← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.060

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.060 Arrest- Rolnummer: 60/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 403 - laatst gezien 2026-06-17 20:52 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schorsing (in art. 34bis, 1°, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 27 april 1995, de woorden « die op basis van een tot de administratie gerichte aanvraag op uiterlijk 15 januari 2021 is afgegeven ») Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vordering tot schorsing van artikel 34bis van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 27 april 1995 « betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur », zoals ingevoegd bij artikel 2 van de ordonnantie van 10 december 2021 « tot invoeging van een afwijkende overgangsregeling in de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur », ingesteld door Taoufik Azouz en anderen. Vervoer - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Taxidiensten en diensten van verhuur van wagens met chauffeur - Gebruik van een elektronisch reservatieplatform - Afwijkende overgangsregeling - Voorwaarden - Scharnierdatum Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 60/2022 van 21 april 2022 Rolnummer : 7742 In zake : de vordering tot schorsing van artikel 34bis van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 27 april 1995 « betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur », zoals ingevoegd bij artikel 2 van de ordonnantie van 10 december 2021 « tot invoeging van een afwijkende overgangsregeling in de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur », ingesteld door Taoufik Azouz en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, S. de Bethune en E. Bribosia, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 januari 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 januari 2022, is een vordering tot schorsing van artikel 34bis van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 27 april 1995 « betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur », zoals ingevoegd bij artikel 2 van de ordonnantie van 10 december 2021 « tot invoeging van een afwijkende overgangsregeling in de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 december 2021), ingesteld door Taoufik Azouz, de bv « El Mahi Cars », de bv « S BROTHERS COMPANY », Mohamed Jerdioui, de bv « AHNIFI & CO », Tomasz Klimczyk, Fraterne Kabiligi, de bv « YASTRADE TRANSPORT », Nourddine Sayer, de bv « ILY GROUP », de bvba « QAOUD GROUP », de bv « AIT & B », Jean Dzuko, de bv « TNH SERVICES », Adam El Hammouchi, de c.v. « N.S.B SERVICES », Samir Boukamza, de bv « SAMSERVICE », Kodjo Atsrika, de bv « SB LIMO », de bvba « NBB-CONSULTING », de bv « RMA PROJECT », de bvba « HMD TRANSPORT », de gcv « TRANSPORT 2 FALCON », de bv « BOUN’S & CO », de bvba « NMS TRANSPORT », de bvba « K2 POINT », de bv « MEDIA CONNECT SERVICES », de bvba « LYNATRANSPORT », de bvba « LUXOR LIMO », de bv « DRIVMIIZ », Abdel-Karim Daimoussi, de bvba « Amir Company », de bv « MY FACILE CLEAN », de bv « AMIRA TRANSPORT », de bvba « KARIZ », de bvba « MOBAK » en de bv « CJI TRANS », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Dony, advocaat bij de balie van Waals-Brabant. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde ordonnantiebepaling. Bij beschikking van 2 februari 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Detienne en R. Leysen te hebben gehoord : - de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 23 februari 2022; - de verzoekende partijen uitgenodigd om, uiterlijk voor 17 februari 2022, het bewijs te leveren van wat zij in punt 26 van hun verzoekschrift beweren, namelijk dat verscheidenen onder hen wel degelijk een vergunning voor het exploiteren van diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur hebben verkregen nadat een aanvraag werd ingediend op 15 januari 2021, en binnen dezelfde termijn een afschrift van dat document via mail te bezorgen aan de griffie van het Hof (griffie@const-court.be); - de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden uitgenodigd om hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie uiterlijk op 17 februari 2022 in te dienen en een afschrift van die schriftelijke opmerkingen, en van de daarbij gevoegde stukken, binnen dezelfde termijn over te zenden aan de verzoekende partijen, alsook, via mail, aan de griffie van het Hof (griffie@const-court.be). Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door : - de verzoekende partijen; - de voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. De Muynck, advocaat bij de balie te Brussel. Op de openbare terechtzitting van 23 februari 2022 : - zijn verschenen : . Mr. C. Dony, voor de verzoekende partijen; . Mr. F. De Muynck, voor de voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering; - hebben de rechters-verslaggevers T. Detienne en R. Leysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 3 - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.

  1. De verzoekende partijen zijn hetzij zelfstandige chauffeurs (tien van hen), hetzij ondernemingen (achtentwintig van hen), en hebben allemaal een vergunningsaanvraag ingediend voor de exploitatie van een dienst voor het verhuren van voertuigen met chauffeur (hierna : VVC-dienst), die gebruikmaakt van elektronische reservatieplatforms. Doordat zij hun vergunningsaanvraag na 15 januari 2021 hebben ingediend, kan geen van hen de afwijkende regeling genieten die is ingevoerd bij de ordonnantie van 10 december 2021 « tot invoeging van een afwijkende overgangsregeling in de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur » (hierna : de ordonnantie van 10 december 2021), zodat zij in de uitoefening van hun beroepsactiviteit worden geraakt. Zij zijn dan ook van mening dat zij doen blijken van een persoonlijk belang om in rechte te treden. A.
  2. Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering (hierna : de tegenpartijen) betwisten in hoofdorde het belang van alle verzoekende partijen om in rechte te treden. Enerzijds kan de ordonnantie van 10 december 2021 geen betrekking hebben op de verzoekende partijen die rechtspersonen zijn en meer bepaald in zoverre zij het nieuwe artikel 34bis invoegt in de ordonnantie van 27 april 1995 « betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur » (hierna : de ordonnantie van 27 april 1995), omdat zij uitsluitend de chauffeurs beoogt. Anderzijds toont geen van de verzoekende partijen-natuurlijke personen, in haar dossier, haar hoedanigheid van chauffeur aan. Wat betreft de verzoekende partijen die hun vergunningsaanvraag vóór 15 januari 2021 hebben ingediend, is het belang onbestaande omdat zij in principe aan de voorwaarden voldoen om de in het geding zijnde afwijkende overgangsregeling te kunnen genieten. Dat is de situatie voor de tweede, de zesde, de achtentwintigste en de zesendertigste verzoekende partij, maar ook voor de twaalfde verzoekende partij die, in tegenstelling tot hetgeen uit het verzoekschrift blijkt, haar vergunningsaanvraag heeft ingediend op 26 februari 2020, zijnde vóór de griefhoudende spildatum. Wat betreft de verzoekende partijen die na 15 januari 2021 een vergunningsaanvraag hebben ingediend, wijzen de tegenpartijen erop dat geen enkele van die partijen die vergunning heeft verkregen. Dat is echter de eerste voorwaarde om de afwijkende overgangsregeling, zoals ingevoerd bij het nieuwe artikel 34bis van de ordonnantie van 27 april 1995, te genieten. Om die redenen voeren de tegenpartijen aan dat de vordering tot schorsing niet ontvankelijk is. Ten aanzien van het ernstige karakter van het enige middel A.3.
  3. De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending, door het nieuwe artikel 34bis, 1°, van de ordonnantie van 27 april 1995, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de ordonnantie van 10 december 2021, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in samenhang gelezen met de vrijheid van handel en nijverheid, met het vrij verrichten van diensten, met de vrijheid van ondernemen, met de artikelen II.3, II.4 en III.13 van het Wetboek van economisch recht, en met artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden ordonnantie een discriminatie invoert tussen, enerzijds, de chauffeurs en de VVC-ondernemingen die reeds een vergunning bezitten en diegenen die uiterlijk op 15 januari 2021 een aanvraag tot vergunning hebben ingediend en, anderzijds, de chauffeurs en de VVC-ondernemingen die een dergelijke 4 aanvraag hebben ingediend na die datum. Ofschoon de personen die tot de eerste categorie behoren hun activiteiten kunnen voortzetten dankzij de elektronische reservatieplatforms zoals UberX, hebben de personen die tot de tweede categorie behoren die mogelijkheid niet. A.3.
  4. De bovenvermelde categorieën van personen zijn volgens de verzoekende partijen vergelijkbaar omdat zij betrekking hebben op personen die hun inkomsten halen uit een VVC-activiteit op het grondgebied van Brussel-Hoofdstad. Het criterium van de spildatum van 15 januari 2021 is overigens objectief. A.3.
  5. De verzoekende partijen wijzen erop dat het doel van de bij de ordonnantie van 10 december 2021 ingestelde afwijkende overgangsregeling erin bestaat de chauffeurs en VVC-ondernemingen in staat te stellen om onmiddellijk het werk te hervatten en daarbij gebruik te maken van elektronische reservatieplatforms. Met die overgangsregeling beoogde de ordonnantiegever met spoed een voorlopige situatie te regelen om te vermijden wat hij een « menselijke en sociale ramp » noemde, in afwachting van de goedkeuring van het « Taxiplan » dat de hele problematiek zou moeten regelen tegen de zomer van
  6. Het is bijgevolg tegenstrijdig om bepaalde chauffeurs van die regeling uit te sluiten. A.3.
  7. Volgens de verzoekende partijen geeft de ordonnantiegever geen redelijke verantwoording voor de uitsluiting van bepaalde chauffeurs van de nieuwe regeling, terwijl de verrichte diensten identiek zijn. De enige verantwoording die uit de parlementaire voorbereiding blijkt, houdt verband met het vermoeden dat de chauffeurs en ondernemingen die een vergunningsaanvraag hebben ingediend na 15 januari 2021, te kwader trouw zouden zijn indien zij dachten gebruik te kunnen maken van een elektronisch reservatieplatform via een smartphone. De verzoekende partijen weerleggen die bewering, die zij louter willekeurig noemen, omdat het op die datum voor de betrokken chauffeurs onmogelijk was om met zekerheid de afloop van de juridische beoordeling over het gebruik van dergelijke platforms te kennen. Immers, ook al heeft het Hof van Beroep te Brussel op die datum een tussenarrest gewezen waarbij werd geconcludeerd dat dergelijke juridische constructies frauduleus zijn, toch heeft het twee prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof, en heeft het de uitspraak aangehouden in afwachting van het antwoord van het Hof. Aangezien die vragen nog steeds hangende zijn, is het onmogelijk te voorspellen welk lot zal worden voorbehouden aan het gebruik van die platforms. De verzoekende partijen benadrukken overigens dat de diensten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest na de datum van 15 januari 2021 zijn voortgegaan met de behandeling van de vergunningsaanvragen en zij hebben zelfs uitdrukkelijk verklaard, in hun correspondentie, dat het gebruik van platforms via smartphones was toegestaan. Tenzij de administratie zelf te kwader trouw wordt geacht - wat niet ernstig is -, is de keuze voor de spildatum volkomen irrelevant. A.3.
  8. De verzoekende partijen zijn ten slotte van mening dat het aangeklaagde verschil in behandeling hoe dan ook onevenredig is met de nagestreefde doelstellingen. Het gaat in feite om het toedichten van vermeende bedoelingen aan de uitgesloten chauffeurs, en niet om een maatregel die gerechtvaardigd is door het algemeen belang. De aantasting van de beroepsactiviteit van die chauffeurs en ondernemingen, namelijk de verplichting om een activiteit niet langer uit te oefenen of stop te zetten, staat niet in verhouding tot het nagestreefde doel, des te meer omdat zij rechtstreeks ingaat tegen de vrijheid van handel en nijverheid van de bedoelde chauffeurs. Dat geldt des te meer omdat er alternatieve maatregelen bestonden wat betreft de spildatum van 15 januari
  9. Ten eerste had men voor een andere, pertinentere datum kunnen kiezen. Dat blijkt uit de kritiek van de afdeling wetgeving van de Raad van State, die de voorkeur geeft aan de datum van de uitspraak waarop het Hof van Beroep te Brussel zijn arresten heeft gewezen, zijnde 23 november
  10. Die keuze was eveneens het onderwerp van een amendement op de bestreden ordonnantie, dat jammer genoeg werd verworpen. Ten tweede had de ordonnantiegever de idee van een spildatum gewoon kunnen schrappen, zoals werd voorgesteld in een amendement dat eveneens werd verworpen, des te meer omdat het Grondwettelijk Hof zich nog niet heeft uitgesproken over de gestelde prejudiciële vragen. Ten derde had de datum van de desactivering van de applicatie UberX, zijnde 26 november 2021, pertinent kunnen zijn, omdat het die gebeurtenis is die het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ertoe heeft aangezet die afwijkende regeling met spoed in te voeren. Die datum werd eveneens vermeld in het advies van de Raad van State. A.4.
  11. Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering voeren aan dat de vaststelling van de spildatum tegelijk objectief, pertinent en verantwoord is gelet op het doel van de wetgever, namelijk alleen de chauffeurs die te goeder trouw zijn de afwijkende overgangsregeling laten genieten. A.4.
  12. Die datum werd pertinenter geacht dan die van 23 november 2021, omdat hij een beslissend tijdstip is waarover in de media ruim werd bericht, en vanaf hetwelk iedere aanvrager van een VVC-vergunning wist, of had moeten weten dat het systeem dat door platforms als UberX wordt georganiseerd, neerkomt op wetsontduiking. Het arrest van 23 november 2021, waaraan de verzoekende partijen veel waarde hechten, is 5 overigens niet duidelijker dan dat van 15 januari van hetzelfde jaar, aangezien het ernaar verwijst. De tegenpartijen erkennen uitsluitend dat het arrest van november een aanzienlijker gevolg had, aangezien het gepaard ging met een bevel tot staking onder verbeurte van een dwangsom. A.4.
  13. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest moest in werkelijkheid twee imperatieven met elkaar verzoenen, namelijk, enerzijds, de inachtneming van het geldende wettelijk kader en, anderzijds, de bekommernis om bepaalde chauffeurs niet zonder beroepsinkomsten te laten. Volgens de tegenpartijen is de afweging die werd gemaakt tussen die twee belangen evenwichtig, omdat zij de personen van wie de inkomsten werden ontnomen geruststelt, terwijl zij de chauffeurs die te kwader trouw zijn niet in aanmerking neemt. Er is immers nooit sprake van geweest om het nieuwe marktspelers mogelijk te maken een illegale activiteit uit te oefenen. De maatregel is overigens evenredig, omdat hij werkelijk de benadeelde personen beoogt. De andere personen kunnen immers geen echt financieel nadeel doen gelden, hetzij omdat zij de markt wensen te betreden, in welk geval zij nog geen inkomsten hebben gehaald uit de activiteit die zij wensen te verrichten, hetzij omdat zij die activiteit reeds zonder vergunning uitoefenden, in welk geval hun inkomsten duidelijk onwettig waren. A.4.
  14. Daarnaast onderstrepen de tegenpartijen dat het middel niet ernstig is, omdat de door de verzoekende partijen aangevoerde categorieën niet vergelijkbaar zijn. Chauffeurs die te goeder trouw zijn en chauffeurs die te kwader trouw zijn kunnen immers niet dezelfde belangen doen gelden. Dat geldt des te meer omdat, na het verzoek van het Hof om het bewijs te verkrijgen van de toekenning van vergunningen na 15 januari 2021, dient te worden vastgesteld dat met hun grief de verzoekende partijen in werkelijkheid chauffeurs die in het bezit zijn van een vergunning om VVC-diensten te verlenen en chauffeurs zonder vergunning, met elkaar willen vergelijken. A.4.
  15. De tegenpartijen merken ten slotte op dat de verzoekende partijen de nadruk leggen op de houding van de gewestelijke administratie na de spildatum, die zou hebben bevestigd dat het gebruik van de platforms wettig is. Die bewering moet worden genuanceerd. De mededeling van de administratie, die door de verzoekende partijen is bijgevoegd, vermeldde weliswaar dat het gebruik van een smartphone op zich niet onwettig was, maar zij drong eveneens erop aan dat de andere voorwaarden die gekoppeld zijn aan VVC-diensten in herinnering zouden worden gebracht (te weten het bestaan van een voorafgaand contract, een rit van minimum drie uur en een prijs van minimum 90 euro), die a priori moeilijk kunnen worden verzoend met de manier waarop een platform als UberX functioneert. Ten aanzien van het risico van een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel A.5.
  16. De verzoekende partijen onderstrepen dat zij allen, met toepassing van de ordonnantie van 27 april 1995, een vergunningsaanvraag hebben ingediend om VVC-diensten te kunnen verrichten op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Voor die aanvragen werd de gewone administratieve procedure gevolgd. Sommige verzoekende partijen hebben een vergunning gekregen en, wat betreft de andere verzoekende partijen ontbreekt enkel nog de handtekening van de minister-president van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest opdat zij hun activiteit kunnen opstarten (of voortzetten). Die laatsten zijn van mening dat zij, op het ogenblik dat zij die aanvragen indienden, niet hadden kunnen vermoeden dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest hun enkele maanden later de mogelijkheid zou ontnemen om hun beroepsactiviteit uit te oefenen. Artikel 34bis van de ordonnantie van 27 april 1995, zoals het werd ingevoegd bij artikel 2 van de ordonnantie van 10 december 2021, dat hen uitsluit van het voordeel van de afwijkende regeling die het invoert, brengt voor de verzoekende partijen dus een risico van een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel met zich mee omdat het hun arbeid en beroepsinkomsten ontneemt tot ten vroegste 22 juli 2022, datum van de geplande goedkeuring van het hypothetische « Taxiplan ». Het is duidelijk dat zulk een situatie een grote bedreiging vormt voor het voortbestaan, op korte termijn, van de betrokken ondernemingen. Bovenop het inkomstenverlies is er bovendien de onmogelijkheid, voor de meeste verzoekende partijen, om voertuigen te exploiteren waarvan de kosten bijzonder hoog zijn omdat zij, naast de aankoopprijs, het onderhoud, de belastingen, diverse andere kosten en het waardeverlies omvatten. De verzoekende partijen brengen immers in herinnering dat, volgens de geldende regels, een VVC-voertuig niet ouder mag zijn dan zeven jaar. Ter illustratie vermelden de verzoekende partijen de concrete situatie van een van hen, die haar verliezen op tienduizenden euro becijfert, waarbovenop nog vaste kosten van meer dan duizend euro per maand komen. Ten slotte herinneren de verzoekende partijen eraan dat de exploitatie van een VVC-activiteit zonder vergunning hen blootstelt aan zware strafrechtelijke en administratieve straffen, met toepassing van de artikelen 35 en 36 van de ordonnantie van 27 april
  17. 6 A.5.
  18. De verzoekende partijen onderstrepen ten slotte dat de rechtspraak van het Hof sedert lange tijd erkent dat het risico voor een onderneming dat de voortzetting van haar activiteiten ernstig wordt gehypothekeerd, een risico van een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel vormt. Hetzelfde geldt wanneer iemands beroepsactiviteit ogenblikkelijk of op eender welk tijdstip wordt ontnomen of wanneer men een beroepsverbod krijgt opgelegd. Bovendien merken de verzoekende partijen op dat de ordonnantiegever zelf het bestaan van een ernstig nadeel heeft erkend na de eenzijdige beslissing van Uber om haar elektronisch platform UberX te desactiveren. A.
  19. Op verzoek van het Hof, dat de verzoekende partijen heeft gevraagd om het bewijs te leveren dat verscheidenen onder hen houder waren van een VVC-vergunning waarvoor een aanvraag werd ingediend na 15 januari 2021, antwoorden de verzoekende partijen ontkennend. Voor zover geen van de verzoekende partijen een vergunning heeft kunnen verkrijgen met betrekking tot een aanvraag na die spildatum, is dat evenwel omdat die aanvragen geblokkeerd zijn in het stadium van de ondertekening door de Minister-President van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Die partijen wijzen erop dat die blokkering, die aangehouden blijft terwijl alle voorwaarden zijn vervuld en de gewestelijke administratie heeft bevestigd dat de dossiers volledig zijn, dat de nummers van de kentekenplaten werden doorgegeven en dat de voertuigen aan een controle werden onderworpen door de controleambtenaren, werd aangeklaagd en besproken in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement. De verzoekende partijen betreuren die systematische weigering tot toekenning van de vergunningen die na 15 januari 2021 werden aangevraagd en die geenszins gerechtvaardigd is, omdat de VVC-chauffeurs en -ondernemingen nog steeds een « klassieke » limousinedienst kunnen aanbieden zonder gebruik te maken van elektronische reservatieplatforms. De verzoekende partijen stellen ten slotte vast dat de Minister-President nooit duidelijk heeft geantwoord op die vragen, die meer bepaald door het Parlement werden opgeworpen. A.
  20. Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering werpen op dat er geen risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is. Zij wijzen in het algemeen erop dat de aangevoerde schade uitsluitend financieel van aard is en dat geen enkele verzoekende partij daarvan het bewijs levert. De vijfde, de drieëntwintigste en de zevenentwintigste verzoekende partij hebben hun aanvraag ingediend na de desactivering van het UberX-platform, zodat hun aanvraag niet als ontvankelijk kan worden beschouwd. Wat de negenentwintigste verzoekende partij betreft, die de enige is die een groot aantal bewijsstukken aanbrengt ter staving van haar financieel nadeel, merken de verzoekende partijen op dat, gelet op haar statutair doel, dat veel ruimer is dan het verhuren van voertuigen met chauffeur, men niet redelijkerwijs kan oordelen dat de werking van de bestreden ordonnantie van 10 december 2021 haar gehele beroepsactiviteit in gevaar zou brengen. Bovendien bestaat er twijfel over het attest op eer dat volgens die verzoekende partij die realiteit zou moeten aantonen. Ten slotte kan, wat alle andere verzoekende partijen betreft, niets in de enkele in het dossier aanwezige losse bewijsstukken aantonen dat de beoogde bedragen de opbrengst zijn van VVC-diensten die werden geleverd op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen A.
  21. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen, indien het Hof de bestreden bepaling integraal zou schorsen en niet alleen de griefhoudende spildatum, de handhaving van de gevolgen, omdat het paradoxaal zou zijn de overgangsregeling als zodanig af te schaffen louter omdat zij een discriminerend karakter heeft. In dat geval vragen de verzoekende partijen het Hof om aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een termijn van één maand toe te kennen opdat het een nieuwe ordonnantie zou aannemen. A.
  22. Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering staan versteld bij de vraag van de verzoekende partijen om de gevolgen van de bestreden ordonnantie te handhaven, omdat zulk een verzoek voor hen geen enkel voordeel heeft. Dat verzoek is overigens in tegenspraak met het bestaan van een eventueel risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Hoe dan ook en in uiterst ondergeschikte orde verzoeken de tegenpartijen eveneens om de gevolgen van de bestreden bepaling te handhaven indien deze zou worden geschorst. Ten slotte zijn de tegenpartijen van mening dat het verzoek om injunctie aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement moet worden verworpen, omdat het buiten de bevoegdheid van het Hof valt en het kennelijk strijdig is met het beginsel van de scheiding der machten. 7 -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.1.
  23. Het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing hebben betrekking op artikel 34bis van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 27 april 1995 « betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur » (hierna : de ordonnantie van 27 april 1995), zoals ingevoegd bij artikel 2 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 10 december 2021 « tot invoeging van een afwijkende overgangsregeling in de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur » (hierna : de ordonnantie van 10 december 2021). B.1.
  24. De ordonnantie van 27 april 1995 maakt inzake het personenvervoer in Brussel een onderscheid tussen, enerzijds, de taxidiensten, en, anderzijds, de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur (hierna : de VVC-diensten), die beide aan een verschillend juridisch regime zijn onderworpen. De bestreden bepaling heeft enkel betrekking op de VVC-diensten, omschreven bij artikel 2, 2°, van de ordonnantie van 27 april 1995 als « alle diensten van bezoldigd vervoer van personen door middel van automobielen, die geen taxidiensten zijn en die verzekerd zijn door middel van voertuigen van het type auto, auto voor dubbel gebruik of minibus, met uitzondering van de voertuigen die als ziekenwagen uitgerust zijn ». B.1.
  25. De ordonnantie van 10 december 2021 is tot stand gekomen naar aanleiding van de stopzetting door de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Nederlands recht « Uber BV», van het elektronisch platform UberX, waarbij de houders van een VVC- vergunning in contact werden gebracht met passagiers via het gebruik van dat platform. Die stopzetting was het gevolg van een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 23 november 2021, waarbij dat Hof, zetelend in graad van beroep als beslagrechter, heeft vastgesteld dat « Uber BV » en « Uber International BV » het stakingsbevel hebben overtreden dat door de voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel was opgelegd bij vonnis van 23 september 2015, door, via het UberX-platform, bezoldigde taxiritten toe te vertrouwen aan chauffeurs die enkel beschikken over een VVC-vergunning en niet over een toelating in de zin van artikel 3 van de ordonnantie van 27 april
  26. Bij een arrest van 23 november 2021 8 heeft het Hof van Beroep de verbeurde dwangsommen bepaald op basis van de overtreding van het voormelde stakingsbevel, opgelegd bij vonnis van 23 september
  27. B.1.
  28. Met betrekking tot het doel van de ordonnantie van 10 december 2021 vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Op 25 november 2021 heeft de Brusselse regering een akkoord bereikt over de hervorming van de sector van het bezoldigd personenvervoer, die aansluit bij het regeerakkoord dat beoogt mobiliteitsoplossingen voor iedereen uit te werken. Het toeval wil dat het Hof van Beroep te Brussel op 23 november 2021 een arrest heeft gewezen dat kadert in de juridische saga die al vele jaren aan de gang is tussen de taxisector en de sector van de verhuur van voertuigen met chauffeur (hierna : ‘ VVC ’). Naar aanleiding van de uitspraak heeft Uber beslist om zijn UberX-platform vanaf 26 november ontoegankelijk te maken voor houders van een door het Brussels Gewest afgegeven vergunning om een VVC-dienst te exploiteren. Deze eenzijdige beslissing van Uber brengt de exploitanten die van dit platform afhankelijk zijn om hun brood te verdienen in grote moeilijkheden. Sinds de aankondiging van Uber hebben zij hun ongenoegen geuit door dagelijks belangrijke verkeerswegen in het Gewest te blokkeren. Aangezien de hervorming waarover de regering op 25 november een akkoord bereikt heeft pas ten vroegste over enkele maanden in werking zal treden, is het van essentieel belang en dringend dat een tijdelijke situatie wordt gecreëerd die Uber in staat stelt op zijn beslissing terug te komen, zodat de betrokken exploitanten opnieuw kunnen werken. Dat is het doel van dit voorstel van wijzigingsordonnantie. (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2021-2022, nr. A-472/1, pp. 1-2). B.1.
  29. Het bestreden artikel 34bis van de ordonnantie van 27 april 1995 bepaalt : « De in dit hoofdstuk bepaalde afwijkende overgangsregeling wordt uitsluitend ingesteld voor de chauffeurs die voldoen aan alle volgende voorwaarden : 1° houder zijn van een vergunning voor de exploitatie van een dienst voor het verhuren van voertuigen met chauffeur die op basis van een tot de administratie gerichte aanvraag op uiterlijk 15 januari 2021 is afgegeven of in de hoedanigheid van chauffeur werken voor de houder van zo'n vergunning op basis van een arbeids- of zelfstandige samenwerkingsovereenkomst; 2° als exploitant-chauffeur in hoofdberoep of als chauffeur die geen exploitant is minstens twintig uur per week werken als chauffeur van het voertuig of van een van de voertuigen waarop de onder 1° bedoelde vergunning betrekking heeft ». 9 B.1.
  30. Die overgangsregeling laat de chauffeurs die houder zijn van een vergunning voor de exploitatie van een VVC-dienst die uiterlijk op 15 januari 2021 werd aangevraagd of die in de hoedanigheid van chauffeur werken voor de houder van een dergelijke vergunning, uitzonderlijk toe om taxidiensten te verlenen na een voorafgaande reservatie middels een elektronisch platform, zonder dat zij moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden die gelden voor het exploiteren van een taxidienst en zonder dat zij als taxidiensten kunnen worden gekwalificeerd. Zij mogen de benaming « taxi » niet gebruiken en mogen geen voorbehouden standplaatsen voor taxi’s innemen (artikel 34quater van de ordonnantie van 10 december 2021). De overgangsregeling is van toepassing tot 22 juli 2022, tenzij de regering, uiterlijk op die datum, beslist om de toepassing ervan met maximaal drie maanden te verlengen. Die beslissing tot verlenging mag slechts één keer worden genomen (artikel 34ter van de ordonnantie van 10 december 2021). B.1.
  31. In hoofdorde vorderen de verzoekende partijen enkel de schorsing van de verwijzing, vervat in artikel 34bis van de ordonnantie van 27 april 1995, naar de datum van 15 januari
  32. In ondergeschikte orde vorderen zij de schorsing van het volledige artikel, maar met handhaving van de gevolgen tot de ordonnantiegever een nieuwe regeling heeft aangenomen. B.1.
  33. Met betrekking tot de bewoordingen van de bestreden bepaling moet worden opgemerkt dat de Nederlandse tekst niet ondubbelzinnig is geformuleerd. Waar uit de Franse tekst duidelijk blijkt dat de VVC-vergunning uiterlijk op 15 januari 2021 moet zijn aangevraagd, blijkt uit de Nederlandse tekst niet duidelijk of de vergunning op die datum moet zijn aangevraagd dan wel zijn afgegeven. Uit de gecombineerde lezing van de beide tekstversies en rekening houdend met hetgeen in de parlementaire voorbereiding is vermeld (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2021-2022, nr. A-472/3, pp. 4, 30), blijkt dat de Nederlandse tekst, in overeenstemming met de Franse tekst, zo moet worden begrepen dat de aanvraag van de vergunning op uiterlijk 15 januari 2021 tot de administratie moet zijn gericht. Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.2.
  34. Het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing werden ingediend door 38 verzoekende partijen, waaronder zowel rechtspersonen als natuurlijke personen. 10 De Brusselse Regering en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement voeren aan dat het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing niet ontvankelijk zouden zijn wegens gebrek aan belang van de verzoekende partijen. B.2.
  35. Allereerst voeren zij aan dat geen van de verzoekende partijen die rechtspersonen zijn, doen blijken van een belang, nu de bestreden bepaling enkel van toepassing is op « chauffeurs » wat noodzakelijkerwijze naar natuurlijke personen verwijst. Met betrekking tot de verzoekers die natuurlijke personen zijn, voeren zij aan dat deze hun hoedanigheid van chauffeur niet bewijzen. Voorts voeren de Regering en het Parlement aan dat enkel vier verzoekende partijen het bewijs leveren van de indiening van een vergunningsaanvraag na 15 januari 2021 en dat geen van hen voldoet aan het in artikel 34bis, 1°, van de ordonnantie van 27 april 1995 opgenomen vereiste dat men houder moet zijn van een vergunning voor de exploitatie van een dienst voor het verhuren van voertuigen met chauffeur, om de overgangsregeling te kunnen genieten, zodat zij ook om die reden geen belang zouden hebben. B.2.
  36. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van dat laatste, en met name wat het bestaan van het vereiste belang betreft, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden nagegaan. B.2.
  37. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.2.
  38. Artikel 34bis, 1°, van de ordonnantie van 27 april 1995 vermeldt als voorwaarde om de afwijkende overgangsregeling te kunnen genieten, dat de chauffeur « houder [moet] zijn van een vergunning voor de exploitatie van een dienst voor het verhuren van voertuigen met chauffeur die op basis van een tot de administratie gerichte aanvraag op uiterlijk 15 januari 2021 is afgegeven of in de hoedanigheid van chauffeur werken voor de houder van zo'n vergunning op basis van een arbeids- of zelfstandige samenwerkingsovereenkomst ». Hoewel het begrip « chauffeur » betrekking heeft op een natuurlijke persoon, hebben ook de verzoekende partijen die rechtspersonen zijn een afdoende belang bij de schorsing en de 11 vernietiging van de spildatum van 15 januari 2021, nu de bestreden bepaling tot gevolg heeft dat zij geen taxidiensten met behulp van een elektronisch platform mogen laten verrichten door chauffeurs op wie zij via een arbeidsovereenkomst of een zelfstandige samenwerkingsovereenkomst een beroep doen, indien zij geen VVC-vergunning hebben aangevraagd op uiterlijk 15 januari
  39. Bijgevolg dient het belang van de verzoekende partijen die natuurlijke personen zijn niet te worden onderzocht. Voorts tonen de bij het Hof ingediende stukken aan dat meerdere verzoekende partijen die rechtspersonen zijn een aanvraag voor een VVC-vergunning hebben ingediend na 15 januari
  40. In tegenstelling tot wat de Brusselse Regering en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement aanvoeren, zou het de verzoekende partijen niet kunnen worden verweten dat zij op het ogenblik van de indiening van hun beroep nog geen houder waren van een VVC-vergunning, aangezien zij geen invloed hebben op de voortgang van het onderzoek van hun aanvraag. Zij dienden bovendien het antwoord op hun aanvraag niet af te wachten alvorens hun beroep in te stellen bij het Grondwettelijk Hof. Aangezien zij hun aanvraag tot vergunning hebben ingediend na 15 januari 2021, zouden ze overigens van de bestreden overgangsregeling worden uitgesloten, zelfs indien ze een vergunning verkregen, zodat hun belang vaststaat. B.3.
  41. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt niet dat het beroep tot vernietiging – en dus de vordering tot schorsing – onontvankelijk moet worden geacht. B.3.
  42. De excepties worden verworpen. Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing B.
  43. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; 12 - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot de verwerping van de vordering tot schorsing. Wat de ernst van het enige middel betreft B.
  44. Het ernstig middel mag niet worden verward met het gegrond middel. Wil een middel als ernstig worden beschouwd in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, volstaat het niet dat het kennelijk niet ongegrond is in de zin van artikel 72, maar moet het ook gegrond lijken na een eerste onderzoek van de gegevens waarover het Hof beschikt in dit stadium van de procedure. B.6.
  45. De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending, door artikel 34bis, 1°, van de ordonnantie van 27 april 1995 van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in samenhang gelezen met de vrijheid van handel en nijverheid, met het vrij verrichten van diensten, met de vrijheid van ondernemen, met de artikelen II.3, II.4 en III.13 van het Wetboek van economisch recht, en met artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. B.6.
  46. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 34bis van de ordonnantie van 27 april 1995, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de ordonnantie van 10 december 2021 de bestreden ordonnantie een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling invoert tussen de exploitanten van een VVC-dienst die een vergunning hebben aangevraagd op uiterlijk 15 januari 2021 en de exploitanten van een VVC-dienst die dezelfde aanvraag na die datum hebben ingediend, in zoverre de laatstgenoemden de bij de ordonnantie van 10 december 2021 ingevoerde afwijkende regeling niet kunnen genieten. B.
  47. De ordonnantie van 10 december 2021 maakt het de houders van een VVC-vergunning tijdelijk mogelijk om taxidiensten aan te bieden via een elektronisch platform 13 zoals UberX. Het Hof dient te onderzoeken of het verschil in behandeling dat voortvloeit uit artikel 34bis van de ordonnantie van 27 april 1995, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de ordonnantie van 10 december 2021 redelijk verantwoord is, in zoverre enkel de houders van een VVC-vergunning die werd aangevraagd op uiterlijk 15 januari 2021 die tijdelijke regeling kunnen genieten. B.8.
  48. De keuze van de datum van 15 januari 2021 valt samen met die van het door het Hof van Beroep te Brussel gewezen arrest. B.8.
  49. Bij dat arrest heeft het Hof van Beroep vastgesteld, maar ten voorlopige titel, dat het gebruik van contracten afgesloten tussen de VVC-ondernemingen en de door « Uber » opgerichte « Platform Rider Association (PRA) », waarbij de houders van een VVC- vergunning vervoersdiensten konden aanbieden via het elektronisch platform UberX, wetsontduiking vormt. Het Hof van Beroep stelde eveneens vast dat de VVC-vergunninghouders die gebruik maken van het UberX-platform, hun activiteiten uitoefenen zonder de voorwaarden die waren vervat in de ordonnantie van 27 april 1995 na te leven. B.8.
  50. Alvorens uitspraak te doen ten gronde heeft het Hof van Beroep aan het Grondwettelijk Hof evenwel twee prejudiciële vragen gesteld, in het raam van de zaak die is ingeschreven onder het rolnummer
  51. Met de eerste prejudiciële vraag wenst het Hof van Beroep te vernemen of artikel 17, § 1, van de ordonnantie van 27 april 1995 een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel van de vrijheid van ondernemen, gewaarborgd bij de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, en met de vrijheid van vestiging, gewaarborgd bij artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in de interpretatie volgens welke die bepaling het de VVC-ondernemingen die over een vergunning beschikken die is afgegeven krachtens die regelgeving, verhindert om hun voertuig uit te rusten met een smartphone die dient om oproepen voor diensten van bezoldigd personenvervoer op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, uitgaande van gebruikers, te ontvangen en te beantwoorden, en in zoverre het de voertuigen die worden gebruikt voor de exploitatie van een VVC-dienst verbiedt op dat grondgebied te stationeren of zich erop te begeven zonder voorafgaandelijk te zijn verhuurd. De tweede vraag betreft de verenigbaarheid, met de voornoemde referentienormen, 14 van het verbod, in artikel 19 van het decreet van het Waalse Gewest van 18 oktober 2007 « betreffende de taxidiensten en de diensten van verhuur van wagens met chauffeur », voor een voertuig dat wordt gebruikt voor de exploitatie van een VVC-dienst, om op de openbare weg of op een voor het publiek toegankelijke privéweg te stationeren of te rijden indien het niet voorafgaandelijk is verhuurd op de zetel van het bedrijf dat houder is van de vergunning in samenhang gelezen met artikel 16, tweede lid, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 27 april 1995, geïnterpreteerd in die zin dat het de VVC-bedrijven die beschikken over een vergunning die is afgegeven krachtens de Waalse regelgeving waarvan zij bepaalde exploitatievoorwaarden niet in acht nemen verhindert om diensten te leveren van bezoldigd personenvervoer waarvan het vertrekpunt (voor de gebruiker) gelegen is op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waardoor die twee gecombineerde bepalingen het aanbieden van een dienst als UberX beletten. B.9.
  52. Met betrekking tot de door de verzoekende partijen bekritiseerde datum van 15 januari 2021 vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Deze overgangsregeling geldt overigens alleen voor exploitanten van VVC-diensten die hun exploitatievergunningen uiterlijk op 15 januari 2021 hebben verkregen, de datum waarop in een ander arrest van het Hof van Beroep te Brussel is geoordeeld dat de juridische constructie waarop het UberX-platform is gebaseerd, wetsontduiking vormt. Het doel van deze beperking is alleen exploitanten die te goeder trouw zijn in aanmerking te laten komen voor de afwijkende overgangsregeling, d.w.z. exploitanten die hun beroepsactiviteit hebben aangevangen zonder zich noodzakelijkerwijs bewust te zijn van het probleem van de niet-naleving van de bepalingen van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2021-2022, nr. A-472/1, p. 2). B.9.
  53. Met betrekking tot de keuze voor die datum heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State opgemerkt : « Op basis van enkel maar de datum waarop dat arrest van het Hof van Beroep te Brussel is uitgesproken, namelijk 15 januari 2021, valt echter niet af te leiden dat alleen de exploitanten die tot en met die datum hun activiteit hebben aangevangen, beschouwd moeten worden als exploitanten die ‘ hun beroepsactiviteit hebben aangevangen zonder zich noodzakelijkerwijs bewust te zijn van het probleem van de niet-naleving van de bepalingen van de ordonnantie betreffende taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur ’, noch dat diegenen die hun beroepsactiviteit hebben aangevangen na die datum, in tegenstelling tot die eerste groep niet beschouwd kunnen worden als exploitanten die te goeder trouw zijn. 15 De problematiek van de juridische situatie van diensten voor betalend vervoer van personen waarbij gebruikgemaakt wordt van informaticatoepassingen of -platformen, heeft namelijk het voorwerp uitgemaakt van rechtspraak die de stellers van het voorstel zelf in de toelichting omschrijven als een ‘ juridische saga die al vele jaren aan de gang is tussen de taxisector en de sector van de verhuur van voertuigen met chauffeur ’. In dat verband vormt de keuze van de datum waarop de toegang tot het UberX-platform voor houders van een vergunning voor de exploitatie van een dienst voor het verhuren van voertuigen met chauffeur onderbroken wordt, of op zijn minst de keuze van de datum waarop het Hof van Beroep te Brussel zijn recente arresten gewezen heeft, namelijk 23 november 2021, een oplossing die makkelijker te verantwoorden valt als het gaat om de inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat vervat ligt in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2021-2022, nr. A-472/2, p. 5). B.9.
  54. In antwoord op de opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State bij de keuze voor de datum van 15 januari 2021 veeleer dan de datum waarop de toegang tot het UberX-platform voor de houders van een vergunning voor de exploitatie van een dienst voor het verhuren van voertuigen met chauffeur onderbroken werd of de datum van 23 november 2021 die de datum is van het door het Hof van Beroep te Brussel gewezen arrest, vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Het arrest van 15 januari wordt relevanter geacht dan dat van 23 november als ‘ beslissend moment ’ om te beoordelen of de betrokkenen te goeder trouw zijn of niet, omdat het Hof op dat moment gewezen heeft op het wetsontduikend karakter van het geldende systeem. De arresten van 23 november, die geen beslissingen ten gronde zijn (het gaat om procedures met betrekking tot het bedrag van de dwangsommen die betaald moeten worden in uitvoering van een vorige beslissing van 2015), namen in deze enkel de conclusies over die in januari van dit jaar al waren getrokken. Bovendien heeft de beslissing van 15 januari ook veel weerklank gekregen in de media, wat resulteerde in vele persartikels, maar ook in televisiedebatten tussen vertegenwoordigers van de taxi- en van de VVC-sector over de gevolgen van deze beslissing. Tot dan waren in eerste aanleg verscheidene andersluidende uitspraken gedaan, wat noopte tot een zeker begrip van de wijze waarop aanvragers van nieuwe VVC-vergunningen begrepen wat al dan niet was toegestaan. Sinds het arrest van het Hof van Beroep van 15 januari 2021 en de daarmee gepaard gaande media-aandacht is deze interpretatie niet langer toegestaan. Elke aanvrager van een nieuwe VVC-vergunning weet - of zou alleszins moeten weten - dat hij de ordonnantie van 1995 overtreedt indien hij onder dekking van deze vergunning beoogt zijn diensten aan te bieden via een elektronisch reservatieplatform. De uitzonderingsregeling die met deze ordonnantie wordt ingevoerd, mag immers niet ten goede komen aan personen die welbewust besloten hebben zich te onttrekken aan het geldend wettelijk kader » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2021-2022, nr. A-472/3, p. 31). B.9.
  55. Opgemerkt moet worden dat gelet op het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State de bestreden bepaling het voordeel van de afwijkende overgangsregeling afhankelijk maakt van de datum waarop een vergunning voor de exploitatie van een 16 VVC-dienst werd aangevraagd, en niet, zoals in het oorspronkelijke voorstel van ordonnantie werd bepaald, van de datum waarop die vergunning werd verleend (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2021-2022, nr. A-472/2, p. 5, en nr. A-472/3, pp. 4 en 30). Die aanpassing neemt evenwel niet weg dat de datum van 15 januari 2021, waarop het voormelde arrest van het Hof van Beroep is gewezen bepalend blijft voor de toepassing van de bestreden bepaling. B.9.
  56. Hoewel het Hof van Beroep te Brussel bij zijn arrest van 15 januari 2021 had vastgesteld dat de juridische constructie waarop het elektronisch UberX-platform was gebaseerd wetsontduiking vormt en dat de VVC-vergunninghouders die gebruik maakten van dat platform handelden in strijd met de voorwaarden bepaald in de ordonnantie van 27 april 1995, heeft het Hof, alvorens uitspraak te doen ten gronde, prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Het Hof van Beroep is niet ingegaan op het verzoek van de appellanten om Uber BV en de betrokken VVC-vergunninghouders te bevelen de exploitatie van het UberX-platform te staken. Het is slechts nadat het Hof van Beroep te Brussel op 23 november 2021 het in B.1.3 vermelde arrest heeft gewezen waarbij, onder oplegging van dwangsommen, het bevel tot staking werd bevestigd dat werd opgelegd bij een vonnis van 23 september 2015 door de voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel dat het UberX-platform ontoegankelijk werd gemaakt. Het is ook pas na de effectieve stopzetting van het UberX-platform dat de ordonnantiegever een wetgevend optreden noodzakelijk heeft geacht. B.
  57. Op grond van het bestreden artikel 34bis van de ordonnantie van 27 april 1995 kunnen alleen de houders van een VVC-vergunning die uiterlijk op 15 januari 2021 werd aangevraagd, de afwijkende overgangsregeling genieten. Zoals is vermeld in B.9.1 had de ordonnantiegever aldus de bedoeling « om alleen exploitanten die te goeder trouw zijn in aanmerking te laten komen voor de afwijkende overgangsregeling, d.w.z. exploitanten die hun beroepsactiviteit hebben aangevangen zonder zich noodzakelijkerwijs bewust te zijn van het probleem van de niet-naleving van de bepalingen van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur ». In de memories die ze bij het Hof hebben ingediend voeren de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement ook aan dat door het feit dat voor de datum van 15 januari 2021 is gekozen een onderscheid wordt gemaakt naargelang de aanvrager van de vergunning al dan niet te goeder trouw was. 17 B.11.
  58. De afwijkende overgangsregeling die werd ingesteld bij de ordonnantie van 10 december 2021 maakt het de houders van een VVC-vergunning voortaan mogelijk om gebruik te maken van een elektronisch platform zoals dat van UberX om ritaanvragen te ontvangen. Het verschil in behandeling dat ontstaat doordat die nieuwe regeling enkel geldt voor de exploitanten die ten laatste op 15 januari 2021 een aanvraag voor een VVC-vergunning hadden ingediend, berust weliswaar op een objectief, maar niet op een pertinent criterium van onderscheid. B.11.
  59. Er kan immers niet worden aangenomen dat de exploitanten die een aanvraag voor een VVC-vergunning hebben ingediend na 15 januari 2021, in tegenstelling tot degenen die hun aanvraag uiterlijk op die datum hadden ingediend, niet te goeder trouw zouden zijn. Uit het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 15 januari 2021 kon immers niet worden afgeleid dat geen aanvragen voor een VVC-vergunning meer mochten worden ingediend, zodat de aanvragers er mochten van uitgaan dat hun aanvraag voor een dergelijke vergunning volgens de normale procedure zou worden behandeld. Evenmin kan worden verondersteld dat de exploitanten die een vergunning hebben aangevraagd na 15 januari 2021, zulks zouden hebben gedaan met een ander oogmerk dan degenen die uiterlijk op die datum hun vergunning hadden aangevraagd. Het feit dat de bevoegde diensten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest de behandeling van de vergunningaanvragen die na 15 januari 2021 werden ingediend, hebben geblokkeerd, zou in geen geval kunnen verantwoorden dat de aanvragers om die reden van die afwijkende overgangsregeling worden uitgesloten. B.11.
  60. Omdat de ordonnantie van 10 december 2021 het thans, zij het tijdelijk, mogelijk maakt voor de houders van een VVC-vergunning om taxidiensten aan te bieden via een platform zoals dat van UberX, mits zij voldoen aan de in de ordonnantie bepaalde voorwaarden, lijkt er derhalve geen redelijke verantwoording te zijn voor het feit dat niet alle houders van een VVC- vergunning die werd afgeleverd op grond van de ordonnantie van 27 april 1995 die regeling kunnen genieten en dat enkel degenen die ten laatste op 15 januari 2021 daartoe een aanvraag hebben ingediend die kunnen genieten. B.
  61. Het enige middel is ernstig in zoverre artikel 34bis, 1°, van de ordonnantie van 27 april 1995, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de ordonnantie van 10 december 2021, de afwijkende overgangsregeling die hierbij werd ingevoerd, beperkt tot de houders van een 18 vergunning voor de exploitatie van een VVC-dienst « die op basis van een tot de administratie gerichte aanvraag op uiterlijk 15 januari 2021 is afgegeven ». Wat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft B.13.
  62. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat voor de verzoekende partijen een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden normen, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een vernietiging van die normen. B.13.
  63. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen. B.14.
  64. De verzoekende partijen voeren aan dat een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel bestaat doordat het bestreden artikel, door hen uit te sluiten van het erin vervatte voordeel van de afwijkende regeling, hen arbeid en beroepsinkomsten ontneemt, minstens tot 22 juli 2022, datum van de geplande goedkeuring van de nieuwe Brusselse regeling inzake het bezoldigd personenvervoer. B.14.
  65. Het loutere risico een financieel verlies te lijden, vormt in beginsel geen risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. B.14.
  66. De onmogelijkheid om een economische activiteit onmiddellijk voort te zetten of de zeer aanzienlijke beperking ervan, kan evenwel leiden tot financiële en economische schade, die van dien aard is dat het onmiddellijke voortbestaan van een onderneming ernstig in het gedrang wordt gebracht, hetgeen een risico van een ernstig nadeel kan uitmaken dat moeilijk te 19 herstellen is in geval van vernietiging. Hetzelfde geldt voor een bepaling die tot gevolg zou hebben dat aan een onderneming of een natuurlijke persoon haar/zijn beroepsactiviteit wordt ontzegd. B.15.
  67. De bestreden bepaling verhindert de personen die na 15 januari 2021 een aanvraag hebben ingediend voor een vergunning voor de exploitatie van een VVC-dienst om gebruik te maken van de afwijkende overgangsregeling en om diensten aan te bieden via platformen zoals dat van UberX, hoewel zij ook na die datum op grond van de geldende wettelijke voorwaarden een vergunning voor de exploitatie van een VVC-dienst konden aanvragen en ervan mochten uitgaan dat die aanvraag volgens de geldende procedure zou worden behandeld. B.15.
  68. Het door de verzoekende partijen aangevoerde risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel komt erop neer dat hen de toegang tot het verlenen van de door de ordonnantie van 10 december 2021 toegelaten taxidiensten wordt ontzegd. Een dergelijke beperking, en het derven van de inkomsten die ermee verbonden zijn, berokkenen hun rechtstreeks een nadeel dat moeilijk kan worden hersteld bij een vernietiging van de bestreden bepaling. Anders dan de Brusselse Regering en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement voorhouden, kan in die omstandigheden van de verzoekende partijen niet worden verwacht dat zij voor elk individueel geval exacte bewijzen van hun financieel nadeel aanbrengen. B.
  69. Uit het voorgaande vloeit voort dat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vaststaat en dat bijgevolg de voorwaarden zijn vervuld voor de gedeeltelijke schorsing van artikel 34bis van de ordonnantie van 27 april
  70. B.
  71. In artikel 34bis, 1°, van de ordonnantie van 27 april 1995 dienen de woorden « die op basis van een tot de administratie gerichte aanvraag op uiterlijk 15 januari 2021 is afgegeven » te worden geschorst. 20 Om die redenen, Het Hof schorst, in artikel 34bis, 1°, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 27 april 1995 « betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur », zoals het werd ingevoegd bij artikel 2 van de ordonnantie van 10 december 2021, de woorden « die op basis van een tot de administratie gerichte aanvraag op uiterlijk 15 januari 2021 is afgegeven ». Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 april
  72. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.060 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.