id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.081 Arrest- Rolnummer: 81/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 379 - laatst gezien 2026-06-18 07:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (art. 35 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019, in zoverre het van toepassing is op de rechtgevende kinderen die zijn geboren in december 2019 en op hun bijslagtrekkenden) - Geen schending (art. 39 van dezelfde ordonnantie) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 35 et 39 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van kinderbijslag », gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Sociale zekerheid - Brussel-Hoofdstad - Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie - Kinderbijslag - Bedrag - Overgangsbepaling - Kinderen die geboren zijn in december 2019 Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 81/2022 van 16 juni 2022 Rolnummers : 7506 en 7507 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 35 et 39 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van kinderbijslag », gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 19 januari 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 januari 2021, heeft de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 39 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 48 van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een verschil in behandeling teweegbrengt tussen de kinderen die geboren zijn in december 2019 en de andere kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2020 en/of afbreuk doet aan de legitieme verwachtingen met betrekking tot de kinderen die geboren zijn in december 2019, doordat het die in december 2019 geboren kinderen uitsluit van de eerste term van de vergelijking die moet worden gemaakt tussen de schaal van de kinderbijslag die werd ontvangen met toepassing van de algemene kinderbijslagwet en de schaal van de kinderbijslag die verschuldigd is met toepassing van de ordonnantie van 25 april 2019, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording en/of een dwingende reden van algemeen belang bestaat, noch enig redelijk verband van evenredigheid tussen het aangewende middel en het doel dat zou worden beoogd ? 2 2. Schendt artikel 39 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 48 van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939, artikel 23 van de Grondwet en de daarin vervatte standstill-verplichting, in zoverre het het beschermingsniveau van de kinderen die geboren zijn in december 2019 aanzienlijk vermindert door die kinderen het recht op kinderbijslag dat voor hen gewaarborgd was door de Algemene kinderbijslagwet, te ontzeggen vanaf 1 januari 2020, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang en zonder dat enig redelijk verband van evenredigheid lijkt te bestaan tussen de vastgestelde vermindering en de nagestreefde doelstellingen ? ». b. Bij vonnis van 19 januari 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 januari 2021, heeft de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Is artikel 39 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, in samenhang gelezen met artikel 48 van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (AKBW), bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 6°, van de Grondwet, in zoverre het niet toelaat rekening te houden, in het referentiebedrag van de maand december 2019 dat moet worden vergeleken met het bedrag dat verschuldigd is met toepassing van de genoemde ordonnantie, met de kinderbijslag die een kind dat geboren is in de loop van de maand december 2019, zijnde vóór de inwerkingtreding van de genoemde ordonnantie, op grond van de AKBW zou hebben genoten op 1 januari 2020, terwijl evenwel (
- i)diezelfde bepaling (het voormelde artikel 39) toelaat het gunstigere bedrag verschuldigd in december 2019 te behouden voor de kinderen die reeds rechtgevend waren, (
- ii)de kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2020 kraamgeld hebben genoten volgens het bedrag waarin de AKBW voorziet en, (iii) bovendien, de vermindering met 10 euro van de kinderbijslag die verschuldigd is met toepassing van de nieuwe ordonnantie, gedurende de periode van 1 januari 2020 tot 31 december 2025, wordt toegepast op alle kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2020 (met inbegrip van die welke geboren zijn in december 2019) ? In de veronderstelling dat het Hof vaststelt dat artikel 39 van de genoemde ordonnantie op dat punt grondwettig is, is artikel 35 ervan, dat voorziet in de toepassing van de voormelde vermindering met 10 euro, bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 6°, van de Grondwet, in zoverre die vermindering zonder onderscheid van toepassing is op de kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2020, met inbegrip van die welke geboren zijn in december 2019 terwijl hun recht op kinderbijslag pas is ingegaan op 1 januari 2020 ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7506 en 7507 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de vzw « Parentia Brussels », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Merodio, Mr. S. Lallemand en Mr. M. Merodio, advocaten bij de balie Luik-Hoei (in de zaak nr. 7506); 3 - Iriscare, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Kaiser, Mr. M. Verdussen en Mr. C. Jadot, advocaten bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 7507); - het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Kaiser, Mr. M. Verdussen en Mr. C. Jadot (in beide zaken). Bij beschikking van 20 april 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 4 mei 2022 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 4 mei 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen Zaak nr. 7506 N.J. is moeder van vijf kinderen en is gedomicilieerd in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Voor de verwijzende rechter betwist zij de beslissing die haar kinderbijslagfonds, de vzw « Parentia Brussels », heeft genomen om haar een bedrag van 852,38 euro kinderbijslag toe te kennen naar aanleiding van de geboorte van haar dochter S.A. in december 2019. De vzw « Parentia Brussels » heeft het bedrag van de kinderbijslag bepaald rekening houdend met de overgangsregeling vervat in de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag », in werking getreden op 1 januari 2020 (hierna : de ordonnantie van 25 april 2019). De vzw « Parentia Brussels » heeft aldus het bedrag van de kinderbijslag waarop N.J. in december 2019 recht had op basis van de kinderbijslagregeling zoals vastgesteld in de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (hierna : de AKBW), namelijk 852,38 euro, vergeleken met het bedrag van de kinderbijslag waarop N.J. recht heeft op basis van de ordonnantie van 25 april 2019, namelijk 700 euro, teneinde in haar voordeel ten slotte te kiezen voor het hoogste bedrag, namelijk 852,38 euro. Het bedrag van 852,38 euro is de optelsom van de bedragen waarop ieder kind van N.J. recht gaf in de maand december 2019. In die berekening was het bedrag waarop S.A. recht gaf, 0 euro, aangezien dat kind is geboren in december 2019 en bijgevolg pas recht op kinderbijslag heeft geopend op de eerste dag van de maand die volgt op zijn geboorte, namelijk 1 januari 2020. N.J. is van mening dat, in de vergelijking van het bedrag van de kinderbijslag die verschuldigd is op grond van de AKBW met het bedrag dat verschuldigd is op grond van de ordonnantie van 25 april 2019, rekening had moeten worden gehouden met het feit dat, indien de vroegere regeling van kracht was gebleven, S.A. recht zou hebben gegeven op een kinderbijslag van 264,67 euro en niet 0 euro. De verwijzende rechter stelt vast dat de vzw « Parentia Brussels » de ordonnantie van 25 april 2019 correct heeft toegepast, maar heeft vragen bij de grondwettigheid van de overgangsregeling vervat in de ordonnantie van 25 april 2019 ten aanzien van de kinderen die zijn geboren in december 2019. Hij houdt zijn uitspraak dus aan om aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. 4 Zaak nr. 7507 H.D. en R.E. zijn de ouders van drie kinderen en zijn gedomicilieerd in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Voor de verwijzende rechter betwisten zij de beslissing van het kinderbijslagfonds Famiris, dat deel uitmaakt van de instelling van openbaar nut Iriscare, om hun een kinderbijslagbedrag van 420 euro toe te kennen naar aanleiding van de geboorte van hun zoon I.E. in december 2019. Het bedrag van 420 euro is het resultaat van de toepassing van de ordonnantie van 25 april 2019 en is hoger dan het bedrag dat hun is toegekend in 2019 op grond van de AKBW, dat 323,04 euro bedroeg. Voor de maand december 2019 hebben H.D. en R.E. geen kinderbijslag voor I.E. ontvangen, aangezien hun zoon pas op de eerste dag van de maand na zijn geboorte, namelijk 1 januari 2020, recht op kinderbijslag heeft geopend. H.D. en R.E. zijn echter van mening dat rekening moet worden gehouden met het kinderbijslagbedrag waarop I.E., geboren in december 2019, recht zou hebben gegeven in de regeling die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019, en dat niet alleen rekening moet worden gehouden met het bedrag dat hun in december 2019 daadwerkelijk is uitgekeerd. H.D. en R.E. hebben overigens voor I.E. kraamgeld ontvangen op grond van de AKBW. Zoals in de zaak nr. 7506 stelt de verwijzende rechter vast dat Iriscare de ordonnantie van 25 april 2019 correct heeft toegepast, maar hij heeft vragen bij de grondwettigheid van de overgangsregeling van die ordonnantie wanneer die wordt toegepast op kinderen die zijn geboren in december 2019. De verwijzende rechter houdt zijn uitspraak dus aan om aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- A.1.1. Het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (hierna : het Verenigd College van de GGC) merkt op dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op het verschil in behandeling dat is ingevoerd door de overgangsmaatregel vervat in artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019 tussen, enerzijds, de kinderen die voor de maand december 2019 aanleiding hebben gegeven tot de uitkering van kinderbijslag op grond van de AKBW en, anderzijds, de kinderen die zijn geboren in december 2019 en die geen aanleiding hebben gegeven tot de uitkering van kinderbijslag op grond van de AKBW, aangezien het recht op de uitkering van kinderbijslag pas wordt geopend op de eerste dag van de maand die volgt op de geboorte. A.1.2. Het Verenigd College van de GGC voert aan dat het criterium van onderscheid, namelijk de geboortedatum van het kind, die bepalend is voor de datum waarop dat kind het recht op het voordeel van kinderbijslag opent, objectief is. A.1.3. Het Verenigd College van de GGC is daarnaast van mening dat het criterium van onderscheid relevant is. Het met de in het geding zijnde bepaling nagestreefde doel bestaat immers erin de kinderbijslagbedragen die verschuldigd zijn met toepassing van de ordonnantie van 25 april 2019 pas toe te passen indien zij minstens gelijk zijn aan of hoger liggen dan de bedragen die voor de maand december 2019 zijn berekend op grond van de AKBW. Het gaat erom de verworven rechten van de gezinnen te handhaven. De maatregel die erin bestaat rekening te houden met de bedragen die zijn berekend voor de maand december 2019 bereikt het doel van de wetgever. De kinderen die zijn geboren in december 2019 worden niet in aanmerking genomen bij het bepalen van het bedrag dat wordt berekend in december 2019, omdat zij op dat ogenblik nog geen enkel verworven recht genoten. A.1.4.1. Het Verenigd College van de GGC voert aan dat het verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen heeft. A.1.4.2. Niet alleen beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid op sociaaleconomisch vlak, maar volgens de parlementaire voorbereiding wenste hij bovendien het beschermingsniveau te waarborgen dat bestond aan de vooravond van de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019. De afdeling 5 wetgeving van de Raad van State heeft erop gewezen dat de overgangsregeling volgens welke het totaalbedrag van de gezinsbijslag minstens even voordelig is als het bedrag dat werd ontvangen op basis van de vroegere reglementering, voldoet aan de gewettigde verwachtingen van de betrokken begunstigden. Voorts dient de redenering van het Hof bij zijn onderzoek van het Vlaamse en het Waalse decreet inzake kinderbijslag te worden gevolgd. In zijn arresten nrs. 198/2019 en 195/2019 heeft het Hof ermee rekening gehouden dat de decreetgevers de verworven rechten van de gezinnen heeft willen vrijwaren. Het heeft besloten dat het bekritiseerde verschil in behandeling redelijk verantwoord was. In dit geval maakt de in het geding zijnde bepaling het ook mogelijk geen afbreuk te doen aan de gewettigde verwachtingen van de betrokken bijslagtrekkenden, aangezien het bedrag dat zij ontvangen, niet lager ligt dan het bedrag dat zij voorheen ontvingen voor de kinderen voor wie verworven rechten bestaan. De in het geding zijnde hervorming heeft dus geen financiële impact op de gezinnen. Het is belangrijk op te merken dat kinderen die in december 2019 zijn geboren, geen verworven rechten genoten vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019. Hun recht op kinderbijslag is pas geopend op 1 januari 2020. Zoals kinderen die zijn geboren in januari 2020 en erna, hebben kinderen die zijn geboren in december 2019 nooit een bedrag genoten waarop zij vandaag geen recht meer zouden hebben. Zelfs indien het mogelijk was om in het referentiebedrag van de maand december 2019 rekening te houden met de kinderbijslag die een in december 2019 geboren kind op 1 januari 2020 zou hebben genoten op grond van de AKBW, dan nog zou het debat hetzelfde zijn geweest voor de kinderen die zijn geboren in januari 2020. Dit is eigen aan een wetgeving die evolueert. Ten slotte kan de basisbijslag worden vermeerderd met één of meerdere sociale toeslagen bepaald in de artikelen 9 en volgende van de ordonnantie van 25 april 2019, naar gelang van de sociaaleconomische situatie van het kind. A.1.4.3. In verband met de overeenstemming van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019 met artikel 23 van de Grondwet, voert het Verenigd College van de GGC aan dat geen enkel kind aanleiding geeft tot uitbetaling van een lager bedrag dan het bedrag dat aan dat kind toekwam op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe regeling. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft ook gesteld dat de bekritiseerde overgangsregeling in overeenstemming is met het standstill-beginsel. A.1.4.4. Het Verenigd College van de GGC wijst erop dat het feit dat het kind dat is geboren vóór 1 januari 2020 kraamgeld heeft genoten op grond van de AKBW, losstaat van de niet-inaanmerkingneming in het referentiebedrag van de maand december 2019 van de kinderbijslag die het in december 2019 geboren kind in januari 2020 zou hebben genoten. De vergelijking tussen het kraamgeld en de vaststelling van het bedrag van de kinderbijslag is niet relevant, aangezien het gaat om twee onderscheiden elementen die beantwoorden aan twee verschillende logica. Het recht op kraamgeld gaat overigens de geboorte vooraf en is een verworven recht voor het kind dat in december 2019 is geboren. A.1.5.1. In verband met de overeenstemming van artikel 35 van de ordonnantie van 25 april 2019 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 6°, van de Grondwet, voert het Verenigd College van de GGC aan dat die bepaling weliswaar voorziet in een vermindering van het niveau van bescherming dat wordt geboden aan de kinderen die zijn geboren na 1 januari 2020. Dat artikel voorziet immers in de toepassing van een vermindering met 10 euro op de verschuldigde kinderbijslag. Het gaat echter niet om een aanzienlijke vermindering, vermits zij is beperkt tot tien euro per maand, alleen het basisbedrag van de kinderbijslag beoogt en alleen gedurende een periode van vijf jaar van toepassing is. Bovendien neutraliseert artikel 39 van dezelfde ordonnantie de negatieve gevolgen van artikel 35, omdat dat laatste pas van toepassing is vanaf de dag waarop het bedrag van de gezinsbijslag minstens even voordelig is als het bedrag dat werd ontvangen op basis van de regeling van de AKBW. A.1.5.2. Volgens het Verenigd College van de GGC is de vermindering in elk geval verantwoord door een dwingende reden van algemeen belang, namelijk de handhaving van het budgettaire evenwicht in de sector van de kinderbijslagen. De wetgever beschikt over een ruime beoordelingsmarge ter zake. Het verschil in behandeling tussen de kinderen die zijn geboren vóór 1 januari 2020 en de kinderen die zijn geboren na die datum steunt op een objectief en relevant criterium. Bovendien kunnen de betrokken gezinnen steeds een bedrag verwachten dat hoger ligt dan dat waarop zij recht hadden op grond van de overgangsregeling bepaald in artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019 of een van de toeslagen genieten bepaald in de artikelen 9 en volgende ervan. A.1.6. Het Verenigd College van de GGC besluit dat noch artikel 39, noch artikel 35 van de ordonnantie van 25 april 2019 de in de prejudiciële vragen beoogde referentienormen schenden. A.2. Iriscare, verwerende partij voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 7507, neemt de argumentatie van het Verenigd College van de GGC integraal over. 6 A.3.1. De vzw « Parentia Brussels », verwerende partij voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 7506 voert aan dat het verschil in behandeling tussen de kinderen die zijn geboren in december 2019 en de andere kinderen die zijn geboren vóór 1 januari 2020, redelijk verantwoord is. Er wordt evenmin afbreuk gedaan aan de gewettigde verwachtingen van de kinderen die zijn geboren in december 2019. A.3.2. De vzw « Parentia Brussels » voert aan dat de vergeleken categorieën van personen, namelijk de kinderen die zijn geboren in december 2019 en de andere kinderen die zijn geboren vóór 1 januari 2020, zich in objectief verschillende situaties bevinden en niet op dezelfde manier kunnen worden behandeld. De kinderen die zijn geboren in december 2019 hebben immers nooit aanleiding gegeven tot de toekenning van kinderbijslag in de vroegere kinderbijslagregeling die steunt op de AKBW en zij kunnen dus geen verworven rechten doen gelden. A.3.3. De vzw « Parentia Brussels » voert aan dat het verschil in behandeling op een objectief criterium berust. Het in het geding zijnde artikel 39 strekt ertoe de vóór 1 januari 2020 verworven rechten van de gezinnen te behouden, in zoverre het ertoe leidt dat de kinderbijslag die de gezinnen genoten tot die datum, niet wordt verminderd. De kinderen die zijn geboren in december 2019 hebben nooit aanleiding gegeven tot de uitkering van kinderbijslag. In werkelijkheid is het objectieve criterium niet zozeer de geboortedatum van het kind, maar het behoud van de onder de vroegere regeling verworven rechten. Dit is de essentie van een overgangsregeling : de overgang verzekeren tussen twee juridische regelingen, niet door nieuwe rechten te creëren, maar door te waarborgen dat de verworven rechten niet verloren gaan. Het feit dat de rechten van de begunstigden op 31 december 2019 worden vastgelegd is bij overgangsregelingen het meest objectieve en gebruikelijke criterium. Aangezien de nieuwe regeling in werking is getreden op 1 januari 2020 moesten de verworven rechten worden vastgelegd vlak vóór die datum. Anders zouden de verworven rechten elkaar hebben overlapt in beide systemen. Ten slotte gaat het bij een overgangsregeling niet erom kinderbijslag fictief te creëren die zou zijn ontvangen indien de vroegere regeling van kracht was gebleven. A.3.4. De vzw « Parentia Brussels » preciseert dat het doel van de ordonnantie van 25 april 2019 erin bestaat concreet gestalte te geven aan een nieuwe regeling inzake kinderbijslag, rekening houdend met de budgettaire beperkingen van de GGC. De bekritiseerde overgangsregeling brengt reeds hoge kosten met zich mee. Indien aan de gezinnen echter een bedrag zou worden toegekend dat hoger ligt dan het bedrag dat werd ontvangen onder de vroegere regeling, dan zou dat de begroting van de GGC verzwakken. A.3.5. De vzw « Parentia Brussels » voert aan dat de betwiste maatregel relevant en evenredig is. Het zou daarentegen relevant noch evenredig zijn geweest om rekening te houden met de door de begunstigden verwachte bijslag en geen rekening te houden met de bijslag die hun werkelijk is uitgekeerd voor de maand december 2019. A.3.6. Volgens de vzw « Parentia Brussels » wordt geen afbreuk gedaan aan de gewettigde verwachtingen van de kinderen die in december 2019 zijn geboren. Hun verworven rechten worden niet verminderd of worden in elk geval niet in grotere mate verminderd dan die van de kinderen die op 1 januari 2020 zijn geboren en een gunstigere bijslag zouden hebben genoten indien de vroegere regeling van kracht was gebleven. A.3.7. De vzw « Parentia Brussels » besluit dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.3.8. In verband met de tweede prejudiciële vraag is de vzw « Parentia Brussels » van mening dat artikel 23 van de Grondwet niet is geschonden. De nieuwe regeling inzake kinderbijslag is in het algemeen meer verdelend, aangezien 70 % van de begunstigden meer bijslag ontvangt op grond van de ordonnantie van 25 april 2019 dan op grond van de AKBW. Wat specifiek artikel 39 van de ordonnantie betreft, brengt het geen vermindering teweeg ten opzichte van het niveau van bescherming dat voorheen werd geboden, omdat is voorzien in een compensatie voor het behoud van de verworven rechten, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding. Ten slotte heeft de GGC een hervorming ingevoerd die ertoe strekt de grote gezinnen te beschermen die onder de nieuwe regeling vallen vanaf 1 januari 2020, en afstand te doen van sommige criteria zoals dat van de rangorde tussen de broers en zussen van een gezin, en daarbij rekening gehouden met de budgettaire beperkingen. A.3.9. De vzw « Parentia Brussels » besluit dat de tweede prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. 7 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1.1. Artikel 39 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van kinderbijslag » (hierna : de ordonnantie van 25 april 2019) voert een overgangsregeling in tussen de kinderbijslagregeling ingevoerd bij de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (hierna : de AKBW) en bij de wet van 20 juli 1971 « tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag » (hierna : de wet van 20 juli 1971) en de kinderbijslagregeling ingevoerd bij de ordonnantie van 25 april 2019. Artikel 39 bepaalt : « Onverminderd artikelen 12 en 26, worden de AKBW en de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag opgeheven. De bepalingen van de AKBW en van de voormelde wet van 20 juli 1971 betreffende de betaling van de kinderbijslag blijven van toepassing indien de rechthebbende of de aanvrager voor de maand december 2019 aanleiding gaf tot de betaling van kinderbijslag tegen een schaal die, na toepassing van artikel 76bis van de AKBW, de toekenning toelaat van een bedrag dat hoger is dan hetgeen wordt bepaald door artikelen 7 tot 13, volgens de volgende voorwaarden en regels : [...] 2° de bedragen worden per bijslagtrekkende, natuurlijke persoon, voor de maand december 2019 vergeleken, rekening houdend met, enerzijds, kinderen die, onverminderd de toepassing van het recht van de Europese Unie en de internationale overeenkomsten, op 31 december 2019 hun woonplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die rechtgevend waren voor de maand december 2019 onder de voorwaarden bepaald door de AKBW of de voormelde wet en, anderzijds, met alle kinderen die rechtgevend zijn krachtens deze ordonnantie, vanaf dezelfde datum; 3° de schaal die verschuldigd is voor de maand december 2019 vormt de maximale schaal die wordt toegekend vanaf de inwerkingtreding van deze ordonnantie; 4° het aantal rechtgevende kinderen waarmee rekening wordt gehouden krachtens artikel 42 van de AKBW en de bedragen verschuldigd krachtens de AKBW of de voormelde wet van 20 juli 1971 kan in geen geval toenemen; [...] 8 9° de bijslagtrekkende verliest definitief het voordeel van de huidige bepaling als hem een zelfde of een hoger kinderbijslagbedrag verschuldigd is krachtens deze ordonnantie; [...]. » B.1.2. Op grond van artikel 3, 2°, van de ordonnantie van 25 april 2019 is het « rechtgevend kind » het kind dat voldoet aan alle voorwaarden die zijn vastgelegd door de ordonnantie om kinderbijslag te genieten. De « bijslagtrekkende » is, op grond van artikel 3, 5°, van dezelfde ordonnantie de persoon aan wie de gezinsbijslag moet worden betaald. De ordonnantie van 25 april 2019 is op 1 januari 2020 in werking getreden (artikel 40). B.1.3. Artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019 voorziet in de overgang van de gezinnen naar de kinderbijslagregeling ingevoerd bij de ordonnantie van 25 april 2019, met de waarborg dat de bijslagtrekkenden, in de nieuwe gezinsbijslagregeling, geen kinderbijslag zullen ontvangen die minder bedraagt dan het bedrag dat zij in december 2019 ontvingen op grond van de AKBW en de wet van 20 juli 1971. De in het geding zijnde bepaling strekt bijgevolg ertoe de rechten te vrijwaren die de Brusselse gezinnen hadden verworven vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019 (Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2018-2019, nr. B-160/1, p. 7). B.1.4. Concreet wordt, op grond van de in het geding zijnde bepaling, het kinderbijslagbedrag dat een bijslagtrekkende heeft ontvangen onder de regeling van de AKBW en van de wet van 20 juli 1971 in de maand december 2019, vergeleken met het kinderbijslagbedrag waarop dezelfde bijslagtrekkende recht heeft op grond van de ordonnantie van 25 april 2019. Indien, na die vergelijking, blijkt dat het kinderbijslagbedrag dat is verschuldigd voor december 2019 onder de regeling van de AKBW en van de wet van 20 juli 1971, hoger ligt dan hetwelk voortvloeit uit de toepassing van de ordonnantie van 25 april 2019, zal de bijslagtrekkende verder kinderbijslag ontvangen op grond van de vroegere gezinsbijslagregeling. 9 Overeenkomstig artikel 39, 9°, van de ordonnantie van 25 april 2019, is de overgangsregeling niet langer van toepassing wanneer aan de bijslagtrekkende eenzelfde of een hoger kinderbijslagbedrag verschuldigd is op grond van de ordonnantie van 25 april 2019, bijvoorbeeld bij gezinsuitbreiding. B.1.5. Zowel krachtens de artikelen 48 en 71, § 1, eerste lid, van de AKBW als krachtens artikel 23 van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt de kinderbijslag in beginsel aan de bijslagtrekkende uitgekeerd in de loop van de maand die volgt op de gebeurtenis die het recht op kinderbijslag doet ontstaan. Bij een geboorte gaat het om de maand die volgt op die van de geboorte van het kind. Artikel 48 van de AKBW bepaalt : « De toekenning van de kinderbijslag vangt aan vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het recht op kinderbijslag ontstaat. [...] ». Artikel 71, § 1, eerste lid, van de AKBW bepaalt : « De kinderbijslag is maandelijks betaalbaar in de loop van de maand die volgt op deze waarop hij betrekking heeft ». Artikel 23 van de ordonnantie van 25 april 2019 bepaalt : « De kinderbijslag is maandelijks betaalbaar in de loop van de maand die volgt op deze waarop hij betrekking heeft. [...] ». B.1.6. Daar de kinderbijslag wordt betaald in de loop van de maand die volgt op die van de geboorte van het kind, hebben de kinderen die in december 2019 zijn geboren, geen aanleiding gegeven tot de betaling van kinderbijslag aan de bijslagtrekkende onder de regeling van de AKBW en van de wet van 20 juli 1971. Hieruit vloeit voort dat, in de vergelijking van de kinderbijslagbedragen die aan de bijslagtrekkende verschuldigd zijn op grond van de vroegere en de nieuwe 10 kinderbijslagregeling, voor het kind dat in december 2019 is geboren geen enkel bedrag in aanmerking wordt genomen in het totaalbedrag van de kinderbijslag die de bijslagtrekkende heeft ontvangen in de maand december 2019 onder de regeling van de AKBW en van de wet van 20 juli 1971. B.2.1. Artikel 35 van de ordonnantie van 25 april 2019 voorziet in een stelselmatige vermindering met tien euro van de basisbedragen van de kinderbijslag die op grond van die ordonnantie tot 31 december 2025 verschuldigd is voor de rechtgevende kinderen die zijn geboren vóór 1 januari 2020. Het bepaalt : « Voor de kinderen geboren voorafgaand aan de inwerkingtredingsdatum van deze ordonnantie, worden voor de periode tussen die inwerkingtredingsdatum en 31 december 2025 de bedragen van 150, 160 en 170 euro voorzien in artikel 7 elk verminderd met 10 euro ». B.2.2. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat die maatregel bestaande in de vermindering van de basisbedragen van de kinderbijslag is opgevat om « het financiële evenwicht te bewaren van de regeling die door de ordonnantie wordt ingericht, en dit gedurende de eerste jaren van de toepassing ervan » (Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2018-2019, nr. B-160/1, pp. 7 en 20). Ten aanzien van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019 Wat betreft de artikelen 10 en 11 van de Grondwet B.3. De verwijzende rechters vragen of het verschil in behandeling dat wordt ingevoerd door de in het geding zijnde bepaling, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 48 van de AKBW, tussen, - enerzijds, de rechtgevende kinderen die zijn geboren in december 2019 en voor wie geen enkel bedrag in aanmerking is genomen in het totaalbedrag van de kinderbijslag waarop de bijslagtrekkende recht heeft met toepassing van de AKBW en van de wet van 20 juli 1971, 11 totaalbedrag dat vervolgens wordt vergeleken met het totaalbedrag van de kinderbijslag die verschuldigd is aan de bijslagtrekkende met toepassing van de ordonnantie van 25 april 2019, en, - anderzijds, de andere rechtgevende kinderen die zijn geboren vóór 1 januari 2020 en voor wie het kinderbijslagbedrag waarop zij recht geven met toepassing van de AKBW en de wet van 20 juli 1971 in aanmerking wordt genomen in het totaalbedrag van de kinderbijslag die werd ontvangen onder de vroegere kinderbijslagregeling, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Het Hof wordt tevens verzocht te oordelen of de in het geding zijnde bepaling afbreuk doet aan de gewettigde verwachtingen van de kinderen die in december 2019 zijn geboren. B.4.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.4.2.1. Elke wetswijziging of het uitvaardigen van een volledig nieuwe regeling zou onmogelijk worden, mocht worden aangenomen dat een nieuwe bepaling in strijd zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere wetgeving wijzigt. Zulks is des te meer het geval wanneer de wetswijziging plaatsheeft na een bevoegdheidsoverdracht. Na een dergelijke bevoegdheidsoverdracht van de federale Staat naar de gemeenschappen en gewesten zou aan de autonomie van de gemeenschappen en de gewesten afbreuk worden gedaan indien elke wijziging van de vroegere federale wetgeving ipso facto een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou inhouden. 12 B.4.2.2. Het staat in beginsel aan de wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dit beginsel is nauw verbonden met het rechtszekerheidsbeginsel, dat de wetgever verbiedt om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. B.5. Het verschil in behandeling tussen de in B.3 geïdentificeerde categorieën van personen berust op een objectief criterium, namelijk de geboortedatum van het rechtgevende kind. B.6.1. Zoals is vermeld in B.1.3, heeft de ordonnantiegever met de invoering van de betwiste overgangsregeling getracht de verworven rechten van de Brusselse gezinnen inzake kinderbijslag te vrijwaren. B.6.2. De in het geding zijnde overgangsregeling waarborgt dat de gezinnen die in december 2019 op grond van de AKBW en van de wet van 20 juli 1971 een kinderbijslagbedrag ontvingen dat hoger lag dan hetwelk zij zouden ontvangen op grond van de ordonnantie van 25 april 2019, dat hoger bedrag blijven genieten. Hierdoor vrijwaart de in het geding zijnde bepaling de verworven rechten van de bijslagtrekkenden. B.6.3. De rechtgevende kinderen die in december 2019 zijn geboren, hebben daarentegen geen aanleiding gegeven tot de toekenning van kinderbijslag onder de regeling van de AKBW en van de wet van 20 juli 1971. Hoewel zij een recht op kinderbijslag vanaf hun geboorte hebben doen ontstaan, hebben die kinderen in december 2019 geen recht verworven op het kinderbijslagbedrag met toepassing van de AKBW en van de wet van 20 juli 1971. Anders gezegd, die kinderen hebben in december 13 2019 geen recht verworven op de betaling van het kinderbijslagbedrag met toepassing van de AKBW en van de wet van 20 juli 1971. B.6.4. Het criterium van onderscheid bereikt dus het daarmee beoogde doel en is derhalve relevant. B.7.1. Het Hof moet voorts nagaan of de in het geding zijnde bepaling onevenredige gevolgen heeft voor de kinderen die in december 2019 zijn geboren of voor hun bijslagtrekkenden. B.7.2. In sociaal-economische aangelegenheden beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Het staat enkel aan het Hof de beleidskeuzes van de wetgever en de redenen die daaraan ten grondslag liggen, af te keuren indien zij steunen op een kennelijke vergissing of kennelijk onredelijk zijn. B.7.3. In tegenstelling tot de Waalse en Vlaamse decreetgevers heeft de Brusselse ordonnantiegever geopteerd voor een regeling waarin de vroegere wetgeving en de nieuwe wetgeving inzake kinderbijslag niet tegelijkertijd van toepassing kunnen zijn op dezelfde broers en zussen, maar waarin het hele gezin op 1 januari 2020 wordt opgenomen in de regeling van de ordonnantie van 25 april 2019 « met betaling van het verschil in het geval waarin blijkt dat het oude bedrag hoger was dan het nieuwe bedrag » (Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2018-2019, nr. B-160/2, p. 6). B.7.4. Het blijkt niet dat de betwiste overgangsregeling onevenredige gevolgen zou hebben voor de kinderen die zijn geboren in december 2019, noch voor hun bijslagtrekkenden. Enerzijds geven die kinderen recht op de uitkering van kinderbijslag in de nieuwe kinderbijslagregeling, die op hen van toepassing is indien het totaalbedrag dat het gezin ontvangt voordeliger is dan hetwelk dat gezin in december 2019 heeft ontvangen. Anderzijds, zoals is vermeld in B.6.2, waarborgt de regeling dat de Brusselse gezinnen, met inbegrip van diegene met kinderen die zijn geboren in december 2019, niet minder zullen ontvangen dan wat zij daadwerkelijk hebben ontvangen aan kinderbijslag vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019. 14 B.8.1. Daarnaast konden de bijslagtrekkenden van de rechtgevende kinderen die zijn geboren in december 2019 niet legitiem verwachten dat de kinderbijslagregeling van de AKBW en van de wet van 20 juli 1971 op hen van toepassing zou blijven na 1 januari 2020. B.8.2. Het feit dat de kinderen die zijn geboren vóór 1 januari 2020 een geboortepremie hebben ontvangen op grond van de AKBW, kan die vaststelling niet veranderen. B.9. De in het geding zijnde bepaling is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel van het gewettigd vertrouwen. Wat betreft artikel 23 van de Grondwet B.10. De verwijzende rechters vragen vervolgens of artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 48 van de AKBW, bestaanbaar is met artikel 23 van de Grondwet. B.11. Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. B.12.1. Zoals is vermeld in B.6.3 en B.7.4, openen de kinderen die in december 2019 zijn geboren een recht op de uitkering van kinderbijslag onder de gezinsbijslagregeling van de ordonnantie van 25 april 2019. Overigens hebben die kinderen in december 2019 geen recht verworven op de betaling van het kinderbijslagbedrag waarop zij aanspraak hadden kunnen maken indien de regeling van de AKBW en van de wet van 20 juli 1971 niet was opgeheven bij de ordonnantie van 25 april 2019. Bovendien blijft het gezin van het rechtgevende kind dat in 2019 is geboren, vanaf 1 januari 2020 minstens hetzelfde kinderbijslagbedrag ontvangen als hetwelk aan dat gezin is uitgekeerd in december 2019. 15 B.12.2. De rechtgevende kinderen die in december 2019 zijn geboren, alsook hun bijslagtrekkenden, hebben bijgevolg geen vermindering ondergaan van het beschermingsniveau dat hun inzake kinderbijslag werd geboden op het ogenblik van de inwerkingtreding van de ordonnantie. B.12.3. De in het geding zijnde bepaling is bestaanbaar met artikel 23 van de Grondwet dus. Ten aanzien van artikel 35 van de ordonnantie van 25 april 2019 B.13. In de zaak nr. 7507 vraagt de verwijzende rechter aan het Hof, in de hypothese dat het Hof eerst de grondwettigheid zou vaststellen van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, of artikel 35 van dezelfde ordonnantie bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 6°, van de Grondwet, in zoverre de in het geding zijnde bepaling, die voorziet in een vermindering met tien euro van het basisbedrag van de kinderbijslag die verschuldigd is met toepassing van de ordonnantie van 25 april 2019, zonder onderscheid van toepassing is op alle kinderen die zijn geboren vóór 1 januari 2020, met inbegrip van de kinderen die zijn geboren in december 2019 « terwijl hun recht op kinderbijslag pas is ingegaan op 1 januari 2020 ». B.14. Artikel 35 van de ordonnantie van 25 april 2019 voert een gelijke behandeling in onder alle rechtgevende kinderen die zijn geboren vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019, met andere woorden tussen de kinderen die in december 2019 zijn geboren en die geen aanleiding hebben gegeven tot de betaling van kinderbijslag onder de regeling van de AKBW en van de wet van 20 juli 1971, en de andere kinderen die zijn geboren vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019 en die wel aanleiding hebben gegeven tot de betaling van kindergeld onder de regeling van de AKBW en van de wet van 20 juli 1971. B.15.1. Zoals is vermeld in B.2.2 bestaat het doel van de in het geding zijnde bepaling erin het budgettaire evenwicht van de Brusselse hervorming inzake kinderbijslag te waarborgen. In de parlementaire commissie heeft de minister gepreciseerd : 16 « Een verlaging van het basisbedrag van 10 euro voor kinderen geboren vóór 1 januari 2020 leidt tot een besparing van 30 miljoen euro in 2020 (dat model maakt het mogelijk om 40 miljoen euro te besparen terwijl het bedrag van de verworven rechten met 10 miljoen euro toeneemt). Aangezien alleen kinderen die in 2020 geboren zijn recht hebben op het bedrag van 150 euro, wat een toename van 2 miljoen euro met zich meebrengt, zullen bijna uitsluitend de bedragen van het overgangsmodel worden toegekend. Dat bedrag van 2 miljoen euro wordt als volgt berekend : aantal kinderen dat per jaar in Brussel wordt geboren (ongeveer 1.100) x 150 x 12. Meer gezinnen zouden baat hebben bij het huidige federale systeem als er extra besparingen op het basisbedrag zouden worden gerealiseerd, waardoor het verschil tussen de twee modellen en dus het totale bedrag van de verworven rechten zou toenemen » (Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2018-2019, nr. B-160/2, pp. 28-29). B.15.2. De vermindering met tien euro van het basisbedrag van de kinderbijslag voor de rechtgevende kinderen die zijn geboren vóór de inwerkingtreding op 1 januari 2020 vormt een maatregel die kan bijdragen tot de handhaving van het budgettaire evenwicht van een hervorming inzake kinderbijslag zonder afbreuk te doen aan de rechten die reeds verworven zijn. B.16.1. De vraag rijst of de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen heeft voor de rechtgevende kinderen die zijn geboren in december 2019 en voor hun bijslagtrekkenden. B.16.2.1. In de memorie van toelichting wordt vermeld : « Er is gebleken dat deze oplossing redelijk verantwoord en evenredig was. In ieder geval werd ze geschikter bevonden dan een niet-indexeringsmaatregel die zou hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de overname van het beheer en de betaling door de GGC en die had toegelaten om de rekeningen in evenwicht te brengen vanaf 2020. Deze oplossing werd echter van de hand gewezen aangezien ze alle rechtgevende kinderen voorafgaand aan 1 januari 2020 op willekeurige wijze zou raken, en dus ook diegene die tot de meest behartenswaardige categorieën behoren. Het gekozen systeem is daarentegen, rekening houdend met de regeling van de verworven rechten [...], gedurende een beperkte periode minder gunstig voor de gezinnen die vanaf 1 januari 2020 in het systeem intreden, voor wat betreft de kinderen die voorafgaand aan deze datum zijn geboren. Rekening houdend met deze context, beschikken deze gezinnen niet over rechtmatige verwachtingen die niet worden geëerbiedigd bij de inwerkingtreding van de hervorming » (Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2018-2019, nr. B-160/1, pp. 8-9). In de parlementaire commissie heeft de minister gepreciseerd : 17 « Daar het de bedoeling is om stelselmatig, op het ogenblik van de overgang, het hoogste bedrag toe te kennen, lopen de kosten van dit overgangssysteem natuurlijk hoger op. We hebben nooit overwogen om het sterke basisbedrag op te offeren voor een overgangssysteem. Dit zou er immers op neerkomen alle kinderen te bestraffen die nog zullen worden geboren ten voordele van de kinderen die al geboren zijn op het ogenblik van de overgang. Een oplossing die toelaat de kosten van het systeem met inkanteling te beperken en tegelijk niet te raken aan het basisbedrag, bestond erin een overgangsmodel in te voeren voor de kinderen die vóór 1 januari 2020 zijn geboren. De vergelijking tussen het oude en het nieuwe systeem, voor deze kinderen, wordt niet gemaakt op basis van het model met de bedragen 150-160-170, maar op basis van een model met de bedragen 140-150-160, tot en met het jaar 2025. Deze fasering wordt vastgesteld om garanties te bieden voor het financieel evenwicht van het ingevoerde systeem, in de eerste jaren van zijn toepassing » (Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2018-2019, nr. B-160/2, pp. 6-7). B.16.2.2. Hieruit vloeit voort dat de ordonnantiegever ervoor heeft gekozen de in het geding zijnde maatregel toe te passen op alleen de rechtgevende kinderen die zijn geboren vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019 en die deel uitmaken van gezinnen waarvoor de nieuwe kinderbijslagregeling per hypothese voordeliger is dan de regeling die is ingevoerd door de AKBW en de wet van 20 juli 1971, en dit om twee redenen. Allereerst heeft hij niet de kinderen willen « bestraffen » die zijn geboren na 1 januari 2020, door hun de kostprijs te doen dragen van de overgangsregeling, die alleen ten goede zou komen aan kinderen die zijn geboren vóór 1 januari 2020. Vervolgens heeft de ordonnantiegever ervoor gekozen maatregelen uit te sluiten die alle kinderen zouden hebben getroffen die zijn geboren vóór 1 januari 2020, met inbegrip van diegenen die behoren tot de meest kwetsbare categorieën. B.16.3. In sociaal-economische aangelegenheden kan het Hof dergelijke beleidskeuzes van de wetgever en de motieven die daaraan ten grondslag liggen, alleen afkeuren indien zij steunen op een kennelijke vergissing of kennelijk onredelijk zijn. B.16.4. Zoals vermeld is in B.1.6, hebben alleen kinderen die vóór 1 december 2019 zijn geboren, aanleiding gegeven tot de betaling van kinderbijslag aan de bijslagtrekkende onder de regeling van de AKBW en van de wet van 20 juli 1971. 18 B.16.5. Net als de kinderen die zijn geboren in januari 2020 en erna, hebben de kinderen die in december 2019 zijn geboren, geen aanleiding gegeven tot de toekenning van kinderbijslag op grond van de vroegere kinderbijslagregeling. In de hypothese dat de gezinnen van die kinderen de overgangsregeling van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019 genieten, met andere woorden indien zij het kinderbijslagbedrag dat hun is uitgekeerd in december 2019 blijven ontvangen omdat het nog steeds hoger is dan het bedrag dat die gezinnen zouden ontvangen op grond van de ordonnantie, tellen overigens zowel de in december 2019 geboren kinderen als de kinderen die na de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019 zijn geboren, slechts voor nul euro in het totaalbedrag van de kinderbijslag dat verschuldigd is op basis van de vroegere kinderbijslagregeling. In de hypothese dat de kinderbijslagregeling van de ordonnantie van 25 april 2019 voordeliger is voor die gezinnen, wordt het basisbedrag van de kinderbijslag die op grond van de ordonnantie wordt uitgekeerd voor hun kinderen die in december 2019 zijn geboren, daarentegen verminderd met tien euro, hetgeen nochtans niet het geval is voor de kinderen die zijn geboren na de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019 en voor wie de gezinnen kinderbijslag hebben ontvangen op grond van de vroegere kinderbijslagregeling. B.16.6. Gelet op hetgeen voorafgaat, is het onevenredig dat de rechtgevende kinderen die zijn geboren in december 2019 en die deel uitmaken van gezinnen waarvoor de nieuwe kinderbijslagregeling voordeliger is dan de vorige, de kostprijs van de overgangsregeling van artikel 39 van de ordonnantie op dezelfde wijze moeten dragen als de andere rechtgevende kinderen die zijn geboren vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019. Ten opzichte van die andere kinderen bevinden de in december 2019 geboren kinderen zich in een wezenlijk verschillende situatie in het licht van de in het geding zijnde bepaling. B.17. De gelijke behandeling is derhalve niet redelijk verantwoord in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.18. Het onderzoek van de bestaanbaarheid van het in het geding zijnde artikel 35 met artikel 23 van de Grondwet en met het daarin vervatte standstill-beginsel, kan niet leiden tot een ruimere vaststelling van schending. 19 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 35 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van kinderbijslag » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het van toepassing is op de rechtgevende kinderen die zijn geboren in december 2019 en op hun bijslagtrekkenden. - Artikel 39 van dezelfde ordonnantie schendt de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 juni 2022. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.081 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.083 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div