id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.076 Arrest- Rolnummer: 76/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 638 - laatst gezien 2026-06-14 19:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de wet van 14 november 2019 « tot wijziging van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de afschaffing van de verjaring van ernstige seksuele misdrijven op minderjarigen betreft » en de wet van 5 december 2019 « tot wijziging van artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering », ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains » en de vzw « Association Syndicale des Magistrats ». Strafrecht - Strafrechtspleging - Verjaring - Afschaffing van de verjaring - Ernstige seksuele misdrijven op minderjarigen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 76/2022 van 9 juni 2022 Rolnummer : 7404 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 14 november 2019 « tot wijziging van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de afschaffing van de verjaring van ernstige seksuele misdrijven op minderjarigen betreft » en de wet van 5 december 2019 « tot wijziging van artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering », ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains » en de vzw « Association Syndicale des Magistrats ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 juni 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 juni 2020, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 14 november 2019 « tot wijziging van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de afschaffing van de verjaring van ernstige seksuele misdrijven op minderjarigen betreft » en de wet van 5 december 2019 « tot wijziging van artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 december 2019) door de vzw « Ligue des droits humains » en de vzw « Association Syndicale des Magistrats », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Verhoustraeten, advocaat bij de balie te Brussel. Memories zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré, Mr. E. de Lophem, Mr. M. Chomé en Mr. C. Nennen, advocaten bij de balie te Brussel; 2 - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Roets, Mr. E. Cloots en Mr. S. Sottiaux, advocaten bij de balie van Antwerpen. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. De Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 16 februari 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Bribosia en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 9 maart 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 9 maart 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de bestreden wetten A.1.1. De vzw « Ligue des droits humains » en de vzw «Association Syndicale des Magistrats » (hierna : de verzoekende partijen) stellen een beroep in tot vernietiging van twee wetten betreffende de regeling inzake de verjaring van seksuele misdrijven op minderjarigen, namelijk de wet van 14 november 2019 « tot wijziging van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de afschaffing van de verjaring van ernstige seksuele misdrijven op minderjarigen betreft » (hierna : de wet van 14 november 2019) en de wet van 5 december 2019 « tot wijziging van artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering » (hierna : de wet van 5 december 2019). A.1.2. De verzoekende partijen herinneren eraan dat, vóór de inwerkingtreding van de bestreden wetten, de verjaring van de seksuele misdrijven op minderjarigen geregeld was bij de artikelen 21 en 21bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Die regeling steunde op de aard van het misdrijf. Aldus gingen verscheidene misdrijven gepaard met bijzondere verjaringstermijnen wegens het onderwerp en de ernst ervan. De verjaring van de seksuele misdrijven op minderjarigen bedroeg 15 jaar, of 20 jaar indien het misdrijf de dood tot gevolg had, en kon niet worden verminderd. Bovendien ging die termijn in op de dag dat het slachtoffer meerderjarig werd of op de dag dat het jongste slachtoffer meerderjarig werd in geval van een collectief misdrijf. De bestreden wet van 14 november 2019 maakt alle seksuele misdrijven op minderjarigen onverjaarbaar, ongeacht de aard en de ernst ervan. De wet van 5 december 2019, die eveneens wordt bestreden, heeft tot doel in de hiervoor vermelde wet een vergissing recht te zetten, met betrekking tot de aanranding van de eerbaarheid of de verkrachting met de dood tot gevolg, die tegen de wil van de wetgever zou zijn onderworpen aan een verjaringstermijn van 10 jaar. De verzoekende partijen merken op dat, daar de inwerkingtreding van de wet van 14 november 2019 is bepaald op 30 december 2019, de regeling van de onverjaarbaarheid de facto van toepassing zal zijn op feiten die lang vóór die datum zijn gepleegd, hetgeen een aanzienlijke retroactiviteit met zich zal meebrengen. A.2. De Vlaamse Regering verantwoordt haar tussenkomst in de rechtspleging door het feit dat de bestreden wetten een weerslag hebben op talrijke diensten die door de Vlaamse Gemeenschap worden georganiseerd, met 3 name inzake de bijstand aan kinderen. Het staat vast dat kinderen die het slachtoffer zijn geweest van seksuele misdrijven gedurende lange tijd talrijke trauma’s blijven hebben en dus mogelijk worden geconfronteerd met psychologische problemen waarvoor zij hulp kunnen zoeken bij de diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.3. De verzoekende partijen voeren aan dat zij beide doen blijken van een belang bij het beroep. De vzw « Ligues des droits humains » steunt haar belang op haar statutair doel, dat de bestrijding van onrecht omvat. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » verwijst van haar kant naar haar opdracht die bestaat in het bevorderen en verbeteren van de werking van het gerechtelijk instituut. Het Hof heeft het belang van die beide vzw’s om in rechte te treden overigens reeds erkend in andere procedures, met name in het kader van het arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017. A.4. Het belang om in rechte te treden, wordt niet betwist door de Ministerraad, noch door de Vlaamse Regering. Ten gronde Wat het eerste middel betreft A.5.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door de bestreden wetten, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij voeren aan dat de afwezigheid van elke verjaring leidt tot een schending van het recht op een eerlijk proces en een dubbel verschil in behandeling veroorzaakt, ten aanzien van de misdrijven en de slachtoffers. A.5.2. Ten aanzien van een dader van een misdrijf heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens reeds geoordeeld dat de ontstentenis van een verjaring in strijd was met artikel 6 van het Verdrag (EHRM, 9 januari 2013, Oleksandr Volkov t. Oekraïne). Ten aanzien van de slachtoffers onderstrepen de verzoekende partijen dat, krachtens het Europees recht, de lidstaten zowel een overdreven formalisme als een buitensporige soepelheid moeten vermijden. Hoewel het recht bestaat op een eerlijke behandeling van zijn zaak, veronderstelt het beginsel van de wapengelijkheid een evenwicht tussen de belangen van de persoon die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd en die van de burgerlijke partij (EHRM, 3 december 2002, Berger t. Frankrijk; 27 april 2004, Gorraiz Lizarraga en anderen t. Spanje). A.5.3. De verzoekende partijen erkennen dat, ofschoon de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid ter zake beschikt, hij niet zover kan gaan dat de rechten van bepaalde personen op onevenredige wijze worden beperkt. In dat verband herinneren zij eraan dat de verjaring van fundamenteel belang is in de maatschappij, belang dat is erkend door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zij vormt allereerst een bescherming tegen de gerechtelijke dwaling, daar zij rekening houdt met het probleem van de verdwijning en de verzwakking van de bewijzen na verloop van tijd. Zij draagt vervolgens bij tot de naleving van de rechten van verdediging en van rechtszekerheid. De bescherming die de verjaring biedt, is des te belangrijker wat betreft seksuele misdrijven, in het kader waarvan het vermoeden van onschuld vaak wordt weerlegd door de publieke opinie. A.5.4. De verzoekende partijen voeren vier verschillen in behandeling aan. Twee van die verschillen hebben betrekking op de dader van het misdrijf en de twee andere hebben betrekking op de slachtoffers. Ten eerste bestaat een discriminatie tussen de vermoedelijke dader van een seksueel misdrijf op een minderjarige en de vermoedelijke dader van hetzelfde misdrijf op een meerderjarige. Ten tweede behandelt de wet van 14 november 2019 de vermoedelijke dader van een seksueel misdrijf op een minderjarige anders dan de vermoedelijke dader van een niet-seksueel misdrijf op een minderjarige. Wat het slachtoffer betreft, zijn de verzoekende partijen van mening dat, enerzijds, een verschil in behandeling bestaat tussen het minderjarige slachtoffer van een seksueel misdrijf en het meerderjarige slachtoffer van hetzelfde misdrijf en, anderzijds, het minderjarige slachtoffer van een seksueel misdrijf niet op dezelfde manier wordt behandeld als een minderjarig slachtoffer van een niet-seksueel misdrijf. A.5.5. De verzoekende partijen voeren aan dat de hiervoor vermelde verschillen in behandeling niet op een objectief criterium zijn gebaseerd. Het criterium dat hieraan ten grondslag ligt, is dubbel en houdt verband met het seksuele karakter van het misdrijf en met de minderjarigheid van het slachtoffer. Hoewel het criterium van de 4 minderjarigheid als objectief en relevant kan worden beschouwd, ook al is het onevenredig, geldt dat niet voor het seksuele aspect van het misdrijf. De verzoekende partijen wijzen immers nadrukkelijk op het feit dat de regeling betreffende de verjaring in strafzaken altijd heeft gesteund op de ernst van het misdrijf. Het seksuele karakter van het misdrijf volgt die logica echter niet, logica die nochtans door het Hof geldig is verklaard. Aldus zien de verzoekende partijen niet in waarom gewoon voyeurisme, door het loutere feit dat het beantwoordt aan het criterium, op dezelfde manier zou moeten worden behandeld als veel ernstigere misdrijven. A.5.6. De verzoekende partijen zijn overigens van mening dat de bestreden wetten geen gewettigd doel nastreven. Geen enkele van de in de parlementaire voorbereiding vermelde doelstellingen wordt immers bereikt door de maatregel die ertoe strekt de beoogde misdrijven onverjaarbaar te maken, ongeacht het gaat om de wil om een einde te maken aan seksueel misbruik op minderjarigen, om nieuwe misbruiken door dezelfde daders te voorkomen, om de daders adequaat te bestraffen, of nog om de slachtoffers meer tijd te geven om klacht in te dienen. Wat die laatste doelstelling betreft, erkent de wetgever overigens zelf dat het tijdsverloop het daadwerkelijke karakter van de klachten aantast. Uit die overwegingen blijkt dat het door de wetgever nagestreefde algemene doel louter symbolisch is en dus in strafzaken niet als gewettigd kan worden beschouwd. Bovendien voeren de verzoekende partijen aan dat een ander aangevoerd gewettigd doel, namelijk de behoorlijke rechtsbedeling, geenszins wordt bereikt door de bestreden wetten. A.5.7. De verzoekende partijen voeren daarnaast aan dat de bestreden wetten de rechten van de betrokkenen op onevenredige wijze beperken. De maximale verjaringstermijn die voorheen twintig jaar bedroeg, beloopt voortaan levenslang. Een en ander leidt tot de afschaffing zonder meer van de rechten van de vermoedelijke daders, namelijk het recht op vergetelheid, het recht op een eerlijk proces en op wapengelijkheid, alsook het recht op de naleving van het beginsel van rechtszekerheid. De aangeklaagde risico’s worden bovendien versterkt door het onterende karakter van de beoogde seksuele misdrijven. De verzoekende partijen zijn overigens van mening dat andere maatregelen het mogelijk zouden hebben gemaakt de door de wetgever vastgestelde doelstellingen op minder inbreukmakende wijze te bereiken. Zij verwijzen in die zin naar de burgerrechtelijke vergoeding, de verlenging van de verjaringstermijn en de meer gerichte wijziging van de reikwijdte van de onverjaarbaarheid. A.5.8. Ten slotte onderstrepen de verzoekende partijen de alarmerende snelheid waarmee beide bestreden wetten zijn aangenomen. Zij betreuren de snelle procedure waarbij in minder dan twee maanden tijd een twee eeuwen oude instelling in het geding wordt gebracht, terwijl er geen spoedeisendheid was. A.6.1. De Ministerraad onderstreept allereerst dat de verjaring traditioneel gezien verschillende doelstellingen nastreeft die ertoe strekken de maatschappij te beschermen, namelijk de sociale vrede, het recht op vergetelheid en de vermindering van het risico van gerechtelijke dwaling. De bescherming van de slachtoffers valt niet onder de functie van de verjaring. A.6.2. De Ministerraad kan de verzoekende partijen niet volgen wat betreft de grief die is afgeleid uit de haast waarmee de bestreden wetten zijn aangenomen. Die wetten zijn integendeel het resultaat van een proces dat lang geleden is aangevat, hetgeen blijkt uit vroegere besprekingen van en voorstellen voor wetten. De Ministerraad vermeldt aldus een voorstel van 7 oktober 2010, dat heeft geleid tot een verslag waarin is besloten dat zelfs een verjaringstermijn van 30 jaar onvoldoende was, een voorstel van 10 januari 2011, het verslag van de commissie betreffende seksueel misbruik binnen de katholieke Kerk, of nog, een bespreking in 2016 over de meer algemene problematiek van de verkrachtingen. Al die elementen tonen aan dat het denkwerk reeds lang geleden is begonnen en dat de wetgever dus niet overhaast tewerk is gegaan. A.6.3. Volgens de Ministerraad bestaat de ratio legis van de bestreden wetten erin van paradigma te veranderen en te beschouwen dat geen enkele verjaringstermijn redelijk kan worden geacht wanneer die betrekking heeft op seksuele misdrijven op minderjarigen. Het voorstel, neergelegd door zes politieke fracties, is geïnspireerd op het bestaan van vergelijkbare maatregelen in het vergelijkend recht, daar het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Zwitserland en Quebec, in verschillende mate, vergelijkbare regelingen van onverjaarbaarheid kennen, terwijl in Frankrijk thans een voorstel in die zin wordt besproken. Een en ander toont aan dat die bekommering ruimschoots wordt gedeeld in de naburige democratieën. A.6.4. De Ministerraad voert aan dat de gekozen criteria van onderscheid, namelijk het seksueel karakter van het misdrijf en de leeftijd van het slachtoffer, objectief zijn. Die objectiviteit kan niet worden betwist, daar het Hof reeds heeft geoordeeld dat de leeftijd een objectief criterium vormt. De cumulatie van beide criteria is een keuze van de wetgever. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, is de wetgever niet gebonden door een « logica » die hem de keuze van een criterium inzake de ernst van het misdrijf zou opleggen. De ernst 5 vormt trouwens ook een criterium dat soeverein door de wetgever wordt vastgesteld en kan niet worden beschouwd als een natuurlijk begrip. A.6.5. Ten aanzien van de vergelijkbaarheid van de door de verzoekende partijen geïdentificeerde categorieën is de Ministerraad van mening dat de andere niet-seksuele misdrijven op minderjarigen niet noodzakelijk moeten worden onderworpen aan een langere verjaringstermijn. De wetgever beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Hij kan aldus afzien van bepaalde doelstellingen om andere na te streven. Het bestaan van een verjaringstermijn is niet vereist door een algemeen beginsel, noch door de Grondwet, noch door het Europees verdrag voor de rechten van de mens. De Ministerraad onderstreept dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de beoordelingsruimte van de lidstaten om het recht op toegang tot de rechter af te bakenen, heeft erkend en tevens heeft verklaard dat het zich niet in de plaats diende te stellen van de interne overheden om te oordelen welk beleid in dat verband het best wordt gevolgd (EHRM, 22 oktober 1996, Stubbings en anderen t. Verenigd Koninkrijk). Het Europees Hof erkent overigens het recht om bijzondere regels vast te stellen ten aanzien van kinderen die het slachtoffer zijn van seksuele daden. A.6.6. De Ministerraad voert aan dat het nagestreefde doel gewettigd is en dat de genomen maatregel relevant is in het licht van dat doel. De bestreden wetten strekken ertoe het gevoel van straffeloosheid weg te nemen die sommige daders van seksuele misdrijven op minderjarigen zouden kunnen hebben. Het ontradende effect beoogt zowel de eerste misdrijven als de herhaalde daden. Het doel is zowel symbolisch als gewettigd. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, maakt het loutere feit dat een doel symbolisch is, dat doel niet onwettig. Bovendien is dat aspect belangrijk en is in de rechtsleer met name opgemerkt dat het symbolisch herstel ten goede kwam aan de slachtoffers. A.6.7. In verband met de evenredigheid van de onverjaarbaarheid is de Ministerraad van mening dat hierover geen twijfel bestaat. Het is voor een slachtoffer niet problematisch zijn klacht voor onbepaalde tijd te kunnen uitstellen, daar die vaststelling wordt genuanceerd door de redelijke termijn, enerzijds, en door het risico dat inherent is aan het verdwijnen van bewijzen, anderzijds. Bovendien, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren in het kader van hun beroep, wordt de behoorlijke rechtsbedeling geenszins aangetast door de bestreden maatregel. In werkelijkheid heeft die grief betrekking op de tenuitvoerlegging van de wet, hetgeen niet behoort tot het rechtsgebied van het Hof, noch ressorteert onder de eigenlijke wet. De wetgever heeft enkel een zeer onevenwichtige relatie opnieuw in evenwicht gebracht. Vóór de inwerkingtreding van de bestreden wetten was de verjaringsregeling immers zeer gunstig voor de daders van misdrijven. A.6.8. De Ministerraad benadrukt dat de bestreden wetten verenigbaar zijn met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dat laatste heeft reeds geoordeeld dat een vordering moet kunnen worden uitgeoefend wanneer de klagers in de praktijk in staat zijn de door hen geleden schade te beoordelen (EHRM, 17 september 2013, Eşim t. Turkije). Te dezen strekt de genomen maatregel ertoe de slachtoffers, die zich vaak pas veel later bewust worden van de geleden schade, tijdig te kunnen optreden. Bovendien heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens eveneens geoordeeld dat de wijziging van de duur van de verjaring voor nog niet verjaarde feiten niet in strijd was met artikel 7 van het Verdrag (EHRM, 22 juni 2000, Coëme t. België). A.6.9. Ten slotte onderstreept de Ministerraad dat de daders steeds alle waarborgen in verband met het eerlijk proces zullen genieten die in het intern recht en in het internationaal recht worden geboden, met inbegrip van alle rechten van verweer. A.7.1. De Vlaamse Regering wil allereerst de nadruk leggen op de ratio legis van de onverjaarbaarheid van seksuele misdrijven op minderjarigen. Die beslissing van de federale wetgever steunt op de specifieke omstandigheden waarin die misdrijven worden gepleegd, vaak in besloten en nabije kring, zoals de familie of de school. De dader kent meestal zijn slachtoffer en het trauma dat voor dat laatste hieruit voortvloeit, is bijzonder groot, in die mate dat het vaak wordt verdrongen door een schuldgevoel. Zoals in de parlementaire voorbereiding wordt onderstreept, volgt de aangifte in de praktijk lang na de feiten. Er dient ook rekening te worden gehouden met het veranderde beeld van de maatschappij over de inaanmerkingneming van het slachtoffer. Het slachtoffer wordt immers bestraft door de verjaring, terwijl de dader van zijn kant een gerust gemoed kan hebben. De verjaring voor die misdrijven kan dus niet langer worden verantwoord vanuit maatschappelijk oogpunt. Die stelselmatige mechanismen van misbruik, steunend op een logica van stilzwijgen en straffeloosheid, moeten dus worden doorbroken. De bestreden wetten geven dus een sterk signaal om duidelijk te maken dat de schade die wordt aangericht in het kader van seksuele misdrijven op minderjarigen niet door de tijd wordt hersteld. A.7.2. De Vlaamse Regering merkt op dat het door de federale wetgever nagestreefde doel gewettigd is. Het gaat erom de minderjarige slachtoffers van seksuele misdrijven beter te beschermen dan in de vorige regeling, die 6 hun niet de mogelijkheid bood om na de leeftijd van 33 jaar klacht in te dienen. Het is immers aangetoond, met name door de opvolgingscommissie betreffende de behandeling van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie, inzonderheid binnen de Kerk (de commissie Adriaenssens), dat talrijke slachtoffers gewacht hebben tot de leeftijd van 50 of 60 jaar alvorens zich als dusdanig te durven uiten. Een en ander wordt verklaard door het feit dat, hoe meer tijd voorbijgaat, hoe minder de dader greep heeft op het slachtoffer, waardoor dat laatste kan optreden. Dat alles houdt verband met het ontradende effect van het besef dat de feiten nooit zullen verjaren. Ten slotte is het doel symbolisch gezien belangrijk zowel voor de maatschappij als voor het proces waarbij de slachtoffers worden opgevangen. A.7.3. Volgens de Vlaamse Regering is de bestreden maatregel, die erin bestaat voor een aantal misdrijven in de onverjaarbaarheid te voorzien, redelijk verantwoord in het licht van de nagestreefde doelen. Hij is immers specifiek beperkt tot de seksuele misdrijven gepleegd op minderjarigen. Die misdrijven zijn des te meer specifiek daar zij heel vaak herhaaldelijk worden gepleegd in het kader van een afhankelijkheidsverhouding (familie, school, kerk, sportclub, enz.) en daar zij worden gekenmerkt door een overwicht van de dader op zijn slachtoffer(s). Zoals de Vlaamse Regering reeds heeft opgemerkt, verklaart die specifieke situatie waarom de feiten niet onmiddellijk worden aangegeven en waarom de slachtoffers soms vele jaren wachten alvorens op te treden, na de feiten te hebben verdrongen, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding betreffende de wet van 30 november 2011 « tot wijziging van de wetgeving wat de verbeteringen en de aanpak van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie betreft ». Gelet op die vaststelling is de onverjaarbaarheid bijzonder relevant om de handelswijze van de daders van die misdrijven te belemmeren. A.7.4. Vanuit het oogpunt van de vergelijkbaarheid onderstreept de Vlaamse Regering dat de psychologische context van de misdrijven bedoeld in de wet van 14 november 2019 fundamenteel verschilt van die van de andere misdrijven die worden gepleegd op minderjarigen. Hetzelfde geldt voor de seksuele misdrijven gepleegd op meerderjarigen, die minder vaak een dermate sterke afhankelijkheidsverhouding vertonen. Dat verklaart waarom de federale wetgever ervoor heeft gekozen die categorieën van personen niet op dezelfde manier te behandelen. A.7.5. Volgens de Vlaamse Regering doen de bestreden wetten geen afbreuk aan de rechten van verweer. De onverjaarbaarheid verandert niet het feit dat de schuld moet worden aangetoond, gelet op het vermoeden van onschuld en de rechten van verweer. De vrees voor gerechtelijke dwalingen, waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, is dus ongegrond. De rechtspraak van het Europees Hof waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, wordt door de Vlaamse Regering betwist. Een enkel arrest waarnaar wordt verwezen, namelijk het arrest Oleksandr Volkov, betreft precies de ontstentenis van verjaring, maar heeft specifiek betrekking op tuchtsancties en niet op de ernstige en specifieke misdrijven zoals de seksuele misdrijven op minderjarigen. Bovendien onderstreepte de wetgever van de in het geding zijnde Staat in hetzelfde arrest dat hij andere soorten doelstellingen nastreefde. Bijgevolg is die zaak geenszins vergelijkbaar met het thans onderzochte beroep tot vernietiging. Daarnaast blijft de Vlaamse Regering lang stil staan bij het bestaan van een vergelijkbare wet in Nederland, waarvan de parlementaire voorbereiding dezelfde verantwoording bevat ten aanzien van het specifieke karakter van de seksuele misdrijven op minderjarigen, namelijk de impact op het slachtoffer en op de maatschappij, de logica die lang geleden werd ingezet in de richting van de onverjaarbaarheid en de afhankelijkheidsverhouding die doorgaans bestaat tussen de dader en zijn slachtoffer. A.7.6. De opvatting over de verjaring verandert. Er bestaat een toegenomen maatschappelijke gevoeligheid, met name door zaken die zich hebben voorgedaan binnen de katholieke Kerk. Die hebben het vertrouwen van de burgers in de rechtsorde en hun rechtvaardigheidsgevoel aangetast. Vanuit een maatschappelijk oogpunt was de aanneming van de bestreden wetten dus noodzakelijk. Aldus wordt minder belang gehecht aan de gemoedsrust van de dader, een traditionele opvatting van de verjaring, om het slachtoffer opnieuw zijn rechtmatige plaats te geven. A.7.7. Ten slotte betwist de Vlaamse Regering het verwijt dat hij de bestreden maatregel te haastig heeft aangenomen. Integendeel, die maatregel is het resultaat van een lange constante evolutie. Aldus is in 2000 het aanvangspunt van de verjaringstermijn vastgesteld op de dag waarop het slachtoffer 18 jaar wordt, vervolgens in 2011 op die waarop het slachtoffer 15 jaar wordt. In 2014 is een specifieke regel vastgelegd ten aanzien van grooming en cyber-intimidatie. Evenzo werden in 2016 wetten aangenomen die inzonderheid gericht waren tegen collectieve misdrijven en voyeurisme ten aanzien van een minderjarige. De onverjaarbaarheid, ingevoerd in 2019, past dus in het logische verlengde van die evolutie. 7 A.8.1. In hun memorie van antwoord betwisten de verzoekende partijen de bewering volgens welke de bestreden wetten het resultaat zouden zijn van een project dat lang geleden werd aangevat. Sommige wetsontwerpen die deze vaststelling moeten bevestigen, dienen overigens sterk te worden genuanceerd, daar, in de memorie van de Ministerraad, een ontwerp wordt vermeld dat dateert van 2010 en uitgaat van een enkele volksvertegenwoordiger uit de oppositie en nooit is besproken, alsook een ander ontwerp wordt vermeld dat dateert van 2011 en ertoe strekte de verjaring te verlengen en niet af te schaffen. Hetzelfde geldt voor de resolutie van 2017, waarbij enkel een aanpassing van de termijnen werd voorgesteld. Onder de vijfenvijftigste regeerperiode werd ten slotte geen enkele bespreking meer georganiseerd. De verzoekende partijen formuleren bijgevolg opnieuw het argument volgens hetwelk niets erop wees dat de onverjaarbaarheid op de agenda stond. A.8.2. Ten aanzien van de rechtsvergelijking, die uitgebreid wordt aangevoerd door de Ministerraad en door de Vlaamse Regering, vragen de verzoekende partijen die te relativeren. België is, met de bestreden wetten, immers veel verder gegaan dan de meeste andere genoemde Staten. Nederland beoogt alleen de misdrijven die kunnen worden bestraft met een gevangenisstraf van minstens acht jaar, Zwitserland beoogt alleen de minderjarigen jonger dan twaalf jaar, Frankrijk bevindt zich nog maar in het stadium van een voorstel, en Quebec beoogt de burgerrechtelijke verjaring. Wat het Verenigd Koninkrijk betreft, hoewel het juist is dat daar een zeer ruime onverjaarbaarheid bestaat, wordt zij er meer en meer in het geding gebracht. Bovendien onderwerpen talrijke landen, zoals Spanje, Portugal, Italië, of nog, Luxemburg, die misdrijven nog steeds aan verjaringsregels. A.8.3. De verzoekende partijen houden staande dat het objectief criterium de ernst van het misdrijf moet zijn. Dat criterium, dat altijd heeft gegolden, veranderen, doet een absurd verschil in behandeling ontstaan. Zij kunnen de Vlaamse Regering niet volgen wanneer zij aanvoert dat de wetgever niet ertoe gehouden is de minste logica te volgen. A.8.4. De verzoekende partijen blijven ervan uitgaan dat geen enkel gewettigd doel de onverjaarbaarheid in werkelijkheid verantwoordt, waarbij in de parlementaire voorbereiding het tevergeefse karakter van dat initiatief overigens wordt erkend. Dat initiatief zou zelfs het omgekeerde effect kunnen hebben ten opzichte van het verwachte doel, daar de rechterlijke overheden ertoe zouden kunnen worden gebracht eerst de dossiers te behandelen die kunnen verjaren en waarvoor zij diligenter zouden moeten zijn. De gevolgen voor de werking van het gerecht houden daar niet op. Op het niveau van de toegekende middelen zijn de verzoekende partijen van mening dat het besteden van een deel van de begroting van justitie aan feiten die zich meer dan 50 jaar geleden hebben voorgedaan waarbij aan de slachtoffers slechts een symbolische vergoeding kan worden geboden, contraproductief is en de financiering verhindert van de bestrijding van andere misdrijven. A.8.5. De verzoekende partijen herinneren aan het verschil tussen de verjaringstermijn en de redelijke termijn, die pas ingaat wanneer men formeel beschuldigd is. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, kan bijgevolg geen argument worden afgeleid uit de redelijke termijn om de aantasting van de rechten van verdediging van de dader van de misdrijven als gevolg van de onverjaarbaarheid te verantwoorden. A.8.6. De verzoekende partijen weerleggen overigens de bewering volgens welke het vroeger recht uiterst voordelig was voor de daders van de misdrijven. De beoogde misdrijven hebben weliswaar hun specifieke karakter, maar dat laatste verantwoordt geen dermate radicale maatregel. De wetgever kan zich niet alleen laten leiden door de publieke opinie wanneer hij beslissingen neemt, a fortiori op strafrechtelijk gebied. De verjaring en de rechten van verweer verdedigen, betekent in geen geval dat men de kant van de misdadigers kiest. Bovendien blijkt uit psychologisch onderzoek dat kinderen die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik hun getuigenissen soms kunnen vervormen of verzinnen. Het geheugen is niet betrouwbaar en is dat nog minder na verloop van tijd. Bovendien biedt de onverjaarbaarheid geen enkele toegevoegde waarde voor de recidivisten, daar, in geval van meerdere bedrijven, de termijn reeds inging bij de meerderjarigheid van het jongste slachtoffer. A.8.7. Ten slotte wensen de verzoekende partijen de gevolgen te onderstrepen van een eventuele verwerping van het beroep tot vernietiging. Indien dat zou gebeuren, dan zullen de gewone rechters zeker talrijke navolgende prejudiciële vragen stellen, aangezien dan een groot aantal andere discriminaties bestaan tussen de verjaringsstelsels. A.9.1. De Vlaamse Regering repliceert dat de vermeende « logica van de ernst van het misdrijf », die kennelijk een wondermiddel is voor de verzoekende partijen, reeds talrijke jaren niet meer bestond voor de seksuele misdrijven op minderjarigen. Een en ander toont opnieuw aan dat die misdrijven een bijzonder aspect vertonen, dat met name voortvloeit uit de psychologische context waarin zij worden gepleegd. 8 A.9.2. Het argument volgens hetwelk een vernietiging ook ten goede zou komen aan de slachtoffers, kan de Vlaamse Regering niet aanvaarden. Een vernietiging zou alleen ten goede komen aan de daders van de misdrijven en zou de slachtoffers verzwakken, in zoverre hun de mogelijkheid zou worden ontnomen om klacht in te dienen. Evenzo is het aangevoerde risico van een gebrek aan zorgvuldigheid bij het behandelen van onverjaarbare zaken een loutere speculatie. Het tegendeel kan overigens worden aangevoerd, gelet op de grote beroering bij de bevolking ten aanzien van die misdrijven. De algemene beleidsverklaring van de minister van Justitie gaat eveneens in die zin. Er bestaat een fundamenteel verschil tussen de mogelijkheid om een procedure in te stellen en de behandeling ervan. A.9.3. De Vlaamse Regering weerlegt ook het verwijt volgens hetwelk de wetgever zich zou hebben laten leiden door de publieke opinie. Er is nooit beweerd dat de bestreden wetten enkel evenredig waren omdat zij de instemming genieten van de publieke opinie en vrijwel unaniem door het federaal Parlement zijn goedgekeurd. Toch is het zo dat een ruime democratische grondslag bestaat voor een evoluerende maatschappelijke visie op de verjaring. A.9.4. Ten slotte, wat betreft het risico dat talrijke prejudiciële vragen worden gesteld in geval het beroep tot vernietiging wordt verworpen, uit de Vlaamse Regering haar twijfels. In dat geval ziet zij niet in waarom een vergelijkbare prejudiciële vraag zou worden gesteld, daar het arrest van het Hof zou gelden voor alle rechtscolleges. De verklaring van de verzoekende partijen is overigens geenszins relevant in het kader van het thans onderzochte beroep. Wat het tweede middel betreft A.10. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de bestreden wetten, van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Uit die bepalingen en de rechtspraak van het Hof vloeit voort dat de strafwet voorzienbaar moet zijn. Het nieuwe artikel 21bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering is echter dubbelzinnig en bevat verschillende fouten. De verzoekende partijen verwijzen naar het woord « het », waarvan niet is geweten waarnaar het verwijst, alsook naar de voorwaarde van minderjarigheid op het einde van de bepaling die door de afwezigheid van een komma in de Franse versie van dat artikel alleen van toepassing lijkt te zijn op het laatste opgesomde misdrijf. De verzoekende partijen besluiten bijgevolg dat de wet niet voorzienbaar is. A.11. De Ministerraad betwist niet het bestaan van de twee voormelde fouten, die evenwel slechts grammaticale fouten zijn. Zij leiden geenszins tot een schending van de beginselen van wettigheid en voorzienbaarheid van de strafwet. Immers, volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, belet niets dat de wet een beoordelingsbevoegdheid aan de rechter toekent en dat de wet door de rechter wordt geïnterpreteerd. De voorzienbaarheid verzet zich evenmin ertegen dat de betrokken persoon ertoe wordt gebracht een beroep te doen op deskundig advies, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens reeds heeft geoordeeld (EHRM, 13 juli 1995, Tolstoy Miloslavsky t. Verenigd Koninkrijk). Te dezen zal de rechter geen enkele moeite hebben om artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering te interpreteren, daar het duidelijk en voorzienbaar is. De correcte interpretatie is daadwerkelijk ruimschoots aan bod gekomen in de media, werd behandeld in eenduidige rechtsleer en werd besproken in de parlementaire voorbereiding. Ten slotte bevat de Nederlandstalige versie van de wet beide voormelde grammaticale fouten niet. De Vlaamse Regering volgt de argumenten van de Ministerraad. A.12. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de betwiste bepaling het voorwerp kan uitmaken van een conforme interpretatie, zodat wordt besloten tot de niet-schending van het beginsel van de voorzienbaarheid van de strafwet. De Vlaamse Regering sluit zich aan bij de argumentatie van de Ministerraad. Wat het derde middel betreft A.13. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending, door de bestreden wetten, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de zorgvuldigheidsplicht en met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dat laatste erkent, volgens de verzoekende partijen, dat een wet moet worden voorafgegaan door een kwalitatief debat, daar anders het Verdrag wordt geschonden (EHRM, 6 oktober 2005 Hirs t. Verenigd Koninkrijk (nr. 2), en 10 september 2019, Strand Lobben en anderen t. Noorwegen). Er moet dus worden aangetoond dat het Parlement een evenwicht heeft gevonden tussen de 9 verschillende aanwezige belangen. De bestreden wetten zijn echter inderhaast en zonder debat ten gronde aangenomen, terwijl er geen enkele spoedeisendheid was. De minister van Justitie had in die tijd overigens gewag gemaakt van zijn scepticisme. Het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is bijgevolg geschonden en de verzoekende partijen zien niet in hoe de Belgische Grondwet minder beschermend zou kunnen zijn dan dat Verdrag. A.14. De Ministerraad voert allereerst aan dat het middel niet ontvankelijk is. De verzoekende partijen leggen hun grief immers niet voldoende uit, identificeren niet de te vergelijken categorieën van personen en geven geenszins aan wat zij begrijpen onder « zorgvuldigheidsplicht ». Bovendien behoort het tot de vaste rechtspraak dat de totstandkoming van de getoetste regels ontsnapt aan de controle van het Hof. De door de verzoekende partijen aangehaalde Europese rechtspraak verandert daar niets aan, te meer daar die niet echt handelt over de wijze waarop de voorgelegde normen zijn aangenomen. Het Hof wordt hier verzocht zich te mengen in een strikt politiek proces, hetgeen het niet vermag te doen. A.15. De Vlaamse Regering is van mening dat het Hof de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet mag combineren met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het derde middel is dus niet ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor de controle in het licht van het zorgvuldigheidsbeginsel, waarvoor het Hof evenmin bevoegd is. Voor het overige verwijst de Vlaamse Regering naar de argumentatie van de Ministerraad. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.1. Het beroep tot vernietiging ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains » en de vzw « Association Syndicale des Magistrats » heeft betrekking op twee wetten die tot doel hebben de regeling aan te passen inzake de verjaring van de strafvordering ten aanzien van bepaalde strafrechtelijke misdrijven, inzonderheid de seksuele misdrijven op minderjarigen, die niet meer verjaren. B.1.2. De artikelen 2 en 3 van de wet van 14 november 2019 « tot wijziging van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de afschaffing van de verjaring van ernstige seksuele misdrijven op minderjarigen betreft » (hierna : de wet van 14 november 2019) bepalen : « Art. 2. In artikel 21, eerste lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij de wet van 5 februari 2016 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.