← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.062

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.062 Arrest- Rolnummer: 62/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 428 - laatst gezien 2026-06-14 19:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (art. 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over de ontstentenis van een wetsbepaling die het recht op een ziekte- en invaliditeitsuitkering opent voor werknemers die een voltijdse hoofdactiviteit en een deeltijdse en intermitterende nevenactiviteit uitoefenen en die om medische redenen een van de functies moeten stopzetten, gesteld door het Arbeidshof te Bergen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Arbeidsongeschiktheid - Uitkeringen - Gelijkheid van behandeling - Werknemer die één hoofdactiviteit uitoefent / Werknemer die een voltijdse hoofdactiviteit en een deeltijdse en intermitterende nevenactiviteit uitoefent Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 62/2022 van 12 mei 2022 Rolnummer : 7522 In zake : de prejudiciële vragen over de ontstentenis van een wetsbepaling die het recht op een ziekte- en invaliditeitsuitkering opent voor werknemers die een voltijdse hoofdactiviteit en een deeltijdse en intermitterende nevenactiviteit uitoefenen en die om medische redenen een van de functies moeten stopzetten, gesteld door het Arbeidshof te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 24 februari 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 maart 2021, heeft het Arbeidshof te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt de ontstentenis van een wetsbepaling die het recht op een ziekte- en invaliditeitsuitkering opent voor werknemers die een voltijdse hoofdactiviteit en een deeltijdse en intermitterende nevenactiviteit uitoefenen en die om medische redenen een van die functies moeten stopzetten, in zoverre zij daardoor worden geconfronteerd met een vermindering van hun vermogen tot verdienen met twee derden of meer en in zoverre zij niet uitkeringsgerechtigd zijn op grond van een andere sociale regeling, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? Zo ja, is die extrinsieke lacune zelfherstellend ? ». Memories zijn ingediend door : - Salvatore Ruvolo, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Gilson, advocaat bij de balie te Namen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Pertry, advocaat bij de balie te Brussel. 2 Salvatore Ruvolo heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 9 maart 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 23 maart 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 23 maart 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 27 juli 2014 wordt Salvatore Ruvolo, die als onderhoudstechnicus werkt, het slachtoffer van een arbeidsongeval. Vanaf 4 januari 2016 wordt hij op grond van artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de ZIV-Wet) als arbeidsongeschikt erkend. Niettemin zet hij zijn nevenactiviteit van vrijwillig brandweerman, activiteit die hij sinds 1 januari 2010 uitoefent, voort in een aangepast kader, zonder de toelating van de adviserend arts. Bij een schrijven van 22 december 2016 licht het ziekenfonds OMNIMUT hem erover in dat hij, vanaf 2 januari 2017, niet langer arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 100 van de ZIV-Wet, daar zijn letsels of functionele stoornissen niet meer leiden tot een vermindering van zijn arbeidsgeschiktheid met twee derde. Bij brieven van 23 mei 2017 en 26 juni 2017 stelt OMNIMUT Salvatore Ruvolo in gebreke teneinde aan het fonds het bedrag van 21 255,65 euro, namelijk het integrale bedrag van de uitkeringen die ten onrechte zijn geïnd tussen 13 januari 2016 en 31 mei 2016 en tussen 1 juni 2016 en 20 november 2016, die volgens het fonds ten onrechte zijn uitgekeerd, terug te betalen, daar hij het werk heeft hervat zonder de voorafgaande toelating van de adviserend arts. Salvatore Ruvolo betwist die beslissingen voor de Arbeidsrechtbank Henegouwen, afdeling Charleroi, die, bij een vonnis van 7 oktober 2019, zijn vordering ontvankelijk maar ongegrond verklaart. Salvatore Ruvolo stelt tegen dat vonnis hoger beroep in voor het Arbeidshof te Bergen. Het Arbeidshof oordeelt dat de prestaties die Salvatore Ruvolo heeft verricht als vrijwillig brandweerman a priori onverenigbaar zijn met het voordeel van de ziekenfondsuitkeringen. Het merkt overigens op dat het Hof, bij zijn arrest nr. 51/2013 van 28 maart 2013, heeft geoordeeld dat de ontstentenis van een wetsbepaling die het recht op een ziekte- en invaliditeitsuitkering opent voor de werknemers die meerdere deeltijdse functies uitoefenen en die, om medische redenen, een van hun activiteiten moeten stopzetten, in zoverre zij aldus worden geconfronteerd met een vermindering van hun vermogen tot verdienen met twee derde of meer en in zoverre zij geen recht hebben op een uitkering op grond van een andere sociale regeling, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Het merkt op dat die lacune in de wetgeving thans nog niet is weggewerkt door de wetgever. Het wijst ook erop dat Salvatore Ruvolo geen verschillende deeltijdse functies uitoefent, maar een voltijdse hoofdactiviteit en een deeltijdse en intermitterende nevenactiviteit. Het vraagt zich af of er eventueel een discriminatie bestaat tussen, enerzijds, de werknemer die een enkele beroepsactiviteit uitoefent en, anderzijds, de werknemer die een voltijdse hoofdactiviteit en een deeltijdse en intermitterende nevenactiviteit uitoefent. Het Arbeidshof stelt derhalve, op verzoek van de appellante partij, de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. 3 III. In rechte -A- A.1.

  1. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is. Volgens hem berust zij op een verkeerde lezing van de wetgeving, zodat zij niet nuttig is voor de oplossing van het geschil. De verwijzende rechter gaat immers uit van het principe dat de werknemers die een voltijdse hoofdactiviteit en een deeltijdse en intermitterende nevenactiviteit uitoefenen, geen recht hebben op een ziekte- en invaliditeitsuitkering wanneer zij een van die activiteiten moeten stopzetten om medische redenen, in zoverre zij worden geconfronteerd met een vermindering van hun vermogen tot verdienen met twee derde of meer. Dat uitgangspunt is echter verkeerd, daar die werknemers voldoen aan de voorwaarde inzake de onderbreking van de activiteit zodra één dag onderbreking van de twee uitgeoefende activiteiten wordt vastgesteld, zelfs indien die dag overeenstemt met een dag waarop de werknemer een van zijn twee activiteiten niet uitoefent wegens zijn arbeidsregeling. Te dezen voldoet de appellante partij voor de verwijzende rechter aan de voorwaarde inzake de onderbreking van de activiteit, maar kan zij geen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen genieten daar zij de procedure voor de hervatting van haar deeltijdse nevenactiviteit niet heeft nageleefd. Bovendien zou de appellante partij voor de verwijzende rechter niet het integrale bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen moeten hebben terugbetalen indien het ziekenfonds artikel 101 van de ZIV-Wet had toegepast : in die hypothese zou zij alleen de uitkeringen moeten hebben terugbetalen die overeenstemmen met de dagen die werkelijk zijn gepresteerd in het kader van de nevenactiviteit. A.1.
  2. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. De in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen worden op dezelfde manier behandeld, aangezien zowel de werknemer die een voltijdse activiteit uitoefent en arbeidsongeschikt is, als diegene die een voltijdse hoofdactiviteit en een nevenactiviteit uitoefent en die arbeidsongeschikt is, recht hebben op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Wanneer de laatstgenoemde zijn nevenactiviteit wenst voort te zetten, kan hij de uitkeringen verder genieten indien hij de procedure voor de toegestane werkhervatting naleeft en aan bepaalde voorwaarden voldoet. Omgekeerd verliest de voltijdse, arbeidsongeschikte werknemer die een niet toegestane activiteit hervat, zijn recht op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor de dagen die werkelijk in dat kader zijn gepresteerd, net als de arbeidsongeschikte werknemer die een hoofdactiviteit en een nevenactiviteit uitoefende en zijn nevenactiviteit zonder toelating hervat. De voorwaarden inzake de erkenning van de arbeidsongeschiktheid en de voorwaarden inzake de toegestane werkhervatting zijn identiek voor de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen. Indien de wetgever een nieuwe uitzondering zou invoeren ten behoeve van de werknemer die een nevenactiviteit uitoefent bovenop zijn hoofdactiviteit, dan zou hij onverantwoorde verschillen in behandeling doen ontstaan, daar de voltijdse werknemer die geen nevenactiviteit uitoefent, teneinde een activiteit te kunnen hervatten, zou moeten voldoen aan alle voorwaarden bepaald in artikel 100, § 2, van de ZIV-Wet, terwijl diegene die daarnaast een nevenactiviteit uitoefent, daarvan zou zijn vrijgesteld. Het is overigens mogelijk dat een werknemer die alleen een voltijdse activiteit uitoefent, als arbeidsongeschikt wordt erkend terwijl hij in werkelijkheid geschikt is om een deel van zijn taken of aangepast werk uit te voeren. Die situatie is vergelijkbaar met die van de voltijdse werknemer die daarnaast een nevenactiviteit uitoefent. Een dergelijk systeem zou volkomen onlogisch zijn ten opzichte van de door de wetgever nagestreefde doelen, namelijk zich ervan vergewissen dat de hervatting van een activiteit pas plaatsvindt na een medisch onderzoek waarbij wordt nagegaan dat er geen risico’s zijn die het herstel in het gedrang brengen door de activiteit te hervatten, en aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering het statuut van vervangingsinkomen toekennen. A.1.
  3. In de veronderstelling dat het Hof oordeelt dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet op dezelfde manier worden behandeld, is de Ministerraad van mening dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet is geschonden. In dat geval zou het verschil in behandeling voortvloeien uit het feit dat een persoon die een voltijdse activiteit uitoefent en die activiteit onderbreekt, als arbeidsongeschikt wordt erkend en recht heeft op de uitkeringen in die hoedanigheid, terwijl een persoon die een voltijdse activiteit en een nevenactiviteit uitoefent en alleen de voltijdse activiteit onderbreekt, geen recht heeft op die uitkeringen. Dat verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet uitoefenen van een nevenactiviteit op het ogenblik dat de arbeidsongeschiktheid voor het voltijds werk aanvangt. Het strekt ertoe de gezondheid van de werknemer te beschermen en te voorkomen dat hij het risico neemt zijn gezondheidstoestand te verergeren door zijn activiteit voort te zetten zonder de toelating van de adviserend arts van het ziekenfonds, zodat het is gebaseerd op gewettigde doelstellingen. Dat verschil in behandeling is bovendien relevant om die 4 doelstellingen te bereiken, daar het toelaat te verzekeren dat geen enkele activiteit wordt uitgeoefend die het herstel van de werknemer in het gedrang kan brengen, en dat alleen de werknemer die geen bezoldiging meer ontvangt, wordt vergoed. Ten slotte is het verschil in behandeling evenredig, daar de werknemer die voor een van zijn functies arbeidsongeschikt is, in de meeste gevallen ook niet geschikt is om andere functies uit te oefenen. In de praktijk voldoet hij aan de voorwaarden om de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te genieten voor zijn verschillende betrekkingen. Daarnaast is het mogelijk voor de werknemer die als arbeidsongeschikt is erkend en die verschillende activiteiten uitoefende, de toelating te vragen om de activiteiten te hervatten die hij kan uitoefenen, met naleving van de procedure bepaald in artikel 100, § 2, van de ZIV-Wet, hetgeen de appellante partij voor de verwijzende rechter heeft nagelaten te doen. Die procedure is bijzonder soepel, daar de voorwaarde inzake de arbeidsonderbreking van zeer korte duur kan zijn en het medisch onderzoek kan plaatshebben na de hervatting, op voorwaarde dat de aanvraag uiterlijk plaatsheeft op de eerste werkdag die onmiddellijk voorafgaat aan die hervatting. De werknemer die die procedure niet naleeft, moet alleen de uitkeringen terugbetalen die hij heeft geïnd voor de dagen van niet toegestane activiteit, en niet alle arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die hij heeft geïnd. Artikel 101 van de ZIV-Wet staat het beheerscomité van de dienst voor uitkeringen toe om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering van de uitkeringen in behartigenswaardige gevallen en bij afwezigheid van een bedrieglijk opzet. Artikel 100, § 1, van de ZIV-Wet staat daarnaast andere situaties van werkhervatting toe zonder verlies van uitkering, met name in het kader van vrijwilligerswerk, verenigingswerk en mantelzorg. De Ministerraad voert daarnaast aan dat de redenering die door het Hof is uiteengezet in het arrest nr. 51/2013 van 28 maart 2013 niet kan worden omgezet naar de thans onderzochte prejudiciële vraag, daar dat arrest betrekking had op de situatie van een werknemer die twee deeltijdse activiteiten uitoefende, hetgeen een cruciale rol heeft gespeeld in de beoordeling door het Hof. De feiten die ten grondslag lagen aan het arrest nr. 51/2013 hadden overigens betrekking op een werknemer die geen recht had op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen omdat hij zijn beroepsactiviteit nooit had onderbroken, hetgeen niet het geval is voor de appellante partij voor de verwijzende rechter. Die laatste voldoet aan de voorwaarden om die uitkeringen te genieten, maar heeft de procedure inzake de hervatting van toegestaan werk niet nageleefd. De prejudiciële vraag dient derhalve ontkennend te worden beantwoord. A.1.
  4. In de veronderstelling dat het Hof toch vaststelt dat de ontstentenis van een wetsbepaling waarnaar in de prejudiciële vraag wordt verwezen, in strijd is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, dan zou het moeten vaststellen dat het aan de wetgever staat die extrinsieke lacune in de wetgeving weg te werken, zoals het heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 51/
  5. In die hypothese zou het immers aan de wetgever toekomen de aard en de omvang te bepalen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ten behoeve van de werknemers die een hoofdactiviteit en tevens een intermitterende nevenactiviteit uitoefenen. Daartoe beschikt de wetgever over meerdere opties, zodat de lacune in de wetgeving niet als zelfherstellend kan worden gekwalificeerd. A.2.
  6. De appellante partij voor de verwijzende rechter voert aan dat, in tegenstelling tot wat de Ministerraad verklaart, de prejudiciële vraag nuttig is voor de oplossing van het geschil. Allereerst hebben de rechtscolleges ten gronde geoordeeld dat zij niet elke activiteit had onderbroken in de zin van artikel 100, § 1, van de ZIV-Wet. Het betreft een feitelijke beoordeling die niet valt onder de bevoegdheid van het Hof. De vraag of de appellante partij voor de verwijzende rechter al dan niet haar nevenactiviteit gedurende minstens een dag heeft onderbroken, is derhalve niet relevant. Bovendien beogen de artikelen 100 en 101 van de ZIV-Wet niet de situatie van de appellante partij voor de verwijzende rechter, zodat het niet mogelijk zou zijn geweest op haar de regeling toe te passen waarin artikel 101 van de ZIV-Wet voorziet om te vermijden dat zij het integrale bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen moet terugbetalen. Die lacune in de wetgeving maakt precies het voorwerp uit van de prejudiciële vraag, die dus relevant is. A.2.
  7. De appellante partij voor de verwijzende rechter voert aan dat de prejudiciële vraag tweemaal bevestigend dient te worden beantwoord. De ontstentenis van een wetsbepaling waarnaar wordt verwezen in de prejudiciële vraag, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zoals het Hof heeft opgemerkt in zijn arrest nr. 51/2013 betreffende de cumulatie van twee deeltijdse activiteiten. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, worden de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet op dezelfde wijze behandeld, daar, opdat de werknemer de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zou kunnen genieten, hij elke beroepsactiviteit moet hebben onderbroken, hetgeen niet het geval is wanneer hij alleen ongeschikt is voor zijn hoofdactiviteit en niet voor zijn nevenactiviteit, zodat hij alleen de eerste onderbreekt. Het in de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord, om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in het arrest nr. 51/
  8. 5 A.2.
  9. De lacune in de wetgeving waarnaar in de prejudiciële vraag wordt verwezen, is een zelfherstellende extrinsieke lacune, in tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert. De rechtspraak van het Hof aanvaardt dat de rechter een dergelijke lacune zelf wegwerkt, zonder te wachten op het optreden van de wetgever, temeer daar de door het Hof in zijn arrest nr. 51/2013 vastgestelde lacune thans nog niet door de wetgever is weggewerkt. -B- B.
  10. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het recht op een ziekte- en invaliditeitsuitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. De verwijzende rechter merkt op dat het Hof, bij zijn arrest nr. 51/2013 van 28 maart 2013, het bestaan heeft vastgesteld van een lacune in de wetgeving, die tot op heden nog niet is weggewerkt. Het Hof stelde in dat arrest een schending vast van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de ontstentenis van een wetsbepaling die het recht op een ziekte- en invaliditeitsuitkering opent voor werknemers die verschillende deeltijdse functies uitoefenen en die om medische redenen een van die functies moeten stopzetten, in zoverre zij daardoor worden geconfronteerd met een vermindering van hun vermogen tot verdienen met twee derden of meer en in zoverre zij niet uitkeringsgerechtigd zijn op grond van een andere sociale regeling. De verwijzende rechter wijst erop dat de appellant zich niet bevindt in een situatie die identiek is aan die waarvan sprake was in het voormelde arrest. De appellant heeft niet alleen een voltijdse hoofdactiviteit maar ook een nevenactiviteit die hij met tussenpozen uitoefent (hierna : een deeltijdse en intermitterende nevenactiviteit). Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de prejudiciële vraag in wezen betrekking heeft op de bestaanbaarheid van artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de ZIV-Wet), met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de werknemer die een enkele beroepsactiviteit uitoefent op identieke wijze behandelt als de werknemer die een voltijdse hoofdactiviteit cumuleert met een deeltijdse en intermitterende nevenactiviteit. Volgens de verwijzende rechter laat dat artikel de laatstgenoemde werknemer niet toe een ziekte- of invaliditeitsuitkering te genieten wanneer hij, om medische redenen, een van de activiteiten moet stopzetten, in zoverre hij wordt geconfronteerd met een vermindering van zijn vermogen tot verdienen met twee derde of meer en in zoverre hij geen recht heeft op een uitkering op grond van een andere sociale regeling. 6 B.
  11. Volgens de Ministerraad steunt de prejudiciële vraag op een verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling en is het antwoord op de vraag niet nuttig voor de oplossing van het geschil. Aangezien de exceptie van niet-ontvankelijkheid betrekking heeft op de draagwijdte die moet worden gegeven aan de in het geding zijnde bepaling, valt het onderzoek van de ontvankelijkheid samen met dat van de grond van de zaak. B.3.
  12. Artikel 87 van de ZIV-Wet voorziet in een uitkering ten behoeve van de personen die worden beoogd in artikel 86, § 1, van die wet die « arbeidsongeschikt [zijn] als omschreven in artikel 100 ». B.3.
  13. Artikel 100, § 1, eerste lid, van de ZIV-Wet, dat nooit is gewijzigd, bepaalt : « Wordt als arbeidsongeschikt erkend als bedoeld in deze gecoördineerde wet, de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding ». B.3.3 Artikel 100, § 2, van de ZIV-Wet, zoals gewijzigd bij de programmawet (I) van de wet van 4 juli 2011, bepaalt : « Wordt als arbeidsongeschikt erkend, de werknemer die een toegelaten arbeid hervat op voorwaarde dat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 pct. behoudt. De Koning bepaalt binnen welke termijn en onder welke voorwaarden de toelating tot werkhervatting als bedoeld in het eerste lid wordt verleend ». B.3.
  14. Artikel 100 van de ZIV-Wet vindt zijn oorsprong in de wet van 9 augustus 1963 « tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering ». 7 Uit de parlementaire voorbereiding van die wet vloeit voort dat de wetgever de arbeidsongeschiktheid heeft willen vergoeden omdat zij het vermogen tot verdienen van de werknemer vermindert. Bovendien werd in verband met de mogelijkheid tot hervatting van een beroepsactiviteit beklemtoond : « Wanneer de werknemer een beroepsinkomen tijdens de uitkeringsperiode mag genieten, is het billijk het loon dat hij vóór zijn arbeidsongeschiktheid verdiende niet meer in de volle verhouding als bepaald in de artikelen 46, 50 en 53 te vervangen, aangezien dat loon alsdan gedeeltelijk vervangen wordt door het beschouwde beroepsinkomen » (Parl. St., Kamer, 1962- 1963, nr. 527/1, p. 23). De wetgever heeft zich eveneens erom bekommerd de gezondheid van de werknemer te beschermen en te vermijden dat hij het risico neemt zijn gezondheidstoestand te verergeren, hetgeen verantwoordt dat de werkhervatting wordt gekoppeld aan de voorwaarde met betrekking tot het verkrijgen van de toelating van de adviserend arts. B.3.
  15. De in artikel 87 van de ZIV-Wet bedoelde uitkering is bestemd om het verlies van verdienvermogen van de arbeidsongeschikte werknemer te compenseren. Daartoe heeft artikel 100, § 1, van de ZIV-Wet het verkrijgen van een dergelijke uitkering aan drie voorwaarden gekoppeld. De werknemer dient elke werkzaamheid te hebben onderbroken, die onderbreking moet het rechtstreekse gevolg zijn van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen en die laatste moeten zijn verdienvermogen met minstens twee derde verminderen. De vermindering van zijn verdienvermogen mag niet worden gelijkgesteld met het concrete loonverlies dat de betrokkene lijdt als gevolg van de onderbreking van zijn werkzaamheid. Die vermindering dient immers te worden bepaald door de situatie van de betrokkene te toetsen aan een referteberoep, waarbij met name rekening wordt gehouden met zijn « stand » en « opleiding », alsook met zijn beroep of de verschillende beroepen die hij gelet op zijn beroepsopleiding had kunnen uitoefenen. Er dient daarentegen geen rekening te worden gehouden met de reële mogelijkheden die de arbeidsmarkt al dan niet biedt wat betreft een dergelijk beroep. 8 B.3.
  16. Artikel 100, § 2, van de ZIV-Wet vormt een mildering van het uit paragraaf 1 van dat artikel afgeleide verbod om een beroepsactiviteit te cumuleren met een uitkering voor arbeidsongeschiktheid. De werknemer kan immers een beroepsactiviteit hervatten na ze volledig te hebben gestaakt, en daarbij het voordeel van de tegemoetkoming van de ziekte- en invaliditeitsverzekering behouden, voor zover de adviserend arts toelating daarvoor geeft en de werknemer vanuit geneeskundig oogpunt voor minstens 50 pct. arbeidsongeschikt blijft. De procedure inzake de toelating bedoeld in artikel 100, § 2, van de ZIV-Wet is vastgelegd in artikel 230, § 2, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 « tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 » (hierna : het koninklijk besluit van 3 juli 1996). Zoals het van toepassing is op het geschil voor de verwijzende rechter bepaalt dat artikel : « Om de toelating te bekomen tot de uitoefening van een beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, moet de gerechtigde elke hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid uiterlijk op de eerste werkdag die onmiddellijk aan die hervatting voorafgaat bij zijn verzekeringsinstelling aangeven en binnen dezelfde termijn bij de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling een aanvraag tot toelating indienen om die activiteit tijdens de ongeschiktheid uit te oefenen. De aangifte van de hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, evenals de aanvraag tot toelating aan de adviserend arts worden door de gerechtigde via éénzelfde door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen goedgekeurd formulier bij zijn verzekeringsinstelling ingediend. De adviserend arts van de verzekeringsinstelling moet zijn beslissing nemen uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de eerste dag van de hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid. Hij kan de toelating verlenen om tijdens de ongeschiktheid een beroepsactiviteit uit te oefenen voor zover die verenigbaar is met de betrokken aandoening. Het formulier met de toelating wordt uiterlijk binnen zeven kalenderdagen vanaf de beslissing aan de gerechtigde als kennisgeving over de post toegestuurd. Als de adviserend arts met het oog op het nemen van zijn beslissing een geneeskundig onderzoek heeft uitgevoerd, kan het formulier met de toelating na afloop van het geneeskundig onderzoek aan de gerechtigde worden overhandigd. Die toelating waarin de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van die activiteit nader zijn opgegeven, wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling geborgen. De verzekeringsinstelling draagt de gegevens met betrekking tot die toelating via een elektronisch bericht naar het RIZIV over ». 9 Vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 12 maart 2013 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 » (hierna : het koninklijk besluit van 12 maart 2013), bepaalde artikel 230, § 2, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 : « Om de toelating te bekomen tot de uitoefening van een beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, moet de gerechtigde vóór de hervatting van elke activiteit, hiertoe een aanvraag richten tot de adviserend geneesheer van zijn verzekeringsinstelling die de toelating kan verlenen voor zover zij verenigbaar is met de betrokken aandoening. Die toelating waarin de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van die activiteit nader zijn opgegeven, wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling geborgen. Aan de gerechtigde wordt kennis gegeven van de toelating. Een afschrift van deze toelating wordt door de verzekeringsinstelling gezonden aan de provinciale dienst van de Dienst voor geneeskundige controle ». Uit die bepalingen vloeit voor dat de toelating van de adviserend arts moet worden aangevraagd vóór de hervatting, maar dat die toelating niet noodzakelijkerwijs moet voorafgaan aan de hervatting. B.4.
  17. Bij zijn arrest nr. 51/2013 van 28 maart 2013 heeft het Hof als volgt geoordeeld : « B.
  18. Aan het Hof worden vragen gesteld over de gelijkheid van behandeling, die uit de in het geding zijnde bepaling voortvloeit, tussen de werknemer die maar één beroepsactiviteit uitoefent en de werknemer die er verschillende uitoefent, in zoverre artikel 100, § 1, van de ZIV-Wet in beide gevallen een volledige onderbreking van elke beroepsactiviteit vereist om de uitkering te genieten die daarin wordt bedoeld, en in zoverre artikel 100, § 2, van dezelfde wet bijgevolg in beide gevallen de mogelijkheid om de uitkering voor arbeidsongeschiktheid te cumuleren met een beroepsactiviteit beperkt tot het loutere geval waarin de beroepsactiviteit wordt hervat, maar er niet in voorziet voor het geval waarin een beroepsactiviteit wordt voortgezet. B.
  19. De prejudiciële vragen nopen dus uitdrukkelijk tot het vergelijken van, enerzijds, de werknemer die, aangezien hij de drie in artikel 100, § 1, van de ZIV-Wet vastgestelde voorwaarden heeft vervuld, in staat is om de beroepsactiviteit die hij heeft hervat, te cumuleren met een uitkering voor arbeidsongeschiktheid en, anderzijds, de werknemer die, hoewel hij aanspraak heeft kunnen maken op een vermindering van zijn vermogen tot verdienen van ten minste twee derden die is veroorzaakt door het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen, enkel de beroepsactiviteit heeft beëindigd die onverenigbaar is met zijn gezondheidstoestand en die bijgevolg de andere beroepsactiviteit, die hij blijft uitoefenen, niet kan cumuleren met het recht om krachtens de in het geding zijnde bepaling te worden vergoed. Wegens de samenhang ervan dienen de prejudiciële vragen samen te worden onderzocht. 10 Het staat niet aan het Hof, maar aan de bevoegde rechter, om in concreto te beoordelen of de werknemer die slechts één van zijn beroepsactiviteiten stopzet, maar er een andere blijft uitoefenen, voldoet aan de in artikel 100, § 1, van de ZIV-Wet bepaalde voorwaarde dat zijn vermogen tot verdienen met twee derden of meer is afgenomen. B.
  20. Het is niet onredelijk dat de wetgever de graad van ongeschiktheid die noodzakelijk is om de tegemoetkoming van de ziekte- en invaliditeitsverzekering te doen ingaan en te behouden, op twee derden vastlegt. Het loutere feit dat de werknemer, wiens graad van ongeschiktheid later vermindert, onder bepaalde voorwaarden een uitkering kan blijven genieten en daarbij tevens een beroepsactiviteit kan uitoefenen, houdt niet in dat de wetgever ervan had moeten afzien te vereisen dat moest zijn voldaan aan de graad van arbeidsongeschiktheid die aanvankelijk was vereist om een dergelijke tegemoetkoming van de ziekte- en invaliditeitsverzekering te genieten. B.
  21. De maatregel is des te minder onevenredig daar de werknemer die nooit door een graad van ongeschiktheid van twee derden of meer is getroffen, maar die om medische redenen ervan heeft moeten afzien een deel van zijn activiteiten in loondienst uit te oefenen, onder bepaalde voorwaarden de tegemoetkoming van de werkloosheidsverzekering kan genieten vanaf de schorsing of de onderbreking van zijn arbeidsovereenkomst (Cass., 12 juni 2006, Arr. Cass., 2006, nr. 325), zodat hij, ondanks de ontstentenis van vergoeding door de ziekte- en invaliditeitsverzekering, aangespoord blijft om geleidelijk volledig terug te keren naar de arbeidsmarkt, rekening houdend met zijn gezondheidstoestand. B.8.
  22. Toen de voormelde wet van 9 augustus 1963 in werking trad, was nagenoeg alle arbeid die in loondienst werd verricht, voltijdse arbeid. Als gevolg van een aantal sociaal- economische ontwikkelingen, in het bijzonder de steeds toenemende flexibiliteit van de arbeidsmarkt, is de deeltijdse tewerkstelling de laatste decennia in aanzienlijke mate toegenomen. De mogelijkheid om deeltijds te werken, schept niet alleen mogelijkheden in de combinatie van werk en gezin, maar maakt het ook mogelijk om twee of meer verschillende functies uit te oefenen. B.8.
  23. Indien een werknemer twee of meer deeltijdse functies uitoefent, is het evenwel mogelijk dat hij als gevolg van een ongeval, een beroepsziekte, een letsel of een functionele stoornis niet langer in staat is een van die functies uit te oefenen, terwijl de mogelijkheid om de andere functie of functies uit te oefenen, niet in het gedrang komt. Doorgaans zal in die omstandigheden niet voldaan zijn aan een van de voorwaarden van artikel 100, § 1, van de ZIV- Wet, namelijk de vermindering van zijn vermogen tot verdienen met twee derden of meer. Indien in dergelijke omstandigheden zijn vermogen tot verdienen toch met twee derden of meer zou zijn afgenomen, zal de oorzaak van de werkonderbreking vaak liggen bij een arbeidsongeval of een beroepsziekte, zodat de betrokkene mogelijk recht heeft op een uitkering op grond van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 of op grond van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni
  24. B.8.
  25. Gelet op de complexiteit van de regels betreffende de samenloop tussen de onderscheiden prestaties in het stelsel van de sociale zekerheid der werknemers, valt evenwel niet uit te sluiten dat bepaalde werknemers die verschillende deeltijdse functies uitoefenen en die één van die deeltijdse functies om medische redenen niet langer kunnen uitoefenen, geen 11 recht hebben op een werkloosheidsuitkering, noch op een uitkering op grond van de regeling voor arbeidsongevallen en beroepsziekten, terwijl zij toch worden geconfronteerd met een vermindering van hun vermogen tot verdienen met twee derden of meer. In die mate houdt artikel 100 van de ZIV-Wet thans onvoldoende rekening met de sociaal- economische ontwikkelingen inzake deeltijds werken, aangezien die bepaling vereist dat de betrokkene, om voor een uitkering in aanmerking te komen, eerst alle werkzaamheden heeft stopgezet. B.8.
  26. Met artikel 16 van de programmawet (I) van 4 juli 2011, dat in werking treedt op 9 april 2013, wordt artikel 100, § 2, eerste lid, van de ZIV-Wet vervangen als volgt : ‘ Wordt als arbeidsongeschikt erkend, de werknemer die een toegelaten arbeid hervat op voorwaarde dat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 pct. behoudt. De Koning bepaalt binnen welke termijn en onder welke voorwaarden de toelating tot werkhervatting als bedoeld in het eerste lid wordt verleend ’. Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat de wetgever ‘ de vrijwillige werkhervatting door de gerechtigden die arbeidsongeschikt zijn erkend en die, van een geneeskundig oogpunt uit, een bepaalde vermindering van hun vermogen behouden ’ wenst te bevorderen (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1481/001, p. 4). Zoals de vice-eerste minister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie, heeft gepreciseerd, gaat het om een van de maatregelen van het programma ‘ Back to work ’ (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1481/006, pp. 15 en 16). Hoewel die bepaling van dien aard is dat zij de re-integratie in de arbeidsmarkt kan bevorderen, verhelpt zij niet de problemen waarmee werknemers die verschillende deeltijdse functies uitoefenen, te maken kunnen krijgen, in de mate waarin zij wel hun vermogen tot verdienen zien afnemen met twee derden of meer, maar niet in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de ZIV-Wet aangezien zij niet alle werkzaamheden hebben onderbroken. Nochtans gelden, in zoverre hun medische toestand het toelaat, ook voor hen de voordelen die voortvloeien uit het feit dat hun band met de arbeidsmarkt niet wordt doorgeknipt. B.
  27. Rekening houdend met de eerder vermelde sociaal-economische ontwikkeling is een dergelijk verschil in behandeling tussen de werknemer die na de volledige onderbreking van elke werkzaamheid een beroepsactiviteit heeft hervat en de werknemer die een deeltijdse activiteit heeft behouden, niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Dat verschil in behandeling vindt echter niet zijn oorsprong in de in het geding zijnde bepaling, maar in het ontbreken van een bepaling die een recht op een ZIV-uitkering opent voor werknemers die verschillende deeltijdse functies uitoefenen en die om medische redenen een van die functies moeten stopzetten, in zoverre zij daardoor worden geconfronteerd met een vermindering van hun vermogen tot verdienen met twee derden of meer en in zoverre zij niet uitkeringsgerechtigd zijn op grond van een andere sociale regeling, zoals de werkloosheidsregeling en de regeling voor arbeidsongevallen en beroepsziekten. Het komt aan de wetgever toe om de aard en de omvang van dat recht te bepalen ten aanzien van die categorie van deeltijdse werknemers ». 12 B.4.
  28. De verwijzende rechter merkt op dat, tot op heden, de in dat arrest vastgestelde lacune in de wetgeving niet is weggewerkt. B.
  29. Hoewel de wetgever niet is opgetreden om de in arrest nr. 51/2013 vastgestelde lacune weg te werken, is de in het geding zijnde regeling ingrijpend gewijzigd door een aanpassing van het in B.3.6 vermelde koninklijk besluit. Zoals is vermeld, stelt artikel 100, § 1, van de ZIV-Wet met name als voorwaarde dat de werknemer, indien hij de uitkering voor arbeidsongeschiktheid wenst te ontvangen, « alle werkzaamheid heeft onderbroken ». Die voorwaarde geldt eveneens voor werknemers die verschillende deeltijdse functies uitoefenen, zoals bedoeld in arrest nr. 51/2013, en voor werknemers die een voltijdse hoofdactiviteit combineren met een deeltijdse en intermitterende nevenactiviteit, zoals de appellant voor de verwijzende rechter. Uit artikel 100, § 2, van de ZIV-Wet en artikel 230, § 2, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, zoals gewijzigd bij het op 2 april 2013 bekendgemaakte koninklijk besluit van 12 maart 2013, volgt evenwel dat de werknemer het werk onmiddellijk mag hervatten, zonder de uitkering voor arbeidsongeschiktheid te verliezen, op voorwaarde dat de adviserend arts daarin toestemt en de werknemer vanuit geneeskundig oogpunt voor minstens 50 pct. arbeidsongeschikt blijft. De toelating van de adviserend arts moet niet langer voorafgaand zijn, zoals nog het geval was onder de regeling die het Hof in arrest nr. 51/2013 heeft onderzocht, zodat de werknemer het werk mag hervatten zonder de beslissing van de adviserend arts af te wachten. Immers, zoals vermeld in B.3.6, moet de werknemer de aanvraag tot toelating indienen « uiterlijk op de eerste werkdag die onmiddellijk aan die hervatting voorafgaat » en moet de adviserend arts van de verzekeringsinstelling zijn beslissing nemen « uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de eerste dag van de hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid ». B.
  30. Door die wijziging heeft de gelijke behandeling van de categorie van werknemers die een enkele beroepsactiviteit uitoefenen en de categorie van werknemers die verschillende deeltijdse activiteiten uitoefenen of die een voltijdse hoofdactiviteit combineren met een 13 deeltijdse en intermitterende nevenactiviteit, niet langer onevenredige gevolgen voor de laatstgenoemde categorie van werknemers en is zij derhalve bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Weliswaar bestaat de mogelijkheid dat de werknemers van de laatstgenoemde categorie, nadat zij hun deeltijdse activiteit hebben hervat binnen de vermelde termijn van dertig dagen, geen toelating krijgen van de adviserend arts om die activiteit voor te zetten. Het is evenwel redelijk verantwoord dat de wetgever de werkhervatting heeft gekoppeld aan de voorwaarde met betrekking tot het verkrijgen van de toelating van de adviserend arts. B.
  31. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. B.
  32. Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat ook de in B.1 vermelde ontstentenis van een wetsbepaling, vastgesteld bij het arrest nr. 51/2013, niet langer onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 mei
  33. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.062 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.