id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 mei 2022 ECLI nr: EC
§ 5
van het KB van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de rechter de wettelijke verplichting op te leggen om een verval van het recht tot sturen uit te spreken en het herstel van het recht tot sturen op zijn minst afhankelijk te maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen indien hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot het verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige personen sinds minder dan twee jaar houder zijn van het Belgisch rijbewijs B doch wel reeds meer dan twee jaar houder zijn van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs hoewel er geen theoretische of praktijk testen zijn gekoppeld aan de omzetting van het niet-Europees erkend rijbewijs in het Belgisch rijbewijs B terwijl deze verzwaring niet geldt ten overstaan van personen die sinds meer dan twee jaar houder zijn van het Belgisch rijbewijs B en een dergelijke overtreding begaan ? 2.
§ 5
van het KB van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en 2 niet-discriminatie en artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de rechter de wettelijke verplichting op te leggen om een verval van het recht tot sturen uit te spreken én het herstel van het recht tot sturen op zijn minst afhankelijk te maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen indien hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot het verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige personen sinds minder dan twee jaar houder zijn van het Belgisch rijbewijs B doch wel reeds meer dan twee jaar houder zijn van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs hoewel er geen theoretische of praktijk testen zijn gekoppeld aan de omzetting van het niet-Europees erkend rijbewijs in het Belgisch rijbewijs B terwijl deze categorie van personen niet kan vergeleken worden met de beginnende bestuurder die sinds minder dan twee jaar het rijbewijs B heeft behaald ? 3.
§ 5
van het KB van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de rechter de wettelijke verplichting op te leggen om een verval van het recht tot sturen uit te spreken en het herstel van het recht tot sturen op zijn minst afhankelijk te maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen indien hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot het verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige personen sinds minder dan twee jaar houder zijn van het Belgisch rijbewijs B doch wel reeds meer dan twee jaar houder zijn van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs terwijl die wettelijke verplichting niet geldt voor personen die houder zijn van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs die een dergelijke overtreding heeft begaan tijdens de periode van 185 dagen waarin geen omzetting is vereist ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - B.F., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Vanreppelen, advocaat bij de balie van Limburg; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Staelens, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. Bij beschikking van 23 maart 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Y. Kherbache en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 april 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 20 april 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil B.F., de beklaagde voor de verwijzende rechter, tekent hoger beroep aan tegen een vonnis op tegenspraak van 22 oktober 2020 van de Politierechtbank te Leuven, waarbij zij, ingevolge een snelheidsovertreding, 3 strafrechtelijk werd veroordeeld. Zij betwist de toepasbaarheid van de verzwaring in artikel 38, § 5, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de Wegverkeerswet) alsook de verplichte herstelproef, aangezien zij reeds langer dan twee jaar houder is van een rijbewijs B. B.F. heeft op 25 september 2014 een geldig rijbewijs B in Marokko behaald. Sedert 29 december 2017 verblijft zij wettig in België en op 20 maart 2019 heeft zij haar Marokkaans rijbewijs B laten omzetten naar een Belgisch rijbewijs B, zonder dat zij daarvoor een theoretisch of praktisch examen diende af te leggen. Bovendien mocht zij, vanaf haar aankomst in België, gedurende 185 dagen, als houder van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs B, een motorvoertuig besturen in België, aangezien Marokko vermeld staat op de lijst van de landen die erkende rijbewijzen uitreiken. De verwijzende rechter wijst erop dat artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet uitgaat van een bezorgdheid ten aanzien van bestuurders die minder dan twee jaar over hun rijbewijs B beschikken, omdat zij minder rijervaring hebben en derhalve een hoger ongevalsrisico lopen. De wetgever gaat ervan uit dat een bestuurder die minder dan twee jaar zijn rijbewijs B heeft en een zware overtreding begaat, door zijn gedrag aantoont dat hij (nog) niet geschikt is om een voertuig te besturen, waardoor een strengere bestraffing en het opnieuw afleggen van een praktisch en/of theoretisch rijexamen noodzakelijk wordt geacht. Aangezien B.F., reeds langer dan twee jaar haar rijbewijs B heeft, meent zij dat de toepassing van artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet voor haar kennelijk onredelijke gevolgen heeft en vraagt zij de verwijzende rechter bovenvermelde prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- B.F., de beklaagde voor de verwijzende rechter, stelt vast dat het Hof, in de prejudiciële vragen, wordt verzocht de situatie te vergelijken van personen die sedert minder dan twee jaar houder zijn van een Belgisch rijbewijs B, doch meer dan twee jaar in het bezit zijn van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs B, met de situatie van personen die meer dan twee jaar houder zijn van een Belgisch rijbewijs B (eerste vraag), personen die minder dan twee jaar houder zijn van het Belgisch rijbewijs B (tweede vraag) en personen die houder zijn van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs en die een soortgelijke overtreding hebben begaan tijdens de periode van 185 dagen waarin (nog) geen omzetting is vereist (derde vraag). A.1.
- De Ministerraad verwijst naar het arrest van het Hof van Cassatie van 22 mei 2012 (AR P.11.1859.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.15), volgens hetwelk artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet niet in een uitzondering voorziet voor wie langer dan twee jaar houder is van een buitenlands rijbewijs dat is omgezet in een Belgisch rijbewijs B; de proeftijd van twee jaar begint pas te lopen op het ogenblik dat de houder van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs, dat rijbewijs heeft omgezet naar een Belgisch rijbewijs B. De Ministerraad merkt op dat de wetgever, met artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet, de verkeersveiligheid wilde optimaliseren door de strafrechter te verplichten aan jonge bestuurders ofwel een praktisch rijexamen, ofwel een theoretisch rijexamen, ofwel beide op te leggen. Artikel 38, § 5, voert een proefperiode in van twee jaar en wanneer blijkt dat de bestuurder geen veilige rijstijl heeft ontwikkeld of niet de correcte ingesteldheid heeft, dan moet de rechter het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van een theoretisch en/of praktisch rijexamen. Het Hof heeft reeds verschillende malen geoordeeld dat de aan de politierechter opgelegde verplichting verantwoord is, omdat de politierechter diezelfde maatregel ook kan opleggen aan bestuurders die niet tot de categorie van jonge bestuurders behoren, wanneer hij die maatregel verantwoord acht. A.1.
- De beklaagde voor de verwijzende rechter meent dat uit het arrest van het Hof van Cassatie van 22 mei 2012 enkel kan worden afgeleid dat niet in een uitdrukkelijke uitzondering is voorzien voor personen die langer 4 dan twee jaar houder zijn van een buitenlands rijbewijs dat werd omgezet naar een Belgisch rijbewijs. Uit de letterlijke lezing van artikel 38, § 5, volgt dat geen Belgisch rijbewijs B is vereist. Daarnaast meent B.F. dat de impact van de wettelijke verplichting op de beslissingsbevoegdheid van de politierechter door de Ministerraad sterk wordt geminimaliseerd. Meer dan 60 % van de herstelproeven wordt opgelegd naar aanleiding van een alcoholgerelateerde inbreuk; slechts 6,7 % heeft betrekking op snelheidsmisdrijven. Dit betekent dat de politierechters van oordeel zijn dat het opleggen van een herstelproef veelal slechts noodzakelijk en zinvol is bij een bepaald soort verkeersmisdrijven, en dat dit veelal geen snelheidsmisdrijven zijn. Echter, de politierechter wordt daartoe verplicht door artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet. A.1.
- De Ministerraad herhaalt dat de differentiatie relatief is. De politierechter heeft inderdaad minder beslissingsvrijheid ten aanzien van wie in zijn proefperiode van twee jaar zit, maar hij kan hoe dan ook de persoon die niet meer in zijn proefperiode zit, de verplichting van een theoretisch en/of praktisch rijexamen opleggen (zie ook arrest nr. 203/2009 van 23 december 2009, B.6). A.2.
- Voor wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voert de beklaagde voor de verwijzende rechter aan dat zij strenger wordt gestraft omdat zij zich zou bevinden onder de verzwarende omstandigheid van artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet, terwijl vaststaat dat zij al meer dan twee jaar houder is van een rijbewijs B, en dat het in het geding zijnde artikel zelfs niet expliciet vereist dat het om een Belgisch rijbewijs B gaat. B.F. meent dat zij niet kan worden gelijkgesteld met een « nieuwe bestuurder […] van wie men niet weet of hij een veilige rijstijl heeft ontwikkeld » (arrest van het Hof nr. 163/2009 van 20 oktober 2009, A.2), waardoor er geen redelijke verantwoording is en het in het geding zijnde artikel ongrondwettig is. A.2.
- De Ministerraad wijst erop dat een Belgisch rijbewijs B door omzetting kan worden verkregen, maar dat dit niet betekent dat de proefperiode van twee jaar reeds voorbij is. Het kan niet worden aanvaard dat enkel wie in België het rijbewijs B heeft behaald een proefperiode van twee jaar zou moeten doorlopen. Bovendien is de Belgische verkeersomgeving niet per definitie dezelfde als de verkeersomgevingen in andere landen, zodat het opleggen van een proefperiode verantwoord blijft. Volgens de Ministerraad is artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet geenszins strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer het op uniforme wijze voorziet in het opleggen van een proefperiode die ook moet worden doorlopen door diegene die het Belgisch rijbewijs B heeft verkregen door omzetting. A.2.
- De beklaagde voor de verwijzende rechter meent dat de stelling van de Ministerraad zou kunnen worden gevolgd wanneer elk buitenlands rijbewijs B zonder meer zou kunnen worden omgezet naar een Belgisch rijbewijs B. Echter, dit is niet de realiteit, aangezien enkel geldige niet-Europees erkende rijbewijzen B zonder theoretische en praktische proeven kunnen worden omgezet in Belgische rijbewijzen B. De in de lijst opgenomen erkende lidstaten zijn aan een vooronderzoek onderworpen waaruit is gebleken dat in die landen gelijkwaardige afgiftevoorwaarden bestaan voor het behalen van een rijbewijs B. Hieruit volgt dat er geen ongelijkheid kan ontstaan wanneer de proefperiode ook zou starten op het moment dat een bestuurder in het bezit is van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs B. A.2.
- De Ministerraad herhaalt dat wie door omzetting het Belgisch rijbewijs B verkrijgt, zich in dezelfde juridische situatie bevindt als iemand die het Belgisch rijbewijs B behaalt na examens in België. Bovendien heeft de Belgische wetgever een grote mate van beleidsvrijheid. Er wordt voorzien in een soepel systeem van omzetting, met een proefperiode, zonder dat strengere eisen worden gesteld aan de omzetting. A.3.
- Voor wat de tweede prejudiciële vraag betreft, meent de beklaagde voor de verwijzende rechter dat het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel er zich tegen verzet dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de in het geding zijnde maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. De gelijkstelling van de groep van personen die meer dan twee jaar beschikken over een geldig niet-Europees erkend rijbewijs met de groep van beginnende bestuurders, is niet redelijk te verantwoorden. De procedure tot omzetting is, voor wat de geldige niet-Europees 5 erkende Marokkaanse rijbewijzen betreft, een louter administratieve procedure, zo niet had de Belgische wetgever de omzettingsprocedure afhankelijk gemaakt van het slagen van theoretische en/of praktische proeven. A.3.
- De Ministerraad stelt vast dat als de redenering wordt gevolgd dat wie enkele jaren in het buitenland met een niet-Belgisch rijbewijs een motorvoertuig heeft bestuurd, daardoor niet meer als een beginnende bestuurder zou kunnen worden beschouwd, het dan de politierechter vrijstaat bijvoorbeeld enkel een praktisch rijexamen op te leggen. Als de ervaring die is opgedaan vooraleer de omzetting is verkregen, relevant zou zijn, dan zal dit blijken bij het doorlopen van het praktisch rijexamen, dat voor de betrokkene geen probleem zou mogen vormen. Bovendien zijn kennis en vaardigheid betrouwbaar te testen op het rijexamen. Bij de omzetting naar het Belgisch rijbewijs B wordt er dus van uitgegaan dat de kennis en de vaardigheid effectief aanwezig zijn. Maar om na te gaan of er ook een veilige rijstijl ontwikkeld werd, dient een proefperiode te worden ingelast in België. Beginnend of niet, de bestuurder die door omzetting het Belgisch rijbewijs B heeft verkregen, heeft nog op geen enkele wijze aangetoond dat hij reeds een veilige rijstijl ontwikkeld heeft. De omzettingsprocedure gaat ervan uit dat de examens gelijkwaardig zijn. De proefperiode van twee jaar test enkel de houding en rijstijl, en de omzetting is niet afhankelijk van het feit gedurende een bepaalde periode buiten Europa te hebben gereden, noch van te hebben gereden met aldaar enige proefperiode. De verwijzing naar de eventuele ervaring, die per persoon uiterst variabel kan zijn, kan er niet toe leiden dat het opleggen van een proefperiode na de omzetting niet bestaanbaar zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.4.
- Voor wat de derde prejudiciële vraag betreft, voert de beklaagde voor de verwijzende rechter aan dat personen die beschikken over een geldig niet-Europees erkend rijbewijs in België gedurende 185 dagen met een motorvoertuig mogen rijden, zonder dat dit rijbewijs moet worden omgezet naar een Belgisch rijbewijs B. Wanneer dan toch een omzetting wordt gevraagd, wordt die persoon verkeerdelijk beschouwd als een beginnende bestuurder. De houder van een omgezet rijbewijs valt onder de verzwarende omstandigheid van artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet, terwijl een houder van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs niet valt onder de strafverzwaring, hetgeen leidt tot een kennelijk onredelijk onderscheid in behandeling. A.4.
- De Ministerraad wijst erop dat de 185 dagen dat er met een buitenlands rijbewijs kan worden gereden in België zonder dat er een omzetting vereist is, impliceert dat het niet gaat om enig rijbewijs dat binnen de Belgische rechtsorde is uitgereikt, hetzij na examens, hetzij na omzetting. En aangezien er tijdens die 185 dagen geen sprake is van een Belgisch rijbewijs, kan er ook geen sprake zijn van een specifieke modaliteit met betrekking tot het Belgisch rijbewijs. Bovendien kan artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet zijn verantwoording niet verliezen om reden dat er bepaalde situaties kunnen voorkomen waar de verplichting om de sanctie van de praktische of theoretische test op te leggen, niet zou bestaan. De Ministerraad voert aan dat wanneer er gedurende de periode van 185 dagen een misdrijf wordt begaan, de politierechter hoe dan ook een sanctie zal opleggen. -B- B.
- In de drie prejudiciële vragen wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 38, § 5, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de Wegverkeerswet) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de rechter verplicht is om de in de in het in geding zijnde bepaling voorgeschreven verzwaring toe te passen op schuldige personen die sinds minder dan twee jaar houder zijn van het Belgisch rijbewijs B, doch reeds meer dan twee jaar houder zijn van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs. 6 Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie. B.2.
- Artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet bepaalt : « De rechter moet het verval van het recht tot sturen uitspreken en het herstel van het recht tot sturen minstens afhankelijk maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen indien hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot een verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B. Het eerste lid is niet van toepassing op artikel 38, § 1, 2°, in geval van een verkeersongeval met enkel lichtgewonden. Het eerste lid is niet van toepassing op de overtredingen van de tweede graad, zoals bedoeld in artikel 29, § 1 ». B.2.
- De keuze van de wetgever wordt in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling als volgt onderbouwd : « Kennis en vaardigheid zijn betrouwbaar te testen op het rijexamen, maar attitude en gedrag zijn dat niet. Daarom wordt het eerste jaar dat men zijn rijbewijs heeft behaald beschouwd als een jaar waarbinnen de praktijk moet uitwijzen of de nieuwe, meestal ook jonge, bestuurder een veilige rijstijl heeft ontwikkeld. Is dat niet het geval, dan moet hij zijn theoretisch en/of praktisch rijexamen opnieuw afleggen. Onder meer de volgende overtredingen komen volgens de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer in aanmerking voor een verval van het recht tot sturen : - alcohol en dronkenschap in het verkeer; - overtredingen van de tweede, derde of vierde graad; - drugs in het verkeer; - een radarverklikker aan boord hebben; - verkeersongevallen met doden of ernstige gewonden veroorzaken; - recidive (reeds drie keer veroordeeld in het jaar voorafgaand aan de overtreding); - rijden zonder houder te zijn van een rijbewijs of rijden terwijl men medisch ongeschikt is; 7 - vluchtmisdrijf; - de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur overschrijden; - de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 20 kilometer per uur overschrijden in een bebouwde kom, zone 30 of woonerf » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2836/001, p. 4). Een amendement werd aangenomen dat de vermelde termijn van één op twee jaar brengt (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2836/002). B.2.
- De maatregel van het verval van het recht tot besturen van een motorvoertuig wordt derhalve verantwoord door de bekommernis verkeersongevallen te verminderen en op die manier de verkeersveiligheid te bevorderen. De in het geding zijnde maatregel strekt ertoe bestuurders met een geringe ervaring in het wegverkeer aan een strenger toezicht te onderwerpen dan andere bestuurders. Door bestuurders met een geringe ervaring te verplichten, wanneer zij wegens bepaalde overtredingen zijn veroordeeld, hun theoretische kennis of praktische vaardigheden opnieuw te bewijzen, draagt de maatregel bij tot een verbetering van de veiligheid van de andere weggebruikers en van de verkeersveiligheid in het algemeen. De maatregel is bovendien beperkt tot bestuurders die bepaalde ernstige verkeersovertredingen hebben begaan. B.
- Bij zijn arrest van 22 mei 2012 (AR P.11.1859.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.15) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet geen uitzondering inhoudt « voor degene die langer dan twee jaar houder is van een rijbewijs behaald in het buitenland en dat omgezet is in een Belgisch rijbewijs ». Derhalve dient te worden aangenomen dat de datum waarop bestuurders met een geldig niet-Europees erkend rijbewijs hun rijbewijs hebben omgezet in een Belgisch rijbewijs, als aanvangsdatum voor de berekening van de in artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet bepaalde periode van twee jaar moet worden beschouwd. 8 Wat betreft de eerste prejudiciële vraag B.
- In de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet « door de rechter de wettelijke verplichting op te leggen om een verval van het recht tot sturen uit te spreken en het herstel van het recht tot sturen op zijn minst afhankelijk te maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen indien hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot het verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige personen sinds minder dan twee jaar houder zijn van het Belgisch rijbewijs B doch wel reeds meer dan twee jaar houder zijn van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs hoewel er geen theoretische of praktische testen zijn gekoppeld aan de omzetting van het niet-Europees erkend rijbewijs in het Belgisch rijbewijs B terwijl deze verzwaring niet geldt ten overstaan van personen die sinds meer dan twee jaar houder zijn van het Belgisch rijbewijs B en een dergelijke overtreding begaan ». B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, te weten de vaststelling of een bestuurder reeds meer dan twee jaar beschikt over een Belgisch rijbewijs B. B.
- Zoals reeds is vermeld in B.2.3, wordt de in het geding zijnde maatregel verantwoord door de bekommernis verkeersongevallen te verminderen en op die manier de verkeersveiligheid te bevorderen. De in het geding zijnde maatregel strekt ertoe bestuurders met een geringe ervaring in het Belgisch wegverkeer, zoals te dezen als houder van het Belgisch rijbewijs B, aan een strenger 9 toezicht te onderwerpen dan andere bestuurders. Door de bestuurders te verplichten, wanneer zij wegens bepaalde overtredingen zijn veroordeeld, hun theoretische kennis of praktische vaardigheden opnieuw te bewijzen, draagt de maatregel bij tot een verbetering van de veiligheid van de andere weggebruikers en van de verkeersveiligheid in het algemeen. De maatregel is bovendien beperkt tot bestuurders die bepaalde ernstige verkeersovertredingen hebben begaan. Aan de andere bestuurders die wegens dezelfde overtredingen zijn veroordeeld, kan precies dezelfde verplichting worden opgelegd, alleen behoort het dan tot de beoordelingsvrijheid van de rechter om die verplichting al dan niet op te leggen. De wetgever mocht ervan uitgaan dat de grootste risico’s te maken hebben met houders van een Belgisch rijbewijs van categorie B met een geringe rijervaring in België. Gelet op de doelstelling van de in het geding zijnde maatregel leidt de keuze van de wetgever om de beoordelingsvrijheid van de politierechter ten aanzien van een bepaalde categorie van bestuurders uit te sluiten, niet tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling of tot een kennelijk onevenredige straf. De omstandigheid dat de bestuurder in voorkomend geval reeds meer dan twee jaar een geldig niet-Europees erkend rijbewijs heeft, verandert hieraan niets. Bovendien heeft de rechter steeds de mogelijkheid enkel de theoretische kennis of de praktische vaardigheden te controleren, teneinde te kunnen vaststellen of de bestuurder een « veilige rijstijl » heeft ontwikkeld. B.
- De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Wat betreft de tweede prejudiciële vraag B.
- In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet « door de rechter de wettelijke verplichting op te leggen om een verval van het recht tot sturen uit te spreken én het herstel van het recht tot sturen op zijn minst afhankelijk te maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen indien hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een 10 motorvoertuig die tot het verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige personen sinds minder dan twee jaar houder zijn van het Belgisch rijbewijs B doch wel reeds meer dan twee jaar houder zijn van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs hoewel er geen theoretische of praktijk testen zijn gekoppeld aan de omzetting van het niet-Europees erkend rijbewijs in het Belgisch rijbewijs B terwijl deze categorie van personen niet kan vergeleken worden met de beginnende bestuurder die sinds minder dan twee jaar het rijbewijs B heeft behaald ». B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.11.
- Niettegenstaande voor de politierechter de verplichting om het herstel van het recht tot sturen afhankelijk te maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen, enkel bestaat ten aanzien van de bestuurders die sedert minder dan twee jaar houder zijn van het Belgisch rijbewijs B, dient te worden vastgesteld dat de politierechter ook ten aanzien van andere bestuurders die houder zijn van een Belgisch rijbewijs B en die wegens dezelfde overtredingen zijn veroordeeld, dezelfde verplichting kan opleggen; alleen behoort het dan tot de beoordelingsvrijheid van de politierechter om die verplichting van het slagen voor het theoretisch en/of praktisch examen al dan niet op te leggen. B.11.
- Gelet op de doelstelling van de in het geding zijnde maatregel, leidt de keuze van de wetgever om de beoordelingsvrijheid van de politierechter ten aanzien van een bepaalde categorie van bestuurders uit te sluiten, niet tot een kennelijk onredelijke gelijke behandeling of tot een kennelijk onredelijke straf. 11 Het gegeven dat de wetgever de rechter tot dezelfde gestrengheid heeft verplicht ten aanzien van bestuurders die sinds minder dan twee jaar houder zijn van het Belgisch rijbewijs B doch reeds meer dan twee jaar houder zijn van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs, ontneemt de in het geding zijnde bepaling niet haar verantwoording. De proefperiode van twee jaar is ingevoerd teneinde het gedrag van een bestuurder in een Belgische verkeersomgeving te testen, en vast te stellen of de bestuurder al dan niet een veilige rijstijl heeft ontwikkeld. B.
- De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Wat betreft de derde prejudiciële vraag B.
- In de derde prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet « door de rechter de wettelijke verplichting op te leggen om een verval van het recht tot sturen uit te spreken en het herstel van het recht tot sturen op zijn minst afhankelijk te maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen indien hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot het verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige personen sinds minder dan twee jaar houder zijn van het Belgisch rijbewijs B doch wel reeds meer dan twee jaar houder zijn van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs terwijl die wettelijke verplichting niet geldt voor personen die houder zijn van een geldig niet-Europees erkend rijbewijs die een dergelijke overtreding heeft begaan tijdens de periode van 185 dagen waarin geen omzetting is vereist ». B.
- Allereerst dient te worden vastgesteld dat artikel 21 van de Wegverkeerswet bepaalt dat niemand op de openbare weg een motorvoertuig mag besturen, tenzij hij houder is, en het tevens bij zich heeft, van een rijbewijs in België regelmatig afgegeven of een nationaal of internationaal rijbewijs onder de voorwaarden vastgesteld door de bepalingen die inzake internationaal wegverkeer van toepassing zijn. Personen die zijn ingeschreven in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente en die in België hun gewone verblijfplaats hebben, mogen slechts een motorvoertuig in België besturen op basis van een Belgisch rijbewijs (artikel 3, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 « betreffende het 12 rijbewijs »). De personen die in België hun gewone verblijfplaats hebben, zijn personen die gedurende ten minste 185 dagen per jaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont, in België verblijven. Derhalve mag een persoon die is ingeschreven in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente, met een geldig niet-Europees erkend rijbewijs in België een motorvoertuig besturen, zolang hij in België nog geen gewone verblijfplaats heeft en dus minder dan 185 dagen is ingeschreven. B.15.
- Artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet verplicht de rechter om het verval van het recht tot sturen uit te spreken en het herstel van het recht tot sturen minstens afhankelijk te maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen indien hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot een verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B. Het gaat erom de bestuurders met weinig ervaring in het verkeer, hetgeen voortvloeit uit het feit dat zij sinds minder dan twee jaar houder zijn van het rijbewijs B, te onderwerpen aan een strengere controle dan die welke geldt voor de andere bestuurders. De personen die worden beoogd door de maatregel waarin die bepaling voorziet, zijn diegenen die houder zijn van een Belgisch rijbewijs B. B.15.
- Zoals blijkt uit het arrest van het Hof nr. 82/2020 van 4 juni 2020 is de Belgische overheid bevoegd om het recht tot sturen van de houders van een Belgisch of buitenlands rijbewijs op het Belgisch grondgebied vervallen te verklaren. De Belgische overheid is tevens bevoegd om de voorwaarden vast te stellen voor het verkrijgen van een Belgisch rijbewijs. Zij is bevoegd om de afgifte van het Belgisch rijbewijs gepaard te laten gaan met een periode tijdens welke het gedrag van de nieuwe bestuurder wordt getest en om te bepalen dat, wanneer die nieuwe bestuurder zich gedurende die periode schuldig maakt aan een bepaalde overtreding, de rechter het verval van het recht tot sturen moet uitspreken en de bestuurder het afleggen van nieuwe examens moet opleggen. 13 De Belgische overheid is daarentegen niet bevoegd om de voorwaarden te bepalen waaronder een persoon een buitenlands rijbewijs kan verkrijgen, noch a fortiori om een testperiode vast te stellen die analoog is aan die waarin het in het geding zijnde artikel 38, § 5, voorziet. B.15.
- Het in de derde prejudiciële vraag opgeworpen verschil in behandeling vloeit voort uit de respectieve bevoegdheden van de Belgische overheden en van de buitenlandse overheden. B.
- De derde prejudiciële vraag behoeft derhalve geen antwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 38, § 5, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.073 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div