id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.072 Arrest- Rolnummer: 72/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 321 - laatst gezien 2026-06-14 19:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (art. 3, § 1, vierde lid, 1°, van de wet van 21 november 1989) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 21 november 1989 « betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Verzekeringsrecht - Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen - Vergoeding van de schade veroorzaakt bij een verkeersongeval - Schade aan het verzekerde voertuig - Ongeval met gedeelde aansprakelijkheid Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 72/2022 van 25 mei 2022 Rolnummer : 7471 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 21 november 1989 « betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, D. Pieters, E. Bribosia en W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 9 november 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 december 2020, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet : - in zoverre het toelaat, bij een ongeval met gedeelde aansprakelijkheid, de schade aan het verzekerde voertuig uit te sluiten van de verzekering, en bijgevolg toelaat een verzekeraar of een rechts- of natuurlijke persoon die in solidum of hoofdelijk aansprakelijk is voor de schuld te beletten om, in het kader van de bijdrage tot de schuld, het gedeelte van de bedragen die aan het slachtoffer zijn uitbetaald voor de schade aan zijn voertuig, dat overeenstemt met de aansprakelijkheid van de medeaansprakelijke persoon, die de bestuurder was van dat voertuig, terug te vorderen ten laste van de verzekeraar die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor het gebruik van het voertuig dekt, - terwijl die verzekeraar of die rechts- of natuurlijke persoon, in hetzelfde geval van een gedeelde aansprakelijkheid, dat gedeelte wel kan terugvorderen wanneer de medeaansprakelijke persoon niet de bestuurder was van het beschadigde voertuig, zodat het 2 verhaalrecht wordt uitgeoefend tegen een andere verzekeraar dan die welke de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor het gebruik van dat beschadigde voertuig dekt ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Corona », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Valvekens en Mr. T. Lefebvre, advocaten bij de balie te Brussel; - de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel (MIVB), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Galand, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Schuermans, advocaat bij de balie van Antwerpen. Bij beschikking van 23 maart 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Bribosia en S. de Bethune, ter vervanging van rechter D. Pieters, wettig verhinderd, te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 april 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 20 april 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 23 april 2014 deed zich in Brussel een verkeersongeval voor waarbij een motorrijtuig, bestuurd door een persoon die niet de eigenaar ervan was, en een tram toebehorend aan de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel (hierna : de MIVB) betrokken waren. Bij vonnis van 9 oktober 2017 verdeelde de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, uitspraak doende in hoger beroep, de aansprakelijkheid tussen de twee betrokken bestuurders, ieder voor de helft. De Rechtbank oordeelde dat de fout van de bestuurster van het motorrijtuig niet tegenstelbaar was aan de eigenaar van dat voertuig en veroordeelde de MIVB, met toepassing van de aansprakelijkheid in solidum voor de schuld, tot vergoeding van de volledige schade van die laatste. Doordat de fout van de trambestuurder tegenstelbaar was aan de MIVB, werd de nv « Corona », die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor het motorrijtuig verzekerde, veroordeeld tot betaling, aan die laatste, van de helft van de schade die werd veroorzaakt aan de tram. Nadat de MIVB de eigenaar van het motorrijtuig volledig voor diens schade had vergoed, stelde zij een regresvordering in tegen de bestuurster en tegen de nv « Corona », opdat zij zouden worden veroordeeld tot terugbetaling van de helft van het betaalde bedrag en de kosten. De Franstalige Politierechtbank te Brussel verklaarde de vorderingen van de MIVB ontvankelijk en gegrond, en veroordeelde de nv « Corona » en de bestuurster van het voertuig in solidum tot terugbetaling, aan de MIVB, van de helft van haar uitgaven. Bij de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel werd hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. Zij zet uiteen dat de MIVB niet de vergoeding van eigen schade vordert, maar wel de vergoeding van de helft van de schade die de eigenaar van het motorrijtuig heeft geleden, en die zij ten laste heeft moeten nemen wegens de fout die door haar aangestelde werd begaan. De Rechtbank stelt vast dat de eigenaar van het motorrijtuig geen overeenkomst voor dekking van materiële schade had gesloten bij zijn verzekeraar en dat hij dus geen vergoeding 3 van de schade aan zijn voertuig kon verkrijgen ten laste van zijn verzekeraar. De Rechtbank oordeelt dat de MIVB, die de door de eigenaar van het voertuig geleden schade, waarvoor de bestuurster van dat voertuig voor de helft aansprakelijk was, volledig heeft vergoed, in de rechten van de eigenaar van het voertuig treedt en het recht heeft om de helft van haar uitgaven terugbetaald te krijgen van de bestuurster. Zij oordeelt ook dat, aangezien de MIVB in de rechten treedt van de bestuurster van het voertuig, zij niet over andere rechten dan die van de bestuurder beschikt, en dat zij dus geen veroordeling in solidum van de nv « Corona » tot tenlasteneming van die schadevergoeding kan verkrijgen. Zij besluit daaruit dat, wanneer zij te dezen wordt toegepast, de uitsluiting die wordt toegestaan bij artikel 3, § 1, vierde lid, 1°, van de wet van 21 november 1989 « betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen » (hierna : de wet van 21 november 1989) tot de conclusie moet leiden dat de vordering van de MIVB tegen de nv « Corona » niet gegrond is. Voor de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel doet de MIVB gelden dat, indien de schade zou zijn veroorzaakt aan andere goederen dan het verzekerde voertuig, de eigenaars van die goederen volledig hadden kunnen worden vergoed en de nv « Corona » de helft van de veroorzaakte schade had moeten terugbetalen. Zij oordeelt dat die situatie aanleiding geeft tot discriminatie. Op haar verzoek stelt de Rechtbank het Hof de hiervoor weergegeven vraag. III. In rechte -A- A.1.
- De MIVB maakt een vergelijking van twee verkeersongevallen waarin minstens twee bestuurders aansprakelijk worden geacht en waarin een van de bestuurders niet de eigenaar is van het door hem bestuurde voertuig. In het eerste ongeval dat wordt beoogd, werd een goed toebehorend aan een derde beschadigd, en die derde, die niet aansprakelijk is voor het ongeval, wordt volledig vergoed door diegenen die in solidum aansprakelijk zijn. In het tweede geval is het beschadigde goed het voertuig dat werd bestuurd door de tweede aansprakelijke voor het ongeval, die geen eigenaar van het voertuig is, en kan de verzekeraar van die laatste weigeren om diens schade te vergoeden. In dat tweede geval genieten de andere medeaansprakelijke van het ongeval en diens verzekeraar, die verplicht zijn de eigenaar van het voertuig te vergoeden, niet de waarborg van de verzekeraar van die laatste. Zij leidt daaruit af dat een van de medeaansprakelijken van het ongeval verschillend wordt behandeld naargelang de andere medeaansprakelijke al dan niet het door de samenlopende fouten beschadigde voertuig bestuurde, omdat hij, in het tweede geval, de waarborg van de verzekeraar van de andere medeaansprakelijke voor het ongeval kan genieten, en niet in het eerste geval. A.1.
- De MIVB geeft aan dat er een ander verschil in behandeling is naargelang de voor het ongeval medeaansprakelijke bestuurder al dan niet de eigenaar van het beschadigde voertuig is. Indien het voertuig werd bestuurd door de eigenaar ervan, kan deze, ten laste van de andere medeaansprakelijke en diens verzekeraar, enkel de vergoeding van hun aandeel in de aansprakelijkheid vorderen, want zijn eigen fout kan hem worden tegengeworpen. Indien daarentegen het voertuig werd bestuurd door een andere persoon dan de eigenaar ervan, kan deze, van de andere medeaansprakelijke en diens verzekeraar, een volledige vergoeding van zijn schade vorderen, in het kader van de aansprakelijkheid voor de schuld, want de fout van de bestuurder is niet tegenstelbaar aan de eigenaar van het voertuig. Zij voegt eraan toe dat, in dat laatste geval, de medeaansprakelijke geen regresvordering geniet tegen de verzekeraar van het beschadigde voertuig dat door de andere medeaansprakelijke werd bestuurd. Zij besluit daaruit dat, naargelang het beschadigde voertuig werd bestuurd door de eigenaar ervan of door een andere persoon, de verplichting van de medeaansprakelijke, in het kader van de aansprakelijkheid voor de schuld, niet op dezelfde wijze wordt gewaarborgd. A.1.
- De MIVB zet uiteen dat, zodra er meer dan één aansprakelijke is voor schade, iedere aansprakelijke die het slachtoffer heeft vergoed voor een aandeel in de aansprakelijkheid dat groter is dan het zijne, over een regresvordering tegen de andere aansprakelijken beschikt. Zij is van mening dat, door met de in het geding zijnde bepaling erin te voorzien dat verzekeraars schade aan het verzekerde voertuig kunnen uitsluiten van het toepassingsgebied van de verzekering, de wetgever duidelijk niet de in de prejudiciële vraag beoogde specifieke situatie in aanmerking heeft genomen. Zij doet gelden dat uit de evolutie van de wet en van de rechtspraak duidelijk een tendens blijkt in de richting van een steeds ruimere dekking door de motorrijtuigverzekering, doordat ook steeds vaker de door de verzekerde geleden schade ten laste wordt genomen. Ter ondersteuning van die bewering haalt zij het geval aan van de ongevallen waarbij geen aansprakelijke kan worden aangewezen (het vroegere 4 artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 – arrest van het Hof nr. 84/2017 van 22 juni 2017), de uitbreiding van de verzekeringsdekking tot de naasten van de verzekerde, de wet van 21 november 1989, die niet langer in de vroegere uitsluitingen voorziet, en artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, dat de verzekeraar verplicht de door de passagiers van het verzekerde voertuig geleden schade, ten laste te nemen, zelfs wanneer de bestuurder van dat voertuig niet aansprakelijk is voor het ongeval. A.1.
- De MIVB besluit eruit dat het pertinent zou zijn aan artikel 3, § 1, vierde lid, 1°, van de wet van 21 november 1989 een interpretatie te geven die de vastgestelde schending, die niet redelijk kan worden verantwoord, doet verdwijnen. A.2.
- De nv « Corona » wijst erop dat de prejudiciële vraag op een onjuiste premisse berust omdat de vraag of de verzekeraar van de niet verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheid zijn tegemoetkoming al dan niet kan weigeren, op verschillende wijzen worden beantwoord, afhankelijk van de betrokken overeenkomst. Er wordt dus niet aangetoond dat de verzekeraar van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, buiten het geval van de verzekering bedoeld in de wet van 21 november 1989, steeds zal moeten tegemoetkomen in het kader van een regresvordering wanneer de medeaansprakelijke partij de volledige schuld in solidum heeft betaald. A.2.
- De nv « Corona » is vervolgens van mening dat de twee in de prejudiciële vraag vermelde categorieën niet vergelijkbaar zijn, aangezien de in de wet van 21 november 1989 bedoelde verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid niet vergelijkbaar is met de andere verzekeringen van de gemeenrechtelijke burgerrechtelijke aansprakelijkheid, die facultatieve verzekeringen zijn. Zij voegt eraan toe dat de in de prejudiciële vraag beschreven situaties evenmin vergelijkbaar zijn omdat, in de ene situatie, het beschadigde voertuig buiten de overeenkomst valt terwijl, in de andere situatie, het voertuig het voorwerp zelf van de overeenkomst uitmaakt. A.2.
- In meer ondergeschikte orde doet de nv « Corona » gelden dat het in het geding zijnde verschil in behandeling het legitieme doel nastreeft samenspanning te vermijden. Zij geeft aan dat dit verschil in behandeling op de mogelijkheid berust, voor de Koning, om schade aan het verzekerde voertuig uit te sluiten in het kader van de verplichte verzekering van motorrijtuigen, hetgeen een objectief criterium is. Zij doet gelden dat een bevestigend antwoord op de prejudiciële vraag erop zou neerkomen dat wordt afgeweken, voor het specifieke geval van de voorliggende zaak, van de regels van het Burgerlijk Wetboek inzake subrogatie, en zij wijst erop dat die regels niet in het geding worden gebracht in de prejudiciële vraag. Zij onderstreept dat aan de MIVB geen verhaalrecht wordt ontzegd, aangezien zij zich kan keren tegen de bestuurder van het voertuig die medeaansprakelijk is voor het ongeval, in het kader van een regresvordering. A.3.
- De Ministerraad is in hoofdorde van mening dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is wegens de onduidelijke formulering ervan. Hij onderstreept dat de door het verwijzende rechtscollege voorgestelde vergelijking op twee verschillende omstandigheden is gebaseerd, namelijk, enerzijds, het feit dat een bestuurder al dan niet medeaansprakelijk is en, anderzijds, de omvang van de waarborg van de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt die is verbonden aan het gebruik van het beschadigde voertuig. Hij voegt eraan toe dat niet wordt gepreciseerd of die verzekeraar de aan het gebruik van het beschadigde voertuig verbonden burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekt, dan wel of hij de schade aan het voertuig dekt. A.3.
- Ten gronde herinnert de Ministerraad eraan dat de verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen een zakelijk karakter heeft, aangezien zij verbonden is aan een welbepaald voertuig, dat wordt aangewezen in de bijzondere voorwaarden van de overeenkomst, en dat zij van nature de aansprakelijkheid voor schade aan derden dekt. Hij benadrukt dat schade aan het voertuig die is aangewezen in de bijzondere voorwaarden van de overeenkomst, niet kan worden beschouwd als schade aan derden. Hij leidt eruit af dat personen die het slachtoffer hebben vergoed voor de schade aan zijn voertuig en die, in het kader van een gedeelde aansprakelijkheid, een deel van hun uitgaven willen terugvorderen van de verzekeraar die de aan het gebruik van dat voertuig verbonden burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekt, zich in een situatie bevinden die verschilt van die van personen die, in dezelfde hypothese van een gedeelde aansprakelijkheid, een verhaalrecht uitoefenen tegen een andere verzekeraar dan die welke de aan het gebruik van het beschadigde voertuig verbonden burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekt. A.3.
- De Ministerraad voegt eraan toe dat de personen die het slachtoffer hebben vergoed voor de schade aan zijn voertuig, nog steeds een regresvordering kunnen instellen tegen de medeaansprakelijke bestuurder van het voertuig, ten belope van diens aandeel in de aansprakelijkheid, op basis van het gemeen recht van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid. 5 A.4.
- De MIVB is van mening dat de prejudiciële vraag ontvankelijk is, aangezien er in beide vergeleken situaties een medeaansprakelijke voor een ongeval is, met dit verschil dat, in het ene geval, de medeaansprakelijke een voertuig bestuurde dat in het ongeval werd beschadigd en dat toebehoorde aan een derde, terwijl hij, in het andere geval, een ander voertuig bestuurde dan hetwelk werd beschadigd. Zij voegt eraan toe dat het duidelijk is dat de vraag betrekking heeft op de burgerrechtelijke aansprakelijkheid die is verbonden aan het gebruik van een voertuig. A.4.
- De MIVB oordeelt dat de argumenten ten gronde van de Ministerraad geen afdoende antwoord bieden op de vraag of er een discriminatie bestaat doordat een regresvordering niet kan worden overwogen tegen de verzekeraar van het voertuig van de medeaansprakelijke in het ene geval, terwijl zij wel kan worden overwogen in het andere geval. A.4.
- De MIVB antwoordt aan de nv « Corona » dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet moet worden geanalyseerd vanuit het oogpunt van de verzekeraar wiens tegemoetkoming wordt gevraagd, maar vanuit het oogpunt van de medeaansprakelijke van het ongeval die het slachtoffer volledig heeft vergoed en die een regresvordering wenst in te stellen. Het verschil in behandeling bestaat erin dat die regresvordering kan worden ingesteld tegen een verzekeraar in het ene geval, terwijl diezelfde vordering niet kan worden ingesteld tegen een verzekeraar in het andere geval. A.
- De nv « Corona » is van mening dat de redenering van de MIVB niet kan worden gevolgd omdat het te dezen gaat om schade die is veroorzaakt aan een door haar verzekerd voertuig, en niet aan een ander goed. Zij oordeelt dat het Grondwettelijk Hof onder meer bij het arrest nr. 84/2017 heeft bevestigd dat het in een regeling van burgerrechtelijke aansprakelijkheid, heel goed mogelijk is de vergoeding van materiële schade aan het verzekerde voertuig uit te sluiten. A.
- De Ministerraad is van oordeel dat, in tegenstelling tot hetgeen de MIVB aanvoert, de niet-dekking van het beschadigde voertuig door de verzekeraar die de aan het gebruik van dat voertuig verbonden burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekt, niets te maken heeft met het feit of dit beschadigde voertuig al dan niet toebehoort aan een niet-aansprakelijke derde, of dat de medeaansprakelijke bestuurder al dan niet de eigenaar van het beschadigde voertuig is. Hij herinnert eraan dat schade veroorzaakt aan het voertuig dat is verzekerd in het raam van de verzekeringsovereenkomst die de aansprakelijkheid dekt waartoe het gebruik van hetzelfde voertuig aanleiding kan geven, niet kan worden beschouwd als schade aan een derde. Hij benadrukt dat die situatie volkomen verschilt van die waarin de bestuurder van het verzekerde voertuig schade heeft veroorzaakt aan een ander voertuig. Hij voegt eraan toe dat de vergoedingsregelingen waarin de artikelen 19bis-11, § 2, 29bis en 29ter van de wet van 21 november 1989 voorzien, wegens de aard en het doel ervan, volkomen verschillen van de verplichting, voor de verzekeraar van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen, om de slachtoffers te vergoeden op grond van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid die voortvloeit uit het gebruik van het verzekerde voertuig. -B- B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 3, § 1, van de wet van 21 november 1989 « betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen » (hierna : de wet van 21 november 1989), dat, vóór de wijziging ervan bij artikel 4 van de wet van 31 mei 2017 « tot wijziging van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen », bepaalde : « De verzekering moet waarborgen dat benadeelden schadeloos worden gesteld in geval van burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar, van iedere houder en van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig, alsmede van degenen die daarin worden vervoerd, van de werkgever van bovengenoemde personen, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn 6 ontheven krachtens artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en van de organisatie die bovengenoemde personen inzet als vrijwilligers, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 5 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het motorrijtuig hebben verschaft. […] Van de verzekering kan niettemin worden uitgesloten, de schade aan : 1° het verzekerd voertuig; […] ». B.1.
- Op grond van die bepaling sluit de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen de schade veroorzaakt aan het verzekerde voertuig van de verzekering uit, zodat, wanneer de aansprakelijkheid van de bestuurder van het verzekerde voertuig is vastgesteld, de schade aan dat voertuig niet wordt vergoed door de aansprakelijkheidsverzekeraar van de eigenaar van dat voertuig. B.2.
- Uit het verwijzend vonnis blijkt dat bij het ongeval dat ten grondslag ligt aan het geschil, een motorrijtuig en een tram betrokken waren en dat het motorrijtuig niet door de eigenaar ervan werd bestuurd op het ogenblik van het ongeval. De Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel oordeelde dat de twee betrokken bestuurders ieder een fout hebben begaan die het ongeval mee heeft veroorzaakt, zodat zij in gelijke mate medeaansprakelijk zijn voor het ongeval en de veroorzaakte schade. B.2.
- Het verwijzende rechtscollege beoogt te vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de verzekeraar van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurder die medeaansprakelijk is voor het ongeval toelaat zijn waarborg te weigeren voor de schade aan het verzekerde voertuig, zodat de andere medeaansprakelijke voor het ongeval, die die schade volledig heeft vergoed in het kader van de aansprakelijkheid in solidum, geen beroep kan doen op de waarborg van de voormelde verzekeraar. B.3.
- Het Hof wordt verzocht de situatie van die medeaansprakelijke voor het ongeval te vergelijken met de situatie van een persoon die medeaansprakelijk is voor een verkeersongeval, 7 die de schade veroorzaakt aan een derde heeft vergoed en die een beroep kan doen op de waarborg van de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid van het voertuig dat door de andere medeaansprakelijke voor het ongeval werd bestuurd, om de terugbetaling te verkrijgen van het gedeelte van zijn uitgaven dat overeenstemt met het aandeel van die andere medeaansprakelijke in de aansprakelijkheid. Het verwijzende rechtscollege vergelijkt aldus de situatie die voortvloeit uit een ongeval waarbij twee voertuigen betrokken zijn waarvan de bestuurders elk een fout hebben begaan en dus medeaansprakelijk zijn met de situatie die voortvloeit uit een ongeval waarbij drie voertuigen betrokken zijn, wanneer twee bestuurders medeaansprakelijk zijn voor de schade aan het derde voertuig, dat wordt bestuurd door een bestuurder die niet aansprakelijk is voor het ongeval. B.3.
- De Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel (hierna : de MIVB) is van mening dat een tweede vergelijking zou moeten worden overwogen, naargelang de bestuurder die medeaansprakelijk is voor het ongeval al dan niet de eigenaar van het beschadigde voertuig is. Een partij voor het Hof mag de draagwijdte van een prejudiciële vraag niet wijzigen of uitbreiden. Het komt immers alleen het verwijzende rechtscollege toe te oordelen welke prejudiciële vragen het aan het Hof dient te stellen en daarbij de omvang van de saisine te bepalen. Het onderzoek van de vraag mag dus niet worden uitgebreid tot de vergelijking van andere categorieën van rechtzoekenden dan die welke in B.3.1 zijn vermeld. B.4.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.4.
- De nv « Corona » en de Ministerraad zijn van mening dat de situaties die in de prejudiciële vraag worden vergeleken, niet voldoende vergelijkbaar zijn. 8 B.4.
- Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet met elkaar worden verward. Bestuurders die medeaansprakelijk zijn voor een ongeval en die, in het kader van de aansprakelijkheid voor de schuld, de schade van een slachtoffer volledig hebben vergoed, hebben evenveel belang om een beroep te kunnen doen op de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid van het voertuig bestuurd door de andere medeaansprakelijke. De in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen zijn vergelijkbaar in die zin dat zij beide medeaansprakelijk zijn voor een ongeval en zij het slachtoffer volledig voor zijn schade hebben vergoed in het kader van de aansprakelijkheid in solidum. Louter het feit dat, in het ene geval, het vergoede slachtoffer de verzekeringnemer burgerrechtelijke aansprakelijkheid is, terwijl, in het andere geval, het vergoede slachtoffer een derde is ten aanzien van de verzekeringsovereenkomst, kan weliswaar een element vormen bij de beoordeling van een verschil in behandeling, maar kan niet volstaan om tot niet-vergelijkbaarheid te besluiten; anders wordt de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie uitgehold. B.5.
- Het verschil in behandeling dat het Hof dient te onderzoeken, berust op het volgende criterium : ofwel is het voertuig waarvoor een van de medeaansprakelijken van het ongeval de schade volledig heeft vergoed, het voertuig dat het voorwerp uitmaakt van de verzekeringsovereenkomst burgerrechtelijke aansprakelijkheid van het voertuig bestuurd door de andere medeaansprakelijke voor het ongeval, ofwel is het beschadigde voertuig niet betrokken bij die verzekeringsovereenkomst. In het eerste geval kan de verzekeraar zijn waarborg ter dekking van de schade aan het voertuig dat hij verzekert weigeren, terwijl in het tweede geval de verzekeraar zijn waarborg ter dekking van de schade aan een voertuig dat niet betrokken is bij deze overeenkomst, niet kan weigeren. Dat criterium is objectief. B.5.
- Artikel 3 van de wet van 21 november 1989 past in het kader van een regeling die steunt op de aansprakelijkheid en op de aansprakelijkheidsverzekeringen. Het heeft betrekking op de gevallen van « burgerrechtelijke aansprakelijkheid » van de eigenaar, van de houder of van de bestuurder van het verzekerde voertuig. De verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen is bestemd om de schade die aan derden is veroorzaakt door een fout van de verzekerde, mee te vergoeden, maar is niet bestemd om de schade die de verzekerde aan zichzelf veroorzaakt, te vergoeden. Die laatstgenoemde schade kan daarentegen wel ten laste worden genomen door een verzekering die de materiële schade aan het voertuig dekt. De uitsluiting van de vergoeding van materiële schade die aan het 9 verzekerde voertuig is veroorzaakt door een fout van de bestuurder van dat voertuig, is bijgevolg coherent met de regeling van burgerrechtelijke aansprakelijkheid waaraan de betrokken verzekering gekoppeld is. B.5.
- Bovendien beoogde de wetgever, door te bepalen dat de modelovereenkomst voor de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid de schade aan het verzekerde voertuig kan uitsluiten, « elk risico van verstandhouding te vermijden tussen personen waarvan de aansprakelijkheid wordt gedekt door de verzekeringsovereenkomst » (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 696-2, p. 23). Aangezien de wetgever een verplichting oplegt tot verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van motorrijtuigen, is het pertinent dat hij, om verzekeringsfraude te vermijden, toelaat de schade aan het voertuig dat toebehoort aan een persoon die verzekerd is voor burgerrechtelijke aansprakelijkheid, uit te sluiten van de waarborg. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een pertinent criterium. B.6.
- Het Hof dient nog na te gaan of de weigering van tegemoetkoming door de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 3, § 1, vierde lid, 1°, van de wet van 21 november 1989, in zoverre die weigering niet alleen tegenstelbaar is aan de eigenaar van het verzekerde voertuig voor de schade die aan dat voertuig is veroorzaakt door de fout van de bestuurder ervan, maar ook, in de in B.2 omschreven hypothese, aan de medeaansprakelijke voor het ongeval die, in het kader van de aansprakelijkheid voor de schuld, die eigenaar heeft vergoed, geen onevenredige gevolgen heeft voor de medeaansprakelijke voor het ongeval. B.6.
- De medeaansprakelijke voor het ongeval is niet verstoken van rechtsmiddelen om, bij de bestuurder van het beschadigde motorrijtuig, het gedeelte van zijn uitgaven dat overeenstemt met het aandeel van die bestuurder in de aansprakelijkheid, terug te vorderen. Indien het voertuig werd bestuurd door de eigenaar ervan, die de schadelijder is, kan de medeaansprakelijke hem zijn eigen fout tegenwerpen teneinde te weigeren om het gedeelte van de schade dat overeenstemt met diens aandeel in de aansprakelijkheid te vergoeden. Indien het voertuig werd bestuurd door een andere persoon, beschikt de medeaansprakelijke over een verhaalrecht tegen die persoon, om het gedeelte van zijn uitgaven dat overeenstemt met diens aandeel in de aansprakelijkheid, van hem terug te vorderen. De in het geding zijnde bepaling, 10 in zoverre zij de medeaansprakelijke voor het ongeval verhindert om, daarbovenop, een beroep te doen op de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid van het beschadigde voertuig, heeft bijgevolg geen onevenredige gevolgen voor de medeaansprakelijke voor het ongeval die de door de eigenaar van het voertuig geleden schade volledig heeft vergoed. B.
- In zoverre het de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid toelaat om schade aan het verzekerde voertuig uit te sluiten van de waarborg, hetgeen verhindert dat de medeaansprakelijke voor het ongeval een beroep doet op die verzekeraar om een terugbetaling te verkrijgen van het gedeelte van de aan de eigenaar van dat voertuig betaalde vergoeding dat overeenstemt met het aandeel van de bestuurder van dat voertuig in de aansprakelijkheid, is artikel 3, § 1, vierde lid, 1°, van de wet van 21 november 1989 niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 3, § 1, vierde lid, 1°, van de wet van 21 november 1989 « betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.072 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div