id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 31 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.051 Arrest- Rolnummer: 51/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 337 - laatst gezien 2026-06-14 19:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 62 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 18 december 2019 « houdende diverse maatregelen met betrekking tot Schoolgebouwen, Begrotingsfondsen, Gezondheid, Hoger Onderwijs, Onderzoek, Sport, Universitaire Ziekenhuizen, Onderwijspersoneel, Onderwijs en WBE », ingesteld door de vzw « Secrétariat Général de l'Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone ». Onderwijs - Franse Gemeenschap - Oprichting van een overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht - Wallonie-Bruxelles Enseignement - Financiering Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 51/2022 van 31 maart 2022 Rolnummer : 7390 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 62 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 18 december 2019 « houdende diverse maatregelen met betrekking tot Schoolgebouwen, Begrotingsfondsen, Gezondheid, Hoger Onderwijs, Onderzoek, Sport, Universitaire Ziekenhuizen, Onderwijspersoneel, Onderwijs en WBE », ingesteld door de vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 april 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 april 2020, heeft de vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Kaiser en Mr. M. Verdussen, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 62 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 18 december 2019 « houdende diverse maatregelen met betrekking tot Schoolgebouwen, Begrotingsfondsen, Gezondheid, Hoger Onderwijs, Onderzoek, Sport, Universitaire Ziekenhuizen, Onderwijspersoneel, Onderwijs en WBE » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 januari 2020). Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de openbare instelling « Wallonie Bruxelles Enseignement », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sautois, advocaat bij de balie te Brussel; 2 - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Uyttendaele, Mr. A. Feyt en Mr. P. Minsier, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 20 oktober 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Detienne en D. Pieters te hebben gehoord, beslist : - dat de zaak niet in staat van wijzen is; - de partijen uit te nodigen zich, in een uiterlijk op 19 november 2021 in te dienen aanvullende memorie die ze binnen dezelfde termijn uitwisselen, uit te spreken over de gevolgen, voor de onderhavige zaak, van het arrest van het Hof nr. 126/2020 en over de gevolgen, voor het onderwerp van het onderhavige beroep, van de wijzigingen aangebracht in artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 « tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap » bij artikel 45 van het programmadecreet van 9 december 2020 « houdende diverse maatregelen om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de Coronaviruscrisis inzake Schoolgebouwen, Begrotingsfondsen, het Fonds Ecureuil, WBE, Gezondheid, Media, Permanente Opvoeding, Studiebeurzen, het Wetenschappelijk Onderzoek en het Leerplichtonderwijs » (dat het voorwerp uitmaakt van het beroep tot vernietiging ingeschreven onder het nummer 7605 van de rol van het Hof) en bij artikel 104 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 14 juli 2021 « houdende verschillende maatregelen inzake de bestrijding van de coronacrisis, het Europees herstelplan, de Kansengelijkheid, de Schoolgebouwen, Wallonie-Bruxelles Enseignement, de Vrouwenrechten, het Hoger Onderwijs, het Wetenschappelijk Onderzoek, de Non-profitsector, het Onderwijs en de Begrotingsfondsen ». Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partij; - de openbare instelling « Wallonie Bruxelles Enseignement »; - de Franse Gemeenschapsregering. Bij beschikking van 22 december 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Detienne en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 19 januari 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge de verzoeken van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 19 januari 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 16 februari
- Op de openbare terechtzitting van 16 februari 2022 : - zijn verschenen : 3 . Mr. M. Kaiser en Mr. M. Verdussen, voor de verzoekende partij; . Mr. J. Sautois, voor de openbare instelling « Wallonie Bruxelles Enseignement » (tussenkomende partij); . Mr. A. Feyt, tevens loco Mr. M. Uyttendaele en Mr. P. Minsier, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers T. Detienne en D. Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof A.
- « Wallonie Bruxelles Enseignement » (hierna : WBE), tussenkomende partij, betwist de bevoegdheid van het Hof om kennis te nemen van het beroep omdat het bekritiseerde verschil in behandeling rechtstreeks zou voortvloeien uit artikel 24 van de Grondwet. WBE merkt op dat de vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone » (hierna : het SeGEC) geen inrichtende macht is, maar een orgaan dat de 800 inrichtende machten die die vzw verenigt, vertegenwoordigt en coördineert. WBE meent dat zij, als enige inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap ingerichte onderwijs, ten aanzien van de dotatieaanvulling waarin de bestreden bepaling voorziet, alleen kan worden vergeleken met de individueel beschouwde inrichtende machten van het vrij onderwijs. WBE voert in hoofdzaak aan dat de Grondwetgever de gelijke financiering, ten laste van de Gemeenschap, tussen de inrichtende machten onderling niet heeft opgelegd en zelfs niet heeft gewild, en nog minder de gelijke financiering tussen de inrichtende machten van het officieel onderwijs en die van het gesubsidieerd vrij onderwijs in het licht van de financiering die vereist is opdat de Gemeenschap kan tegemoetkomen aan haar grondwettelijke verplichting om onderwijs in te richten. Volgens WBE geldt de bevestiging, in artikel 24, § 4, van de Grondwet, van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie inzake onderwijs, uitsluitend voor de leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen, en niet voor de inrichtende machten als dusdanig. Die grondwetsbepaling laat toe dat de specifieke kenmerken van elke inrichtende macht, met inbegrip van de wijze waarop zij zich kunnen financieren en kunnen worden gefinancierd, eventueel verschillen in behandeling met zich meebrengen onder onderwijsinstellingen, personeelsleden, leerlingen, studenten en ouders. Het recht op subsidiëring in naam van de keuzevrijheid, verankerd in artikel 24, § 1, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 24, § 4, van de Grondwet, betreft de financiering van de onderwijsinstellingen, en niet de financiering van de publieke en private rechtspersonen die deze inrichten. Het financieren van de structuren van de inrichtende machten zou erop neerkomen dat inbreuk wordt gemaakt op de vrijheid van onderwijs. Ten slotte verantwoordt de verplichting, voor de Franse Gemeenschap, om onderwijs op voldoende ruime wijze, voortdurend en op het hele grondgebied ervan in te richten, voornamelijk dat de middelen die zij daaraan moet besteden, een correlatieve beperking met zich meebrengen van de middelen die beschikbaar zijn voor de subsidiëring van het onderwijs dat is ingericht op initiatief van andere personen dan zijzelf. 4 Ten aanzien van het belang A.2.
- De verzoekende partij verantwoordt haar belang door haar hoedanigheid van woordvoerder van de inrichtende machten en schoolinrichtingen van het vrij gesubsidieerd onderwijsnet, en in het bijzonder van de katholieke scholen die basisonderwijs of secundair onderwijs inrichten. Zij voert aan dat de vernietiging van de bestreden bepaling de wetgever ertoe zou verplichten een nieuwe tekst te ontwerpen die in grotere mate tegemoetkomt aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Zij voegt eraan toe dat haar belang wordt versterkt door het feit dat zij is geraadpleegd in het stadium van de voorbereiding van het voorontwerp van programmadecreet en dit voor alle bepalingen ervan. Zij verwijst in dat verband naar het arrest nr. 114/2018 van 19 juli 2018 en naar de notulen van het overlegcomité van 13 november
- A.2.
- WBE betwist het belang van het SeGEC om in rechte te treden. Volgens WBE houdt het feit dat de verzoekende partij heeft deelgenomen aan de totstandkoming van het programmadecreet niet in dat zij doet blijken van een belang om elke bepaling van dat programmadecreet aan te vechten. De bestreden bepaling is niet rechtstreeks van toepassing op het door het SeGEC vertegenwoordigde net van inrichtende machten en SeGEC toont niet aan dat de bestreden bepaling haar statutair doel rechtstreeks en ongunstig aantast. Ten aanzien van het enige middel Standpunt van de verzoekende partij A.3.
- De verzoekende partij vraagt het Hof artikel 62 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 18 december 2019 « houdende diverse maatregelen met betrekking tot Schoolgebouwen, Begrotingsfondsen, Gezondheid, Hoger Onderwijs, Onderzoek, Sport, Universitaire Ziekenhuizen, Onderwijspersoneel, Onderwijs en WBE » (hierna : het programmadecreet van 18 december 2019) te vernietigen. Die bepaling wijzigt artikel 38 van het bijzonder decreet van de Franse Gemeenschap van 7 februari 2019 « tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van de inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap » (hierna : het bijzonder decreet van 7 februari 2019). Het enige middel is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 4, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, van de Grondwet. De verzoekende partij verwijt de bestreden bepaling dat zij voorziet in financieringsmaatregelen die alleen WBE en de onderwijsinstellingen ervan ten goede kunnen komen, met uitsluiting van de inrichtende machten en onderwijsinstellingen van de gesubsidieerde netten. De verzoekende partij is van oordeel dat dat verschil in behandeling niet verantwoord is door objectieve en legitieme verschillen tussen het door WBE ingerichte onderwijs en het gesubsidieerd onderwijs, en dat het in elk geval onevenredig is. De verzoekende partij verwijst naar het beroep ingeschreven onder het nummer 7426 op de rol van het Hof, dat zij heeft ingesteld tegen artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 en dat ten grondslag ligt aan het arrest nr. 126/2020 van 1 oktober
- Zij voert aan dat de verhoging van de bedragen die aan WBE worden toegekend bij de bestreden bepaling, dermate aanzienlijk is dat het Hof, in het kader van het thans onderzochte beroep, moet overgaan tot een nieuwe beoordeling van de naleving van het evenredigheidsbeginsel. A.3.
- De verzoekende partij voert aan dat het enige middel ontvankelijk is, daar het is gericht tegen een nieuwe bepaling. De grieven zijn immers gericht tegen artikel 62 van het programmadecreet van 18 december 2020 « in zoverre het het verschil in behandeling vervat in artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 overneemt en het onevenredige karakter ervan versterkt, door het oorspronkelijke bedrag van 10 000 000 euro te vermeerderen met 7 848 000 euro, met daarbovenop een uitzonderlijk bedrag van 1 880 000 euro gedurende drie jaar ». Volgens de verzoekende partij moet de financiering van een leerling in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap worden vergeleken met de financiering van een leerling die school loopt in het gesubsidieerd onderwijs. Zij beweert in elk geval dat die vergelijking geen bestaansreden heeft, omdat de inrichtende machten van het vrij onderwijs niet beschikken over eigen middelen voor de werking van de scholen bovenop de werkingssubsidies en de rechtstreekse of indirecte tegemoetkoming van de ouders. A.3.
- Ten aanzien van de verantwoording van de bestreden maatregel, merkt de verzoekende partij op dat, in het advies over een voorstel van decreet met hetzelfde onderwerp, dat werd ingediend en daarna vervangen door 5 het bijzonder decreet van 7 februari 2019, de afdeling wetgeving van de Raad van State een ernstig grondwettigheidsbezwaar heeft opgeworpen. Dat bezwaar had betrekking op de noodzaak, voor de bijzondere decreetgever, om aan te tonen dat, in het licht van de globale financieringsregeling van het onderwijs, de specifieke financiering die WBE zou genieten, zou worden verantwoord door objectieve verschillen tussen het door WBE ingerichte onderwijs en het gesubsidieerd onderwijs. Dat bezwaar ligt in de lijn van de rechtspraak van het Hof. Het verschil tussen beide netten is niet doorslaggevend, volgens de verzoekende partij. A.3.
- De verzoekende partij betwist het argument volgens hetwelk de financieringsmaatregelen waarin de bestreden bepaling voorziet, WBE moeten toelaten doeltreffend te functioneren, daar artikel 39, § 3, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 WBE ertoe machtigt financiële middelen over te dragen naar haar schoolinstellingen, terwijl de door de Franse Gemeenschap aan de inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij net toegekende werkingssubsidies integraal worden overgedragen naar de instellingen, zonder dat eigen financiële middelen bestaan die toelaten overdrachten uit te voeren bovenop het bedrag van die subsidies. De verzoekende partij merkt op dat andere decretale bepalingen WBE ertoe machtigen steun te bieden aan haar instellingen die moeilijkheden ervaren. Volgens de verzoekende partij leidt de mogelijkheid voor WBE om haar instellingen de uitgebreide middelen waarover zij beschikt, ter beschikking te stellen, ertoe dat de ongelijke behandeling tussen de scholen van het WBE-net en de gesubsidieerde scholen precies wordt versterkt. A.3.
- De verzoekende partij voert aan dat de specifieke kenmerken van WBE de omvang van de toegekende financiering niet kunnen verantwoorden. Ten aanzien van de omvang van de onderwijsnetten voert de verzoekende partij in de eerste plaats aan dat het WBE-net en de instellingen die zij vertegenwoordigt, onderwijs verstrekken aan respectievelijk 15 % en 50 % van de schoolbevolking. Ten tweede laat de organisatie van het net van het gemeenschapsonderwijs rond één enkele inrichtende macht, toe om veel grotere schaalvoordelen te realiseren, bijvoorbeeld door een centralisatie van de aankopen. Ten derde wegen de uitdagingen in verband met onder meer de werkoverlast en de administratieve complexiteit op alle inrichtende machten. Ten vierde is het onjuist te beweren dat de Franse Gemeenschap specifieke verplichtingen inzake de toelating van leerlingen zou hebben. Ten vijfde houden de eigen kenmerken van de scholen geen verband met de specificiteit van WBE als inrichtende macht, noch met het door WBE ingerichte onderwijs. Indien er een verschil is, wordt het bovendien gecorrigeerd door het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 april 2009 « houdende organisatie van een gedifferentieerde omkadering binnen de schoolinrichtingen van de Franse Gemeenschap om alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te bieden in een kwaliteitsvolle pedagogische omgeving » en door het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 februari 2019 « betreffende het onthaal, de scholarisatie en de begeleiding van leerlingen die de taal niet beheersen in het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap ». De verzoekende partij merkt op dat de verplichting om een keuze aan te bieden tussen het onderricht in een van de erkende godsdiensten en het onderricht in de niet confessionele zedenleer voortaan enkel nog betrekking heeft op één lesuur ingevolge het decreet van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 2015 « betreffende de organisatie van een cursus filosofie en burgerzin en een opvoeding tot filosofie en burgerzin ». Het onderwijsaanbod is sedert vele jaren gerationaliseerd en gereguleerd, niet alleen binnen de inrichtende macht zelf, maar ook tussen de netten. Volgens de verzoekende partij is de verdeling van de budgettaire kredieten voor het creëren van nieuwe plaatsen in het leerplichtonderwijs gunstiger voor het WBE-net, waardoor dat net sneller kan groeien dan de andere onderwijsnetten. Het argument dat de inzet van eigen middelen de instellingen van het gesubsidieerd vrij net tot voordeel zou kunnen strekken, blijft niet overeind bij een ernstig onderzoek van de werkelijkheid. Het onderhoud en soms ook de huurkosten van het onroerend vermogen, met inbegrip van hoge terugbetalingskosten van leningen, zijn thans ten laste van de instellingen van het gesubsidieerd vrij net. De verzoekende partij betwist de bewering dat artikel 25 van de zogeheten « Schoolpactwet » zo zou kunnen worden geïnterpreteerd dat elke inrichtende macht van het gesubsidieerd net de verplichting zou hebben om te beschikken over eigen middelen teneinde zijn onderwijs te financieren, daar de subsidies van de Franse Gemeenschap als aanvulling worden toegekend. Met betrekking tot de juridische aard van WBE onderstreept de verzoekende partij dat de enige wettelijke verplichtingen die op WBE rusten, bestaan in de oprichting van een instelling voor de behandeling van klachten van gebruikers en in de invoering van een interne en externe beheerscontrole. Er wordt evenwel geen enkel element aangevoerd om een dermate buitensporig bedrag van 17 879 997 euro te verantwoorden. De verzoekende partij voert aan dat de inrichtende machten van het vrij net zijn onderworpen aan zware verplichtingen met betrekking tot hun statuut van, meestal, vereniging zonder winstoogmerk. 6 Met betrekking tot de schoolgebouwen voert de verzoekende partij aan dat WBE een financiering geniet voor de bouw- en renovatiewerken voor haar schoolinfrastructuur die gunstiger is dan die van het gesubsidieerd officieel net en het gesubsidieerd vrij net, die onderwijs verstrekken aan respectievelijk 14 %, 36 % en 50 % van de schoolbevolking. A.3.
- In de veronderstelling dat die verschillen aangetoond zijn, voert de verzoekende partij aan dat de bestreden maatregel niet evenredig is. In de eerste plaats maakt de bestreden bepaling het verschil in financiering dat voortvloeit uit artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, dat reeds substantieel was, nog groter, zonder dat de criteria die de in het geding zijnde bedragen verantwoorden, duidelijk worden aangegeven. Ten tweede is het bedrag dat bestemd is om de loonkosten te dekken, zoals bepaald in artikel 38, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, buitensporig ten opzichte van de reële noden. Ten derde geniet WBE, zoals de andere inrichtende machten, menselijke en financiële middelen krachtens het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 maart 2019 « betreffende de steun- en begeleidingscellen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs en het statuut van steun- en begeleidingsadviseurs ». Die middelen komen bovenop die welke alleen WBE geniet krachtens de bestreden bepaling. Ten vierde heeft een verschil in behandeling onder de inrichtende machten inzake financiering tot gevolg verschillen in behandeling te creëren onder onderwijsinstellingen en dus ook onder de leerlingen en de studenten en hun ouders, in het bijzonder wanneer overdrachten van financiële middelen worden toegestaan ten behoeve van die instellingen. Ten vijfde is de bestreden maatregel des te minder aanvaardbaar omdat hij een negatieve weerslag kan hebben op de rechten die worden erkend bij artikel 24, § 1, van de Grondwet, dat de vrijheid van onderwijs vastlegt, en onder meer de vrijheid waarborgt om naar de school van zijn keuze te gaan. De verzoekende partij voert ook aan dat artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, zoals gewijzigd bij de bestreden bepaling, met de toekenning aan WBE van een extra bedrag van 61 532 135 euro voor de uitoefening van haar opdrachten als inrichtende macht, aanzienlijke extra middelen toewijst aan uitsluitend het door de Franse Gemeenschap ingerichte onderwijsnet. In verhouding tot het aantal leerlingen vertegenwoordigt dat bedrag van 61 532 135 euro een supplement van 313 euro per leerling of student. Dat bedrag vergroot aldus de reeds bestaande verschillen in financiering. Bovendien voorziet de bestreden bepaling in de toekenning, aan WBE, voor de komende drie jaren, van een uitzonderlijke toelage van 1 880 000 euro waarmee de kosten van het veranderingsbeheersplan kunnen worden gedekt. Ten slotte leidt artikel 18 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 juli 2001 « waarbij de materiële omstandigheden van de inrichtingen van het basis- en secundair onderwijs worden verbeterd », zoals geïnterpreteerd in het kader van de totstandkoming van de oorspronkelijke begroting 2020 van de Franse Gemeenschap, ertoe dat aan WBE nieuwe budgettaire kredieten worden toegekend voor een bedrag van 4,8 miljoen euro, hetgeen een extra verschil in financiering van 38 euro per leerling vertegenwoordigt. In een constitutionele rechtsstaat die bekommerd is om een daadwerkelijke en concrete naleving van de grondrechten, zo voegt de verzoekende partij eraan toe, verwacht men van een normerende overheid dat zij een studie instelt naar de gevolgen van de beoogde norm, niet afzonderlijk beschouwd, maar gezamenlijk, dat wil zeggen in combinatie met de normen waarmee die norm verbonden is. A.3.
- De verzoekende partij voert aan dat de interpretatie van artikel 25 van de Schoolpactwet die door de Franse Gemeenschapsregering wordt verdedigd, erop neerkomt elke inrichtende macht van het gesubsidieerd net ertoe te verplichten over eigen middelen te beschikken teneinde zijn onderwijs te financieren, hetgeen in strijd is met de beginselen van gelijkheid en kosteloosheid opgelegd bij artikel 24 van de Grondwet. Allereerst wordt in de parlementaire voorbereiding van de Grondwetsherziening van 1988 gepreciseerd dat het verdwijnen van de eigen middelen van het vrij onderwijs deel uitmaakt van de objectieve verschillen waarmee rekening moet worden gehouden. Ten tweede wordt de vrijheid van onderwijs een illusie indien artikel 24 van de Grondwet zo wordt geïnterpreteerd dat het de inrichtende machten van het vrij onderwijs ertoe verplicht over eigen werkingsmiddelen te beschikken die zij niet bezitten om de functionele openbare opdracht te financieren die aan hen is toevertrouwd. De toekenning van een unieke premie teneinde elke inrichtende macht die een nieuwe school opent, in staat te stellen over financiële middelen te beschikken voor de vereffening van de eerste subsidie of dotatie bevestigt de wil om het creëren van plaatsen te vergemakkelijken door alle inrichtende machten. Ten derde is het tegenstrijdig om aan te voeren dat, enerzijds, de middelen van WBE zijn voorbehouden voor eigen gebruik, met uitsluiting van het gebruik van haar instellingen, en, anderzijds, elke inrichtende macht de onderwijsopdrachten van zijn scholen 7 moet financieren bovenop de middelen die door de Franse Gemeenschap worden toegekend. Ten vierde heeft de Franse Gemeenschap altijd al een extra financiering geregeld teneinde de scholen in staat te stellen te voldoen aan de nieuwe aan hen opgelegde verplichtingen. Vervolgens voert de verzoekende partij aan dat artikel 39, § 3, van de wet van 7 februari 2019 WBE toelaat alle gewenste overdrachten naar haar instellingen uit te voeren, hetgeen neerkomt op de invoering van een mechanisme van dubbele subsidiëring ten behoeve van die instellingen. Zij voert aan dat het gelijkheidsbeginsel strikt in acht wordt genomen voor de financiering van het universitair onderwijs. De verzoekende partij verwijst naar een overzicht dat een consultant in 2015 heeft opgemaakt en voert aan dat de instellingen van WBE veel beter worden gefinancierd dan de instellingen van de gesubsidieerde netten. Ten aanzien van de kenmerken van WBE betwist de verzoekende partij overigens de door WBE aangevoerde cijfers en klaagt zij aan dat niet cijfermatig is aangetoond welke werkoverlast die kenmerken inhouden voor WBE. De verzoekende partij vraagt zich af hoe de bedragen waarin de bestreden bepaling voorziet, zouden kunnen worden verantwoord, terwijl de Franse Gemeenschap en WBE nog geen beheersovereenkomst hebben gesloten. Zij betwist het argument van de Franse Gemeenschapsregering volgens hetwelk de betwiste bedragen plafonds zijn die mogelijk niet worden bereikt. De verzoekende partij verwijst naar de bijlagen bij de memorie van WBE en geeft aan te vrezen voor andere verhogingen van de dotatie van WBE bij ontstentenis van een afbakening van de perimeter die werd geanalyseerd bij de totstandkoming van het oorspronkelijke bedrag van de dotatie en bij ontstentenis van een beheersovereenkomst. Bovendien zou de Franse Gemeenschapsregering elke verantwoording uit de weg gaan door te verwijzen naar artikel 25 van de Schoolpactwet om de dotatieverhoging te verantwoorden. Ten slotte voeren de Franse Gemeenschapsregering en WBE, aldus de verzoekende partij, hetzelfde argument aan om verschillende bedragen te verantwoorden, aangezien zij de bedragen van de oorspronkelijke dotatie van WBE en de verhoging ervan verantwoorden door de noodzaak om te voldoen aan een groot aantal reglementaire en administratieve verplichtingen. A.3.8.
- In haar aanvullende memorie voert de verzoekende partij aan dat het arrest van het Hof nr. 126/2020 van 1 oktober 2020 rechtstreeks gevolgen heeft voor de thans onderzochte zaak. Ten aanzien van de draagwijdte van de vernietiging van artikel 56 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 merkt de verzoekende partij op dat het Hof een discriminatie heeft vastgesteld tussen de schoolinrichtingen van het vrij net en de schoolinrichtingen van de Franse Gemeenschap, en dat die discriminatie niet kan worden beperkt tot de loutere ontstentenis van een formele motivering. Zij voegt eraan toe dat die vernietiging nog niet heeft geleid tot corrigerende maatregelen vanwege de Franse Gemeenschap. Ten aanzien van de draagwijdte van de verwerping van het beroep in zoverre het was gericht tegen artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 voert de verzoekende partij aan dat die niet kan leiden tot de verwerping van het thans onderzochte beroep, om dezelfde redenen als die van het arrest nr. 126/
- Zij voert aan dat, voor het jaar 2021, het maximumbedrag dat kan worden toegekend aan WBE 62 miljoen euro bedraagt, hetgeen overeenstemt met een verhoging van 15,7 % ten opzichte van het bedrag bepaald in het bijzonder decreet van 7 februari
- De krachtens artikel 38, eerste lid, 1°, van hetzelfde bijzonder decreet aan WBE toegekende dotatie zou overigens tussen 2019 en 2020 bijna verdubbeld zijn. De verzoekende partij merkt op dat, krachtens artikel 39, § 3, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, WBE haar eigen schoolinrichtingen zal kunnen bijstaan door aan hen extra middelen over te dragen, hetgeen in de praktijk neerkomt op een verhoging van hun dotaties. Zij geeft aan dat het decreet van 6 september 2021 de ongelijke behandeling tussen de scholen inzake de financiering van de schoolgebouwen nog heeft versterkt. Zij onderstreept de noodzaak voor het Hof om de evenredigheid van de bestreden maatregel te beoordelen rekening houdend met de algemene context ervan : de zeer gunstige behandeling die de Franse Gemeenschap voorbehoudt aan haar eigen instellingen, ten koste van de andere instellingen. A.3.8.
- De verzoekende partij zet uiteen dat de bestreden bepaling past in de algemene context van een geleidelijke erosie van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie inzake de financiering van het onderwijs, ongeacht of het gaat om de financiering van de dotaties en werkingssubsidies, die van de schoolgebouwen of die van de sociale voordelen, ten koste van de onderwijsinstellingen van het gesubsidieerd vrij net. Zij maant het Hof aan een einde te maken aan die ontwikkeling, zo niet komt de pluraliteit van de onderwijsnetten en de vrijheid van onderwijs in gevaar. Zij voert aan dat, in tegenstelling tot wat het geval is in de Vlaamse Gemeenschap, voor het verschil tussen de dotatie die wordt toegekend voor een leerling van een WBE-school en de subsidie die wordt 8 toegekend voor een leerling van een gesubsidieerde school (officieel of vrij) nooit een analyse werd gemaakt die toelaat het bedrag ervan te objectiveren. Zij zet uiteen dat de inrichtende macht van het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap meer leerlingen en studenten, medewerkers en vestigingen dan WBE beheert. Voor 2021 kent de Vlaamse Gemeenschap aan die inrichtende macht werkingsmiddelen toe ten belope van 24 miljoen euro, terwijl de Franse Gemeenschap 62 miljoen euro aan WBE toekent, hetgeen overeenstemt met bedragen van respectievelijk 78 euro en 349 euro per leerling. A.3.8.
- De verzoekende partij vestigt ook de aandacht van het Hof op artikel 45 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 9 december 2020 « houdende diverse maatregelen om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de Coronaviruscrisis inzake Schoolgebouwen, Begrotingsfondsen, het Fonds Ecureuil, WBE, Gezondheid, Media, Permanente Opvoeding, Studiebeurzen, het Wetenschappelijk Onderzoek en het Leerplichtonderwijs » (dat het voorwerp uitmaakt van de zaak ingeschreven onder het nummer 7605 van de rol van het Hof), op het arrest van het Hof nr. 99/2021 van 1 juli 2021, op artikel 104 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 14 juli 2021 « houdende verschillende maatregelen inzake de bestrijding van de coronacrisis, het Europees herstelplan, de Kansengelijkheid, de Schoolgebouwen, Wallonie-Bruxelles Enseignement, de Vrouwenrechten, het Hoger Onderwijs, het Wetenschappelijk Onderzoek, de Non-profitsector, het Onderwijs en de Begrotingsfondsen » en op het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021 « betreffende het investeringsplan voor schoolgebouwen in het kader van het Europees plan voor herstel en veerkracht ». Volgens de verzoekende partij is de wijziging van artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 bij artikel 104 van het programmadecreet van 14 juli 2021 niet discriminerend, daar zij de tenlasteneming beoogt, door WBE, op haar eigen dotatie, van de kosten verbonden aan de administratieve infrastructuren van de inrichtende macht. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering voert in hoofdorde aan dat het enige middel niet ontvankelijk is omdat daarmee het Hof wordt verzocht opnieuw de grondwettigheid te onderzoeken van artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, zonder specifieke grieven uiteen te zetten ten aanzien van de wijzigingen die door de bestreden bepaling in de financiering van WBE zijn aangebracht. Het betreft de verhoging van het bedrag, bedoeld in artikel 38, eerste lid, 1°, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, waardoor de algemene kosten eigen aan WBE kunnen worden gedekt en alle in de beheersovereenkomst vastgestelde verplichtingen kunnen worden uitgevoerd, met uitzondering van de personeelskosten verbonden aan de uitvoering van artikel 63 van hetzelfde bijzonder decreet en van de kostprijs van de administratieve infrastructuren van WBE, ten belope van 7 848 000 euro (artikel 62, 1°); de koppeling van het bedrag van 7.848.000 euro aan de schommeling van het indexcijfer der consumptieprijzen (artikel 62, 2°) en de toekenning van een uitzonderlijke toelage aan WBE in 2020, 2021 en 2022, van 1 880 000 euro waardoor WBE het veranderingsbeheersplan kan dekken (artikel 62, 3°). Zij voert aan dat de bestreden bepaling artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 niet overneemt, maar daarin leden invoegt die aanvullende financieringen bevatten. Volgens de Franse Gemeenschapsregering zijn de passages in het verzoekschrift betreffende, enerzijds, het vergroten, door de bestreden bepaling, van het reeds substantiële verschil in financiering, bepaald in artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, en, anderzijds, de inhoud van artikel 62, 3°, van het programmadecreet van 18 december 2019 slechts beweringen en geen bewijs van de aangevoerde ongrondwettigheid. Zij merkt op dat geen enkele grief is gericht tegen artikel 62, 2°, van het programmadecreet van 18 december
- A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de aanvullende middelen die aan WBE zijn toegekend door de bestreden bepaling, bestemd zijn om de werking van WBE en de uitvoering van haar opdrachten als inrichtende macht te financieren, en dat zij niet indirect ten goede kunnen komen aan de instellingen van WBE. In dat verband verwijst zij naar de uiteenzettingen gewijd aan de weerlegging van de middelen die werden opgeworpen in de zaak nr.
- A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat artikel 24 van de Grondwet de Franse Gemeenschap niet ertoe verplicht de inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij onderwijs te financieren. Krachtens artikel 25 van de Schoolpactwet hebben de inrichtende machten overigens de wettelijke verplichting de kostprijs te financieren van het onderwijs dat zij inrichten, bovenop hetgeen is gedekt door de subsidies. Bovendien vertoont WBE kenmerken die haar fundamenteel onderscheiden van de andere inrichtende machten : de omvang en de structuur van de inrichtende macht, de inzet en de uitdagingen, de onmogelijkheid voor WBE om te rekenen op overheids- of private middelen om haar eigen middelen te verhogen, alsook de verplichtingen die voortvloeien uit de beheersovereenkomst en uit haar juridische aard. 9 Met betrekking tot de omvang van de onderwijsnetten, alsook het onderwijsaanbod, zet de Franse Gemeenschapsregering uiteen dat de verzoekende partij de inrichtende macht WBE vergelijkt met het SeGEC, dat evenwel geen inrichtende macht is maar een net. De inrichtende machten van het net van het SeGEC verstrekken elk onderwijs aan een zeer gering percentage van de schoolbevolking in vergelijking met de 15 % van de schoolbevolking waaraan onderwijs wordt verstrekt in de instellingen van de inrichtende macht WBE. WBE is de grootste inrichtende macht voor onderwijs, met meer dan 28 479 personeelsleden die meer dan 191 563 leerlingen over meer dan 500 inrichtingen begeleiden. De grotere schaalvoordelen die WBE kan genieten, zijn te verklaren door de grotere verplichtingen en kosten. De Franse Gemeenschapsregering verwijst, in de eerste plaats, naar de verplichtingen en kosten verbonden aan de procedures inzake aanstelling, benoeming en andere handelingen inzake het beheer van de loopbaan van de leerkrachten van de instellingen van de inrichtende macht WBE, aan de handelingen inzake de herbestemming, uitbreiding en vermindering van de opdrachten van de leerkrachten, aan de toelatingen tot de stage, aan de vaste benoemingen, aan de uitvoering van het re-integratieproject voor het personeel dat terugkeert na een afwezigheid wegens ziekte, alsook aan de geschillenprocedures waarvan het aantal rechtstreeks evenredig is met het aantal genomen beslissingen. Ten tweede draagt WBE de verplichtingen en kosten verbonden aan het aantal en de soorten instellingen die zij inricht. Terwijl een inrichtende macht van het gesubsidieerd vrij onderwijs vaak één enkele instelling in een bepaald onderwijstype inricht, richt WBE meer dan 500 instellingen van alle niveaus en types van onderwijs op een uitgebreid grondgebied in, hetgeen specifieke beheersvoorwaarden, kosten inzake administratief personeel, logistieke kosten en interne middelen vereist. Ten derde blijft het door WBE ingerichte onderwijs karakteristiek op het vlak van de toelating van leerlingen, daar artikel 90 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 24 juli 1997 « dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren » bepaalt dat een leerling die wordt uitgesloten van een instelling van het gesubsidieerd of ingericht onderwijs en die geen nieuwe instelling vindt, automatisch wordt ingeschreven in een onderwijsinstelling van WBE. De opvang van die leerlingen vergt bijzondere maatregelen en een bijzondere begeleiding, daar het, krachtens artikel 89 van hetzelfde decreet, gaat om leerlingen die worden uitgesloten voor feiten die de fysieke, psychologische of morele integriteit van een personeelslid of van een leerling aantasten. Ten aanzien van de verplichting om een keuze aan te bieden tussen het onderricht in een van de erkende godsdiensten en het onderricht in de niet-confessionele zedenleer, betwist de Franse Gemeenschapsregering de bewering volgens welke de financiering van lestijden-leerkrachten zou toelaten alle kosten van die verplichting te dekken. In tegenstelling tot de instellingen van het door WBE ingerichte onderwijs, genieten de instellingen van het gesubsidieerd officieel onderwijs overigens een extra subsidie van 10,7 % bovenop de toekenning van aanvullende lestijden. Ten aanzien van de aanwending van eigen middelen die de instellingen van het gesubsidieerd vrij net zouden kunnen genieten, voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat de bewering van de verzoekende partij volgens welke de instellingen van het katholiek vrij onderwijs geen middelen meer zouden ontvangen van hun inrichtende machten, niet is aangetoond. Die bewering wordt bovendien ontkracht door de verzoekende partij zelf wanneer zij aangeeft het aandeel van de tegemoetkoming bij een oproep voor projecten met het oog op het creëren van nieuwe plaatsen ten behoeve van haar leden, te beperken tot 60 % van het totaal van het project en tot een minimumgrens van de tegemoetkoming per project vastgelegd op 1 500 000 euro. Volgens de Franse Gemeenschapsregering kan WBE, net als de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs die de door de Franse Gemeenschap toegekende financiering met eigen middelen kunnen aanvullen, voldoende middelen krijgen om in voorkomend geval de door de Franse Gemeenschapsregering als regulerende overheid aan de instellingen toegekende financiering aan te vullen. Alle inrichtende machten, ongeacht het net waartoe zij behoren, moeten beschikken over eigen middelen die hen toelaten de kosten te dekken van het onderwijs dat zij inrichten. De Franse Gemeenschapsregering voert eveneens aan dat WBE over geen andere ontvangsten beschikt dan haar jaarlijkse dotatie (artikelen 37 en 38), « schenkingen, legaten, dividenden en ontvangsten, in welke vorm dan ook, […] van natuurlijke personen of rechtspersonen, de opbrengsten van de vervreemding van roerende en onroerende goederen », « andere inkomsten of subsidies » en de lening « om uitgaven voor de verwerving, huur of het onderhoud van onroerende goederen te financieren », terwijl de inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij onderwijs van hun kant een beroep kunnen doen op hun leden, nieuwe kunnen zoeken, aan fondsenwerving kunnen doen, geld kunnen lenen voor andere doeleinden dan de financiering van de verwerving, de huur of het onderhoud van onroerende goederen of bepaalde van hun eigen middelen kunnen besteden aan het onderwijs. Met betrekking tot de juridische aard van WBE voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat met name de volgende elementen een impact hebben op de werking van WBE en op haar middelen op het vlak van personeel en financiën : de specifieke verplichtingen betreffende de opmaak van de begroting en de rekeningen van WBE, die dwingender zijn dan die waaraan de inrichtende machten van het net van het SeGEC zijn onderworpen; het 10 bestaan van een syndicaal statuut dat talrijke vormvereisten of overleg- of onderhandelingsprocedures oplegt die niet bestaan voor de inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij onderwijs; de inachtneming van de wet van 29 juli 1991 « betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen » voor alle beslissingen met individuele strekking genomen door WBE; de inachtneming van artikel 32 van de Grondwet; het beheer van geschillen voor de Raad van State; de onderhandelingen over en het sluiten van de beheersovereenkomst; de noodzaak om de toestemming te verkrijgen van de Regering bij een lening en de verplichting om de investeringen in één keer budgettair te betalen zonder de mogelijkheid van afschrijvingen, alsook de verplichting om personeel aan te werven onder statuut met responsabiliseringsbijdragen inzake pensioenen van meer dan 40 % van de loonsom. A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat het enige middel berust op verkeerde premissen. Zij doet gelden dat de financiële overdrachten die worden toegestaan bij artikel 39, § 3, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 geen ongelijkheid in het leven kunnen roepen, daar, enerzijds, zij in de twee richtingen mogelijk zijn zodat de bevoegdheden van de inrichtende macht op het meest efficiënte niveau kunnen worden beheerd en, anderzijds, de overdrachten die met toepassing van die bepaling worden uitgevoerd van WBE naar de instellingen geen dotaties zijn van de Franse Gemeenschap als regulerende of subsidiërende overheid, ten behoeve van de door WBE ingerichte onderwijsinstellingen. Met betrekking tot de mogelijke overdrachten van WBE naar de instellingen, verantwoordt volgens de Franse Gemeenschapsregering niets dat WBE de mogelijkheid wordt ontzegd om aanvullende middelen toe te kennen aan de door haar ingerichte instellingen, terwijl de andere inrichtende machten die mogelijkheid niet wordt ontzegd. Dat zou alleen moeilijkheden doen rijzen wanneer de aan WBE toegekende middelen dermate onevenredig zouden zijn dat de financiering van WBE een omweg zou zijn om de door haar ingerichte onderwijsinstellingen te financieren, hetgeen niet het geval is. Ten aanzien van de mogelijke overdrachten van de instellingen naar WBE kunnen de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, krachtens artikel 37 van de Schoolpactwet, een deel van hun werkingssubsidies overdragen van inrichting naar inrichting in het kader van een onderlinge verdeling van hun noden. Artikel 3, § 3bis, van de Schoolpactwet voorziet in een vergelijkbaar mechanisme voor de instellingen van het door WBE ingerichte onderwijs. De overdracht van de instellingen naar WBE wordt begrensd op 14 %, met toepassing van artikel 18, § 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 juli 2001 « waarbij de materiële omstandigheden van de inrichtingen van het basis- en secundair onderwijs worden verbeterd », terwijl die overdrachten niet zijn beperkt in het gesubsidieerd onderwijs. A.4.
- Ten aanzien van de evenredigheid van de bestreden maatregel zet de Franse Gemeenschapsregering uiteen dat de verzoekende partij er geen rekening mee houdt dat de in artikel 38, eerste lid, 2° en 3°, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 vermelde bedragen grensbedragen zijn die misschien niet zullen worden bereikt. Volgens haar redeneert de verzoekende partij alsof de hele dotatie van WBE zou moeten dienen voor de financiering van de instellingen van WBE en rechtstreeks ten goede zou komen aan de leerlingen, zonder evenwel uit te leggen hoe de betrokken bedragen ten goede zouden kunnen komen aan de leerlingen. De Franse Gemeenschapsregering onderstreept dat de verzoekende partij niet het bedrag becijfert van de financiering die door de inrichtende machten van haar net wordt toegekend aan de door hen ingerichte instellingen. Zij besluit dat de bestreden bepaling zich ertoe beperkt een autonome inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap ingerichte onderwijs te creëren en daaraan de financiële middelen toe te kennen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn bevoegdheid als inrichtende macht, zonder het beleid inzake de financiering van het onderwijs te wijzigen, waarbij de hele bestaande regeling van toepassing blijft. A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering zet uiteen dat het enige middel dient te worden onderzocht in het licht van wat het Hof heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 126/2020 van 1 oktober 2020 (B.11). Het wordt niet aangetoond dat de aanvullende bedragen waarin de bestreden bepaling voorziet, onevenredig zijn met het doel inzake de financiering van de werking en de organisatie van WBE. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat die bedragen het voormelde doel nastreven. De verzoekende partij geeft hiervan geen tegenbewijs. Bovendien worden de inzake financiering nagestreefde doelstellingen bevestigd door de stukken die de Franse Gemeenschap en WBE hebben voorgelegd. A.4.
- In haar aanvullende memorie van antwoord zet de Franse Gemeenschapsregering uiteen dat uit het arrest van het Hof nr. 126/2020 voortvloeit dat de grondwettigheid van de artikelen 37 tot 39 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 verworven is en dat die niet meer in het geding kan worden gebracht in het kader van het thans onderzochte beroep. Alleen de wijzigingen aangebracht in de dotatie van WBE bij artikel 62 van het programmadecreet van 18 december 2019 moeten worden onderzocht. Ten aanzien van de gevolgen, voor het onderwerp van het beroep, van artikel 45 van het programmadecreet van 9 december 2020 zet de Franse Gemeenschapsregering uiteen dat het beroep deels zonder voorwerp is geworden, gelet op de wijzigingen die die 11 bepaling aanbrengt, namelijk een vermindering van de dotatie die toelaat de algemene kosten te dekken, tot 4 274 000 euro voor het jaar 2020 en de afschaffing van de uitzonderlijke toelage van 1 880 000 euro voor het jaar
- Zij merkt op dat de « opwaartse » wijzigingen bij artikel 45 van het programmadecreet van 9 december 2020 moeten worden besproken in het kader van het beroep ingeschreven onder het nummer 7605 van de rol van het Hof. Zij voegt eraan toe dat, wegens de wijziging aangebracht bij artikel 104 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 14 juli 2021, het bedrag van de dotatie dat wordt beoogd in artikel 38, 1°, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, met name WBE moet toelaten de kosten van bepaalde administratieve infrastructuren te dekken. De Franse Gemeenschapsregering merkt op dat de opeenvolgende wetswijzigingen ertoe strekken de dotatie van WBE zo goed mogelijk af te stemmen op haar noden en dat de aanpassing van de dotatie van een beginnende instelling wenselijk en onvermijdelijk is. Zij voegt eraan toe dat het gebruik, door WBE, van haar dotatie is onderworpen aan haar toezicht, krachtens artikel 40, laatste lid, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 februari 2021 « houdende organisatie van de begroting, de boekhouding en de verslaggeving van de openbare bestuursinstellingen van de Franse Gemeenschap » en het algemeen beginsel volgens hetwelk de dotaties worden betaald voor de door de decreetgever bepaalde doeleinden. Zij wijst erop akte te hebben genomen van een terugbetaling van 7 220 729,65 euro als saldo van de dotatie van WBE dat in 2020 niet werd gebruikt. Standpunt van de tussenkomende partij A.5.
- WBE antwoordt op de nieuwe elementen die de verzoekende partij opwerpt en verwijst voor het overige naar de argumentatie die zij had uiteengezet in het kader van de zaak nr. 7246 van de rol van het Hof. A.5.
- WBE voert in hoofdorde aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat de verzoekende partij in de vergelijking die zij verzoekt uit te voeren, niet de tweede term aangeeft, namelijk de eigen middelen waarover een vergelijkbare inrichtende macht zou beschikken binnen het net dat door SeGEC wordt vertegenwoordigd. WBE verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof nr. 21/2006 van 1 februari
- A.5.
- In ondergeschikte orde merkt WBE allereerst op dat, ten aanzien van de verplichtingen die op WBE wegen op het vlak van de toelating van leerlingen, de verzoekende partij erkent dat een verplichting wordt opgelegd aan de gemeenschapsinstellingen om de leerlingen op te vangen die zijn uitgesloten door de gesubsidieerde scholen. Volgens WBE verandert het feit dat het aantal dossiers waarop een dergelijke verplichting betrekking heeft, gering zou zijn, niets aan het feit dat een dergelijke verplichting alleen ten laste van de Franse Gemeenschap voor het door haar ingerichte onderwijs bestaat. Ten tweede, ten aanzien van de middelen van de gesubsidieerde inrichtende machten, blijkt uit de parlementaire voorbereiding van artikel 25 van de Schoolpactwet dat rekening ermee moet worden gehouden dat sommige inrichtende machten beschikken over eigen middelen en dat de ontstentenis van eigen middelen alleen in aanmerking kan worden genomen in zoverre en gedurende de tijd dat de eigen middelen niet kunnen worden aangewend. Het feit dat de Franse Gemeenschap extra financiering heeft geregeld naarmate nieuwe verplichtingen of beperkingen werden opgelegd aan de scholen die ressorteren onder het gesubsidieerd onderwijs, brengt het in artikel 25 van de Schoolpactwet verankerde beginsel niet in het geding. Hoewel de Franse Gemeenschap het door de inrichtingen verstrekte onderwijs financiert, is er evenwel nooit sprake van geweest dat zij, en nog minder voor de volle 100 %, de werking van de openbare of private speler die onderwijs wenst in te richten, financiert. Ten derde zijn er specifieke kenmerken van WBE die een aangepaste behandeling verantwoorden. Bovendien laat het bijwoord « waaronder » in artikel 24, § 4, van de Grondwet toe een ruimere inventaris op te maken van de objectieve verschillen tussen de netten die, naast alleen de specifieke kenmerken van hun inrichtende machten, zouden verantwoorden dat de wetgever hun financiering op « passende » wijze regelt. WBE verwijst naar het arrest van het Hof nr. 38/91 van 5 december 1991 en voert aan dat een gedifferentieerde financiering naar gelang van de noden aanvaardbaar is. WBE voert aan dat de bestreden bepaling de jaarlijkse dotatie waarin artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 oorspronkelijk voorzag, verhoogt. WBE stelde bij de totstandkoming van haar begroting 2020 vast dat de uitgaven en noden niet waren gedekt door de oorspronkelijke dotatie en heeft een verzoek om aanvullende financiering ingediend, verzoek dat gedeeltelijk is ingewilligd. WBE verwijst naar een nota van 8 november 2010 gericht aan « Conseil WBE » en zet uiteen dat de aan WBE toegekende bedragen verantwoord zijn door haar noden, dat ze specifiek zijn verantwoord en dat die bedragen niet zullen worden « geïnjecteerd » in de door WBE ingerichte instellingen. Volgens WBE is de dotatieverhoging evenredig, daar die is gemotiveerd door de noden en objectieve kenmerken van WBE en die strikt is becijferd. WBE merkt op dat de extra bedragen waarin de bestreden bepaling voorziet, zijn verminderd ten opzichte van haar eigen ramingen. 12 A.5.
- WBE voert aan dat het Hof, bij zijn voormelde arrest nr. 126/2020, heeft geoordeeld dat de dotaties bepaald in artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 62 van het programmadecreet van 18 december 2019, niet onevenredig waren. Volgens WBE moet niet worden overgegaan tot een studie naar de impact van de bestreden bepaling daar de financieringsmaatregelen waarin de bestreden bepaling voorziet, objectief rekening houden met de financieringsnoden van WBE. De verzoekende partij zou overigens niet aantonen hoe en in welke zin die financieringsmaatregelen de subsidiëring van de inrichtende machten die zij verenigt, zouden beperken, of afbreuk zouden doen aan de vrijheid van onderwijs. A.5.
- WBE vraagt dat het Hof, in geval van vernietiging, de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor het verleden en tot een toekomstige datum handhaaft, teneinde de decreetgever een redelijke termijn te laten om de ongrondwettigheid op te vangen die zou worden vastgesteld. A.5.
- In haar aanvullende memorie verwijst WBE naar de uiteenzettingen in haar memorie van wederantwoord ten aanzien van de gevolgen van het arrest van het Hof nr. 126/2020 voor het thans onderzochte beroep. In verband met de gevolgen van artikel 45 van het programmadecreet van 9 december 2020 voor het onderwerp van het beroep, geeft WBE aan dat, aangezien die bepaling het tweede lid van artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, zoals het was ingevoerd bij artikel 62 van het programmadecreet van 18 december 2019, heeft vervangen door een nieuw lid, het beroep zonder voorwerp is geworden in zoverre het betrekking heeft op dat lid. Ten aanzien van de gevolgen van artikel 104 van het programmadecreet van 14 juli 2021 voor het onderwerp van het beroep, zet WBE uiteen dat die bepaling ertoe strekt haar toe te laten nieuwe kantoren te huren of te kopen gebruik makend van haar eigen dotatie, hetgeen de relevantie van de grieven van de verzoekende partij verder zou beperken. -B- B.
- De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 62 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 18 december 2019 « houdende diverse maatregelen met betrekking tot Schoolgebouwen, Begrotingsfondsen, Gezondheid, Hoger Onderwijs, Onderzoek, Sport, Universitaire Ziekenhuizen, Onderwijspersoneel, Onderwijs en WBE » (hierna : het programmadecreet van 18 december 2019). Die bepaling wijzigt artikel 38 van het bijzonder decreet van de Franse Gemeenschap van 7 februari 2019 « tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap » (hierna : het bijzonder decreet van 7 februari 2019). De verzoekende partij voert aan dat die bepaling een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de inrichtende macht van het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap en haar instellingen, anderzijds, de inrichtende machten en de instellingen van de gesubsidieerde netten. B.2.
- Met het bijzonder decreet van 7 februari 2019 heeft de bijzondere decreetgever nieuwe bepalingen aangenomen betreffende de organisatie van de inrichtende macht van het 13 onderwijsnet van de Franse Gemeenschap, « Wallonie Bruxelles Enseignement » (hierna : WBE), overeenkomstig de machtiging die hem is verleend bij artikel 24, § 2, van de Grondwet. De artikelen 37 en 39 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 bepalen : « Art.
- Naast de middelen en geldmiddelen waarin specifieke decreten voorzien, heeft WBE een jaarlijkse toewijzing [lees : dotatie] om al haar bedrijfskosten [lees : werkingskosten] te dekken en om alle verplichtingen uit de beheersovereenkomst na te komen. […] Art.
- §
- WBE kan schenkingen, legaten, dividenden en ontvangsten, in welke vorm dan ook, ontvangen van natuurlijke personen of rechtspersonen, de opbrengsten van de vervreemding van roerende en onroerende goederen, alsmede de ontvangst van andere inkomsten of subsidies. §
- WBE kan geld lenen om uitgaven voor de verwerving, huur of het onderhoud van onroerende goederen te financieren. De Gemeenschap kan haar garantie verlenen op de aangegane leningen. De beheersovereenkomst bepaalt de voorwaarden voor het afsluiten van de leningen. §
- De inrichtingen en WBE voeren alle financiële overdrachten uit die nodig zijn voor de uitvoering van hun opdrachten ». B.2.
- Luidens artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 bestaat de jaarlijkse dotatie die bestemd is om de werking en de organisatie van WBE te financieren, uit drie bedragen. Vóór de wijziging ervan bij het bestreden artikel 62 van het programmadecreet van 18 december 2019 bepaalde artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 : « De in punt [lees : artikel] 37 bedoelde dotatie bestaat uit de volgende bedragen : 1° een bedrag van 10.000.997 euro om alle algemene uitgaven eigen aan WBE te dekken en om alle verplichtingen die in de beheersovereenkomst zijn vastgelegd te vervullen, met uitzondering van personeelskosten in verband met de implementatie van artikel 63 en de kosten van de administratieve infrastructuur van WBE; 2° een door de Regering vastgesteld aanvullend bedrag overeenkomend met de loonkosten op het tijdstip van de overdracht, vermeerderd met 17 %, van het personeel overgedragen in uitvoering van artikel 63; 14 3° aan het einde van de in artikel 63, § 2, bedoelde overdrachten, een aanvullend bedrag dat door de Regering is vastgesteld ter dekking van de kosten van de administratieve infrastructuur van WBE. Dit bedrag kan niet hoger zijn dan 2.545.658 euro. Vanaf het jaar 2021 mag het bedrag genoemd in lid 1, 2°, 41.137.500 euro niet overschrijden. Vanaf het jaar 2020 zijn de in lid 1, 1° en 3° genoemde bedragen gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Het in lid 1, punt 2°, bedoelde bedrag en het in lid 2 bedoelde bedrag worden gekoppeld aan de ontwikkeling van het indexcijfer van de consumptieprijzen en de ontwikkeling van de barema's zoals bepaald in het statuut aangepast door de Regering, de evolutie van de pensioenkosten van de statutaire pensioenen van de instellingen van openbaar nut, de verandering van het administratieve statuut van de personeelsleden, zolang de beheersovereenkomst niet de nadere regels voor de evolutie van de dotatie regelt ». B.2.
- Het bestreden artikel 62 van het programmadecreet van 18 december 2019 bepaalt : « In artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt : ‘ Vanaf het jaar 2020, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid, 1°, verhoogd met een bedrag van 7.848.000 euro ’; 2° in het vroegere derde lid, dat het vierde lid is geworden, worden de woorden ‘ in lid 1, 1° en 3° genoemde ’ vervangen door de woorden ‘ in lid 1, 1° en 3° en lid 2 ’; 3° tussen het derde en het vierde lid, die vierde en vijfde lid zijn geworden, wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt : ‘ Een uitzonderlijke toelage van 1.880.000 euro met het oog op de dekking van het veranderingsbeheerplan wordt aan WBE in 2020, 2021 en 2022 toegekend. In 2021 en 2022, wordt dit bedrag gekoppeld aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen ’ ». Dat artikel is in werking getreden op 1 januari
- Als gevolg van die wijziging bepaalde artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 : « De in punt 37 bedoelde dotatie bestaat uit de volgende bedragen : 1° een bedrag van 10.000.997 euro om alle algemene uitgaven eigen aan WBE te dekken en om alle verplichtingen die in de beheersovereenkomst zijn vastgelegd te vervullen, met 15 uitzondering van personeelskosten in verband met de implementatie van artikel 63 en de kosten van de administratieve infrastructuur van WBE; 2° een door de Regering vastgesteld aanvullend bedrag overeenkomend met de loonkosten op het tijdstip van de overdracht, vermeerderd met 17 %, van het personeel overgedragen in uitvoering van artikel 63; 3° aan het einde van de in artikel 63, § 2, bedoelde overdrachten, een aanvullend bedrag dat door de Regering is vastgesteld ter dekking van de kosten van de administratieve infrastructuur van WBE. Dit bedrag kan niet hoger zijn dan 2.545.658 euro. Vanaf het jaar 2020, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid, 1°, verhoogd met een bedrag van 7.848.000 euro. Vanaf het jaar 2021 mag het bedrag genoemd in lid 1, 2°, 41.137.500 euro niet overschrijden. Vanaf het jaar 2020 zijn de in lid 1, 1° en 3° en lid 2 genoemde bedragen gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Een uitzonderlijke toelage van 1.880.000 euro met het oog op de dekking van het veranderingsbeheerplan wordt aan WBE in 2020, 2021 en 2022 toegekend. In 2021 en 2022, wordt dit bedrag gekoppeld aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen. Het in lid 1, punt 2°, bedoelde bedrag en het in lid 2 bedoelde bedrag worden gekoppeld aan de ontwikkeling van het indexcijfer van de consumptieprijzen en de ontwikkeling van de barema's zoals bepaald in het statuut aangepast door de Regering, de evolutie van de pensioenkosten van de statutaire pensioenen van de instellingen van openbaar nut, de verandering van het administratieve statuut van de personeelsleden, zolang de beheersovereenkomst niet de nadere regels voor de evolutie van de dotatie regelt ». Het bestreden artikel 62 van het programmadecreet van 18 december 2019 heeft drie nieuwe maatregelen ingevoerd in artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari
- Ten eerste is het bedrag van 10 000 997 euro bedoeld in artikel 38, eerste lid, 1°, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, vanaf het jaar 2020, verhoogd met een bedrag van 7 848 000 euro (artikel 38, tweede lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 zoals ingevoerd bij het bestreden artikel 62, 1°, van het programmadecreet van 18 december 2019). Ten tweede is dat bedrag van 7 848 000 euro geïndexeerd vanaf datzelfde jaar (artikel 38, vierde lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 62, 2°, van het programmadecreet van 18 december 2019). Ten derde is aan WBE gedurende drie jaar (2020, 2021 en 2022) een uitzonderlijke toelage van 1 880 000 euro toegekend teneinde een « veranderingsbeheersplan » te financieren. In 2021 en 2022 is dat bedrag geïndexeerd (artikel 38, vijfde lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 62, 3°, van het programmadecreet van 18 december 2019). 16 B.
- Artikel 45 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 9 december 2020 « houdende diverse maatregelen om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de Coronaviruscrisis inzake Schoolgebouwen, Begrotingsfondsen, het Fonds Ecureuil, WBE, Gezondheid, Media, Permanente Opvoeding, Studiebeurzen, het Wetenschappelijk Onderzoek en het Leerplichtonderwijs » (hierna : het programmadecreet van 9 december 2020) heeft het tweede en het vijfde lid van artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 gewijzigd. Dat artikel bepaalt : « In artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, zoals gewijzigd bij het decreet van 18 december 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt vervangen door de volgende tekst : ‘ In 2020 wordt het in het eerste lid, 1°, bedoelde bedrag verhoogd met een bedrag van 4.274.000 euro. Vanaf 2021 wordt het in het eerste lid bedoelde bedrag verhoogd met 10.951.000 euro. ’; 2° in lid 5 worden de woorden ‘ 2020, ’ opgeheven ». Dat artikel is in werking getreden op 9 december
- Als gevolg van die wijziging bepaalt artikel 38, tweede en vijfde lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 : « […] In 2020 wordt het in het eerste lid, 1°, bedoelde bedrag verhoogd met een bedrag van 4.274.000 euro. Vanaf 2021 wordt het in het eerste lid bedoelde bedrag verhoogd met 10.951.000 euro. […] Een uitzonderlijke toelage van 1.880.000 euro met het oog op de dekking van het veranderingsbeheerplan wordt aan WBE in 2021 en 2022 toegekend. In 2021 en 2022, wordt dit bedrag gekoppeld aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen ». Artikel 45 van het programmadecreet van 9 december 2020 heeft twee wijzigingen aangebracht in artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, zoals het van toepassing was na de wijziging ervan bij het bestreden artikel 62 van het programmadecreet van 18 december
- Enerzijds is het voormelde bedrag van 10 000 997 euro bedoeld in 17 artikel 38, eerste lid, 1°, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 in 2020 verhoogd met een bedrag van 4 274 000 euro en, vanaf 2021, met een bedrag van 10 951 000 euro (artikel 38, tweede lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, zoals ingevoerd bij het bestreden artikel 62, 1°, van het programmadecreet van 18 december 2019 en vervolgens vervangen bij artikel 45, 1°, van het programmadecreet van 9 december 2020). Anderzijds is de uitzonderlijke toelage van 1 880 000 euro betreffende het veranderingsbeheersplan geschrapt voor het jaar 2020 (artikel 38, vijfde lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 62, 3°, van het programmadecreet van 18 december 2019 en vervolgens bij artikel 45, 2°, van het programmadecreet van 9 december 2020). B.
- Artikel 104 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 14 juli 2021 « houdende verschillende maatregelen inzake de bestrijding van de coronacrisis, het Europees herstelplan, de Kansengelijkheid, de Schoolgebouwen, Wallonie-Bruxelles Enseignement, de Vrouwenrechten, het Hoger Onderwijs, het Wetenschappelijk Onderzoek, de Non-profitsector, het Onderwijs en de Begrotingsfondsen » heeft de woorden « en van de kost van de administratieve infrastructuur van WBE » geschrapt in artikel 38, eerste lid, 1°, van het bijzonder decreet van 7 februari
- Dat artikel is in werking getreden op 27 augustus
- Als gevolg van die wijziging bepaalt artikel 38, eerste lid, 1°, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 : « De in punt [lees : artikel] 37 bedoelde dotatie bestaat uit de volgende bedragen : 1° een bedrag van 10.000.997 euro om alle algemene uitgaven eigen aan WBE te dekken en om alle verplichtingen die in de beheersovereenkomst zijn vastgelegd te vervullen, met uitzondering van personeelskosten in verband met de implementatie van artikel 63 en de kosten van de administratieve infrastructuur van WBE ». Ten aanzien van het onderwerp van het beroep B.
- Het Hof moet nagaan in welke mate de in B.3 en B.4 vermelde wijzigingen gevolgen hebben voor het onderwerp van het beroep. 18 B.6.
- Artikel 45, 1°, van het programmadecreet van 9 december 2020 vervangt integraal artikel 38, tweede lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, zoals ingevoerd bij het bestreden artikel 62, 1°, van het programmadecreet van 18 december
- Daarnaast schrapt artikel 45, 2°, van het programmadecreet van 9 december 2020, voor het jaar 2020, de uitzonderlijke toelage van 1 880 000 euro betreffende het veranderingsbeheersplan, zoals ingevoerd in artikel 38, vijfde lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 bij het bestreden artikel 62, 3°, van het programmadecreet van 18 december
- Artikel 38, tweede lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 en artikel 38, vijfde lid, van hetzelfde bijzonder decreet in zoverre het betrekking heeft op het jaar 2020, zoals ingevoerd bij het bestreden artikel 62, 1° en 3°, van het programmadecreet van 18 december 2019, zijn dus verdwenen uit de rechtsorde. Uit de parlementaire voorbereiding van het programmadecreet van 9 december 2020 blijkt dat die bepalingen geen rechtsgevolgen hebben gehad (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 147/1, pp. 11 en 21- 22). Artikel 45 van het programmadecreet van 9 december 2020 heeft het voorwerp uitgemaakt van een beroep tot vernietiging ingeschreven onder het nummer 7605 van de rol van het Hof. Bij zijn arrest nr. 50/2022 van 31 maart 2022 heeft het Hof dat beroep verworpen. Hieruit vloeit voort dat het thans onderzochte beroep zonder voorwerp is in zoverre het betrekking heeft op het bestreden artikel 62, 1° en 3°, van het programmadecreet van 18 december
- B.6.
- Artikel 104 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 14 juli 2021 wijzigt artikel 38, eerste lid, 1°, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, dat niet is gewijzigd bij het bestreden artikel 62 van het programmadecreet van 18 december
- Die wijziging heeft geen gevolgen voor het onderwerp van het beroep. B.6.
- Het Hof onderzoekt het beroep tot vernietiging uitsluitend in zoverre het betrekking heeft op, enerzijds, de wijziging aangebracht in artikel 38, vijfde lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 bij het bestreden artikel 62, 3°, van het programmadecreet van 18 december 2019, in zoverre die bepaling voorziet in een uitzonderlijke toelage van 1 880 000 euro voor de jaren 2021 en 2022 en, anderzijds, de wijziging aangebracht in artikel 38, vierde lid, van het 19 bijzonder decreet van 7 februari 2019 bij het bestreden artikel 62, 2°, van het programmadecreet van 18 december 2019, in zoverre die bepaling erin voorziet dat het bedrag bepaald in artikel 38, tweede lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 wordt geïndexeerd. Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof B.
- De tussenkomende partij voert aan dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over het beroep tot vernietiging, dat betrekking zou hebben op een keuze van de Grondwetgever, daar het aangevoerde verschil in behandeling zijn oorsprong niet zou vinden in de bestreden bepaling, maar in artikel 24 van de Grondwet. B.
- Artikel 24 van de Grondwet bepaalt : « §
- Het onderwijs is vrij; elke preventieve maatregel is verboden; de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet of het decreet geregeld. De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders. De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen. De scholen ingericht door openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer. §
- Zo een gemeenschap als inrichtende macht bevoegdheden wil opdragen aan een of meer autonome organen, kan dit slechts bij decreet, aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen. §
- Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht. Alle leerlingen die leerplichtig zijn, hebben ten laste van de gemeenschap recht op een morele of religieuze opvoeding. §
- Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden. 20 §
- De inrichting, erkenning of subsidiëring van het onderwijs door de gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet ». B.9.
- Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over een verschil in behandeling of een beperking van een grondrecht voortvloeiende uit een door de Grondwetgever zelf gemaakte keuze. Hoewel die keuze in beginsel moet blijken uit de tekst van de Grondwet, kan die eveneens voortvloeien uit de Grondwet in haar geheel, wanneer de combinatie van verschillende grondwetsbepalingen een onbetwistbare keuze van de Grondwetgever kan verduidelijken. In zoverre de bevoegdheid van het Hof erdoor wordt beperkt, dient de keuze van de Grondwetgever evenwel beperkend te worden geïnterpreteerd. B.9.
- De in artikel 24, § 1, van de Grondwet gedefinieerde vrijheid van onderwijs veronderstelt dat de inrichtende machten die niet rechtstreeks van de gemeenschap afhangen, onder bepaalde voorwaarden aanspraak kunnen maken op subsidiëring vanwege de gemeenschap. Het recht op subsidiëring wordt beperkt, enerzijds, door de mogelijkheid voor de gemeenschap om die subsidies te verbinden aan vereisten die te maken hebben met het algemeen belang, met name die van een kwaliteitsonderwijs, de inachtneming van normen in verband met de schoolbevolking en de gelijke toegang tot het onderwijs en, anderzijds, door de noodzaak om de beschikbare financiële middelen te verdelen onder de verschillende opdrachten van de gemeenschap. B.9.
- Artikel 24, § 4, van de Grondwet herbevestigt voor onderwijszaken de beginselen inzake gelijkheid en niet-discriminatie. Volgens die bepaling zijn onder meer alle onderwijsinstellingen gelijk voor de wet of het decreet. De onderwijsinstellingen moeten derhalve alle op een gelijke manier worden behandeld, tenzij onderlinge objectieve verschillen een andere behandeling redelijk kunnen verantwoorden. Omgekeerd, moeten zij verschillend worden behandeld wanneer zij zich ten aanzien van de bestreden maatregel in een wezenlijk verschillende situatie bevinden, tenzij voor de gelijke behandeling een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. 21 B.9.
- Die vaststellingen hebben niet tot gevolg dat de bestreden bepaling ontsnapt aan de toetsing van het Hof. Integendeel, het staat aan het Hof na te gaan of de decreetgever, door de in B.6.3 beoogde delen van het bestreden artikel 62 van het programmadecreet van 18 december 2019 aan te nemen, een verschil in behandeling heeft doen ontstaan dat redelijk verantwoord is. B.9.
- De exceptie wordt verworpen. Ten aanzien van het belang B.
- WBE betwist het belang van de verzoekende partij om in rechte op te treden. Zij meent dat de bestreden bepaling niet rechtstreeks van toepassing is op het net van inrichtende machten dat door de verzoekende partij wordt vertegenwoordigd en dat die laatste niet aantoont dat de bestreden bepaling haar statutair doel rechtstreeks en ongunstig aantast. Het feit dat de verzoekende partij heeft deelgenomen aan de totstandkoming van het programmadecreet zou overigens niet volstaan om haar belang aan te tonen bij het vorderen van de vernietiging van de bestreden bepaling. B.
- Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.12.
- De bestreden bepaling kent aanvullende financieringsmiddelen toe aan de overheidsinstelling die belast is met de functie van inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap ingerichte onderwijs. In haar hoedanigheid van representatie- en coördinatieorgaan van het door de Franse Gemeenschap erkende katholiek onderwijs, heeft de verzoekende partij, volgens haar statuten, met name tot doel de inrichtende machten en de schoolinrichtingen die zij in een federatie verenigt, te helpen « bij de uitvoering van hun opdracht van functionele openbare dienst op het 22 vlak van opvoeding en onderwijs » (artikel 3, § 1, eerste lid). Zij is ook « de woordvoerder van de aangesloten leden waarbij zij instaat voor de verdediging en de bevordering ervan met elk passend geacht middel » (artikel 3, § 1, tweede lid). De verzoekende partij kan rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepaling, die aanvullende financiële middelen toekentaan een andere categorie van inrichtende machten. Het is niet noodzakelijk dat een eventuele vernietiging van de bestreden bepaling haar een onmiddellijk voordeel verschaft. De omstandigheid dat de verzoekende partij een kans zou krijgen dat de situatie van de inrichtende machten die zij in een federatie verenigt, zou verbeteren teneinde hen te helpen hun opdracht van openbare dienst op het vlak van onderwijs te vervullen, volstaat om haar belang bij de vernietiging van die bepaling te verantwoorden. B.12.
- De exceptie wordt verworpen. Ten aanzien van het enige middel B.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 4, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, van de Grondwet, door artikel 62 van het programmadecreet van 18 december 2019, doordat die bepaling een onverantwoord verschil in behandeling zou doen ontstaan tussen, enerzijds, de inrichtende macht van het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap en haar instellingen en, anderzijds, de inrichtende machten en de instellingen van de gesubsidieerde netten. De bestreden bepaling zou enkel aan de inrichtende macht van het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap en haar instellingen financiële middelen voorbehouden ter aanvulling van die waarin artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 reeds voorziet. Die bedragen zouden niet verantwoord zijn door objectieve en legitieme verschillen tussen het door WBE georganiseerde onderwijs en het gesubsidieerde onderwijs, en zouden onevenredig zijn, zodat artikel 24, § 4, van de Grondwet wordt geschonden. B.
- Bij zijn arrest nr. 126/2020 van 1 oktober 2020 naar aanleiding van het beroep tot vernietiging ingesteld door de verzoekende partij tegen, met name, artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij het 23 bestreden artikel 62 van het programmadecreet van 18 december 2019, heeft het Hof geoordeeld dat het middel dat is afgeleid uit de schending, door die bepaling, van de in B.13 beoogde referentienormen niet gegrond was. B.
- De Franse Gemeenschapsregering werpt de niet-ontvankelijkheid van het enige middel op om reden dat dat middel het Hof zou verzoeken opnieuw de grondwettigheid te onderzoeken van artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, zonder specifieke grieven uiteen te zetten ten aanzien van de wijzigingen die in de financiering van WBE zijn aangebracht bij het bestreden artikel 62 van het programmadecreet van 18 december
- B.16.
- De verzoekende partij voert in hoofdzaak aan dat de bij artikel 62 van het programmadecreet van 18 december 2019 in artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 aangebrachte wijzigingen het onevenredige karakter accentueren van het verschil in behandeling dat bij artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 wordt ingevoerd tussen de inrichtende macht van het onderwijs van de Franse Gemeenschap en de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs. B.16.
- In zoverre het aldus niet is gericht tegen artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, maar tegen de wijzigingen die in die bepaling zijn aangebracht bij artikel 62 van het programmadecreet van 18 december 2019, is het enige middel ontvankelijk. B.
- Gelet op de verwerping, door het Hof, in zijn arrest nr. 126/2020, van het enige middel gericht tegen artikel 38 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 en gelet op het onderwerp van het thans onderzochte beroep, zoals het is afgebakend in B.6.3, dient te worden nagegaan of hetgeen het Hof heeft geoordeeld in dat arrest ten aanzien van de jaarlijkse dotatie die bestemd is voor de financiering van de werking en de organisatie van WBE, eveneens geldt wanneer, enerzijds, een uitzonderlijke toelage van 1 880 000 euro wordt toegekend aan WBE voor de jaren 2021 en 2022 (artikel 38, vijfde lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 62, 3°, van het programmadecreet van 18 december 2019) en, anderzijds, het bedrag bepaald in artikel 38, tweede lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 wordt geïndexeerd (artikel 38, vierde lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 62, 2°, van het programmadecreet van 18 december 2019). 24 B.18.
- In de parlementaire voorbereiding wordt de toekenning, aan WBE, voor de jaren 2020, 2021 en 2022, van een uitzonderlijke toelage van 1 880 000 euro, toelage die intussen is geschrapt voor het jaar 2020 bij artikel 45, 2°, van het programmadecreet van 9 december 2020, als volgt becommentarieerd : « die wijziging van artikel 38 van het bijzonder decreet laat toe […] te voorzien in een begroting om het beheer aan te vatten van de verandering die voortvloeit uit de verzelfstandiging van de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap ingerichte onderwijs, met name via een participatief proces waarbij alle inrichtingen van WBE worden betrokken. Die begroting is in de tijd beperkt en moet WBE toelaten een impuls te geven aan het veranderingsproces dat moet worden opgestart terzelfder tijd met de uitvoering van de instellingen van openbaar nut en de verzelfstandiging van het WBE-net » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2019-2020, nr. 28/1, p. 10). De indexering van het bedrag bepaald in artikel 38, tweede lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 werd niet becommentarieerd in de parlementaire voorbereiding. B.18.
- Bij zijn arrest nr. 126/2020 heeft het Hof geoordeeld : « B.
- Uit de uiteenzetting van het eerste middel blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de artikelen 37, 38 en 39 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 met artikel 24, § 4, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, van de Grondwet, doordat die bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling zouden doen ontstaan tussen, enerzijds, de inrichtende macht van het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap en haar inrichtingen en, anderzijds, de inrichtende machten en de inrichtingen van de gesubsidieerde netten. De bestreden bepalingen zouden enkel aan de inrichtende macht van het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap en haar inrichtingen financiële middelen voorbehouden die niet zouden zijn verantwoord door objectieve en legitieme verschillen tussen het onderwijs georganiseerd door WBE en het gesubsidieerde onderwijs, en die onevenredig zouden zijn, zodat artikel 24, § 4, van de Grondwet zou zijn geschonden. B.
- Artikel 24, § 4, van de Grondwet bepaalt : ‘ Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden ’. B.
- Hoewel de gelijke behandeling van onderwijsinstellingen het basisbeginsel is, sluit artikel 24, § 4, van de Grondwet een verschil in behandeling niet uit, op voorwaarde dat dat gegrond is op ‘ de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht ’. Om ten aanzien van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie een verschil in behandeling tussen de onderwijsinstellingen van de onderwijsnetten te verantwoorden, is het evenwel niet voldoende 25 te wijzen op het bestaan van objectieve verschillen tussen die instellingen. Bovendien moet worden aangetoond dat, ten aanzien van de geregelde aangelegenheid, het aangevoerde onderscheid relevant is om een verschil in behandeling in redelijkheid te verantwoorden. Het gelijkheidsbeginsel inzake onderwijs kan overigens niet los worden gezien van de andere in artikel 24 van de Grondwet vervatte waarborgen, inzonderheid de vrijheid van onderwijs. B.
- Met betrekking tot de financieringsregeling van WBE zoals die was bepaald in het eerste voorstel van bijzonder decreet van 7 februari 2019, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State, met verwijzing naar verscheidene arresten van het Hof, opgemerkt : ‘ De decreetgever zal dus in staat moeten zijn, tevens rekening houdend met het globale financieringssysteem van het onderwijs, om aan te tonen dat de bijzondere financiering die WBE zou genieten, zoals bepaald in de artikelen 39 en 40 van het voorstel wordt verantwoord door objectieve verschillen tussen het door WBE georganiseerde onderwijs en het gesubsidieerde onderwijs ’ (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2018-2019, nr. 704/2, p. 17). B.9.
- Het bijzonder decreet van 7 februari 2019 vindt zijn grondslag in artikel 24, § 2, van de Grondwet. Die bepaling machtigt de overheid, die de inrichtende macht is in het officiële onderwijs, ertoe haar bevoegdheden te delegeren aan een of meer autonome organen, bij een decreet aangenomen met tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen. B.9.
- De parlementaire voorbereiding vermeldt : ‘ Onderhavig voorstel van decreet voert een autonome overheidsstructuur in met een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid, die is belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap. Zij moet het mogelijk maken WBE te versterken door haar bestuur, haar dienstverlening aan de leerlingen, haar prestaties, de begeleiding en de ondersteuning van haar personeel te verbeteren, door de autonomie van de inrichtingshoofden te verstevigen, en daarbij haar neutraliteit en haar publiek karakter te garanderen. De oprichting van een publiek orgaan belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap vergt met name de oprichting van een centrale administratie die de verschillende diensten verenigt ten laste van WBE binnen de “ Administration générale de l’Enseignement ” en de rest van het Ministerie, de capaciteit voor dat centrale bestuur om autonoom alle ondersteunende diensten waar te nemen die noodzakelijk zijn voor het beheer van WBE, de oprichting van gedecentraliseerde tussenliggende structuren op zonaal niveau, de verbetering van de beheerscapaciteit van de schoolgebouwen van die inrichtende macht, de bestendiging van een financieringsmodel eigen aan WBE als onderwijs georganiseerd door de Federatie. Op dezelfde wijze moet het voorstel van decreet zo spoedig mogelijk het mogelijk maken het onderscheid te maken met de regulerende overheid. De keuze van een autonome openbare structuur met een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid stelt de WBE in staat een reële autonomie te verwerven inzake het definiëren van haar strategische richtsnoeren, operationeel beheer en budgettaire keuzes. 26 WBE, haar beheersorgaan en haar leidinggevende ambtenaar, moeten over alle noodzakelijke bevoegdheden beschikken teneinde het algemeen bestuur van het onderwijs in staat te stellen volledig zijn rol te spelen van regulator van het schoolsysteem. De oprichting van de autonome overheidsstructuur met afzonderlijke rechtspersoonlijkheid zal plaatsvinden in september
- De bevoegdheden van WBE omvatten, naast de vaststelling en het beheer van de begroting, met name het beheer van vermogen, het personeelsbeheer, de communicatie en de evaluatie van haar ambtenaren-generaal. Rekening houdend met de omvang van de door te voeren wijzigingen en de te maken vooruitgang, wordt een sterke sturende capaciteit ingericht op centraal niveau. Een tussenliggend niveau tussen het centrale niveau en de inrichtingen wordt ontwikkeld op niveau van de tien onderwijszones ’ (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2018-2019, nr. 737/1, pp. 4 en 5). B.9.
- Ten aanzien van de bestreden artikelen 37 tot 39 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 vermeldt de parlementaire voorbereiding : ‘ Artikel 37 Die bepaling stelt dat WBE een jaarlijkse dotatie krijgt. Die jaarlijkse dotatie moet alle algemene kosten dekken van het orgaan WBE en niet van de inrichtingen die ervan afhangen of de organen waarvan zij deel uitmaakt (SPABS bijvoorbeeld) die gefinancierd blijven volgens de erop van toepassing zijnde bepalingen. Die jaarlijkse dotatie moet bovendien WBE in staat stellen alle verplichtingen te vervullen die zijn vastgesteld in haar beheersovereenkomst. WBE blijft uiteraard bovendien de toepassing genieten van de decreten die voorzien in de toekenning van middelen of geldmiddelen om specifieke redenen, zoals bijvoorbeeld de financiering van de schoolinfrastructuur en de financiering van pedagogische adviseurs. Artikel 38 Die bepaling preciseert wat de jaarlijkse dotatie omvat bedoeld in artikel
- De dotatie bestaat uit drie delen : - Ten eerste, een forfaitair bedrag om alle algemene uitgaven eigen aan WBE te dekken en om alle verplichtingen die in de beheersovereenkomst zijn vastgelegd te vervullen, met uitzondering van personeelskosten die voortvloeien uit overdrachten bedoeld in artikel 61 (zijnde het van het Ministerie overgedragen personeel) en van de kosten van de administratieve infrastructuur van WBE (administratieve gebouwen); - Ten tweede, een door de Regering vastgesteld evolutief bedrag dat overeenstemt met de loonkosten op het tijdstip van de overdracht van de personeelsleden die worden overgedragen ter uitvoering van artikel 61, vermeerderd met 17 %. De vermeerdering is bestemd om forfaitair de kosten te dekken voor uitrusting, telefoon, papier, mobiliteit enz., per personeelslid. De 17 % 27 werkingskosten worden berekend op basis van een vergelijkende studie van andere instellingen van openbaar nut van de Federatie. De kostprijs van dat personeel is niet opgenomen in het eerste forfaitaire bedrag omdat die evolutief is. Bovendien stelt het tweede lid van de bepaling dat dat bedrag vanaf het jaar 2021 geplafonneerd is. - Ten derde, een door de Regering vastgesteld aanvullend bedrag om de kosten te dekken van de administratieve infrastructuur van WBE, zijnde de administratieve gebouwen van WBE. Die kostprijs is niet opgenomen in het eerste forfaitaire bedrag omdat de voornaamste infrastructuurkosten ten laste blijven van de administratie zolang het grootste deel van de in artikel 61 bedoelde overdrachten niet heeft plaatsgevonden. Tijdens die periode, zoals wordt gepreciseerd in artikel 77, stelt de Franse Gemeenschap gratis de lokalen ter beschikking van WBE die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar bevoegdheden. Het bedoelde maximumbedrag wordt overigens berekend met verwijzing naar de lasten van administratieve infrastructuur die thans op de begroting van de Franse Gemeenschap wegen voor het beschouwde personeel. Het derde lid van de toegelichte bepaling stelt de wijze van indexering vast van de dotaties en de plafonds. De toegelichte bepaling wordt aangenomen met gewone meerderheid. Ze zal dus kunnen worden gewijzigd door de gewone decreetgever met inachtneming van de algemene regel vastgesteld in artikel 37 die WBE garandeert dat ze steeds over de noodzakelijke middelen zal beschikken om al haar werkingskosten te dekken en alle verplichtingen te vervullen die zijn vastgesteld in de beheersovereenkomst. Artikel 39 […] Paragraaf 3 van die bepaling stelt dat de financiële overdrachten kunnen gebeuren tussen de inrichtingen en WBE, of dat nu vanuit WBE naar de inrichtingen is of vanuit de inrichtingen naar WBE. Dat stelt WBE in staat de inrichtingen in moeilijkheden te ondersteunen en aan de inrichtingen de middelen te geven die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bevoegdheden die hun zouden zijn overgedragen. Dat stelt WBE ook in staat over de noodzakelijke middelen te beschikken voor de organisatie van diensten van ondersteuning aan de inrichtingen. We denken onder meer aan de centralisatie van aankopen of aan de ondersteuning bij de gunning van overheidsopdrachten ’ (ibid., pp. 15-16). B.10.
- Het verschil in behandeling tussen de inrichtende macht van het onderwijs van de Franse Gemeenschap en de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs berust op een objectief criterium. In tegenstelling tot het gesubsidieerd onderwijs, dat is belast met een functionele openbare dienst georganiseerd door een aanzienlijk aantal afzonderlijke en autonome inrichtende machten, valt het onderwijs van de Franse Gemeenschap onder één enkele inrichtende macht. Overeenkomstig de machtiging die hem werd verleend bij artikel 24, § 2, van de Grondwet, vermocht de bijzondere decreetgever nieuwe bepalingen te nemen in verband met de organisatie van de inrichtende macht van dat onderwijsnet. 28 De oprichting van een autonome overheidsinstelling belast met het voortaan uitoefenen van de functie van inrichtende macht voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs streeft een wettige doelstelling na, namelijk de inrichtende macht van het door het officiële net van de Franse Gemeenschap verstrekte onderwijs onderscheiden van de regulerende overheid die belast is met de tenuitvoerlegging voor de drie onderwijsnetten in de Franse Gemeenschap van de grondwettelijke bepalingen die de vrijheid van onderwijs en het recht op onderwijs voor alle leerkrachten, ouders en leerlingen waarborgen. B.10.
- De verzoekende partij betwist niet dat de invoering van die nieuwe structuur de toekenning aan WBE impliceert van nieuwe financiële middelen, bij het bijzonder decreet van 7 februari 2019, in de vorm van een jaarlijkse dotatie (artikel 37) waarvan de bedragen worden onderverdeeld in drie delen (artikel 38). Zij betoogt echter dat de aan WBE toegewezen bedragen niet verantwoord zouden zijn ten aanzien van het beginsel van gelijkheid tussen de netten en dat zij de subsidies die met name het gesubsidieerd vrij onderwijsnet zou kunnen genieten, ongunstig zouden kunnen raken. De verzoekende partij klaagt in het bijzonder het gebrek aan evenredigheid aan wat betreft het bedrag van de dotatie bedoeld in artikel 38, eerste lid, 1°. B.11.
- Zoals is vermeld in B.9.3 is de jaarlijkse dotatie bedoeld in het bestreden artikel 37 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 bestemd om de werking en de organisatie van WBE te financieren. Luidens het bestreden artikel 38 is die dotatie samengesteld uit drie bedragen. Het bedrag van 10 000 997 euro moet het mogelijk maken alle algemene kosten eigen aan WBE te dekken en alle opdrachten uit te voeren die zijn vastgelegd in de beheersovereenkomst, die uiterlijk op 30 september 2020 moet zijn ingevoerd. Zelfs indien het voormelde bedrag wordt toegewezen aan WBE vóór het sluiten van de beheersovereenkomst, kan daaruit niet worden afgeleid, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij betoogt, dat dit bedrag ten goede zou kunnen komen aan de onderwijsinstellingen van de Franse Gemeenschap. Uit de artikelen 21 en 22 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, die niet door de verzoekende partij worden bestreden, volgt onder meer dat specifieke nieuwe mandaten in het leven zullen moeten worden geroepen die voordien niet bestonden in het ministerie van de Franse Gemeenschap. Ondersteunende functies die specifieke aanwervingen zullen vereisen, zullen ook in het leven moeten worden geroepen en gefinancierd. De in artikel 39, § 3, bedoelde financiële overdrachten kunnen niet worden gekwalificeerd als een dotatie die de Franse Gemeenschap zich zou toekennen in haar hoedanigheid van regulerende of subsidiërende overheid ten gunste van een onderwijsinrichting die wordt georganiseerd door de Franse Gemeenschap. Die bepaling beoogt enkel financiële overdrachten, waarover de inrichtende macht WBE kan beslissen, naar een of meer inrichtingen die zij in die hoedanigheid organiseert. B.11.
- Voor het overige staat het niet aan het Hof te oordelen of de bij de artikelen 37 tot 39 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 ingevoerde dotaties opportuun of wenselijk 29 zijn. Voor zover die maatregelen niet onevenredig zijn met de nagestreefde doelstelling en zij objectief rekening houden met de behoeften inzake de financiering van het onderwijs in de Franse Gemeenschap, valt de keuze van de financieringswijze van de WBE onder de beoordelingsbevoegdheid van de decreetgever. B.11.
- Ten slotte toont de verzoekende partij niet aan hoe en waarom de bij de artikelen 37 tot 39 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 toegewezen bedragen de subsidiering zouden verminderen die de inrichtende machten die zij in een federatie verenigt, genieten of afbreuk zouden doen aan de vrijheid van onderwijs, zoals die wordt gewaarborgd bij artikel 24, § 1, van de Grondwet. Het eerste middel is niet gegrond ». B.18.
- Om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in dat arrest is het enige middel niet gegrond. 30 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 31 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.051 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div