van verstekelingen die zijn gemachtigd of toegelaten tot verblijf in België zodra die hoedanigheid, die machtiging of die toelating is aangetoond - in zoverre het de ontscheping niet toelaat van verstekelingen die om internationale bescherming verzoeken, gedurende het onderzoek van hun aanvraag - in zoverre het niet of niet minstens tijdelijk de ontscheping toelaat van verstekelingen die beantwoorden of lijken te beantwoorden aan de voorwaarden om te worden gekwalificeerd als niet-begeleide minderjarige vreemdeling in de zin van de programmawet (I) van 24 december 2002 - in zoverre het niet of niet minstens tijdelijk de ontscheping toelaat van verstekelingen van wie de gezondheidstoestand, volgens een medische diagnose, een dringende medische behandeling vereist die niet kan worden verstrekt aan boord van het schip - in zoverre het de vasthouding aan boord van het schip waarin het voorziet, met geen
kele van de in B.53.1 opgesomde waarborgen gepaard doet gaan) 2. Verwerping van het beroep voor het overige (rekening houdend met hetgeen in B.62
B.70 is vermeld) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK
ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 2.1.1.3, § 1, 7° tot 9°,
, 2.4.4.1, § 2, 2.4.4.2
2.4.4.3 van het Belgische Scheepvaartwetboek (wet van 8 mei 2019, artikel 2), ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains »
anderen. Publiek recht - Zeevaart - Opvarenden - Verstekelingen aan boord van Belgische schepen - Verstekelingen in een Belgische haven -
personen die worden teruggedreven aan een landgrens
tussen verstekelingen
vliegtuigpassagiers -
, 2.4.4.1, § 2, 2.4.4.2
2.4.4.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek (wet van 8 mei 2019, artikel 2), ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains »
anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul
L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne
S. de Bethune,
, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep
rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 januari 2020 ter post aangetekende brief
ter griffie is ingekomen op 3 februari 2020, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2.1.1.3, § 1, 7° tot 9°,
, 2.4.4.1, § 2, 2.4.4.2
2.4.4.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek (artikel 2 van de wet van 8 mei 2019, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 augustus 2019) door de vzw « Ligue des droits humains », de vzw « Nansen », de vzw « Jesuit Refugee Service-Belgium », de vzw « Association pour le droit des Etrangers », de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et Etrangers »
de vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen », bijgestaan
vertegenwoordigd door Mr. R. Fonteyn
Mr. S. Najmi, advocaten bij de balie te Brussel. Memories
memories van wederantwoord zijn ingediend door : - Myria, het Federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen
de strijd tegen de mensenhandel, vertegenwoordigd door zijn directeur; 2 - de Ministerraad, bijgestaan
vertegenwoordigd door Mr. M. Van Looveren
Mr. R. De Houwer, advocaten bij de balie van Antwerpen. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 16 februari 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques, ter vervanging van rechter E. Bribosia, wettig verhinderd,
S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord,
dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 9 maart 2022
de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen
kel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 9 maart 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging
het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
4, § 2, van de statuten van de vzw « Ligue des droits humains »
zetten zij uiteen dat het belang om in rechte te treden van die verzoekende partij reeds werd erkend door het Hof, door de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
door de hoven
rechtbanken. A.1.2.2. Wat de vzw « Nansen » betreft, preciseren de verzoekende partijen dat haar statutair doel erin bestaat een effectieve internationale bescherming te waarborgen voor iedereen die daar nood aan heeft, waaronder asielzoekers
vluchtelingen. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft meerdere door die vzw ingestelde beroepen ontvankelijk verklaard. A.1.2.3. De verzoekende partijen geven aan dat het statutaire doel van de vzw « Jesuit Refugee Service- Belgium » erin bestaat vluchtelingen
gedwongen migranten te vergezellen
bij te staan, alsook hun rechten te verdedigen
alle handelingen te stellen te hunnen bate. Het belang om in rechte te treden van die vzw werd reeds erkend in het verleden. A.1.2.4. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de vzw « Association pour le droit des Etrangers » als statutair doel heeft vreemdelingen, personen van buitenlandse afkomst
hun gezinsleden te ondersteunen
hun rechtsbijstand
maatschappelijke begeleiding te bieden. A.1.2.5. Wat de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et Etrangers » betreft, zetten de verzoekende partijen uiteen dat haar statutaire doel erin bestaat de rechten van vreemdelingen, vluchtelingen, asielzoekers
personen van buitenlandse afkomst te verdedigen. Haar belang om in rechte te treden werd meermaals door het Hof erkend. 3 A.1.2.6. Wat ten slotte de vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen » betreft, citeren de verzoekende partijen artikel 3 van haar statuten
zetten zij uiteen dat het belang om in rechte te treden van die vzw reeds werd erkend. A.2. Het Federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen
de strijd tegen de mensenhandel (hierna : Myria), een onafhankelijke Belgische overheidsinstelling, wenst tussen te komen. Myria zet uiteen dat zij een belang heeft om tussen te komen aangezien hoofdstuk 4 van titel 4 van boek 2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek aanzienlijke ingrepen in de grondrechten van verstekelingen toelaat. Het belang van Myria werd overigens reeds aanvaard in het verleden, net zoals dat van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen
mannen, dat een vergelijkbare instelling is. Ten slotte publiceerde Myria in 2017 een diepgaande analyse van het juridisch statuut van verstekelingen, die in 2020 werd bijgewerkt. A.3.1. De Ministerraad verzoekt het Hof in zijn onderzoek uitsluitend de grondwets–
verdragsbepalingen in aanmerking te nemen waarvan de verzoekende partijen werkelijk preciseren in welk opzicht zij geschonden zouden zijn. A.3.2. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de middelen. Een vernietiging van de bestreden bepalingen zou immers hun situatie, noch die van verstekelingen, wijzigen. De praktijk die werd toegepast vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen zou niet veranderen bij een vernietiging, aangezien zij steunt op nationale, Europese
internationale normen die hoe dan ook zullen blijven gelden. De regels die voorkwamen in de wet van 5 juni 1928 « houdende herziening van het Tucht-
Strafwetboek voor de koopvaardij
de zeevisscherij » (hierna : de wet van 5 juni 1928)
die werden opgeheven door het Belgisch Scheepvaartwetboek, zouden overigens opnieuw van toepassing zijn. Die bepalingen zijn onlosmakelijk verbonden met de bestreden bepalingen. Een vernietiging van die laatste zal dus ook, omwille van de juridische duidelijkheid, moeten leiden tot die van de bepalingen waarbij de wet van 5 juni 1928 wordt opgeheven. De Ministerraad vraagt dan ook om het beroep uit te breiden tot artikel 26 van de wet van 8 mei 2019 « tot invoering van het Belgisch Scheepvaartwetboek » (hierna : de wet van 8 mei 2019), waarbij de artikelen 9 tot 51 van de wet van 5 juni 1928 worden opgeheven. A.3.3. Volgens de Ministerraad is het Hof niet bevoegd om kennis te nemen van de schending van andere bepalingen
beginselen dan die welke worden beoogd bij artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, zoals de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging
de verwijdering van vreemdelingen »
de wet van 29 juli 1991 « betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen », die in de middelen worden beoogd. A.4.1. De verzoekende partijen antwoorden dat het niet de Ministerraad toekomt de draagwijdte van het beroep te wijzigen. Een vernietiging van artikel 26 van de wet van 8 mei 2019 is niet noodzakelijk voor een vernietiging van de bestreden bepalingen. Vervolgens belet een opheffing van de artikelen 9 tot 51 van de wet van 5 juni 1928 in geen
kel opzicht de mogelijkheid om artikel 2.1.1.3, § 1, 7° tot 9°,
, artikel 2.4.4.1, § 2, artikel 2.4.4.2
artikel 2.4.4.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek te vernietigen. Het is hoe dan ook niet juist te stellen dat de praktijk die voordien gangbaar was, zou overeenstemmen met de huidige regels van het Belgisch Scheepvaartwetboek. De Ministerraad maakt geen nauwkeurige vergelijking tussen de vroegere wetgeving
die welke door de verzoekende partijen wordt betwist. De exceptie mist feitelijke grondslag
valt samen met het onderzoek ten gronde. A.4.2. De verzoekende partijen antwoorden dat zij de schending van andere bepalingen
beginselen dan die welke vermeld zijn in artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 slechts aanvoeren in samenhang met bepalingen waarvan het Hof vermag kennis te nemen. A.
de strijd tegen de mensenhandel » het doel van Myria op beperkte wijze omschrijft. Artikel 3 van die wet staat Myria toe om in rechte op te treden,
kel binnen de grenzen van haar opdrachten
in de rechtsgeschillen waartoe de toepassing van twee specifieke wetten aanleiding kan geven. De opsomming van die wetten is exhaustief, wat blijkt uit een analyse van het totstandkomingsproces van de wet. Bovendien is de vergelijking met het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen
mannen niet relevant. Aangezien Myria zich beroept op een collectief belang, moet het aantonen dat haar statutaire doel, dat van bijzondere aard is, door de bestreden normen kan worden geraakt, wat Myria niet doet. Haar tussenkomst is dus niet ontvankelijk. In werkelijkheid tracht Myria zich te onttrekken aan haar wettelijke plicht tot informatie, dialoog
overleg. Het komt Myria niet toe de manier te beoordelen waarop zij de bestreden bepalingen zou hebben opgevat in de plaats van de wetgever, noch kritiek uit te oefenen op het gekozen beleid. Het Hof moet dus geen rekening houden met de memorie van tussenkomst van Myria, die geen inhoudelijke argumenten bevat bovenop die welke door de verzoekende partijen zijn uiteengezet. Een tussenkomende partij kan, ten slotte, het onderwerp van het beroep niet wijzigen. In zoverre Myria verwijst naar artikel 1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, naar de artikelen 4, 19, lid 2,
47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
naar artikel 8 van de richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement
de Raad van 26 juni 2013 « betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning
intrekking van de internationale bescherming (herschikking) », die niet door de verzoekende partijen worden aangevoerd, is de memorie van tussenkomst bijgevolg evenmin ontvankelijk. A.6.2. Ten aanzien van de ontstentenis van een belang bij de middelen, repliceert de Ministerraad dat een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen een terugwerkende kracht ex tunc zou hebben. De praktijk die wordt toegepast wanneer een verstekeling wordt ontdekt
die door de Ministerraad in zijn memorie wordt beschreven, zou bij een vernietiging niet veranderen omdat zij op andere nationale, Europese
internationale normen berust. De vergelijking tussen de vroegere
de nieuwe wetgeving werd op adequate wijze gemaakt. Het is duidelijk dat de regels die bij de bestreden bepalingen werden opgeheven, opnieuw van toepassing zouden zijn bij een vernietiging van die laatste. In die hypothese zou het Hof zelfs bevoegd zijn om het onderwerp van het beroep ambtshalve uit te breiden, aangezien de opheffingsbepalingen in de wet van 8 mei 2019 onlosmakelijk verbonden zijn met de bestreden bepalingen. De vernietiging ervan zou immers noodzakelijk zijn omwille van de juridische duidelijkheid. Het onderwerp van het beroep moet dus worden uitgebreid tot artikel 26 van de wet van 8 mei
derde lid, 13, 22bis, 23, eerste lid
derde lid, 2°, in fine,
191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3, 5, 6, 13
14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 4 van het Protocol nr. 4
met artikel 1 van het Protocol nr. 7 bij dat Verdrag, met artikel 1, A, punt 2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna : het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen), met de artikelen 4.1, 4.4.1, 4.4.2, 4.6.1
4.6.3 van de bijlage bij het Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee (FAL-Verdrag), ondertekend te Londen op 9 april 1965 (hierna : het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee), met de artikelen 2
3 van het Internationaal Verdrag nopens de verstekelingen, ondertekend te Brussel op 10 oktober 1957 (hierna : het Internationaal Verdrag nopens de verstekelingen), met de verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement
de Raad van 9 maart 2016 « betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) » (hierna : de Schengengrenscode), met artikel 3 van het Verdrag van 10 december 1984 tegen foltering
andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, met de artikelen 6
7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten, met het algemeen beginsel van non-refoulement, met het algemeen beginsel van rechtszekerheid,
met de artikelen 3, 4, 4bis, 7, 8, 8bis, 8ter, 27, 28, 29, 48 tot 50, 61/14 tot 61/25, 70/1 tot 74
74/2 tot 74/4bis van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging
de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980). A.7.2. Alvorens de zestien onderdelen van het middel uiteen te zetten, verwijzen de verzoekende partijen naar het rapport van Myria over het juridisch statuut van verstekelingen. Zij verklaren overigens
zonder dat er een beroepsmogelijkheid openstaat, toestaan
zelfs aanmoedigen,
op morele integriteit - in het bijzonder die van kinderen -
het recht op vrijheid
veiligheid, in zoverre zij de verwijdering van vreemdelingen toelaten zonder dat eerst wordt nagegaan welke risico’s zij lopen in geval van terugkeer naar hun land van oorsprong. A.7.3. In het eerste, tweede, derde, vierde
vijfde onderdeel van het middel bekritiseren de verzoekende partijen de identieke behandeling van verstekelingen die de bestreden bepalingen zonder objectieve
redelijke verantwoording creëren. In de eerste plaats gaat het om de identieke behandeling van Belgische verstekelingen
buitenlandse verstekelingen (eerste onderdeel)
van verstekelingen die zijn toegelaten of gemachtigd tot verblijf in België
verstekelingen die niet zijn toegelaten noch gemachtigd tot verblijf in België (tweede onderdeel). Het is echter niet aangewezen, wat die laatste identieke behandeling betreft, dat verstekelingen die zijn toegelaten of gemachtigd tot verblijf in België, worden vastgehouden onder de verantwoordelijkheid van de kapitein van het schip, zonder dat de Belgische Staat verplicht is om ze te ontschepen
vervolgens de zorg voor hen op zich te nemen. Daarnaast gaat het om de identieke behandeling van verstekelingen die verzoeken om internationale bescherming
van die welke niet daarom verzoeken (derde onderdeel). De verstekelingen van de eerste categorie mogen niet op dezelfde manier worden behandeld als de verstekelingen die niet om die bescherming verzoeken. Bovendien is de Belgische Staat verplicht om een ontscheping van de personen die om internationale bescherming verzoeken, toe te staan
zelfs te eisen,
om de zorg voor hen op zich te nemen. Vervolgens gaat het om de identieke behandeling van minderjarige verstekelingen
meerderjarige verstekelingen (vierde onderdeel). Het Belgisch Scheepvaartwetboek bevat geen
kele garantie dat niet-begeleide minderjarige vreemdelingen hulp van de Staat zullen krijgen. De Belgische Staat is echter verplicht om, voor die personen, een ontscheping toe te staan
zelfs te eisen,
om de zorg voor hen op zich te nemen. Ten slotte gaat het om zieke verstekelingen
verstekelingen die in goede gezondheid verkeren (vijfde onderdeel). Het Belgisch Scheepvaartwetboek bevat geen
kele garantie dat zieke vreemdelingen de nodige medische hulp zullen krijgen. Ook voor die personen is de Belgische Staat echter verplicht om een ontscheping toe te staan
zelfs te eisen,
om de zorg voor hen op zich te nemen. A.7.4. In een zesde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 2.4.4.2, § 3, eerste lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek strijdig is met de in het middel beoogde referentienormen omdat het bepaalt dat verstekelingen onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder blijven. Verstekelingen vallen echter onder de rechtsmacht van de Belgische Staat
moeten bijgevolg worden ontscheept
onder de bescherming van de autoriteiten worden geplaatst. A.7.5. In een zevende onderdeel zijn de verzoekende partijen van mening dat artikel 2.4.4.2, § 3, tweede lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek strijdig is met de in het middel beoogde referentienormen in zoverre het
kel met het oog op hun verwijdering in de mogelijkheid voorziet om een ontscheping van verstekelingen toe te staan. A.7.6. In het achtste, negende, tiende, elfde
twaalfde onderdeel zijn de verzoekende partijen van mening dat de voorwaarden inzake toelating tot ontscheping, zoals bepaald bij artikel 2.4.4.2, § 3, tweede lid, 1° (achtste
negende onderdeel), 2° (tiende
elfde onderdeel),
derde lid (twaalfde onderdeel), van het Belgisch Scheepvaartwetboek strijdig zijn met de in het middel beoogde referentienormen. Door een ontscheping afhankelijk te maken
dat de reder alle nodige maatregelen heeft genomen voor een verwijdering van de verstekeling of
dat de maatregelen daartoe binnen de kortst mogelijke termijn worden genomen, kent artikel 2.4.4.2, § 3, tweede lid, aan de reder een verantwoordelijkheid toe die ertoe leidt dat een privaatrechtelijk persoon iemand gevangen kan houden zonder beperking in de tijd
zonder te waarborgen dat zijn rechten in acht worden genomen (achtste
tiende onderdeel). Rekening houdend met het feit dat elke situatie 6 anders is, zouden de maritieme autoriteiten overigens een ontscheping moeten kunnen toelaten zelfs wanneer de verstekeling niet in het bezit is van de nodige reisdocumenten (negende onderdeel). Op dezelfde wijze zou de wet de mogelijkheid om een verstekeling te ontschepen veeleer moeten vergemakkelijken, in plaats van ze tegen te werken, opdat die laatste zou worden begeleid onder voorwaarden die in overeenstemming zijn met het recht (elfde onderdeel). Ten slotte zou een buitenlandse verstekeling, indien een verwijdering met hetzelfde schip niet aangewezen of verhinderd is, vanaf het ogenblik dat hij zich onder de rechtsmacht van de Belgische Staat bevindt, moeten vallen onder de gemeenrechtelijke regeling van de wet van 15 december 1980 (twaalfde onderdeel). A.7.
4, van het Belgisch Scheepvaartwetboek strijdig is met de in het middel beoogde referentienormen in zoverre het de voorkeur geeft aan de bevoegde lokale autoriteiten van de eerste aanloophaven, boven de Belgische autoriteiten. De Belgische Staat mag zijn verantwoordelijkheid echter niet afschuiven op een andere Staat. A.7.
dat de behandeling van verstekelingen deel uitmaakt,
uitmaakte van een bestaande praktijk. Om de draagwijdte van het begrip « verstekeling » te vatten, dient rekening te worden gehouden met het Internationaal Verdrag nopens de verstekelingen, met het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee
de bijlage ervan, met de wet van 5 juni 1928 « houdende herziening van het Tucht-
Strafwetboek voor de koopvaardij
de zeevisscherij », met het koninklijk besluit van 11 april 2005 « betreffende de grenscontrole aan de maritieme buitengrens »
met de Schengengrenscode. A.8.2. Na op gedetailleerde wijze de procedure te hebben toegelicht die geldt wanneer een verstekeling wordt ontdekt aan boord van een schip,
die reeds jarenlang bestaat
een waardige opvang van verstekelingen verzekert, voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partijen uitgaan van een verkeerde lezing van de regels van het maritiem recht
van het migratierecht. In de eerste plaats valt een verstekeling die zich aan boord van een schip bevindt dat heeft aangelegd in een Belgische haven, onder de rechtsmacht van België, ongeacht de nationaliteit van die persoon
de vlag van het schip. De havens die aan de buitengrens van België gelegen zijn, bevinden zich immers in de binnenwateren van België krachtens het internationale recht. Vervolgens vormt het feit dat een vreemdeling een verstekeling is
zich aan boord van een schip bevindt dat heeft aangelegd in een Belgische haven gelegen aan de buitengrens, geen belemmering voor de toepassing van de regels inzake grenscontrole, die zijn vastgelegd in de Schengengrenscode
in de wet van 15 december 1980. Die regels gelden voor iedere vreemdeling die zich meldt aan een buitengrens, los van zijn hoedanigheid van verstekeling. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft overigens bevestigd dat de wetgeving betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging
de verwijdering van vreemdelingen, de wetgeving betreffende de geïntegreerde politie
de wetgeving tot regeling van de private
bijzondere veiligheid leges speciales zijn ten opzichte van het Belgisch Scheepvaartwetboek. De regels van de Schengengrenscode zijn overigens van toepassing onverminderd de regels die gelden voor diegenen die het recht op vrij verkeer genieten,
de regels inzake internationale bescherming. In het interne recht zijn de regels betreffende de toegang tot het 7 grondgebied vastgelegd in de wet van 15 december 1980. Zo zullen, indien een gecontroleerde persoon internationale bescherming wenst aan te vragen, de Europese
nationale regels ter zake van toepassing zijn. Op dezelfde wijze kan een vreemdeling in principe worden teruggedreven. De wet van 15 december 1980 bepaalt ook de verplichtingen van de vervoerders, wat de tenlasteneming
de repatriëring van passagiers betreft. Daarnaast bestaan er specifieke regels ten gunste van bepaalde categorieën van vreemdelingen. A.8.3. De Ministerraad voert vervolgens aan dat het eerste middel niet ontvankelijk is. In de eerste plaats kunnen de verzoekende partijen niet beweren dat de bestreden bepalingen artikel 12 van de Grondwet
artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, die het recht op vrijheid waarborgen, schenden. Het voormelde artikel 5 staat immers uitdrukkelijk een rechtmatige gevangenhouding van personen toe teneinde hen te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen. Dat is het onderwerp van de bestreden bepalingen die erin voorzien dat verstekelingen aan boord van het schip worden gehouden, onder het toezicht van de gezagvoerder, in afwachting van hun ontscheping of verwijdering. Daarnaast is artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet van toepassing op het gehele contentieux inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf
de verwijdering van vreemdelingen. In zoverre het steunt op een schending van die verdragsbepaling, is het middel niet ontvankelijk. De verzoekende partijen kunnen zich evenmin beroepen op een schending van artikel 1 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, omdat die bepaling alleen een vreemdeling die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, beschermt, wat niet het geval is voor een verstekeling. De verzoekende partijen laten overigens na om, gelijktijdig
op aannemelijke wijze, de schending van een bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgd recht aan te voeren in samenhang met die van artikel 13 van hetzelfde Verdrag. Bovendien moet rekening worden gehouden met alle rechtsmiddelen
middelen die ter beschikking zijn van verstekelingen om te oordelen of er eventueel een schending is van artikel 13 van het Verdrag. Te dezen blijven de nationale
de internationale wetgeving waarop een verstekeling zich kan beroepen, integraal van toepassing. De verzoekende partijen tonen niet aan in welk opzicht die verdragsbepaling geschonden zou zijn. De wet van 15 december 1980 blijft onverkort van toepassing, met inbegrip van de bepalingen betreffende internationale bescherming. A.8.4.
een buitenlandse verstekeling daadwerkelijk op gelijke wijze behandelt. De ratio legis is uitgedrukt in artikel 2.4.4.1, § 2, van het Wetboek
in artikel 4.4.1 van het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee, namelijk de veiligheid van het schip
het welzijn van de verstekeling. Die overwegingen gelden ongeacht de nationaliteit van een verstekeling. De nationaliteit van een verstekeling brengt
kel een verschil in behandeling teweeg bij een verwijdering van die laatste, kwestie die wordt geregeld door een andere wetgeving
die niet het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep. A.8.4.3. De Ministerraad wijst vervolgens erop dat het tweede tot het vijfde onderdeel niet ontvankelijk zijn in zoverre zij zijn afgeleid uit de schending van artikel 191 van de Grondwet. In die onderdelen worden immers twee categorieën van vreemdelingen vergeleken, terwijl die grondwetsbepaling
kel betrekking heeft op verschillen in behandeling tussen vreemdelingen
Belgen. A.8.4.4. Ten aanzien van het tweede onderdeel preciseert de Ministerraad dat de bestreden bepalingen geen onderscheid maken tussen verstekelingen die zijn toegelaten of gemachtigd tot verblijf
verstekelingen die dat niet zijn omdat iedere verstekeling onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder van het schip blijft om reden dat hij zonder toelating aan boord van het schip is gegaan
dus mogelijk de veiligheid ervan in het gedrang brengt. Vervolgens bepaalt de scheepvaartpolitie haar acties op basis van de verkregen inlichtingen betreffende de verstekeling. De vraag of een verstekeling een recht op toegang tot het Belgische grondgebied heeft - hetgeen een objectief criterium is dat een verschil in behandeling kan rechtvaardigen - vloeit voort uit een andere wetgeving die niet het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep. A.8.4.5. Wat het derde onderdeel betreft, verduidelijkt de Ministerraad dat de bestreden bepalingen waarborgen dat verstekelingen worden behandeld met volledige inachtneming van het toepasselijke internationale recht. De wet van 15 december 1980 blijft ook onverkort van toepassing. Een Belgische haven vormt een 8 maritieme buitengrens. Een verstekeling kan dus een verzoek om internationale bescherming indienen bij de scheepvaartpolitie. De Dienst Vreemdelingenzaken zal worden verwittigd via het Maritiem Informatiekruispunt (MIK). Iedere verstekeling blijft onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder van het schip om reden dat hij zonder toelating aan boord van het schip is gekomen
dus mogelijk de veiligheid ervan in het gedrang brengt. De verzoekende partijen leggen niet uit in welk opzicht die gelijke behandeling ontoelaatbaar zou zijn. Bovendien is het tijdelijke verschil in behandeling tussen verstekelingen, namelijk het feit dat een verstekeling die om internationale bescherming verzoekt als
ige wordt ontscheept tijdens de behandeling van zijn verzoek, objectief
redelijk verantwoord. Een persoon die om internationale bescherming verzoekt, kan immers meewerken aan zijn verzoek
op het Belgische grondgebied blijven gedurende het onderzoek van zijn aanvraag. De vraag of een verstekeling al dan niet internationale bescherming geniet, wordt door een andere wetgeving geregeld. A.8.4.6. Ten aanzien van het vierde onderdeel herhaalt de Ministerraad dat iedere verstekeling, ongeacht of hij minderjarig dan wel meerderjarig is, onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder blijft om reden dat hij zonder toelating aan boord van het schip is gekomen
dus mogelijk de veiligheid ervan in het gedrang brengt. De gezagvoerder wint inlichtingen in over de verstekeling, die aan de scheepvaartpolitie worden meegedeeld. De Dienst Vreemdelingenzaken
de dienst Voogdij worden daarvan in kennis gesteld op grond van artikel 6, § 1, van de programmawet van 24 december 2002 (I). De manier waarop een minderjarige ten laste wordt genomen, wordt geregeld door een andere wetgeving die niet het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep. De leeftijd van de verstekeling is een objectief criterium dat zulk een verschil in behandeling, dat echter uit een andere wetgeving voortvloeit, rechtvaardigt. A.8.4.7. Ten aanzien van het vijfde onderdeel benadrukt de Ministerraad dat iedere verstekeling, ongeacht of hij in goede gezondheid verkeert dan wel ziek is, onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder blijft. Uit de memorie van toelichting blijkt dat het Belgisch Scheepvaartwetboek rekening houdt met de hypothese van een verstekeling die medische bijstand nodig heeft. Een dergelijke passagier zal worden ontscheept om hem de nodige medische zorg te kunnen verstrekken, hetgeen ook volgt uit bepaling 2.27 van het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee. Zodra de medische problemen zijn behandeld, zal de verstekeling vervolgens opnieuw worden ingescheept
onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder worden geplaatst. Het gaat om verschillende situaties die verschillend worden behandeld. De gezondheidstoestand van een verstekeling
diens recht op dringende medische bijstand zijn objectieve criteria die de ongelijke behandeling kunnen rechtvaardigen. A.8.4.8. Wat het zesde onderdeel betreft, preciseert de Ministerraad dat het feit dat iedere verstekeling onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder blijft, niet uitsluitend door de bestreden bepalingen wordt opgelegd. Artikel 3.1.4, tweede alinea, van bijlage VI van de Schengengrenscode, bepaling die rechtstreeks geldt in de interne rechtsorde, bepaalt ook dat verstekelingen onder de verantwoordelijkheid van de kapitein blijven. Het Hof vermag niet te toetsen aan die bepaling. Bovendien treedt de Belgische Staat, zoals uit de andere onderdelen blijkt, daadwerkelijk op in diverse gevallen, zoals in het geval van een verzoek om internationale bescherming of wanneer medische zorg noodzakelijk is. Die situaties worden evenwel door andere wetgevingen geregeld. Ten slotte zijn de schepen in de Belgische havens aangelegd
bevinden zij zich op meerdere kilometers van de grenspost. Aangezien de havens geen transitzone hebben, blijven alle personen aan boord, ook de verstekelingen. A.8.4.9. De Ministerraad voert aan, met betrekking tot het zevende onderdeel, dat artikel 2.4.4.2, § 2, van het Belgisch Scheepvaartwetboek de scheepvaartpolitie de mogelijkheid biedt om een verstekeling toe te laten het schip te verlaten, hetgeen de bevoegdheid van die autoriteit om een controle uit te oefenen aan de maritieme buitengrenzen, bevestigt. De verzoekende partijen leggen niet uit in welk opzicht de bestreden bepalingen ongrondwettig zouden zijn. Artikel 2.4.4.2, § 3, tweede
derde lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek komt overigens voort uit het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee, dat België heeft goedgekeurd. A.8.4.10. Wat het achtste, tiende, elfde
veertiende onderdeel betreft, preciseert de Ministerraad dat artikel 2.4.4.2, §§ 3
4, van het Belgisch Scheepvaartwetboek teruggaat op artikel 4.9.3 van het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee. Het nemen van alle nodige maatregelen
het leveren van het bewijs dat de nodige reisdocumenten binnen de kortst mogelijke termijn werden verkregen, zijn verplichtingen die voortvloeien uit het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee. Het feit dat de bestreden bepalingen diezelfde verplichtingen opleggen om de verwijdering van een verstekeling mogelijk te maken, is in overeenstemming met de referentienormen. De verzoekende partijen houden er geen rekening mee dat het niet de reder is die de verstekeling verwijdert. De verwijdering gebeurt op verzoek van de scheepvaartpolitie, d.i. de Belgische overheid die belast is met de grenscontrole. De bestreden bepalingen zijn sterk geïnspireerd op de aanbevelingen van artikel 4.14 van het 9 Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee. Het Hof vermag niet die bepaling, die identiek is aan de bestreden bepaling, te onderwerpen aan een grondwettigheidstoets. Vervolgens is de rederij de rechtspersoon die de eindverantwoordelijkheid voor de verstekeling draagt. De reder oefent het rederschap uit. Het valt dus onder de verantwoordelijkheid van de reder, wanneer zijn schip wordt gebruikt voor de verwijdering van een verstekeling, zich ervan te vergewissen dat die laatste over de nodige reisdocumenten beschikt opdat de verwijdering in overeenstemming zou zijn met de nationale
internationale wetgeving. A.8.4.
niet gegrond is. A.9.1. De tussenkomende partij, Myria, preciseert, ten eerste, dat de Belgische Staat verantwoordelijk is voor de eerbiediging van de grondrechten van de verstekelingen die zich onder zijn rechtsmacht bevinden. Op grond van artikel 1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geeft Myria aan dat verstekelingen die zich op buitenlandse schepen bevinden, onder de rechtsmacht van België ressorteren zodra zij zich in de Belgische territoriale wateren bevinden of zodra de Belgische Staat een effectieve controle uitoefent, ongeacht de vlag van het schip. De toepasbaarheid van het recht van de vlaggenstaat sluit immers niet uit dat een Staat verantwoordelijk is voor de eerbiediging van de grondrechten wanneer hij, minstens de facto, een volledige
exclusieve controle op het schip uitoefent. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens illustreert goed dat het de Staat is die de grenscontrole uitoefent, die verantwoordelijk is voor de bescherming van de grondrechten, zelfs op een schip dat onder de vlag van een andere Staat vaart. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft eveneens benadrukt dat het specifieke karakter van de maritieme context niet ertoe mag leiden dat een rechteloze zone wordt gecreëerd. A.9.2. Ten tweede herinnert Myria aan het verbod van collectieve uitzetting, op grond van artikel 4 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Die bepaling kan zelfs worden toegepast indien de uitzetting slechts betrekking heeft op één persoon betrokken. Bovendien veronderstelt die bepaling, ook al legt zij niet in alle omstandigheden een onderhoud met de betrokkene op, dat de vreemdeling een reële
effectieve mogelijkheid krijgt om argumenten aan te voeren tegen zijn uitzetting,
dat die argumenten op gepaste wijze worden onderzocht. A.9.3. Ten derde geeft Myria aan dat de verplichting tot non-refoulement op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens
de artikelen 4
19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, tot gevolg heeft dat de nationale autoriteiten verplicht zijn om alle elementen die hun ter 10 kennis zijn gebracht ambtshalve te beoordelen voordat zij zich over een uitzetting uitspreken. De Staat is daarvan niet vrijgesteld wanneer de betrokkenen hebben nagelaten uitdrukkelijk asiel aan te vragen. A.9.4. Ten vierde merkt Myria op dat de richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement
de Raad van 26 juni 2013 « betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning
intrekking van de internationale bescherming (herschikking) » van toepassing is op de zeegrens, in de territoriale wateren
in de transitzones van de lidstaten. De richtlijn is dus ook van toepassing wanneer een verstekeling wordt opgemerkt op een schip dat op weg is naar de Belgische territoriale wateren. Zij bepaalt dat de lidstaten inlichtingen moeten verstrekken over de mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming in te dienen, tolkdiensten moeten aanbieden om de toegang tot de procedure te vergemakkelijken
erop moeten toezien dat organisaties
personen die advies geven aan verzoekers, daadwerkelijk met laatstgenoemden in contact kunnen treden. A.9.5. Ten vijfde preciseert Myria dat het feit dat verstekelingen worden verplicht aan boord van een schip te blijven, een vrijheidsberovende maatregel is in de zin van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Die vrijheidsberoving dient bijgevolg te gebeuren volgens een procedure die bij wet is bepaald
die de menselijke waardigheid respecteert. A.9.
kele bepaling van dat Wetboek de gezagvoerder van het schip verplicht om aan de bevoegde autoriteiten de informatie door te geven dat de verstekeling asiel aanvraagt of zich verzet tegen zijn vasthouding op het schip. Daarnaast verplicht geen
kele bepaling van het Wetboek de scheepvaartpolitie om een verstekeling te bezoeken teneinde akte te nemen van zijn bezwaren. Het hoofdstuk van het Wetboek over verstekelingen voorziet immers niet in een systematisch bezoek van de scheepvaartpolitie aan boord van het schip, bij ontdekking van een verstekeling. De mogelijkheid, voor de verstekeling, om bezwaren te formuleren tegen een uitzetting of om een asielaanvraag in te dienen, hangt dus af van de goede wil van de gezagvoerder
van de scheepvaartpolitie. A.10.
dat hem een onvoorwaardelijke toegang tot juridische bijstand wordt verleend. De tenuitvoerlegging van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel hangt in de praktijk echter af van de discretionaire beoordeling van de gezagvoerder van het schip, van de scheepvaartpolitie
van de gevoeligheid van de politieagenten. De noodzaak om in de wet uitdrukkelijk te voorzien in het recht op bijstand van een advocaat is des te belangrijker omdat het louter betreden van het havengebied zonder toelating een strafbaar feit vormt. A.10.7. Myria voert vervolgens aan dat het feit dat een verstekeling het schip niet mag verlaten zonder voorafgaande toelating van de scheepvaartpolitie
het feit dat de politie hem kan bevelen om opnieuw aan boord te gaan, aantonen dat er daadwerkelijk een vrijheidsberoving is. De ontstentenis van een specifiek gemotiveerde 11 beslissing met betrekking tot die vrijheidsberoving
de ontstentenis van een specifiek rechtsmiddel schenden de bepalingen die een willekeurige gevangenhouding verbieden. Een verstekeling heeft immers niet de mogelijkheid om de rechtbank te verzoeken om een dringende beslissing over de wettigheid van zijn gevangenhouding, zoals nochtans vereist is bij artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.10.8. Myria preciseert ten slotte dat de verwijzing, in artikel 2.4.4.1, § 2, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, naar de internationale verplichtingen inzake grondrechten niet de door Myria geïdentificeerde lacunes van het Wetboek kan verhelpen. Het volstaat immers niet dat een juridische tekst naar internationale verdragen
relevante algemene rechtsbeginselen verwijst opdat de rechten die daarin verankerd zijn, daadwerkelijk worden gerespecteerd. Het is precies de taak van de wetgever om nauwkeurigere normen vast te stellen met het oog op een volledige toepassing van die grondrechten. A.11.1. In hun memorie van antwoord verwijzen de verzoekende partijen, wat alle onderdelen van het eerste middel betreft, naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zake Khlaifia, wat artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens betreft. Ten aanzien van artikel 6 van hetzelfde Verdrag preciseren zij dat het strafrechtelijke deel van die bepaling wel degelijk moet worden toegepast. Wat betreft artikel 1 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, geven de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen strijdig kunnen zijn met die bepaling omdat zij tegelijk betrekking hebben op Belgen
vreemdelingen. Ten slotte hebben zij in hun verzoekschrift uiteengezet in welk opzicht de bestreden bepalingen de waarborgen inzake internationale bescherming aantasten. A.11.2. Met betrekking tot het eerste
het tweede onderdeel van het eerste middel nemen de verzoekende partijen akte van het feit dat de Ministerraad de betwiste gelijke behandeling erkent. Die gelijke behandeling is intrinsiek,
niet extrinsiek verbonden met de bestreden normen. De Ministerraad zet niet uiteen in welk opzicht de vereiste dat Belgische verstekelingen
verstekelingen die zijn toegelaten tot verblijf een specifieke behandeling krijgen, zou ingaan tegen de nagestreefde doelstellingen, namelijk de veiligheid van het schip
het welzijn van de verstekeling. A.11.
het vijfde onderdeel stellen de verzoekende partijen vast dat de bestreden bepalingen aan de gezagvoerder van het schip
aan de scheepvaartpolitie buitensporige prerogatieven toekennen, zoals de bevoegdheid om de leeftijd of de gezondheidstoestand van een verstekeling in te schatten zonder controle vanwege de autoriteiten. A.11.5. In het zesde onderdeel stellen de verzoekende partijen voor om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen over de bestaanbaarheid van artikel 3.1.4, tweede alinea, laatste zin, van bijlage VI van de Schengengrenscode met de artikelen 6, 18 tot 21, 24, 35, 47
52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het feit dat een verstekeling, zonder beperking in de tijd
zonder onderscheid, onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder wordt gelaten, zonder wettelijke omkadering, lijkt strijdig met die bepalingen. A.11.6. In het zevende, achtste, tiende, elfde, twaalfde, veertiende
vijftiende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de vroegere bepalingen vervangen, zodat de inhoud van de vroegere bepalingen in principe geen belang heeft. Vervolgens dient, in het licht van de grondrechten van verstekelingen, de gegrondheid te worden onderzocht van de aanbevelingen van de Internationale Maritieme Organisatie om maatregelen te nemen die verstekelingen verhinderen om aan boord van een schip te gaan. Er zou een prejudiciële vraag moeten worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de bestaanbaarheid van de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee die betrekking hebben op verstekelingen, met de artikelen 6, 18 tot 21, 24, 35, 47
52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.11.7. Ten aanzien van het negende onderdeel zijn de verzoekende partijen van mening dat er geen
kele reden is waarom een verstekeling onder de discretionaire verantwoordelijkheid van de gezagvoerder moet blijven gedurende de mogelijk lange periode van regularisatie van zijn situatie. 12 A.12.1. Met betrekking tot het eerste middel (derde, vierde
vijfde onderdeel)
het tweede middel (eerste, tweede, achtste
twaalfde onderdeel) antwoordt de tussenkomende partij, Myria, dat het standpunt van de Ministerraad over de samenhang van het Belgisch Scheepvaartwetboek met de wet van 15 december 1980 onduidelijk
tegenstrijdig is. De Ministerraad stelt immers,
erzijds, dat artikel 3 van de wet van 15 december 1980 van toepassing is op verstekelingen, zodat hun een gemotiveerde beslissing tot weigering van toegang tot het grondgebied ter kennis moet worden gebracht
zij een beroep tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen instellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Hij stelt, anderzijds, dat alleen de gezagvoerder van het schip een beslissing met een verbod tot ontschepen ontvangt
dat, wegens de aard van maritieme politie van die maatregel, geen beroep ertegen mogelijk is. Op dezelfde wijze vermeldt de Ministerraad nergens dat de kennisgeving, aan de verstekeling, van een beslissing tot weigering van toegang tot het grondgebied door de scheepvaartpolitie zou worden gedaan. Het is dus twijfelachtig dat artikel 3 van de wet van 15 december 1980 kan worden toegepast als lex specialis. Artikel 2.4.4.2, § 2, van het Belgisch Scheepvaartwetboek maakt het dus mogelijk een verstekeling vast te houden op een schip, hem gevangen te houden
terug te drijven zonder dat hem een beslissing tot weigering van toegang tot het grondgebied ter kennis is gebracht. Een dergelijk systeem valt moeilijk te verzoenen met het beginsel van non-refoulement. Te vrezen valt dat het Belgisch Scheepvaartwetboek wordt toegepast als een lex specialis die het mogelijk maakt de procedurele waarborgen van de wet van 15 december 1980, van het Europese recht
van het internationale recht te omzeilen. A.12.2. Ten aanzien van de inachtneming van het beginsel van non-refoulement antwoordt Myria dat de Ministerraad niet betwist dat het Belgisch Scheepvaartwetboek het mogelijk maakt om een vreemdeling die een risico loopt op een slechte behandeling, de facto te verwijderen zonder dat zijn situatie door de autoriteiten is onderzocht. De uiteenzetting van de Ministerraad over de mogelijkheid om internationale bescherming aan te vragen, de toepassing van de wet betreffende de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen
de ontscheping van verstekelingen om gezondheidsredenen, doen geen afbreuk aan de pertinentie van de kritiek van Myria. Het beginsel van non-refoulement geldt zelfs bij ontstentenis van een verzoek om internationale bescherming. Bovendien dreigen de waarborgen verbonden aan het indienen van een verzoek om internationale bescherming niet effectief te zijn, omdat de tekst van artikel 2.4.4.2, § 2, van het Wetboek niet bepaalt dat een verstekeling moet worden ingelicht over de mogelijkheid om een asielaanvraag in te dienen
omdat een ontscheping verboden is met uitzondering van de
ige hypothese van een verwijdering. Er dient te worden vastgesteld dat artikel 2.4.4.2, § 2, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, dat toelaat de ontscheping van een verstekeling te verbieden
dat diens gevangenhouding
terugdrijving mogelijk maakt, van toepassing is zonder rekening te houden met de leeftijd, de hoedanigheid van de verzoeker om internationale bescherming
de gezondheidstoestand van de verstekeling. Er wordt niet gewaarborgd dat de beschermingsmaatregelen waarin de wet op de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen voorziet,
die waarin is voorzien voor de aanvragers van internationale bescherming, van toepassing zijn. Louter de vaststelling dat een aan de verstekeling ter kennis gebrachte gemotiveerde beslissing
een rechtsmiddel ontbreken, volstaat om te besluiten tot een schending van de artikelen 3
13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.12.3. Myria betwist niet dat een gevangenhouding van vreemdelingen die tot doel heeft ze te beletten om op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, in principe legitiem is (eerste middel
tweede middel, tiende, elfde
veertiende onderdeel). De ontstentenis van een specifiek gemotiveerde beslissing waarvan aan de verstekeling kennis wordt gegeven, met betrekking tot die vrijheidsberoving,
het ontbreken van
ige beroepsmogelijkheid volstaan evenwel om te besluiten tot een schending van de bepalingen die een willekeurige gevangenhouding verbieden, meer bepaald artikel 12 van de Grondwet
artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De eventuele niet-toepasbaarheid van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens
van artikel 1 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou niet mogen leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het middel. A.13.1. De Ministerraad repliceert, wat de niet-ontvankelijkheid van het middel betreft, dat de verzoekende partijen niet aantonen dat verstekelingen willekeurig van hun vrijheid zouden worden beroofd, in het licht van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De bestreden bepalingen hebben alleen tot doel te beletten dat verstekelingen op onrechtmatige wijze het Belgische grondgebied betreden. Wat artikel 6 van hetzelfde Verdrag betreft, trachten de verzoekende partijen nog die bepaling toepasselijk te maken op het gehele « verblijfscontentieux », dat betrekking heeft op de toegang tot het grondgebied, het verblijf
de verwijdering van vreemdelingen. De vergelijking met het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zake Salabiaku is niet pertinent. De verzoekende partijen leggen ten slotte niet uit in welk opzicht artikel 1 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou zijn geschonden. A.13.2. Met betrekking tot het eerste
het tweede onderdeel merkt de Ministerraad op dat de argumentatie van de verzoekende partijen vaag blijft. De ratio legis van artikel 2.4.4.1, § 2, van het Belgisch 13 Scheepvaartwetboek is geldig ongeacht de nationaliteit van de verstekeling. De bestreden bepalingen maken geen onderscheid naargelang iemand al dan niet tot verblijf in België is toegelaten. A.13.3. Ten aanzien van het derde onderdeel benadrukt de Ministerraad dat de bestreden bepalingen waarborgen dat verstekelingen worden behandeld met volledige inachtneming van het internationale recht. De verzoekende partijen wijzigen overigens het toepassingsgebied van het onderdeel, zoals het in het verzoekschrift was geformuleerd, door van nu af aan te beweren dat de bestreden bepalingen een lapidaire juridische regeling invoeren.
erzijds mogen de verzoekende partijen niet de draagwijdte van de onderdelen wijzigen. Anderzijds blijft de wet van 15 december 1980 volledig van toepassing
doen de bestreden bepalingen geen afbreuk aan de mogelijkheid om het voordeel van internationale bescherming aan te vragen. Stellen dat de gezagvoerder van een schip er geen belang bij zou hebben een verstekeling over die mogelijkheid te informeren, is een louter hypothetische bewering. A.13.4. Wat het vierde
het vijfde onderdeel betreft, preciseert de Ministerraad dat alle inlichtingen waarover de gezagvoerder van het schip beschikt, integraal aan de scheepvaartpolitie worden doorgegeven. De gezagvoerder heeft op dat gebied geen discretionaire bevoegdheid. De scheepvaartpolitie gaat aan boord om na te gaan of de leefomstandigheden
de gezondheidstoestand van de verstekelingen goed zijn. A.13.5. Ten aanzien van het zesde onderdeel repliceert de Ministerraad dat het niet noodzakelijk is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De verzoekende partijen brengen immers niet de geldigheid van artikel 3.1.4, tweede lid, van bijlage VI van de Schengengrenscode in het geding. De vraag betreft de rechtstreekse toepassing van die bepaling op verstekelingen in een Belgische haven of aan boord van een Belgisch schip. De verzoekende partijen laten eveneens na uit te leggen in welk opzicht die bepaling van de Schengengrenscode strijdig zou zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Er bestaat echter geen twijfel over de correcte toepassing van het recht van de Europese Unie, noch over de interpretatie
de geldigheid ervan. A.13.6. Ten aanzien van het zevende, achtste, tiende, elfde, twaalfde, veertiende
vijftiende onderdeel stelt de Ministerraad vast dat de verzoekende partijen niet preciseren in welk opzicht de bestreden bepalingen, eventueel in samenhang gelezen met de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee, de door de verzoekende partijen aangevoerde grondrechten zouden schenden. De kritiek van de verzoekende partijen is een opportuniteitskritiek. Ten aanzien van het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, repliceert de Ministerraad dat de verzoekende partijen in dit geval evenmin de geldigheid van de betrokken bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee in het geding brengen. Zij preciseren zelfs niet om welke concrete bepalingen het gaat. Zij laten ook na te verduidelijken in welk opzicht de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee onbestaanbaar zouden zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Er bestaat dus geen twijfel over de interpretatie
de geldigheid van bepalingen van Europees recht, zodat het niet van belang is, voor de oplossing van het voorliggende geschil, om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Ten aanzien van de kritiek van Myria volgens welke de aan de scheepvaartpolitie geboden mogelijkheid om de ontscheping van een verstekeling toe te laten een verplichting zou moeten zijn in plaats van een mogelijkheid, preciseert de Ministerraad dat artikel 2.4.4.2, § 3, tweede
derde lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek daadwerkelijk bindend wordt wanneer het gaat om de grondrechten van verstekelingen. A.13.
zestiende onderdeel betreft, verwijst de Ministerraad naar zijn memorie. A.13.9. De Ministerraad besluit dat het eerste middel niet ontvankelijk
niet gegrond is. 14 Wat het tweede middel betreft A.14.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 2.4.4.2
2.4.4.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek, van de artikelen 10, 11, 12, eerste
derde lid, 13, 22bis, 23, eerste lid
derde lid, 2°, in fine, 28, 32
191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3, 5, 6, 13
14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 4 van het Protocol nr. 4
met artikel 1 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1, A, punt 2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, met de artikelen 4.1, 4.4.1, 4.4.2, 4.6.1
4.6.3 van de bijlage bij het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee, met de artikelen 2
3 van het Internationaal Verdrag nopens de verstekelingen, met de Schengengrenscode, met artikel 3 van het Verdrag van 10 december 1984 tegen foltering
andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, met de artikelen 6
7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten, met het algemeen beginsel van non-refoulement, met het algemeen beginsel van rechtszekerheid, met de artikelen 3, 4, 4bis, 7, 8, 8bis, 8ter, 27, 28, 29, 48 tot 50, 61/14 tot 61/25, 70/1 tot 74
74/2 tot 74/4bis van de wet van 15 december 1980
met de artikelen 2
3 van de wet van 29 juli 1991 « betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen ». A.14.2. De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden bepalingen de maatregelen tot repatriëring van verstekelingen over zee niet met dezelfde waarborgen omringen als
de Raad van 16 december 2008 « over gemeenschappelijke normen
procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven »
bij de wet van 15 december 1980 (eerste onderdeel)
zijn eventuele vrees voor vervolging, door te geven. A.14.4. In een vierde onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat artikel 2.4.4.2, § 1, eerste lid,
artikel 2.4.4.3, § 1, van het Belgisch Scheepvaartwetboek in strijd zijn met de in het middel beoogde bepalingen in zoverre zij niet erin voorzien dat de Dienst Vreemdelingenzaken steeds wordt verwittigd van de aanwezigheid van buitenlandse verstekelingen aan boord van een schip dat een Belgische haven moet aanlopen of reeds heeft aangelopen, of van de aanwezigheid van verstekelingen aan boord van een Belgisch schip. Het Maritiem Informatiekruispunt (MIK) is niet bevoegd om de inachtneming van de grondrechten van die vreemdelingen op adequate wijze te onderzoeken. A.14.5. In een vijfde, zesde
zevende onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen het feit dat artikel 2.4.4.2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek voorziet in een optreden van de scheepvaartpolitie, in plaats van de Dienst Vreemdelingenzaken, terwijl de scheepvaartpolitie niet bevoegd is, noch gekwalificeerd om de inachtneming van de grondrechten van verstekelingen te onderzoeken. A.14.6. In een achtste onderdeel zijn de verzoekende partijen van mening dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met de referentienormen in zoverre zij niet bepalen
veertiende onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen de bestreden bepalingen in zoverre zij een verstekeling niet de mogelijkheid bieden om een beroep in te stellen tegen de beslissing waarbij een verbod tot ontschepen wordt opgelegd
, meer algemeen, tegen maatregelen, regels
verplichtingen die in die bepalingen worden beoogd. Daarnaast bekritiseren de verzoekende partijen het feit dat de bestreden bepalingen in geen
kele waarborg voorzien, onder meer op procedureel vlak, zoals het optreden van een advocaat
van een tolk. De verzoekende partijen hekelen overigens het feit dat de bestreden bepalingen geen
kele waarborg bevatten voor een formele motivering van de genomen beslissingen
maatregelen, in een taal die de vreemdeling beheerst. 15 A.14.8. De verzoekende partijen merken op dat het zeer moeilijk
zelfs onmogelijk is, voor verstekelingen, om schriftelijke verzoeken in te dienen bij de Belgische autoriteiten, hetgeen een schending vormt van artikel 28 van de Grondwet,
om toegang te hebben tot de bestuursdocumenten die rechtstreeks verband houden met hun lot, hetgeen een schending van artikel 32 van de Grondwet vormt. A.15.1. De tussenkomende partij, Myria, heeft in haar memorie van antwoord argumenten uiteengezet die zowel het eerste als het tweede middel betreffen. Die argumenten zijn weergegeven in A.12.1
volgende, waarnaar wordt verwezen. A.15.2. Ten aanzien van het tweede middel, eerste
tweede onderdeel, stelt Myria vast dat de Ministerraad erkent dat de Belgische Staat zijn soevereiniteit uitoefent over verstekelingen aanwezig in de Belgische havens, maar dat hij daaruit niet de nodige conclusies trekt. Het verschil in behandeling tussen verstekelingen aan boord van een schip
vliegtuigpassagiers kan volgens hem worden verantwoord door de fysieke afstand tussen de kade
de grenspost. Die verantwoording is echter niet pertinent
komt erop neer dat een rechteloze zone wordt gecreëerd. De aangeklaagde discriminatie is overigens een rechtstreeks gevolg van de bestreden bepalingen
niet van de Schengengrenscode, in het bijzonder van artikel 3.1.4 ervan. Die bepaling mag niet worden geïnterpreteerd als een verplichting, voor de Belgische Staat, om verstekelingen uit te sluiten van de procedurele waarborgen die gelden voor andere vreemdelingen aan wie de toegang tot het grondgebied wordt geweigerd. De Schengengrenscode moet ten uitvoer worden gelegd met inachtneming van de grondrechten, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement. Verschillende lidstaten van de Europese Unie geven overigens, met toepassing van die Code, aan verstekelingen een beslissing tot terugdrijving af. Het beginsel van de verantwoordelijkheid van de kapitein staat daaraan niet in de weg. Het beginsel van de verantwoordelijkheid van de vervoerder, om een verwijdering te verzekeren
om de kosten te dragen die worden veroorzaakt door een verstekeling die niet aan de verblijfsvoorwaarden voldoet, geldt ook voor vliegtuigpassagiers. Dat beginsel heeft nooit eraan in de weg gestaan dat vliegtuigpassagiers de procedurele waarborgen tegen een terugdrijving
een willekeurige gevangenhouding genieten. De uitsluiting van verstekelingen aan boord van een schip van de procedurele waarborgen is dus een gevolg van een keuze van de Belgische wetgever
wordt hem niet opgelegd door het Europese recht. Het verschil in behandeling tussen verstekelingen aan boord van een schip
vliegtuigpassagiers is discriminerend, doordat het niet objectief
redelijk verantwoord is. A.16.1. De Ministerraad preciseert, ten aanzien van het eerste onderdeel, dat een Belgische haven moet worden beschouwd als een buitengrens. De nationale
Europese regels inzake toegang tot het grondgebied moeten worden toegepast op iedere vreemdeling die zich aan een buitengrens meldt, met inbegrip van verstekelingen
/of vreemdelingen die zich aan boord van een schip bevinden. De verzoekende partijen tonen niet aan in welk opzicht de bestreden bepalingen zouden leiden tot een verschil in behandeling. Niets belet een verstekeling om, bijvoorbeeld, een verzoek om internationale bescherming in te dienen. A.16.2. Ten aanzien van het tweede onderdeel preciseert de Ministerraad dat, indien een verwijdering moet plaatsvinden door de lucht, maatregelen worden genomen in overeenstemming met de gemeenschappelijke richtlijnen van de beschikking 2004/573/EG. De bestreden bepalingen zijn niet ongrondwettig om de
ige reden dat er geen soortgelijke beschikking voor verstekelingen bestaat. De verzoekende partijen weten overigens niet of verstekelingen daadwerkelijk onderworpen zijn aan dwingende verdragsbepalingen die voldoende waarborgen bieden. Zij tonen niet aan in welk opzicht de referentienormen geschonden zouden zijn. A.16.3. Ten aanzien van het derde onderdeel doet de Ministerraad gelden dat, overeenkomstig artikel 2.4.4.1, § 2, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, verstekelingen aan boord van Belgische schepen of van buitenlandse schepen in Belgische wateren met het nodige respect worden behandeld, overeenkomstig het toepasselijke internationale recht. Paragraaf 1 van de bestreden bepaling moet ook in die zin worden geïnterpreteerd. De mogelijke verplichting om de erin beoogde inlichtingen te verstrekken, is geenszins uitgesloten. Geen
kele van de betwiste bepalingen verbiedt de gezagvoerder van het schip om alle inlichtingen in verband met de persoon van de verstekeling te verzamelen
door te geven. Hij is daartoe zelfs wettelijk verplicht. Wanneer de verstekeling een vluchteling is, heeft bovendien het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen volkomen uitwerking. De interpretatie die de verzoekende partijen aan de bestreden bepalingen geven, is niet plausibel. A.16.4. Ten aanzien van het vierde onderdeel geeft de Ministerraad aan dat uit de memorie van toelichting blijkt dat de Dienst Vreemdelingenzaken onverwijld zal worden geïnformeerd over de aanwezigheid van verstekelingen. Het is juist dat het Maritiem Informatiekruispunt (MIK) niet bevoegd is om de behoeften
de 16 inachtneming van de grondrechten van verstekelingen op adequate wijze te onderzoeken,
het zal dat overigens niet doen. Het verzekert uitsluitend dat de pertinente informatie aan de bevoegde diensten wordt doorgegeven. A.16.5. Met betrekking tot het vijfde, zesde
zevende onderdeel geeft de Ministerraad aan dat de bestreden bepalingen de bevoegdheden van de scheepvaartpolitie om een controle aan de maritieme buitengrenzen uit te oefenen, bevestigen. De Dienst Vreemdelingenzaken zal volledig worden ingelicht over de aanwezigheid van verstekelingen wanneer een dergelijke situatie zich voordoet. De verzoekende partijen bewijzen niet het tegendeel. A.16.6. De Ministerraad herhaalt, wat het achtste onderdeel betreft, dat een verstekeling zich in een specifieke situatie bevindt, namelijk aan boord van een schip aan een buitengrens van de Belgische Staat, onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder. Schepen in Belgische havens bevinden zich gemakkelijk op verschillende kilometers van een grenspost. De havens hebben geen transitzone. Die situatie rechtvaardigt een ongelijke behandeling. De verzoekende partijen tonen niet aan in welk opzicht de referentienormen geschonden zouden zijn. Vervolgens blijkt uit de bepalingen van de Schengengrenscode
van de wet van 15 december 1980 dat de nationale
Europese regels inzake toegang tot het grondgebied van toepassing zijn op iedere vreemdeling die zich aan een buitengrens meldt,
dat grenscontroles plaatsvinden in het belang van alle lidstaten. De verplichtingen van de autoriteiten die instaan voor de grenscontrole zijn niet ondergeschikt aan het feit dat de vreemdeling zich op eigen initiatief aan een grensdoorlaatpost meldt, noch door een uitdrukkelijk verzoek om het grondgebied te betreden. Bijlage VI van de Schengengrenscode houdt verband met de manier waarop de controles moeten plaatsvinden. Dat belet niet de toepassing van de algemene bepalingen van die Code, indien bijlage VI daar niet van afwijkt. A.16.7. Ten aanzien van het negende
het tiende onderdeel preciseert de Ministerraad dat, op basis van een bestaande praktijk, die niet werd gewijzigd door de bestreden bepalingen, het verbod tot ontschepen inderdaad door de scheepvaartpolitie wordt genotificeerd aan de gezagvoerder van het schip omdat deze verantwoordelijk is voor de verstekeling. Het is de concretisering van een administratieve maatregel van zeevaartpolitie waarvan de aard geen beroep toelaat. Het feit dat de verstekeling onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder blijft, impliceert ook dat die laatste de nodige maatregelen moet nemen opdat de verstekeling niet op de vlucht slaat
daadwerkelijk aan de controles van de bevoegde autoriteiten wordt onderworpen. Het aan de gezagvoerder genotificeerde verbod tot ontscheping is ook een maatregel van zeevaartpolitie die is genomen wegens de verplichting om de verstekeling onder de verantwoordelijkheid van die laatste te houden. Ten slotte moet iedere verstekeling met het grootst mogelijke respect worden behandeld, overeenkomstig het toepasselijke internationale recht. A.16.8. Ten aanzien van het elfde, twaalfde, dertiende
veertiende onderdeel voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de bestreden bepalingen geen
kele procedurele waarborg, zoals de bijstand van een advocaat of van een tolk, bieden. De bestreden bepalingen, die passen in een maritieme context, beletten niet de toepassing van andere regelgevingen. In werkelijkheid kunnen verstekelingen de bijstand van een advocaat
van een tolk genieten indien zij daarom verzoeken
hebben zij automatisch recht op die bijstand wanneer zij onder het toepassingsgebied van de wet van 15 december 1980 vallen. A.16.9. De Ministerraad besluit dat het tweede middel niet ontvankelijk
niet gegrond is. A.
kele waarborg voor de inachtneming van de grondrechten zou bieden. De kritiek van Myria moet worden verworpen omdat het gaat om een beleidskritiek waarvan het Hof niet vermag kennis te nemen. Hij houdt staande dat het middel niet ontvankelijk
niet gegrond is. Wat het derde middel betreft A.19. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending, door artikel 2.1.1.3, § 2, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, van de artikelen 10, 11, 23
191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 33, 36, 37, 105
108 van de Grondwet, met het algemene beginsel van rechtszekerheid
met het algemene beginsel van de scheiding der machten, in zoverre het de Koning machtigt om de begrippen 17 « verstekeling »
« passagier of opvarende » « nader of, waar noodzakelijk met het oog op de toepassing van aangeduide bepalingen, afwijkend [te] omschrijven » (eerste onderdeel)
in zoverre het de Koning machtigt om de bepalingen van boek 2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek, voor « aangeduide bijzondere […] verstekelingen, passagiers of opvarenden » buiten toepassing te verklaren (tweede onderdeel). Ook al is het niet uitgesloten dat de wetgever een beperkte uitvoeringsbevoegdheid toekent aan de Koning, is een delegatie slechts in overeenstemming met het wettigheidsbeginsel indien de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven
betrekking heeft op de uitvoering van maatregelen waarvan de essentiële elementen door de wetgever zijn vastgesteld. De te ruime machtiging die bij de bestreden bepaling aan de Koning wordt verleend, staat Hem in werkelijkheid toe de reeds povere waarborgen die de wet aan buitenlandse verstekelingen biedt, te schrappen. A.20.1. De Ministerraad preciseert dat de bestreden bepaling een zekere flexibiliteit invoert. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft geen advies over de bepaling verstrekt. Een machtiging aan de uitvoerende macht in een aangelegenheid die de Grondwet niet aan de wetgever voorbehoudt, is niet ongrondwettig. Het Hof is niet bevoegd om een bepaling af te keuren die de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende
de uitvoerende macht zou schenden, tenzij de bevoegdheidverdelende regels worden geschonden
wanneer de wetgever een categorie van personen het bij de Grondwet vastgelegde optreden van een democratisch verkozen vergadering ontzegt, wat te dezen niet het geval is. A.20.2. De Ministerraad wijst erop dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de machtiging aan de Koning niet voldoende nauwkeurig is omschreven, noch dat zij geen betrekking heeft op de uitvoering van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgesteld. De bepalingen van boek 2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek
de definities zijn daarentegen door de wetgever zelf vastgesteld,
de Koning wordt
kel gemachtigd om afwijkende toepassingsgevallen te bepalen. Ten slotte dient te worden aangenomen dat de wetgever de Koning
kel heeft gemachtigd om Zijn uitvoeringsbevoegdheid aan te wenden in overeenstemming met de artikelen 10
11 van de Grondwet, hetgeen de bevoegde rechter moet verifiëren. Louter het feit dat de Koning kan bepalen in welke gevallen afwijkende omschrijvingen kunnen worden gegeven aan de begrippen « verstekelingen, passagiers of opvarenden »
in welke gevallen bepaalde artikelen van boek 2 voor die personen buiten toepassing zouden worden verklaard, laat niet toe te besluiten tot een schending van de artikelen 10
11 van de Grondwet. A.20.3. De Ministerraad besluit dat het middel niet ontvankelijk
niet gegrond is. A.21. In zijn memorie van wederantwoord stelt de Ministerraad vast dat de verzoekende partijen nog steeds niet aantonen dat de aan de Koning verleende machtiging niet nauwkeurig zou zijn omschreven, noch dat zij geen betrekking zou hebben op de uitvoering van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgesteld. De Ministerraad houdt staande dat het middel niet ontvankelijk
niet gegrond is. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen
de context ervan B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 2.1.1.3, § 1, 7°, 8°
9°,
, van artikel 2.4.4.1, § 2, van artikel 2.4.4.2
van artikel 2.4.4.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek, dat werd ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2019 « tot invoering van het Belgisch Scheepvaartwetboek ». B.2.1. Artikel 2.1.1.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek bepaalt : 18 « [§ 1.] In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4
, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder : […] 7° ‘ verstekeling ’ : elke persoon die zich zonder toelating van de gezagvoerder aan boord van een zeeschip bevindt; 8° ‘ passagier ’ : elke persoon die zich aan boord van een zeeschip bevindt zonder schepeling of verstekeling te zijn; 9° ‘ opvarende ’ : elke schepeling, elke passagier
elke verstekeling; […] §
artikel 2.4.4.3, met als opschrift « Verstekelingen aan boord van Belgische schepen » zijn opgenomen in hoofdstuk 4 (« Verstekelingen ») van titel 4 (« Opvarenden ») van boek 2 (« Zeevaart ») van het Belgisch Scheepvaartwetboek. Artikel 2.4.4.1 van het Belgisch Scheepvaartwetboek bepaalt : « §
de fundamentele rechten. De veiligheid van het schip
de veiligheid
het welzijn van de verstekeling moet in overweging worden genomen bij de behandeling van verstekelingen ». 19 Artikel 2.4.4.2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek luidt : « § 1. Onverminderd de bepalingen in het derde lid, verwittigt de gezagvoerder, indien één of meer verstekelingen worden ontdekt aan boord van een schip dat op weg is naar een Belgische haven, het MIK. De gezagvoerder maakt voor elke verstekeling alle inlichtingen
documenten over die nuttig zijn voor de uitvoering van de opdrachten van de Scheepvaartpolitie. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de termijn waarin de informatie, de inlichtingen
de documenten bedoeld in deze paragraaf,
de documenten die eventueel in het bezit zijn van de verstekeling, moeten worden doorgestuurd evenals de modaliteiten van het doorsturen. § 2. Het is de verstekeling verboden om het schip te verlaten zonder voorafgaandelijke toelating door de Scheepvaartpolitie. Zodra het schip aankomt in de haven, notificeert de Scheepvaartpolitie het verbod tot ontschepen bedoeld in het eerste lid aan de gezagvoerder
informeert hem van de rechten
plichten bedoeld in artikel 2.4.4.1
in dit artikel. De gezagvoerder neemt alle nodige maatregelen om te vermijden dat de verstekeling op Belgisch grondgebied het schip verlaat zonder toelating van de Scheepvaartpolitie. § 3. Een verstekeling aangekomen via een schip blijft onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder. De Scheepvaartpolitie kan toelaten om de verstekeling te ontschepen met het oog op zijn verwijdering, indien : 1° de verstekeling in het bezit is van de nodige reisdocumenten voor verwijdering indien de reder hiertoe alle nodige maatregelen heeft genomen, overeenkomstig paragraaf 4; 2° de reder het bewijs levert dat deze reisdocumenten nodig voor de verwijdering van de verstekeling alsook de maatregelen hiertoe binnen de kortst mogelijke termijn worden bekomen
vervuld, overeenkomstig paragraaf
te organiseren
de nodige documenten daartoe te bekomen. De reder meldt onverwijld aan de Scheepvaartpolitie de maatregelen die zullen worden genomen
hun uitvoering. § 5. In geval de verplichtingen bedoeld in de paragrafen 2
4 niet worden nageleefd of indien de Scheepvaartpolitie van oordeel is dat de genomen maatregelen niet voldoende zijn om de verwijdering van de verstekeling te waarborgen, kan de Scheepvaartpolitie : 1° de gezagvoerder van het zeeschip verplichten de verstekeling te vervoeren naar het land waar ingescheept werd of naar een ander land waar de verstekeling toegelaten kan worden; 2° de verstekeling via andere middelen verwijderen naar het land waar ingescheept werd of naar elk land waar de verstekeling toegelaten kan worden; 3° het vertrek van het schip of van een ander schip van dezelfde reder uitstellen, totdat de verstekeling verwijderd is ». Artikel 2.4.4.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek bepaalt : « §
geeft hem de mogelijkheid om bezwaar tegen het ontschepen in deze haven in te dienen. Indien de verstekeling bezwaren heeft ingediend tegen het ontschepen in deze haven, wordt hij ontscheept in een haven waar dit mogelijk is, onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 2.4.4.
Europese normen tal van bijkomende wetten tot stand werden gebracht » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3536/004, p. 4). De wetgever heeft derhalve zoveel mogelijk verwezen naar de geldende relevante internationale verdragen, waarvan de basisregels werden opgenomen in het Wetboek (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3536/001, pp. 12-14). Slechts een beperkt aantal wetten, zoals het Tucht-
Strafwetboek voor de koopvaardij
de zeevisserij uit 1928, vergden een grondige inhoudelijke actualisering (ibid., p. 13). Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.5. De Grondwet
de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks
ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.6. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is
, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. 22 B.7. De eerste verzoekende partij, de vzw « Ligue des droits humains », heeft als statutair doel onrecht
elke willekeurige inbreuk op de rechten van een individu of een gemeenschap te bestrijden
de beginselen van gelijkheid, vrijheid, solidariteit
humanisme, die onder meer zijn vastgelegd in de Belgische Grondwet
in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, te verdedigen. Hoewel het ruim geformuleerd is, kan het statutair doel van de eerste verzoekende partij worden beschouwd als onderscheiden van het algemeen belang in zoverre het de verdediging van de mensenrechten beoogt in specifieke toepassingsgebieden van het politieke beleid. De bestreden bepalingen kunnen overigens, doordat zij van toepassing zijn op een categorie van kwetsbare personen, namelijk de verstekelingen op een schip, het statutair doel van de eerste verzoekende partij, dat daadwerkelijk wordt nagestreefd, raken. In zoverre de Ministerraad aanvoert dat de verzoekende partijen geen
kel voordeel zouden halen uit een vernietiging van de bestreden bepalingen omdat die niet zouden raken aan de procedure die in de praktijk wordt gevolgd wanneer een verstekeling wordt ontdekt aan boord van een schip, volstaat de vaststelling dat, in geval van een vernietiging, opnieuw een kans zou bestaan dat de wetgever bepalingen aanneemt die gunstiger zijn voor de collectieve belangen die zij verdedigen. B.
de strijd tegen de mensenhandel (hierna : Myria) om tussen te komen, door aan te voeren dat de bevoegdheid 23 van Myria om een rechtsvordering in te stellen beperkt is tot de gevallen die zijn opgesomd in de wet van 15 februari 1993 « tot oprichting van een federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen
de strijd tegen de mensenhandel » (hierna : de wet van 15 februari 1993). B.10.1. Krachtens artikel 2 van de wet van 15 februari 1993 heeft Myria, « binnen de grenzen van de federale bevoegdheden, tot opdracht te waken over het respect van de grondrechten van de vreemdelingen
de overheid te informeren over de aard
de grootte van de migratiestromen ». Myria voert haar opdrachten uit « in een geest van dialoog
overleg met alle overheidsactoren
private actoren die betrokken zijn bij het opvang-
integratiebeleid van de immigranten »
« heeft, binnen de grenzen van de federale bevoegdheden, eveneens de opdracht de bestrijding van de mensenhandel
de mensensmokkel te stimuleren ». B.10.2. Artikel 3, tweede lid, 5°, van dezelfde wet machtigt Myria om in rechte op te treden binnen de grenzen van haar opdrachten gedefinieerd in artikel 2, in alle rechtsgeschillen die voortvloeien uit de toepassing van de wet van 13 april 1995 « houdende bepalingen tot bestrijding van de mensenhandel
van de mensensmokkel »
van de wet van 11 februari 2013 « tot vaststelling van sancties
maatregelen voor werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen ». B.
derde lid, 13, 22bis, 23, eerste lid
derde lid, 2°, in fine,
191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met : - de artikelen 2, 3, 5, 6, 13
14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, - artikel 4 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, - artikel 1 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, - artikel 1, A, punt 2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna : het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen), - de artikelen 4.1, 4.4.1, 4.4.2, 4.6.1
4.6.3 van de bijlage bij het Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee (FAL-Verdrag), ondertekend te Londen op 9 april 1965 (hierna : het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee), - de artikelen 2
3 van het Internationaal Verdrag nopens de verstekelingen, ondertekend te Brussel op 10 oktober 1957, 25 - de verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement
de Raad van 9 maart 2016 « betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) » (hierna : de Schengengrenscode), - artikel 3 van het Verdrag van 10 december 1984 tegen foltering
andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, - de artikelen 6
7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
politieke rechten, - het algemeen beginsel van non-refoulement, - het algemeen beginsel van rechtszekerheid
- de artikelen 3, 4, 4bis, 7, 8, 8bis, 8ter, 27, 28, 29, 48 tot 50, 61/14 tot 61/25, 70/1 tot 74
74/2 tot 74/4bis van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging
de verwijdering van vreemdelingen ». B.15. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van dezelfde bepalingen
algemene beginselen, maar daarnaast ook uit de schending van de artikelen 28
30 van de Grondwet
van de artikelen 2
3 van de wet van 29 juli 1991 « betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen ». B.16.1. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet
artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen
de gewesten
wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen
hun rechten »)
van de artikelen 143, § 1, 170, 172
191 van de Grondwet. 26 B.16.2. Het Hof is in beginsel niet bevoegd om een wetsbepaling te toetsen aan een andere wetsbepaling die geen bevoegdheidverdelende regel is, ongeacht of die laatste wetsbepaling al dan niet in samenhang wordt gelezen met de artikelen 10
11 van de Grondwet. B.16.3. Het Internationaal Verdrag nopens de verstekelingen, ondertekend te Brussel op 10 oktober 1957, is niet in werking getreden, zodat een schending van de bepalingen ervan, zelfs in samenhang gelezen met bepalingen waaraan het Hof vermag te toetsen, niet voor het Hof kan worden aangevoerd. Het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee is weliswaar in werking getreden op internationaal niveau, maar zonder dat het nodig is na te gaan of dat Verdrag instemming behoeft overeenkomstig de Grondwet, doen de verzoekende partijen geen
kel argument gelden dat verband houdt met een beweerde schending van dat Verdrag. B.16.4. Voorts doet de procedure inzake behandeling van verstekelingen waarin de bestreden bepalingen voorzien, zelfs in zoverre zij betrekking heeft op de toegang van vreemdelingen tot het grondgebied, geen betwistingen ontstaan over burgerlijke rechten
verplichtingen, noch een strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het middel is niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van die verdragsbepaling. B.
inzonderheid rekening houdend met de uiteenzetting van de middelen. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen waartegen daadwerkelijk grieven zijn aangevoerd. B.19.2. Uit het verzoekschrift blijkt dat de kritiek van de verzoekende partijen gericht is tegen artikel 2.1.1.3, § 2, artikel 2.4.4.2
artikel 2.4.4.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek. Er wordt daarentegen geen kritiek gericht tegen artikel 2.1.1.3, § 1, 7° tot 9°,
artikel 2.4.4.1, § 2, die overigens niet onlosmakelijk verbonden zijn met de voormelde artikelen 2.1.1.3, § 2, 2.4.4.2
2.4.4.
artikel 2.4.4.
daarin nieuwe middelen te formuleren. Een dergelijke tussenkomst vermag evenwel niet het beroep te wijzigen of uit te breiden. Het verzoek van de Ministerraad om het beroep uit te breiden tot artikel 26 van de wet van 8 mei 2019 « tot invoering van het Belgisch Scheepvaartwetboek » is niet ontvankelijk. 28 Ten gronde Wat betreft de gelijke behandeling van verstekelingen (eerste tot vijfde onderdeel van het eerste middel) B.20. In het eerste tot vijfde onderdeel van het eerste middel, bekritiseren de verzoekende partijen
Myria het feit dat de bestreden bepalingen alle verstekelingen op identieke wijze behandelen, te weten
buitenlandse verstekelingen,
verstekelingen die niet zijn toegelaten of gemachtigd tot verblijf,
verstekelingen die geen internationale bescherming aanvragen,
meerderjarige verstekelingen,
ten slotte
verstekelingen die in goede gezondheid verkeren. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat de nationale verstekelingen, de verstekelingen die zijn toegelaten of gemachtigd tot verblijf in België, de verstekelingen die verzoeken om internationale bescherming, de minderjarige verstekelingen
de verstekelingen die ernstig ziek zijn, niet aan boord van het schip kunnen worden gehouden, maar zouden moeten worden ontscheept
ten laste genomen door de Belgische Staat. B.21.
Coördinatiecentrum - de « Kustwachtcentrale » vormt, die werd opgericht bij 29 artikel 32 van het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat
het Vlaamse Gewest van 8 juli 2005 betreffende de oprichting van
de samenwerking in een structuur kustwacht. B.21.3.2. De gezagvoerder moet voor elke verstekeling alle inlichtingen
documenten die nuttig zijn voor de uitvoering van de opdrachten van de scheepvaartpolitie (artikel 2.4.4.2, § 1, tweede lid) - die de Belgische autoriteit is die instaat voor de controle van de zeegrenzen -, aan het MIK bezorgen. Het MIK zorgt voor de verdere verspreiding van de informatie onder de Belgische overheden, zoals de scheepvaartpolitie
de Dienst Vreemdelingenzaken (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3536/001, p. 290). B.21.4. In een tweede fase, zodra het schip in de haven is aangekomen, notificeert de scheepvaartpolitie aan de gezagvoerder een verbod tot ontschepen van de verstekelingen. Zij informeert de gezagvoerder eveneens over de rechten
plichten bedoeld in artikel 2.4.4.1
in artikel 2.4.4.2, § 2, van het Belgisch Scheepvaartwetboek (artikel 2.4.4.2, § 2). Ten eerste gaat het om het verbod om verstekelingen aangetroffen aan boord van Belgische schepen tewerk te stellen, tenzij in noodgevallen of voor taken die te maken hebben met het onderhoud van hun accommodatie of hun bevoorrading aan boord (artikel 2.4.4.1, § 1). Ten tweede gaat het om de verplichting om verstekelingen aan boord van een Belgisch schip of een buitenlands schip in Belgische wateren « met het nodige respect [te behandelen] overeenkomstig het toepasselijke internationale recht, waaronder het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend op 28 juli 1951, te Genève, de verplichtingen betreffende het verzoek tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement
de fundamentele rechten. De veiligheid van het schip
de veiligheid
het welzijn van de verstekeling moet[
] in overweging worden genomen bij de behandeling van verstekelingen » (artikel 2.4.4.1, § 2). B.21.5. De verstekelingen blijven echter onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder zolang zij niet zijn ontscheept (artikel 2.4.4.2, § 3, eerste lid). 30 Die verplichting volgt eveneens uit artikel 19
uit punt 3.1.4 van bijlage VI (« Specifieke voorschriften voor de verschillende soorten grenzen
de verschillende vervoermiddelen die voor de overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten worden gebruikt ») van de Schengengrenscode. Artikel 19 van de Schengengrenscode bepaalt : « De specifieke voorschriften in bijlage VI zijn van toepassing op de controles met betrekking tot de verschillende soorten grenzen
de verschillende vervoermiddelen die worden gebruikt om de buitengrenzen te overschrijden. Die specifieke voorschriften kunnen afwijken van de bepalingen van de artikelen 5
6
de artikelen 8 tot
met 14 ». Punt 3.1.4 van bijlage VI van dezelfde Code bepaalt : « De gezagvoerder meldt alle wijzigingen met betrekking tot de samenstelling van de bemanning of het aantal passagiers onverwijld bij de bevoegde autoriteit. Voorts meldt de gezagvoerder onverwijld,
binnen de in punt 3.1.2 vastgestelde termijn, de aanwezigheid van verstekelingen bij de bevoegde autoriteiten. De verstekelingen blijven evenwel onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder. In afwijking van de artikelen 5
8 worden personen aan boord niet aan stelselmatige grenscontroles onderworpen. Dit belet niet dat de grenswachters een doorzoeking van het schip
een controle van de personen aan boord kunnen verrichten, evenwel uitsluitend indien dat gerechtvaardigd is op basis van een beoordeling van het binnenlandseveiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie ». B.21.6.1. Artikel 2.4.4.2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek voorziet in slechts één geval waarin de ontscheping van verstekelingen door de scheepvaartpolitie kan worden toegelaten, namelijk dat van de verwijdering van verstekelingen. In dat geval zijn de verstekelingen ofwel in het bezit van de nodige reisdocumenten voor verwijdering
neemt de reder hiertoe alle nodige maatregelen, overeenkomstig paragraaf 4 van artikel 2.4.4.2 (artikel 2.4.4.2, § 3, 1°), ofwel levert de reder het bewijs dat de reisdocumenten nodig voor de verwijdering van de verstekelingen worden verkregen
dat de maatregelen hiertoe binnen de kortst mogelijke termijn worden genomen, overeenkomstig paragraaf 4 van artikel 2.4.4.2 (artikel 2.4.4.2, § 3, 2°). 31 Krachtens paragraaf 4, eerste lid, van artikel 2.4.4.2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek, moet de reder van het schip aan boord waarvan de verstekeling in een Belgische haven is gearriveerd, alle maatregelen nemen om de verstekeling te verwijderen naar het land waar deze ingescheept werd of naar een ander land waar de verstekeling toegelaten kan worden. B.21.6.2. De scheepvaartpolitie kan eveneens toelaten om de verstekelingen te ontschepen indien een verwijdering met hetzelfde schip niet aangewezen of verhinderd is. B.21.6.3. Die hypothesen steunen op de normen 4.9.1
4.9.2 van de bijlage bij het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee. B.21.6.
de reder, onverminderd hun recht die kosten te verhalen op de Staat waarvan de verstekeling een onderdaan is (artikel 2.4.4.4). B.22. Het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust
het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel
de gevolgen van de betwiste maatregel
met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen
het beoogde doel. 32 B.23.1. De Ministerraad geeft in zijn memorie aan dat de maatregelen die zijn genomen om verstekelingen aan boord van het schip te houden onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder, tot doel hebben de veiligheid van het schip
het welzijn van de verstekelingen te verzekeren. B.23.2. Die doelstellingen zijn geformuleerd in artikel 2.4.4.1, § 2, laatste zin, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, dat bepaalt : « De veiligheid van het schip
de veiligheid
het welzijn van de verstekeling moet in overweging worden genomen bij de behandeling van verstekelingen ». Dat artikel is een overname van norm 4.4.1 van hoofdstuk 4 van de bijlage bij het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee, die bepaalt : « Verstekelingen worden behandeld in overeenstemming met humanitaire beginselen, met inbegrip van die genoemd in norm 4.1. Er moet naar behoren rekening worden gehouden met de operationele veiligheid van het schip
de veiligheid
het welzijn van de verstekeling ». De verklarende handleiding bij het Internationaal Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee preciseert : « Wanneer men verstekelingen ontdekt aan boord van een schip, moet de bemanning ze met respect behandelen
in overeenstemming met de regels
principes van het internationaal humanitair recht. Hoewel het daarbij gaat om een fundamenteel principe, moeten de kapitein
de bemanningsleden ook zorgen voor de veiligheid van het schip, van de bemanning ervan
, indien mogelijk, van de lading ». De parlementaire voorbereiding van de wet van 8 mei 2019 vermeldt : « Het behandelen van verstekelingen aan boord van schepen moet te allen tijde in overeenstemming zijn met het internationale recht rekening houdend met de specifieke omstandigheden aan boord van een schip, in het bijzonder de veiligheid
de beveiliging » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3536/001, pp. 289-290). B.24. De in B.20 vermelde categorieën van personen hebben met elkaar gemeenschappelijk dat ze zich als verstekelingen aan boord bevinden van een zeeschip zonder toelating van de gezagvoerder. 33 Wanneer een zeeschip in een Belgische haven aanmeert, blijft de gezagvoerder overeenkomstig de Schengengrenscode
artikel 2.4.4.2, § 3, eerste lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek voor hen verantwoordelijk
moet hij hun veiligheid
beveiliging waarborgen, zodat het redelijk verantwoord is dat de verstekelingen onder zijn toezicht blijven
dus niet worden ontscheept. B.25. Zoals de Ministerraad voorts aanvoert, moet het algemeen verbod van ontscheping
het aan boord houden van een verstekeling de bevoegde Belgische autoriteiten ook toelaten de controle aan de buitengrenzen in de zin van Schengengrenscode uit te oefenen
een illegale toegang tot het Belgische grondgebied te vermijden. In de Schengengrenscode, die meer bepaald de regels vaststelt die van toepassing zijn op het grenstoezicht ten aanzien van personen die de buitengrenzen van de lidstaten van de Unie overschrijden, worden de zeehavens als een « buitengrens » van de Europese Unie beschouwd (artikel 1, tweede alinea,
artikel 2, punt 2)). Krachtens artikel 15 van de Schengengrenscode moeten de lidstaten van de Europese Unie voldoende, gekwalificeerd personeel
voldoende, passende middelen inzetten om het toezicht aan hun buitengrenzen uit te oefenen, teneinde een efficiënt, hoog
eenvormig niveau van toezicht aan hun buitengrenzen te waarborgen. Artikel 14 van dezelfde Code bepaalt dat de toegang tot het grondgebied van de lidstaten wordt geweigerd aan een onderdaan van een derde land die niet aan alle bij dezelfde Code vastgestelde toegangsvoorwaarden voldoet. B.26. Het aan boord houden van een verstekeling op een schip in een Belgische haven
het algemene verbod van ontscheping van verstekelingen zijn pertinente maatregelen om die doelstellingen te bereiken. B.27. Het Hof dient nog na te gaan of die maatregelen evenredig zijn ten opzichte van die doelstellingen, in zoverre zij zonder onderscheid van toepassing zijn op nationale
buitenlandse verstekelingen, op verstekelingen die zijn toegelaten of gemachtigd tot verblijf
verstekelingen die niet daartoe zijn toegelaten of gemachtigd, op verstekelingen die om internationale bescherming verzoeken
verstekelingen die geen internationale bescherming aanvragen, op minderjarige
meerderjarige verstekelingen,
op verstekelingen die ernstig ziek zijn dan wel in goede gezondheid verkeren. 34 B.
de vreemdelingen die zijn gemachtigd of toegelaten tot verblijf in België, die zouden proberen om het nationale grondgebied te betreden als verstekeling op een schip, tonen de verzoekende partijen evenwel niet aan hoe artikel 2.4.4.2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek zou kunnen beletten dat de Belgische Staat toegang tot het grondgebied verleent aan zijn eigen nationale onderdanen of aan de personen die zijn gemachtigd of toegelaten tot verblijf in België. B.29.
de wetgeving betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging
de verwijdering van vreemdelingen, merkt de af
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.