id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 april 2022 ECLI nr:
§ 5
, tweede lid, van dezelfde wet van toepassing worden verklaard op de prezones, in zoverre de federale dotaties die zij aan de prezones toekennen, niet worden toegekend aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest) - Schending (art. 117, § 3, van de wet van 15 mei 2007, in die zin geïnterpreteerd dat het niet toestaat om de erin beoogde subsidies, toe te kennen aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest) - De vierde prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over de artikelen 17, 67 tot 72 en 117, § 3, van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid » en het koninklijk besluit van 19 april 2014 « tot bepaling van de voorwaarden van een specifieke dotatie aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », bekrachtigd bij artikel 209, 3°, van de programmawet van 19 december 2014, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Civiele veiligheid - Financiering - Federale financiering van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 54/2022 van 21 april 2022 Rolnummer : 7379 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 17, 67 tot 72 en 117, § 3, van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid » en het koninklijk besluit van 19 april 2014 « tot bepaling van de voorwaarden van een specifieke dotatie aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », bekrachtigd bij artikel 209, 3°, van de programmawet van 19 december 2014, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 5 maart 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 maart 2020, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schenden de artikelen 17, 67 tot 72 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre zij : - de DBDMH uitsluiten van het voordeel van de gemeenrechtelijke financieringsregeling die is bedoeld in de artikelen 67 tot 69 van de wet van 15 mei 2007; - het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de DBDMH uitsluiten van dezelfde waarborgen als die welke zijn toegekend aan de gemeenten, agglomeraties van gemeenten of intercommunales die zijn gelegen in het Vlaamse en Waalse Gewest, die erin bestaan hun te verzekeren dat zij hun uitgaven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid inzake 2 brandbestrijding niet verhoogd zien ingevolge de hervorming die uit de wet van 15 mei 2007 voortvloeit, zoals met name bedoeld in artikel 67, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007; - een specifiek financieringssysteem opleggen voor de DBDMH ? Schendt het koninklijk besluit van 19 april 2014 ‘ tot bepaling van de voorwaarden van een specifieke dotatie aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ’, bekrachtigd bij artikel 209 van de programmawet van 19 december 2014, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, door aan de DBDMH een specifieke dotatie toe te kennen die niet op grond van enig objectief criterium wordt bepaald, in tegenstelling tot de federale dotatie waarvoor artikel 68 van de wet van 15 mei 2015 [lees : 15 mei 2007] objectieve criteria voor de prezones en hulpverleningszones vaststelt ? Schendt artikel 117, § 3, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre het het voordeel van subsidies voorbehoudt aan de prezones en aan de hulpverleningszones, binnen de grenzen van de begrotingswetten, voor de aankoop van materieel of het gebruik van een licentie noodzakelijk voor het uitoefenen van hun opdrachten zoals bedoeld in artikel 11 van de wet van 15 mei 2007 ? Doen diezelfde bepalingen afbreuk aan het beginsel van de federale loyauteit en aan artikel 143 van de Grondwet ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp (DBDMH) en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Hauzeur en Mr. B. Fonteyn, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Goffaux, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 19 januari 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Bribosia en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 2 februari 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de Ministerraad om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 2 februari 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 9 maart
- Op de openbare terechtzitting van 9 maart 2022 : - zijn verschenen : 3 . Mr. T. Hauzeur en Mr. B. Fonteyn, voor de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp (DBDMH) en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest; . Mr. O. Di Giacomo, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. P. Goffaux, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Bribosia en S. de Bethune verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 26 februari 2014 stellen de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp (hierna : de DBDMH) en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest voor de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel een vordering in tegen de Belgische Staat. Zij doen in essentie gelden dat de federale financieringsregeling die van toepassing is op de DBDMH, discriminerend is en zij vorderen de vergoeding van de schade die eruit zou voortvloeien. Bij een vonnis van 16 maart 2016 oordeelt de Rechtbank dat hun vordering niet gegrond is. De DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest stellen hoger beroep in tegen dat vonnis voor het verwijzende rechtscollege. In hoofdorde vorderen zij de veroordeling van de Belgische Staat tot het betalen van diverse bedragen, die onder meer betrekking hebben op de federale dotatie voor de jaren 2013 tot 2017 en op de financiering van het interventiematerieel voor het jaar
- In ondergeschikte orde verzoeken zij het verwijzende rechtscollege om een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. Het verwijzende rechtscollege beklemtoont allereerst dat de DBDMH ermee is belast, op het grondgebied van de Brusselse agglomeratie, de opdrachten van civiele veiligheid uit te voeren die de hulpverleningszones - en voorheen de prezones - uitoefenen in de rest van het land. Het verwijzende rechtscollege merkt op dat een eerste grief die door de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is geformuleerd, betrekking heeft op de federale basis- en bijkomende dotaties, bedoeld in de artikelen 67 en 69 van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid » (hierna : de wet van 15 mei 2007), in zoverre die worden toegekend aan de hulpverleningszones en aan de prezones, maar niet aan de DBDMH. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat de federale financiering van de DBDMH wordt geregeld bij artikel 70 van de wet van 15 mei
- Het merkt op dat op grond van de voormelde bepaling geen federale financiering aan de DBDMH werd toegekend tot de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 19 april 2014 « tot bepaling van de voorwaarden van een specifieke dotatie aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : het koninklijk besluit van 19 april 2014), bekrachtigd bij artikel 209 van de programmawet van 19 december
- Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de argumenten die door de Belgische Staat zijn aangevoerd om het verschil in behandeling in termen van financiering tussen, enerzijds, de prezones en de hulpverleningszones en, anderzijds, de DBDMH te verantwoorden, het niet mogelijk maken te besluiten tot een klaarblijkelijke ontstentenis van ongrondwettigheid die het ervan zou vrijstellen aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen. Ten slotte stelt het verwijzende rechtscollege vast dat de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, in hun eerste grief, ook doen gelden dat het koninklijk besluit van 19 april 2014, bekrachtigd bij artikel 209 van de programmawet van 19 december 2014, discriminerend is. Het verwijzende rechtscollege merkt op dat een andere grief die door de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is geformuleerd, betrekking heeft op de financiering van het interventiematerieel voor het jaar 2015, en dat zij in die grief doen gelden dat artikel 117, § 3, van de wet van 15 mei 2007 discriminerend is, in zoverre het toestaat dat subsidies voor de aankoop van materieel of het gebruik van licenties worden toegekend aan de prezones en aan de hulpverleningszones maar niet aan de DBDMH. 4 Het verwijzende rechtscollege stelt derhalve de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste twee prejudiciële vragen A.1.
- De DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest beklemtonen allereerst dat de bevoegdheid inzake brandweer wordt gedeeld tussen, enerzijds, de federale overheid en, anderzijds, de Brusselse agglomeratie en de gemeenten, die optreden als gedecentraliseerde organen van de federale overheid. Zij leggen uit dat, met toepassing van artikel 5 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen (hierna : de bijzondere wet van 12 januari 1989), de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 19 juli 1990 « houdende oprichting van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp » de DBDMH heeft opgericht en met name heeft belast met het uitoefenen van de bevoegdheden van de Brusselse agglomeratie inzake brandbestrijding en inzake dringende geneeskundige hulpverlening. Vervolgens zetten de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest uiteen dat de federale overheid, bij de wet van 15 mei 2007, dezelfde opdrachten en dezelfde verplichtingen heeft opgelegd aan de DBDMH en aan de hulpverleningszones. Zij beklemtonen dat, wat daarentegen de financiering betreft, de artikelen 67 tot 69 en 221/1 van de wet van 15 mei 2007 en de uitvoeringsbesluiten ervan aan de hulpverleningszones en aan de prezones waarborgen toekennen waarvan de DBDMH, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Brusselse gemeenten worden uitgesloten bij artikel 17 van dezelfde wet :
(1)enkel de hulpverleningszones en de prezones beschikken over een subjectief recht op federale financiering,
(2)enkel de hulpverleningszones en de prezones genieten een federale financiering die wordt berekend op grond van objectieve criteria die vooraf door de wetgever zijn vastgesteld,
(3)enkel de gemeenten van de hulpverleningszones en van de prezones hebben de waarborg dat zij de extra kosten die zijn verbonden aan de bij de wet van 15 mei 2007 doorgevoerde hervorming, niet moeten financieren, en
(4)enkel de hulpverleningszones en de prezones genieten een verbintenis vanwege de federale overheid om te streven naar een 50/50-verdeling van de kosten van de brandweerdiensten tussen de federale overheid en de lokale besturen. De DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest voegen daaraan toe dat tussen 2007 en 2014 geen federale financiering werd toegekend aan de DBDMH en dat de federale financiering waarin inmiddels is voorzien bij het koninklijk besluit van 19 april 2014, bekrachtigd bij artikel 209 van de programmawet van 19 december 2014, niet door enig criterium wordt omringd en niet volstaat ten aanzien van de opdrachten die door de federale overheid aan de DBDMH worden opgelegd en ten aanzien van de federale financiering die aan de hulpverleningszones en aan de prezones wordt toegekend. Ten slotte vestigen zij de aandacht op het feit dat de federale financiering maar 3,69 % van de begroting van de DBDMH vertegenwoordigt, terwijl zij 21 % van de begroting van de andere zones vertegenwoordigt. De DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest doen gelden dat de DBDMH en de hulpverleningszones, met betrekking tot de financiering door de federale overheid, vergelijkbare categorieën zijn, aangezien de wet van 15 mei 2007 hun met dezelfde opdrachten belast. Zij beklemtonen dat die vergelijkbaarheid wordt bevestigd bij het arrest van de Raad van State nr. 246.128 van 20 november
- Volgens hen berust het verschil in behandeling in termen van federale financiering tussen de DBDMH en de hulpverleningszones niet op een objectief criterium van onderscheid, aangezien het uitsluitend op het vermeende bijzondere statuut van de DBDMH berust. Zij voegen eraan toe dat het eventuele bijzondere statuut van de DBDMH de in het geding zijnde verschillen in behandeling hoe dan ook niet redelijkerwijs kan verantwoorden. A.1.2.
- De Ministerraad doet gelden dat drie elementen de specifieke financieringsregeling verantwoorden die bij de wet van 15 mei 2007 wordt toegepast op de DBDMH. Ten eerste beklemtoont hij dat het de Brusselse overheid is die niet heeft gewild dat de DBDMH integraal werd onderworpen aan de wet van 15 mei
- Ten tweede vestigt hij de aandacht op het specifieke rechtsstatuut van de DBDMH, die noch aan het federale toezicht, noch aan de federale inspectie wordt onderworpen. Hij verwijst in dat verband naar een advies van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 mei
- Ten derde legt de Ministerraad uit dat de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest over financieringsbronnen beschikken die de andere gewesten en de andere gemeenten van het land, en dus de andere hulpverleningszones, niet genieten. Hij stelt aldus vast dat de DBDMH een aanzienlijke financiering geniet die door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en door de Brusselse agglomeratie wordt toegekend. De Ministerraad wijst vervolgens met nadruk op het specifieke statuut van het 5 Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, dat de fiscale bevoegdheid van de Brusselse agglomeratie kan uitoefenen en dat financieringsmechanismen geniet die eigen zijn aan dat Gewest en die bij de laatste staatshervorming werden versterkt. De Ministerraad haalt in dat verband de bijzondere wet van 19 juli 2012 houdende een correcte financiering van de Brusselse Instellingen (hierna : de bijzondere wet van 19 juli 2012), de wet van 19 juli 2012 « houdende wijziging van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, en van de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen » (hierna : de wet van 19 juli 2012) en de bijzondere wet van 6 januari 2014 tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden aan. Bovendien vestigt hij de aandacht op het in artikel 43 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 bedoelde mechanisme (Belirismechanisme) en beklemtoont hij dat de rubriek 3.17 van de bijakten nr. 10 van 6 mei 2008, nr. 10bis van 27 juli 2011, nr. 11 van 28 juni 2012, nr. 12 van 24 maart 2016 en nr. 13 van 3 oktober 2018 bij het samenwerkingsakkoord van 15 september 1993 tussen de Federale Staat en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot bepaalde initiatieven bestemd om de internationale rol en de functie van Brussel als hoofdstad te bevorderen, rechtstreeks betrekking heeft op de DBDMH. Ten slotte doet de Ministerraad gelden dat artikel 67, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007 geen verbintenis van de federale overheid weergeeft om haar deel van de financiering te verhogen totdat een drempel van 50 % wordt bereikt, maar dat het een aan de gemeenten geboden garantie betreft dat, zolang het deel van de federale financiering niet de drempel van 50 % van de algehele financiering van de beschouwde hulpverleningszone heeft bereikt, de hervorming van de brandweerdiensten de gemeenten niet zal verplichten om de financiële middelen te verhogen die zij vóór de hervorming aan hun brandweerdiensten besteedden. Volgens hem is het redelijk verantwoord dat die bepaling niet van toepassing is op de DBDMH. Daarenboven merkt de Ministerraad op dat, naast de in artikel 70 van de wet van 15 mei 2007 bedoelde specifieke dotatie, de federale overheid elk jaar andere bedragen stort aan de DBDMH (opleidingssubsidies, terugbetaling van de wedde van de personeelsleden van de 100-centrale en taalpremies). Hij verwijst ook naar het voormelde arrest nr. 246.128 van de Raad van State. De Ministerraad besluit dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de DBDMH proberen om langs gerechtelijke weg een herfinanciering te verkrijgen, terwijl het een politiek debat betreft. A.1.2.
- Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, merkt de Ministerraad allereerst op dat zij in werkelijkheid artikel 69 en niet artikel 68 van de wet van 15 mei 2007 lijkt te beogen. Volgens hem zijn de in die vraag bedoelde categorieën niet vergelijkbaar. Enerzijds zijn de 34 hulpverleningszones van het land de begunstigden van de in artikel 69 van de wet van 15 mei 2007 bedoelde federale basis- en bijkomende dotaties, zodat het relevant is om criteria vast te stellen die het mogelijk maken de begrotingsenveloppe in kwestie te verdelen tussen de hulpverleningszones. Anderzijds is de DBDMH de enige begunstigde van de in artikel 70 van de wet van 15 mei 2007 bedoelde specifieke dotatie, zodat er geen aanleiding bestaat om verdelingscriteria voor die begrotingsenveloppe vast te stellen. Daarenboven is de Ministerraad van mening dat het vastleggen van het totaalbedrag van elk van die twee begrotingsenveloppes tot de discretionaire bevoegdheid van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Koning behoort wanneer zij de begroting van de Staat vaststellen, zodat de enveloppe van de hulpverleningszones en die van de DBDMH in dat verband op dezelfde wijze worden behandeld. Hij preciseert dat de in artikel 69 van de wet van 15 mei 2007 vastgestelde criteria niet ertoe strekken het totaalbedrag van de aan de hulpverleningszones toegewezen enveloppe te bepalen, maar beogen de inhoud van die enveloppe tussen hen te verdelen. Daarenboven beklemtoont de Ministerraad dat zowel de federale basis- en bijkomende dotaties als de specifieke dotatie aan de DBDMH worden toegekend binnen de grenzen van de beschikbare kredieten, zodat de hulpverleningszones en de DBDMH in dat verband op dezelfde wijze worden behandeld. Ten slotte kan de voorafgaande redenering volgens hem worden overgenomen met betrekking tot de federale dotatie aan de prezones, bedoeld in artikel 221/1 van de wet van 15 mei
- Hij voegt eraan toe dat die dotatie tot doel had het voorbereidende werk te financieren dat noodzakelijk was om de brandweerdiensten in de hulpverleningszones te integreren en dat de DBDMH dat voorbereidende werk niet moest verrichten, aangezien hij reeds op geïntegreerde wijze functioneerde als een hulpverleningszone die het grondgebied van de negentien Brusselse gemeenten bestrijkt. A.1.3.
- De DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest antwoorden dat de drie elementen waarop de Ministerraad de aandacht heeft gevestigd, zich ertoe beperken de specifieke kenmerken van de Brusselse situatie aan te tonen, zonder evenwel uit te leggen in welk opzicht die specifieke kenmerken de in het geding zijnde verschillen in behandeling kunnen verantwoorden. Zij beklemtonen dat de relevantie van die drie elementen voor de kwestie van de federale financiering net in het geding wordt gebracht door de afdeling wetgeving van de Raad van State in zijn advies dat aan de wet van 15 mei 2007 voorafgaat, door de Raad van State in zijn voormeld arrest nr. 246.128 en door het verwijzende rechtscollege. De DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betwisten de stelling van de Ministerraad die op de drie elementen in kwestie is gebaseerd. 6 Ten eerste betwisten de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest dat zij hebben gevraagd om te worden uitgesloten van de in de wet van 15 mei 2007 bedoelde gemeenrechtelijke financieringsregeling. Volgens hen wordt de bewering van de Ministerraad niet gestaafd door de parlementaire voorbereiding en is zij bovendien in tegenspraak met de uiteenzettingen van de Belgische Staat in andere geschillen. Bovendien beklemtonen zij dat de vermeende wil van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of van de DBDMH de in het geding zijnde verschillen in behandeling hoe dan ook niet kan verantwoorden. Ten slotte zetten zij uiteen dat zij reeds lang hebben gevraagd om een adequate en voorzienbare financiering te genieten die is omringd met waarborgen die gelijkwaardig zijn aan die welke op de andere zones van toepassing zijn. Ten tweede verantwoordt het feit dat de DBDMH noch aan het federale toezicht, noch aan de federale inspectie is onderworpen, volgens de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de in het geding zijnde verschillen in behandeling niet. Bovendien beklemtonen zij dat, zelfs bij gebrek aan een specifiek toezicht, controlemechanismen mogelijk zijn en zij verwijzen in dat verband naar artikel 7 van het koninklijk besluit van 19 april
- Ten derde doen de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gelden dat de andere financieringsbronnen die door de Ministerraad zijn aangevoerd, te dezen niet relevant zijn :
(1)de omvang van de financiering van de DBDMH door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest strekt ertoe de ontoereikendheid van de federale financiering te verhelpen, die te dezen net wordt aangeklaagd,
(2)het Belirisfonds, de financiering die is voorzien in de bijzondere wet van 19 juli 2012 en die welke is voorzien in de wet van 19 juli 2012, houden geen verband met de financiering van de DBDMH,
(3)de financiering van kazernes op basis van het Belirisfonds heeft slechts uitzonderlijk en in zeer beperkte mate plaatsgevonden,
(4)de subsidies voor de opleiding, de terugbetaling van de wedde van de personeelsleden van de 100-centrale en de taalpremies staan los van de uitvoering van de hervorming van de civiele veiligheid. Bovendien merken de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op dat de voormelde financieringsbronnen dateren van na de wet van 15 mei 2007 en dat zij niet de voorzienbaarheid van de op de hulpverleningszones van toepassing zijnde financieringsregeling bieden. Daarenboven beklemtonen de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest dat de hulpverleningszones andere financieringsbronnen genieten : gemeentelijke dotaties, provinciale dotaties en gewestelijke subsidies. A.1.3.
- Vervolgens antwoorden de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest dat de tweede prejudiciële vraag ook betrekking heeft op het gebrek aan objectieve criteria om de aan de DBDMH toegewezen begrotingsenveloppe te bepalen. Volgens hen vormt het bestaan van twee onderscheiden begrotingsenveloppes, waarvan de ene wordt toegewezen aan de hulpverleningszones en de andere aan de DBDMH, net een discriminatiegrond. Bovendien zijn zij van mening dat het feit dat de dotaties worden toegekend binnen de grenzen van de beschikbare kredieten, niet de vaststelling ter discussie stelt dat, indien die kredieten beschikbaar zijn, enkel de hulpverleningszones zeker zijn een federale financiering te genieten. Bovendien, verwijzend naar artikel 67, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007, leggen zij uit dat enkel de begrotingsenveloppe die wordt toegewezen aan de hulpverleningszones, wordt vastgesteld met inachtneming van de extra kosten die uit de hervorming van de civiele veiligheid voortvloeien. Daarenboven, wat de vergelijking met de prezones betreft, merken de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op dat andere brandweerdiensten dan de DBDMH vóór de bij de wet van 15 mei 2007 doorgevoerde hervorming ook reeds op bovengemeentelijke basis waren georganiseerd. Zij halen de brandweerdienst van Luik aan, die was georganiseerd in de vorm van een intercommunale en die de aan de prezones toegekende financiering heeft genoten. Ten slotte leggen zij uit dat de bij de wet van 15 mei 2007 doorgevoerde hervorming ook voor de DBDMH voorbereidend werk heeft vereist en extra kosten met zich mee heeft gebracht. A.1.
- De Ministerraad antwoordt dat de DBDMH het werk ter voorbereiding van de integratie van de brandweerdiensten in de hulpverleningszones niet heeft moeten verrichten :
(1)de opdrachten inzake bewustmaking, het uitwerken van de nood- en interventieplannen, de opmaak van het operationeel organisatieschema, de risicoanalyse, de opdrachten inzake brandpreventie en de beroepsopleiding van de brandweerlui waren geen nieuwe taken voor de DBDMH,
(2)de uitvoering van het beginsel van de snelste adequate hulp heeft geen grote veranderingen voor de DBDMH met zich meegebracht,
(3)de DBDMH werd niet met dezelfde coördinatietaken geconfronteerd als de voormalige gemeentelijke brandweerdiensten en hij heeft geen nieuwe rechtspersoon moeten oprichten,
(4)wat betreft het personeel en de zonecommandant, valt de DBDMH niet onder de respectieve toepassingsgebieden van het koninklijk besluit van 19 april 2014 « houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszones », van het koninklijk besluit van 19 april 2014 « tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones » en van het koninklijk besluit van 10 juni 2014 « tot vastlegging van de mandaattoelage van de commandant van een hulpverleningszone en van de grenzen van de vergoeding van de bijzondere rekenplichtige ». Bovendien beweert de Ministerraad dat de DBDMH, tijdens de voorbereidende periode, een 7 federale financiering voor de aankoop van materieel is blijven genieten. Daarenboven legt de Ministerraad uit dat de DBDMH sedert de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 19 april 2014, bekrachtigd bij artikel 209 van de programmawet van 19 december 2014, over een in een wetsbepaling vastgelegd subjectief recht op de specifieke federale dotatie beschikt. Ten slotte doet de Ministerraad gelden dat het voormelde arrest nr. 246.128 van de Raad van State de stelling ondersteunt volgens welke de DBDMH zich in een situatie bevindt die verschilt van die van de andere hulpverleningszones, zodat het verantwoord is dat hij verschillend wordt behandeld. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag A.2.
- De DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest merken op dat de DBDMH en de hulpverleningszones, krachtens de artikelen 117, § 1, en 118 van de wet van 15 mei 2007, dezelfde verplichtingen met betrekking tot de aankoop van het materieel hebben. Zij stellen vast dat daarentegen, wat de financiering van dat materieel betreft, enkel de DBDMH niet de subsidies kan krijgen die zijn bedoeld in artikel 117, § 3, van die wet. Volgens hen is dat verschil in behandeling niet redelijk verantwoord. A.2.
- De Ministerraad doet gelden dat, wat de DBDMH betreft, de subsidies voor de aankoop van materieel of het gebruik van licenties zijn inbegrepen in de specifieke dotatie. In dat verband vestigt hij met name de aandacht op de verhoging van de specifieke dotatie die in 2019 is toegekend teneinde investeringen op het gebied van het CBRN-risico te financieren. De Ministerraad verwijst bovendien naar zijn argumentatie met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag. A.2.
- De DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest antwoorden dat de financiering op het gebied van het CBRN-risico waarnaar de Ministerraad verwijst, voortvloeit uit de nieuwe opdrachten die aan de DBDMH zijn toegewezen ingevolge het sluiten, op 1 januari 2019, van de kazerne van de Civiele Bescherming te Liedekerke en dat die financiering bovendien ontoereikend is ten aanzien van die opdrachten. Zij verwijzen eveneens naar hun argumentatie met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag. A.2.
- De Ministerraad heeft één enkel antwoord uiteengezet met betrekking tot de eerste drie prejudiciële vragen. Ten aanzien van de vierde prejudiciële vraag A.3.
- De DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest doen gelden dat de in het geding zijnde bepalingen het beginsel van de federale loyauteit schenden. Zij beklemtonen met name dat de door de DBDMH ontvangen federale financiering overeenstemt met een bedrag van 2,66 euro per inwoner, terwijl zij 10 euro per inwoner bedraagt voor de andere zones. Volgens hen schuift de federale overheid de kosten met betrekking tot haar eigen hervorming van de civiele veiligheid door naar het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. A.3.
- De Ministerraad merkt vooraf op dat zou moeten worden beoordeeld of het beginsel van de federale loyauteit van toepassing is wanneer het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de bevoegdheden van de Brusselse agglomeratie uitoefent. Hij doet gelden dat de in het geding zijnde bepalingen de uitoefening van de bevoegdheden van de DBDMH en van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest hoe dan ook niet onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Hij brengt in herinnering dat de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest werden betrokken bij de totstandkoming van de wet van 15 mei
- Ten slotte wijst hij met nadruk op de naleving, door de federale overheid, van haar financiële verbintenissen die in 2014 zijn aangekondigd, die overigens naar boven werden bijgesteld in
- A.3.
- De DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest antwoorden dat doordat zij twee begrotingsenveloppes kunstmatig van elkaar scheiden en de DBDMH in een ervan isoleren, de in het geding zijnde bepalingen een geringere en willekeurige federale financiering van de DBDMH mogelijk maken en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, dat bevoegd is om de bevoegdheden van de Brusselse agglomeratie uit te oefenen, de facto de verplichting opleggen om de federale opdrachten op te vangen. A.3.
- De Ministerraad antwoordt dat de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de bedragen die zij aanvoeren, geenszins verantwoorden en dat de « synthesetabel van de dotaties » die zij voorleggen, onjuiste gegevens bevat. 8 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.
- De wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid » (hierna : de wet van 15 mei 2007) heeft de regelgeving betreffende de diensten van de civiele veiligheid hervormd. Het algemeen opzet van die wet kan als volgt worden samengevat : « De wetgeving betreffende de organisatie van de hulpdiensten moet aangepast worden aan de nieuwe uitdagingen en risico’s van onze moderne samenleving. Ten gevolge van deze vaststelling en ongelukkige gebeurtenissen uit het verleden, meer bepaald de gasramp in Gellingen, werd een ontwerp van hervorming van de civiele veiligheid opgesteld. Het ontwerp bevestigt de federale verankering van de materie en heeft als doel een belangrijke verbetering van de hulpverlening aan de burgers mogelijk te maken. De hoeksteen van het ontwerp is de creatie van nieuwe juridische entiteiten op het supralokale niveau : de hulpverleningszones. Deze zullen de opdrachten van civiele veiligheid verzekeren via de brandweer- en hulpverleningsposten. Om aan eenieder de snelste adequate hulp te garanderen, vormen de gemeente-, provincie- en gewestgrenzen geen belemmering meer voor de interventies van de hulpdiensten » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2928/001, p. 3). Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 mei 2007 blijkt dat de wetgever drie leidende principes heeft willen toepassen : « Het eerste principe betreft het recht voor elke burger om de snelste adequate hulp te genieten. In tegenstelling tot de vorige filosofie die wilde dat de territoriaal bevoegde dienst zou interveniëren rekening houdend met de gemeentelijke grenzen, beoogt de hervorming het principe van de interventie van de dienst die als eerste ter plaatse kan komen met de nodige middelen. Noch de gemeentelijke grenzen, noch de provinciale grenzen zullen de werking van de hulpdiensten mogen beperken. Volgens het tweede principe moeten equivalente diensten equivalente lasten voor de burger veroorzaken. Dat principe impliceert dat de huidige verdeling van de kosten van de brandweerdiensten opnieuw grondig onderzocht zal moeten worden en dat er criteria zoals, bijvoorbeeld, het aantal inwoners of de gedragen risico’s in aanmerking genomen zullen moeten worden. De schaalvergroting, ofwel een noodzakelijke groepering van de beschikbare middelen van de brandweerdiensten, vormt de derde krachtlijn van de hervorming » (ibid., pp. 4-5). Uit dezelfde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever drie structurele niveaus inzake civiele veiligheid heeft willen onderscheiden : 9 « De instelling van de hervorming en van de principes ervan veronderstelt bovendien dat de rollen van elkeen binnen de nieuwe structuren opnieuw bekeken worden. Het ontwerp onderscheidt drie structurele niveaus. Aangezien het gaat om een aangelegenheid die federaal gebleven is, wordt het eerste niveau gevormd door het federale niveau. De minister van Binnenlandse Zaken en zijn administratie blijven immers als eerste garant staan voor de Civiele Veiligheid. Voor de uitvoering van de opdrachten inzake civiele veiligheid beschikt de federale Staat over een federaal korps van de Civiele Bescherming georganiseerd in operationele eenheden en bevoegd voor het hele grondgebied van het Koninkrijk. Bovendien zal de federale Staat beschikken over een federaal kenniscentrum voor de civiele veiligheid en over een algemene inspectie. Het tweede niveau is van organisatorische aard en wordt gevormd door een nieuwe juridische autonome entiteit : de hulpverleningszone. Het derde niveau, het uitvoerende niveau, zal gevormd worden door een netwerk van brandweer- en reddingsposten afkomstig van de verschillende hulpverleningszones. Vanuit die posten, de huidige en toekomstige kazernes, zullen de hulpverleningszones de opdrachten uitvoeren teneinde de snelste adequate hulp voor elke burger te garanderen » (ibid., p. 5). B.
- De wet van 15 mei 2007 heeft aldus voorzien in de oprichting van hulpverleningszones die over rechtspersoonlijkheid beschikken (artikel 18) en op bovenlokaal niveau zijn georganiseerd, waarbij elke gemeente deel uitmaakt van één enkele zone en elke provincie minstens één zone bevat (artikel 14). In afwachting van de daadwerkelijke oprichting van de hulpverleningszones heeft de wet van 3 augustus 2012 « tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid en de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming » (hierna : de wet van 3 augustus 2012) een artikel 221/1 ingevoegd in de wet van 15 mei 2007, teneinde prezones op te richten die over rechtspersoonlijkheid beschikken. De wet van 3 augustus 2012 is in werking getreden op 5 oktober 2012 (artikel 12, 1°, van het koninklijk besluit van 20 september 2012 « houdende toekenning van een federale dotatie aan de prezones bedoeld in artikel 221/1 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid », hierna : het koninklijk besluit van 20 september 2012). Tijdens de commissiebesprekingen heeft de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen de geleidelijke uitvoering van de wet van 15 mei 2007 beschreven : 10 « Naar aanleiding van de vaststelling dat de huidige reglementering verouderd is en niet langer beantwoordt aan de huidige eisen van de maatschappij, werd een grote hervorming van de organisatie van de hulpdiensten opgestart. Het doel van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid die deze hervorming omzet, was : - de oprichting van een nieuwe juridische entiteit organiseren : de hulpverleningszone. De zone is verantwoordelijk voor de organisatie van de hulpverleningsposten op hun grondgebied. Met andere woorden, de brandweerdiensten werden uit de gemeentelijke sfeer gehaald om te werken in hulpverleningszones, met op termijn een onderlinge verdeling en een rationalisering van de middelen; - de veiligheid van de burgers vergroten door de invoering van het principe van de snelste adequate hulp. De uitvoering van deze wet gebeurde geleidelijk. In 2009 werd de geografische afbakening van de hulpverleningszones vastgelegd door een koninklijk besluit van 2 februari 2009 en werden er Task Forces opgericht. In 2010 en 2011 werden operationele prezones opgericht om de operationele coördinatie tussen de brandweerdiensten te versterken door het sluiten van overeenkomsten tussen de gemeenten van de zone en de Federale Staat, alsook het toekennen van jaarlijkse subsidies. Het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid en de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming is een bijkomende en fundamentele stap in de uitvoering van de hervorming van de civiele veiligheid. Voor het jaar 2012 zal de uitvoering van dit wetsontwerp gebeuren binnen de grenzen van de actuele kredieten die hiertoe bestemd zijn, namelijk 21,747 miljoen euro op basisallocatie 54 80 432201 van sectie 13 van de begroting. De tekst heeft als voornaamste doel om de veiligheid van de brandweerlieden te verhogen door hoofdstukken van de wet van 2007 uit te voeren, de prezones rechtspersoonlijkheid te geven en hen een blijvende federale dotatie toe te kennen wanneer de volgende doelstellingen vervuld zijn : - de aanwijzing van een voorzitter van de raad; - de aanwijzing van een coördinator; - de aanwijzing van een ontvanger; - de goedkeuring van een zonaal operationeel organisatieplan; - de opmaak en goedkeuring van een begroting en de toewijzing van een deel van dit budget aan de personeelskosten en in het bijzonder aan de rekrutering van vrijwillige en beroepsbrandweerlieden, en aan werking en investeringen » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2216/003, pp. 4-5). 11 De daadwerkelijke oprichting van de hulpverleningszones heeft plaatsgevonden op 1 januari 2015 of, voor een aantal ervan, op een andere datum en ten laatste op 1 januari 2016 (artikel 220, § 1, van de wet van 15 mei 2007, zoals laatst gewijzigd bij de wet van 19 april 2014 « tot vaststelling van bepaalde aspecten van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische hulp en tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid », en artikel 11 van het koninklijk besluit van 4 augustus 2014 « tot bepaling van de modaliteiten van de uitvoering door de provincie van opdrachten ten gunste van de hulpverleningszone en tot wijziging van diverse koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid », hierna : het koninklijk besluit van 4 augustus 2014). B.3.
- Bij de wetten van 15 mei 2007 en van 3 augustus 2012 werd geen hulpverleningszone of prezone opgericht voor het grondgebied van de negentien Brusselse gemeenten. Op dat grondgebied behoren de aangelegenheden van de brandweer en van de dringende geneeskundige hulpverlening, op gedecentraliseerd niveau, tot de bevoegdheid van de Brusselse agglomeratie, krachtens artikel 4, § 2, 3° en 4°, van de wet van 26 juli 1971 « houdende organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten ». Overeenkomstig artikel 166, § 2, van de Grondwet en artikel 48 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen (hierna : de bijzondere wet van 12 januari 1989) worden de bevoegdheden van de Brusselse agglomeratie uitgeoefend door de organen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Met toepassing van artikel 5 van de bijzondere wet van 12 januari 1989, dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest toestaat de uitoefening van bevoegdheden van de Brusselse agglomeratie op te dragen aan de instellingen van openbaar nut die het opricht of aanwijst, werd bij de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 19 juli 1990 « houdende oprichting van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp » (hierna : de ordonnantie van 19 juli 1990) de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp (hierna : de DBDMH) opgericht en belast met de uitoefening van de bevoegdheden van de Brusselse agglomeratie in de aangelegenheden van de brandweer en van de dringende geneeskundige hulpverlening. 12 B.3.
- Artikel 17 van de wet van 15 mei 2007, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 2013 « houdende diverse bepalingen Binnenlandse Zaken » (hierna : de wet van 21 december 2013), regelt de mate waarin de wet van 15 mei 2007 van toepassing is op de DBDMH. Die bepaling is in werking getreden op 1 januari 2015 (artikel 336, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 « tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones »). In paragraaf 1 van die bepaling worden de artikelen van de wet van 15 mei 2007 opgesomd die niet van toepassing zijn op de DBDMH. In de paragrafen 2 tot 4 van die bepaling worden de artikelen van de wet van 15 mei 2007 opgesomd waarin de termen « zone » of « hulpverleningszone » moeten worden begrepen als een verwijzing naar respectievelijk de DBDMH, de Brusselse Hoofdstedelijke Regering of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. In paragraaf 5 van die bepaling wordt het artikel van de wet van 15 mei 2007 vastgesteld waarin de term « raad », namelijk de zoneraad, moet worden begrepen als een verwijzing naar de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. In paragraaf 6 van die bepaling worden de artikelen van de wet van 15 mei 2007 opgesomd waarin de term « zonecommandant » moet worden begrepen als een verwijzing naar het bevoegde orgaan van de DBDMH. B.4.
- De opdrachten van de hulpverleningszones worden onder meer gedefinieerd in de artikelen 3, eerste lid, 5, 6, § 1, 7 en 11 van de wet van 15 mei
- B.4.
- Artikel 3, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, bepaalt : « De civiele veiligheid omvat alle civiele maatregelen en middelen nodig voor het volbrengen van de opdrachten vermeld in de wet om te allen tijde personen en hun goederen en leefomgeving ter hulp te komen en te beschermen ». Het begrip « civiele maatregelen » wordt in artikel 2, § 1, 7°, van de wet van 15 mei 2007 gedefinieerd als « maatregelen van niet-politionele en niet-militaire aard ». 13 Artikel 3, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, is ten aanzien van de hulpverleningszones in werking getreden op 1 januari 2015 of, voor een aantal ervan, op een andere datum en ten laatste op 1 januari 2016 (artikel 11, § 1, van het koninklijk besluit van 4 augustus 2014). Artikel 3, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, is ook van toepassing op de DBDMH, zoals voortvloeit uit artikel 17, § 1, van de wet van 15 mei
- B.4.
- Artikel 5 van de wet van 15 mei 2007 bepaalt : « De hulpverleningszone verzekert de oprichting en de organisatie van de posten op haar grondgebied en vervult op autonome wijze de taken die de wet haar toewijst. De hulpverleningszone is samengesteld uit het netwerk van posten waarvan het aantal en de inplanting worden bepaald aan de hand van de risicoanalyse. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inhoud en de minimale voorwaarden van de risicoanalyse ». Het begrip « post » wordt in artikel 2, § 1, 8°, van de wet van 15 mei 2007 gedefinieerd als « een operationele structuur die is voorzien van personeel en materieel van waaruit de adequate middelen worden uitgestuurd om de operationele opdrachten te verzekeren ». Het begrip « adequate middelen », waarnaar de voormelde definitie verwijst, wordt in artikel 2, § 1, 4°, van de wet van 15 mei 2007 gedefinieerd als « de minimale inzet van personeel en materieel nodig voor het kwaliteitsvol uitvoeren van de opdrachten en het garanderen van een voldoende veiligheidsniveau van het interventiepersoneel ». Het begrip « risicoanalyse » wordt in artikel 2, § 1, 6°, van de wet van 15 mei 2007 gedefinieerd als « de inventarisatie en evaluatie van de risico’s aanwezig op het grondgebied van de zone die aangeeft wat de behoeften zijn in materieel en personeel om deze risico’s te dekken ». Artikel 5 van de wet van 15 mei 2007 is ten aanzien van de hulpverleningszones in werking getreden op 1 januari 2015 of, voor een aantal ervan, op een andere datum en ten laatste op 1 januari 2016 (artikel 8 van het koninklijk besluit van 14 oktober 2013 « tot vaststelling van de inhoud en de minimale voorwaarden van de risicoanalyse bedoeld in artikel 5, derde lid, van 14 de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid », zoals vervangen bij artikel 6 van het koninklijk besluit van 4 augustus 2014). Artikel 5 van de wet van 15 mei 2007 is ook van toepassing op de DBDMH, ingevolge artikel 17, § 1, van de wet van 15 mei
- Bovendien vloeit uit artikel 17, § 2, 1., § 3, 1., en § 4, 1., van de wet van 15 mei 2007 voort dat de uitdrukking « hulpverleningszone », in artikel 5, eerste lid, van dezelfde wet, moet worden begrepen als een verwijzing naar de DBDMH of, met betrekking tot de oprichting van de posten, als een verwijzing naar de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, en dat zij, in artikel 5, tweede lid, van dezelfde wet, moet worden begrepen als een verwijzing naar het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. B.4.
- Artikel 6, § 1, van de wet van 15 mei 2007 bepaalt : « De posten voeren, alleen of samen, de opdrachten uit die de wet hun toewijst rekening houdend met het principe van de snelste adequate hulpverlening. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de minimale voorwaarden van de snelste adequate hulp en de adequate middelen ». Artikel 7 van de wet van 15 mei 2007, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, bepaalt : « De grenzen van de provincies, van de hulpverleningszones of van de gemeenten vormen geen beperking voor de tussenkomst van de posten zoals voorzien in artikel 6, § 1 ». Het begrip « snelste adequate hulp » wordt in artikel 2, § 1, 5°, van de wet van 15 mei 2007 gedefinieerd als « de operationele diensten die het snelst op de plaats van de interventie kunnen zijn met de adequate middelen ». Artikel 6, § 1, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007 is in werking getreden op 7 december 2012 (artikel 14 van het koninklijk besluit van 10 november 2012 « tot vaststelling van de minimale voorwaarden van de snelste adequate hulp en van de adequate middelen »). Artikel 6, § 1, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 en artikel 7 van dezelfde wet, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, zijn ten aanzien van de hulpverleningszones in werking getreden op 1 januari 2015 of, voor een aantal ervan, op een andere datum en ten laatste op 1 januari 2016 (artikel 11, § 1, van het koninklijk besluit van 4 augustus 2014). 15 Artikel 6, § 1, van de wet van 15 mei 2007 en artikel 7 van dezelfde wet, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, zijn eveneens van toepassing op de DBDMH, ingevolge artikel 17, § 1, van de wet van 15 mei
- Bovendien vloeit uit artikel 17, § 4, 2., van de wet van 15 mei 2007 voort dat de uitdrukking « hulpverleningszone » in artikel 7 van dezelfde wet, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, moet worden begrepen als een verwijzing naar het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. B.4.
- Artikel 11 van de wet van 15 mei 2007 bepaalt : « §
- De algemene opdrachten van de operationele diensten van de civiele veiligheid zijn : 1° de redding van en de bijstand aan personen in bedreigende omstandigheden en de bescherming van hun goederen; 2° de dringende geneeskundige hulpverlening zoals bepaald in artikel 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening; 3° de bestrijding van brand en ontploffing en hun gevolgen; 4° de bestrijding van vervuiling en van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen met inbegrip van radioactieve stoffen en ioniserende straling; 5° de logistieke ondersteuning. §
- Maken integraal deel uit van de opdrachten opgesomd in § 1, 1°, 3°, 5°, de proactie, de preventie, de preparatie, de uitvoering en de evaluatie. In de zin van deze paragraaf, worden begrepen onder : 1° proactie : alle maatregelen om de risico's te inventariseren en te analyseren; 2° preventie : alle maatregelen om het zich voordoen van de risico's te beperken of de gevolgen van het zich voordoen te minimaliseren; 3° preparatie : alle maatregelen om te garanderen dat de dienst klaar is om het hoofd te bieden aan een reëel incident; 4° uitvoering : alle maatregelen die genomen worden wanneer er zich daadwerkelijk een incident voordoet; 5° evaluatie : alle maatregelen om de proactie, preventie, preparatie en uitvoering te verbeteren via lessen getrokken uit het incident. 16 §
- Onverminderd de bevoegdheden van andere openbare diensten, zien de hulpverleningszones toe op de toepassing van de reglementering inzake de preventie van brand en ontploffing ». Het begrip « operationele diensten van de civiele veiligheid » wordt in artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 15 mei 2007 gedefinieerd als « de brandweer- en reddingsposten van de hulpverleningszones, en de operationele eenheden van de Civiele Bescherming ». Artikel 11 van de wet van 15 mei 2007 is in werking getreden op 7 november 2013 (artikel 8 van het koninklijk besluit van 14 oktober 2013 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot vaststelling van de opdrachten van de hulpdiensten die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn »). Artikel 11 van de wet van 15 mei 2007 is eveneens van toepassing op de DBDMH, ingevolge artikel 17, § 1, van de wet van 15 mei
- Bovendien vloeit uit artikel 17, § 2, 2., van de wet van 15 mei 2007 voort dat de uitdrukking « hulpverleningszone » in artikel 11, § 3, van dezelfde wet moet worden begrepen als een verwijzing naar de DBDMH. B.5.
- De financiering van de hulpverleningszones wordt geregeld bij de artikelen 67, 68, 69, 71 en 72 van de wet van 15 mei
- B.5.
- Artikel 67 van de wet van 15 mei 2007 bepaalt : « De zones worden gefinancierd door : 1° de dotaties van de gemeenten van de zone; 2° de federale dotaties; 3° de eventuele provinciale dotaties; 4° de vergoedingen van de opdrachten waarvan de Koning de terugvordering machtigt; 5° diverse bronnen. Zolang de verhouding tussen de middelen die voor de toepassing van deze wet worden voorzien door de gemeenten en federale overheid niet gelijk is aan één, zullen de gemeenten van een zone, samen, in reële termen niet meer bijdragen dan hun actuele bijdrage. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de vertegenwoordigers van 17 de steden en gemeenten gehoord, deze verhouding op 31 december 2007 alsook de inkomsten- en uitgavenposten die worden in aanmerking genomen om de verhouding te berekenen. De in het eerste lid, 1°, bedoelde gemeentelijke dotatie kan verminderd worden, naar rato van de in het eerste lid, 3°[,] bedoelde provinciale dotaties ». In het ontwerp dat aan de oorsprong van de wet van 15 mei 2007 ligt, werd die bepaling als volgt toegelicht : « Dit artikel omschrijft de financieringsbronnen van de zone. Het gaat om de gemeentelijke dotatie, de federale dotatie, de vergoedingen van verhaalbare opdrachten en diverse bronnen. De diverse bronnen van financiering van de zones kunnen onder meer bestaan uit subsidies, middelen toegekend door openbare overheden zoals de gewesten, inkomsten uit fondsen, toevallige inkomsten, schenkingen en legaten, bijdragen uit ondernemingen en gezinnen, enz. De regering engageert zich naar de steden en gemeenten toe dat deze niet meer zullen moeten bijdragen tot de financiering van de civiele veiligheid dan zij nu doen. Met andere woorden, wordt er gestreefd naar een verhouding tussen de federale middelen en de lokale middelen van
- In de toekomst zal dus een meer evenwichtige verdeling tot stand komen tussen de federale en de lokale middelen ter financiering van de civiele veiligheid [...]. Dit betekent dat de meerkost die voortvloeit uit de hervorming, ten last[e] valt van de federale overheid » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2928/001, p. 24). Tijdens de commissiebesprekingen in de Kamer werd het tweede lid van die bepaling als volgt toegelicht door de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken : « In dat verband gaat de vice-eersteminister in op het overleg dat hij heeft gepleegd met de vertegenwoordigers van de steden en gemeenten. Die hebben altijd verklaard dat zij bereid waren hun huidige inbreng in de civiele veiligheid te handhaven, maar dat zij de eventuele meerkosten van de hervorming niet wilden dragen. Voorts moesten volgens hen de kosten voor de civiele veiligheid voortaan op grond van een 50/50-verdeelsleutel over de federale overheid en de gemeenten worden gespreid. De [vice-eersteminister] heeft dat verzoek steeds gesteund, en de regering heeft dan ook daartoe beslist. […] […] 18 Zulks houdt dus in dat de verbintenis ten aanzien van de steden en gemeenten in de wet is verankerd. Tegelijk beklemtoont de minister echter nogmaals dat de woorden ‘ het niet-verhogen van de middelen van de gemeenten ’ betrekking hebben op de algemene middelen per zone, en niet per gemeente » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2928/005, p. 12). Tijdens de commissiebesprekingen in de Senaat heeft de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken daaraan toegevoegd : « De federale bijdrage om tot een 50/50-verhouding te komen zal van de federale overheid een jarenlange inspanning vergen. […] Voor de berekening van de financiële inbreng van de federale overheid moet men niet alleen rekening houden met de dotaties maar [met] het geheel van de kosten die worden gemaakt inzake civiele bescherming » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-2403/3, p. 20). Artikel 67, eerste lid, 4°, van de wet van 15 mei 2007 is in werking getreden op 7 november 2013 (artikel 8 van het koninklijk besluit van 14 oktober 2013). Artikel 67, eerste lid, 1° tot 3° en 5°, en tweede en derde lid, van de wet van 15 mei 2007 is ten aanzien van de hulpverleningszones in werking getreden op 1 januari 2015 of, voor een aantal ervan, op een andere datum en ten laatste op 1 januari 2016 (artikel 11, § 1, van het koninklijk besluit van 4 augustus 2014). B.5.
- Artikel 68 van de wet van 15 mei 2007 heeft betrekking op de gemeentelijke dotaties die aan de hulpverleningszones worden gestort. B.5.
- Artikel 69 van de wet van 15 mei 2007 heeft betrekking op de federale dotaties die aan de hulpverleningszones worden gestort. In haar oorspronkelijke versie luidde die bepaling, die op 10 augustus 2007 in werking is getreden (artikel 224, eerste lid, 4°, van de wet van 15 mei 2007), als volgt : « De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere bepalingen voor de vaststelling en betaling van de federale dotatie, die ten minste in twaalfden uitbetaald wordt. De nadere bepalingen inzake de berekening van de federale dotaties worden vastgesteld, rekening houdende met de volgende criteria voor elke zone : 19 - de residentiële en actieve bevolking; - de oppervlakte; - het kadastraal inkomen; - het belastbaar inkomen; - de risico’s aanwezig op het grondgebied van de zone ». In het ontwerp dat aan de oorsprong van de wet van 15 mei 2007 ligt, werd die bepaling als volgt toegelicht : « Voor het bepalen en betalen van de federale dotatie aan elke zone, zal de Koning eveneens nadere bepalingen vastleggen. Daarvoor baseert Hij zich op dezelfde criteria als voor de gemeentelijke dotatie in acht genomen worden » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2928/001, p. 25). De oorspronkelijke versie van artikel 69 van de wet van 15 mei 2007 heeft aldus erin voorzien dat de federale dotatie zou worden berekend op basis van dezelfde vijf criteria als die waarin artikel 68 in zijn oorspronkelijke versie, voorzag voor het vaststellen van de gemeentelijke dotatie en die als volgt werden toegelicht : « De menselijke aanwezigheid (de residentiële bevolking van een gemeente en de personen die op het grondgebied zijn tewerkgesteld) vormt een goede indicatie voor het risico op de courante interventies zoals brandbestrijding, dringende geneeskundige hulp en andere dringende interventies voor het redden of bijstaan van mensen. Volgend criterium is de oppervlakte, die ook een indicatie geeft voor het risico en voor de kosten die vereist zullen zijn het gebied te dekken. De volgende criteria, kadastraal inkomen en belastbaar inkomen, hebben betrekking op de financiële draagkracht van de gemeente. De risico’s aanwezig op het grondgebied zullen ook een rol spelen in de verdeling van de kosten tussen de verschillende gemeenten van de zone » (ibid., pp. 24-25). De wet van 21 december 2013 heeft artikel 69 van de wet van 15 mei 2007 gewijzigd, teneinde de federale dotatie te doen uiteenvallen in een basisdotatie, berekend op grond van de vijf voormelde criteria, en in bijkomende dotaties, verdeeld op basis van specifieke 20 verdeelsleutels die zijn vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Sedert de inwerkingtreding van die wijziging op 10 januari 2014 bepaalt artikel 69 van de wet van 15 mei 2007 : « De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere bepalingen voor de vaststelling en betaling van de federale dotatie, die ten minste in twaalfden uitbetaald wordt. De federale dotatie bestaat uit een basisdotatie en bijkomende dotaties. De nadere bepalingen inzake de berekening van de federale basisdotatie worden vastgesteld, rekening houdende met de volgende criteria voor elke zone : - de residentiële en actieve bevolking; - de oppervlakte; - het kadastraal inkomen; - het belastbaar inkomen; - de risico's aanwezig op het grondgebied van de zone. De bijkomende federale dotaties worden verdeeld op basis van specifieke verdeelsleutels die door de Koning worden bepaald bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad ». Het amendement dat aan de oorsprong ligt van het instellen van bijkomende federale dotaties, werd als volgt verantwoord : « De vigerende criteria die worden gehanteerd om de federale basisdotatie toe te kennen, komen niet tegemoet aan de behoeften van de zones. Door bijkomende, op basis van verschillende criteria verdeelde dotaties in te stellen, wordt dat pijnpunt enigszins weggewerkt (statuut, zonecommandant enzovoort). De vigerende criteria staan een dergelijke billijke benadering in de weg. Die criteria maken het bijvoorbeeld onmogelijk de meerkosten te berekenen van het nieuwe administratieve statuut van het operationele personeel van de hulpverleningszones. De nieuwe benadering zal het mogelijk maken de dotaties per meerkostencategorie te berekenen. Bovenop de gehandhaafde basisenveloppe zullen de bijkomende dotaties worden berekend op basis van bij de tijd gebrachte elementen, meer bepaald de impact van het nieuwe geldelijke en administratieve statuut voor de zone, rekening houdend met het aantal politiemensen dat die zone telt, alsook met hun persoonlijke situatie, de exacte kostprijs van het mandaat van de zonecommandant (die pro memorie afhangt van de categorie van de zone) en de relevante parameters die het mogelijk maken te bepalen hoeveel middelen en personeel 21 vereist zijn om de veiligheid van en de dienstverlening aan de burger te verbeteren » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3113/003, pp. 2-3). Tijdens de commissiebesprekingen die voorafgingen aan het aannemen van de wet van 21 december 2013 werd uiteengezet : « De aanvullende dotatie heeft tot doel te beletten dat alle eieren in dezelfde mand liggen. Er zal worden gewerkt met objectieve criteria, die evenwel rekening houden met de bijzonderheden van iedere zone. Een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit zal de verdeelsleutels bepalen. De financiering zal aldus in overeenstemming worden gebracht met de werkelijke lasten van elke zone. Aldus wordt een evenwichtig en billijk mechanisme in stelling gebracht » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3113/004, p. 16). B.5.
- Artikel 71 van de wet van 15 mei 2007 bepaalt : « De besluiten bedoeld in de artikelen 67 tot 70 worden ten laatste binnen de zes maanden na hun inwerkingtreding bekrachtigd door een wet. Bij gebrek aan bekrachtiging binnen deze termijn, houden deze besluiten op uitwerking te hebben ». Die bepaling is in werking getreden op 30 oktober 2014 (artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit van 4 augustus 2014). B.5.
- Artikel 72 van de wet van 15 mei 2007 bepaalt : « Als, na uitputting van de middelen bedoeld in artikel 67, de zone niet over voldoende financiële middelen beschikt om de noodzakelijke uitgaven ter uitvoering van haar opdrachten te dekken, wordt het tekort gedragen door de gemeenten van de zone volgens de verdeelsleutel bedoeld in artikel 68 ». Die bepaling is ten aanzien van de hulpverleningszones in werking getreden op 1 januari 2015 of, voor een aantal ervan, op een andere datum en ten laatste op 1 januari 2016 (artikel 11, § 1, van het koninklijk besluit van 4 augustus 2014). B.
- Zoals in B.2 is vermeld, werden bij de wet van 3 augustus 2012, in afwachting van de daadwerkelijke oprichting van de hulpverleningszones, prezones opgericht die over rechtspersoonlijkheid beschikken. 22 Artikel 221/1, § 2, van de wet van 15 mei 2007, zoals ingevoegd bij de wet van 3 augustus 2012, heeft erin voorzien dat de prezones een federale dotatie kunnen genieten, mits meerdere voorwaarden worden nageleefd : « De prezone ontvangt de in artikel 67, eerste lid, 2°, bedoelde dotatie op voorwaarde dat aan de volgende verplichtingen is voldaan : 1° De raad wijst een voorzitter aan in zijn midden. In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, wordt in geval van staking van stemmen voorkeur gegeven aan de oudste kandidaat. 2° De raad wijst een coördinator aan onder de officieren van de brandweerdiensten van de prezone, die beschikken over een diploma van niveau A of, bij gebrek aan een kandidaat met dit diploma, onder het personeel van de brandweerdiensten van de prezone. Een overeenkomst tussen de prezone en de gemeente waarvan de officier afhangt, regelt de detachering. Andere personen kunnen geheel of gedeeltelijk gedetacheerd worden naar de prezone of ter beschikking gesteld worden van de prezone om de coördinator bij te staan in bijzondere opdrachten. Beroepsbrandweerlieden worden gedetacheerd via een overeenkomst tussen de prezone en de gemeente waarvan zij afhangen. De vrijwillige brandweerlieden worden door hun gemeente ter beschikking gesteld van de prezone. 3° De raad wijst een ontvanger of financieel beheerder van één van de gemeenten van de prezone aan, belast met de uitvoering van de inkomsten en uitgaven van de prezone. Een overeenkomst tussen de prezone en de gemeente waarvan hij afhangt, regelt de detachering. 4° De raad keurt op voorstel van de coördinator een operationeel organisatieplan van de zone goed, dat gebaseerd is op een risicoanalyse en dat tenminste de middelen inzake personeel en materieel noodzakelijk voor de goede operationele werking van de zone bepaalt. Deze middelen zijn met name : - de rekrutering van personeel; - de invoering van een zonaal preventiebeleid overeenkomstig het nationaal preventieplan inzake brand en intoxicatie in de woningen; - de realisatie van een zonaal opleidingsplan voor het personeel; - de realisatie van interventieplannen overeenkomstig de geldende reglementering; - de aankoop van persoonlijke beschermingsmiddelen om zich te conformeren met de federale minimale normen die bepaald zijn overeenkomstig artikel 119; - de realisatie en de vastlegging van de adequate vertrekmiddelen die specifiek zijn voor de zone overeenkomstig de minimale voorwaarden van de snelste adequate hulp en van de adequate middelen vastgelegd door de Koning krachtens artikel 6, tweede lid, en dat voor elk type interventie van de eenvormige lijst van standaardevenementen van de centra van het eenvormig oproepstelsel. 23 Als het zonaal plan in de invoering van een zonaal systeem voorziet, moet dit adequaat kunnen voldoen aan de aanbevelingen en alarmeringen van het centrum van het eenvormig oproepstelsel en om de operaties in het kader van interventies te beheren, overeenkomstig de criteria vastgelegd door de minister krachtens artikel 9 van het koninklijk besluit van 17 oktober 2011 betreffende de dispatching van de operationele diensten van de Civiele Veiligheid. 5° De voorzitter stelt de begroting van de prezone op en de raad keurt deze goed. Deze begroting omvat de personeels-, werkings- en investeringskosten, met inbegrip van de uitgaven inzake de rekrutering van bijkomende vrijwillige of beroepsbrandweerlieden ten opzichte van de situatie op het moment van de inwerkingtreding van deze bepaling, die nodig is om zich te conformeren met de menselijke middelen voorzien in het in punt 4° bedoelde zonaal operationeel organisatieplan ». Artikel 221/1, §
§ 5
, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007 heeft de artikelen 67, eerste lid, 2°, en 69 van die wet, die betrekking hebben op de federale dotaties, van toepassing verklaard op de prezones. In zoverre zij van toepassing zijn op de prezones, zijn die bepalingen in werking getreden op 5 oktober 2012 (artikel 12, 2°, van het koninklijk besluit van 20 september 2012). De parlementaire voorbereiding van de wet van 3 augustus 2012 vermeldt : « Het huidige ontwerp heeft als voornaamste doel de toepassing van de snelste adequate hulp op organisatorisch vlak en de verhoging van de veiligheid van de brandweerlieden door de uitvoering van de bepalingen van de wet van 2007 om een overgang naar de hulpverleningszones toe te laten. Daartoe zullen de prezones rechtspersoonlijkheid krijgen en zullen ze een blijvende federale dotatie krijgen die hen toelaat : 1. Snel de nodige beslissingen te nemen in de zoneraad, bestaande uit de burgemeesters van de zone, om een zonale visie en een zonaal brandbestrijdingsbeleid aan te nemen, dat tot uiting komt in het operationeel organisatieplan van de zone en in de doordachte toewijzing van de kredieten van de federale dotatie. Dit zonaal plan wordt opgesteld door de coördinator, bijgestaan door de technische commissie, en wordt goedgekeurd door de zoneraad. Dit zonaal plan moet kort na de inwerkingtreding van deze wet aangenomen worden. Het plan moet de middelen inzake personeel en materieel, noodzakelijk voor de goede operationele werking van de toekomstige zone bevatten. De evaluatie van de noodzakelijke middelen is onder meer gebaseerd op een risicoanalyse en de federale minimumnormen. 2. Een permanente coördinatiestructuur aan te nemen die rekenschap aflegt aan de zoneraad : de coördinator is een in de prezone gedetacheerd brandweerlid. De coördinator is bij voorkeur een officier met een diploma van niveau A. Als er echter geen kandidaat met dit profiel is, kan de raad de coördinator kiezen onder het voltallige personeel van de brandweerdiensten van de prezone. 24 De coördinator zal het proces faciliteren en zal in nauw overleg werken met de technische commissie bestaande uit de dienstchefs van de zone. Andere personen kunnen geheel of gedeeltelijk gedetacheerd worden naar de prezone of ter beschikking gesteld van de prezone om de coördinator bij te staan in bijzondere opdrachten. Beroepsbrandweerlieden worden gedetacheerd via een overeenkomst tussen de prezone en de gemeente waarvan zij afhangen. De vrijwillige brandweerlieden worden door hun gemeente ter beschikking gesteld van de prezone. Een ontvanger of financieel beheerder van één van de gemeenten van de prezone wordt deeltijds gedetacheerd om de federale dotatie te beheren. Hij zal zijn opdracht uitvoeren onder het gezag van de prezoneraad. 3. Het nodige beroeps- en vrijwillige operationele personeel aan te werven om te voldoen aan de middelen inzake personeel zoals voorzien in het operationeel organisatieplan van de zone. a. Het personeel wordt aangeworven door de gemeente(
- n)die aangeduid is (zijn) door de prezoneraad. De aanwervingsmodaliteiten en -voorwaarden zijn diegene van de aanwervende gemeente en het personeel blijft onderworpen aan de statutaire regels van deze gemeente. Dit personeel zal toegewezen worden aan de brandweerdiensten waar een personeelstekort vastgesteld werd in het kader van het operationeel organisatieplan van de zone en zal door de ene gemeente naar de andere gemeente [gedetacheerd] worden of door de ene gemeente ter beschikking gesteld van een andere gemeente. De detachering betreft de beroepsbrandweerlieden. De vrijwillige brandweerlieden worden door de ene gemeente ter beschikking gesteld van de andere gemeente : in het verlengde van de bestaande relatie tussen de vrijwillige brandweerman en zijn gemeente kunnen de vrijwillige brandweerlieden een aantal uren presteren voor de prezone. Deze uren zullen door de gemeente aan het vrijwillige brandweerlid betaald worden als prestaties voor de brandweerdienst en zullen terugbetaald worden aan de gemeente door de prezone; b. De lasten worden aan de betrokken gemeente(
- n)elke maand terugbetaald door de prezone; c. De coördinator kan de door de raad goedgekeurde opdrachten coördineren in de prezone : permanente opleiding, training, preventie, enz. 4. Over te gaan tot de aankoop van het nodige materieel en de persoonlijke beschermingsmiddelen om te beantwoorden aan de noden van de prezone door geleidelijk aan de federale normen toe te passen : de prezone zal aankopen en zal eigenaar zijn van het materieel en zal over de toewijzing ervan beslissen. De federale subsidies inzake het brandweermaterieel blijven behouden voor de gemeenten. 5. De geleidelijke toepassing plannen van de minimale normen inzake de adequate interventiemiddelen en de minimale persoonlijke beschermingsmiddelen van de brandweerlieden. Naar aanleiding van de vraag van de Raad van State om het begrip adequate 25 middelen specifiek voor de zone te verduidelijken, werd de verwijzing naar de minimale normen van de snelste adequate hulp, te bepalen door de Koning, ingevoegd in de tekst. 6. Een zonaal preventiebeleid te verzekeren door zich te baseren op een netwerk van preventiedeskundigen die de dossiers van de volledige zone kunnen behandelen. De FOD Binnenlandse Zaken zal zijn steun aan de prezones vergroten op het vlak van de gegroepeerde aankopen, de opleiding, het kenniscentrum en de informaticaondersteuning. Het financieringssysteem van de brandweerdiensten zoals het georganiseerd wordt door artikel 10 van de wet van 31 december 1963, blijft behouden. De beraadslagingen van de prezoneraad worden onderworpen aan het toezicht van de provinciegouverneur en de minister van Binnenlandse Zaken » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2216/001, pp. 3-6). B.7.1. Op grond van de artikelen 69 en 221/1, § 3, van de wet van 15 mei 2007 heeft de Koning het koninklijk besluit van 20 september 2012 genomen, dat op 5 oktober 2012 in werking is getreden. De artikelen 2 tot 4 van dat koninklijk besluit hebben erin voorzien dat een federale dotatie zou worden toegekend aan de prezones binnen de grenzen van de beschikbare kredieten en zij hebben de berekeningswijze vastgesteld van het bedrag van de maximale jaarlijkse federale dotatie van elke prezone, uitgedrukt in de vorm van een percentage van de beschikbare federale middelen. B.7.2. Op grond van artikel 69, derde lid, van de wet van 15 mei 2007, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, en artikel 221/1, § 3, van de wet van 15 mei 2007 heeft de Koning het koninklijk besluit van 4 april 2014 « inzake vaststelling, berekening en betaling van de federale basisdotatie voor de hulpverleningszones » (hierna : het koninklijk besluit van 4 april 2014) genomen. De artikelen 2 tot 4 van dat koninklijk besluit voorzien erin dat een federale basisdotatie wordt toegekend aan de hulpverleningszones binnen de grenzen van de beschikbare kredieten en stellen de berekeningswijze vast van het bedrag van de maximale jaarlijkse federale basisdotatie van elke hulpverleningszone, uitgedrukt in de vorm van een percentage van de beschikbare federale middelen. Krachtens artikel 7 ervan heeft dat koninklijk besluit uitwerking gekregen op 1 januari 2014. Het koninklijk besluit van 4 april 2014 werd bekrachtigd bij artikel 209, 1°, van de programmawet van 19 december 2014. 26 B.7.3. Op grond van artikel 69, vierde lid, van de wet van 15 mei 2007, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, en artikel 221/1, § 3, van de wet van 15 mei 2007 heeft de Koning het koninklijk besluit van 19 april 2014 « tot bepaling van de verdeelsleutel van de bijkomende federale dotatie aan de prezones en aan de hulpverleningszones » genomen. Op grond van artikel 2 van dat koninklijk besluit, dat uitwerking heeft gekregen op 1 januari 2014, kon een bijkomende federale dotatie worden toegekend aan de prezones. Daarenboven voorzien de artikelen 3 tot 8 van dat koninklijk besluit, die in werking zijn getreden op 1 januari 2015, erin dat een bijkomende federale dotatie wordt toegekend aan de hulpverleningszones binnen de grenzen van de beschikbare kredieten, en dat zij wordt berekend door de bedragen betreffende respectievelijk de eindeloopbaanmaatregelen (artikel 5), het mandaat van de zonecommandant (artikel 6), de harmonisatie van het statuut (artikel 7) en de operationele werking van de zone (artikel 8) bij elkaar op te tellen. Dat koninklijk besluit werd bekrachtigd bij artikel 209, 2°, van de programmawet van 19 december 2014. B.8.1. Uit artikel 17, § 1, 3° en 4°, van de wet van 15 mei 2007 vloeit voort dat de artikelen 67, 68, 69 en 72 van de wet van 15 mei 2007 niet van toepassing zijn op de DBDMH. Evenzo vloeit uit artikel 221/1 van de wet van 15 mei 2007 voort dat de in die bepaling bedoelde federale dotatie enkel aan de prezones kan worden toegekend, met uitsluiting van de DBDMH. Daaruit volgt dat de in B.7.1 tot B.7.3 vermelde koninklijke besluiten die op grond van die bepalingen zijn genomen, niet van toepassing zijn op de DBDMH. Aldus heeft de DBDMH geen recht op de federale basis- en bijkomende dotaties die aan de hulpverleningszones en aan de prezones worden toegekend. Artikel 70 van de wet van 15 mei 2007 bepaalt de specifieke regeling van federale financiering die van toepassing is op de DBDMH. Het bepaalt : « De Koning kan, binnen de grenzen van de begrotingswetten en onder de door Hem te bepalen voorwaarden, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, tussenkomen in de financiering van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad via de toekenning van subsidies of een specifieke dotatie ». In de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 mei 2007 werd die bepaling als volgt toegelicht : 27 « Dit artikel geeft de Koning de mogelijkheid om in de financiering van het administratieve arrondissement van Brussel-Hoofdstad deel te nemen. Rekening houdend met het bijzondere statuut van de brandweerdienst van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is er geen federale dotatie voorzien. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beschikt over eigen financieringsmiddelen voor [zijn] brandweerdienst » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2928/001, p. 25). Op grond van die bepaling heeft de Koning het koninklijk besluit van 19 april 2014 « tot bepaling van de voorwaarden van een specifieke dotatie aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » genomen. Dat koninklijk besluit bepaalt : « Artikel 1. Binnen de grenzen van de beschikbare kredieten, wordt een specifieke dotatie toegekend aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Art. 2. Het bedrag van de maximale specifieke dotatie wordt elk jaar meegedeeld aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest na de inwerkingtreding van de wet houdende de staatsbegroting voor het desbetreffende jaar. Art. 3. Zodra de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de in artikel 2 bedoelde mededeling ontvangt, stelt hij het investeringsprogramma op, dat op zijn minst de manier waarop de specifieke dotatie gebruikt zal worden bevat, om het hem mogelijk te maken om de opdrachten bedoeld door de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid te vervullen. Het investeringsprogramma wordt overgemaakt aan de minister van Binnenlandse Zaken, uiterlijk binnen de drie maanden na de mededeling bedoeld in artikel 2. Art. 4. De Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest maakt, uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarvoor de dotatie werd toegekend, een verslag over aan de minister van Binnenlandse Zaken, waarin de vooruitgang vermeld wordt van de maatregelen die voorzien werden door het in artikel 3 bedoelde investeringsprogramma. Art. 5. Onverminderd artikel 7, van bij de ontvangst van het investeringsprogramma voor het jaar X en van het voortgangsrapport betreffende het investeringsprogramma van het jaar X-1, bepaalt de minister van Binnenlandse Zaken het bedrag van de specifieke dotatie. Art. 6. De betaling van de specifieke dotatie aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gebeurt per trimester. Art. 7. In de volgende gevallen, kan de minister of diens afgevaardigde de specifieke dotatie verminderen of integraal of gedeeltelijk terugvorderen : 28 1° het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad gebruikt de specifieke dotatie niet voor de financiering van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; 2° de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest [voert] het in artikel 3 bedoelde investeringsprogramma gedeeltelijk of volledig niet [uit]. Art. 8. In afwijking van artikel 5, bepaalt de minister van Binnenlandse Zaken het bedrag van de specifieke dotatie betreffende het begrotingsjaar 2014 wanneer het in artikel 3 bedoelde investeringsprogramma wordt overgemaakt voor 31 augustus 2014. Art. 9. Treden in werking op 1 januari 2014 : - Dit besluit; - Artikel 70 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid. Art. 10. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit ». Dat koninklijk besluit werd bekrachtigd bij artikel 209, 3°, van de programmawet van 19 december 2014. B.8.2. Wat de financiële middelen van de DBDMH betreft, dient eveneens rekening te worden gehouden met, enerzijds, artikel 47, § 4, van de bijzondere wet van 12 januari 1989, op grond waarvan het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement de middelen kan aanwenden die aan dat Parlement worden toegekend voor de aangelegenheden waarvoor de Brusselse agglomeratie bevoegd is, en, anderzijds, artikel 10 van de ordonnantie van 19 juli 1990, waarin de middelen worden opgesomd waarover de DBDMH beschikt. In de versie ervan die dateert van vóór de wijziging bij de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 9 juli 2015 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp » en die in werking is getreden op 1 maart 2018, bepaalt artikel 10 van de ordonnantie van 19 juli 1990 : « De Brandweerdienst heeft als middelen : 1. de op de begroting van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en op de begroting van de Agglomeratie uitgetrokken kredieten; 29 2. de in zijn voordeel gedane schenkingen en legaten; 3. de ontvangsten die verband houden met zijn activiteit en de vergoedingen voor diensten; 4. de door de Staat of andere openbare besturen toegekende middelen; 5. de subsidies en toevallige inkomsten; 6. de leningen aangegaan tot uitvoering van een door de Executieve [goedgekeurd] investeringsprogramma[;] 7. [de] niet aangewende begrotingsboni uit de vorige jaren die de Brandweerdienst mag overdragen krachtens de begrotingsordonnantie ». B.9. Artikel 117 van de wet van 15 mei 2007, zoals laatst gewijzigd bij de wet van 9 november 2015 « houdende diverse bepalingen Binnenlandse Zaken », bepaalt : « § 1. De zone verwerft het materieel en de uitrusting die nodig zijn voor de goede uitvoering van haar opdrachten. De zone staat in voor het beheer en onderhoud ervan. § 2. De zones, de prezones, de gemeenten, de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp en de opleidingscentra voor de civiele veiligheid kunnen voor de organisatie en de gunning van overheidsopdrachten en raamovereenkomsten voor de verwerving van het materieel en de uitrusting die nodig zijn voor de goede uitvoering van hun opdrachten, beroep doen op de opdrachtcentrale opgericht bij de Algemene Directie Civiele Veiligheid bij de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken. § 3. Subsidies kunnen aan de prezones en de hulpverleningszones toegekend worden, binnen de grenzen van de begrotingswetten, voor de aankoop van materieel of het gebruik van een licentie noodzakelijk voor het uitoefenen van hun opdrachten zoals bedoeld in artikel 11. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels volgens dewelke deze subsidies toegekend worden. Deze voorwaarden moeten toelaten om te verifiëren dat het gebruik van de subsidies overeenstemt met de doelstelling bedoeld in het eerste lid. Het bedrag van de subsidie wordt door de Koning vastgesteld, voor elke prezone en zone, rekening houdend met de criteria bevolking en oppervlakte ». Uit artikel 17, § 2, 5./1., van de wet van 15 mei 2007 vloeit voort dat de uitdrukking « zone » in artikel 117, § 1, van dezelfde wet moet worden begrepen als een verwijzing naar de DBDMH. In de interpretatie van het verwijzende rechtscollege kunnen de in artikel 117, § 3, van de wet van 15 mei 2007 bedoelde subsidies worden toegekend aan de hulpverleningszones en aan de prezones, maar niet aan de DBDMH. 30 Ten gronde Wat betreft de eerste twee prejudiciële vragen B.10. In het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil staan, enerzijds, de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest tegenover, anderzijds, de Belgische Staat, waarbij de eerstgenoemden in essentie doen gelden dat de regels met betrekking tot de federale financiering van de DBDMH discriminerend zijn en zij met name de veroordeling vorderen van de Belgische Staat tot het betalen van diverse bedragen met betrekking tot de federale dotatie voor de jaren 2013 tot 2017. Het is in het kader van die vordering dat de twee eerste prejudiciële vragen passen. Het Hof beperkt zijn onderzoek dus tot de in de twee eerste prejudiciële vragen bedoelde bepalingen die betrekking hebben op de federale financiering, namelijk de artikelen 17, § 1, 3° en 4°, 67, eerste lid, 2°, en tweede lid, 69 en 70 van de wet van 15 mei 2007 en het koninklijk besluit van 19 april 2014 « tot bepaling van de voorwaarden van een specifieke dotatie aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », bekrachtigd bij artikel 209, 3°, van de programmawet van 19 december 2014. B.11.1. Uit de bewoordingen van de eerste twee prejudiciële vragen en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over drie verschillen in behandeling wat federale financiering betreft. B.11.2. Ten eerste wordt het Hof verzocht om, voor de desbetreffende in het geding zijnde jaren, de situatie van de hulpverleningszones te vergelijken met die van de DBDMH. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre zij in een specifieke regeling van federale financiering voor de DBDMH voorzien en in zoverre zij laatstgenoemde uitsluiten van het voordeel van de federale basis- en bijkomende dotaties die aan de hulpverleningszones worden toegekend. 31 B.11.3. Ten tweede wordt aan het Hof een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre zij « het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de DBDMH » uitsluiten van de waarborg die artikel 67, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007 biedt aan de « gemeenten, agglomeraties van gemeenten of intercommunales die zijn gelegen in het Vlaamse en Waalse Gewest ». Artikel 67, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007 waarborgt de gemeenten van een hulpverleningszone dat zij samen in reële termen niet meer zullen moeten bijdragen dan hun actuele bijdrage, zolang de verhouding tussen de middelen die voor de toepassing van de wet van 15 mei 2007 worden voorzien door de gemeenten en federale overheid, niet gelijk is aan één. Aangezien die bepaling van toepassing is op de verdeling van de financiering van een hulpverleningszone tussen de federale overheid en de gemeenten van de hulpverleningszone en aangezien zij niet van toepassing is op de verdeling van de financiering van de DBDMH tussen de federale overheid en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, dient dat tweede aspect van de eerste twee prejudiciële vragen in die zin te worden begrepen dat het Hof wordt verzocht om, voor de desbetreffende in het geding zijnde jaren, de situatie van de gemeenten van een hulpverleningszone, die de in artikel 67, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007 bedoelde waarborg genieten, te vergelijken met die van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, dat die waarborg niet geniet. B.11.4. Ten derde wordt het Hof verzocht om, voor de desbetreffende in het geding zijnde jaren, de situatie van de prezones te vergelijken met die van de DBDMH. Aan het Hof wordt gevraagd of de artikelen 67, eerste lid, 2°, en 69 van de wet van 15 mei 2007, in zoverre zij bij artikel 221/1, §
§ 5
, tweede lid, van dezelfde wet van toepassing worden verklaard op de prezones, bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre de federale dotaties die zij aan de prezones toekennen, niet worden toegekend aan de DBDMH. B.
- Het Hof onderzoekt allereerst het in B.11.2 vermelde verschil in behandeling. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. 32 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- De DBDMH en de hulpverleningszones zijn vergelijkbaar ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen, aangezien de in B.4.1 tot B.4.5 vermelde bepalingen van de wet van 15 mei 2007 hen ermee belasten om op bovenlokaal niveau dezelfde opdrachten inzake civiele veiligheid uit te oefenen. B.
- Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk de entiteit die op bovenlokaal niveau bevoegd is inzake civiele veiligheid en waaraan de federale financiering wordt toegekend. B.16.
- Het is evenwel niet redelijk verantwoord dat de door of krachtens artikel 69 van de wet van 15 mei 2007 vastgestelde criteria voor de verdeling van de federale financiering enkel van toepassing zijn op de hulpverleningszones en niet op alle entiteiten waaraan de in B.4.1 tot B.4.5 vermelde bepalingen de uitoefening van dezelfde opdrachten op bovenlokaal niveau inzake civiele veiligheid opleggen, namelijk de hulpverleningszones en de DBDMH. Wat de federale basisdotatie betreft, blijkt uit de in B.5.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding dat, enerzijds, de criteria met betrekking tot de residentiële en actieve bevolking, de oppervlakte en de risico’s aanwezig op het grondgebied een indicatie geven van de interventierisico’s en, bijgevolg, van de vereiste kosten, en, anderzijds, de criteria met betrekking tot het kadastraal inkomen en het belastbaar inkomen een indicatie geven van de andere beschikbare financiële middelen. Wat de bijkomende federale dotaties betreft, blijkt uit de in B.5.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding dat zij ertoe strekken het mogelijk te maken « de dotaties per meerkostencategorie te berekenen » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3113/003, p. 3) en dat zij worden vastgesteld « met objectieve criteria, die evenwel rekening houden met de bijzonderheden van iedere zone » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3113/004, p. 16). 33 De in het geding zijnde bepalingen, die de DBDMH uitsluiten van het toepassingsgebied van artikel 69 van de wet van 15 mei 2007 en die dienst onderwerpen aan een specifieke regeling van federale financiering, leiden ertoe dat geen enkel vooraf bepaald verdelingscriterium het aandeel vaststelt van de DBDMH in het totaalbedrag van de federale dotaties die worden toegekend aan de entiteiten die op bovenlokaal niveau bevoegd zijn inzake civiele veiligheid. Door de DBDMH te isoleren in een onderscheiden begrotingsenveloppe en door erin te voorzien dat de door of krachtens artikel 69 van de wet van 15 mei 2007 bedoelde criteria enkel van toepassing zijn om tussen de hulpverleningszones de begrotingsenveloppe te verdelen die hun wordt toegewezen, kunnen de in het geding zijnde bepalingen ertoe leiden dat de DBDMH financieel wordt benadeeld, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing. B.16.
- In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, en zonder dat het noodzakelijk is te onderzoeken of dat het in het geding zijnde verschil in behandeling zou kunnen verantwoorden, dient te worden vastgesteld dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 mei 2007 niet blijkt dat de DBDMH en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest hebben gevraagd om de DBDMH uit te sluiten van het voordeel van de federale basis- en bijkomende dotaties. B.16.
- Het feit dat de bepalingen van de wet van 15 mei 2007 met betrekking tot het specifieke toezicht en de algemene inspectie van de operationele diensten van de civiele veiligheid, in de versie ervan die van toepassing is op de jaren waarop het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil betrekking heeft, niet van toepassing zijn op de DBDMH, maakt het evenmin mogelijk het in het geding zijnde verschil in behandeling redelijkerwijs te verantwoorden. Het volstaat immers vast te stellen dat een controlemechanisme kan worden aangewend door de federale overheid wanneer zij een dotatie toekent aan de DBDMH, zoals trouwens blijkt uit het mechanisme dat is bedoeld in de artikelen 3 tot 7 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 « tot bepaling van de voorwaarden van een specifieke dotatie aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest », bekrachtigd bij artikel 209, 3°, van de programmawet van 19 december
- B.16.
- Het feit dat de hulpverleningszones, naast de federale financiering, onder meer worden gefinancierd met gemeentelijke dotaties, terwijl de DBDMH met name wordt 34 gefinancierd door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, maakt het evenmin mogelijk het in het geding zijnde verschil in behandeling redelijkerwijs te verantwoorden. Wanneer het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest deelneemt aan de financiering van de DBDMH met toepassing van artikel 47, § 4, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 en artikel 10 van de ordonnantie van 19 juli 1990, neemt het deel aan de financiering van de federale aangelegenheden van de brandbestrijding en van de dringende geneeskundige hulpverlening die, op gedecentraliseerd niveau, tot de bevoegdheid van de Brusselse agglomeratie behoren. De structurele financiering van die aangelegenheden op het grondgebied van de Brusselse agglomeratie maakt niet het voorwerp uit van de bepalingen waarop de Ministerraad de aandacht vestigt, namelijk de bijzondere wet van 19 juli 2012 « houdende een correcte financiering van de Brusselse Instellingen », de wet van 19 juli 2012 « houdende wijziging van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, en van de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen », de bijzondere wet van 6 januari 2014 « tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden », artikel 43 van de bijzondere wet van 12 januari 1989, het samenwerkingsakkoord van 15 september 1993 « tussen de Federale Staat en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot bepaalde initiatieven bestemd om de internationale rol en de functie van hoofdstad van Brussel te bevorderen » en de bijakten bij dat samenwerkingsakkoord. Voor het overige staat niets eraan in de weg dat de gemeenten, voor het storten van de gemeentelijke dotaties aan de hulpverleningszones, de middelen aanwenden die hun als algemene financiering van de gemeenten worden toegewezen door het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest of de Duitstalige Gemeenschap. B.
- Uit het voorgaande vloeit voort dat het in B.11.2 vermelde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. De artikelen 17, § 1, 3°, 67, eerste lid, 2°, 69 en 70 van de wet van 15 mei 2007 en het koninklijk besluit van 19 april 2014 « tot bepaling van de voorwaarden van een specifieke 35 dotatie aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest », bekrachtigd bij artikel 209, 3°, van de programmawet van 19 december 2014, zijn niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voorzien in een specifieke regeling van federale financiering voor de DBDMH en in zoverre zij die laatste uitsluiten van het voordeel van de federale basis- en bijkomende dotaties die aan de hulpverleningszones worden toegekend. B.
- Om de in B.16.1 tot B.16.4 vermelde redenen dient eveneens te worden besloten dat het in B.11.3 vermelde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. De artikelen 17, § 1, 3°, en 67, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007 zijn niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de in artikel 67, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007 bedoelde waarborg niet van toepassing is op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. B.
- Het Hof onderzoekt thans het verschil in behandeling tussen de prezones en de DBDMH dat in B.11.4 is vermeld. B.
- Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk de in het geding zijnde entiteit. B.
- Zoals blijkt uit de in B.2 en B.6 aangehaalde parlementaire voorbereiding, werden de prezones opgericht teneinde de bij de wet van 15 mei 2007 doorgevoerde hervorming van de civiele veiligheid geleidelijk uit te voeren en waren zij bedoeld om tijdelijk te bestaan, tot de daadwerkelijke oprichting van de nieuwe bovenlokale entiteiten die inzake civiele veiligheid bevoegd zijn, namelijk de hulpverleningszones. De federale financiering van de prezones paste in dat kader. Aangezien de DBDMH reeds functioneerde als een bovenlokale entiteit die bevoegd is inzake brandbestrijding en dringende geneeskundige hulpverlening, is het redelijk verantwoord dat hij de federale dotaties niet heeft genoten die zijn toegekend aan de prezones als voorbereidende instellingen. 36 B.
- De artikelen 67, eerste lid, 2°, en 69 van de wet van 15 mei 2007, in zoverre zij bij artikel 221/1, §
§ 5
, tweede lid, van dezelfde wet van toepassing worden verklaard op de prezones, zijn niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de federale dotaties die zij aan de prezones toekennen, niet worden toegekend aan de DBDMH. Wat betreft de derde prejudiciële vraag B.
- De derde prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 117, § 3, van de wet van 15 mei 2007 met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in de interpretatie volgens welke de in die bepaling bedoelde subsidies kunnen worden toegekend aan de hulpverleningszones en aan de prezones, maar niet aan de DBDMH. B.
- Het Hof onderzoekt eerst het verschil in behandeling tussen de hulpverleningszones en de DBDMH. B.
- Aangezien artikel 117, § 1, van de wet van 15 mei 2007 aan de hulpverleningszones en aan de DBDMH dezelfde verplichting oplegt in termen van aankoop, beheer en onderhoud van het materieel en van de uitrusting die nodig zijn voor de uitvoering van hun opdrachten en aangezien de in artikel 117, § 3, bedoelde subsidies betrekking hebben op de aankoop van materieel of het gebruik van een licentie, noodzakelijk voor het uitoefenen van de in artikel 11 van de wet van 15 mei 2007 bedoelde opdrachten, die zowel aan de hulpverleningszones als aan de DBDMH worden opgelegd, dient, om de in B.16.1 tot B.16.4 vermelde redenen, te worden besloten dat het verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. Artikel 117, § 3, van de wet van 15 mei 2007, in die zin geïnterpreteerd dat het niet toestaat om de erin beoogde subsidies, toe te kennen aan de DBDMH, is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- Aangezien de vergelijking tussen de prezones en de DBDMH geen aanleiding kan geven tot een ruimere vaststelling van ongrondwettigheid, dient zij niet te worden onderzocht. 37 Wat betreft de vierde prejudiciële vraag B.
- De vierde prejudiciële vraag heeft betrekking op de overeenstemming van de in het geding zijnde bepalingen met het beginsel van de federale loyauteit, vastgelegd in artikel 143, § 1, van de Grondwet. B.
- Aangezien de vierde prejudiciële vraag geen aanleiding kan geven tot een ruimere vaststelling van ongrondwettigheid dan die welke in B.17, B.18 en B.25 zijn vermeld, dient zij niet te worden onderzocht. 38 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De artikelen 17, § 1, 3°, 67, eerste lid, 2°, 69 en 70 van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid » en het koninklijk besluit van 19 april 2014 « tot bepaling van de voorwaarden van een specifieke dotatie aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », bekrachtigd bij artikel 209, 3°, van de programmawet van 19 december 2014, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voorzien in een specifieke regeling van federale financiering voor de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en in zoverre zij die laatste uitsluiten van het voordeel van de federale basis- en bijkomende dotaties die aan de hulpverleningszones worden toegekend. - De artikelen 17, § 1, 3°, en 67, tweede lid, van de voormelde wet van 15 mei 2007 schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de in artikel 67, tweede lid, van die wet bedoelde waarborg niet van toepassing is op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. - De artikelen 67, eerste lid, 2°, en 69 van de voormelde wet van 15 mei 2007, in zoverre zij bij artikel 221/1, §
§ 5
, tweede lid, van dezelfde wet van toepassing worden verklaard op de prezones, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre de federale dotaties die zij aan de prezones toekennen, niet worden toegekend aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. - Artikel 117, § 3, van de voormelde wet van 15 mei 2007, in die zin geïnterpreteerd dat het niet toestaat om de erin beoogde subsidies, toe te kennen aan de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - De vierde prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 39 Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 april 2022. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.054 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div