id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.070 Arrest- Rolnummer: 70/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 432 - laatst gezien 2026-06-14 19:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (art. 5 en 19 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021) - Verwerping van het beroep voor het overige (onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.49.9 en B.49.10) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021 « betreffende het investeringsplan voor schoolgebouwen in het kader van het Europees plan voor herstel en veerkracht », ingesteld door de vzw « Secrétariat Général de l'Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone » en anderen. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Investeringsplan voor schoolgebouwen -
- Theoretische verdeelsleutel van de subsidiëringen - Verschillende financieringsratio's per onderwijsniveau - Bevoegdheid van de Franse Gemeenschapsregering om de te subsidiëren projecten voor de drie onderwijsnetwerken te kiezen -
- Verplicht van de inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net die basis- of secundair onderwijs organiseren, om de eigendom of het zakelijke recht met betrekking tot het schoolgebouw dat een subsidie van meer dan 383 805 euro geïndexeerd geniet, kosteloos over te dragen -
- Termijn van afgifte voor de subsidieaanvraag Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 70/2022 van 19 mei 2022 Rolnummer : 7696 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021 « betreffende het investeringsplan voor schoolgebouwen in het kader van het Europees plan voor herstel en veerkracht », ingesteld door de vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 december 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 december 2021, is beroep tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021 « betreffende het investeringsplan voor schoolgebouwen in het kader van het Europees plan voor herstel en veerkracht » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 oktober 2021) ingesteld door de vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone », de vzw « Union Francophone des Associations de Parents de l’Enseignement Catholique », de vzw « Pouvoir organisateur du Centre d’Enseignement secondaire catholique à Habay-la-Neuve », de vzw « Ecole libre Saint-Martin », de vzw « Centre Scolaire de la Sainte-Union Kain », de vzw « Groupe Sainte-Véronique », de vzw « Collège Saint-Augustin », de vzw « Enseignement secondaire diocésain du Plateau de Herve », de vzw « Collège Notre-Dame », de vzw « Centre Scolaire du Sacré-Cœur », de vzw « Communauté éducative Sainte-Marie de Schaerbeek Saint-Josse », de vzw « Collège Notre-Dame de la Tombe », de vzw « Comité scolaire des Ecoles fondamentales libres subventionnées de Seneffe », de vzw « Ecole de Commerce - Institut Notre-Dame », de vzw « Ecoles primaires et gardiennes libres de Messancy-Differt », de vzw « Collège Matteo Ricci », de vzw « Institut Technique Supérieur Cardinal Mercier », de vzw « Ecole pratique des hautes études commerciales », de vzw « Institut Supérieur de Musique et Pédagogie », de 2 vzw « Ecole catholique de la Paroisse Saint Médard à Anderlues », de vzw « Centre psycho-médico-social libre Tournai-Ath », de vzw « Pouvoir Organisateur des Ecoles d’Enseignement Spécialisé Sainte-Gertrude », de vzw « Association pour la Gestion des Bâtiments de l’Enseignement Catholique de Hannut et Environs », de vzw « Enseignement Catholique de Hannut », Pascal Dumont, Christophe Renier, Caroline Blaffart, Jonathan Trigaux, Marianne Criminisi en Cécile Fache, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Renders en Mr. E. Gonthier, advocaten bij de balie te Brussel. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van hetzelfde decreet. Bij het arrest nr. 32/2022 van 24 februari 2022, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 februari 2022, heeft het Hof de artikelen 5 en 19 van dat decreet geschorst. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de openbare instelling « Wallonie Bruxelles Enseignement », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sautois, advocaat bij de balie te Brussel; - de vzw « Conseil de l’Enseignement des Communes et des Provinces » (CECP), de vzw « Conseil des Pouvoirs Organisateurs de l’Enseignement Officiel Neutre Subventionné » (CPEONS) en de vzw « Fédération des Associations de Parents de l’Enseignement Officiel » (FAPEO), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Uyttendaele en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel; - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Lemmens en Mr. E. Kiehl, advocaten bij de balie Luik-Hoei. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 31 maart 2022 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 20 april
- Op de openbare terechtzitting van 20 april 2022 : - zijn verschenen : . Mr. D. Renders en Mr. E. Gonthier, voor de verzoekende partijen; . Mr. J. Sautois, voor de openbare instelling « Wallonie Bruxelles Enseignement » (tussenkomende partij); . Mr. A. Feyt, tevens loco Mr.M. Uyttendaele, voor de vzw « Conseil de l’Enseignement des Communes et des Provinces » (CECP), de vzw « Conseil des Pouvoirs Organisateurs de l’Enseignement Officiel Neutre Subventionné » (CPEONS) en de vzw « Fédération des Associations de Parents de l’Enseignement Officiel » (FAPEO) (tussenkomende partijen); . Mr. E. Kiehl, tevens loco Mr. E. Lemmens, voor de Franse Gemeenschapsregering; 3 - hebben de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.1.
- De eerste verzoekende partij doet blijken van een belang om in rechte te treden in haar hoedanigheid van federatie van inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net. De tweede verzoekende partij is een vereniging wier statutair doel erin bestaat de belangen te verdedigen van ouders die hun kinderen onderwijs laten volgen in het gesubsidieerd vrij onderwijs. A.1.
- De derde tot de zevende verzoekende partij zijn inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net die eigenaar zijn van de gebouwen waarin zij hun onderwijs organiseren. De achtste tot de zeventiende verzoekende partij zijn inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net die geen eigenaar zijn van de gebouwen waarin zij hun onderwijs organiseren. De achttiende en negentiende verzoekende partij zijn respectievelijk een hogeschool en een kunsthogeschool van het gesubsidieerde vrije net. De gebouwen van de derde tot de negentiende verzoekende partij vereisen een sloop/verbouwing of zeer aanzienlijke renovatiewerken. A.1.
- De twintigste en eenentwintigste verzoekende partij zijn inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net die leerplichtonderwijs en een « centre psycho-médical-social » (psycho-medisch-sociaal centrum, hierna : PMSC) organiseren. Hun schoolgebouwen hebben renovatiewerken nodig. De tweeëntwintigste verzoekende partij is een inrichtende macht van het gesubsidieerde vrije net die buitengewoon onderwijs organiseert. Zij is geen eigenaar van de gebouwen waarin zij haar onderwijs organiseert, en die aanzienlijke interventies vereisen. A.1.
- De drieëntwintigste verzoekende partij is een vereniging die gebouwen bezit die zijn bestemd voor het onderwijs dat door de vierentwintigste verzoekende partij wordt georganiseerd. A.1.
- De vijfentwintigste tot de achtentwintigste verzoekende partij zijn leerkrachten van het gesubsidieerde vrije net en de negentwintigste en dertigste verzoekende partijen zijn ouders die ervoor hebben gekozen om hun kinderen onderwijs te laten volgen in scholen van het gesubsidieerde vrije net. A.
- De verzoekende partijen voeren aan dat zij rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door het bestreden decreet, in zoverre het een ongelijke verdeling met zich meebrengt van Europese middelen ten nadele van het gesubsidieerde vrije onderwijsnet, in zoverre het de inrichtende machten van het leerplichtonderwijs van het gesubsidieerde vrije net verplicht om afstand te doen van hun eigendom of van de zakelijke rechten die zij op hun gebouwen hebben of om de eigenaar te overtuigen zulks te doen om subsidies te kunnen genieten, en in zoverre het bestreden decreet de inrichtende machten ertoe verplicht uiterlijk tegen 31 december 2021 een subsidieaanvraag in te dienen. De verzoekende partijen hebben hoe dan ook een belang bij het bestrijden van het bestreden decreet door het loutere feit dat zij, in geval van een vernietiging, een voor hen gunstigere subsidieregeling zouden kunnen genieten. A.
- De Franse Gemeenschapsregering doet gelden dat Pascal Dumont, Christophe Renier, Caroline Blaffart, Jonathan Trigaux, Marianne Criminisi en Cécile Fache niet doen blijken van een belang om in 4 rechte te treden. In hun respectieve hoedanigheden van schooldirecteur, leerkrachten of ouders die ervoor hebben gekozen om hun kinderen onderwijs te laten volgen in een school van het gesubsidieerde vrije net, worden zij slechts onrechtstreeks geraakt door het bestreden decreet. A.4.
- In hun memorie van antwoord preciseren de verzoekende partijen dat sommigen van hen geen subsidieaanvraag hebben kunnen indienen omdat zij niet de tijd hebben gehad om het dossier af te maken, omdat zij niet in staat zijn geweest om de noodzakelijke middelen bijeen te brengen, omdat zij niet erin zijn geslaagd de verbintenis van de eigenaar van het schoolgebouw te verkrijgen om het gebouw over te dragen aan een maatschappij voor vastgoedbeheer of nog omdat zij ervan hebben afgezien hun statutair doel teniet te doen door de schoolgebouwen die zij beheren, over te dragen aan een maatschappij voor vastgoedbeheer. Bovendien hebben een aantal verzoekende partijen die een subsidieaanvraag hebben ingediend, de omvang van hun projecten beperkt om niet ertoe te worden gedwongen hun gebouwen over te dragen aan een maatschappij voor vastgoedbeheer. A.4.
- De verzoekende partijen beklemtonen dat de derde verzoekende partij, wier statutair doel erin bestaat schoolgebouwen te bezitten om ze ter beschikking te stellen van de vierentwintigste verzoekende partij, een belang heeft om in rechte te treden. Bovendien worden de belangen van de leerkrachten en van de ouders van leerlingen van het vrije net wel degelijk rechtstreeks geraakt door het bestreden decreet, dat stelt het belang van het kind na te streven. Nu eens wordt het welzijn op het werk van die verzoekende partijen geraakt, dan weer wordt hun vrije keuze als ouder geraakt om hun kinderen onderwijs te laten volgen in een school waarvan de gebouwen beantwoorden aan de normen. De tweede verzoekende partij, die tot doel heeft de belangen van ouders van het gesubsidieerd vrij onderwijs te verdedigen, heeft ook een belang om in rechte te treden. Bijgevolg beschikken alle verzoekende partijen daadwerkelijk over een belang om in rechte te treden. Ten aanzien van het belang van « Wallonie Bruxelles Enseignement » om tussen te komen A.5.
- De autonome openbare instelling « Wallonie Bruxelles Enseignement » (hierna : WBE), tussenkomende partij die zich voorstelt als de grootste inrichtende macht in de Franse Gemeenschap, doet blijken van een belang om tussen te komen dat is gesteund op de diverse opdrachten die zij in verband met het bestreden decreet uitoefent. Enerzijds bepaalt artikel 2 van het bestreden decreet dat dat decreet van toepassing is op de inrichtende machten in de Franse Gemeenschap en dus ook op WBE. Anderzijds is, krachtens artikel 19, § 3, van het bestreden decreet, WBE ertoe gemachtigd voorstellen te formuleren in verband met het vastleggen van subenveloppes binnen de voor de verschillende onderwijsnetten bestemde subsidie-enveloppes. A.5.
- WBE doet eveneens gelden dat zij de rol dient over te nemen van de Algemene Dienst voor Infrastructuur van de Franse Gemeenschap, die de vragen met betrekking tot het onderhoud van de gebouwen of nog de energietransitie ervan behandelt. De wettelijke opdracht van WBE houdt dus rechtstreeks verband met het bestreden decreet. A.5.
- Ten slotte doet WBE gelden dat zij, in haar hoedanigheid van inrichtende macht, 29 financieringsdossiers heeft ingediend op grond van het bestreden decreet, voor schoolgebouwen die hetzij aan de Franse Gemeenschap, hetzij aan « Sociétés publiques d’administration des bâtiments scolaires » (Publiekrechtelijke Maatschappijen voor het Beheer van de Schoolgebouwen, hierna : PMBS) toebehoren. A.5.
- WBE besluit dat haar belang om tussen te komen duidelijk is. Ten aanzien van het belang van de vzw « Conseil de l’enseignement des communes et des provinces », van de vzw « Conseil des pouvoirs organisateurs de l’enseignement officiel neutre subventionné » en van de vzw « Fédération des associations de parents de l’enseignement officiel » om tussen te komen A.6.
- De vzw « Conseil de l’enseignement des communes et des provinces », de vzw « Conseil des pouvoirs organisateurs de l’enseignement officiel neutre subventionné » en de vzw « Fédération des associations de parents de l’enseignement officiel » verantwoorden hun belang om tussen te komen op grond van hun respectieve statuten en op het feit dat zij werden betrokken bij de besprekingen met betrekking tot het ontwerpdecreet. A.6.
- Zij voeren bovendien aan dat een vernietiging van het bestreden decreet de financiering van de renovatieprojecten voor de schoolgebouwen van de inrichtende machten waarvan de vzw « Conseil de l’enseignement des communes et des provinces » en de vzw « Conseil des pouvoirs organisateurs de 5 l’enseignement officiel neutre subventionné » de belangen vertegenwoordigen, zou uitstellen en zelfs zou verhinderen. De vzw « Fédération des associations de parents de l’enseignement officiel » heeft een belang om tussen te komen, omdat een vernietiging van het bestreden decreet tot gevolg zou hebben dat de schoolgebouwen waarin de kinderen worden opgevangen van de ouders van wie de federatie de belangen vertegenwoordigt, het risico lopen de subsidies niet te genieten. Ten aanzien van de omvang van het beroep A.
- De Franse Gemeenschap en WBE voeren aan dat het beroep geen betrekking heeft op het volledige bestreden decreet. Het eerste middel beoogt enkel de artikelen 5 en 19 van dat decreet, het tweede middel betreft enkel artikel 26 en het derde middel heeft enkel betrekking op de artikelen 3 en
- Het Hof dient zijn onderzoek dus tot die bepalingen te beperken. Ten aanzien van de middelen Eerste middel A.
- De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 3, 4, 5, 16, 17, 18, 19, 22 en met de bijlagen V en VI van de verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 « tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit », in zoverre de artikelen 3 tot 20 en de bijlagen 1 tot 4 van het bestreden decreet een verdeelsleutel van Europese herstelmiddelen invoeren die minder gunstig is voor het gesubsidieerde vrije net dan voor de andere netten (eerste grief), in zoverre zij een maximale financieringsratio van het totaalbedrag van de investering voor de projecten van het gesubsidieerde vrije net vaststellen die lager is dan de financieringsratio’s die voor de andere netten worden toegepast en waarvoor bovendien een maximumbedrag bepaald is van twee miljoen euro (tweede grief), en in zoverre zij de Franse Gemeenschapsregering ertoe machtigen de te subsidiëren projecten te kiezen voor de drie onderwijsnetten (derde grief). A.9.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap, dat onderwijs verstrekt aan 15 % van de leerlingen, a priori 41,15 % van de Europese middelen toegekend krijgt, dat het gesubsidieerde officiële net, dat onderwijs verstrekt aan 35 % van de leerlingen, a priori 34,12 % van dezelfde middelen toegekend krijgt en dat het gesubsidieerde vrije net a priori 24,73 % van de Europese middelen toegekend krijgt, terwijl het onderwijs verstrekt aan 50 % van de leerlingen. Zij zijn bijgevolg van mening dat het bestreden decreet de Europese middelen onbillijk verdeelt. Hoewel het juist is dat die theoretische verdeling 15 % naar beneden of 15 % naar boven kan worden bijgesteld, via een mechanisme van communicerende vaten tussen de enveloppes per net, herstelt zulks de billijkheid van de verdeling van de Europese middelen niet. De toepassing van dat mechanisme hangt immers af van de oorspronkelijke keuze van de te subsidiëren projecten door de Franse Gemeenschapsregering op grond van criteria die haar een belangrijke beoordelingsmarge verlenen. Dat systeem is overigens van dien aard dat het een belangenconflict doet ontstaan. A.9.
- De theoretische verdeelsleutel inzake financiering leidt ertoe dat de leerlingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs vijfmaal minder (18 %) Europese herstel- en veerkrachtmiddelen zullen genieten dan de leerlingen die onderwijs volgen in het net van de Franse Gemeenschap. Het is de meest ongunstige verdeelsleutel sedert 25 jaar. In werkelijkheid zou, om een billijke verdeling van de Europese middelen te verkrijgen, moeten worden voorzien in een financiering per leerling, ongeacht het onderwijsnet. A.9.
- De verzoekende partijen voeren vervolgens aan dat het verschil in behandeling tussen de onderwijsnetten ook betrekking heeft op het financierbare bedrag van elk project binnen de enveloppes. De maximale financieringsratio voor een schoolgebouw dat geheel of gedeeltelijk toebehoort aan de Franse Gemeenschap, bedraagt immers 82,50 % van de totale investering zonder maximumbedrag. De projecten van het gesubsidieerd vrij onderwijs kunnen daarentegen maar ten bedrage van 65 % van de totale investering van het project worden gefinancierd, met een maximumbedrag van twee miljoen euro, waarbij het saldo moet worden gefinancierd via eigen middelen. In die omstandigheden zullen tal van inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net niet in staat zijn een project in te dienen om Europese middelen te genieten. 6 A.10.
- De verzoekende partijen doen gelden dat de uitleg die tijdens de parlementaire voorbereiding is gegeven om die verschillen in behandeling te verantwoorden, niet adequaat is. A.10.
- Allereerst is de keuze van de decreetgever om de verdeelsleutel over te nemen van de begrotingen tussen 2016 en 2020, die duidelijk ongelijk is, willekeurig. A.10.
- Vervolgens is de Franse Gemeenschap niet langer eigenaar van de meeste schoolgebouwen en draagt zij dus niet langer de last ervan. Tal van schoolgebouwen van de Franse Gemeenschap werden immers overgedragen aan PMBS. Daarenboven huurt de Franse Gemeenschap ook schoolgebouwen van private eigenaars. Ten slotte heeft zij beslist om haar resterende gebouwen over te dragen aan WBE. A.10.
- Bovendien is het geenszins nodig dat het goed toebehoort aan een publiekrechtelijk persoon opdat de Europese middelen geïnvesteerd blijven in voor onderwijs bestemde goederen. Het bestreden decreet voorziet immers in de terugbetaling van de Europese subsidies indien de bestemming ervan voor een school niet wordt gevrijwaard gedurende 30 jaar. Het feit dat goederen toebehoren aan een publiekrechtelijk rechtspersoon, waarborgt niet dat die steeds bestemd zullen blijven voor publiek gebruik. A.10.
- Daarenboven, wat de burgerrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar betreft, dient zij te worden gedragen ongeacht het onderwijsnet. A.10.
- Het is onjuist te beweren dat de Franse Gemeenschap, voor het onderwijs dat zij organiseert, niet over externe bronnen van inkomsten zou beschikken die soortgelijk zijn aan die van de inrichtende machten van het vrije net. WBE kan immers schenkingen, legaten, dividenden en inkomsten ontvangen, en roerende en onroerende goederen vervreemden, net zoals de verenigingen zonder winstoogmerk die gesubsidieerd vrij onderwijs organiseren. De Franse Gemeenschap heeft in oktober 2021 trouwens aangekondigd dat zij een miljard euro extra zal vrijmaken met het oog op de renovatie van schoolgebouwen in de loop van de tien volgende jaren. Het is voor de verenigingen zonder winstoogmerk die het gesubsidieerd vrij onderwijs organiseren niet mogelijk om dermate grote bedragen vrij te maken. Het argument van de eigendomsregeling om het verschil in behandeling trachten te verantwoorden berust dus op een verkeerd postulaat en houdt geen verband met de doelstellingen inzake verbetering van de schoolgebouwen, herstel en veerkracht. Het verschil inzake eigendomsregeling heeft daarenboven geen weerslag op de duurzame bestemming van de Europese herstelmiddelen voor overheidsdoeleinden. A.11.
- Volgens de verzoekende partijen zijn de door de rechtspraak van het Hof vastgestelde objectieve verschillen tussen onderwijsnetten thans onbestaande, of houden zij geen verband met de bekritiseerde verschillen in behandeling. De Franse Gemeenschap is immers niet langer eigenaar van de meeste van haar schoolgebouwen omdat zij ze heeft overgedragen aan PMBS of zich ertoe heeft verbonden ze over te dragen aan WBE. De voor het vrij onderwijs bestemde onroerende goederen kunnen enkel worden vervreemd met instemming van de Franse Gemeenschap, aangezien zij zich garant heeft gesteld voor een lening. Daarbij komt nog dat de Franse Gemeenschap geen geografische spreiding van het onderwijs verzekert die het vrije net niet zou invullen. Integendeel, indien het erom gaat nieuwe scholen te openen, schrijft de Franse Gemeenschap projectoproepen uit waarop het vrije net reeds in zeer grote mate is ingegaan. Bovendien is het niet langer juist te beweren dat het net van de Franse Gemeenschap, in tegenstelling tot het vrije net, elke leerling zou moeten aanvaarden die vraagt om zich in te schrijven, omdat de inrichtende machten van de gesubsidieerde vrije netten wettelijk verplicht zijn om elke leerling in te schrijven wiens ouders verklaren in te stemmen met het educatieve en pedagogische project. A.11.
- Van alle verschillen waarop in het arrest nr. 27/92 van 2 april 1992 de aandacht is gevestigd, ligt het enige nog bestaande verschil tussen netten, in werkelijkheid bij de verplichting om de keuze te waarborgen tussen het onderwijs in een erkende godsdienst en de cursus niet-confessionele zedenleer. Dat verschil wordt evenwel gecompenseerd op het niveau van de loonkosten en de kosten die verband houden met de werking ervan. De inrichtende machten van het niet-confessionele vrije net kunnen trouwens ervoor kiezen om zich al dan niet aan die verplichting te onderwerpen. Dat verschil tussen netten geldt niet in het hoger onderwijs. A.
- De verzoekende partijen voeren aan dat de huidige financieringswijze van de schoolgebouwen van het gesubsidieerde vrije net de Franse Gemeenschap afhelpt van de lasten inzake aankoop en onderhoud van schoolgebouwen die zij zou moeten dragen indien het vrije net geen onderwijs zou verstrekken aan de helft van de schoolbevolking. Bovendien geniet het vrije net maar werkingstoelagen ten belope van 75 % van de werkingsdotatie van de onderwijsinstellingen van de Franse Gemeenschap. Het verlicht aldus de begroting van die 7 laatste met 25 % van de werkingskosten van de openbare dienst van het leerplichtonderwijs. Evenzo geniet een deel van het personeel van het gesubsidieerd vrij onderwijs geen enkele weddetoelage. Behalve wat betreft de wedde van de leerkrachten, bestaan er dus grote verschillen tussen de netten in termen van financiering van de openbare dienst van het onderwijs. Geen enkel objectief verschil verantwoordt dergelijke verschillen in behandeling. De arresten van het Hof nrs. 38/91 en 109/2014 hebben betrekking op het in de Vlaamse Gemeenschap verstrekte onderwijs dat geen dermate grote verschillen in behandeling tussen netten kent en waarvan de structuren niet kunnen worden vergeleken met die van de Franse Gemeenschap. A.
- De verzoekende partijen betogen dat de Europese herstel- en veerkrachtmiddelen niet bestemd zijn voor een net in het bijzonder maar voor organieke en functionele openbare diensten. Het is onjuist te beweren dat de behoeften in termen van energiebesparing groter zouden zijn in het net van de Franse Gemeenschap dan in de andere netten. Bijgevolg is het niet verantwoord dat de Franse Gemeenschap 41,15 % van de Europese middelen voor zichzelf houdt. Daarbij komt nog dat de tegemoetkoming van de overheid met betrekking tot het waarborgfonds voor de schoolgebouwen van het gesubsidieerde vrije net erg gering is geworden vanwege de structurele verlaging van de rentevoeten. Het verschil in behandeling in termen van financieringswijzen werd niet samen met de evolutie van de rentevoeten herzien. De huidige financiële tegemoetkoming van de overheid voor de financiering van de leningen van het gesubsidieerd vrij onderwijs is erg gering. A.14.
- De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de bewering volgens welke het verschil in behandeling zou worden verantwoord door het feit dat de eigendomsregelingen verschillend zijn, des te minder relevant is daar de Franse Gemeenschap de gebouwen waarvan zij eigenaar is en die waarvan zij mede-eigenaar is, op dezelfde wijze behandelt. Die omstandigheid werd bekritiseerd door de afdeling wetgeving van de Raad van State. A.14.
- Volgens de verzoekende partijen zijn de verantwoordingen van de auteur van het ontwerpdecreet des te minder relevant daar bij de verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 « tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit » (hierna : verordening (EU) 2021/241) aan de lidstaten middelen worden toegewezen teneinde de economie aan te zwengelen via investeringen die bestemd zijn om precieze doelstellingen te vervullen, waaronder de groene transitie en beleid voor de volgende generatie, de kinderen en jongeren. De Europese subsidies mogen bepaalde eigenaars niet bevoordelen ten opzichte van anderen, maar wel worden toegekend aan projecten die gesteund zijn op de voormelde doelstellingen, in plaats van aan andere. De verordening (EU) 2021/241 bepaalt zelfs dat de middelen kunnen worden uitgekeerd in de vorm van subsidies aan de privésector. A.
- Ten slotte voeren de verzoekende partijen aan dat het systeem voor de verdeling van de Europese subsidies des te discriminerender is daar het de Franse Gemeenschapsregering ertoe machtigt om de in aanmerking te nemen projecten te kiezen op grond van criteria die haar een grote beoordelingsmarge laten. Het belangenconflict is des te flagranter in zoverre het aandeel dat door de Regering niet aan een onderwijsnet is toegewezen, kan worden toegewezen aan een ander net binnen de perken van de 15 % van de per net voorbehouden enveloppe (systeem van de « communicerende vaten »). Dat verschil in behandeling is evenmin verantwoord. De auteur van het ontwerp heeft tijdens de parlementaire voorbereiding, ingevolge een opmerking vanwege afdeling wetgeving van de Raad van State, ten onrechte aangegeven dat de Franse Gemeenschap en haar administratie neutraal zouden zijn. Integendeel, de Franse Gemeenschap heeft een rechtstreeks financieel belang bij het niet in aanmerking nemen van alle projecten van de gesubsidieerde netten, aangezien het ingevoerde systeem overdrachten van middelen tussen netten mogelijk maakt. Er valt niet in te zien waarom de bevoegdheid om de te financieren projecten te kiezen, niet in handen werd gelegd van organen die zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van alle onderwijsnetten, zoals de « Commission inter-caractère » (Karakteroverschrijdende Commissie). De Vlaamse Gemeenschap heeft het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs opgericht, waarvan de raad van bestuur bestaat uit de vertegenwoordigers van elk onderwijsnet. A.16.
- In haar memorie antwoordt de Franse Gemeenschapsregering dat de decreetgever, door een verschil in behandeling in het leven te roepen tussen de gebouwenparken van de verschillende onderwijsnetten, rekening heeft gehouden met de realiteit die eigen is aan elk net en met de evenwichten die zijn gevonden bij de verdeling van de bestaande financieringen. Hij heeft ook een optimaal gebruik van de Europese subsidies willen waarborgen. A.16.
- Volgens de Franse Gemeenschapsregering zou het niet pertinent zijn geweest om het criterium van de « schoolbevolking » te kiezen teneinde de verdeling van de Europese middelen te bepalen. De schoolgebouwen van de verschillende onderwijsnetten bevinden zich immers niet in vergelijkbare situaties, wegens de verschillende financieringswijzen ervan en de reeds bestaande subsidiëringsmechanismen. Het objectieve verschil tussen de 8 netten ligt bij de verplichting die enkel aan de overheid wordt opgelegd om voor onderwijs te zorgen daar waar er een behoefte is. Het criterium van de schoolbevolking is in dat verband niet pertinent. A.16.
- De Franse Gemeenschapsregering preciseert dat de bij het bestreden decreet in aanmerking genomen verdeelsleutel werd geconcipieerd om rekening te houden met de realiteit op het terrein, met de bij het bestreden decreet nagestreefde doelstellingen en met de evenwichten bij de verdeling van de bestaande financieringen. A.16.
- De specificiteit en de doelstellingen die met twee bijzondere subsidiëringsprogramma’s van de Franse Gemeenschap zijn nagestreefd, hebben weliswaar bij uitzondering verantwoord dat een verdeelsleutel werd toegepast die aanleunt bij een sleutel « schoolbevolking », namelijk het prioritaire programma voor werken dat is geregeld bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 november 2007 « betreffende het prioritaire programma voor werken aan de schoolgebouwen van het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs, van het gewoon en gespecialiseerd secundair onderwijs en van het secundair onderwijs voor sociale promotie, van het kunstonderwijs met beperkt leerplan, van de psycho-medisch-sociale centra alsook van de internaten van het gewoon en gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs, georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap » en het Fonds voor het creëren van plaatsen in de schoolgebouwen van het leerplichtonderwijs, dat in 2017 is opgericht en is geregeld bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 februari 1990 « betreffende de schoolgebouwen van het niet-universitair onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap ». Het bestreden decreet heeft evenwel geen betrekking op dat soort van specifieke financiering, zodat de verwijzing naar die verdeelsleutels niet relevant is. In tegenstelling tot de twee voormelde subsidiëringsmechanismen voorziet het bestreden decreet immers in een structurele financiering die zich niet beperkt tot een bijzondere problematiek. A.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de maximale financieringsratio van de projecten geen weerslag heeft op de omvang van de enveloppes of de verdeling van de middelen tussen de verschillende netten. Een beperkte ratio heeft enkel tot gevolg dat het aantal financierbare projecten kan worden opgetrokken. Bovendien dient rekening te worden gehouden met het feit dat de Franse Gemeenschap een subsidiërende overheid is, alsook met de macro-economische impact van het decreet. Aldus zijn de door de Franse Gemeenschap vrijgemaakte globale financiële middelen aanzienlijk en hoger dan de bedragen die zij had moeten dragen indien dezelfde financieringsratio was vastgesteld voor haar eigen gebouwen en voor de gesubsidieerde gebouwen. Daarenboven heeft de Franse Gemeenschap de Europese enveloppe verhoogd met 10 %, zal zij de btw van 6 % ten laste nemen en heeft zij een leningsmechanisme met tenlasteneming van alle interesten ingevoerd. A.
- De Franse Gemeenschapsregering wijst met nadruk op het feit dat de referentieperiode (2016-2020) die in aanmerking is genomen om de verdeelsleutel te bepalen, de recentste en de gunstigste voor het vrije onderwijsnet is. Het Fonds voor het creëren van plaatsen in de schoolgebouwen van het leerplichtonderwijs en het prioritaire programma voor werken hebben immers tot gevolg gehad dat de aan het vrije onderwijsnet toegewezen middelen werden verhoogd. Met die middelen diende rekening te worden gehouden bij het bepalen van de verdeelsleutel. In het tegenovergestelde geval zou de financiering verhoudingsgewijs minder gunstig zijn geweest voor het vrije onderwijsnet. Bovendien is de kritiek met betrekking tot het zogenaamd ongelijke karakter van de vroegere financieringsmechanismen niet gegrond. Het was onder andere niet nodig om de impact van de financieringswijzen of van de eigenlijke subsidies ten aanzien van de neerwaartse ontwikkeling van de rentevoeten te herzien. Over het geheel genomen zijn de aan het gesubsidieerde vrije net toegekende bedragen in de tijd niet kleiner geworden. A.19.
- De Franse Gemeenschapsregering voert eveneens aan dat het onjuist is te beweren dat de Franse Gemeenschap niet langer de eigendomslast zou dragen voor de meeste schoolgebouwen die bestemd zijn voor het door haar georganiseerde onderwijs. Bijna alle investeringen in gebouwen die eigendom zijn van de PMBS, worden immers ten laste genomen door het waarborgfonds voor de schoolgebouwen van de Franse Gemeenschap, dat volledig door haar wordt gefinancierd. A.19.
- Nog steeds volgens de Franse Gemeenschapsregering kunnen de verzoekende partijen niet ontkennen dat het gesubsidieerde vrije net over aanzienlijke financiële middelen beschikt. Voor het gesubsidieerde vrije net bestaat er immers geen verplichting om een onderwijsaanbod te behouden en de eigenaars van de schoolgebouwen van dat net genieten externe financieringsbronnen. Ten slotte is het « Secrétariat général de l’enseignement catholique » (hierna : SeGEC) dat de maximale financieringsratio heeft willen beperken tot twee miljoen euro om meer inrichtende machten van het vrije net de mogelijkheid te bieden van de subsidiëringen te genieten. 9 A.19.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de vergelijking met de financiering van de culturele en sportinfrastructuren en voorzieningen voor gezondheidszorg niet kan overtuigen, aangezien die infrastructuren sterk verschillen van de in het bestreden decreet bedoelde schoolgebouwen. A.19.
- De Franse Gemeenschapsregering beweert, op basis van een onderzoek dat is gevoerd naar de staat van de schoolgebouwen van het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap, dat haar behoeften in termen van energiebesparing groter zijn dan die van de andere netten, aangezien er in het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap meer geprefabriceerde gebouwen zijn dan elders. A.19.
- De Franse Gemeenschapsregering preciseert dat zij maar zelden mede-eigenaar is van schoolgebouwen met een private eigenaar en dat zij in dat geval de lasten zal moeten dragen naar verhouding van haar aandeel in de eigendom. A.19.
- De Franse Gemeenschapsregering geeft aan dat verschillende verdeelsleutels werden overwogen, en zelfs een sleutel op grond van de verdeling van de leerlingen tussen de netten. Die sleutels werden evenwel niet in aanmerking genomen. Er werd veeleer beslist om middelen op te nemen (zoals de aan het waarborgfonds voor schoolgebouwen toegewezen middelen) of elementen uit te sluiten uit de uiteindelijk in aanmerking genomen verdeelsleutel teneinde elke discriminatie te vermijden. A.19.
- De Franse Gemeenschapsregering brengt in herinnering dat het mechanisme van « communicerende vaten » het mogelijk maakt de verdeling van de middelen tussen de netten aan te passen. De verzoekende partijen kunnen geen kritiek leveren op het feit dat pools A en B worden uitgesloten van dat mechanisme, aangezien die uitsluiting voortvloeit uit een vraag van SeGEC. Daarenboven kan dat mechanisme meer voordeel brengen aan het vrije net. A.
- In verband met het vermeende belangenconflict uit hoofde van de Franse Gemeenschap antwoordt de Franse Gemeenschapsregering dat dat argument verrassend is, omdat de Franse Gemeenschap, volgens de verzoekende partijen, de eigendomslast van de schoolgebouwen van haar onderwijsnet niet meer zou dragen. Bovendien verleent het bestreden decreet geen beoordelingsmarge aan de diensten van de Regering. Ten slotte beschikken de federaties van de inrichtende machten over een recht van inzage in de projectlijsten die hun worden overgezonden nadat de criteria voor inaanmerkingneming en om de prioriteit te bepalen werden toegepast. Ten slotte draagt de Franse Gemeenschap, in haar hoedanigheid van subsidiërende overheid, het risico dat projecten financieel niet ten laste worden genomen door de Europese Unie, wegens moeilijkheden bij het beheer van het project. De verzoekende partijen tonen dus geen ernstig, bewezen en niet-hypothetisch belangenconflict aan. A.
- De Franse Gemeenschapsregering besluit dat het middel niet gegrond is. A.
- WBE voert vooraf aan dat het eerste en het derde onderdeel van het eerste middel onontvankelijk zijn, in zoverre de verzoekende partijen, in het eerste onderdeel van het middel, aanvoeren dat de verdeelsleutel tussen de verschillende netten niet in overeenstemming is met de verordening (EU) 2021/241 en, in het derde onderdeel van het middel, aanvoeren dat het decreet een belangenconflict doet ontstaan dat wordt verboden door dezelfde Europese verordening. Het Hof is immers niet bevoegd om rechtstreeks te toetsen aan bepalingen van het recht van de Europese Unie. A.23.
- WBE is vervolgens van mening dat het eerste middel niet gegrond is. A.23.
- Indien het bestreden decreet, in termen van toekenning van subsidies, een verschil invoert tussen de door WBE bezette schoolgebouwen en die van het gesubsidieerde vrije net, is dat verschil niet discriminerend. De verzoekende partijen voeren immers ten onrechte aan dat er maar één objectief verschil tussen het officiële en het vrije net meer zou bestaan, namelijk de financiële impact die wordt veroorzaakt door de verplichting voor het officiële net om de keuze tussen een cursus godsdienst, een cursus filosofie en burgerzin en een cursus niet- confessionele zedenleer aan te bieden. Artikel 24, § 4, van de Grondwet, waarvan de tweede zin bepaalt dat « de wet en het decreet […] rekening [houden] met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden », en in het bijzonder de term « waaronder », maken het mogelijk te oordelen dat het mogelijk is een ruimere inventaris op te maken van de objectieve verschillen tussen de netten. Het Grondwettelijk Hof heeft hoe dan ook aanvaard dat een verschillende financiering van de schoolgebouwen naargelang van het net waartoe zij behoren, het gelijkheidsbeginsel niet schendt, wegens de verschillende eigendomsregelingen van die gebouwen. 10 A.23.
- WBE voegt eraan toe dat het Hof, in het arrest nr. 38/91 van 5 december 1991, niet alleen heeft geoordeeld dat het zich niet heeft uit te spreken over het opportune karakter van de financieringsmethode van de in het geding zijnde schoolgebouwen, maar ook een gedifferentieerde financiering op grond van verschillende behoeften geldig heeft verklaard. Aldus heeft het Hof aanvaard dat de door de scholen van de Franse Gemeenschap gemaakte kosten volledig zijn gedekt door het waarborgfonds voor de schoolgebouwen van het onderwijs van de Franse Gemeenschap, terwijl de door het gesubsidieerde officiële net gemaakte kosten maar voor 60 % waren gedekt. Die rechtspraak werd bevestigd bij de arresten van het Hof nrs. 27/92 en 109/
- In het arrest nr. 126/2020 heeft het Hof zelfs de specificiteit van WBE als enige inrichtende macht van het net van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde officiële onderwijs erkend en de wijze van financiering van die instelling geldig verklaard. A.23.
- WBE beklemtoont eveneens dat de Europese Commissie en de Raad het Belgische plan voor herstel en veerkracht en, bijgevolg, het verschil tussen de onderwijsnetten voor de financiering van hun schoolgebouwen hebben goedgekeurd. A.23.
- WBE geeft ten slotte de verantwoordingen weer die tijdens de parlementaire voorbereiding zijn gegeven om het bekritiseerde verschil in behandeling te verantwoorden, en sluit zich daarbij aan. WBE preciseert dat de verdeelsleutel beantwoordt aan de respectieve behoeften ten aanzien van de uitzonderlijke financiering die afkomstig is van de Europese middelen. WBE geniet hoe dan ook in geen geval een voorkeursbehandeling en verwijst ook op dat punt naar de parlementaire voorbereiding. A.24.1.
- In hun memorie van antwoord zijn de verzoekende partijen van mening dat, zelfs indien de Franse Gemeenschap de eigendomslast van de voor haar onderwijs bestemde schoolgebouwen bleef dragen in termen van strafrechtelijke en burgerrechtelijke aansprakelijkheid, de eigendomsoverdracht van de gebouwen aan WBE reeds in rechte verworven zou zijn. In die eigendomsoverdracht wordt immers voorzien bij een decretale bepaling. Het is omdat de Franse Gemeenschapsregering nalaat die decretale bepaling uit te voeren dat de eigendomsoverdracht nog niet heeft plaatsgevonden. Bijgevolg is het aangevoerde verschil in behandeling gedoemd om te verdwijnen en verantwoordt het de betwiste verdeelsleutel niet. Bovendien bestaat er geen verschil tussen de onderwijsnetten, aangezien de inrichtende machten van het vrije en gesubsidieerde officiële net de eigendomslasten in termen van strafrechtelijke en burgerrechtelijke aansprakelijkheid ook moeten dragen. A.24.1.
- De verzoekende partijen antwoorden eveneens dat, hoewel de auteur van het bestreden decreet heeft beweerd dat het uiteindelijke belang dat moet worden beschermd dat van het kind is, de verdeelsleutel geenszins rekening houdt met de schoolbevolking. Daarenboven, in tegenstelling tot hetgeen de Franse Gemeenschapsregering beweert, houdt de verdeelsleutel geen rekening met de werkelijke staat van de schoolgebouwen. Bovendien hebben de schoolgebouwen die tot het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap behoren, vroeger reeds een aanzienlijke financiële inbreng genoten, die geen verband hield met het aantal schoolgaande kinderen. Het is niet juist te beweren dat de verdeling van de financieringen bij het bestreden decreet gunstiger zou zijn voor het vrije net. Integendeel, zij is beduidend geringer dan de verdeelsleutel die werd gekozen in het decreet van 16 november 2007 betreffende het prioritaire programma voor werken, waarin rekening werd gehouden met de schoolbevolking. A.24.
- Wat de tweede grief betreft, antwoorden de verzoekende partijen dat sommige verzoekende partijen geen subsidieaanvraag hebben kunnen indienen omdat de bij het bestreden decreet vastgestelde maximale financieringsratio zeer beperkt is voor het vrije onderwijsnet. A.24.
- De verzoekende partijen antwoorden in verband met de derde grief dat de Franse Gemeenschapsregering weliswaar ertoe gehouden is het beginsel van onpartijdigheid in acht te nemen, maar dat dat beginsel twee aspecten inhoudt, waarvan een erin bestaat niet de indruk te wekken, door de organen op te richten die bevoegd zijn om te beslissen en adviezen te verstrekken, dat die een specifiek belang zouden hebben om een bestuurde in het bijzonder te bevoordelen. Dat beginsel en de Europese verordening (EU) nr. 2021/241 verbieden dat het orgaan dat Europese middelen tussen verschillende schoolgebouwen moet verdelen, zelf eigenaar is van bepaalde gebouwen die die middelen kunnen genieten. A.24.
- Volgens de verzoekende partijen heeft de Franse Gemeenschapsregering bovendien een rechtstreeks belang bij de verdeling van de middelen op grond van criteria die haar een beoordelingsbevoegdheid verlenen. Het is ten onrechte dat de Franse Gemeenschapsregering het bestaan van een dergelijke beoordelingsbevoegdheid betwist. De toepassing van de criteria houdt een subjectieve beoordeling in, zoals dat met name het geval is wat betreft het criterium met betrekking tot de energieprestatie van het gebouw. Het bestreden decreet plaatst de Franse 11 Gemeenschapsregering in de onmogelijkheid om het beginsel van onpartijdigheid in acht te nemen wat het objectieve aspect ervan betreft, in zoverre zij tegelijk rechter en partij is. A.25.
- In haar memorie van wederantwoord geeft de Franse Gemeenschapsregering aan dat de eigendomsoverdracht van bepaalde schoolgebouwen aan WBE nog niet heeft plaatsgevonden. Er bestaat dus nog steeds een objectief verschil tussen de onderwijsnetten. Sterker nog, de Franse Gemeenschap zal bepaalde lasten blijven dragen, zelfs na de overdracht. A.25.
- Volgens de Franse Gemeenschapsregering doen de economische en boekhoudkundige gevolgen die voortvloeien uit de verschillende eigendomsregelingen, een extra objectief verschil ontstaan. Wanneer de financiële steun die wordt toegekend voor de renovatie van schoolgebouwen, een gebouw van de Franse Gemeenschap betreft, gaat het om een « directe investering ». Wanneer de financiële steun bestemd is voor een gebouw van een inrichtende macht van het gesubsidieerde officiële net of van het gesubsidieerde vrije net, gaat het om een « kapitaalsubsidie ». Op boekhoudkundig niveau brengt de directe investering een waardevermeerdering van de activa en dus van het vermogen van de Franse Gemeenschap met zich mee. Een kapitaalsubsidie vertegenwoordigt daarentegen een uitgave voor de Franse Gemeenschap en vermindert de waarde van haar vermogen, maar vermeerdert die van de eigenaar van het gesubsidieerde gebouw. Dat verschil tussen de boekhoudkundige regelingen heeft financiële gevolgen. De geloofwaardigheid van de Franse Gemeenschap op de financiële markten, die afhangt van haar rekeningen, kan erdoor worden geraakt, hetgeen extra uitgaven met zich mee kan brengen. De Franse Gemeenschap zal in 2022 evenwel meer dan een miljard euro moeten lenen en de rentevoeten schommelen naargelang van de stand van haar rekeningen. A.25.
- De Franse Gemeenschapsregering repliceert eveneens dat de verzoekende partijen niet aantonen in welk opzicht het gewogen becijferde gemiddelde dat heeft gediend om de financieringssleutel vast te stellen, niet pertinent zou zijn of ongunstig zou zijn voor het vrije onderwijsnet. Bovendien, ook al heeft de meerderheid van de inrichtende machten van het confessionele vrije net geweigerd om deel te nemen aan de enquête van de Franse Gemeenschap over de staat van het gebouwenpark van de verschillende netten, toch moeten de verkregen cijfers als objectief worden beschouwd. Ten slotte beschikt de Franse Gemeenschap over een ruime beoordelingsbevoegdheid om een verdeelsleutel te bepalen. Voorzien in een verdeelsleutel « per leerling » die geen rekening zou houden met de staat van de gebouwen, zou erop neerkomen dat discriminerende behandelingen in het leven worden geroepen. A.25.
- In verband met de tweede grief doet de Franse Gemeenschapsregering gelden dat de uitlatingen van de vijftiende verzoekende partij volgens welke de financieringsratio het haar niet mogelijk zou hebben gemaakt de noodzakelijke middelen te verzamelen om een subsidiëringsaanvraag in te dienen, niet worden aangetoond. A.25.
- Wat de derde grief betreft, voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat de redenering van de verzoekende partijen tegenstrijdig is. Zij kunnen immers niet aanvoeren dat de Franse Gemeenschap in een situatie van belangenconflict zou worden geplaatst aangezien zij eigenaar is van schoolgebouwen en tegelijkertijd beweren dat alle netten vergelijkbaar zijn in zoverre de overdracht van de schoolgebouwen van de Franse Gemeenschap aan WBE niet heeft plaatsgevonden. Daarenboven is de beoordelingsbevoegdheid van de Franse Gemeenschap dermate omlijnd dat zij onbestaande is. De informaticatool « OCRE » zal worden gebruikt om punten toe te kennen op grond van de criteria voor inaanmerkingneming en om de prioriteit te bepalen, en de beoordelingen en definities zijn identiek voor alle inrichtende machten. Door aan te voeren dat een gemengd orgaan had moeten worden opgericht, leggen de verzoekende partijen ten slotte een mening op die subjectief is. A.
- In haar memorie van wederantwoord geeft WBE aan dat WBE, na de eigendomsoverdracht van de schoolgebouwen van de Franse Gemeenschap aan WBE, niet over andere middelen zal beschikken dan die welke haar door de Franse Gemeenschap worden toegekend voor de financiering van die gebouwen. Die zullen overigens binnen de omtrek van de Franse Gemeenschap blijven. Er moet dus niet worden vooruitgelopen op het eventueel verdwijnen van een objectief verschil tussen netten. De overdracht zal hoe dan ook nog niet hebben plaatsgevonden op het ogenblik van de uitspraak van het arrest. De Grondwetgever heeft het georganiseerd onderwijs en het gesubsidieerd onderwijs overigens nooit op strikt gelijke wijze willen financieren, zoals wordt afgeleid uit artikel 24, § 4, van de Grondwet. Bovendien blijft de vrije keuze gewaarborgd. Uit het schorsingsarrest afleiden dat alle scholen van het gesubsidieerde vrije net die nood hebben aan renovatie, zouden moeten worden beschouwd als scholen « van vrije keuze », zou de wil van de Grondwetgever te buiten gaan. Ten slotte weegt de verplichting om de schoolgebouwen die de subsidies genieten, 12 gedurende 30 jaar voor onderwijsdoeleinden te gebruiken, niet op tegen het aanzienlijke economische voordeel dat de private eigenaars van de gerenoveerde gebouwen zullen genieten. Tweede middel A.
- De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 16, 23 en 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 22 en de bijlagen V en VI van de verordening (EU) 2021/241, in zoverre artikel 26 van het bestreden decreet de inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net, die basis- of secundair onderwijs organiseren, verplicht om de eigendom of het zakelijke recht met betrekking tot het schoolgebouw dat een subsidie van meer dan 383 805 euro geïndexeerd zou genieten, kosteloos, voor minstens 30 jaar, over te dragen of te laten overdragen aan een PMBS. A.28.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft geoordeeld dat het ontwerp van artikel 26 van het bestreden decreet ongrondwettig zou zijn bij gebrek aan een verantwoording van de noodzaak en de evenredigheid ervan, in zoverre het een ernstige aantasting van het eigendomsrecht en van de vrijheid van vereniging inhoudt. De verantwoording die als antwoord door de auteur van het decreet is gegeven, is evenwel niet adequaat. A.28.
- Ten eerste vereist geen enkel beginsel immers dat de Franse Gemeenschap zicht heeft op het beheer van de schoolgebouwen van het gesubsidieerde vrije net. De Europese middelen worden toegewezen om dergelijke gebouwen te renoveren teneinde de energieprestatie en de connectiviteit ervan te verhogen, hetgeen geen verband houdt met een recht van inzage door de Franse Gemeenschap in het beheer van die gebouwen, bovenop de inachtneming van de subsidiëringsvoorwaarden. A.28.
- Ten tweede maakt de aanwezigheid van een regeringscommissaris binnen een PMBS het de Franse Gemeenschap niet mogelijk zich te mengen in het beheer van het onroerend goed door een PMBS. De opdracht van de commissaris beperkt zich ertoe na te gaan of de gebouwen voor onderwijsdoeleinden worden gebruikt. A.28.
- Ten derde is de overdracht, aan een PMBS, van het schoolgebouw dat Europese subsidies geniet, niet nodig om zich te vergewissen van het behoud van de bestemming van het onroerend goed voor onderwijs gedurende minstens 30 jaar, aangezien dat behoud een subsidiëringsvoorwaarde is. Zulks geldt des te meer daar de Franse Gemeenschap, als subsidiërende macht van het officiële net en van het gesubsidieerde vrije net, over alle middelen beschikt om te weten of en waar het door een inrichtende macht georganiseerde onderwijs wordt verstrekt. Ten slotte zullen de artikelen 57 tot 62 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 20 december 2011 « houdende regeling van de begroting en de boekhouding van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap » van toepassing zijn op de toegekende subsidies, zodat de Franse Gemeenschap zich steeds ervan zal kunnen vergewissen of de voorwaarden voor de toekenning van de subsidiëring worden nageleefd. Het bestreden decreet voorziet trouwens erin dat de subsidieaanvrager zich ertoe verbindt in te gaan op elk verzoek van de Franse Gemeenschap, van de Europese Commissie of van elk controleorgaan teneinde het gebruik van de ontvangen financiële steun te kunnen monitoren. Het bestreden decreet maakt het de Regering ook mogelijk een dossier uit te sluiten van het voordeel van de subsidies nadat het dossier is gevalideerd, indien de begunstigde de voorwaarden voor inaanmerkingneming niet naleeft. Ten slotte voorziet het bestreden decreet erin dat de inrichtende macht, indien het gebouw gedurende de minimumperiode van 30 jaar niet voor schooldoeleinden wordt gebruikt, de ontvangen subsidie pro rata temporis dient terug te betalen. Het feit dat aan de inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net de verplichting wordt opgelegd om afstand te doen van de eigendom of van het zakelijke recht dat zij op dat gebouw hebben, teneinde te waarborgen dat dat gebouw gedurende 30 jaar voor schooldoeleinden wordt gebruikt, is des te onevenrediger, daar het tot gevolg zal hebben dat de betrokken inrichtende machten het recht zullen verliezen om over het goed te beschikken en, bijgevolg, over de bestemming ervan te beslissen. A.29.
- De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 26 van het bestreden decreet de inrichtende machten van het vrije net in een discriminerende situatie plaatst ten opzichte van de inrichtende machten van de officiële netten, omdat die laatste niet aan dezelfde verplichting worden onderworpen. Dat verschil in behandeling is zonder aanvaardbare verantwoording. 13 A.29.
- De verzoekende partijen beklemtonen bovendien dat artikel 26 van het bestreden decreet aan de inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net die geen eigenaar van hun schoolgebouwen zijn, elke mogelijkheid ontzegt om subsidies te verkrijgen boven het bedrag dat bij die bepaling wordt vastgesteld. Die inrichtende machten kunnen de eigenaar van de gebouwen die zij gebruiken, niet dwingen om zijn eigendomsrecht kosteloos over te dragen aan een PMBS voor minstens 30 jaar. Zij beschikken zelfs niet over een extra termijn ten opzichte van de andere inrichtende machten om hun subsidieaanvragen in te dienen, terwijl zij aan een extra voorwaarde moeten voldoen. A.29.
- Volgens de verzoekende partijen worden de inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net wier gebouwen de waarborg van de Franse Gemeenschap in het kader van een lening genieten gediscrimineerd. De gebouwen die die waarborg genieten, kunnen immers niet worden vervreemd zonder instemming van de Franse Gemeenschap. Die beschikt aldus over een vetorecht voor het verkrijgen van aanzienlijke Europese middelen voor de renovatie van schoolgebouwen van het gesubsidieerd vrij onderwijs. Daarenboven kan de Franse Gemeenschap voordeel halen uit die weigering omdat zij de enveloppe voor de renovatie van haar eigen schoolgebouwen kan verhogen. A.29.
- De verzoekende partijen bekritiseren vervolgens het onverantwoorde verschil in behandeling tussen de inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net naargelang het onderwijsniveau dat zij organiseren. Enkel die welke basis- of secundair onderwijs organiseren, alsook de internaten en de PMSC, met uitsluiting van de instellingen voor hoger onderwijs, zijn ertoe gehouden het eigendomsrecht of het zakelijke recht met betrekking tot het schoolgebouw over te dragen of te laten overdragen aan een PMBS. Dat verschil in behandeling wordt niet op een aanvaardbare wijze beantwoord. A.29.
- Het bestreden decreet verplicht verenigingen die een voor onderwijs bestemd gebouw bezitten, op heel lange termijn afstand ervan te doen teneinde over de voor de renovatie noodzakelijke subsidies te beschikken. Voor de verenigingen die enkel als statutair doel hebben gebouwen te bezitten teneinde ze ter beschikking te stellen van een inrichtende macht, komt dat eigendomsverlies evenwel erop neer dat hun bestaansreden en dat statutair doel worden weerlegd. A.29.
- De verzoekende partijen nemen ten slotte het argument van de FELSI over volgens hetwelk de verplichting om af te zien van de eigendom van een schoolgebouw, dat enkel aan de inrichtende machten van het vrije net wordt opgelegd, binnen die inrichtende machten een discriminatie doet ontstaan op grond van de waarde van het gebouw. De drempel waarboven de verplichting tot overdracht wordt opgelegd is immers dezelfde, ongeacht de waarde van het schoolgebouw en, bijgevolg, ongeacht de vermogensrechtelijke impact van een dergelijke beslissing voor de beoogde inrichtende machten. A.30.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat artikel 26 van het bestreden decreet geen « onteigening » in de zin van artikel 16 van de Grondwet met zich meebrengt, aangezien er geen eigendomsberoving is, in zoverre de overdracht van de eigendom of van de zakelijke rechten op de schoolgebouwen berust op een vrijwillige basis. Daarenboven is er een « schadeloosstelling » in de zin van artikel 16 van de Grondwet, namelijk de aanzienlijke subsidie die als tegenprestatie voor de overdracht wordt verkregen. Er is evenmin een eigendomsberoving ten voordele van de Franse Gemeenschap. In de parlementaire voorbereiding worden de verantwoordingen verstrekt waarmee rekening moet worden gehouden. Bovendien is er geen overdracht van het eigendomsrecht of van de zakelijke rechten voor subsidies van minder dan 383 805 euro. Het legitieme doel van die maatregel bestaat erin het beheer van de overheidsfinanciën te controleren. Het in het geding zijnde mechanisme is evenmin nieuw. Het komt reeds voor in de decreten van de Franse Gemeenschap van 16 november 2007 « betreffende het prioritaire programma voor werken aan de schoolgebouwen van het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs, van het gewoon en gespecialiseerd secundair onderwijs en van het secundair onderwijs voor sociale promotie, van het kunstonderwijs met beperkt leerplan, van de psycho-medisch-sociale centra alsook van de internaten van het gewoon en gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs, georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap » en van 5 februari 1990 « betreffende de schoolgebouwen van het niet-universitair onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap ». A.30.
- Wat betreft het zogenaamde « vetorecht » van de Franse Gemeenschap over de overdrachten van zakelijke rechten met betrekking tot schoolgebouwen die de waarborg van de Franse Gemeenschap in het kader van een lening hebben genoten, preciseert de Franse Gemeenschapsregering dat niet zij haar instemming zal moeten verlenen om het goed te vervreemden, maar wel de raad van beheer van het waarborgfonds voor schoolgebouwen. In dat orgaan zijn de verschillende onderwijsnetten evenwel vertegenwoordigd. Daarenboven zullen de PMBS in de feiten een zakelijk recht weer overdragen aan de inrichtende machten via een erfpacht. 14 A.30.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat het argument volgens hetwelk er een discriminerend verschil bestaat tussen de inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net naargelang het betrokken onderwijsniveau, niet gegrond is. De instellingen voor hoger onderwijs worden immers reeds onderworpen aan de controle van een regeringscommissaris. Zij kunnen dus niet worden vergeleken met de instellingen van de andere onderwijsniveaus, rekening houdend met het nagestreefde doel. Tijdens de parlementaire voorbereiding heeft SeGEC de bestreden bepaling trouwens toegejuicht. A.
- De Franse Gemeenschapsregering besluit dat het middel niet gegrond is. A.32.
- In hun memorie van antwoord preciseren de verzoekende partijen dat, aangezien de rol van de regeringscommissaris binnen een PMBS zich beperkt tot het nagaan van de schoolbestemming van het gebouw gedurende 30 jaar, zonder controle uit te oefenen over het beheer ervan, de inmenging in het eigendomsrecht des te onevenrediger is. De maatregelen die reeds zijn ingevoerd bij het bestreden decreet, volstaan om die handhaving te verzekeren. Gesteld dat het uiterst belangrijk zou zijn om de vervreemding van een goed dat Europese middelen heeft genoten, aan de voorafgaande toestemming van de Franse Gemeenschap te onderwerpen, zou het niet noodzakelijk zijn geweest om de inrichtende machten ertoe te dwingen gedurende 30 jaar afstand te doen van hun eigendom. Het had volstaan erin te voorzien dat elke vervreemding van de schoolgebouwen aan de voorafgaande toestemming van de Franse Gemeenschap te onderwerpen. Daarenboven, aangezien de rol van de regeringscommissarissen zich beperkt tot het nagaan van de schoolbestemming van het gebouw dat de middelen heeft genoten, maakt de eigendomsoverdracht van die gebouwen teneinde zich te vergewissen van het goede beheer ervan, het geenszins mogelijk dat doel te bereiken. De eigendomsoverdracht is in dat verband dus niet nuttig. A.32.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de ontvangen subsidie niet kan worden beschouwd als een vergoeding voor de eigendomsoverdracht, aangezien die subsidie niet in het vermogen van de overdrager valt, maar wel in dat van de PMBS. A.32.
- Volgens de verzoekende partijen doet het feit dat zij geen beroep hebben ingesteld tegen de vorige decretale bepalingen die soortgelijk zijn aan de bekritiseerde bepaling, geen afbreuk aan het belang en aan hun recht om het in het bestreden decreet vervatte mechanisme te betwisten. A.32.
- De verzoekende partijen wijzen met nadruk op het feit dat de Franse Gemeenschap over een vetorecht beschikt wat betreft het verkrijgen van de Europese subsidies, aangezien het Waarborgfonds voor schoolgebouwen een staatsdienst met afzonderlijk beheer is, die onder het rechtstreekse gezag van de bevoegde minister van de Franse Gemeenschap is geplaatst. Daarenboven is de minister die gezag uitoefent over het Waarborgfonds voor schoolgebouwen, ook de toezichthoudende minister van WBE, die concurreert met de inrichtende machten van de andere onderwijsnetten om subsidies te verkrijgen. Daarin schuilt een belangenconflict. A.32.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de wederoverdracht van een zakelijk recht aan de inrichtende macht via een erfpacht niet verplicht is en afhangt van de goede wil van de PMBS. Die wederoverdracht is niet kosteloos, aangezien zij verplichtingen inhoudt voor de overdragende inrichtende macht, waaronder de betaling van een canon. Daarenboven wordt na de overdracht de inrichtende macht haar eigendomsrecht ontzegd en wordt zij onderworpen aan de goede wil van de PMBS wat betreft de terbeschikkingstelling van het onroerend goed dat in haar voordeel veeleer dan in het voordeel van een andere inrichtende macht is overgedragen. Er is evenmin een wederoverdracht ten voordele van de eigenaar van het schoolgebouw die geen inrichtende macht zou zijn. A.32.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de woorden van de directeur-generaal van SeGEC worden verdraaid door de Franse Gemeenschapsregering. De directeur-generaal heeft zich gekant tegen de bestreden bepaling en zich alleen maar verheugd over het feit dat zij niet van toepassing is op het hoger onderwijs. A.33.
- In haar memorie van wederantwoord wijst de Franse Gemeenschapsregering met nadruk op het feit dat de verplichting tot overdracht van zakelijke rechten past in het beperkte kader van de toegang tot een aanzienlijke subsidiëringsdrempel. De verplichting tot overdracht wordt evenmin definitief beoogd en zij streeft een legitiem doel na, dat erin bestaat het beheer van de overheidsfinanciën te controleren. Overigens dragen de PMBS, in de feiten, een zakelijk recht weer over aan de inrichtende machten, via een erfpacht. 15 A.33.
- Volgens de Franse Gemeenschapsregering is het onjuist aan te voeren dat de verbintenis van de begunstigde van de subsidies om het gebouw voor onderwijsdoeleinden te bestemmen en het daartoe te blijven gebruiken, zou volstaan. Het doel van de overdracht bestaat net erin het de Franse Gemeenschap mogelijk te maken te controleren of de voorwaarden voor inaanmerkingneming worden nageleefd. Het is op basis van die controle dat de Franse Gemeenschap de in artikel 24 van het bestreden decreet bedoelde mechanismen zal kunnen toepassen. Wanneer de verzoekende partijen aanvoeren dat het mogelijk zou zijn geweest om de vervreemding van de desbetreffende onroerende goederen te onderwerpen aan de voorafgaande toestemming van de Franse Gemeenschap, uiten zij een opportuniteitskritiek. Het betwiste overdrachtsmechanisme maakt het de Franse Gemeenschap bovendien mogelijk controle uit te oefenen over het beheer van de betrokken gebouwen en over het behoud van de schoolbestemming ervan. De redenering van de verzoekende partijen zou ertoe leiden dat een discriminerend verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen de instellingen voor hoger onderwijs, die aan de controle van een commissaris worden onderworpen, en de andere schoolinstellingen, die aan een minder zware controle zouden worden onderworpen indien een subsidie wordt verkregen. A.33.
- De Franse Gemeenschapsregering repliceert dat de inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net wier gebouwen een leningswaarborg van de Franse Gemeenschap hebben genoten, niet worden gediscrimineerd, aangezien de vervreemding ervan op dezelfde wijze kan plaatsvinden als voor de andere inrichtende machten. Een dergelijke vervreemding vereist immers de toestemming van een gemengd orgaan, namelijk de raad van beheer van het Waarborgfonds voor schoolgebouwen, die is samengesteld uit leden die het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs vertegenwoordigen. Derde middel A.
- De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 12 en 22 van de verordening (EU) 2021/241, in zoverre de artikelen 3 en 30 van het bestreden decreet de inrichtende machten verplichten om hun subsidieaanvraag die alle in het decreet vervatte informatie moet bevatten, uiterlijk tegen 31 december 2021 in te dienen, op straffe van niet-ontvankelijkheid. A.35.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat de inrichtende machten tegen 31 december 2021 een volledig dossier moeten indienen, dat de verbintenis van de eigenaar of van de houder van het zakelijke recht om zich te ontdoen van zijn onroerend goed bevat alsmede alle noodzakelijke informatie om het dossier te beoordelen. In de rondzendbrief van de Franse Gemeenschapsregering van 1 oktober 2021 wordt evenwel aangegeven dat de subsidieaanvraag informatie moet bevatten die beschikbaar is, zodra het mogelijk zal zijn toegang te hebben tot een toepassing die toegang geeft tot het subsidieaanvraagformulier, zijnde pas vanaf 11 oktober
- Daarenboven voorziet het door België voorgestelde herstelplan niet erin dat de projecten in ontvangst zouden moeten worden genomen vóór het einde van het jaar
- In geen enkele norm die hoger is dan het decreet, wordt trouwens de verplichting opgelegd dat de aanvragen tegen die datum moeten worden ingediend. A.35.
- Volgens de verzoekende partijen plaatst die termijn de inrichtende machten van het gesubsidieerde net die niet dezelfde administratieve ondersteuning als de inrichtende machten van de Franse Gemeenschap genieten en die niet over dezelfde termijn hebben beschikt om hun aanvraag voor te bereiden, in een discriminerende situatie. Zij worden immers ernstig benadeeld bij het verzamelen van alle opgelegde informatie in heel korte tijd. Die situatie doet een extra belangenconflict ontstaan. De bewering volgens welke die termijn zou zijn bepaald door de federaties van inrichtende machten, is onjuist. A.35.
- De verzoekende partijen voeren aan dat, indien zou worden geoordeeld dat de termijn niet voortvloeit uit het bestreden decreet maar uit een beslissing van de administratie of van de Franse Gemeenschapsregering, een essentiële voorwaarde voor de subsidiëring, namelijk de ontvankelijkheidstermijn van de subsidieaanvragen, niet zou zijn bepaald in het decreet. Bijgevolg zou artikel 24, § 5, van de Grondwet zijn geschonden. A.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat het middel onontvankelijk is aangezien daarin niet het bestreden decreet wordt bekritiseerd maar de rondzendbrief nr. 8291 van 1 oktober 2021, die is bekendgemaakt door de minister bevoegd voor de schoolgebouwen in de Franse Gemeenschap. De artikelen 3 en 30 van het bestreden decreet voorzien immers niet in de uiterste datum van 31 december 2021 en tegen die artikelen wordt geen kritiek gericht. 16 A.37.
- De Franse Gemeenschapsregering voert eveneens aan dat het middel niet gegrond is, omdat de termijn van drie maanden om een subsidiëringsaanvraag in te dienen dezelfde was voor alle inrichtende machten. De besprekingen betreffende het ontwerp werden reeds lang geleden gevoerd met de vertegenwoordigers van alle onderwijsnetten. Tal van dossiers werden binnen de termijn ingediend. De Franse Gemeenschap ziet niet in in welk opzicht WBE zou zijn bevoordeeld. A.37.
- De Franse Gemeenschapsregering preciseert dat de gekozen termijn het mogelijk maakt de vervaldata in acht te nemen die bij de verordening (EU) 2021/241 zijn vastgesteld om de vereffening van de fondsen te verkrijgen. De termijn om de subsidiëringsaanvragen in te dienen is evenredig met de noodzaak om snel te handelen, rekening houdend met die vervaldata, temeer daar de oorspronkelijke aanvraagdossiers niet alle stukken moeten bevatten. Het opnieuw uitschrijven van de projectoproep zou het niet mogelijk maken de op Europees niveau vastgestelde vervaldata in acht te nemen. A.
- De Franse Gemeenschapsregering besluit dat het middel niet gegrond is. A.39.
- WBE beweert allereerst dat het derde middel onontvankelijk is, door argumenten aan te voeren die identiek zijn aan die van de Franse Gemeenschap. A.39.
- WBE voegt eraan toe dat de verzoekende partijen het Hof niet ertoe kunnen brengen zich uit te spreken over de overeenstemming van het bestreden decreet met de verordening (EU) 2021/241, aangezien het Hof niet bevoegd is om zulks te doen. Daarenboven zetten de verzoekende partijen een grief uiteen die losstaat van het derde middel, door de decreetgever te verwijten dat hij geen uitzonderlijke administratieve ondersteuning heeft verleend aan de inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net. De verzoekende partijen tonen niet aan in welk opzicht dat gebrek aan ondersteuning zijn grondslag zou vinden in de artikelen 3 en 30 van het bestreden decreet. Ten slotte tonen de verzoekende partijen niet aan in welk opzicht het feit dat het bestreden decreet met terugwerkende kracht uitwerking heeft, de in het middel bedoelde normen schendt. A.40.
- WBE is vervolgens van mening dat het middel niet gegrond is. A.40.
- Allereerst schatten de verzoekende partijen niet het belang in van de door de Europese Unie vastgestelde planning, volgens welke de verbintenissen voor 70 % van het door de Unie toegewezen bedrag moeten zijn aangegaan tegen 31 december 2022 en de verbintenissen voor het saldo tegen 31 december 2026 [lees : 31 december 2023]. Indien de richtsnoeren en streefdoelen die zijn vastgesteld in het uitvoeringsbesluit van de Raad, waarbij de middelen aan België worden toegekend, niet in acht worden genomen, kunnen de middelen worden opgeschort en zelfs verloren gaan. De naleving van de Europese termijnen is dus uiterst belangrijk. A.40.
- WBE voert vervolgens aan dat die vervaldata aan alle inrichtende machten van alle netten worden opgelegd. Daarenboven is WBE een autonome openbare instelling van de Franse Gemeenschap die een beroep heeft gedaan op haar eigen administratieve middelen om in te gaan op de projectoproep. De rondzendbrief werd haar op 1 oktober 2021 toegezonden, zoals aan alle inrichtende machten. A.40.
- In verband met het voorbehoud dat is gemaakt door de afdeling wetgeving van de Raad van State, stelt WBE dat geen enkel voorbehoud betrekking heeft op artikel 3 van het bestreden decreet, maar veeleer op de rondzendbrief die geen normatieve bepalingen mag bevatten. Toch is artikel 3 van het bestreden decreet, dat de procedure vaststelt die moet worden gevolgd om de subsidiëringsaanvragen in te dienen en dat het beginsel van de indiening van de aanvragen binnen drie maanden na toezending van de rondzendbrief vastlegt, in overeenstemming met het wettigheidsbeginsel van artikel 24, § 5, van de Grondwet. A.
- In haar memorie beschrijft de Franse Gemeenschapsregering uitvoerig welke de verzoekende partijen zijn die subsidieaanvraagdossiers hebben ingediend. A.
- De verzoekende partijen antwoorden dat sommige verzoekende partijen niet in staat zijn geweest om een volledig dossier samen te stellen binnen de termijn van drie maanden, omdat informatie of documenten moesten worden verstrekt die niet redelijkerwijs konden worden voorgelegd binnen een dergelijke termijn, tenzij men vooraf reeds over een project beschikte. Andere verzoekende partijen zijn niet in staat geweest om de toestemming van de eigenaar binnen de termijn van drie maanden te verkrijgen. Voor de gebouwen van de Franse Gemeenschap daarentegen was de administratie reeds in het bezit van de informatie die moest worden verstrekt in de subsidieaanvraag, temeer daar de informaticatool voor het indienen van de aanvragen werd ontwikkeld door een administratieve dienst die een nauwe band heeft met de Algemene Dienst voor Schoolinfrastructuur van de 17 Franse Gemeenschap. De administratie van de Franse Gemeenschap beschikte dus reeds lang vóór 1 september 2021 over elementen die noodzakelijk waren om haar subsidiëringsaanvragen voor te bereiden. De bij het decreet vastgestelde korte termijn heeft dus discriminerende gevolgen gehad. Ten slotte bestaan de « tussentijdse doelstellingen » waarop de Franse Gemeenschapsregering zich beroept, niet. Het Belgische herstelplan bevat geen dergelijke tussentijdse doelstellingen. De bedragen waarvoor de verbintenissen moeten zijn aangegaan tegen 31 december 2022 en tegen 31 december 2023, betreffen globale subsidies van het herstelplan van België, en geen subsidies met betrekking tot de renovatie van de schoolgebouwen van de Franse Gemeenschap. De enige opgelegde termijnen vloeien voort uit de verordening (EU) 2021/
- A.43.
- In haar memorie van wederantwoord betwist de Franse Gemeenschapsregering de bewering volgens welke aan verschillende verzoekende partijen de mogelijkheid werd ontzegd om een subsidieaanvraag in te dienen. Daarenboven geeft niets aan dat de diensten van de Franse Gemeenschap of WBE zouden zijn bevoordeeld of over bevoorrechte informatie zouden hebben beschikt vóór de andere inrichtende machten, met name wegens het feit dat de informaticatool « OCRE » werd ontwikkeld door de administratie. Daarenboven kon elke inrichtende macht een dossier indienen zonder nog stappen met betrekking tot een eigendomsoverdracht te hebben ondernomen. A.43.
- De Franse Gemeenschapsregering repliceert dat niet kan worden aangevoerd dat de op de voorgrond gestelde tussentijdse doelstellingen en termijnen onbestaande zouden zijn. De verordening (EU) 2021/241 houdt de naleving in van strikte temporele verplichtingen, die uiteenvallen in subdoelstellingen. Projecten die 6,5 % van het totaalbudget vertegenwoordigen, zullen in ruime mate moeten zijn aangevat vóór 31 december
- A.
- In haar memorie van wederantwoord voert WBE aan dat de verzoekende partijen in werkelijkheid een situatie bekritiseren die rechtstreeks voortvloeit uit artikel 24 van de Grondwet, dat aan de Franse Gemeenschap de verplichting oplegt om onderwijs te organiseren met de administratieve en menselijke middelen waarover zij beschikt. Het Hof is niet bevoegd om die situatie af te keuren. Aan WBE kan evenmin worden verweten dat zij blijk heeft gegeven van een vooruitziende blik, in zoverre zij in januari 2021, zijnde op een ogenblik waarop bekend was dat Europese middelen zouden worden toegekend, heeft aangekondigd dossiers voor te bereiden met betrekking tot de renovatie van de schoolgebouwen die zij bezet. In ondergeschikte orde hebben de ontwikkelingen van de reglementaire context van de projectoproep de verschillende inrichtende machten op dezelfde wijze geraakt. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen A.
- In haar memorie verzoekt de Franse Gemeenschapsregering, in ondergeschikte orde, om de gevolgen van de vernietigde decretale bepalingen te handhaven voor het verleden, teneinde de rechtszekerheid te vrijwaren. Dat verzoek volgt uit de verplichtingen en termijnen die voortvloeien uit de verordening (EU) 2021/
- Elke achterstand bij de uitvoering van de werken kan leiden tot een verplichting om aan de Europese Unie middelen terug te betalen die door België te veel werden ontvangen. Er zullen overheidsopdrachten zijn uitgeschreven en gesloten. De bij de Europese verordening opgelegde temporele verplichtingen houden in dat er snel wordt gehandeld en verbieden om het systeem te herzien en om een nieuwe projectoproep uit te schrijven. De beginselen waarop het bestreden decreet berust, de fiche « schoolgebouwen » en het Belgische herstelplan zullen niet meer in acht kunnen worden genomen, bij gebrek aan een verdeelsleutel. Het algemeen belang zou ernstig worden geraakt indien het decreet zonder meer wordt vernietigd. A.
- In hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen aan dat de vernietiging van de bestreden bepalingen voor het algemeen belang geen nadelen met zich meebrengt die de handhaving van de gevolgen van de bestreden bepalingen zouden verantwoorden. In het schorsingsarrest heeft het Hof immers reeds geoordeeld dat de schorsing van de artikelen 5, § 2, en 19 van het bestreden decreet het de tegenpartij mogelijk zou hebben gemaakt haar regelgeving te wijzigen zonder het vernietigingsarrest te moeten afwachten. Daarenboven zou de vernietiging van artikel 26 van het bestreden decreet niet verhinderen dat de Europese middelen worden uitgekeerd. Wat artikel 3, § 2, van het bestreden decreet betreft, voorzien de bewoordingen zelf ervan in de mogelijkheid om nieuwe subsidieaanvragen in te dienen na 31 december 2021, zodat de behandeling van de subsidieaanvragen na die datum de uitkering van de Europese middelen niet kan belemmeren. Ten slotte heeft het Hof de termijnen om de memories in te dienen ingekort, zodat snel een vernietigingsarrest wordt gewezen. A.
- In haar memorie van wederantwoord preciseert de Franse Gemeenschapsregering dat haar verzoek om de gevolgen te handhaven des te meer wordt verantwoord voor de artikelen van het decreet die niet werden geschorst bij het arrest van het Hof nr. 32/2022 van 24 februari
- Een nieuwe procedure om aanvragen in te dienen en te onderzoeken kan niet worden overwogen. De infrastructuurprojecten in kwestie zijn tijdrovend, met 18 name wegens de overheidsopdrachten die zij inhouden. De vernietiging van het decreet zonder handhaving van de gevolgen zou de daadwerkelijke en definitieve inning van elke Europese subsidie onmogelijk maken. -B- Ten aanzien van het bestreden decreet en de context ervan B.1.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021 « betreffende het investeringsplan voor schoolgebouwen in het kader van het Europees plan voor herstel en veerkracht » (hierna : decreet van 30 september 2021). B.1.
- Het doel van het decreet bestaat erin, wat de Franse Gemeenschap betreft, het gedeelte « schoolgebouwen » van het « nationaal plan voor herstel en veerkracht » uit te voeren dat België aan de Europese Commissie heeft voorgelegd overeenkomstig artikel 18 van de verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 « tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit » (hierna : verordening (EU) 2021/241). B.2.
- Bij de verordening (EU) 2021/241 wordt financiële steun toegekend aan de lidstaten via de « herstel- en veerkrachtfaciliteit », die is geconcipieerd als een instrument om het hoofd te bieden aan de COVID-19-crisis en om de veerkracht van de lidstaten te verhogen met het oog op eventuele toekomstige crisissen. B.2.
- Het toepassingsgebied bestrijkt beleidsgebieden die van Europees belang zijn en die in zes pijlers zijn ondergebracht, waaronder « groene transitie » en « beleid voor de volgende generatie, kinderen en jongeren, zoals onderwijs en vaardigheden » (artikel 3 van de verordening (EU) 2021/241). B.2.
- Bij de verordening (EU) 2021/241 werden de lidstaten verzocht om aan de Europese Commissie nationale plannen voor herstel en veerkracht voor te leggen, die hun nationale hervormings- en investeringsprogramma’s bevatten. Indien zijn nationale plan wordt aanvaard, ontvangt de lidstaat een financiële bijdrage voor de uitvoering ervan. 19 B.2.
- Het Belgische nationale plan werd geldig verklaard door de Europese Commissie en goedgekeurd door de Raad van de Europese Unie. Het gaat gepaard met een financiële bijdrage voor een bedrag van 5,9 miljard euro. In de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet wordt vermeld dat « de Franse Gemeenschap erin heeft voorzien om een aanzienlijk deel, geraamd op 230 769 231 euro, van de enveloppe die haar door de Europese Unie wordt toegekend, te bestemmen voor een groot investeringsplan voor schoolgebouwen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 277/1, p. 4). B.
- Het bestreden decreet regelt de verdeling tussen de drie onderwijsnetten, namelijk het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap, het gesubsidieerde officiële onderwijsnet en het gesubsidieerde vrije onderwijsnet van de Europese middelen voor het gedeelte « schoolgebouwen » van het nationaal plan voor herstel en veerkracht. Met « schoolgebouw » in de zin van het bestreden decreet, wordt bedoeld « elk schoolgebouw voor gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs, gewoon en gespecialiseerd secundair onderwijs en secundair onderwijs voor sociale promotie, voor kunstonderwijs met beperkt leerplan, voor hoger onderwijs buiten de universiteiten, voor onderwijs voor sociale promotie, of een gebouw waarin psycho-medisch-sociale centra of internaten en opvangtehuizen voor gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs, secundair onderwijs en hoger onderwijs zijn ondergebracht, georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap » (artikel 1, 9, van het bestreden decreet). B.4.
- Overeenkomstig artikel 3, § 1, van het bestreden decreet maakt de Regering een oproep tot het indienen van projecten voor alle inrichtende machten bekend met het oog op de toekenning van het bedrag waarin voor schoolgebouwen is voorzien in het plan voor herstel en veerkracht. Die oproep wordt geformaliseerd in een omzendbrief van de Franse Gemeenschapsregering. 20 B.4.
- Op 1 oktober 2021 heeft de Franse Gemeenschap een omzendbrief nr. 8291 bekendgemaakt, met als opschrift « bâtiments scolaires : procédure d’octroi de financements et subventions exceptionnels dans le cadre du plan d’investissement dans les bâtiments scolaires établi dans le cadre du plan de reprise et de résilience (PRR) européen » (schoolgebouwen : procedure tot toekenning van uitzonderlijke financieringen en subsidies in het kader van het investeringsplan voor schoolgebouwen dat is opgesteld in het kader van het Europees plan voor herstel en veerkracht). Die omzendbrief bepaalt de procedure die moet worden gevolgd door de inrichtende machten die een subsidieaanvraagdossier in het kader van het plan voor herstel en veerkracht wensen in te dienen. B.4.
- Krachtens artikel 3, § 1, laatste lid, van het bestreden decreet dienen volledige aanvraagdossiers binnen drie maanden na de bekendmaking van de omzendbrief te worden ingediend. De termijn die aan de inrichtende machten is toegekend om een subsidiëringsaanvraag in te dienen, is dus verstreken op 31 december
- B.5.
- De Europese subsidiëring wordt verdeeld volgens een verdeelsleutel die, wat het beginsel ervan betreft, wordt vastgesteld bij het bestreden decreet, maar die definitief wordt bepaald door de Franse Gemeenschapsregering op grond van de in aanmerking genomen dossiers. Bij artikel 5, § 2, van het bestreden decreet wordt de theoretische verdeelsleutel als volgt omschreven : « De verdeling van het in § 1 bedoelde bedrag onder de rechthebbenden geschiedt met inachtneming van het geheel van de volgende voorwaarden : a) de in de artikelen 6 tot en met 17 van dit decreet genoemde voorwaarden; b) de theoretische verdeelsleutel voor het in § 1 bedoelde bedrag, die als volgt wordt gedefinieerd :
- 41,15 procent voor investeringen in schoolgebouwen die eigendom of mede-eigendom zijn van de Franse Gemeenschap;
- 34,12 procent voor de financiering van werken in verband met schoolgebouwen voor gesubsidieerd officieel onderwijs; 21
- 24,73 procent voor de financiering van werken in verband met schoolgebouwen voor gesubsidieerd vrij onderwijs ». B.5.
- De bedragen die voortvloeien uit de verdeelsleutel, vormen enveloppes - één voor elk onderwijsnet - die kunnen stijgen of dalen, met een maximumdaling van 15 % (artikel 6 van het bestreden decreet). B.6.
- Van de door de inrichtende machten ingediende projecten wordt nagegaan of zij in aanmerking komen voor de financiering. Bij artikel 4 van het bestreden decreet worden de voorwaarden voor het in aanmerking nemen van de projecten als volgt vastgesteld : « Projecten die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen, komen in aanmerking voor de in artikel 3 bedoelde oproep tot het indienen van projecten indien :
- zij gericht zijn op schoolgebouwen[;]
- het betrokken schoolgebouw eigendom is van de aanvrager of deze heeft er een eigen zakelijk recht op of heeft het overgedragen aan een openbare of patrimoniale beheervennootschap van schoolgebouwen, waardoor deze [erover] kan beschikken, en is bestemd om gedurende ten minste 30 jaar vanaf de datum van de toekenning van de vaste financieringsovereenkomst voor schooldoeleinden te worden gebruikt;
- de aanvrager zich ertoe verbindt de in artikel 34 van Verordening (EU) nr. 2021/241 bedoelde bekendmaking te organiseren;
- de ‘ bekendmaking ’ of raadpleging voor het contract voor werken voor de betrokken diensten na 1 februari 2020 plaatsvindt;
- het dossier niet kan worden afgesloten op de datum van indiening van de projecten. De afsluiting van het dossier wordt vastgesteld bij de voorlopige aanvaarding van het dossier;
- de voorlopige oplevering van de werken waarop de uitzonderlijke financiering betrekking heeft, uiterlijk aan het einde van het tweede kwartaal van 2026 plaats moet vinden;
- de uitgevoerde werken aan de materiële en financiële normen voldoen die zijn vastgesteld in artikel 2 van het decreet van 5 februari 1990;
- de uitgevoerde werken aan de specifieke voorwaarden voldoen die voor elk soort werk zijn vastgesteld in de artikelen 14 tot en met 17 van dit decreet; 22
- noch de renovatiewerken noch de activiteiten die in de betrokken infrastructuur worden uitgevoerd, aanzienlijke milieuschade kunnen veroorzaken in de zin van artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852;
- de aanvragers zich ertoe verbinden in te gaan op elk verzoek van de Franse Gemeenschap, de Europese Commissie of elk controleorgaan dat betrokken is bij de toepassing van het plan voor herstel en veerkracht, als bedoeld in Verordening (EU) 2021/241, teneinde het gebruik van de ontvangen financiële steun te kunnen monitoren en de nodige informatie aan de Commissie te kunnen meedelen ». B.6.
- De in aanmerking komende projecten worden vervolgens ingedeeld in vier « werkpools », volgens een vastgestelde dalende volgorde van prioriteit. De eerste pool omvat werken inzake « sloop/verbouwing van bestaande gebouwen », de tweede pool heeft betrekking op « gemiddelde minimumrenovaties », de derde pool betreft « lichte renovaties » en de vierde pool omvat « eenmalige acties » (artikel 7 van het bestreden decreet). B.7.
- Het bestreden decreet voert eveneens een systeem van overdracht van middelen tussen de drie enveloppes in, dat ook « mechanisme van communicerende vaten » of « inhoudingsmechanisme » wordt genoemd, binnen de perken van de 15 % maximumdaling van een enveloppe. Dat mechanisme maakt het mogelijk om de middelen die eventueel beschikbaar zijn gemaakt ingevolge het afzien of het uitsluiten van bepaalde dossiers, opnieuw toe te wijzen aan de andere enveloppes (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 277/1, p. 12). B.7.
- Overdrachten kunnen evenwel slechts plaatsvinden nadat alle projecten zijn toegewezen aan een bepaalde pool in een enveloppe en met inachtneming van de volgorde van prioriteit van de pools (artikel 8 van het bestreden decreet). B.7.
- Het mechanisme van overdrachten van middelen tussen enveloppes wordt gedefinieerd in artikel 9 van het decreet, dat bepaalt : « §
- Binnen dezelfde werkpool, en voordat een pool met lagere prioriteit wordt onderzocht, kan elke enveloppe worden aangevuld door uit de andere enveloppen te putten, 23 mits de eerste enveloppe onvoldoende middelen heeft om alle dossiers in de gegeven pool te bestrijken en een of meer van de andere enveloppen een positief saldo heeft na toewijzing aan dezelfde pool. §
- Indien twee enveloppen na de verdeling van een bepaalde pool een negatief saldo vertonen, wordt, indien nodig, van de laatste enveloppe een bedrag afgetrokken dat evenredig is met de oorspronkelijke theoretische verdeling. Omgekeerd zullen, indien slechts één enveloppe een negatief saldo vertoont, de twee andere enveloppen eveneens worden afgetrokken in verhouding tot de oorspronkelijke theoretische toewijzing. §
- Indien elke enveloppe een positief saldo heeft na de toewijzing van een pool, gaat de prioriteitsbepaling verder naar de volgende pool door het saldo van elke enveloppe voor die pool te nemen. §
- Indien bij de toewijzing van een bepaalde pool een negatief saldo ontstaat en geen toewijzing binnen een van de andere pools mogelijk is, worden de aan deze pool toegewezen dossiers, indien nodig, binnen deze pool voor deze pool geprioriteerd volgens de in de artikelen 12 [lees : 13] tot en met 17 van dit decreet omschreven prioriterings- en indelingscriteria ». B.7.
- De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Artikel 9, § 2, voorziet in het inhouden van twee enveloppes op de derde of van één enveloppe op de twee andere. Om die paragraaf te begrijpen, kan het volgende voorbeeld worden gegeven : Indien de enveloppes A en B onvoldoende middelen hebben en enveloppe C een beschikbaar saldo vertoont dat evenwel niet volstaat om tegemoet te komen aan de behoeften van A en B, dan wordt het beschikbare saldo van C verdeeld tussen de twee andere enveloppes naar verhouding van hetgeen A en B in theorie als percentage van de vertrekenveloppe zouden hebben indien er aanvankelijk maar twee enveloppes waren geweest. Hetzelfde beginsel geldt in het omgekeerde geval met één positieve enveloppe en twee negatieve enveloppes » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 277/1, p. 13). B.7.
- Krachtens artikel 10 van het bestreden decreet zal, indien een groep begunstigden in een van de enveloppes niet voldoende dossiers indient om 85 procent van zijn enveloppe op te gebruiken, het volledige beschikbare saldo kunnen worden herverdeeld over de andere enveloppes, volgens hetzelfde mechanisme als dat wat is beschreven in de artikelen 6 tot en met
- B.7.
- Ten slotte is het bij artikel 9 van het bestreden decreet ingevoerde mechanisme van communicerende vaten niet van toepassing tussen de twee eerste werkpools : « sloop/verbouwing van bestaande gebouwen » en « gemiddelde minimumrenovatie » (artikel 11 van het bestreden decreet). 24 B.
- Voor elke werkpool bepalen de artikelen 14 tot 17 van het bestreden decreet de typologie van de werken, de criteria voor inaanmerkingneming en de criteria om de prioriteit te bepalen. De criteria om de prioriteit te bepalen, die worden gewogen en ingedeeld in subcriteria in de bijlagen 1 tot 4 van het bestreden decreet, maken het mogelijk om de dossiers die tot een bepaalde pool behoren, te rangschikken in geval van ontoereikende kredieten binnen een zelfde enveloppe na toepassing van de eventuele inhoudingen. B.
- Krachtens artikel 18 van het bestreden decreet is het de Franse Gemeenschapsregering die beslist over de definitieve verdeling van de enveloppes alsook over de lijst van de geselecteerde dossiers, volgens de nadere regels die zijn vastgesteld in de artikelen 6 tot 17 en 19 van het bestreden decreet. B.10.
- Bij artikel 19 van het bestreden decreet wordt de financiële tegemoetkoming beperkt die wordt toegekend aan de begunstigden voor de projecten binnen een van de drie enveloppes. B.10.
- Aldus bedraagt de maximale financieringsratio voor directe investeringen in gebouwen die eigendom of mede-eigendom zijn van de Franse Gemeenschap, 82,5 % van het totaalbedrag van de investering, waarbij het saldo moet worden gefinancierd door middel van krediet of eigen kapitaal. B.10.
- Voor de projecten betreffende schoolgebouwen van het gesubsidieerde officiële net bedragen de maximale financieringsratio’s (i) 60 % van het totaalbedrag van de investering voor dossiers in de pools « sloop/verbouwing van bestaande gebouwen » en « gemiddelde minimumrenovaties », (ii) 50 % van het totaalbedrag van de investering voor dossiers in de pool « lichte renovaties » en (iii) 35 % van het totaalbedrag van de investering voor dossiers in de pool « eenmalige acties ». B.10.
- Voor de projecten betreffende schoolgebouwen van het gesubsidieerde vrije onderwijsnet bedragen de maximale financieringsratio’s 65 % van het totaalbedrag van de investering voor dossiers waarbij de inrichtende machten van het leerplichtonderwijs en de 25 psycho-medisch-sociale centra zijn betrokken, en 35 % van het totaalbedrag van de investering voor dossiers waarbij de inrichtende machten van het niet-universitair hoger onderwijs zijn betrokken. Daarenboven wordt de financiële tegemoetkoming, voor die projecten, bepaald op een minimumbedrag van twee miljoen euro per project. Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.
- De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 3, 4, 5, 16, 17, 18, 19 en 22 en met de bijlagen V en VI van de verordening (EU) 2021/
- Eerste grief B.
- De eerste grief heeft betrekking op de theoretische verdeelsleutel van de subsidiëringen, die is vastgesteld in artikel 5, § 2, van het bestreden decreet. Die sleutel, die minder voordelig is voor het gesubsidieerde vrije net dan voor de andere onderwijsnetten, zou een onbillijke verdeling van de Europese middelen met zich meebrengen en bijgevolg discriminerend zijn. B.
- Bij artikel 5, § 2, wordt de theoretische verdeelsleutel van de subsidiëringen als volgt vastgesteld : - 41,15 % van het bedrag dat is voorzien voor schoolgebouwen in het kader van het Europees plan voor herstel en veerkracht, verhoogd met 10 % en vermeerderd met de bedragen die nodig zijn om de btw te dekken, wordt bestemd voor investeringen in schoolgebouwen die eigendom of mede-eigendom zijn van de Franse Gemeenschap; - 34,12 % van hetzelfde globale bedrag dient voor de financiering van werken in verband met schoolgebouwen voor gesubsidieerd officieel onderwijs; en 26 - 24,73 % van hetzelfde globale bedrag is bedoeld voor de financiering van werken in verband met schoolgebouwen voor gesubsidieerd vrij onderwijs. B.
- Zoals in B.5.2 is vermeld, kan die verdeelsleutel stijgen of dalen, met een maximumdaling van 15 %. Hij zal definitief worden vastgesteld door de Franse Gemeenschapsregering op basis van de in aanmerking genomen dossiers. B.
- De toetsing van het Hof heeft betrekking op de grondwettigheid van artikel 5, § 2, van het bestreden decreet. In dat kader staat het niet aan het Hof zich uit te spreken over de opportuniteit van de keuze van de decreetgever om een verdeelsleutel te bevoorrechten ten opzichte van een andere. B.
- Zonder dat de Franse Gemeenschapsregering hen op dat punt tegenspreekt, merken de verzoekende partijen op dat het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap onderwijs verstrekt aan 15 % van de leerlingen, terwijl het gesubsidieerde vrije net onderwijs verstrekt aan 50 % van de schoolbevolking. Het gesubsidieerde officiële net verstrekt onderwijs aan 35 % van de leerlingen. B.17.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden. B.17.
- Artikel 24, § 1, van de Grondwet stelt dat het onderwijs vrij is. Die vrijheid van onderwijs veronderstelt dat de inrichtende machten die niet rechtstreeks van de gemeenschap afhangen, onder bepaalde voorwaarden aanspraak kunnen maken op subsidiëring vanwege de gemeenschap. Het recht op subsidiëring wordt beperkt, enerzijds, door de mogelijkheid voor de gemeenschap om de subsidies te verbinden aan vereisten die te maken hebben met het algemeen belang, onder andere die van een kwaliteitsonderwijs en de inachtneming van normen in verband met de schoolbevolking en, anderzijds, door de noodzaak om de beschikbare financiële middelen te verdelen onder de verschillende opdrachten van de gemeenschap. Artikel 24, § 4, van de Grondwet vestigt, op het vlak van onderwijs, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat is afgeleid uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 27 B.17.
- Hoewel de gelijke behandeling van onderwijsinstellingen het basisbeginsel is, sluit artikel 24, § 4, van de Grondwet een verschil in behandeling van die instellingen niet uit, op voorwaarde dat dat gegrond is op objectieve verschillen, « waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht ». In de parlementaire voorbereiding van de grondwetsherziening van 15 juli 1988 wordt in dat verband de mogelijkheid vermeld om rekening te houden met de eigen verplichtingen die op de scholen van de gemeenschap rusten, met de eigendomsregeling van de schoolgebouwen, of nog met de mogelijkheid voor sommige inrichtende machten of instellingen om de door de gemeenschap toegekende financiering aan te vullen met openbare of private middelen (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100-1/1°, pp. 5-7). Om ten aanzien van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie een verschil in behandeling tussen de onderwijsinstellingen van de onderwijsnetten te verantwoorden, is het evenwel niet voldoende te wijzen op het bestaan van objectieve verschillen tussen die instellingen. Bovendien moet worden aangetoond dat, ten aanzien van de geregelde aangelegenheid, het aangevoerde onderscheid relevant is om een verschil in behandeling redelijkerwijze te verantwoorden. Het gelijkheidsbeginsel inzake onderwijs kan overigens niet los worden gezien van de andere in artikel 24 van de Grondwet vervatte waarborgen, inzonderheid van de vrijheid van onderwijs en van het recht op onderwijs. B.18.
- In de parlementaire voorbereiding wordt de keuze van de verdeelsleutel verantwoord als volgt : « De enveloppe werd tussen die drie soorten van begunstigden verdeeld met inachtneming van de verdelingen van financieringen die reeds bestaan in de begrotingen van de Franse Gemeenschap voor de periode van het jaar 2016 tot het jaar
- Zulks teneinde rekening te houden met een gemiddelde en om aldus de gevolgen te vermijden van uitzonderlijke dotaties die een vertekend beeld zouden geven van de verdeling. Daarenboven werden, ingevolge overlegvergaderingen met de federaties van inrichtende machten, verschillende elementen, zoals de uitzonderlijke dotaties die worden toegekend ten voordele van de gebouwen waarvan de Franse Gemeenschap de eigendomslast heeft, alsook de budgetten die worden toegekend voor het betalen van huurgelden, afgetrokken van de berekening. Bij de verdeling wordt eveneens rekening gehouden met de eigendomsregeling waaraan de schoolgebouwen zijn onderworpen die de bij het voorliggende ontwerpdecreet ingevoerde financiering genieten. Aldus genieten de schoolgebouwen waarvan de eigendomslast bij een overheid ligt, een groter deel van de financieringen van dat beleid gezien het openbare karakter van het patrimonium en dus gezien het behoud van de gedane investering in het openbaar domein. 28 Meer in het bijzonder kunnen de schoolgebouwen waarvan de Franse Gemeenschap zelf de eigendomslast draagt, daarenboven geen andere financieringen, behalve subsidies, genieten. Bovendien is de verantwoordelijkheid van de Franse Gemeenschap voor die gebouwen eveneens groter, aangezien zij alle normen en verplichtingen ervan, met name inzake onderhoud, op zich moet nemen. De schoolgebouwen waarvan de Franse Gemeenschap de eigendomslast draagt, genieten dus een aanzienlijker deel van de middelen. Hoewel artikel 61 van het [bijzonder] decreet van 7 februari 2019 bepaalt dat de eigendom van de roerende en onroerende goederen van de Franse Gemeenschap, zowel van het openbare als van het privédomein, die onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van de bevoegdheden als inrichtende macht, zonder vergoeding aan WBE wordt overgedragen, is het van belang te beklemtonen dat de Regering in dit stadium de lijst van de desbetreffende onroerende goederen, alsook de voorwaarden en de nadere regels voor de eigendomsoverdracht, nog niet heeft vastgesteld. Aldus blijft de Franse Gemeenschap thans de enige eigenaar om de financiering met betrekking tot de voorliggende bepalingen te genieten. De gebouwen die onder een private eigenaar vallen, genieten een minder aanzienlijk deel van de voor dat beleid toegewezen middelen, gezien het feit dat de financieringsbronnen voor die infrastructuren andere bronnen kunnen zijn en de gedane investering steeds tot het privédomein blijft behoren. De verdeelsleutel van de financiële middelen tussen de schoolgebouwen van de verschillende netten is gebaseerd op de eigendomsregeling van die gebouwen, en zulks gelet op de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. In dat verband dient in herinnering te worden gebracht dat het Grondwettelijk Hof, in zijn rechtspraak, de verschillen in behandeling geldig heeft verklaard op voorwaarde dat die zijn gebaseerd op ‘ eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht ’, die een ‘ objectief verschil ’ uitmaken dat ‘ een aangepaste behandeling ’ verantwoordt. Aldus werd de eigendomsregeling van schoolgebouwen, private eigendom of eigendom van publiekrechtelijke personen, door het Hof aanvaard als een objectief verschil dat toelaatbaar is om een gedifferentieerde behandeling te rechtvaardigen. Meer in het bijzonder heeft het Grondwettelijk Hof, in zijn arresten nrs. 38/91 en 27/92, de verschillen inzake financiering van schoolgebouwen en werkingstoelagen geldig verklaard. In zijn arrest nr. 109/2014 van 17 juli 2014 bevestigt het Hof zijn rechtspraak ter zake en herinnert het aan hetgeen volgt : ‘ B.
- Bij zijn arrest nr. 27/92 van 2 april 1992 heeft het Hof het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling verantwoord bevonden. Het oordeelde : “ 5.B.
- Het eigendomsstelsel waaraan schoolgebouwen zijn onderworpen varieert naargelang van de inrichtende macht die er eigenaar van is. Immers, in het vrij gesubsidieerd onderwijs zijn schoolgebouwen eigendom van privaatrechtelijke rechtspersonen, terwijl zij in het gemeenschapsonderwijs aan een publiekrechtelijke rechtspersoon, de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, die onder strikte controle van de Gemeenschap staat, toebehoren. Die eigen karakteristieken van iedere van de twee categorieën van inrichtende machten leveren een ‘ objectief verschil ’ op dat een ‘ aangepaste behandeling ’ verantwoordt, niet alleen wat betreft de toekenning van investeringskredieten maar ook die van kredieten voor het eigenaarsonderhoud, die beide in 29 immobiliënwaarde worden omgezet, de eerstgenoemde door ze te benutten voor de eigendomsverwerving van onroerend goed, de laatstgenoemde door ze aan te wenden voor de instandhouding van de waarde van onroerend goed waarvan de inrichtende macht eigenaar is. ” ’. Het door de eigendomsregeling veroorzaakte verschil betreft verscheidene aspecten van het beheer van de infrastructuur. Allereerst de burgerlijke en strafrechtelijke eigenaarsaansprakelijkheid die, enerzijds, door de Gemeenschap zelf of door een andere overheid wordt gedragen en, anderzijds, door een private rechtspersoonlijkheid. De eigendommen die onder de private rechtspersoonlijkheid vallen, genieten logischerwijs dan ook een financiële inbreng van die eigenaar, en het is dus aanvaardbaar dat de overheidsinbreng geringer is. Daarenboven vormt de dwingende vereiste voor de overheid om onderwijs op het gehele grondgebied te handhaven, ongeacht de bezettingsgraad van haar instellingen of de middelen waarover zij beschikt, een aanvullende verplichting. De overheid is immers verplicht om overal waar vraag ernaar is, onderwijs te handhaven, en het is dus niet denkbaar dat haar infrastructuren aanleiding geven tot het sluiten van een instelling, zo niet zou zij in gebreke worden gesteld voor het niet nakomen van die verplichting. Bovendien, rekening houdend met de prioriteit die is vastgelegd in het plan voor herstel en veerkracht met betrekking tot de klimaattransitie en meer bepaald, in het kader van infrastructuur, met betrekking tot energiebesparing, dient rekening te worden gehouden met de infrastructurele realiteit van de schoolgebouwen en hun noden in dat kader. De gebouwen en de soorten constructies ervan verantwoorden immers ook dat een gedifferentieerde behandeling erop wordt toegepast. Het openbare schoolgebouwenpark omvat verhoudingsgewijs een groter aantal geprefabriceerde gebouwen, die bijzonder problematisch zijn op ecologisch vlak maar ook in termen van hygiëne en veiligheid. Bijgevolg is het opportuun om een consequenter antwoord daarop te bieden teneinde een grotere impact te hebben op de energietransitie van het scholenpark. Om al die redenen is de differentiatie van de financiering van de schoolinfrastructuren verantwoord » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 277/1, pp. 5- 8). B.18.
- Uit die uittreksels uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever de betwiste verdeelsleutel heeft vastgesteld op basis van een bestaande verdeling van financieringen van schoolgebouwen in de begrotingen van de Franse Gemeenschap van de jaren 2016 tot
- De decreetgever heeft elementen die een vertekend beeld zouden geven van het gemiddelde van die financieringen, zoals uitzonderlijke dotaties of bedragen die zijn bestemd voor het betalen van huurgelden, evenwel geneutraliseerd. 30 B.18.
- Daaruit blijkt eveneens dat de decreetgever zich hoofdzakelijk baseert op drie elementen om het door de verdeelsleutel in het leven geroepen verschil in behandeling tussen de onderwijsnetten te verantwoorden. Het betreft, ten eerste, de verschillende eigendomsregeling voor de schoolgebouwen van het vrije onderwijsnet ten opzichte van die voor de schoolgebouwen van de openbare netten, ten tweede, de verschillende noden inzake renovatie van diezelfde gebouwen en, ten derde, de verplichting ten laste van enkel de overheid om permanent en op het gehele grondgebied een onderwijsaanbod te behouden. Wat in het bijzonder de eigendomsregeling betreft, wordt in de parlementaire voorbereiding gepreciseerd dat de openbare schoolgebouwen een aanzienlijker deel van de financiering genieten (i) opdat de investering wordt behouden in het openbaar domein, (ii) wegens de ontstentenis van financieringsbronnen van buitenaf en (iii) wegens een grotere verantwoordelijkheid van de Franse Gemeenschap om alle verplichtingen en normen, met name die inzake onderhoud, op zich te nemen. B.
- Wat, ten eerste, de eigendomsregeling betreft, heeft het Hof bij zijn arrest nr. 38/91 van 5 december 1991 geoordeeld : « B.3.
- Het eigendomsstelsel waaraan schoolgebouwen zijn onderworpen varieert naargelang van de inrichtende macht die er eigenaar van is. Immers, in het vrij gesubsidieerd onderwijs zijn schoolgebouwen eigendom van privaatrechtelijke rechtspersonen, terwijl zij in het officieel gesubsidieerd onderwijs aan publiekrechtelijke rechtspersonen toebehoren. Die eigen karakteristieken van twee categorieën van inrichtende machten leveren een ‘ objectief verschil ’ op dat een ‘ aangepaste behandeling ’ kan verantwoorden ». B.20.
- Het creëren van vastgoedwaarde dankzij een overheidssubsidie kan een verschil in behandeling tussen de inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net, enerzijds, en het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap, anderzijds, verantwoorden wanneer het de bedoeling is om subsidies te verdelen die zijn bestemd voor investeringen in onroerend goed. B.20.
- Te dezen dient evenwel rekening te worden gehouden met het feit dat artikel 4, 2°, van het bestreden decreet de verplichting oplegt dat het schoolgebouw waarvoor de subsidiëring wordt aangevraagd, bestemd moet zijn om gedurende ten minste 30 jaar vanaf de toekenning van de vaste subsidiëringsovereenkomst voor schooldoeleinden te worden gebruikt. Artikel 24, § 2, van het bestreden decreet bepaalt dat, indien die verplichting niet wordt nageleefd, de 31 ontvangen subsidie moet worden terugbetaald naar rata van het aantal resterende jaren tussen het jaar van de vaste subsidieovereenkomst en het jaar waarin die periode van 30 jaar verstrijkt. B.20.
- De verplichting om het gebouw waarvoor een subsidie werd toegekend, voor schooldoeleinden te blijven gebruiken gedurende een termijn van ten minste 30 jaar en het sanctiemechanisme dat ermee gepaard gaat, waarborgen dat de onroerende meerwaarde die dankzij het bestreden decreet wordt gecreëerd voor private entiteiten die schoolgebouwen ter beschikking stellen van inrichtende machten, gedurende die termijn enkel aan de gebruikers van de openbare dienst van het onderwijs werkelijk ten goede komt. Die omstandigheid maakt het onderscheid op grond van de eigendomsregeling van de schoolgebouwen dat is aangevoerd om de betwiste verdeelsleutel te verantwoorden, minder pertinent. B.20.
- Daaruit vloeit voort dat het doel van de decreetgever dat erin bestaat de gedane investering in het openbaar domein te behouden, hoewel het legitiem is, te dezen niet volstaat om de betwiste verdeelsleutel te verantwoorden. B.21.
- Het is mogelijk dat inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net externe financiële ondersteuning genieten dankzij de private eigenaars van de schoolgebouwen die zij bezetten. B.21.
- Het bestaan van dergelijke externe financiële steun kan een pertinent element zijn om de financiële noden te beoordelen van een inrichtende macht die het schoolgebouw dat zij bezet, wenst te renoveren. B.21.
- Dat criterium kan evenwel niet zonder onderscheid worden toegepast op alle inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net, met andere woorden zowel op die welke een dergelijke externe financiering genieten, als op die welke ze niet genieten, zoals de verslechterde staat van hun schoolgebouwen illustreert. B.21.
- Het criterium van de externe financiële ondersteuning, in zoverre het zonder onderscheid wordt toegepast op alle inrichtende machten van het gesubsidieerde vrije net, maakt het niet mogelijk om de betwiste verdeelsleutel te verantwoorden. 32 B.22.
- Ten slotte neemt de Franse Gemeenschap de lasten, waaronder de onderhoudsverplichtingen, op zich die zijn verbonden aan de schoolgebouwen waarvan zij eigenaar of mede-eigenaar is. B.22.
- Zij blijft daarenboven gehouden tot de verplichtingen met betrekking tot de schoolgebouwen die zij heeft overgedragen aan een Publiekrechtelijke Maatschappijen voor het Beheer van de Schoolgebouwen (PMBS) (artikel 4, § 2, vierde lid, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 juli 1993 « houdende oprichting van zes publiekrechtelijke maatschappijen belast met het bestuur van de schoolgebouwen van het door de overheid ingerichte onderwijs »; artikel 5, § 2, vierde lid, van het decreet van het Waalse Gewest van 7 juli 1993 « tot oprichting van vijf publiekrechtelijke vennootschappen voor het beheer van de schoolgebouwen van het door de overheid gesubsidieerd onderwijs »). Ten aanzien van die gebouwen staat de Franse Gemeenschap ook in voor de opdrachten die zijn bedoeld in het decreet van 5 februari 1990 « betreffende de schoolgebouwen van het niet-universitair onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap », volgens nadere regels die zijn overeengekomen tussen de Regering en elk van de maatschappijen (artikel 5 van het voormelde decreet van de Franse Gemeenschap van 5 juli 1993; artikel 6 van het voormelde decreet van het Waalse Gewest van 7 juli 1993). B.22.
- Overeenkomstig artikel 61 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 « tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap », wordt de eigendom van de schoolgebouwen van de Franse Gemeenschap overgedragen aan WBE zonder vergoeding. Krachtens artikel 62 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 erft WBE de rechten en plichten van de Franse Gemeenschap in verband met de schoolgebouwen toegewijd aan het onderwijsnet georganiseerd door de Franse Gemeenschap. B.22.
- De overdracht van de eigendom van de schoolgebouwen van de Franse Gemeenschap heeft nog niet plaatsgevonden, zodat de Franse Gemeenschap gehouden blijft tot de lasten die zijn verbonden aan de eigendom of de mede-eigendom van de schoolgebouwen die zijn bestemd voor het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap, zonder dat zij over de mogelijkheid beschikt om over financieringsmiddelen van buitenaf te beschikken. 33 B.22.
- Er bestaat op dat punt bijgevolg eveneens een objectief verschil tussen het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap en het gesubsidieerde vrije net. Dat verschil maakt het evenwel niet mogelijk om het aanzienlijke verschil te verantwoorden dat in het leven wordt geroepen door de betwiste verdeelsleutel van de subsidiëringen. B.23.
- Ten tweede rust de verplichting om permanent en op het gehele grondgebied voor een voldoende ruim onderwijsaanbod te zorgen op de Franse Gemeenschap wegens haar hoedanigheid van openbare dienst in organieke zin. Die verplichting vloeit voort uit de artikelen 1.7.3.-1, § 1, en 1.7.3-2 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs van de Franse Gemeenschap, die bepalen : « Art. 1.7.3.-
- §
- Basis- en secundaire scholen worden zo nodig opgericht door de Franse Gemeenschap ». « Art. 1.7.3.-
- Het recht van de ouders om de wijze van opvoeding voor hun kinderen te kiezen, sluit de mogelijkheid in, over een school naar hun keuze op een redelijke afstand te beschikken. Teneinde deze vrije keuze van de ouders te eerbiedigen, moet de Franse Gemeenschap, na raadpleging van de betrokken algemene Raad : 1° op verzoek van ouders die niet-confessioneel onderwijs wensen en op een redelijke afstand geen officiële school noch een vrije school van niet-confessioneel karakter vinden : a) hetzij een school georganiseerd door de Franse Gemeenschap openen; b) hetzij de kosten van het vervoer naar zulke school op zich nemen; c) hetzij een bestaande niet-confessionele vrije school in de subsidieregeling opnemen; 2° op verzoek van ouders die confessioneel onderwijs wensen en op een redelijke afstand geen confessionele school vinden : a) hetzij een bestaande confessionele vrije school in de subsidieregeling opnemen; b) hetzij de kosten van vervoer naar zulke school op zich nemen. 34 De Regering bepaalt hoeveel ouders er nodig zijn opdat de Franse Gemeenschap de in dit artikel bepaalde verplichtingen op zich dient te nemen. Zij bepaalt eveneens wat onder redelijke afstand moet worden verstaan. […] ». B.23.
- Dat verschil tussen het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap en het gesubsidieerde vrije net wordt afgezwakt door de omstandigheid dat de Gemeenschap ook de vrije keuze van de ouders moet verzekeren, zodat de scholen van het gesubsidieerde vrije net eveneens voldoende aanwezig moeten zijn op het grondgebied van de Franse Gemeenschap. Daarenboven is dat verschil niet pertinent voor de verdeling van een subsidiëring waarvan het doel erin bestaat de verbouwing en de renovatie van reeds gebouwde schoolgebouwen mogelijk te maken. B.24.
- Ten derde baseert de Franse Gemeenschapsregering zich op een studie over de staat van het gebouwenpark van de verschillende onderwijsnetten om te beweren dat, wegens een grotere aanwezigheid van geprefabriceerde gebouwen binnen het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap, dat net aanspraak kan maken op een groter deel van de subsidiëring. B.24.
- Uit die studie blijkt dat « het confessionele vrije net, dat de meerderheid van de bestaande inrichtende machten vertegenwoordigt, heeft deelgenomen ten belope van 46 %. Het is het niet-confessionele vrije net dat het minst heeft deelgenomen met 1 inrichtende macht op 4 » (p. 10), en dat « de niet-deelnemende inrichtende machten hoofdzakelijk het confessionele vrije net (54 %) en nog meer de inrichtende machten van het niet-confessionele vrije net (74 %) betreffen » (p. 13). WBE, die de enige inrichtende macht is voor het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap, heeft deelgenomen aan de enquête voor het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap. Uit de studie blijkt eveneens dat het gebouwenpark van het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap bestaat uit 26,87 % geprefabriceerde gebouwen van het type « paviljoen ». B.24.
- Het type en de staat van de schoolgebouwen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van een subsidie, zijn pertinent om een verschil inzake financiering van de verbouwing of de renovatie van schoolgebouwen te rechtvaardigen. Het is immers redelijk verantwoord dat een groter deel van de financiering wordt voorbehouden aan de instellingen 35 die geprefabriceerde gebouwen bezetten, in zoverre die bijzonder problematisch kunnen zijn op ecologisch vlak en in termen van hygiëne en veiligheid. Er dient immers rekening te worden gehouden met het feit dat de Europese middelen die aan de Franse Gemeenschap worden toegewezen op grond van de verordening (EU)
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.