← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.042

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.042 Arrest- Rolnummer: 42/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 336 - laatst gezien 2026-06-19 17:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 88, vierde lid, van de wet van 28 december 2011 « houdende diverse bepalingen », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Sociale zekerheid - Pensioenen - Wettelijke pensioenleeftijd - Overgangsregeling - Toepassingsgebied - Datum waarop de aanvraag tot indisponibiliteitstelling voorafgaand aan pensioen is ingediend Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 42/2022 van 17 maart 2022 Rolnummer : 7539 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 88, vierde lid, van de wet van 28 december 2011 « houdende diverse bepalingen », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 26 februari 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 maart 2021, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 88, vierde lid, van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het voorziet in een regeling die aan personen die op 5 maart 2013 aan de voorwaarden inzake disponibiliteit voldoen, de mogelijkheid biedt om op pensioen te worden gesteld op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de termijn van die disponibiliteit of van een ermee gelijkgestelde situatie, voor zover een aanvraag tot indisponibiliteitstelling bij hun werkgever werd ingediend vóór 1 januari 2012 of vanaf 1 januari 2012 op voorwaarde dat die aanvraag door de werkgever werd ingewilligd vóór 5 maart 2012, terwijl de genoemde personen zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van de personen die evenzeer aan de voorwaarden inzake disponibiliteit voldoen op 5 maart 2013, maar die geen pensionering hebben kunnen genieten op de eerste dag die volgt op het verstrijken van de termijn van die disponibiliteit of van een ermee gelijkgestelde situatie omdat zij niet het recht hebben gehad om een aanvraag tot indisponibiliteitstelling in te dienen bij hun werkgever vóór 1 januari 2012 of vanaf 1 januari 2 2012 op voorwaarde dat die aanvraag door de werkgever werd ingewilligd vóór 5 maart 2012 ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Serge De Wetter, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. O. Wéry, advocaat bij de balie te Brussel; - het Gewestelijk Agentschap voor Netheid (Net Brussel), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Levert, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 22 december 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 19 januari 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 19 januari 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Serge De Wetter werd aangeworven door het Gewestelijk Agentschap voor Netheid (hierna : Net Brussel) op 6 april

  1. Op 17 oktober 2012 verzoekt Serge De Wetter, met toepassing van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 maart 2000 « tot instelling ten gunste van het personeel van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid van een stelsel van indisponibiliteitstelling voorafgaand aan de pensioengerechtigde leeftijd » (hierna : het besluit van 2 maart 2000), om in disponibiliteit te worden gesteld vanaf 1 maart 2013 en tot zijn ambtshalve pensionering op de leeftijd van 60 jaar, door zich met name te beroepen op het feit dat hij op 5 februari 2013 de leeftijd van 55 jaar zal bereiken. Op 29 januari 2013 wordt hij verplicht een nieuwe aanvraag tot indisponibiliteitstelling in te dienen wegens een vergissing van Net Brussel. Op 24 september 2013 geeft Net Brussel Serge De Wetter kennis van zijn weigering om hem in disponibiliteit te stellen, rekening houdend met de inwerkingtreding van de wet van 28 december 2011 « houdende diverse bepalingen » (hierna : de wet van 28 december 2011), waarbij de leeftijd waarop men recht heeft op vervroegd pensioen wordt verhoogd van 60 naar 62 jaar. Serge De Wetter betwist die beslissing voor de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, en vervolgens voor het Hof van Beroep te Brussel. 3 Op 30 juni 2016 veroordeelt het Hof van Beroep te Brussel Net Brussel ertoe aan Serge De Wetter onmiddellijk zijn indisponibiliteitstelling toe te kennen. Het Hof van Beroep is van oordeel dat die indisponibiliteitstelling geen gevolgen meer zal hebben op de dag dat Serge De Wetter de leeftijd van 60 jaar zal hebben bereikt, zijnde op 5 februari 2018, aangezien het personeelslid dat zijn indisponibiliteitstelling vóór het pensioen heeft aangevraagd, ambtshalve op rust wordt gesteld op de leeftijd van 60 jaar, zodat het niet langer deel uitmaakt van het personeel van Net Brussel. Vanaf dat ogenblik kan hij een nieuwe beroepsactiviteit uitoefenen. Op 4 juli 2017 stelt Serge De Wetter het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in gebreke om de voorwaarden te creëren van een financiële dekking voor de periode tussen het einde van zijn indisponibiliteitstelling op de leeftijd van 60 jaar en het ogenblik waarop zijn recht op pensioen wordt geopend, namelijk op 62 jaar. Hij stelt het Gewest ook in gebreke om het besluit van 2 maart 2000 aan te passen aan de verhoging door de federale overheid van de leeftijd waarop men recht heeft op vervroegd pensioen. Op 20 december 2019 dagvaardt Serge De Wetter het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Federale Pensioendienst voor de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De Rechtbank stelt vast dat artikel 88, vierde lid, van de wet van 28 december 2011 de personen beoogt die, zoals de eiser voor de verwijzende rechter, uiterlijk op 5 maart 2013 in disponibiliteit kunnen worden gesteld, maar die, in tegenstelling tot de eiser voor de verwijzende rechter, hun aanvraag in dat verband kunnen indienen - en hebben ingediend - hetzij vóór 1 januari 2012, hetzij na 1 januari 2012, op voorwaarde dat die aanvraag door de werkgever werd ingewilligd vóór 5 maart
  2. Bijgevolg stelt zij de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
  3. De eiser voor de verwijzende rechter doet gelden dat hij op 5 maart 2013 voldeed aan de voorwaarden om in disponibiliteit te worden gesteld, maar dat de bij het besluit van 2 maart 2000 vastgestelde procedure hem niet de mogelijkheid bood voldoende vroeg een aanvraag tot indisponibiliteitstelling in te dienen om te voldoen aan de andere voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 88, vierde lid, van de wet van 28 december
  4. Hij kon immers geen aanvraag indienen vóór 1 januari 2012, omdat uit het besluit van 2 maart 2000 voortvloeit dat de aanvraag niet meer dan negen maanden vóór de beoogde datum van indisponibiliteitstelling kan worden ingediend. Om dezelfde reden kon hij evenmin een aanvraag indienen na 1 januari 2012 met inachtneming van de voorwaarde dat die aanvraag door de werkgever wordt ingewilligd vóór 5 maart
  5. A.1.
  6. De eiser voor de verwijzende rechter is van mening dat alle personen die voldoen aan de voorwaarden om een indisponibiliteitstelling te genieten vóór 5 maart 2013, op identieke wijze moeten worden behandeld, los van de termijnen waarin in de administratieve procedure tot indisponibiliteitstelling is voorzien. Hij is van mening dat al die personen vergelijkbaar zijn, aangezien zij vóór 5 maart 2013 de leeftijd hebben bereikt die is vastgesteld in de regelgeving die eigen is aan hun beroep om hun beroepsactiviteit vervroegd stop te zetten wegens lichamelijke of psychische vermoeidheid. A.1.
  7. De eiser voor de verwijzende rechter voert aan dat er geen reden is om werknemers die, om procedurele redenen, hun aanvraag niet konden indienen vóór 1 januari 2012 of wier aanvraag niet kon worden ingewilligd vóór 5 maart 2012, verschillend te behandelen, terwijl de mate waarin zij lichamelijk of psychisch vermoeid zijn, dezelfde is. A.1.
  8. Hij doet gelden dat hij ambtshalve op rust werd gesteld op de leeftijd van 60 jaar en dat hij zijn rustpensioen pas op de leeftijd van 62 jaar heeft kunnen krijgen, zodat hij gedurende twee jaar niet over inkomsten heeft beschikt. Hij voegt eraan toe dat hij, aangezien hij een zwaar beroep heeft uitgeoefend, minder dan anderen in staat was om na 60 jaar opnieuw werk te vinden. Hij brengt eveneens in herinnering dat het voor hem onmogelijk was om zijn indisponibiliteitstelling aan te vragen of te verkrijgen vóór de bij de in het geding zijnde 4 bepaling vastgestelde data en dat hij dus niet vrijwillig heeft afgezien van een mogelijkheid die de regelgeving hem bood. A.2.1.
  9. De Ministerraad voert aan dat het antwoord op de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet nuttig is voor het geschil. Hij doet gelden dat de eiser voor de verwijzende rechter zijn aanvraag tot indisponibiliteitstelling heeft ingediend op 17 oktober 2012 en dat de wet van 28 december 2011 op die datum reeds was aangenomen en in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt op 30 december
  10. In de versie ervan die op die datum van toepassing is, bepaalde artikel 88, derde en vierde lid, van die wet dat de personen die vóór 28 november 2011 in disponibiliteit waren gesteld of die vóór die datum een aanvraag hebben ingediend om in disponibiliteit te worden gesteld, op rust worden gesteld op de eerste dag van de maand die volgt op die van hun zestigste verjaardag. De eiser voor de verwijzende rechter kon dus weten dat de leeftijd waarop men recht heeft op vervroegd pensioen vanaf 1 januari 2013 zou stijgen tot 62 jaar en dat hij zich niet zou kunnen beroepen op de in artikel 88, derde en vierde lid, van de wet van 28 december 2011 bedoelde overgangsregeling. Volgens de Ministerraad kon de eiser voor de verwijzende rechter ook weten dat artikel 88, vierde lid, van dezelfde wet, op de datum van het indienen van zijn tweede aanvraag, op 29 januari 2013, bepaalde dat de aanvraag tot indisponibiliteitstelling moest zijn ingediend vóór 1 januari 2012 of vanaf die datum voor zover zij door de werkgever werd ingewilligd vóór 5 maart
  11. Bovendien wist hij eveneens dat uit de toepassing van het besluit van 2 maart 2000 voortvloeide dat hij ambtshalve op rust zou worden gesteld op 60 jaar en dat hij dus een inkomensverlies zou moeten lijden totdat hij de leeftijd bereikt waarop hij recht heeft op vervroegd pensioen. De Ministerraad leidt daaruit af dat de eiser, minstens gedeeltelijk, aan de oorsprong van zijn schade ligt. A.2.1.
  12. De Ministerraad is bovendien van mening dat de situatie waarin de eiser voor de verwijzende rechter is geplaatst, klaarblijkelijk niet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen die zijn aangenomen door de federale wetgever, maar uit het feit dat de Brusselse gewestwetgever zijn regelgeving foutief niet tijdig heeft aangepast opdat ze zou samenvallen met de nieuwe wetsbepalingen die op federaal niveau zijn aangenomen. Hij brengt in herinnering dat de verwijzende rechter heeft geoordeeld dat dat niet-optreden foutief was. Hoewel het juist is dat de verwijzende rechter ook heeft geoordeeld dat er geen oorzakelijk verband bestond tussen die fout en de ontstentenis van een recht voor de eiser voor de verwijzende rechter om een rustpensioen vóór de leeftijd van 62 jaar te genieten, staat die vaststelling niet eraan in de weg dat die fout een oorzakelijk verband vertoont met de ontstentenis van het recht op het ontvangen van wachtgeld na 60 jaar. Volgens de Ministerraad stond het aan de eiser voor de verwijzende rechter om van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest schadevergoeding te vorderen die gelijk is aan het wachtgeld, en niet aan het rustpensioen. A.2.
  13. De Ministerraad is van mening dat, in tegenstelling tot wat de gestelde prejudiciële vraag laat uitschijnen en tot wat de eiser voor de verwijzende rechter aanvoert, uit de in het geding zijnde bepaling blijkt dat het doorslaggevende criterium om de overgangsregeling al dan niet te genieten, niet de datum is waarop de betrokkene voldoet aan de voorwaarden om in een situatie van disponibiliteit voorafgaand aan het pensioen te worden geplaatst, maar de datum waarop zijn aanvraag tot indisponibiliteitstelling wordt ingediend. Volgens hem heeft de federale wetgever willen vermijden dat de personen worden bestraft die vóór 1 januari 2012 in disponibiliteit waren gesteld voorafgaand aan het pensioen (artikel 88, derde lid) of die welke op het punt stonden in disponibiliteit te worden gesteld omdat zij net de aanvraag daartoe hadden ingediend of ze op korte termijn gingen indienen (artikel 88, vierde lid). De wetgever wou ook vermijden dat personen die dat oorspronkelijk niet van plan waren, ertoe werden aangezet een indisponibiliteitstelling vóór de pensioenleeftijd aan te vragen om aan het toepassingsgebied van de nieuwe wetgeving te ontsnappen en aldus hun vervroegde pensionering te regelen, hetgeen contraproductief zou zijn geweest ten opzichte van het nagestreefde doel. Volgens de Ministerraad is dat de reden waarom de wetgever het voordeel van die overgangsregeling niet heeft willen toekennen aan de personen die nog geen indisponibiliteitstelling hadden aangevraagd of niet op het punt stonden zulks te doen. Daaruit volgt dat de datum waarop de voorwaarden worden vervuld dankzij welke men een indisponibiliteitstelling kan genieten, van weinig belang is. Een persoon die zelfs verscheidene jaren vóór 1 januari 2012 aan de voorwaarden voldeed, maar die zijn aanvraag niet heeft ingediend vóór 1 januari 2012 of na die datum op voorwaarde dat de aanvraag wordt ingewilligd vóór 5 maart 2012, kan de overgangsregeling dus inderdaad niet genieten. Hij is eveneens van mening dat verder gaan dan de datum van 5 maart 2012 ertoe zou hebben geleid dat personen, zoals de eiser voor de verwijzende rechter, de overgangsregeling kunnen genieten, hetgeen kosten met zich mee zou hebben gebracht die de wetgever heeft willen vermijden. 5 A.2.
  14. De Ministerraad brengt in herinnering dat de wetgever in beginsel niet ertoe is gehouden een overgangsmaatregel te nemen. Hij doet gelden dat de wetgever, teneinde redelijk en voorzichtig te zijn, toch erover heeft gewaakt dat rekening werd gehouden met de categorieën van personen die zich in een situatie van disponibiliteit voorafgaand aan het pensioen of in een analoge situatie bevonden, opdat zij niet de gevolgen ondergaan die te wijten zijn aan het uitstellen van de vervroegde pensioenleeftijd. De wetgever heeft ervoor gezorgd dat geen afbreuk werd gedaan aan de situatie van de personen die hun aanvraag hadden ingediend zonder de nieuwe maatregelen te kennen die door hem werden beoogd. A.2.
  15. De Ministerraad merkt op dat het noodzakelijk is om de grens te trekken op een bepaald ogenblik, zo niet zal het met de hervorming nagestreefde doel niet kunnen worden bereikt. Aangezien de eiser voor de verwijzende rechter zijn aanvragen met kennis van zaken heeft ingediend na de bekendmaking van de wet van 28 december 2011, zijn de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling niet onevenredig te zijnen aanzien. Hij brengt in herinnering dat het Hof bij zijn arrest nr. 103/2014 van 10 juli 2014 heeft erkend dat iedere uitzondering op een maatregel tot verhoging van de pensioenleeftijd en van het vereiste aantal dienstjaren niet enkel afbreuk doet aan de doelstelling die werd nagestreefd met de pensioenhervorming van 2011, maar ook aan het noodzakelijke maatschappelijke draagvlak van de algehele pensioenhervorming. A.3.
  16. Net Brussel voert aan dat, indien het Hof artikel 88, vierde lid, van de wet van 28 december 2011 zou afkeuren, de in artikel 85 van de wet van 28 december 2011 bedoelde algemene regel zou moeten worden toegepast op de eiser voor de verwijzende rechter, zodat hij niet op rust zou kunnen zijn gesteld vóór de leeftijd van 62 jaar. Net Brussel leidt daaruit af dat de eiser geen belang heeft bij het antwoord dat op de prejudiciële vraag moet worden gegeven. A.3.
  17. Net Brussel brengt in herinnering dat artikel 88, derde en vierde lid, van de wet van 28 december 2011 erin voorzag dat de personen die vóór 28 november 2011 in disponibiliteit waren gesteld of die vóór die datum een aanvraag hadden ingediend om in disponibiliteit te worden gesteld, op rust worden gesteld op de eerste dag van de maand die volgt op die van hun zestigste verjaardag. De datum van 28 november 2011 werd volgens Net Brussel in aanmerking genomen omdat hij overeenstemde met de datum van het regeerakkoord over de pensioenhervorming. De wetgever wou dat personen die vóór 28 november 2011 hadden gekozen voor een bepaald loopbaaneinde op grond van de van kracht zijnde regels, hun plannen niet dienden te wijzigen. Het Agentschap zet uiteen dat de referentiedatum vervolgens werd uitgesteld tot 1 januari 2012 om de overgangsregeling te laten samenvallen met de datum die was aangekondigd voor het politieke akkoord over het ontwerp van pensioenhervorming in de overheidssector. Het is van mening dat de wetgever, door ook de personen te beogen die hun aanvraag na 1 januari 2012 hebben ingediend, maar wier aanvraag werd ingewilligd vóór 5 maart 2012, rekening heeft willen houden met de personen die zich niet in disponibiliteit bevonden en die een niet-tijdige aanvraag tot indisponibiliteitstelling hadden ingediend om in disponibiliteit te worden gesteld vóór 5 maart
  18. De wetgever wou bovendien vermijden dat al te jonge personen de overgangsregeling konden genieten. Daartoe heeft hij de voorkeur eraan gegeven om de datum waarop de indisponibiliteitstelling een aanvang moet hebben genomen, namelijk 5 maart 2013, nauwkeurig vast te stellen, in plaats van te voorzien in een termijn van één jaar tussen de aanvraag tot indisponibiliteitstelling en de aanvang ervan. A.3.
  19. Volgens Net Brussel zou het aanvaarden van de inaanmerkingneming van de aanvragen tot indisponibiliteitstelling die tussen 5 maart 2012 en 5 maart 2013 zijn ingesteld, kosten met zich mee hebben gebracht die de wetgever heeft willen vermijden en zou zulks afbreuk doen aan de pensioenhervorming van
  20. In dat verband brengt Net Brussel in herinnering dat het Hof, bij zijn voormelde arrest nr. 103/2014, heeft geoordeeld dat, enerzijds, die hervorming beoogt de pensioenen op lange termijn betaalbaar te houden en inspanningen van iedereen vergt en, anderzijds, de wetgever op gerechtvaardigde wijze afbreuk heeft gedaan aan de rechtmatige pensioenverwachtingen van alle ambtenaren, onder meer door de leeftijd waarop zij vervroegd met pensioen kunnen gaan, met twee jaren te verhogen. A.4.
  21. De eiser voor de verwijzende rechter antwoordt dat hij belang erbij heeft dat een antwoord wordt gegeven op de prejudiciële vraag, aangezien de wetgever, in geval van een vaststelling van ongrondwettigheid, politiek verplicht zou zijn om een nieuwe overgangsbepaling aan te nemen, ditmaal zonder discriminatie. De eiser voor de verwijzende rechter is bovendien van mening dat de omstandigheid dat hij zijn aanvraag tot indisponibiliteitstelling heeft ingediend terwijl hij de gevolgen van de pensioenhervorming van 2011 kende, geen weerslag heeft op de vraag of de in het geding zijnde bepaling discriminerend is en hem niet verhindert zich 6 op die ongrondwettigheid te beroepen. Hij is van mening dat het argument van de Ministerraad volgens hetwelk hij zijn schade had moeten beperken, erop neerkomt te eisen dat hij werkt tot de leeftijd van 62 jaar om te vermijden dat hij tussen de leeftijd van 60 jaar en de leeftijd van 62 jaar een inkomensverlies lijdt. Volgens hem omzeilt die redenering de kwestie van de discriminatie. Hij voert ook aan dat het discriminerende karakter van de in het geding zijnde bepaling geen verband houdt met de vraag of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een fout heeft begaan die het door hem geleden financiële nadeel heeft veroorzaakt. A.4.
  22. De eiser voor de verwijzende rechter erkent dat de datum waarop de persoon zijn indisponibiliteitstelling heeft aangevraagd, een doorslaggevend criterium is voor de toepassing van de in het geding zijnde bepaling. Hij doet evenwel gelden dat de wetgever, teneinde de categorie van personen af te bakenen die, bij wijze van overgangsmaatregel, de mogelijkheid geniet om op de leeftijd van 60 jaar met pensioen te gaan, zich dient te baseren op de lengte van de loopbaan en op de leeftijd van de werknemer en niet op discriminerende criteria die de ambtenaren afhankelijk maken van de termijnen die zijn vastgesteld in de bijzondere teksten waarbij de administratieve procedure tot indisponibiliteitstelling vóór het pensioen wordt geregeld. Volgens hem kan het doel dat erin bestaat te vermijden dat personen die dat niet van plan waren, ertoe worden aangezet met pensioen te gaan teneinde aan de nieuwe wetgeving te ontsnappen, enkel worden verwezenlijkt in het geval waarin alle stelsels van indisponibiliteitstelling volkomen identiek zouden zijn, zodat de afbakening tussen de personen die van plan waren met pensioen te gaan en de personen die dat niet van plan waren, objectief en duidelijk is. Hij brengt in herinnering dat hij wegens de in het besluit van 2 maart 2000 vastgestelde termijnen in de onmogelijkheid verkeerde om zijn aanvraag tot indisponibiliteitstelling in te dienen vóór 1 januari 2012 en het onmogelijk was dat zijn aanvraag zou worden ingewilligd vóór 5 maart 2012, zodat het hem niet was toegestaan om vóór die data uiting te geven aan zijn wil om met pensioen te gaan. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.
  23. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 88, vierde lid, van de wet van 28 december 2011 « houdende diverse bepalingen » (hierna : de wet van 28 december 2011). Die bepaling voorziet in een overgangsregeling met betrekking tot de leeftijd waarop bepaalde personeelsleden van de overheidssector vervroegd met pensioen kunnen gaan. B.1.
  24. Artikel 85 van dezelfde wet, dat artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 « houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen » (hierna : de wet van 15 mei 1984) verving, verhoogde de vervroegde pensioenleeftijd in de regel van 60 jaar naar 62 jaar. B.1.
  25. In de versie ervan die van toepassing is op het bodemgeschil, bepaalt artikel 88 van de wet van 28 december 2011 : « Niettegenstaande elke andere wettelijke, reglementaire of contractuele bepaling zijn de voorwaarden inzake leeftijd en duur van de diensten vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1°, 7 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen toepasselijk op elke persoon wiens pensioen bedoeld wordt in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen of artikel 80 van de wet van 3 februari 2003 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector. […] In afwijking van het eerste lid worden de personen die zich op eigen aanvraag op 1 januari 2012 in een voltijdse of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan de oppensioenstelling bevinden of in een vergelijkbare situatie, op pensioen gesteld op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de termijn van die disponibiliteit of van de ermee gelijkgestelde situatie. Deze datum kan evenwel niet gelegen zijn voor de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag. Het derde lid is eveneens van toepassing op de personen die bij hun werkgever een aanvraag om vóór 5 maart 2013 in een in datzelfde lid beoogde situatie te worden geplaatst hebben ingediend : 1° vóór 1 januari 2012; 2° of vanaf 1 januari 2012 op voorwaarde dat deze aanvraag door de werkgever werd ingewilligd vóór 5 maart
  26. De afwijkingen voorzien in het derde en vierde lid zijn niet meer van toepassing indien het personeelslid de disponibiliteit of de vergelijkbare situatie voortijdig beëindigt. […] ». Die bepaling is in werking getreden op 1 januari 2013 (artikel 92). B.2.
  27. Oorspronkelijk bepaalde artikel 88, derde en vierde lid, van de wet van 28 december 2011 : « In afwijking van het eerste lid worden de personen die zich op 28 november 2011 in een voltijdse of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan de oppensioenstelling bevinden of in een vergelijkbare situatie, op pensioen gesteld op de eerste dag van de maand die volgt op de 60ste verjaardag. Het derde lid is eveneens van toepassing op de personen die een aanvraag hebben ingediend vóór 28 november 2011 om in een situatie te worden geplaatst als beoogd door ditzelfde lid ». B.2.
  28. De wetgever had de bedoeling om de verworven rechten te vrijwaren van de personen die reeds vóór het pensioen in disponibiliteit waren gesteld of die daartoe de aanvraag 8 hadden ingediend, zonder « de houdbaarheid » van het socialezekerheidssysteem in gevaar te brengen (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1952/011, pp. 31-32, 36-37 en 41-42). De wetgever had gekozen om 28 november 2011 als scharnierdatum te nemen, omdat op die datum het regeerakkoord is gesloten (ibid., p. 24). B.3.
  29. De huidige bewoordingen van artikel 88, derde en vierde lid, van de wet van 28 december 2011 vloeien voort uit de wijziging die is aangebracht bij artikel 3 van de wet van 13 december 2012 « houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende de pensioenen van de overheidssector » (hierna : de wet van 13 december 2012). B.3.
  30. Het wetsontwerp dat aanleiding heeft gegeven tot de wet van 13 december 2012, voorzag in het vervangen van de datum van 28 november 2011 door de datum van 1 januari 2012 en in de toevoeging dat het in artikel 88, derde lid, bedoelde voordeel ook geldt voor de personen die hun aanvraag hebben ingediend na 1 januari 2012, op voorwaarde dat die aanvraag door hun werkgever werd ingewilligd vóór 5 maart
  31. Het wetsontwerp bepaalde eveneens dat de aanvraag tot indisponibiliteitstelling voorafgaand aan het pensioen ten vroegste één jaar vóór de begindatum van de indisponibiliteitstelling moest worden ingediend. In de parlementaire voorbereiding wordt vermeld dat het de bedoeling was al te jonge personeelsleden niet de mogelijkheid te bieden die overgangsmaatregelen te genieten (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2405/001, p. 17; 2012-2013, DOC 53-2405/003, p. 2, en DOC 53-2405/004, p. 15). B.3.
  32. Tijdens de parlementaire voorbereiding heeft de wetgever evenwel vastgesteld dat het ontworpen artikel 3 een aantal personen uitsloot van het toepassingsgebied van de overgangsregeling, terwijl zulks niet de bedoeling was : « ambtenaren van dezelfde leeftijd die tijdig hun disponibiliteit voorafgaand aan het pensioen hebben aangevraagd en die met ingang van dezelfde datum een periode van disponibiliteit kunnen aanvatten, [kan immers] een verschillende behandeling te beurt vallen wat de pensioneringsdatum aangaat. Bovendien zullen jongere ambtenaren in sommige gevallen aanspraak kunnen maken op de overgangsmaatregel, in tegenstelling tot hun oudere collega’s » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2405/004, pp. 15-16). Teneinde alle personen die een aanvraag hebben ingediend hetzij vóór 1 januari 2012, hetzij vanaf 1 januari 2012 met goedkeuring door de werkgever vóór 5 maart 2012, op dezelfde wijze te behandelen, werd de termijn van maximaal één jaar 9 vervangen door een vaste datum, namelijk 5 maart 2013 (ibid., DOC 53-2405/003, p. 2, en DOC 53-2405/004, p. 15). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag B.
  33. De prejudiciële vraag peilt naar de bestaanbaarheid van artikel 88, vierde lid, van de wet van 28 december 2011 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de uitbreiding van het toepassingsgebied van de overgangsregeling bij de wet van 13 december 2012 de personen die vóór 5 maart 2013 de voorwaarden vervulden inzake indisponibiliteitstelling voorafgaand aan het pensioen, verschillend behandelt volgens de data waarop zij hun aanvraag tot indisponibiliteitstelling hebben ingediend en, in voorkomend geval, de goedkeuring van hun werkgever hebben gekregen, zonder rekening te houden met de omstandigheid dat bepaalde personen waren onderworpen aan termijnvoorwaarden die losstaan van hun leeftijd of hun loopbaanduur, die hun verhinderden een indisponibiliteitstelling aan te vragen met inachtneming van de bij de in het geding zijnde bepaling vastgestelde data. B.
  34. Hoewel de bewoordingen van de prejudiciële vraag artikel 88, vierde lid, van de wet van 28 december 2011 beogen, blijkt uit het verwijzingsvonnis dat de verwijzende rechter het Hof een vraag stelt over de litterae 1° en 2° van die bepaling, die de data vaststellen waarop de aanvraag tot indisponibiliteitstelling moet worden ingediend en, in voorkomend geval, ingewilligd. Daaruit volgt dat, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad en Net Brussel aanvoeren, het antwoord op de prejudiciële vraag niet klaarblijkelijk nutteloos is voor het geschil voor de verwijzende rechter. Indien het Hof zou vaststellen dat artikel 88, vierde lid, 1° en 2°, van de wet van 28 december 2011 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, zou de toepassing van die bepaling immers moeten worden geweerd, zodat het zou volstaan dat de persoon zijn aanvraag tot indisponibiliteitstelling heeft ingediend vóór 5 maart 2013, zoals de eiser voor de verwijzende rechter heeft gedaan, teneinde de in het derde lid van hetzelfde artikel bedoelde overgangsregeling te genieten. 10 De omstandigheid dat werd geoordeeld dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een fout had begaan door de duur van de periode van indisponibiliteitstelling voorafgaand aan het vervroegd pensioen niet te verhogen om het einde van die periode te laten overeenstemmen met de wettelijke pensioenleeftijd, brengt die vaststelling niet in het geding. Het staat immers niet aan het Hof zich daarover uit te spreken. De Ministerraad en Net Brussel doen eveneens gelden dat de eiser voor de verwijzende rechter zijn aanvraag tot indisponibiliteitstelling heeft ingediend binnen de termijnen die zijn vastgesteld bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 maart 2000 « tot instelling ten gunste van het personeel van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid van een stelsel van indisponibiliteitstelling voorafgaand aan de pensioengerechtigde leeftijd » (hierna : het besluit van 2 maart 2000), wetende dat hij niet zou voldoen aan de voorwaarden die bij de in het geding zijnde bepaling zijn vastgelegd. Die omstandigheid heeft geen weerslag op het nut van het antwoord op de prejudiciële vraag voor het voor de verwijzende rechter hangende geschil, aangezien zij losstaat van de vraag of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Bovendien kan de eiser voor de verwijzende rechter niet worden verweten dat hij zich heeft gehouden aan de regelgeving die op hem van toepassing was. Ten gronde B.
  35. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 11 B.7.
  36. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van een structurele hervorming van de pensioenen van het overheidspersoneel, die erop gericht is om op lange termijn de budgettaire kosten van de vergrijzing te beheersen. De hervorming strekt in de eerste plaats ertoe de mensen langer te doen werken. B.7.
  37. Het komt de wetgever toe te oordelen in hoeverre het opportuun is maatregelen te nemen met het oog op besparingen inzake rust- en overlevingspensioenen. Aangezien die pensioenen met overheidsfondsen worden gefinancierd, moet de last die op de Staat weegt, kunnen worden gewijzigd wanneer de sanering van de openbare financiën of het tekort in de sociale zekerheid zulks vereisen. Bij het bepalen van zijn pensioenbeleid beschikt de wetgever derhalve over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Dat is des te meer het geval wanneer de betrokken regeling het voorwerp heeft uitgemaakt van sociaal overleg. B.
  38. Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat zij met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat laatste is het geval wanneer de rechtmatige verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtsonderhorigen worden miskend zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het ontbreken van een te hunnen voordele ingestelde overgangsregeling kan verantwoorden. B.
  39. De in het geding zijnde overgangsbepaling heeft tot gevolg dat personen die niet vóór 1 januari 2012 hun indisponibiliteitstelling konden aanvragen of niet vóór 5 maart 2012 een gunstige beslissing over die aanvraag konden verkrijgen, niet langer konden genieten van de vervroegde pensioenleeftijd van 60 jaar, en pas op de leeftijd van 62 jaar vervroegd met pensioen konden vertrekken. B.10.
  40. In het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen bevinden de personen die onder de in het geding zijnde overgangsregeling vallen, zich in een situatie die wezenlijk verschilt van de situatie van de personen die niet vóór 1 januari 2012 hun 12 indisponibiliteitstelling konden aanvragen of niet vóór 5 maart 2012 een gunstige beslissing over die aanvraag konden verkrijgen. De in het geding zijnde bepaling beoogt immers de legitieme verwachtingen te beschermen van diegenen die reeds vóór de pensioenhervorming van 28 december 2011 hun indisponibiliteitstelling hadden aangevraagd of van plan waren dat eerstdaags te doen. De relatieve scharnierdatum 1 januari 2012 is in dat opzicht pertinent, aangezien die datum twee dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, op 30 december 2011, van de verhoging van de vervroegde pensioenleeftijd valt. Personen die vóór die datum hun aanvraag hadden ingediend, kunnen nog steeds een vervroegd pensioen op de leeftijd van 60 jaar genieten, ongeacht de datum waarop die aanvraag werd goedgekeurd. De absolute scharnierdatum 5 maart 2012 is eveneens pertinent in het licht van die doelstelling, aangezien hij de personen die hun aanvraag aan het voorbereiden waren, maar nog niet hadden afgerond, een redelijke termijn geeft om dat alsnog te doen. Dat die scharnierdatum afhangt van de beslissing van de openbare werkgever, veeleer dan van de aanvraag, is eveneens pertinent, aangezien het de betrokkene verplichtte haast te maken met zijn aanvraag en de werkgever nog de nodige tijd gunde om die aanvraag te onderzoeken. Overigens bevatten de meeste disponibiliteitsregelingen een maximale termijn tussen de beslissing van de openbare werkgever en de aanvang van de indisponibiliteitstelling. B.10.
  41. De in het geding zijnde bepaling beoogt niet de personen te beschermen die vóór de bekendmaking van de pensioenhervorming in het Belgisch Staatsblad nog geen stappen hadden gezet om hun indisponibiliteitstelling aan te vragen, maar dat na die bekendmaking alsnog deden. Die personen beschikten immers niet over dezelfde rechtmatige verwachting om nog op de leeftijd van 60 jaar vervroegd met pensioen te kunnen gaan. Hun verwachting met betrekking tot hun pensioenleeftijd was dezelfde als die van alle werknemers en ambtenaren, die eveneens werden geconfronteerd met een substantiële verhoging van hun vervroegde pensioenleeftijd. Geen enkele werknemer of ambtenaar vermag de legitieme verwachting te hebben dat zijn pensioenleeftijd en pensioenvoorwaarden gedurende zijn ganse loopbaan ongewijzigd blijven. Er anders over oordelen, zou het de wetgever onmogelijk maken om de in B.7.1 bedoelde doelstellingen na te streven. 13 B.10.
  42. Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 78/2014 van 8 mei 2014 heeft geoordeeld, dient de wetgever die een grote pensioenhervorming doorvoert, ervoor te zorgen dat zij in beginsel op eenieder van toepassing is en dient hij de uitzonderingen zo beperkt mogelijk te houden. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat iedere blijvende uitzondering op de verhoging van de pensioenleeftijd en van het vereiste aantal dienstjaren niet enkel afbreuk doet aan de vooropgezette doelstelling, maar ook aan het noodzakelijke maatschappelijk draagvlak van de algehele pensioenhervorming. Indien de wetgever alleen de scharnierdatum 5 maart 2013 zou hebben gebruikt, zonder ook de scharnierdata 1 januari 2012 en 5 maart 2012 in zijn overgangsregeling op te nemen, zou hij in verregaande mate afbreuk hebben gedaan aan de doelstelling van de pensioenhervorming, omdat een ruime categorie van werknemers van openbare overheden dan de verhoging van de vervroegde pensioenleeftijd zouden hebben kunnen vermijden door alsnog een indisponibiliteitstelling aan te vragen die zij zonder de pensioenhervorming niet zouden hebben aangevraagd. Die gang van zaken zou het maatschappelijk draagvlak van de pensioenhervorming hebben aangetast. B.10.
  43. De keuze om de inwerkingtreding van nieuwe wetgeving gepaard te doen gaan met overgangsmaatregelen, impliceert overigens de noodzaak om ergens een grens te trekken. Gelet op de doelstelling die hij met de in het geding zijnde bepaling nastreefde, heeft de wetgever die grens in casu niet op kennelijk onredelijke wijze bepaald. B.10.
  44. De in het geding zijnde bepaling kan er inderdaad toe leiden dat, in uitzonderlijke gevallen, iets jongere personen na afloop van hun indisponibiliteitstelling wel nog op de leeftijd van 60 jaar vervroegd met pensioen kunnen gaan, hun iets oudere collega’s na afloop van hun indisponibiliteitstelling pas op de leeftijd van 62 jaar vervroegd met pensioen kunnen gaan. In dat geval heeft de eerste categorie van personen zijn indisponibiliteitstelling evenwel tijdig aangevraagd of voorbereid. B.10.
  45. In zoverre het verschil in behandeling betrekking heeft op de onmogelijkheid voor sommige werknemers van openbare werkgevers die vóór 5 maart 2013 aan de voorwaarden voor indisponibiliteitstelling voldeden, om hun aanvraag vóór 1 januari 2012 in te dienen of 14 vóór 5 maart 2012 te laten goedkeuren, terwijl andere werknemers van openbare werkgevers die op dezelfde datum aan de voorwaarden voldeden, wel over die mogelijkheid beschikten, vindt dat verschil in behandeling zijn grondslag niet in de in het geding zijnde bepaling, maar in de verschillen tussen de statuten van indisponibiliteitstelling van onderscheiden openbare werkgevers. Het onderzoek van die verschillen valt buiten de bevoegdheid van het Hof. Dat bepaalde werknemers van openbare werkgevers een periode van twee jaar dienen te overbruggen tussen het bereiken van de leeftijd van 60 jaar en de vervroegde pensioenleeftijd, is evenmin een rechtstreeks gevolg van de in het geding zijnde bepaling, maar veeleer van het gegeven dat de betrokken openbare werkgevers hun statuut van indisponibiliteitstelling niet in overeenstemming hebben gebracht met de pensioenhervorming door de wet van 28 december
  46. B.
  47. Gelet op het voorgaande is artikel 88, vierde lid, 1° en 2°, van de wet van 28 december 2011 niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 88, vierde lid, van de wet van 28 december 2011 « houdende diverse bepalingen » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 maart
  48. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.042 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.