← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.065

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.065 Arrest- Rolnummer: 65/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 414 - laatst gezien 2026-06-18 15:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (art. 17, § 5, van het Vlaamse decreet van 30 april 2004, in de interpretatie dat de daarin bepaalde beroepstermijn aanvangt de dag na de verzending van de kennisgeving van de beslissing) - Geen schending (dezelfde bepaling, in de interpretatie dat die beroepstermijn aanvangt de derde werkdag na de verzending van de kennisgeving van de beslissing, behoudens indien de overtreder bewijst dat de aangetekende brief pas later op zijn woonplaats werd aangeboden) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 17, § 5, van het Vlaamse decreet van 30 april 2004 « tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn », gesteld door het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent. Sociaal strafrecht - Vlaamse Gemeenschap / Vlaams Gewest - Administratieve geldboete - Beroepstermijn - Aanvangspunt van de beroepstermijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 65/2022 van 12 mei 2022 Rolnummer : 7721 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 17, § 5, van het Vlaamse decreet van 30 april 2004 « tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn », gesteld door het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, D. Pieters en E. Bribosia, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 3 januari 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 januari 2022, heeft het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 17, § 5 van het Vlaams decreet van 30 april 2004 tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, samen gelezen met artikel 6.1 EVRM, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat de daarin bepaalde beroepstermijn van twee maanden aanvangt de dag na de verzending van de kennisgeving van de beslissing, terwijl voor de beroepstermijn in fiscale aangelegenheden wordt aangenomen dat de beroepstermijn slechts aanvangt de derde werkdag volgend op die waarop de beslissing aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst (artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek), terwijl daardoor twee categorieën van personen die een beslissing van de overheid wensen aan te vechten en zich aldus in een zelfde situatie bevinden, verschillend zouden worden behandelend naargelang het geschil fiscaalrechtelijk dan wel sociaalrechtelijk van aard is, en zulks zonder dat dat verschil in behandeling redelijk lijkt te zijn verantwoord ? ». 2 Op 19 januari 2022 hebben de rechters-verslaggevers D. Pieters en E. Bribosia, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. De vzw « Integratielokaal El Maistro », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Liebaut, advocaat bij de balie te Dendermonde, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De inspectiedienst Toezicht op de Sociale Wetten stelde in een proces-verbaal van 25 maart 2018 vast dat de vzw « Integratielokaal El Maistro » vier inbreuken op de sociale wetgeving heeft begaan, nadat de sociale inspecteurs van de lokale politie Lokeren bij een inspectie op 24 maart 2018 hadden vastgesteld dat een illegaal in het land verblijvende man er achter de toog werkte. Bij brief van 18 oktober 2018 meldde het Vlaamse departement Werk dat de vzw een administratieve geldboete ten belope van 18 000 euro riskeerde. Bij e-mail van 27 februari 2019 diende de raadsman van de vzw zijn verweermiddelen in. Bij aangetekende brief van 9 april 2019 legde het departement de vzw een geldboete van 3 000 euro op, verminderd met 40 % wegens verzachtende omstandigheden. De vzw tekende bij verzoekschrift van 12 juni 2019 beroep aan tegen die beslissing bij de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Sint-Niklaas. Die Rechtbank verklaarde het beroep onontvankelijk wegens laattijdigheid, omdat de beroepstermijn krachtens de in het geding zijnde bepaling begint te lopen na de verzending van de beslissing. Het Arbeidshof te Gent stelt ook vast dat het beroep krachtens de in het geding zijnde bepaling laattijdig is ingediend, maar stelt op verzoek van de vzw de onderhavige prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.

  1. In hun conclusies opgesteld met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof hebben de rechters-verslaggevers gewezen op de vaste rechtspraak van het Hof krachtens welke een verschil in behandeling dat haar grondslag vindt in een onderscheiden regeling in een federale wetsbepaling en in een decreet van een gemeenschap of gewest, het gevolg is van de autonomie die aan de gemeenschappen en de gewesten, enerzijds, en aan de federale overheid, anderzijds, door of krachtens de Grondwet is toegekend in de aangelegenheden die onder hun respectieve bevoegdheden vallen. Tevens hebben zij gewezen op de vaste rechtspraak van het Hof krachtens welke een kennisgeving bij aangetekende brief wordt geacht geschied te zijn de eerste werkdag die volgt op de dag van de afgifte van de brief ter post. A.
  2. De vzw « Integratielokaal El Maistro » wijst op recente cassatierechtspraak over artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek. Krachtens die rechtspraak doet een kennisgeving bij aangetekende brief de termijnen ingaan de derde werkdag na de afgifte ervan bij de post, behoudens indien de geadresseerde het tegenbewijs levert dat de aangetekende brief pas later aan zijn woonplaats werd aangeboden. 3 -B- B.
  3. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 17, § 5, van het Vlaamse decreet van 30 april 2004 « tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn » (hierna : het decreet van 30 april 2004), dat, in de versie ervan die van toepassing is op het bodemgeschil, bepaalt : « De overtreder die de beslissing van de bevoegde ambtenaar betwist, tekent op straffe van verval binnen een termijn van twee maanden na de verzending van de kennisgeving van de beslissing, door middel van de neerlegging van een verzoekschrift overeenstemmend met de bepalingen van artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek beroep aan bij de arbeidsrechtbank. Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing ». B.
  4. De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt, in zoverre zij bepaalt dat de daarin bedoelde beroepstermijn van twee maanden om de krachtens dat decreet opgelegde administratieve geldboeten aan te vechten, ingaat op de eerste dag na de verzending van de kennisgeving van die beslissing, terwijl artikel 53bis, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek vergelijkbare termijnen pas doet ingaan op de derde dag na de overhandiging aan de postdiensten van het aangetekend schrijven waarmee de kennisgeving wordt gedaan. B.
  5. Het bekritiseerde verschil in behandeling is het gevolg van de autonomie die aan de gemeenschappen en de gewesten en aan de federale overheid door of krachtens de Grondwet is toegekend, in de aangelegenheden die onder hun respectieve bevoegdheden vallen. Onverminderd de mogelijke toepassing van het evenredigheidsbeginsel bij de bevoegdheidsuitoefening, zou die autonomie geen betekenis hebben indien een verschil in behandeling tussen adressaten van, enerzijds, federale regels en, anderzijds, gewestelijke regels in analoge aangelegenheden, als zodanig strijdig zou worden geacht met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. 4 In zoverre de prejudiciële vraag betrekking heeft op een verschil in behandeling tussen de aanvang van de termijn bedoeld in de in het geding zijnde bepaling en de aanvang van de termijnen bedoeld in artikel 53bis, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, dient zij ontkennend te worden beantwoord. B.4.
  6. Het Hof dient evenwel nog te onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het recht op een eerlijk proces. In dat verband heeft het Hof al herhaaldelijk geoordeeld dat een beroepstermijn van twee maanden tegen een administratieve beslissing die ingaat op een ogenblik dat de geadresseerde daarvan geen kennis kan hebben, de rechten van verdediging op onevenredige wijze beperkt, terwijl een even lange beroepstermijn die ingaat op de dag waarop de geadresseerde daarvan kennis heeft gekregen of daarvan naar alle waarschijnlijkheid kennis heeft kunnen nemen, de rechten van verdediging van de geadresseerde niet op onevenredige wijze beperkt (zie onder andere het arrest nr. 87/2019 van 28 mei 2019). B.4.
  7. In de interpretatie die de verwijzende rechter eraan geeft, vangt de beroepstermijn bedoeld in de in het geding zijnde bepaling steeds aan de dag na de verzending van de kennisgeving van de beslissing. Die interpretatie houdt geen rekening met de datum waarop de aangetekende brief daadwerkelijk aan de woonplaats van de geadresseerde wordt aangeboden en kan dus als gevolg hebben dat die beroepstermijn begint te lopen vooraleer de geadresseerde redelijkerwijze kennis van de beslissing heeft kunnen krijgen. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.5.
  8. Het Hof merkt evenwel op dat een andere interpretatie van de in het geding zijnde bepaling mogelijk is. Krachtens artikel 17, § 4, van het decreet van 30 april 2004 wordt de beslissing waarmee een administratieve geldboete wordt opgelegd, « bij een ter post aangetekende brief aan de overtreder ter kennis gegeven ». 5 Bij zijn arrest van 14 februari 2019 (rolnummer F.17.0153.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190214.3) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat wanneer de kennisgeving bij aangetekende brief of bij gewone brief geschiedt, de termijnen die deze doet ingaan, beginnen te lopen op de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst; « het tegenbewijs dat de geadresseerde van een aangetekende brief dient te leveren, heeft […] geen betrekking op het tijdstip waarop hij daadwerkelijk van de brief heeft kennisgenomen maar op het tijdstip waarop die brief op zijn woonplaats werd aangeboden, zodat hij daarvan naar alle waarschijnlijkheid heeft kunnen kennisnemen ». B.5.
  9. In die interpretatie vangt de beroepstermijn bedoeld in de in het geding zijnde bepaling aan de derde werkdag na de verzending van de kennisgeving van de beslissing, behoudens indien de overtreder bewijst dat de aangetekende brief pas later op zijn woonplaats werd aangeboden. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 17, § 5, van het Vlaamse decreet van 30 april 2004 « tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie dat de daarin bepaalde beroepstermijn aanvangt de dag na de verzending van de kennisgeving van de beslissing. - Dezelfde bepaling schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie dat die beroepstermijn aanvangt de derde werkdag na de verzending van de kennisgeving van de beslissing, behoudens indien de overtreder bewijst dat de aangetekende brief pas later op zijn woonplaats werd aangeboden. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 mei
  10. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.065 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190214.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.