id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.063 Arrest- Rolnummer: 63/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 424 - laatst gezien 2026-06-19 09:00 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 november 2017 « houdende wetgevende aanpassingen met het oog op de overname van de dienst onroerende voorheffing door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Onroerende voorheffing - Vrijstelling - Uitsluiting - Onroerende goederen die niet uitsluitend worden gebruikt als plaats voor het openbaar uitoefenen van een eredienst van een erkende godsdienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing en worden gebruikt als woning of zijn uitgerust voor zulk een gebruik Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 63/2022 van 12 mei 2022 Rolnummer : 7577 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 november 2017 « houdende wetgevende aanpassingen met het oog op de overname van de dienst onroerende voorheffing door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 22 april 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 mei 2021, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « - Schendt artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 november 2017 houdende wetgevende aanpassingen met het oog op de overname van de dienst onroerende voorheffing door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in zoverre het bepaalt dat de vrijstelling van de onroerende voorheffing die kan worden toegepast op het kadastraal inkomen van onroerende goederen of delen van onroerende goederen die uitsluitend worden gebruikt als plaats voor het openbaar uitoefenen van een eredienst van een erkende godsdienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing geen betrekking heeft op de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die worden gebruikt als woning of die zijn uitgerust voor zulk een gebruik - bijvoorbeeld een pastorie -, artikel 143, § 1, van de Grondwet en artikel 1ter van de bijzondere wet van 16 juni [lees : januari] 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, in samenhang gelezen met de artikelen 174, 175, tweede lid, 176, tweede lid, en 177, tweede lid, van de Grondwet, doordat het : 2 . de uitoefening, door de federale wetgever, van diens bevoegdheden inzake financiering van de erkende erediensten zou bemoeilijken en . tot gevolg zou hebben, méér dan het belasten van een bron van inkomsten (de onroerende goederen die dienstdoen als pastorie), de begroting van een andere onderverdeling van de Staat (de gemeente), die bestaat uit ontvangsten uit andere belastingen, rechtstreeks te bezwaren en aldus afbreuk te doen aan haar budgettaire autonomie ? - Schendt artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 november 2017 houdende wetgevende aanpassingen met het oog op de overname van de dienst onroerende voorheffing door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in zoverre het bepaalt dat de vrijstelling van de onroerende voorheffing die kan worden toegepast op het kadastraal inkomen van onroerende goederen of delen van onroerende goederen die uitsluitend worden gebruikt als plaats voor het openbaar uitoefenen van een eredienst van een erkende godsdienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing geen betrekking heeft op de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die worden gebruikt als woning of die zijn uitgerust voor zulk een gebruik, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 19 van de Grondwet, doordat het, wat betreft de mogelijkheden tot vrijstelling van de onroerende voorheffing van het kadastraal inkomen van de betrokken onroerende goederen, enerzijds, de onroerende goederen die uitsluitend worden gebruikt als plaats voor het openbaar uitoefenen van een eredienst van een erkende godsdienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing, en die voldoen aan de andere voorwaarden die zijn vastgelegd bij de bepaling die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, en, anderzijds, de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die gebruikt worden als woning of die zijn uitgerust voor zulk een gebruik, en die dienstdoen als woonplaats voor de bedienaar van de eredienst die zijn functie vervult in het onroerend goed dat krachtens die bepaling is vrijgesteld of die daartoe bestemd zijn, verschillend behandelt, terwijl die twee categorieën van onroerende goederen noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de eredienst en rechtstreeks of onrechtstreeks worden ‘ gesubsidieerd ’ door de Belgische Staat ? ». Memories zijn ingediend door : - de vzw « Uniprobel », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Verhaeghe, advocaat bij de balie te Brussel; - het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Molitor, advocaat bij de balie te Brussel. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 23 maart 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 april 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. 3 Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 20 april 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het geschil voor de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel heeft betrekking op de aanslag in de onroerende voorheffing ten laste van de vzw « Uniprobel », voor het aanslagjaar 2018, met betrekking tot een in Brussel gelegen onroerend goed waarvan zij eigenaar is. De vzw « Uniprobel » heeft als statutair doel de werking te steunen van de Verenigde Protestantse Kerk in België. Zij vraagt om te worden vrijgesteld van de onroerende voorheffing, aangezien het onroerend goed als woning (of pastorie) dient voor een bedienaar van de protestantse eredienst. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest verzet zich tegen dat verzoek om vrijstelling om reden dat artikel 253 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het werd vervangen bij artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 november 2017 « houdende wetgevende aanpassingen met het oog op de overname van de dienst onroerende voorheffing door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », met uitwerking vanaf het aanslagjaar 2018, de onroerende goederen die niet uitsluitend worden gebruikt als plaats voor het openbaar uitoefenen van een eredienst van een erkende godsdienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing en die worden gebruikt als woning of zijn uitgerust voor zulk een gebruik, uitsluit van het voordeel van de vrijstelling. In die context stelt de Rechtbank de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van het verzoek tot herformulering van de prejudiciële vragen A.
- De vzw « Uniprobel » verzoekt het Hof om de prejudiciële vragen te herformuleren, op grond van artikel 27, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. In eerste instantie vraagt de vzw « Uniprobel » het Hof om zich uit te spreken over het mogelijk discriminerende karakter van de beperking van het voordeel van de vrijstelling tot de onroerende goederen die worden beheerd door een plaatselijke instelling die belast is met het beheer van de temporaliën van een erkende eredienst. Zij verklaart geen plaatselijke instelling te zijn in de zin van de in het geding zijnde bepaling. Vervolgens vraagt de vzw « Uniprobel » het Hof om het onderzoek van de prejudiciële vragen niet te beperken tot de situatie van onroerende goederen die als woning dienen voor de bedienaar van een erkende eredienst, maar het uit te breiden tot de situatie van onroerende goederen die worden aangewend voor de werking van een erkende eredienst zonder evenwel toegankelijk te zijn voor het publiek, of slechts op beperkte wijze, zodat die onroerende goederen eveneens zijn uitgesloten van het voordeel van de vrijstelling. Ten slotte vraagt de vzw « Uniprobel » het Hof om de artikelen 10, 11, 19, 21, eerste lid, 142 en 181, § 1, van de Grondwet (eerste vraag) en de artikelen 21, eerste lid, 170, 172 en 181, § 1, van de Grondwet (tweede vraag) toe te voegen aan de referentienormen in het licht waarvan de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling moet worden beoordeeld. 4 Ten gronde Wat de eerste prejudiciële vraag betreft A.2.
- De vzw « Uniprobel » voert aan dat de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij de onroerende goederen die bestemd zijn voor de huisvesting van de bedienaar van een erkende eredienst uitsluit van de vrijstelling, het beginsel van de federale loyauteit schendt, zoals het onder meer wordt gewaarborgd bij artikel 143, § 1, van de Grondwet. Dat beginsel verplicht de gewesten om hun bevoegdheden loyaal uit te oefenen, rekening houdend met het beleid van de andere entiteiten. De in het geding zijnde bepaling heeft echter budgettaire gevolgen die in strijd zijn met de doelstellingen die worden nagestreefd door de artikelen 19, 21, eerste lid, en 181, § 1, van de Grondwet, door de wetten die de temporaliën van de erediensten regelen (de wet van 4 maart 1870 « op het tijdelijke der eerediensten » en artikel 255, 9°, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988), of nog door bepaalde gemeentelijke belastingreglementen. Volgens de vzw « Uniprobel » is de weerslag van de in het geding zijnde bepaling op de financiën van de gemeenten een tweede gevolg dat strijdig is met het beginsel van de federale loyaliteit. In dat verband moeten drie elementen in aanmerking worden genomen : de verplichting, voor de gemeente, om een bedienaar van de plaatselijke instelling die belast is met het beheer van de temporaliën van de eredienst te huisvesten (artikel 255, 12°, van de Nieuwe Gemeentewet), die impliceert dat de gemeente de onroerende voorheffing verschuldigd is indien zij eigenaar is van het ter beschikking gestelde onroerend goed; de verplichting, voor de gemeente, om, wanneer de inkomsten van de voormelde plaatselijke instelling ontoereikend zijn, in een compenserende vergoeding te voorzien (artikel 255, 9°, van dezelfde wet); het feit dat de in het geding zijnde bepaling het begrotingsbeleid van de gemeenten aantast, beleid dat tot doel heeft die activiteiten van algemeen belang op hun grondgebied te stimuleren. De vzw « Uniprobel » voert aan dat de onroerende voorheffing die verschuldigd is voor een onroerend goed dat bestemd is voor de huisvesting van de bedienaar van een erkende eredienst, een rechtstreekse of onrechtstreekse weerslag zal hebben – naargelang het onroerend goed al dan niet eigendom is van de erkende plaatselijke instelling – op de begroting van die laatste. Die last zal noodzakelijkerwijs worden afgewenteld op de begroting van de gemeente, die verplicht is, wanneer de inkomsten van de plaatselijke instelling ontoereikend zijn, om in een compenserende vergoeding te voorzien. De vzw « Uniprobel » voert ten slotte aan dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest inbreuk maakt op de bevoegdheden van de federale overheid en dat het de artikelen 19, 21 en 181, §1, van de Grondwet schendt wat de erkende erediensten betreft. De erkenning, door de federale overheid, van de bedienaar van een eredienst, die een plaatselijke instelling bedient, impliceert de verplichting, voor de Belgische overheden, om die bedienaar te huisvesten en hem een wedde toe te kennen. Het in twijfel trekken, met betrekking tot de toepassing van een fiscale norm, of het voor de werking van een erkende eredienst noodzakelijk is om een bedienaar van de eredienst te huisvesten op het grondgebied van de plaatselijke gemeenschap, zou het evenwicht verstoren dat voor de uitoefening van de bevoegdheden werd ingevoerd, tussen de erkende erediensten, de federale overheid en het Gewest. Volgens de vzw « Uniprobel » zou de in het geding zijnde bepaling ook de bevoegdheden van de vertegenwoordigingsorganen schenden. A.2.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering zet uiteen dat de bevoegdheid van de federale wetgever inzake financiering van de erediensten beperkt is tot de erkenning van de erediensten en de wedden en pensioenen van de bedienaars van de erkende erediensten (artikelen 19 tot 21 en 181 van de Grondwet; artikel 6, § 1, VIII, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen). De in het geding zijnde bepaling maakt geen inbreuk op die bevoegdheid en maakt de uitoefening ervan door de federale wetgever niet moeilijker of onmogelijk. Zij schendt het beginsel van de federale loyauteit dus niet. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de gewesten bevoegd zijn voor de gehele organieke wetgeving betreffende de gemeenten en de provincies en dat zij, bij de uitoefening van die bevoegdheid, aan de gemeenten verplichtingen kunnen opleggen, waaronder de verplichting om de overeenstemmende uitgave in te schrijven in hun begroting. Dat vloeit voort uit artikel 255, 12°, van de Nieuwe Gemeentewet, dat voorziet in de verplichting, voor de gemeente, om de vergoeding voor huisvesting van de bedienaren van een eredienst in te schrijven in haar begroting, wanneer de woning niet in natura wordt verschaft. Zelfs in de veronderstelling dat de in het geding zijnde bepaling tot gevolg heeft dat de gemeenten worden verplicht om een nieuwe uitgave op hun begroting in te schrijven ˗ wat in geen enkel opzicht wordt aangetoond ˗, kan zij geen afbreuk doen aan de artikelen 174 en 177, tweede lid, van de Grondwet. 5 A.2.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de in het geding zijnde bepaling artikel 181, § 1, van de Grondwet niet schendt, aangezien dat artikel voor de federale overheid geen enkele verplichting inhoudt om in huisvesting te voorzien voor de bedienaars van erediensten. Het ter beschikking stellen van huisvesting aan de bedienaars van erediensten of, bij ontstentenis daarvan, van een overeenkomstige vergoeding (artikel 255, 12°, van de Nieuwe Gemeentewet en artikel 92, 2°, van het keizerlijk decreet van 30 december 1809 « op de kerkfabrieken »), valt onder de gewestelijke bevoegdheid inzake temporaliën van erediensten. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is overigens bevoegd om de wet van 4 maart 1870 « op het tijdelijke der eerediensten » te wijzigen. De vzw « Uniprobel » voert dus ten onrechte aan dat de in het geding zijnde bepaling die « federale » wetgeving schendt. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft A.3.
- De vzw « Uniprobel » doet gelden dat de beperking van vrijheden die beschermd zijn bij de artikelen 19, 21, eerste lid, en 181, § 1, van de Grondwet, en in het bijzonder de inmengingen in de werking van een erkende eredienst, aan een bijzonder strikte controle moeten worden onderworpen, zowel op het vlak van de verantwoording ervan als op dat van de evenredigheid ervan. De vzw « Uniprobel » voert aan dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 21, eerste lid, en 181, § 1, van de Grondwet schendt. Door de woning van een bedienaar van een door het Gewest erkende instelling aan een belasting te onderwerpen, terwijl die bestemming het gecombineerde resultaat is van de voorafgaande erkenning van de plaatselijke instelling door het Gewest, van de vrije keuze van het vertegenwoordigingsorgaan van de erkende eredienst om in die functie te voorzien teneinde die plaatselijke instelling te bedienen en van de instemming met die vrije keuze door de federale overheid, doet de in het geding zijnde bepaling afbreuk aan de vrijheid van de erkende erediensten om zich te organiseren. De in het geding zijnde bepaling is overigens niet verantwoord in het licht van de artikelen 19, 21, eerste lid, en 181, § 1, van de Grondwet, van de wetten die de temporaliën van de erediensten regelen (de wet van 4 maart 1870 « op het tijdelijke der eerediensten »; artikel 255, 9°, van de Nieuwe Gemeentewet), en van verschillende andere normen die de huisvesting van de bedienaren van erkende instellingen regelen (artikel 255, 12°, van de Nieuwe Gemeentewet). De vzw « Uniprobel » voert aan dat, door de woonfunctie uit te sluiten van de vrijstelling van de onroerende voorheffing, de in het geding zijnde bepaling, enerzijds, personen die een onroerend goed aanwenden voor huisvesting in het kader van de werking van een erkende eredienst en personen die een onroerend goed aanwenden voor de huisvesting in het kader van de werking van niet-erkende of fictieve erediensten, op dezelfde manier behandelt en, anderzijds, personen die een onroerend goed aanwenden voor de werking van een erkende dienst verschillend behandelt naargelang het onroerend goed al dan niet bestemd is voor de huisvesting van de bedienaar van de eredienst, terwijl in beide gevallen het onroerend goed noodzakelijk is voor de werking van de erkende eredienst en beide categorieën van personen zich in vergelijkbare situaties bevinden wat betreft de toepassing van de wet van 4 maart 1870 « op het tijdelijke der eerediensten » en van artikel 255, 9°, van de Nieuwe Gemeentewet. Volgens de vzw « Uniprobel » zijn die discriminaties niet redelijk verantwoord. Wat betreft de onroerende goederen die worden aangewend voor de werking van een door de federale overheid erkende eredienst, kan de in het geding zijnde uitsluiting niet worden verantwoord door het doel van de ordonnantiegever, namelijk misbruik door fictieve of niet-erkende erediensten voorkomen. Er is immers geen gevaar voor misbruik wanneer een eigenaar zijn goed bestemt voor de uitoefening van een op federaal niveau erkende eredienst. De vzw « Uniprobel » voert aan dat, door een onroerend goed te bestemmen voor de huisvesting van de bedienaar van een eredienst, de belastingplichtige geen winstoogmerk nastreeft, maar een doel van algemeen belang dient. Andere wetsbepalingen achten de woonfunctie uitdrukkelijk noodzakelijk voor de uitoefening van een openbare eredienst. Het belasten van die huisvesting zou erop neerkomen dat zij geen nut heeft voor de werking van de erkende eredienst, wat niet juist is. Dat zou voor de wetgever ook erop neerkomen dat hij zich op buitensporige wijze inmengt in de organisatie van de erkende erediensten. De vzw « Uniprobel » voert ten slotte aan dat de in het geding zijnde bepaling in strijd is met het fiscale beleid van de Staat en van andere entiteiten. De federale wetgever heeft steeds geoordeeld dat onroerende goederen die als pastorie dienen, geen normale economische opbrengst hebben en bijgevolg moeten worden vrijgesteld van de grondbelasting en van de inkomstenbelasting (zie artikel 12, § 1, van het WIB 1992). A.3.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt dat het doel van de ordonnantiegever niet beperkt is tot het bestrijden van bepaalde misbruiken die in het kader van de toepassing van de voorgaande regeling waren 6 vastgesteld. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de in het geding zijnde bepaling tot een optimalisatie van de middelen strekt, onder meer door bepaalde voorwaarden die verbonden zijn aan de toekenning van verminderingen te vereenvoudigen met een zo gering mogelijke financiële impact. Het gaat dus om een vereenvoudiging van de inning van de belasting. De ordonnantiegever wilde ook vermijden dat de vrijstelling een te ruime draagwijdte zou hebben, wat onverenigbaar zou zijn met een goede werking van de overheidsfinanciën. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering herinnert eraan dat de wetgever vrij is om te beslissen wanneer een beleidswijziging zich opdringt, en dat zulk een wijziging op zich niet discriminerend kan zijn. Volgens haar wordt met het verschil in behandeling een legitiem doel nagestreefd en heeft het geen onevenredige gevolgen. Het leidt niet tot een verstoring van het evenwicht van de globale constructie die samenhangt met het optreden van de verschillende overheidsinstanties die bevoegd zijn inzake erediensten. Er wordt geenszins aangetoond dat de onroerende voorheffing die wordt geïnd op de onroerende goederen die dienen voor de huisvesting van bedienaars van erediensten, onevenredig zou zijn ten opzichte van de middelen van de betrokken erediensten, noch dat zij hun voortbestaan zou bedreigen of hun interne organisatie, hun werking of de activiteiten die zij organiseren op religieus vlak ernstig zou belemmeren. Wat de bewoordingen van de prejudiciële vraag betreft, preciseert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering ten slotte dat het niet juist is te beweren dat de onroerende goederen die door het verwijzende rechtscollege worden beoogd, rechtstreeks of onrechtstreeks door de Belgische Staat worden « gesubsidieerd ». -B- B.
- Artikel 253, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), zoals het werd vervangen door het in het geding zijnde artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 november 2017 « houdende wetgevende aanpassingen met het oog op de overname van de dienst onroerende voorheffing door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », met uitwerking vanaf het aanslagjaar 2018 bepaalt : « Op verzoek van de belastingplichtige, wordt vrijgesteld van de onroerende voorheffing, het kadastraal inkomen van onroerende goederen of delen van onroerende goederen die aan volgende cumulatieve voorwaarden voldoen : a) uitsluitend worden gebruikt als plaats voor het openbaar uitoefenen van een eredienst van een erkende godsdienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet- confessionele levensbeschouwing; b) toegankelijk voor het publiek zijn; c) regelmatig worden gebruikt voor evenementen van eredienst of van morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing; d) worden beheerd door een plaatselijke instelling, erkend door de bevoegde overheid, belast met het beheer van de temporaliën van de eredienst, of door een instelling voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad. Worden niet beoogd door de vrijstelling vermeld in het vorige lid : 7 a) de onroerende goederen of delen van onroerende goederen gebruikt als woning of uitgerust voor zulk gebruik; b) de feestzalen of vergaderzalen, tenzij het bewijs wordt aangebracht dat het gaat over de hoofdplaats van de openbare uitoefening van de eredienst of de morele dienstverlening en dat evenementen van de eredienst of de morele dienstverlening er gemiddeld minstens drie keer per week worden gehouden ». B.
- De verwijzende rechter stelt het Hof vragen over de bestaanbaarheid van die bepaling, in zoverre zij erin voorziet dat de vrijstelling van de onroerende voorheffing voor het kadastraal inkomen van onroerende goederen die uitsluitend worden gebruikt als plaats voor het uitoefenen van de eredienst van een erkende godsdienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing geen betrekking heeft op onroerende goederen die worden gebruikt als woning of die zijn uitgerust voor zulk een gebruik, met het beginsel van de federale loyauteit (eerste prejudiciële vraag) en met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met de vrijheid van eredienst (tweede prejudiciële vraag). B.
- De vzw « Uniprobel » verzoekt het Hof om de prejudiciële vragen te herformuleren, teneinde het onderwerp ervan uit te breiden tot aspecten die niet door de verwijzende rechter worden beoogd en verschillende bepalingen van de Grondwet die niet door de verwijzende rechter worden beoogd, op te nemen in het onderzoek van de vragen. In dat verband zet de vzw « Uniprobel » onder meer uiteen dat het onroerend goed waarvan zij eigenaar is, niet wordt beheerd door een door de bevoegde overheid erkende plaatselijke instelling die is belast met het beheer van de temporaliën van de eredienst, in de zin van artikel 253, § 2, eerste lid, d), van het WIB
- Zij vraagt het Hof om zich uit te spreken over de grondwettigheid van die voorwaarde. B.
- De partijen mogen de draagwijdte van de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen niet wijzigen of laten wijzigen. Wanneer het verzoek tot herformulering van de prejudiciële vragen leidt tot een wijziging van de draagwijdte ervan, kan het Hof er geen gevolg aan geven. 8 B.5.
- Het blijkt dat het verzoek van de vzw « Uniprobel » tot herformulering gedeeltelijk verband houdt met de vraag of de prejudiciële vragen nuttig zijn voor de oplossing van het geschil. B.5.
- In de regel komt het de verwijzende rechter toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.5.
- Om te kunnen worden vrijgesteld van de onroerende voorheffing, dient het betrokken onroerend goed te voldoen aan verschillende cumulatieve voorwaarden die zijn vermeld in artikel 253, § 2, eerste lid, van het WIB
- Een van die voorwaarden is dat het onroerend goed moet worden beheerd door een plaatselijke instelling, erkend door de bevoegde overheid, belast met het beheer van de temporaliën van de eredienst, of door een instelling voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad (artikel 253, § 2, eerste lid, d)). De door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen hebben geen betrekking op dat vereiste. Aangezien de voorwaarde, bepaald in artikel 253, § 2, eerste lid, d), van het WIB 1992, volgens welke het onroerend goed moet worden beheerd door een door de bevoegde overheid erkende plaatselijke instelling die is belast met het beheer van de temporaliën van de eredienst, of door een instelling voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad, volgens de verklaringen van de vzw « Uniprobel » zelf, niet is vervuld in het bodemgeschil, zou die laatste hoe dan ook niet de vrijstelling van de onroerende voorheffing kunnen genieten, los van de antwoorden die het Hof zou kunnen geven op de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen over de grondwettigheid van de uitsluiting van de vrijstelling van de onroerende voorheffing voor onroerende goederen die als woning worden gebruikt of die zijn uitgerust voor zulk een gebruik. De antwoorden op de prejudiciële vragen zijn aldus kennelijk zonder nut voor de oplossing van het bodemgeschil. B.
- De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.063 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.154 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div