen belang uit te voeren in verband met zijn leeftijd en zijn vermogen, van 150 uur maximum, georganiseerd door een erkende dienst; 4° de jongere onderwerpen aan een begeleiding of een gespecialiseerde begeleiding, overeenkomstig artikel 120; 5° de jongere voorwaarden opleggen opdat hij in zijn leefomgeving zou kunnen blijven, overeenkomstig artikel 121; 6° de jongere verwijderen uit zijn leefomgeving, mits inachtneming van de hiërarchie bedoeld bij artikel
  25. De maatregelen bedoeld bij de punten 1° tot 5° van het tweede lid krijgen de voorrang op de maatregelen tot verwijdering uit zijn leefomgeving ». B.6.
  26. Uit de prejudiciële vraag en uit de motieven van het verwijzingsvonnis kan worden afgeleid dat de verwijzende rechter overweegt om een of meer van de in die bepaling opgesomde maatregelen te nemen ten aanzien van de in het geding zijnde minderjarige. 9 B.6.
  27. Bijgevolg zullen de maatregelen die door de verwijzende rechter zullen worden bevolen ten aanzien van de betrokken minderjarige, worden bevolen met toepassing van artikel 108 van het decreet van 18 januari 2018 en niet met toepassing van de artikelen 36, 4°, 37 en 39 van de wet van 8 april
  28. De met toepassing van artikel 108 van het decreet van 18 januari 2018 bevolen maatregelen worden niet aangehaald in artikel 63 van de wet van 8 april 1965, zoals van toepassing in de Franse Gemeenschap. Bijgevolg kunnen die maatregelen, bij gebrek aan een wettelijke grondslag, niet vermeld worden in het strafregister van de betrokken jongere. B.
  29. De prejudiciële vraag, die betrekking heeft op de toegang van de administratieve overheden tot de vermeldingen in het strafregister van minderjarige personen, behoeft geen antwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 10 maart
  30. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.034 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.