← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.071

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.071 Arrest- Rolnummer: 71/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 1061 - laatst gezien 2026-06-19 09:03 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van de vordering tot schorsing Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vordering tot schorsing 1) van de wet van 1 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », 2) van de wet van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » en 3) van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket », ingesteld door Luc Lamine en anderen. Gezondheidszorg - COVID-19-pandemie - Initiatieven om de verspreiding van COVID-19-besmettingen tegen te gaan - Samenwerkingsakkoord - COVID Safe Ticket -

  1. Exhaustieve opsomming van de plaatsen waarvoor het voorleggen van het CST kan worden vereist -
  2. Verwerking van de in het CST opgenomen persoonsgegevens Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 71/2022 van 19 mei 2022 Rolnummer : 7743 In zake : de vordering tot schorsing 1) van de wet van 1 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », 2) van de wet van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » en 3) van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket », ingesteld door Luc Lamine en anderen. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter L. Lavrysen en de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, 2 wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 januari 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 januari 2022, is een vordering tot schorsing ingesteld 1) van de wet van 1 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », 2) van de wet van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » en 3) van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 oktober 2021, tweede editie, en van 29 oktober 2021, tweede editie) door Luc Lamine, Marguerite Weemaes en Michel Lamine. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde normen. Op 9 februari 2022 hebben de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat de vordering tot schorsing klaarblijkelijk niet ontvankelijk is. Luc Lamine heeft een memorie met verantwoording ingediend. 3 De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
  3. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging en de schorsing van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 « strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021), van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 « strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021) en van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket » (hierna : het CST-decreet van 29 oktober 2021). De verzoekende partijen geven aan dat de inhoud van hun verzoekschrift deels gelijklopend is met de inhoud van het verzoekschrift dat zij hebben ingediend in de zaak nr. 7666, waarbij zij eveneens de vernietiging en de schorsing van de bestreden akten hebben gevorderd. Het Hof heeft de vordering tot schorsing in die zaak verworpen bij het arrest nr. 10/2022 van 20 januari
  4. In de onderhavige zaak voeren de verzoekende partijen, ten opzichte van de zaak nr. 7666, drie bijkomende middelen aan en ontwikkelen zij eveneens een aantal aanvullende beschouwingen met betrekking tot de context van de bestreden akten en het risico van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. A.2.1.
  5. De verzoekende partijen leiden een eerste middel, dat zij omschrijven als het « hoofdmiddel » en « belangrijkste middel », af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 15 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en van de artikelen 10, 11, 12, 13, 14, 14bis, 16, 19, 22, 22ter, 23, 25, 26, 27 en 187 van de Grondwet en, voor zover nodig, uit de schending van artikel 5, § 1, I, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in samenhang gelezen met de artikelen 128, 161 en 187 van de Grondwet, en al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 10, 13, 14, 15 en 17 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Vierde Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 2, 4, 6, 7, 9, 12, 14, 15, 17 en 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 1, 2, 3, 4, 6, 8, 11, 17, 20, 21, 47, 48 en 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met het beginsel « fraus omnia corrumpit », met het beginsel « alles wat niet bij wet verboden is, is toegelaten » zoals het reeds verwoord was in de Verklaring van de rechten van de mens en van de burger van 1789, met het beginsel van behoorlijke wetgeving, met het algemeen transparantiebeginsel, met het algemeen beginsel van de menselijke waardigheid, met het algemeen beginsel van het recht op een eerlijk proces en toegang tot een rechter, met het algemeen beginsel van gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten dat onder meer is neergelegd in artikel 16 van de Grondwet, met het beginsel van goede trouw, met het « beginsel van het verbod van rechtsregelontduiking », met het beginsel volgens hetwelk een grondrecht ook niet onrechtstreeks of indirect mag worden geschonden zoals blijkt uit de rechtspraak betreffende indirecte discriminatie, met het beginsel van het monopolie van geweld en dwang van de Staat, en met het voorzorgsbeginsel, en gelezen in het licht van de wet van 10 april 1990 « tot regeling van de private en de bijzondere veiligheid », en in het bijzonder de artikelen 2 tot 13 en 13.9 tot 13.15 ervan, van artikel 1 van de wet van 10 januari 1977 « houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en het pompen van grondwater », van artikel 8 van de wet van 30 juli 1979 « betreffende de preventie van brand en 4 ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen », van artikel 2.7.3.20, § 1, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, van artikel 31, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 « houdende fiscale en andere bepalingen », van de artikelen 1382 en 1383 van het oud Burgerlijk Wetboek, van artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van artikel 11 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, van artikel 25, § 1, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 « houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering », van artikel 1, eerste lid, 3°, van de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis » en van de artikelen 416 en 417 van het Strafwetboek. Dat middel bevat eenentwintig onderdelen. A.2.1.
  6. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de vaccinatie onrechtstreeks verplicht maken, terwijl de rechten van niet-gevaccineerden alleen kunnen worden beperkt als de vaccinatie wettelijk verplicht is. A.2.1.
  7. In een tweede onderdeel verklaren de verzoekende partijen dat het verschil in behandeling tussen gevaccineerden en niet-gevaccineerden op valse, betwistbare of op zijn minst niet-transparante feiten steunt en dus niet redelijk verantwoord is. A.2.1.
  8. In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het COVID Safe Ticket (hierna : het CST) een kennelijk onredelijke draagwijdte heeft omdat de in de bestreden bepalingen bedoelde horecavoorzieningen, essentiëler zijn dan bepaalde plaatsen die niet in die bepalingen worden beoogd, terwijl in de memorie van toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 wordt verklaard dat het CST niet geldt voor essentiële diensten. A.2.1.
  9. In een vierde onderdeel wijzen de verzoekende partijen erop dat er geen enkele technische beperking is ten aanzien van de personen die het digitaal EU-COVID-certificaat kunnen lezen, terwijl het met de moderne technologie mogelijk is onbevoegden te verhinderen om dat certificaat te lezen. A.2.1.
  10. In een vijfde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie teweegbrengen tussen niet-gevaccineerden, naar gelang van hun financiële situatie, gelet op het feit dat de testen zeer duur zijn. A.2.1.
  11. In een zesde onderdeel merken de verzoekende partijen op dat de bestreden bepalingen geen rekening houden met de situatie van de personen die het vaccin niet mogen krijgen wegens medische contra-indicaties. A.2.1.
  12. In een zevende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen niet in toereikende procedurele waarborgen voorzien, en meer bepaald in het voorafgaand optreden van een onafhankelijke en onpartijdige rechter om de beslissing tot weigering van toegang tot een van de in de bestreden bepalingen bedoelde plaatsen te betwisten. A.2.1.
  13. In een achtste onderdeel verklaren de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen niet het recht waarborgen, van de burgers, op toegang tot het toilet wanneer zij zich buitenshuis begeven, hetgeen onder meer cystitis kan veroorzaken. De bestreden bepalingen brengen bijgevolg de gezondheid van die burgers in gevaar en schenden het recht op menselijke waardigheid. A.2.1.
  14. In een negende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen het recht op eerbiediging van het privéleven schenden in zoverre zij de bezoekers van de geviseerde plaatsen verplichten om persoonlijke gegevens, meer bepaald over hun identiteit en adres, te onthullen. A.2.1.
  15. In een tiende onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de uitsluiting van de door de bestreden bepalingen geviseerde activiteiten een hoofdzakelijk bestraffend karakter heeft, zodat zij een strafsanctie is in de zin van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Bijgevolg kan die sanctie alleen worden uitgesproken door een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank. A.2.1.
  16. In een elfde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling creëren tussen diegenen die zich laten vaccineren om het CST te verkrijgen en diegenen die zich laten vaccineren omdat het wettelijk verplicht is, doordat de aansprakelijkheid van de overheid verschillend is in geval van ernstige bijwerkingen. 5 A.2.1.
  17. In een twaalfde onderdeel verklaren de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen een discriminatie teweegbrengen van de twaalf- tot vijftienjarigen, aangezien zij niet zelf de applicatie kunnen downloaden die nodig is voor het overleggen van het CST en niet altijd met nuttig gevolg de hulp van hun ouders kunnen inroepen. A.2.1.
  18. In een dertiende onderdeel wijzen de verzoekende partijen erop dat de bestreden bepalingen geen begeleidende maatregelen bevatten voor diegenen die geen toegang hebben tot de voor het CST noodzakelijke mobiele applicatie of die niet de nodige kennis hebben om het CST te gebruiken, zodat die personen worden gediscrimineerd. A.2.1.
  19. In een veertiende onderdeel stellen die verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen een frauduleus doel nastreven, namelijk de overheden doen ontsnappen aan hun aansprakelijkheid in geval van bijwerkingen van het vaccin. A.2.1.
  20. In een vijftiende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen niet transparant zijn en het publieke debat over vaccinatie niet aanmoedigen, in strijd met hetgeen wordt vereist door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 8 april 2021 inzake Vavřička. A.2.1.
  21. In een zestiende onderdeel verklaren de verzoekende partijen dat er geen waarborg is dat het systeem van de QR-code de overheid niet toelaat de verplaatsingen van burgers te controleren. A.2.1.
  22. In een zeventiende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat er maatregelen zijn die minder afbreuk doen aan de vrijheden dan die waarin de bestreden bepalingen voorzien, bijvoorbeeld het gebruik van een temperatuurscanner. A.2.1.
  23. In een achttiende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen toestaan dat tot bepaalde plaatsen toegang wordt geweigerd, zonder evenwel de omvang te preciseren van de bevoegdheden van de personen die belast zijn met de controle van het CST. Dat gebrek aan duidelijkheid tast het recht van de burgers op veiligheid aan. A.2.1.
  24. In een negentiende onderdeel stellen de verzoekende partijen dat er geen beperkingen zijn voor diegenen die een vaccinatie tegen polio – de enige verplichte vaccinatie in België – hebben geweigerd. De bestreden bepalingen creëren bijgevolg een discriminatie tussen diegenen die het poliovaccin weigeren en diegenen die het COVID-19-vaccin weigeren. A.2.1.
  25. In een twintigste onderdeel merken de verzoekende partijen op dat de bestreden bepalingen niet in enige vrijstelling van het gebruik van het CST voorzien voor bijzonder dringende en noodzakelijke activiteiten die niet kunnen worden uitgesteld. Het gaat bijgevolg om onevenredige maatregelen. A.2.1.
  26. In een eenentwintigste en laatste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen diegenen die het COVID-19-vaccin weigeren, strenger behandelen dan diegenen die een wettelijk verplicht vaccin weigeren. A.2.1.
  27. Wat enkel het CST-decreet van 29 oktober 2021 betreft, voeren de verzoekende partijen bovendien aan dat het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre dat decreet het gebruik van het CST verplicht stelt voor de bezoekers die zich in binnenruimten van horecavoorzieningen en van fitnesscentra begeven, maar niet voor de bezoekers van andere sportcentra, handelsbeurzen, congressen en voorzieningen die behoren tot de culturele, de evenementen- en recreatiesector. Volgens hen laat het beoefenen van bepaalde activiteiten waarop die verplichting geen betrekking heeft, niet toe de social distancing in acht te nemen of een mondmasker te dragen, terwijl het die onmogelijkheid is die door de decreetgever als verantwoording wordt gegeven voor de verplichting om het CST voor te leggen. Dat verschil in behandeling is bijgevolg niet redelijk verantwoord. De verzoekende partijen stellen overigens dat bepaalde restaurantuitbaters, die over de nodige technische vaardigheden op het vlak van websites beschikken, erin slagen de CST-verplichting te omzeilen, hetgeen discriminerend is tegenover diegenen die daartoe niet over de nodige kennis beschikken. A.2.
  28. De verzoekende partijen leiden een tweede middel, dat zij omschrijven als het « eerste nieuw middel », af uit de schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 6 Volgens de verzoekende partijen leidt het gebruik van het CST tot een vernederende behandeling in de zin van die verdragsbepaling, voor zover zij daardoor ertoe worden aangezet om zich tegen hun wil of geweten, op eigen risico, te laten vaccineren. De verzoekende partijen zouden eveneens een vernederende behandeling ondergaan doordat hun de toegang tot de binnenruimten van horecavoorzieningen wordt ontzegd. In bijkomende orde vragen de verzoekende partijen het Hof om de bestreden bepalingen te vernietigen en te schorsen, in zoverre die bepalingen niet voorzien in afdoende waarborgen met betrekking tot de vergoeding van de schade die het gevolg zou kunnen zijn van een vaccinatie tegen COVID-
  29. A.2.
  30. De verzoekende partijen leiden een derde middel, dat zij omschrijven als het « tweede nieuw middel », af uit de schending van de artikelen 10, 11, 16, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 3, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij hetzelfde Verdrag, met artikel 2 van het Vierde Aanvullend Protocol bij hetzelfde Verdrag, met de preambule en artikel 10, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het recht op menselijke waardigheid. Volgens de verzoekende partijen leiden de bestreden bepalingen, in het bijzonder artikel 5 van het CST-decreet van 29 oktober 2021, tot een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling tussen verschillende categorieën van personen die niet zijn gevaccineerd tegen COVID-19, naargelang zij een horecavoorziening wensen te bezoeken dan wel de trein nemen of zich naar een fitnesscentrum begeven. Uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (grote kamer) van 8 april 2021, inzake Vavřička e.a. t. Tsjechië, leiden de verzoekende partijen af dat, wanneer een vaccinatie niet wettelijk is verplicht, het gebrek aan vaccinatie geen nadelige gevolgen kan hebben, zoals het ontzeggen aan niet-gevaccineerde personen van de toegang tot bepaalde plaatsen. Bovendien zijn de PCR-test en de antigeentest duur, waardoor personen met een beperkt inkomen die een testcertificaat wensen te verkrijgen harder worden getroffen, en kan een dergelijk certificaat enkel op nuttige wijze worden verkregen door personen die een smartphone bezitten. De bestreden bepalingen gaan niet gepaard met afdoende maatregelen die waarborgen dat ook de personen die geen smartphone bezitten, een CST kunnen verkrijgen en gebruiken. A.2.
  31. De verzoekende partijen leiden een vierde middel, dat zij omschrijven als het « derde nieuwe middel », af uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 14, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 3, 7, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij hetzelfde Verdrag, met artikel 2 van het Vierde Aanvullend Protocol bij hetzelfde Verdrag, met de preambule en artikel 10, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met het recht op menselijke waardigheid, met het rechtszekerheidsbeginsel, met het vertrouwensbeginsel, met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, met het verbod op terugwerkende kracht van de strafwet, met het beginsel van behoorlijke wetgeving en met het redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partijen zetten uiteen dat het CST-decreet van 29 oktober 2021 op diezelfde dag werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en reeds twee dagen later, op 1 november 2021, in werking is getreden en het gebruik van het CST dus verplicht was vanaf die datum. De onmiddellijke inwerkingtreding van het decreet heeft volgens de verzoekende partijen een verschil in behandeling gecreëerd tussen verschillende categorieën van inwoners van het Vlaamse Gewest, naar gelang zij over voldoende financiële middelen beschikten om naar het buitenland te reizen en zich vóór hun reis reeds hadden laten vaccineren, alsook tussen inwoners van het Vlaamse Gewest die zich niet hadden laten vaccineren en inwoners van Nederland of Frankrijk, die zich als gevolg van de in die landen geldende regelgeving reeds vroeger hadden laten vaccineren. Het gebrek aan een overgangsregeling miskent daarnaast de rechtmatige verwachtingen van de niet-gevaccineerde personen, zonder dat daarvoor een dwingende reden van algemeen belang bestaat. Bovendien heeft het CST-decreet van 29 oktober 2021 in werkelijkheid terugwerkende kracht, aldus de verzoekende partijen, in zoverre zij daardoor nadelen ondervinden als gevolg van hun keuze om zich niet te laten vaccineren, terwijl zij die keuze reeds vóór de inwerkingtreding van dat decreet hebben gemaakt. Het CST-decreet van 29 oktober 2021 kan eveneens ertoe leiden dat geldboetes worden opgelegd aan niet-gevaccineerde personen die een horecavoorziening bezoeken, waardoor een strafrechtelijke sanctie zou worden ingevoerd met terugwerkende kracht. Tot slot merken de verzoekende partijen op dat de mogelijkheid om zich te laten testen op COVID-19 niet kan worden beschouwd als een volwaardig alternatief voor een vaccinatie. A.2.
  32. De verzoekende partijen leiden een vijfde middel, dat zij omschrijven als het « vierde nieuw middel », af uit de schending van de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 2, 3, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 7 Volgens de verzoekende partijen zijn die bepalingen geschonden voor zover de bestreden akten geen regeling bevatten die analoog is aan de regeling voorzien in artikel 11 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  33. Als gevolg daarvan beschikken personen die zich dienen te laten vaccineren op grond van een formele wet, niet over dezelfde mogelijkheden inzake schadeloosstelling als personen die zich dienen te laten vaccineren op grond van een koninklijk besluit. A.3.
  34. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen hun recht op menselijke waardigheid schenden in zoverre zij hun niet toestaan normale toegang te verkrijgen tot de binnenruimte van horecavoorzieningen in het Vlaamse Gewest, waardoor zij er niet naar het toilet kunnen gaan en verplicht op het terras moeten consumeren, mogelijk in de koude en in de wind, wat een risico voor hun gezondheid alsook een gevoel van vernedering inhoudt die niet met terugwerkende kracht kunnen worden tenietgedaan. Zij verklaren dat de situatie vergelijkbaar is met die van de systematische fouilleringen op het lichaam in de gevangenissen. Bij zijn arrest nr. 143/2013 van 30 oktober 2013 oordeelde het Hof dat die fouilleringen een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit vormden, die niet kan worden hersteld. A.3.
  35. De derde verzoekende partij stelt overigens dat zij zich in het kader van haar werk als burgerlijk ingenieur vaak moet verplaatsen en dat zij niet langer, tijdens die verplaatsingen, naar een restaurant kan gaan. Daarnaast vreest zij een uitbreiding van het CST tot de werkvloer als dusdanig, hetgeen haar een financieel nadeel zou berokkenen of zou leiden tot andere onaangename gevolgen, zoals bijvoorbeeld pesterijen door haar werkgever. De eerste verzoekende partij wenst bovendien geen smartphone te bezitten en voert aan dat het een week duurt om een papieren digitaal EU-COVID-certificaat te verkrijgen, zodat dit alternatief materieel niet mogelijk is. A.3.
  36. De bovenstaande uiteenzetting betreft een herneming van de uiteenzetting inzake het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in de zaak nr.
  37. De verzoekende partijen wijzen erop dat het Hof bij zijn arrest nr. 10/2022 van 20 januari 2022 de vordering tot schorsing in die zaak heeft verworpen, omdat zij niet aantoonden dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokken. Zij zijn van mening dat daarom nadere beschouwingen noodzakelijk zijn met betrekking tot de wijze waarop die schorsingsvoorwaarde werd beoordeeld in het arrest nr. 10/2022 en dat er daaromtrent eveneens nieuwe elementen moeten worden aangevoerd. A.3.
  38. Wat het arrest nr. 10/2022 betreft, zetten de verzoekende partijen uiteen dat de in B.18.2 vermelde mogelijkheid om kortstondig toegang te krijgen tot een horecavoorziening, bijvoorbeeld om het toilet te gebruiken, uitsluitend bestaat op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. Daarenboven is de plaatsing van terrassen op het openbaar domein niet het hele jaar mogelijk en hebben burgers het recht om niet-noodzakelijke dingen te doen. De verzoekende partijen zijn ook van mening dat de overweging in B.15.2 van het arrest nr. 10/2022 een dubbelzinnig karakter heeft. A.3.
  39. De verzoekende partijen beklemtonen dat het Hof, krachtens artikel 20 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, ook rekening dient te houden met elk moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hun « kan » worden berokkend door de bestreden bepalingen, en dat het dus niet noodzakelijk is dat zij uitsluitend nadelen zouden aanvoeren die zij reeds daadwerkelijk ondervinden. A.3.
  40. Voorts merken de verzoekende partijen op dat zij als gevolg van het gebruik van het CST, waarbij hun de toegang wordt ontzegd tot de binnenruimten van horecavoorzieningen, een vernederende behandeling ondergaan in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Onder verwijzing naar diverse onlinepublicaties en -persartikelen geven de verzoekende partijen aan dat zij zich gediscrimineerd en minderwaardig voelen ten opzichte van gevaccineerde personen, alsook ten opzichte van de uitbaters van horecavoorzieningen, die niet over een CST hoeven te beschikken om zich in de binnenruimte van hun etablissement te bevinden. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leiden de verzoekende partijen af dat er sprake is van een vernederende behandeling wanneer een persoon ertoe wordt aangezet om tegen zijn wil of geweten te handelen en dat het openbaar karakter een verzwarende omstandigheid kan vormen bij de beoordeling of een bepaalde behandeling als vernederend dient te worden beschouwd. Van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kan overigens, krachtens artikel 15 van hetzelfde Verdrag, niet worden afgeweken. 8 De verzoekende partijen verwijzen naar artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980), dat betrekking heeft op de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus aan vreemdelingen, en naar het arrest van het Hof nr. 193/2009 van 26 november 2009, waarin wordt verwezen naar die bepaling. Krachtens artikel 48/4 bestaat « ernstige schade » onder meer uit de vernederende behandeling van de vreemdeling in het land van herkomst. Bovendien kunnen vreemdelingen tegen een beslissing tot terugdrijving of verwijdering een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid instellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waarbij er krachtens artikel 39/82 van de wet van 15 december 1980 sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel « indien een ernstig middel werd aangevoerd gesteund op de grondrechten van de mens, in het bijzonder de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ». Aangezien uit artikel 191 van de Grondwet volgt dat Belgen niet minder rechten kunnen hebben dan vreemdelingen, dient te worden aanvaard dat de verzoekende partijen, zoals de voormelde vreemdelingen, eveneens een risico lopen van een ernstig nadeel dat moeilijk te herstellen is. A.3.
  41. De verzoekende partijen herhalen ten slotte dat de bestreden bepalingen hun reputatie op onherstelbare wijze zullen beschadigen, doordat iedereen die de verzoekende partijen ziet plaatsnemen op het terras van een horecavoorziening, zal weten dat zij niet gevaccineerd zijn. Zulks wordt ook bevestigd door het arrest van het Hof nr. 162/2004 van 20 oktober
  42. A.
  43. In hun conclusies, opgesteld met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, hebben de rechters-verslaggevers geoordeeld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat de vordering tot schorsing klaarblijkelijk niet ontvankelijk is. Volgens de rechters-verslaggevers is de vordering tot schorsing laattijdig voor zover zij is gericht tegen de akten waarbij instemming werd verleend met het samenwerkingsakkoord van 27 september
  44. Wat de overige bestreden akten betreft, zijn de rechters- verslaggevers van oordeel dat de verzoekende partijen, ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, geen nieuwe concrete en precieze feiten met betrekking tot hun persoonlijke situatie aanbrengen, die wezenlijk zouden verschillen van hetgeen zij hebben uiteengezet in hun verzoekschrift in de zaak nr. 7666, en dat de vordering tot schorsing bijgevolg in werkelijkheid ertoe strekt om het Hof te doen terugkomen op zijn beoordeling in het arrest nr. 10/
  45. A.
  46. Enkel de eerste verzoekende partij heeft een memorie met verantwoording ingediend. Zij is van mening dat het toegelaten is om een tweede vordering tot schorsing van dezelfde normen in te stellen, ook al worden er geen nieuwe feiten aangevoerd. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof kan bovendien niet worden afgeleid dat de feiten die worden aangevoerd ter ondersteuning van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betrekking moeten hebben op de persoonlijke situatie van de verzoekende partijen. Die bepaling vereist enkel een bewijsvoering waaruit het risico van een nadeel en de ernst ervan blijkt. Volgens de eerste verzoekende partij is de bewijsvoering in de onderhavige zaak verschillend van die in de zaak nr. 7666, aangezien thans wordt verwezen naar meerdere bepalingen uit de wet van 15 december 1980, waaruit blijkt dat de voorwaarde van een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is vervuld ten aanzien van de vreemdeling die in het land van herkomst een vernederende behandeling dreigt te ondergaan. De verzoekende partijen vragen overigens niet dat het arrest nr. 10/2022 wordt ingetrokken of gewijzigd en stellen evenmin hoger beroep in tegen dat arrest. Volgens de eerste verzoekende partij gaan de rechters-verslaggevers tot slot eraan voorbij dat zij als gevolg van de bestreden bepalingen een vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ondergaat. -B- B.
  47. De verzoekende partijen vorderen, bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden op 27 januari 2022, de schorsing : 9 a) van de wet van 1 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 oktober 2021, tweede editie), b) van de wet van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2021, tweede editie) en c) van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2021, tweede editie) (hierna : het CST-decreet van 29 oktober 2021). 10 Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde normen. B.2.
  48. Het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van 14 juli 2021 « betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021) vormt, luidens artikel 2, § 1, van dat akkoord, de rechtsgrond voor de verwerking van persoonsgegevens die nodig zijn voor de opmaak en afgifte van het digitaal EU-COVID-certificaat en voor het genereren van het COVID Safe Ticket (hierna : het CST) op basis van het digitaal EU-COVID-certificaat. In de oorspronkelijke versie ervan stond het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 het gebruik van het CST toe om de toegang te regelen tot een proef- en pilootproject, enerzijds, en een massa-evenement, anderzijds (artikel 1, § 1, 4°, 11° en 12°), en zulks tot 30 september 2021 (artikel 33, § 1, 3°). B.2.
  49. De vordering tot schorsing heeft betrekking op de akten waarbij instemming wordt verleend met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, die het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 wijzigen, alsook op de uitvoering van dat laatste door de Vlaamse Gemeenschap, bij het CST-decreet van 29 oktober
  50. Het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 corrigeert sommige materiële vergissingen in het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, breidt het materiële toepassingsgebied uit van de artikelen die het juridische kader van het CST definiëren en verlengt de mogelijkheid om het CST te gebruiken tot na 30 september
  51. Het bepaalt dat, naast de proef- en pilootprojecten, alsook de massa-evenementen, het CST kan worden gebruikt om de toegang toe te staan tot de horecavoorzieningen, de sport- en fitnesscentra, de handelsbeurzen en congressen, de voorzieningen die behoren tot de culturele, feest- en 11 recreatieve sector, de voorzieningen voor residentiële opvang van kwetsbare personen en, ten slotte, de dancings en discotheken. Het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 corrigeert bepaalde materiële vergissingen in het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en brengt daarin verschillende wijzigingen aan teneinde de gezondheidssituatie doeltreffender te beheren bij de afkondiging van een epidemische noodsituatie in de zin van de wet van 14 augustus 2021 « betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie » (hierna : de wet van 14 augustus 2021). B.2.
  52. Het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, somt op exhaustieve wijze de plaatsen op waarvan de toegang afhankelijk kan worden gemaakt van het voorleggen van het CST. Vervolgens staat het aan de deelentiteiten, of aan de federale overheid in geval van een epidemische noodsituatie in de zin van de wet van 14 augustus 2021, dat samenwerkingsakkoord ten uitvoer te leggen en in voorkomend geval te beslissen om bij wetskrachtige bepaling daadwerkelijk op te leggen dat het CST moet worden voorgelegd om toegang te hebben tot die plaatsen. B.2.
  53. Bij het CST-decreet van 29 oktober 2021 heeft de Vlaamse Gemeenschap het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, aldus ten uitvoer gelegd. Krachtens artikel 8 van het CST-decreet van 29 oktober 2021 « treedt [dit decreet] buiten werking op 31 januari 2022 ». B.
  54. De verzoekende partijen hebben, bij verzoekschrift van 2 november 2021, reeds de schorsing en de vernietiging gevorderd van de bestreden akten. Die zaak, ingeschreven onder het nummer 7666 van de rol van het Hof, werd samengevoegd met de zaak ingeschreven onder het nummer
  55. Bij zijn arrest nr. 10/2022 van 20 januari 2022 heeft het Hof de vorderingen tot schorsing in de beide zaken verworpen. 12 B.4.
  56. Krachtens artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof moet een beroep tot vernietiging in beginsel worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de bestreden norm. Krachtens artikel 21, tweede lid, van diezelfde bijzondere wet moet een vordering tot schorsing worden ingesteld binnen een termijn van drie maanden na de bekendmaking van de bestreden norm. B.4.
  57. De akten waarbij instemming werd verleend met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, namelijk de wet van 1 oktober 2021, het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021, het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 en het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021, werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 oktober 2021, tweede editie. Voor zover zij is gericht tegen die akten, is de vordering tot schorsing, ingesteld op 27 januari 2022, bijgevolg niet ontvankelijk wegens laattijdigheid. B.5.
  58. Wat de overige bestreden akten betreft, dient naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot de verwerping van de vordering tot schorsing. B.5.
  59. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de personen die een vordering tot schorsing instellen, in hun verzoekschrift concrete en precieze feiten moeten uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de 13 bepalingen waarvan zij de vernietiging vorderen, hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Het Hof bepaalt de draagwijdte van de vordering tot schorsing op basis van de inhoud van het verzoekschrift. B.5.
  60. Bij zijn voormelde arrest nr. 10/2022 heeft het Hof, ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, geoordeeld : « B.
  61. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partijen, een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van die norm, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een vernietiging van die norm. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de personen die een vordering tot schorsing instellen, in hun verzoekschrift concrete en precieze feiten moeten uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan zij de vernietiging vorderen, hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die personen moeten met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen. B.14.
  62. De vzw ‘ Notre Bon Droit ’ voert aan dat de in de zaak nr. 7658 bestreden bepalingen ernstige aantastingen van de fundamentele rechten van de Belgische burgers in het kader van de coronapandemie mogelijk maken. B.14.
  63. Om het ernstig en moeilijk te herstellen karakter van het nadeel te beoordelen, mag een vereniging zonder winstoogmerk die beginselen verdedigt of een collectief belang beschermt, niet worden verward met de natuurlijke personen die in hun persoonlijke situatie worden geraakt en waarop die beginselen en dat belang betrekking hebben. In zoverre het de schending beoogt van de grondrechten waarvan de verdediging het statutair doel van die verzoekende partij vormt, is het aangevoerde nadeel een louter moreel nadeel dat voortvloeit uit de aanneming van wetsbepalingen, waarvan de verzoekende partij aanvoert dat die in strijd zijn met de beginselen waarvan de verdediging haar statutair doel vormt. Dat nadeel is niet moeilijk te herstellen, daar het bij vernietiging van de bestreden bepalingen zou verdwijnen. B.14.
  64. Los van de vraag of de vzw doet blijken van het vereiste belang om in rechte op te treden (B.10), kan de vordering tot schorsing, wat haar betreft, niet worden ingewilligd. B.15.
  65. De andere verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 zijn vijf natuurlijke personen. Zij voeren aan dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan het sociaal en mentaal evenwicht van de bevolking in het algemeen en aan dat van de verzoekende partijen in het bijzonder, in zoverre zij het mogelijk maken de toegang tot sommige plaatsen die essentieel zijn voor dat evenwicht, te onderwerpen aan het voorleggen van het CST. Ter illustratie verwijzen de verzoekende partijen naar plaatsen die ze wensen te bezoeken in hun vrije tijd, zoals 14 horecazaken en theaters. Ze verwijzen tevens naar bezoeken aan kwetsbare personen die in woonzorginstellingen verblijven en naar het bezoek aan een handelsbeurs in het kader van een activiteit als zelfstandige in bijberoep. B.15.
  66. In zoverre de verzoekende partijen verwijzen naar het nadeel dat de bevolking in het algemeen ingevolge de bestreden bepalingen zou ondergaan, gaat het niet om een persoonlijk nadeel en kan het bijgevolg niet worden aangevoerd ter ondersteuning van hun vordering tot schorsing. B.15.
  67. Weliswaar kan de invoering van het CST voor personen die er niet over beschikken tot gevolg hebben dat de toegang tot bepaalde activiteiten die zij als aangenaam, aangewezen of nuttig ervaren, tijdelijk onmogelijk is. De door de verzoekende partijen aangevoerde nadelen hebben evenwel niet een dergelijke impact dat ze als ernstig kunnen worden beschouwd. B.16.
  68. Vervolgens voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7658, die natuurlijke personen zijn, aan dat, ten aanzien van de personen die niet in het bezit zijn van een vaccinatie- of herstelcertificaat, zoals sommigen onder hen, de bestreden bepalingen de verplichting met zich meebrengen om frequent een PCR-test of antigeentest te ondergaan. Die verplichting houdt volgens hen bepaalde risico’s in voor de gezondheid, ‘ daar de voormelde tests bloedingen en letsels aan het neustussenschot kunnen veroorzaken, of zelfs breuken in de anterieure schedelbasis, gepaard gaand met een risico van hersenvliesontsteking ’. Die tests brengen ook extra kosten met zich. De verzoekende partijen ramen de kostprijs van die tests voor een persoon die een normaal sociaal, cultureel en sportief leven wil leiden, op 100 euro per week. B.16.
  69. Hoewel het ondergaan van de voormelde testen door sommige personen als onaangenaam kan worden ervaren, zijn ze niet dermate invasief dat ze een ernstig fysiek nadeel zouden berokkenen. De verzoekende partijen brengen geen precieze en concrete gegevens aan die de ernst en het risico aantonen die de voormelde tests ten gevolge zouden hebben voor hun fysieke integriteit. Het aangevoerde nadeel is derhalve te vaag en te hypothetisch om als ernstig te worden beschouwd. Het loutere risico een financieel verlies te lijden, vormt in beginsel geen risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. B.17.
  70. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7658, die natuurlijke personen zijn, voeren ten slotte aan dat de bestreden bepalingen een risico inhouden voor de veiligheid van de persoonsgegevens die op basis van die bepalingen worden verwerkt, daar telkens als het CST wordt voorgelegd om toegang te hebben tot de in die bepalingen beoogde plaatsen, persoonsgegevens wordt verwerkt, in voorkomend geval door verschillende personen. B.17.
  71. De in het CST opgenomen persoonsgegevens zijn beperkt tot de identiteitsgegevens van de houder, namelijk de naam en voornaam, en de geldigheidsduur van het CST. De verzoekende partijen voeren geen precieze en concrete gegevens aan waaruit zou blijken dat, in afwachting van de uitspraak van het Hof over de grond van de zaak, hun persoonsgegevens mogelijk zouden worden gelekt of zouden worden misbruikt. Het aangevoerde nadeel is enkel hypothetisch en kan geen schorsing van de bestreden bepalingen verantwoorden. 15 B.18.
  72. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 voeren tot staving van hun moeilijk te herstellen ernstig nadeel in de eerste plaats aan dat de bestreden bepalingen tot gevolg hebben dat ze zich niet langer vrij kunnen verplaatsen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, aangezien zij geen toegang of geen normale toegang meer hebben tot cafés en restaurants zonder buitenruimtes. Zij betogen dat, indien er wel buitenruimtes beschikbaar zijn, het verplicht gebruik van die ruimtes in de wind of in de koude hun lichamelijke integriteit en menselijke waardigheid zou aantasten. B.18.
  73. In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat de dagelijkse verplaatsingen van de burgers niet noodzakelijk inhouden dat die moeten gepaard gaan met een bezoek aan een café of restaurant, althans niet in het kader van hun beroepsleven. Voor zover dat voor de verzoekende partijen wel het geval is en zij dergelijke activiteiten tijdelijk moeten missen of enkel van de buitenruimtes in de horeca kunnen gebruik maken, kan die verplichting voor hen mogelijk onaangenaam zijn. Het aangevoerde nadeel heeft evenwel niet een dergelijke impact dat het als ernstig of moeilijk te herstellen kan worden beschouwd. In geen geval kunnen de verzoekende partijen worden gevolgd wanneer die impact wordt vergeleken met de impact die fouilleringen op het lichaam hebben op de lichamelijke integriteit. Wat de onmogelijkheid om de toiletten in de horecavoorzieningen te gebruiken betreft, zoals aangeklaagd door die verzoekende partijen, dient te worden vastgesteld dat het CST-decreet van 29 oktober 2021 dat gebruik niet verbiedt, daar het preciseert dat de verplichting om het CST voor te leggen om de binnenruimte van horecavoorzieningen te betreden niet geldt voor een ‘ kortstondige toegang die niet gericht is op consumptie in de voorziening mits gebruik van een mondmasker ’ (artikel 5, § 2, 1°, b)). B.
  74. Ten slotte zet de eerste verzoekende partij geen precieze en concrete feiten uiteen die toelaten de werkelijkheid en bijgevolg de ernst te beoordelen van het nadeel dat volgens haar zou voortvloeien uit de onmogelijkheid om op minder dan een week tijd een CST op papier te verkrijgen, voor de personen die niet beschikken over een smartphone. Zij beperkt zich tot een algemene bewering die steunt op een onlinepersartikel en zij toont niet aan waarom het in haar geval onmogelijk is om zelf via een computer een CST af te drukken. B.
  75. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent. Daar een van de bij artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereiste voorwaarden niet is vervuld, kan de vordering tot schorsing niet worden ingewilligd. Bijgevolg dient evenmin uitspraak te worden gedaan over de ondergeschikte vragen van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 ». B.5.
  76. Wat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, hernemen de verzoekende partijen in hun verzoekschrift in de onderhavige zaak de uiteenzetting uit hun verzoekschrift in de zaak nr. 7666, waarin in essentie werd aangevoerd dat de bestreden akten een schending inhouden van de menselijke waardigheid en de lichamelijke integriteit en een gevoel van vernedering veroorzaken, alsook dat het gebruik van het CST zou kunnen leiden tot 16 financiële nadelen, pesterijen en andere onaangename gevolgen. Die uiteenzetting wordt aangevuld met, enerzijds, « beschouwingen » over het arrest nr. 10/2022 en, anderzijds, talrijke verwijzingen naar verdrags- en wetsbepalingen, rechtspraak en onlinepublicaties en -persartikelen, op basis waarvan de verzoekende partijen bijkomend beargumenteren waarom zij als gevolg van het gebruik van het CST een vernederende behandeling zouden ondergaan en reputatieschade zouden lijden. B.5.
  77. Zonder dat het noodzakelijk is te onderzoeken in welke mate de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof toelaat dat een verzoekende partij, na de verwerping van de door haar ingestelde vordering tot schorsing wegens de ontstentenis van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, op ontvankelijke wijze een nieuwe vordering tot schorsing van dezelfde norm instelt, kan te dezen worden vastgesteld dat de verzoekende partijen, wat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, geen nieuwe concrete en precieze feiten met betrekking tot hun persoonlijke situatie aanbrengen die wezenlijk zouden verschillen van hetgeen zij hebben uiteengezet in hun verzoekschrift in de zaak nr.
  78. Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de verzoekende partijen, zoals wordt beklemtoond in de memorie met verantwoording, in het verzoekschrift in de onderhavige zaak hun situatie voor het eerst vergelijken met die van de vreemdelingen die aanspraak maken op de subsidiaire beschermingsstatus overeenkomstig artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », dan wel met de vreemdelingen die een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen instellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van artikel 39/82 van diezelfde wet. Aldus trachten de verzoekende partijen immers enkel de bewering kracht bij te zetten dat zij als gevolg van het gebruik van het CST een vernederende behandeling zouden ondergaan die hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent, door op algemene wijze te verwijzen naar wetgeving die niet op hen van toepassing is en die volledig losstaat van de in het geding zijnde regeling. Dergelijke beschouwingen doen niet op concrete en precieze wijze blijken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat op de verzoekende partijen zelf betrekking heeft. B.5.
  79. Bijgevolg blijkt dat de nieuwe door de verzoekende partijen ingestelde vordering tot schorsing in werkelijkheid ertoe strekt om het Hof te doen terugkomen op zijn beoordeling in het voormelde arrest nr. 10/2022, waarbij het Hof de initiële vordering tot schorsing ingesteld 17 door de verzoekende partijen tegen de bestreden akten heeft verworpen, omdat zij niet aantoonden dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen. De bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof voorziet niet in een dergelijke mogelijkheid. Krachtens artikel 116 van die wet is een arrest van het Hof « definitief en niet vatbaar voor beroep ». B.
  80. De vordering tot schorsing is klaarblijkelijk niet ontvankelijk. 18 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 mei
  81. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.071 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.068 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.