id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.082 Arrest- Rolnummer: 82/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 694 - laatst gezien 2026-06-18 14:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging - Handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepalingen (voor de schooljaren 2021-2022, 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot vernietiging van de artikelen 2, 3 en 4, alsook van de bijlagen 1 tot 7, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 februari 2021 « betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen », ingesteld door de vzw « Katholiek Onderwijs Vlaanderen » en anderen en door de vzw « Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen » en anderen. Onderwijs - Vlaamse Gemeenschap - Secundair onderwijs - Tweede en derde graad - Onderwijsdoelen - Eindtermen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 82/2022 van 16 juni 2022 Rolnummers : 7578, 7588 en 7589 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 2, 3 en 4, alsook van de bijlagen 1 tot 7, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 februari 2021 « betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen », ingesteld door de vzw « Katholiek Onderwijs Vlaanderen » en anderen en door de vzw « Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 17 mei 2021 en 31 mei 2021 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 19 mei 2021 en 1 juni 2021, zijn beroepen tot vernietiging van de artikelen 2, 3 en 4, alsook van de bijlagen 1 tot 7, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 februari 2021 « betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 mei 2021) ingesteld door
(1)de vzw « Katholiek Onderwijs Vlaanderen »,
(2)de vzw « Organisatie Broeders van Liefde »,
(3)de vzw « Comité voor Onderwijs Annuntiaten Heverlee »,
(4)de vzw « Onderwijsinrichtingen Voorzienigheid »,
(5)de vzw « Katholiek Onderwijs Brussel Annuntiaten »,
(6)de vzw « Katholiek Onderwijs regio Halle Annuntiaten »,
(7)de vzw « Scholen voor Buitengewoon Onderwijs De Triangel »,
(8)de vzw « Don Bosco Onderwijscentrum »,
(9)de vzw « Ignatiaanse Scholen Antwerpen »,
(10)de vzw « INIGO, Ignatiaanse Scholen »,
(11)de vzw « OZCS-Koepel »,
(12)de vzw « Oscar Romeroscholen »,
(13)de vzw « Karel de Goede »,
(14)de vzw « Katholiek Onderwijs Bisdom Antwerpen »,
(15)de vzw « Scholengemeenschap Katholiek Secundair Onderwijs Vlaamse Ardennen »,
(16)de vzw « Sint-Donatusinstellingen Merchtem »,
(17)de 2 vzw « EDUGO Scholengroep »,
(18)de vzw « Zaventems Vrij Onderwijs (ZAVO) »,
(19)de vzw « Leuvense Katholieke Scholen aan de Dijle (LKSD) »,
(20)de vzw « Secundair Onderwijs Sint-Quintinus »,
(21)de vzw « Katholiek Vlaams Onderwijs »,
(22)de vzw « Katholiek Onderwijs Land van Waas »,
(23)de vzw « OZCS West-Brabant »,
(24)de vzw « OZCS Keerbergen »,
(25)de vzw « OZCS Noord-Kempen »,
(26)de vzw « OZCS Midden-Kempen »,
(27)de vzw « OZCS Zuid-Antwerpen »,
(28)de vzw « OZCS Zuid- Kempen »,
(29)de vzw « Scholengroep Katholiek Onderwijs Brugge en Ommeland (SKOBO) »,
(30)de vzw « Scholengemeenschap Katholiek Secundair Onderwijs Sint-Donaas »,
(31)de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Oudenaarde »,
(32)de vzw « Ignatius Scholen in Beweging »,
(33)de vzw « KOBA Metropool »,
(34)de vzw « KOBA NoordkAnt »,
(35)de vzw « KOBA Zuiderkempen »,
(36)de vzw « KOBA Voorkempen »,
(37)de vzw « KOBA de Nete »,
(38)de vzw « KOBA Noorderkempen »,
(39)de vzw « KOBArT »,
(40)de vzw « KOBA ZuidkANT »,
(41)de vzw « KOBA Hoogstraten »,
(42)de vzw « Katholiek Onderwijs Hinterland »,
(43)de vzw « Spectrumcollege »,
(44)de vzw « Berkenboomscholen »,
(45)de vzw « Opvoeding En Cultuur in het Bisdom Antwerpen »,
(46)de vzw « Katholieke Scholen Heusden-Zolder »,
(47)de vzw « Vrij Onderwijs Regio Aalst (VORA) »,
(48)de vzw « Vrij Katholiek Onderwijs te Herzele »,
(49)de vzw « Katholiek Onderwijs Groot-Beveren »,
(50)de vzw « Katholieke Scholen Groot-Bornem »,
(51)de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Maasmechelen-de helix »,
(52)de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs van de Zusters van de Voorzienigheid »,
(53)de vzw « Annuntia Scholen »,
(54)de vzw « Katholiek Onderwijs Wetteren »,
(55)de vzw « Vrij Katholiek Secundair Onderwijs Lievegem »,
(56)de vzw « Katholieke Scholengroep RHIZO »,
(57)de vzw « Katholiek Onderwijs Denderleeuw en Welle »,
(58)de vzw « Vrij Katholiek Onderwijs Maldegem »,
(59)de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Zottegem »,
(60)de vzw « Katholiek Onderwijs Ronse »,
(61)de vzw « Vrij Onderwijs Blankenberge-Wenduine »,
(62)de vzw « Katholiek Onderwijs Geel-Kasterlee »,
(63)de vzw « KSOM »,
(64)de vzw « Prizma »,
(65)de vzw « KOHH »,
(66)de vzw « Hasp-O SZZ »,
(67)de vzw « KITOS »,
(68)de vzw « Petrus & Paulus »,
(69)de vzw « Diocesaan Schoolcomité Denderstreek-Zuid »,
(70)de vzw « Centraal Katholiek Schoolcomité van Antwerpen »,
(71)de vzw « WICO »,
(72)de vzw « Verwondering »,
(73)de vzw « Anker »,
(74)de vzw « Priester Daens College »,
(75)de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Onze-Lieve-Vrouw Tongeren-Borgloon »,
(76)de vzw « Instituut van het Heilig Graf »,
(77)de vzw « Vrij Technisch Instituut Deinze »,
(78)de vzw « Atlas College »,
(79)de vzw « Sint-Gerardusscholen »,
(80)de vzw « Instituut Ste. Elisabeth »,
(81)de vzw « Schoolcomité van het Sint-Franciscusinstituut »,
(82)de vzw « Onze-Lieve-Vrouwlyceum »,
(83)de vzw « Sint-Barbaracollege »,
(84)de vzw « Margareta-Maria-Instituut »,
(85)de vzw « Vita et Pax-College Schoten »,
(86)de vzw « Sportschool Meulebeke »,
(87)de vzw « SALCO »,
(88)de vzw « Lemmensinstituut »,
(89)de vzw « Heilig-Hartcollege-Tervuren »,
(90)de vzw « Sint-Lievenscollege »,
(91)de vzw « Instituut voor Verpleegkunde Sint-Vincentius »,
(92)de vzw « VISO »,
(93)de vzw « Basisschool en Humaniora DvM »,
(94)de vzw « Mariagaard »,
(95)de vzw « Sint-Lodewijk »,
(96)de vzw « Hotelschool Ter Duinen »,
(97)de vzw « Sint-Jozefcollege Turnhout »,
(98)de vzw « Schoolcomité Sint- Joris »,
(99)de vzw « Instituut Spes Nostra »,
(100)de vzw « Sint-Goedele Brussel »,
(101)de vzw « Onze-Lieve-Vrouwinstituut Boom »,
(102)de vzw « College O.-L.-V.-ten-Doorn »,
(103)de vzw « Instituut Sint Ursula »,
(104)de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Waregem-Anzegem-Avelgem »,
(105)de vzw « Dominiek Savio »,
(106)de vzw « Windekind »,
(107)de vzw « Sint-Andreasinstituut »,
(108)de 3 vzw « Sint-Lukas Kunstschool Brussel »,
(109)de vzw « Sint-Gabriëlcollege »,
(110)de vzw « Inrichtend Comité Sint-Lucas Gent »,
(111)de vzw « Abdijschool van Zevenkerken »,
(112)de vzw « Instituut voor Voeding »,
(113)de vzw « ZoWe Verpleegkunde »,
(114)de vzw « Sint-Lodewijk-Brugge »,
(115)de vzw « Vlaamse Confederatie van Ouders en Ouderverenigingen »,
(116)H.G.,
(117)S. V.E.,
(118)M.D.,
(119)D.P.,
(120)A.S.,
(121)G.N.,
(122)W.S.,
(123)W.G.,
(124)E. V.E.,
(125)T.B.,
(126)M.P. en
(127)E.N., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Roets, Mr. S. Sottiaux en Mr. L. Janssens, advocaten bij de balie van Antwerpen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 31 mei 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 juni 2021, is beroep tot vernietiging van dezelfde decreetsbepalingen ingesteld door
(1)de vzw « Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen »,
(2)de vzw « Middelbare Steinerschool Vlaanderen »,
(3)de vzw « Hiberniaschool, Middelbare Steinerschool Antwerpen »,
(4)Hermelinde Laga,
(5)Paul Philippe Stevens,
(6)Wilbert Lambrechts en
(7)Guy Steegmans, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. De Schepper en Mr. J.-F. De Bock, advocaten bij de balie te Brussel. Bij dezelfde verzoekschriften vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde decreetsbepalingen. Bij het arrest nr. 113/2021 van 22 juli 2021, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 september 2021, heeft het Hof de vorderingen tot schorsing verworpen. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7578, 7588 en 7589 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : -
(1)« H/Art voor onderwijs »,
(2)Leen Ooms,
(3)Wim Winten,
(4)Werner Geboers,
(5)Ilse Roman,
(6)Griet Van Heddeghem,
(7)Evi Hoebrechts,
(8)Brechtje Louwaard,
(9)Iwan Verhulst,
(10)Kris Daems,
(11)Kathy Colpaert,
(12)Margareta Claeys,
(13)Kurt Snaet,
(14)Stefan Wesemael,
(15)Sophie Machtelinckx,
(16)Leen Strybol,
(17)Sonia Vanderveken,
(18)Noortje Dekker,
(19)Luc Dondeyne,
(20)Annelies Bergmans,
(21)Yves van den Boogaart,
(22)Julie Goetgebuer,
(23)Paul Vandekerckhove,
(24)Silvia Defrance,
(25)Guido Suykens,
(26)Emmanuel Box,
(27)Elke Wandelseck,
(28)Kurt Snaet,
(29)Janni Van Goor,
(30)Frederik Heyman,
(31)Saskia Boelens,
(32)Carine Demeuleneere,
(33)Winnie Bauwens,
(34)Anja Moors,
(35)Tanja Oostvogels,
(36)Vicky Lema,
(37)Natascha Vanhulsel,
(38)Daan Buys,
(39)Stefan de Clippele,
(40)Ellen Bollansee,
(41)Ine Dingenen,
(42)Tinne Driesen,
(43)Ans De Cnodder,
(44)David Huet,
(45)Ester Nackaerts,
(46)Martine Willemsens,
(47)Peter Coupé,
(48)Iris Meynen,
(49)Erika Torfs,
(50)Laurence Vlerick,
(51)Chokri Ben Chikha,
(52)Anne-Mie Van Kerckhoven,
(53)Senne Guns,
(54)Rita Van Damme,
(55)Ann Van Herreweghe,
(56)Marijke Vandekerckhove,
(57)François Antoine,
(58)Noël Quintyn,
(59)Michelle Adriaense,
(60)Kris Goubert,
(61)Tamara Van Schaeren,
(62)Katrien Reist en
(63)Kobe Matthijs; - de vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Peeters, advocaat bij de balie van Antwerpen; 4 - het « Gemeenschapsonderwijs GO! » en de vzw « GO! ouders », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Pertry en B. Martel, advocaten bij de balie te Brussel; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Logie, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, en door Mr. D. Vanheule, advocaat bij de balie te Gent. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen »; - het « Gemeenschapsonderwijs GO! » en de vzw « GO! ouders »; - de Vlaamse Regering. Bij beschikking van 2 februari 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman te hebben gehoord, de zaken in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 9 maart
- Op de openbare terechtzitting van 9 maart 2022 : - zijn verschenen : . Mr. J. Roets en Mr. S. Sottiaux, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588; . Mr. V. De Schepper, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7589; . Mr. T. Peeters, voor de vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » (tussenkomende partij); . Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. V. Pertry, voor het « Gemeenschapsonderwijs GO! » en de vzw « GO! ouders » (tussenkomende partijen); . Mr. S. Logie en Mr. D. Vanheule, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 5 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat de beroepen in de zaken nrs. 7578 en 7588 betreft A.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588 zetten uiteen dat de bestreden bepalingen nieuwe onderwijsdoelen invoeren en zijn van oordeel dat zij doen blijken van een belang bij het beroep tot vernietiging van die bepalingen. De eerste verzoekende partij is de ledenvereniging en netwerkorganisatie van de vrije katholieke scholen in Vlaanderen. Zij meent dat zij rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt door de bestreden bepalingen omdat zij een belangrijke rol speelt in het ontwikkelen van de leerplannen die de scholen toepassen en omdat zij de belangen behartigt van die scholen op basis van de vrijheid van onderwijs. De 2e tot en met de 75e verzoekende partij zijn scholengroepen en lokale onderwijskoepels van het vrij katholiek onderwijs en motiveren hun belang op een gelijksoortige wijze als de eerste verzoekende partij. De 77e tot en met de 114e verzoekende partij zijn schoolbesturen van het vrij katholiek onderwijs. Zij menen dat zij belang hebben omdat de bestreden bepalingen hun actieve vrijheid van onderwijs inperken en omdat de scholen die er niet in slagen de nieuwe onderwijsdoelen te behalen, zullen worden geraakt in hun recht op erkenning en subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap. De 115e verzoekende partij is de ouderkoepel van het vrij onderwijs in Vlaanderen, de 116e tot en met de 122e verzoekende partij zijn ouders van schoolgaande kinderen en de 123e tot en met de 127e verzoekende partijen zijn schoolgaande kinderen. Zij menen dat zij belang hebben doordat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan de vrije schoolkeuze van de ouders en de leerlingen en doordat de leerlingen worden geraakt in hun recht op kwalitatief onderwijs. De verzoekende partijen verwijzen naar het arrest van het Hof nr. 113/2021 van 22 juli 2021 en leiden eruit af dat minstens de partijen die secundaire scholen zijn, belang hebben bij een vernietiging van de bestreden bepalingen en dat de mogelijkheid om een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen in te dienen bij de Vlaamse Regering daar geen afbreuk aan doet. A.
- De verzoekende partijen wijzen erop dat de bestreden bepalingen op het ogenblik van het indienen van hun verzoekschrift in de zaak nr. 7578 nog niet in het Belgisch Staatsblad waren bekendgemaakt. Zij menen niettemin dat hun beroep in die zaak ontvankelijk is ratione temporis en verwijzen daarbij naar het arrest van het Hof nr. 109/2014 van 17 juli
- Zij zetten uiteen dat zij na de bekendmaking van de bestreden bepalingen in het Belgisch Staatsblad een tweede verzoekschrift (zaak nr. 7588) hebben ingediend dat identiek is aan het eerder ingediende verzoekschrift, en dat dit tweede verzoekschrift louter is ingegeven door de bekommernis om hun rechten veilig te stellen wat de ontvankelijkheid van hun verzoek betreft. A.3.
- De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen, daar de scholen op grond van artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs beschikken over de mogelijkheid om een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen in te dienen bij de Vlaamse Regering. A.3.
- Het « Gemeenschapsonderwijs GO! » (hierna : het GO!) en de vzw « GO! ouders », tussenkomende partijen, betwisten het belang van de verzoekende partijen niet, maar menen dat het beroep minstens gedeeltelijk niet ontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting van de aangevoerde middelen. Wat het beroep in de zaak nr. 7589 betreft A.
- Ook de verzoekende partijen in de zaak nr. 7589 zijn van oordeel dat zij doen blijken van een belang bij het beroep tot vernietiging van de bestreden bepalingen. De eerste verzoekende partij is een vereniging die volgens haar statuten tot doel heeft de belangen van de Steinerscholen te verdedigen en de vrijheid van onderwijs te bevorderen. De tweede en de derde verzoekende partij zijn middelbare Steinerscholen. De vierde, de vijfde en de zesde verzoekende partij zijn ouders van leerlingen in het tweede of het vijfde leerjaar van een middelbare Steinerschool. De zevende verzoekende partij is een leerkracht in het eerste, tweede en derde leerjaar van een middelbare Steinerschool. De verzoekende partijen menen allen dat zij rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen omdat die bepalingen de Steinerscholen verhinderen om hun pedagogisch project te realiseren en het hun aldus onmogelijk maken om onderwijs te verstrekken of te ontvangen volgens de bijzondere pedagogische en onderwijskundige opvattingen van de Steinerscholen. 6 A.5.
- De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7589 op dezelfde wijze als die waarop zij het belang van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588 heeft betwist. A.5.
- Het GO! en de vzw « GO! ouders », tussenkomende partijen, betwisten het belang van de verzoekende partijen niet, maar menen dat het beroep minstens gedeeltelijk niet ontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting van de aangevoerde middelen. Wat de memorie van tussenkomst van « H/Art voor onderwijs » en anderen betreft A.
- De memorie van tussenkomst werd ingediend door 63 partijen die de beroepen tot vernietiging van de bestreden bepalingen wensen te ondersteunen. De eerste partij is de vereniging « H/Art voor onderwijs ». De tussenkomende partijen zetten uiteen dat die vereniging geen rechtspersoonlijkheid heeft en een losse organisatievorm betreft die de 2e tot en met de 61e tussenkomende partij gebruiken om hun ongenoegen over het bestreden decreet te uiten. De 2e tot en met de 50e partij zijn leerkrachten, leerlingenbegeleiders en coördinatoren in het kunstonderwijs. Zij menen dat zij belang hebben bij hun tussenkomst doordat de bestreden bepalingen de inrichtende machten van onderwijs dwingen om het kunstonderricht aanzienlijk terug te schroeven in hun leerplannen of om het naar een woensdagnamiddag te verschuiven en doordat die bepalingen onvoldoende ruimte laten voor creativiteit, reflectie en beschouwing in het kunstonderwijs. De 51e tot en met de 54e partij zijn kunstenaars en docenten of ex-docenten in het hoger kunstonderwijs. Zij menen dat hun belang bij de tussenkomst blijkt uit hun wens om te kunnen lesgeven in het secundair onderwijs. Zij doen gelden dat hun kansen om te worden aangesteld in het secundair onderwijs aanzienlijk zijn gedaald ten gevolge van het terugschroeven van het kunstonderricht in dat onderwijs. De 55e tot en met de 61e partij zijn ouders van leerlingen in het kunstonderwijs en leerlingen die het schooljaar 2021-2022 wensen aan te vatten in dat onderwijs. Zij menen dat hun belang bij de tussenkomst blijkt uit het feit dat de bestreden bepalingen de passieve onderwijsvrijheid en meer in het bijzonder de vrije schoolkeuze van de ouders en de leerlingen in het gedrang brengen. De laatste twee partijen maken deel uit van « State of the Arts », een alliantie die opkomt voor een cultuurbeleid dat afgestemd is op de feitelijke noden en werkwijzen van artiesten en zich inzet voor de verbetering van de werkomstandigheden van onafhankelijke kunstenaars en kunstwerkers. Zij menen dat hun belang bij de tussenkomst blijkt uit het feit dat de bestreden bepalingen het door hen nagestreefde cultuurbeleid doorkruisen en doordat zij een negatief effect hebben op, enerzijds, de mogelijkheid voor kunstenaars om te worden tewerkgesteld in het secundair onderwijs en, anderzijds, de uitstroom van leerlingen naar de kunstensector. A.
- De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen », tussenkomende partij, en de Vlaamse Regering voeren aan dat de memorie van tussenkomst van « H/Art voor onderwijs » en anderen slechts ontvankelijk is in zoverre zij uitgaat van de acht natuurlijke personen die de memorie hebben ondertekend. Zij wijzen erop dat de tussenkomende partijen geen advocaat hebben aangesteld en dat de memorie van tussenkomst enkel is ondertekend door acht natuurlijke personen. Zij menen bovendien dat de vereniging « H/Art voor onderwijs » niet kan tussenkomen in de onderhavige zaken, daar zij een feitelijke vereniging is. Wat de memorie van tussenkomst van het GO! en de vzw « GO! ouders » betreft A.
- Het GO! en de vzw « GO! ouders » wensen tussen te komen in de onderhavige zaken ter verdediging van de bestreden bepalingen en ter bestrijding van de grieven van de verzoekende partijen. Zij zetten uiteen dat de eerste tussenkomende partij het officieel onderwijs dat in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap wordt georganiseerd, vertegenwoordigt. Zij menen dat het GO! als onderwijsverstrekker beschikt over het rechtens vereiste belang om in de onderhavige procedure tussen te komen. Zij wijzen erop dat een vernietiging van de eindtermen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs ertoe zou leiden dat de oude eindtermen herleven, waardoor de scholen van het GO! zich plots geconfronteerd zouden zien met leerplannen die niet langer in overeenstemming zijn met de eindtermen. Bovendien dreigt er volgens hen voor de leerlingen een breuk te ontstaan in de leerlijnen en het curriculum, doordat de aan de oude eindtermen aan te passen leerplannen niet zullen zijn afgestemd op de structuurhervorming van het secundair onderwijs. Zij wijzen erop dat de tweede tussenkomende partij, volgens haar statuten, de ouderwerking en de oprichting van ouderverenigingen bij onderwijsinstellingen van het GO! stimuleert en begeleidt. Zij menen dat ook de tweede tussenkomende partij belang heeft bij de tussenkomst, daar een vernietiging van de bestreden bepalingen de belangen van de ouders en van hun kinderen onherroepelijk zou schaden. 7 Wat de memorie van tussenkomst van de vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » betreft A.
- De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » wenst tussen te komen in de onderhavige zaken ter verdediging van de bestreden bepalingen en ter bestrijding van de grieven van de verzoekende partijen. Zij zet uiteen dat zij de koepelorganisatie is van de provinciale scholen en centra in Vlaanderen en dat haar kerntaken bestaan uit belangenbehartiging, begeleiding en nascholing. Zij meent dat zij belang heeft bij de tussenkomst daar een vernietiging van de bestreden bepalingen tot gevolg zou hebben dat er rechtsonzekerheid zou ontstaan, dat onderwijs zou moeten worden verstrekt zonder vastgelegde eindtermen die zijn geformuleerd op grond van onderwijsdoelen en sleutelcompetenties zoals bepaald in de artikelen 137 tot 147 van de Codex Secundair Onderwijs en dat afbreuk zou worden gedaan aan de progressieve uitrol van de vernieuwing van het secundair onderwijs. Ten aanzien van de aangevoerde middelen In de zaken nrs. 7578 en 7588 Wat het eerste middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 betreft A.
- Het eerste middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 1, van de Grondwet. A.
- In het eerste onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de actieve vrijheid van onderwijs is geschonden, doordat de bestreden bepalingen onvoldoende ruimte laten voor het verwezenlijken van een eigen pedagogisch project. A.12.
- Uit de rechtspraak van het Hof leiden de verzoekende partijen af dat de actieve onderwijsvrijheid inhoudt dat de inrichtende machten van het onderwijs in beginsel hun eigen leerprogramma en pedagogische methoden kunnen bepalen en dat beide elementen het pedagogisch project van een school vormen. Zij menen dat daaruit volgt dat van de decreetgever kan worden verwacht dat hij, wanneer hij minimumdoelen vaststelt op het vlak van onderwijs, erover waakt dat het verwezenlijken van die doelen niet de volledige onderwijstijd in beslag neemt, om alzo voldoende tijd over te houden voor een brede vorming van de leerling, voor de professionele inbreng van de leraar en voor de eigen pedagogisch-didactische aanpak van de school. A.12.
- De verzoekende partijen beklemtonen dat zij zich niet verzetten tegen het gebruik van duidelijke eindtermen op zich en menen dat het gebruik ervan op zich verenigbaar is met de vrijheid van onderwijs. Zij erkennen dat eindtermen kunnen worden gebruikt om de kwaliteit van het onderwijs dat wordt gefinancierd of gesubsidieerd door de overheid te waarborgen, evenals om de onderlinge gelijkwaardigheid van dat onderwijs en de gelijkwaardigheid van de studiebewijzen en diploma’s veilig te stellen. Zij menen evenwel dat eindtermen minimumdoelen moeten zijn, die kunnen worden aangevuld door de eigen doelen van de onderwijsinstellingen, en dat die minimumdoelen geen afbreuk mogen doen aan de eigen pedagogische methoden van die instellingen. Dat de eindtermen minimumdoelen dienen te zijn, blijkt volgens hen uit de artikelen 139 en 143 van de Codex Secundair Onderwijs. Zij verwijzen in dit kader ook naar rechtspraak van het Hof, volgens welke wordt geraakt aan de vrijheid van onderwijs wanneer de eindtermen zo omvangrijk en gedetailleerd zijn dat niet in redelijkheid kan worden aangehouden dat het om minimale doelstellingen gaat. Zij menen dat uit die rechtspraak blijkt dat het voorhanden zijn van een afwijkingsprocedure niet volstaat om een schending van de vrijheid van onderwijs te voorkomen en dat de decreetgever ook moet voorzien in een regulier systeem van onderwijsdoelen, waarbij de inrichtende machten die geen bijzondere pedagogische methoden hanteren een redelijke ruimte hebben om hun actieve onderwijsvrijheid uit te oefenen. Zij doen gelden dat de vrijheid van onderwijs en het recht op kwalitatief onderwijs grondrechten zijn en dat het aan het Hof staat om beide grondrechten te waarborgen. Uit de rechtspraak van het Hof leiden zij af dat eindtermen geen noodzakelijke voorwaarde vormen voor de verwezenlijking van het recht op kwalitatief onderwijs. A.12.
- Wanneer een verduidelijking of herformulering van de eindtermen tot gevolg heeft dat de werklast toeneemt, kan die toename volgens de verzoekende partijen raken aan de vrijheid van onderwijs en dienen de nieuwe eindtermen de toets van de redelijkheid en evenredigheid te doorstaan. Zij menen dat de bestreden bepalingen die toets manifest niet doorstaan. Zij doen gelden dat het pedagogisch project van de katholieke scholen in het gedrang komt door die bepalingen, ten eerste, omdat de beschikbare lestijd te beperkt is om het eigen project 8 te realiseren en, ten tweede, omdat bepaalde eindtermen, mede door hun detaillistische en didactisch-sturende motivering, onverzoenbaar zijn met de christelijke visie van enkele onderwijsverstrekkers. Zij vestigen er de aandacht op dat in de loop van de totstandkoming van de bestreden bepalingen niet alleen de katholieke scholen, maar ook de Raad van State en andere onderwijsinstanties, de decreetgever hebben gewaarschuwd dat de in het voorontwerp en ontwerp van decreet vervatte eindtermen klaarblijkelijk niet haalbaar leken binnen de beschikbare onderwijstijd. A.12.
- Dat de bestreden bepalingen geen ruimte laten om het eigen pedagogisch project te realiseren, blijkt volgens de verzoekende partijen onder meer uit het feit dat de vrije scholen geen volwaardige plaats meer kunnen geven aan artistieke vorming in de modellessentabellen. Zij wijzen erop dat zij gedwongen worden om een clustervak MEAV (maatschappelijke, economische en artistieke vorming) in te richten waarin kunst slechts op een beperkte wijze aan bod kan komen. Zij menen daarnaast dat de bestreden bepalingen te veel inzetten op algemene vorming, waardoor de specifieke vorming in het gedrang komt. A.12.
- De verzoekende partijen illustreren hun kritiek op de bestreden bepalingen aan de hand van meerdere verklaringen van inrichtende machten van onderwijs, waarin wordt aangegeven op welke wijze de bestreden bepalingen hen verhinderen om hun pedagogisch project te verwezenlijken. A.
- In het tweede onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de actieve vrijheid van onderwijs is geschonden, doordat de bestreden bepalingen een pedagogisch-didactische sturing inhouden. A.14.
- Uit de rechtspraak van het Hof leiden de verzoekende partijen af dat de actieve vrijheid van onderwijs voor de inrichtende machten het recht inhoudt om onderwijs in te richten en aan te bieden dat zijn eigenheid vindt in bepaalde pedagogische of onderwijskundige opvattingen. Zij menen dat de bestreden bepalingen de pedagogische vrijheid van de onderwijsinstellingen inperken, doordat de vastgestelde eindtermen pedagogisch- didactisch sturend zijn. A.14.2.
- De didactische sturing van de eindtermen blijkt volgens de verzoekende partijen onder meer uit het feit dat bij het opstellen van die eindtermen ervoor werd gekozen de evalueerbaarheid ervan te enten op de herziene taxonomie van Bloom, een pedagogische taxonomie die in essentie is bedoeld voor de leerkracht om het beheersingsniveau van de leerling te evalueren. Door de eindtermen te formuleren aan de hand van een pedagogische taxonomie die uiteenvalt in een cognitieve, affectieve en psychomotorische dimensie, door bovendien een verschil tussen kennis, vaardigheden, inzichten en attitudes te bepalen en door ten slotte nog een onderscheid te maken tussen feitenkennis, conceptuele kennis, procedurele kennis en metacognitieve kennis, worden die eindtermen volgens de verzoekende partijen niet alleen bijzonder gedetailleerd en lang, maar ook didactisch sturend. A.14.2.
- De verzoekende partijen wijzen erop dat verscheidene onderwijsverstrekkers zich in de loop van de ontwikkeling van de eindtermen meermaals hebben verzet tegen de keuze om gebruik te maken van de voormelde taxonomie. Dat die taxonomie wel degelijk een pedagogisch ordeningskader is met didactische sturing, werd volgens hen door de decreetgever zelf erkend in de context van het decreet van 19 juni 2020 « over vervangende eindtermen en uitbreidingsdoelen Nederlands in de eerste graad van het secundair onderwijs, op initiatief van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw » en werd volgens hen reeds op 27 september 2018 door de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) in een advies beklemtoond. Zij menen dat ook het GO! erkent dat de herziene taxonomie van Bloom didactisch sturend is. Dat de eindtermen didactisch sturend zijn, blijkt volgens hen ook uit de adviezen van de onderwijsinspectie over de door de vzw « Katholiek Onderwijs Vlaanderen » ingediende voorlopige leerplannen voor de tweede graad van het secundair onderwijs. A.14.
- De didactische sturing van de onderwijsdoelen volgt volgens de verzoekende partijen niet alleen uit het gebruik van de herziene taxonomie van Bloom, maar ook uit de detaillistische formulering van die doelen. Zij bekritiseren het gebruik van « context » binnen de formulering van de eindtermen, omdat die context niet didactisch neutraal is, evenals het expliciteren van procedurele kennis in de eindtermen, omdat die procedurele kennis de didactische hulpmiddelen meebepaalt die de leerkracht dient te gebruiken om de eindtermen te bereiken. Zij bekritiseren eveneens het exhaustief expliciteren van kennis. Zij bekritiseren ten slotte het feit dat de decreetgever zeer arbitrair is omgesprongen met de cognitieve dimensie in de eindtermen, schijnbaar zonder zich ervan bewust te zijn welke implicaties dit heeft op het vlak van de didactische sturing. Zij wijzen bijvoorbeeld erop dat het nemen van notities en het formuleren van onderzoeksvragen volgens hen ten onrechte op het niveau « creëren » werden geplaatst, wat met zich meebrengt dat het nemen van notities en het formuleren van 9 onderzoeksvragen op dat niveau moet worden onderwezen en geëvalueerd en de scholen aldus worden belemmerd om in te zetten op de daadwerkelijke vormen van creëren. A.14.
- De verzoekende partijen menen dat de eindtermen ook didactisch sturend zijn omdat ze, voornamelijk in de procedurele kennis die erin wordt beschreven, een te sterke constructivistische ondertoon hebben, wat niet strookt met hun mensbeeld. Zij zijn van oordeel dat in bepaalde eindtermen attitudes vanuit een constructivistisch mensbeeld worden omschreven als kennis. Zij verwijzen daarbij bijvoorbeeld naar een eindterm waarbij de procedurele kennis is omschreven in die zin dat de leerlingen ethische en sociaal aanvaardbare gedragsregels moeten toepassen binnen de context van een medium. Zij menen dat daaruit volgt dat van leerlingen wordt verwacht dat ze niet alleen kennis hebben van die ethische en sociaal aanvaardbare gedragsregels, maar zich er ook daadwerkelijk naar gedragen, zodat scholen via de schoolinspectie negatief kunnen worden beoordeeld indien hun leerlingen die gedragsnorm niet bereiken. Ze verwijzen daarbij ook naar andere eindtermen waarvan de procedurele kennis volgens hen in werkelijkheid attitudes betreft. Zij merken op dat zij attitudes en vaardigheden uiteraard belangrijk vinden, maar dat zij het er fundamenteel mee oneens zijn dat « het goede » (de gewenste attitude of procedurele kennis) kennen, ertoe zal leiden dat de leerlingen ook « het goede » zullen doen. In dit kader wijzen de verzoekende partijen ook erop dat de eindtermen voor de tweede graad bepalen dat leerlingen hun leeropvattingen, hun leerproces en hun leerresultaat aan de hand van strategieën reguleren. Zij menen dat dit betekent dat elke zestienjarige leerling in de tweede graad reeds in staat moet zijn om zijn leerproces en leerresultaat te reguleren, wat volgens hen een volledig onrealistische verwachting is en bovendien raakt aan het mensbeeld van onderwijsverstrekkers die ervan uitgaan dat voor sommige groepen van leerlingen een traject moet worden uitgetekend waar een dergelijk beheersingsniveau helemaal nog niet wordt verwacht op het einde van de tweede graad. A.14.
- De verzoekende partijen verwijzen ten slotte naar verschillende verklaringen van inrichtende machten van onderwijs waaruit blijkt dat zij de eindtermen of bepaalde onderdelen ervan didactisch sturend vinden. A.
- In het derde onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de actieve vrijheid van onderwijs is geschonden, doordat de onderwijsdoelen meer zijn dan minimumdoelen, aangezien de verwezenlijking ervan de volledige onderwijstijd in beslag neemt, waardoor de bestreden bepalingen een onderwijsprogramma inhouden en waardoor er onvoldoende ruimte overblijft voor specifieke vorming. A.16.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de tijd die nodig is om de onderwijsdoelen te realiseren nagenoeg de volledige onderwijstijd dekt. Zij menen dat de bestreden bepalingen aldus een soort onderwijsprogramma opleggen in plaats van minimumdoelen. Dit heeft volgens hen tot gevolg dat er geen ruimte meer is om kwalitatieve specifieke vorming te bieden aan de leerlingen, laat staan dat er nog afdoende complementaire uren zouden overblijven om eigen doelen op kwalitatieve wijze na te streven. Zij wijzen erop dat ook andere onderwijsinstanties, zoals de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten, het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen en het Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers hebben aangegeven dat de nieuwe onderwijsdoelen een ernstige impact hebben op de onderwijstijd, niet alleen omdat er nieuwe eindtermen werden gecreëerd, maar ook omdat de bestaande eindtermen aanzienlijk werden verbreed. In vergelijking met de eindtermen die het Hof bij zijn arrest nr. 76/96 van 18 december 1996 heeft beoordeeld en met de « socles de compétences » die het Hof bij zijn arrest nr. 49/2001 van 18 april 2001 heeft beoordeeld, zijn de bestreden eindtermen volgens de verzoekende partijen aanzienlijk omvangrijker en gedetailleerder. A.16.
- De verzoekende partijen zijn van mening dat de realisatie van de minimumdoelen maximum 70 % van de onderwijstijd in beslag zou mogen nemen, waardoor er minstens 30 % van die tijd overblijft voor de vrije katholieke scholen om een eigen pedagogisch project te verwezenlijken. Ze verwijzen daarbij naar een voorstel dat in Nederland op het vlak van de onderwijsdoelen werd gedaan. A.16.
- De verzoekende partijen menen dat de katholieke onderwijsverstrekkers niet het leerplan kunnen hanteren dat zij wensen te hanteren omdat de realisatie van de nieuwe onderwijsdoelen de onderwijstijd nagenoeg volledig in beslag neemt. De eerste verzoekende partij wijst erop dat zij in de aan de nieuwe eindtermen aangepaste leerplannen een disclaimer heeft moeten opnemen waarin zij naar de scholen toe uiteenzet dat er veelal onvoldoende ruimte zal zijn om de leerplandoelen met voldoende diepgang te realiseren binnen de beschikbare onderwijstijd of voor het schoolbestuur, het lerarenteam of de individuele leraar om eigen inhoudelijke of didactische keuzes te maken. Kentekenend voor de problematiek betreft volgens hen het feit dat de eerste 10 verzoekende partij in de leerplannen de artistieke vakken noodgedwongen heeft moeten vervangen door een overkoepelend vak MEAV, terwijl zij zich steeds heeft verzet tegen de invoering van dat vak. Ook de andere verzoekende partijen verzetten zich tegen het verminderen van de artistieke vorming in het geheel van de opleiding. De verzoekende partijen doen daarbij nog gelden dat uit het verleden is gebleken dat de onderwijsinspectie zich bijzonder stringent opstelt bij het goedkeuren van de leerplannen en weinig ruimte laat aan de onderwijsverstrekkers om op de meest efficiënte wijze de onderwijsdoelen te verwerken in de leerplannen. A.16.
- De verzoekende partijen merken op dat bij het opstellen van de onderwijsdoelen nooit een objectief berekeningsinstrument werd gebruikt om de impact van de uitbreiding van die doelen op de beschikbare onderwijstijd te meten en menen dat het toekomt aan het Hof om in het kader van de evenredigheidstoets rekening te houden met dat element. Zij wijzen erop dat de bevoegde minister van oordeel is geweest dat het onmogelijk is om zulk een berekeningsinstrument te ontwerpen en te hanteren. Zij stellen evenwel vast dat voor het hoger onderwijs wel gebruik werd gemaakt van een objectief berekeningsmechanisme voor de ontwikkeling van het systeem van studiepunten, en leiden daaruit af dat het standpunt van de minister bijzonder ongeloofwaardig is. Zij wijzen erop dat in de memorie van toelichting bij het bestreden decreet melding wordt gemaakt van 40 lesweken die in een schooljaar theoretisch beschikbaar zijn, van 32 lesweken die in de praktijk beschikbaar zijn en van 25 lesweken die nodig zouden zijn voor de realisatie van de eindtermen. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat die aantallen niet overeenkomen met de werkelijkheid. Zij menen dat er in de praktijk beduidend minder dan 30 lesweken per jaar beschikbaar zijn om de leerlingen te onderwijzen, en dit onder meer omdat de katholieke scholen examens organiseren voor de paasvakantie, omdat facultatieve verlofdagen en pedagogische studiedagen dienen te worden ingebouwd, en omdat de scholen nog aan andere verplichtingen moeten voldoen, zoals die met betrekking tot het medisch onderzoek en met betrekking tot evacuatieoefeningen. Uit berekeningen die de eerste verzoekende partij heeft gemaakt, blijkt volgens hen bovendien dat het aantal lesweken dat volgens de memorie van toelichting nodig is voor de realisatie van de onderwijsdoelen, namelijk 25, evenmin overeenkomt met de werkelijkheid. Die berekeningen tonen volgens hen aan dat zo goed als alle onderwijstijd wordt ingenomen door de realisatie van de eindtermen, waardoor zo goed als geen ruimte meer overblijft voor uitdieping van de leerstof, voor eigen inbreng van de leerlingen, de leraren en de scholen en voor het eigen pedagogisch project. Ze beklemtonen bovendien dat het niet realistisch is ervan uit te gaan dat elk lesuur volledig kan worden besteed aan het onderwijzen van de leerlingen, vermits ook tijd dient te worden besteed aan administratieve taken en aan ordehandhaving in de klas. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de wijzigingen die na het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State werden aangebracht in de onderwijsdoelen, niet van dien aard zijn dat zij de schending van de actieve onderwijsvrijheid kunnen verhelpen. Zij zetten uiteen dat die wijzigingen onder meer betrekking hebben op het wegwerken van het onderscheid tussen transversale en inhoudelijke eindtermen. Zij beschouwen die wijziging als een verbetering omdat daardoor bijkomende didactische sturing is verdwenen, maar menen dat ze niets verandert aan de onderwijstijd die nodig is om de eindtermen te realiseren. Ook de overige wijzigingen hebben volgens hen geen wezenlijke impact op de onderwijstijd. A.16.
- De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat zij door de bestreden bepalingen worden geraakt doordat die bepalingen onvoldoende ruimte laten om specifieke vorming van de leerlingen te realiseren in de doorstroom-, dubbele en arbeidsmarktgerichte finaliteit. Zij doen gelden dat de nieuwe eindtermen met zich meebrengen dat de algemene vorming in omvang wordt vermeerderd, ook voor de domeingebonden studierichtingen technisch secundair onderwijs (tso) en kunstsecundair onderwijs (kso), waardoor er weinig tijd overblijft voor de specifieke vorming die volgens de eindtermen ook moet worden gerealiseerd. Zij wijzen bijvoorbeeld erop dat de eindtermen voor Nederlands, Frans, Engels, wiskunde en natuurwetenschappen zijn geschreven op het niveau van het algemeen secundair onderwijs (aso), maar niettemin ook gelden voor het tso en het kso. De uitbreiding van de eindtermen brengt volgens hen ook onder meer met zich mee dat in de richting « Grieks-Latijn » geen mogelijkheid meer bestaat om zes uur wiskunde per week aan te bieden, dat in de richting « Latijn-wiskunde » slechts één vrij uur per jaar overblijft voor seminaries, esthetica, Duits, extra wiskunde of extra natuurwetenschappen en dat de leerlingen in doorstroomrichtingen zoals technologische wetenschappen zes uur minder specifieke vorming (zoals wiskunde of toegepaste fysica) zullen krijgen dan vandaag. Zij menen dat uit de voormelde voorbeelden nogmaals blijkt dat zij worden geraakt in hun actieve onderwijsvrijheid. 11 A.17.
- In het vierde onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de gelijkwaardigheidsaanvraag bedoeld in artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs geen mogelijkheid biedt om de bekritiseerde schending van de actieve onderwijsvrijheid te verhelpen, en dit om drie redenen. A.17.
- De verzoekende partijen zijn, ten eerste, van oordeel dat de decreetgever de actieve vrijheid van onderwijs afdoende en proportioneel dient te waarborgen binnen de normale procedure, zonder de meerderheid van de onderwijsverstrekkers naar een uitzonderingsprocedure te duwen. In dit kader verwijzen zij naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het bestreden decreet. Ten tweede menen zij dat « gelijkwaardige » onderwijsdoelen met dezelfde problemen behept zijn als de door de decreetgever goedgekeurde doelen wat betreft de benodigde onderwijstijd. Als de onderwijsdoelen de volledige onderwijstijd in beslag nemen, kan dit volgens hen niet worden rechtgezet met « gelijkwaardige » onderwijsdoelen. Ten derde menen zij dat in het verleden is gebleken dat een gelijkwaardigheidsaanvraag dermate stringent wordt beoordeeld dat de desbetreffende procedure in werkelijkheid haar functionaliteit verliest. Zij verwijzen daarbij naar de gelijkwaardigheidsaanvraag die enkele scholen uit het netwerk van de Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen hebben ingediend in het kader van de inwerkingtreding van de onderwijsdoelen van de eerste graad van het secundair onderwijs, aanvraag die door de Vlaamse Regering op 20 december 2019 werd afgewezen. A.18.
- De Vlaamse Regering is in hoofdorde van oordeel dat de eerste drie onderdelen van het middel ongegrond zijn, gelet op de mogelijkheid die de scholen hebben om een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen in te dienen. Zij verwijst naar de arresten van het Hof nrs. 76/96 en 49/2001 en leidt eruit af dat een beperking van de vrijheid van onderwijs door middel van eindtermen steeds in samenhang met het al dan niet voorhanden zijn van een mogelijkheid tot afwijking van de eindtermen moet worden beoordeeld. Volgens de Vlaamse Regering brengt de vrijheid van onderwijs zoals ingevuld door de verzoekende partijen met zich mee dat de pedagogische vrijheid van de katholieke scholen voorrang krijgt op alle bekommernissen van de decreetgever met betrekking tot het waarborgen van de kwaliteit en de onderlinge gelijkwaardigheid van het onderwijs. Zij meent dat die invulling van de vrijheid van onderwijs strijdig is met de rechtspraak van het Hof, waaruit volgens haar blijkt dat eindtermen een adequaat middel vormen, enerzijds, om de gelijkwaardigheid van de getuigschriften en diploma’s veilig te stellen en, anderzijds, om de onderlinge gelijkwaardigheid te vrijwaren van het onderwijs verstrekt in de instellingen die de ouders en de leerlingen vrij kunnen kiezen. A.18.
- De Vlaamse Regering merkt vervolgens op dat zij, louter ondergeschikt, op de eerste drie onderdelen van het middel afzonderlijk wenst in te gaan teneinde een aantal feitelijk foutieve uitgangspunten van de verzoekende partijen te weerleggen. A.19.
- Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, is de Vlaamse Regering van oordeel dat de verzoekende partijen op geen enkele wijze concreet maken en bewijzen dat de bestreden bepalingen onvoldoende ruimte laten voor de eigen pedagogisch projecten van de diverse scholen. Zij verwijst naar de voorbeelden die de verzoekende partijen aanhalen en merkt daarbij op dat zij uit het oog verliezen dat het telkens gaat om het project van een individuele onderwijsinstelling. Zij doet daarbij gelden dat de vrijheid van onderwijs niet kan worden beschouwd als een optelsom van alle pedagogische visies van alle onderwijsinstellingen die deel uitmaken van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen. Aangezien elke onderwijsinstelling eigen pedagogische accenten legt, vereist de vrijheid van onderwijs volgens haar niet dat in één enkele onderwijsinstelling alle door de verzoekende partijen aangehaalde accenten mogelijk moeten worden gemaakt. Zij meent bovendien dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het de overheid toekomt om de kwaliteit van het onderwijs te garanderen. Artikel 24 van de Grondwet reikt volgens haar geenszins zover dat de onderwijsinstellingen onbegrensd hun pedagogische vrijheid kunnen laten gelden. Zij beklemtoont daarbij dat het tot de beleidsvrijheid van de decreetgever behoort om de inhoud van de eindtermen te bepalen. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de verzoekende partijen ten onrechte laten doorschemeren dat de pedagogische projecten van de diverse katholieke scholen wezenlijk van elkaar verschillen. Zij doet gelden dat zo goed als alle katholieke onderwijsinstellingen dezelfde leerplannen gebruiken, namelijk de leerplannen die door de vzw « Katholiek Onderwijs Vlaanderen » werden opgesteld. Zij merkt daarbij op dat in het verleden is gebleken dat die leerplannen de onderwijsvrijheid van de individuele katholieke scholen beperken. 12 De Vlaamse Regering meent ook dat de verzoekende partijen ten onrechte laten doorschemeren dat het pedagogisch project van een school enkel binnen de complementaire uren kan worden verwezenlijkt, terwijl het volledige curriculum in wezen doorvlochten is met het pedagogisch project van een school. A.19.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat de kritiek die de verzoekende partijen uiten in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel niet steeds is gericht tegen de bestreden bepalingen, maar tegen het decreet van 20 april 2018 « tot wijziging van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, wat betreft de modernisering van de structuur en de organisatie van het secundair onderwijs » (hierna : het decreet van 20 april 2018). Zij merkt daarbij op dat de keuzes die de decreetgever bij dat decreet heeft gemaakt op grond van de finaliteit van de studierichtingen, bepalend zijn voor de minimale doelstellingen die de eindtermen, met het oog op het bereiken van die finaliteit, formuleren. Zij verwijst naar meerdere voorbeelden waarmee de verzoekende partijen hun kritiek op de bestreden bepalingen trachten te staven en doet daarbij gelden dat hun kritiek in werkelijkheid de bij het decreet van 20 april 2018 gemaakte keuzes betreft. A.19.
- De Vlaamse Regering betwist de stelling van de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen minder aandacht geven aan kunst- en cultuureducatie. Zij merkt op dat kunst en cultuur in de eindtermen zijn opgenomen voor alle graden, alle finaliteiten en alle onderwijsvormen van het secundair onderwijs, terwijl er onder de vroegere regelgeving enkel in de eerste graad van dat onderwijs eindtermen voor artistieke opvoeding voorhanden waren. Zij betwist ook de stelling van de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen het nastreven van een brede persoonsvorming en van socialisering van de leerlingen zouden verhinderen en wijst erop dat die doelstellingen, in tegenstelling tot in de vroegere regelgeving, uitdrukkelijker zijn opgenomen in de nieuwe eindtermen. A.20.
- Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, is de Vlaamse Regering van oordeel dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de bestreden bepalingen de onderwijsinstellingen zouden verhinderen hun eigen pedagogische keuzes te maken. A.20.
- Wat het gebruik van de herziene taxonomie van Bloom betreft, wijst de Vlaamse Regering erop dat artikel 138, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs bepaalt dat bij de ontwikkeling en de implementatie van de doelen rekening wordt gehouden met de coherentie en continuïteit over het lager en het secundair onderwijs heen en, specifiek voor het secundair onderwijs, over de graden heen. Zij wijst ook erop dat artikel 143 van die Codex bepaalt dat de ontwikkelcommissie een beperkt aantal sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare eindtermen dient te formuleren, waar de aspecten kennis, vaardigheden, inzicht en, in voorkomend geval, attitudes aan bod komen. Om de door de voormelde bepalingen vereiste duidelijkheid, consistentie en coherentie te kunnen verzekeren, was er volgens de Vlaamse Regering nood aan een gemeenschappelijk begrippenkader en format dat voor alle eindtermen kon worden gehanteerd. Zij is van oordeel dat de keuze van de taxonomie die bij de ontwikkeling van de eindtermen wordt gebruikt, behoort tot de beleidsvrijheid van de decreetgever en dat het niet toekomt aan het Hof om zich daarover uit te spreken in het kader van een toetsing van de bestreden bepalingen aan artikel 24 van de Grondwet. Gelet op de voormelde bepalingen van de Codex Secundair Onderwijs is de keuze voor de herziene taxonomie van Bloom volgens de Vlaamse Regering overigens een logische keuze. Die taxonomie laat volgens haar toe om de einddoelen voor het onderwijs op zulke wijze te bepalen dat houvast en duidelijkheid wordt geboden aan de scholen en de leerkrachten, wat juist de betrachting is geweest van de decreetgever. Zij merkt ook op dat het format dat werd gebruikt voor de bestreden eindtermen identiek is aan het format dat werd gebruikt voor de eindtermen van de eerste graad van het secundair onderwijs, die door de verzoekende partijen niet werden bestreden bij het Hof, en dat het format doorheen het ontwikkel- en valideringsproces van de eindtermen van de eerste graad werd uitgewerkt met betrokkenheid van de leden van de valideringscommissie en vertegenwoordigers van de onderwijskoepels. De Vlaamse Regering meent dat het gebruik van de herziene taxonomie van Bloom niet ertoe leidt dat de pedagogisch-didactische vrijheid van de onderwijsinstellingen wordt beperkt. De taxonomie is volgens haar uitsluitend gebruikt om de inhoud van de eindtermen te ordenen naar gelang van feitenkennis, conceptuele kennis, procedurele kennis en metacognitieve kennis en om de dimensie, namelijk de cognitieve, affectieve en/of psychomotorische dimensie, en het daarbij horende beheersingsniveau te verduidelijken. Zij zet uiteen dat het beheersingsniveau betrekking heeft op het geheel van de eindterm en dat dit beheersingsniveau, wat het cognitieve betreft, wordt bepaald door het handelingswerkwoord in combinatie met andere richtinggevende elementen van de eindterm. Zij meent dat de eindterm op die manier richting geeft, zonder op te leggen welke les- of evaluatieopdrachten hier concreet aan moeten worden gekoppeld. Zij beklemtoont dat de eindtermen uitsluitend het eindniveau bepalen dat minimaal moet worden bereikt en betwist de stelling van de verzoekende partijen dat 13 het handelingswerkwoord dat de decreetgever binnen een eindterm hanteert, ook de plaats dicteert die de eindterm in de lesopbouw dient te krijgen. A.20.
- Uit de parlementaire voorbereiding leidt de Vlaamse Regering af dat er wat de eindtermen betreft een nood aan duidelijkheid was ontstaan, reden waarom de decreetgever bij het decreet van 20 april 2018 de coherentie en de consistentie van de te ontwikkelen onderwijsdoelen heeft beklemtoond. De uitgebreidere formulering van de eindtermen is volgens haar ingegeven door de bedoeling tegemoet te komen aan die nood. Zij meent dat de minimumdoelen beoordeeld moeten worden in het licht van het recht van de leerling op kwalitatief onderwijs, zoals gewaarborgd door artikel 24, § 3, van de Grondwet. Uit de uitgebreidere formulering van de eindtermen kan volgens haar niet worden afgeleid dat de eindtermen didactisch sturend zijn of dat ze geen minimumdoelen zijn. De Vlaamse Regering betwist dat uit de voorbeelden die de verzoekende partijen aanhalen een didactische sturing kan worden afgeleid. Zij betwist eveneens dat de eindtermen een constructivistische ondertoon hebben. A.21.
- Wat het derde onderdeel van het middel betreft, doet de Vlaamse Regering gelden dat nergens decretaal is bepaald dat de realisatie van de onderwijsdoelen maximum 70 % van de onderwijstijd in beslag zou mogen nemen. In zoverre de verzoekende partijen daarbij verwijzen naar een voorstel uit Nederland merkt zij op dat de decreetgever niet gebonden is door een dergelijk voorstel. Zij meent dat wel degelijk rekening werd gehouden met de bezorgdheden van de onderwijsverstrekkers omtrent de haalbaarheid van de eindtermen en verwijst in dit kader naar een document waarin een vergelijking werd gemaakt tussen het aanvankelijke ontwerp van de eindtermen en de uiteindelijk goedgekeurde eindtermen. A.21.
- Met betrekking tot de kritiek van de verzoekende partijen dat er geen instrument voorhanden is waarmee de onderwijstijd die nodig is voor de realisatie van de onderwijsdoelen, kan worden gemeten, merkt de Vlaamse Regering allereerst op dat het niet toekomt aan het Hof om de wijze waarop de bestreden bepalingen tot stand zijn gekomen te toetsen aan de Grondwet. Zij herinnert eraan dat de wijze waarop de onderwijsdoelen moeten worden vastgesteld, is bepaald in het decreet van 26 januari 2018 « tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de Codex Secundair Onderwijs, wat onderwijsdoelen betreft, en tot wijziging van de decreten Rechtspositie onderwijspersoneel » (hierna : het decreet van 26 januari 2018), dat de verzoekende partijen niet hebben bestreden bij het Hof. De Vlaamse Regering is bovendien van oordeel dat een meting van de onderwijstijd die nodig is voor de realisatie van de onderwijsdoelen, niet nodig is, daar artikel 24 van de Grondwet zulk een meting niet voorschrijft en daar de voor de realisatie van de onderwijsdoelen vereiste onderwijstijd niet zomaar becijferd kan worden door de overheid. In zoverre de verzoekende partijen bekritiseren dat de zogenaamde generalisten in de ontwikkelcommissies niet de opdracht hebben gekregen om de haalbaarheid van de eindtermen te bewaken, doet de Vlaamse Regering gelden dat artikel 24 van de Grondwet zulk een opdracht niet vereist. Zij betwist de objectiviteit van de becijfering die de eerste verzoekende partij heeft gemaakt en merkt daarbij op dat de verzoekende partijen uit het oog verliezen dat de eindtermen niet achtereenvolgens en afzonderlijk moeten worden gerealiseerd en dat een geïntegreerde realisatie ervan mogelijk is. De Vlaamse Regering verwijst ten slotte naar een internationale studie waaruit zou blijken dat, in vergelijking met andere Europese landen, niet redelijkerwijze kan worden beweerd dat de vrijheid van onderwijs te dezen is geschonden. Uit die studie leidt zij af dat heel wat landen het onderwijs op een veel stringentere wijze regelen dan in de Vlaamse Gemeenschap het geval is. A.21.
- De Vlaamse Regering betwist de stelling van de verzoekende partijen dat de nieuwe eindtermen niet zouden toelaten dat jongeren worden voorbereid op het beroepsleven. Zij verwijst ter zake naar een persbericht van het Vlaams Netwerk van Ondernemingen, waaruit zij afleidt dat de bedrijfswereld voorstander is van de nieuwe eindtermen. A.21.
- De Vlaamse Regering wijst erop dat zij een praktijkcommissie heeft opgericht met het oog op een evaluatie van de nieuwe eindtermen en, in voorkomend geval, een bijsturing ervan op het einde van het schooljaar 2021-
- Zij meent dat op dat ogenblik aldus een onafhankelijk advies afkomstig van personen die actief zijn in de onderwijswereld, ter beschikking zal zijn. Zij betwist de stelling van de verzoekende partijen dat die praktijkcommissie in strijd met artikel 24, § 5, van de Grondwet werd opgericht. A.
- Wat het vierde onderdeel van het middel betreft, is de Vlaamse Regering van oordeel dat de mogelijkheid waarin artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs voor de scholen voorziet om een aanvraag tot 14 gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen in te dienen een waarborg vormt voor de actieve vrijheid van onderwijs. Zij verwijst ter zake naar de arresten van het Hof nrs. 76/96 en 49/2001 en naar adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Zij beklemtoont dat het Hof in de voormelde arresten heeft geoordeeld dat eindtermen die onvoldoende ruimte laten voor het pedagogisch project van de scholen, de onderwijsvrijheid raken, wat volgens haar niet hetzelfde is als de onderwijsvrijheid schenden. Zij meent dat uit die arresten blijkt dat er slechts sprake is van een schending wanneer niet voorzien is in een afwijkingsprocedure. In zoverre de verzoekende partijen de in artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs vervatte procedure bekritiseren, zijn hun grieven volgens de Vlaamse Regering niet-ontvankelijk, aangezien die procedure niet wordt geregeld door de bestreden bepalingen. Zij betwist de stelling van de verzoekende partijen dat de voormelde procedure geen afwijkingsprocedure is in de zin van de rechtspraak van het Hof en meent dat de verzoekende partijen niet duidelijk uiteenzetten waarom die procedure niet zou voldoen aan de vereisten die het Hof heeft gesteld. Om die reden meent zij dat het desbetreffende onderdeel van het middel niet-ontvankelijk is. De Vlaamse Regering is bovendien van oordeel dat een afwijkingsprocedure niet van dien aard dient te zijn dat er kan worden gewerkt met minder onderwijsdoelen, wel dat er kan worden gewerkt met onderwijsdoelen die toelaten om onderwijs te verstrekken dat uitgaat van specifieke pedagogische opvattingen. Zij beklemtoont daarbij dat het Hof erop heeft gewezen dat de afwijkingen die worden toegestaan, niet mogen raken aan de kwaliteit van het onderwijs, de inhoudelijke minimumvereisten en de gelijkwaardigheid van getuigschriften en diploma’s. Zij merkt daarbij op dat wanneer niet aan die voorwaarden zou zijn voldaan, de vrijheid van de leerlingen om van school te veranderen, in het gedrang zou komen. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat in het verleden is gebleken dat de Vlaamse Regering de gelijkwaardigheidsaanvragen te stringent beoordeelt, merkt zij op dat het de aanvrager vrijstaat de desbetreffende administratieve beslissing te bestrijden bij de Raad van State. A.23.
- Het GO! en de vzw « GO! ouders » leiden uit de rechtspraak van het Hof af dat de vrijheid van onderwijs niet eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever, met het oog op het verzekeren van de kwaliteit en de onderlinge gelijkwaardigheid van het met overheidsmiddelen verstrekte onderwijs, maatregelen neemt die op de onderwijsinstellingen van algemene toepassing zijn. Met verwijzing naar rechtsleer menen zij dat de vrijheid van onderwijs teleologisch moet worden geïnterpreteerd, meer bepaald in het licht van de gewijzigde maatschappelijke omstandigheden. Uit de rechtspraak van het Hof leiden zij bovendien af dat de vrijheid van onderwijs niet los kan worden gezien van het recht op onderwijs van het kind, dat de keuzevrijheid van de ouders en de vrijheid van de leerkrachten op het vlak van het onderwijs dat zij wensen te verstrekken, kan beperken. Zij menen bovendien dat uit vroegere rechtspraak van het Hof blijkt dat wanneer de eindtermen omvangrijk en gedetailleerd zijn, de vrijheid van onderwijs kan worden « geraakt », maar dat de vaststelling dat de eindtermen omvangrijk en gedetailleerd zijn op zich niet leidt tot een schending van die vrijheid. Uit die rechtspraak blijkt volgens hen dat het al dan niet aanwezig zijn van een afwijkingsprocedure doorslaggevend is. A.23.
- Het GO! en de vzw « GO! ouders » zijn van oordeel dat te dezen niet over het hoofd mag worden gezien dat de bestreden eindtermen het resultaat zijn van afwegingen en keuzes waarvoor binnen de ruime onderwijswereld naar een consensus werd gezocht en dat de Vlaamse Regering op verschillende momenten in het wetgevingstraject heeft ingegrepen teneinde een maximaal draagvlak bij alle betrokken partijen te creëren. A.24.
- Volgens het GO! en de vzw « GO! ouders » maken de bestreden bepalingen het de scholen niet onmogelijk hun eigen pedagogisch project te realiseren. Zij stellen vast dat de verzoekende partijen ervan lijken uit te gaan dat het pedagogisch project enkel kan worden gerealiseerd door binnen de gesubsidieerde onderwijstijd complementaire lesuren te organiseren waarin eigen accenten kunnen worden gelegd, en dat zij van oordeel zijn dat slechts 70 % van de onderwijstijd bestemd mag zijn voor het realiseren van de minimumdoelen. Zij menen dat de uitgangspunten van de verzoekende partijen geen steun vinden in de rechtspraak van het Hof en bovendien lijnrecht ingaan tegen hun eigen pedagogische visie op wat een katholieke dialoogschool is, visie die ervan uitgaat dat het pedagogisch project wordt gerealiseerd in het onderwijs van elke dag, ongeacht de domeinen of de vakken. In het licht van het voorgaande is de stelling van de verzoekende partijen dat de scholen nauwelijks complementaire lesuren kunnen organiseren, volgens het GO! en de vzw « GO! ouders », niet relevant in het kader van de beoordeling van de vraag of de eindtermen voldoende ruimte laten om de doelstellingen van het eigen pedagogisch project te kunnen verwezenlijken. A.24.
- Het GO! en de vzw « GO! ouders » zijn van oordeel dat het ontbreken van een objectief berekeningsinstrument om de impact van de eindtermen op de beschikbare onderwijstijd te meten, niet relevant is in het kader van de beoordeling van het eerste middel. Zij menen dat de overheid onmogelijk de haalbaarheid van de eindtermen in het licht van de pedagogische projecten van alle scholen kan toetsen. Zij wijzen erop dat om die reden geen objectief berekeningsinstrument werd ontwikkeld, maar dat een praktijkcommissie werd opgericht met 15 als taak de haalbaarheid van de eindtermen gedurende één schooljaar te evalueren en in voorkomend geval bijsturingen voor te stellen. A.24.
- Volgens het GO! en de vzw « GO! ouders » zijn de eindtermen realiseerbaar binnen de onderwijstijd en overschrijden zij het niveau van minimale doelen niet. Zij zetten uiteen dat het GO!, net zoals de andere onderwijsverstrekkers, ontwerplessentabellen heeft opgesteld, waarin de lestijden die nodig zijn om de eindtermen van de basisvorming en de specifieke vorming te realiseren, worden geraamd. Zij wijzen erop dat bij het opstellen van die tabellen onder meer werd vastgesteld dat de inhoudelijke samenhang van een aantal eindtermen uit de basisvorming en de specifieke vorming zo groot is dat zij geïntegreerd gerealiseerd kunnen worden, waardoor er onderwijstijd kan worden vrijgemaakt. Zij leiden daaruit af dat het niet correct is alle eindtermen op te tellen om de benodigde onderwijstijd te bepalen. Zij vervolgen dat op basis van de opgemaakte ontwerplessentabellen werd vastgesteld dat er nog voldoende ruimte is voor de realisatie van het eigen pedagogisch project. Zij erkennen dat de lestijd die nodig is voor de basisvorming beperkt is toegenomen, meer bepaald met één à twee lesuren op weekbasis, maar menen dat niet kan worden beweerd, zoals de verzoekende partijen doen, dat het aantal lesuren die nodig zijn voor de basisvorming de volledige onderwijstijd in beslag neemt. Zij merken vervolgens op dat op basis van de door het GO! opgestelde ontwerplessentabellen werd vastgesteld dat, met uitzondering van enkele studierichtingen, er in de regel nog ruimte is voor het organiseren van complementaire lesuren, die vrij kunnen worden ingevuld door de schoolbesturen. Het GO! en de vzw « GO! ouders » betwisten de stelling van de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen de scholen zouden verplichten een overkoepelend vak MEAV in te richten. Het GO! wijst erop dat het een dergelijk vak niet heeft ingericht en erin is geslaagd artistieke opvoeding, burgerschapscompetenties en financieel-economische competenties als aparte vakken aan te bieden. A.25.
- Het GO! en de vzw « GO! ouders » zijn van oordeel dat de bestreden bepalingen geen pedagogische sturing inhouden. Zij wijzen allereerst erop dat de eindtermen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs hetzelfde format volgen als de eindtermen voor de eerste graad van het secundair onderwijs, die niet door de verzoekende partijen werden bestreden, en dat dit format tot stand is gekomen in overleg met de leden van de valideringscommissie, met de onderwijsverstrekkers en met het kabinet van de minister van Onderwijs. A.25.
- Wat het gebruik van de herziene taxonomie van Bloom betreft, wijzen het GO! en de vzw « GO! ouders » erop dat bij het decreet van 26 januari 2018 erin werd voorzien dat de eindtermen en de specifieke eindtermen evalueerbaar moeten zijn. Zij menen dat het omwille van die evalueerbaarheid logisch is dat elke eindterm een beheersingsniveau heeft en dat er dus gebruik wordt gemaakt van een taxonomie. Zij wijzen erop dat in de voorheen bestaande eindtermen eveneens handelingswerkwoorden (bv. beschrijven, vergelijken, analyseren, beoordelen, enz.) werden gebruikt, zij het dat men zich er niet van bewust was dat men daarmee meerdere taxonomieën door elkaar gebruikte, wat volgens hen voor heel wat onduidelijkheid heeft gezorgd voor de scholen en de leerkrachten. Zij menen dat het vermelden in de eindtermen van een beheersingsniveau door middel van handelingswerkwoorden op zich geen didactische sturing inhoudt. Het beheersingsniveau geeft volgens hen louter aan wat van de leerlingen wordt verwacht, en niet op welke wijze die doelstelling moet worden nagestreefd. A.25.
- Het GO! en de vzw « GO! ouders » zijn van oordeel dat het expliciteren van kennis en context in de eindtermen evenmin een didactische sturing inhoudt. Zij zetten uiteen dat de nieuwe eindtermen in elk geval een doelzin bevatten, evenals een kennisafbakening waarmee wordt beschreven wat nodig is voor de realisatie van de eindterm. Zij wijzen in dit kader erop dat bij het decreet van 26 januari 2018 werd voorgeschreven dat de onderliggende kennis in de eindterm zelf moet worden geëxpliciteerd. Zij vervolgen dat, waar dat relevant is, ook de context waarin de eindterm moet worden gerealiseerd, werd geconcretiseerd en dat die context tot doel heeft de inhoud van de eindterm te koppelen aan zaken die leerlingen kennen en waar ze zich iets bij kunnen voorstellen. Zij zijn van oordeel dat de doelzin, de kennisafbakening en de context betrekking hebben op de inhoud van de eindterm, en dus niet op de pedagogische methode die moet worden toegepast. Het GO! en de vzw « GO! ouders » wijzen erop dat de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies over het voorontwerp van decreet dat heeft geleid tot de onderwijsdoelen van de eerste graad van het secundair onderwijs, heeft opgemerkt dat niet blijkt dat de omschrijving van die doelen onvoldoende ruimte zou laten om een eigen pedagogisch project te realiseren. Zij leiden daaruit af dat het bij de ontwikkeling van de onderwijsdoelen voor de eerste graad gehanteerde format, de vrijheid van onderwijs niet in het gedrang heeft 16 gebracht en wijzen er nogmaals op dat bij de ontwikkeling van de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad hetzelfde format werd gevolgd. Dat een anders samengestelde kamer van de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies over het voorontwerp van het bestreden decreet er een andere mening op nahield, heeft volgens hen niets te maken met de conceptuele keuze om in de nieuwe eindtermen de onderliggende kennis en de eventuele context te expliciteren. Zij menen dat de bezorgdheden van de afdeling wetgeving van de Raad van State uitsluitend betrekking hadden op de vraag of de eindtermen nog voldoende ruimte laten aan de scholen om de doelstellingen van het eigen pedagogisch project te verwezenlijken. Zij wijzen erop dat zij reeds hebben weerlegd dat de bestreden eindtermen onvoldoende ruimte zouden laten voor de verwezenlijking van het eigen pedagogisch project. Het GO! en de vzw « GO! ouders » gaan vervolgens in op de individuele eindtermen die de verzoekende partijen aanhalen om aan te tonen dat ze didactisch sturend zouden zijn. Zij zetten bij elke aangehaalde eindterm uiteen waarom zij van oordeel zijn dat er geen sprake is van een didactische sturing. A.25.
- Het GO! en de vzw « GO! ouders » ontkennen niet dat de eindtermen van bepaalde sleutelcompetenties, door de opname van de vereiste kennis en het beheersingsniveau, vrij gedetailleerd zijn, maar menen dat het aantal onderliggende kenniselementen van een eindterm op zich niets zegt over het belang ervan of over de benodigde onderwijstijd om de eindterm te realiseren. A.25.
- Uit de rechtspraak van het Hof leiden het GO! en de vzw « GO! ouders » af dat er geen verbod bestaat om middels de eindtermen bepaalde waarden, opvattingen en houdingen voor te schrijven. Hoewel wordt aangenomen dat eindtermen die attitudes betreffen, meer van dien aard kunnen zijn dat zij een beperking inhouden van de mate waarin onderwijs kan worden vormgegeven op basis van eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen, houden de bestreden bepalingen volgens hen daarmee rekening door te bepalen dat de attitudinale eindtermen minimumdoelen zijn die omschrijven welke houdingen wenselijk worden geacht voor een leerlingenpopulatie. De desbetreffende eindtermen en specifieke eindtermen moeten aldus volgens hen enkel worden nagestreefd. A.
- Wat het vierde onderdeel van het middel betreft, zijn het GO! en de vzw « GO! ouders » van oordeel dat de mogelijkheid om een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen in te dienen, precies toelaat om tegemoet te komen aan de bezorgdheden van de verzoekende partijen inzake de beweerde aantasting van de vrijheid van onderwijs. Dat die mogelijkheid wel degelijk toelaat om tegemoet te komen aan zulke bezorgdheden blijkt volgens hen uit de verklaring van de Steinerscholen dat zij al 25 jaar consequent gebruik maken van de mogelijkheid om afwijkingen aan te vragen. In zoverre de verzoekende partijen beweren dat de gelijkwaardigheidsprocedure te rigide wordt toegepast, waardoor die procedure zou worden uitgehold, merken het GO! en de vzw « GO! ouders » op dat die bewering voorbijgaat aan de ratio legis van de afwijkingsprocedure. Zij zetten uiteen dat de gelijkwaardigheidsprocedure geen vrijgeleide inhoudt om de door de decreetgever vastgestelde minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes naast zich neer te leggen. Zij menen dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat afwijkingen op de door de decreetgever vastgestelde eindtermen logischerwijs beperkt moeten blijven. Enkel zo kan volgens hen immers worden gegarandeerd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen inzake de kwaliteit van het onderwijs en de gelijkwaardigheid van de studiebewijzen. Zij menen dat de decreetgever precies daarom de mogelijkheid om vervangende eindtermen gelijkwaardig te laten verklaren, aan voorwaarden heeft verbonden, waaronder de voorwaarde dat de vervangende eindtermen in hun geheel gelijkwaardig moeten zijn met de eindtermen die werden goedgekeurd door het Vlaams Parlement en derhalve moeten toelaten gelijkwaardige studiebewijzen af te geven. Zij wijzen erop dat de verzoekende partijen, daar zij van oordeel zijn dat bepaalde eindtermen een constructivistische ondertoon hebben, een aanvraag bij de Vlaamse Regering zouden kunnen indienen om voor die eindtermen vervangende eindtermen te laten goedkeuren. A.27.
- De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » is van oordeel dat het eerste middel gedeeltelijk niet- ontvankelijk is en voor het overige niet gegrond. A.27.
- In zoverre de verzoekende partijen in het vierde onderdeel van het middel aanvoeren dat een beoordeling van een gelijkwaardigheidsaanvraag te rigide zou gebeuren, voeren zij volgens de vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » grieven aan die niet gericht zijn tegen de bestreden bepalingen, maar wel tegen de voor de gelijkswaardigheidsaanvraag geldende beoordelingscriteria vervat in artikel 146, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs. Zij merkt op dat die laatste bepaling niet het voorwerp uitmaakt van de huidige beroepen, zodat de desbetreffende grief volgens haar niet ontvankelijk is. 17 A.27.
- De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » is van oordeel dat de vrijheid van onderwijs niet absoluut is en moet worden geïnterpreteerd in het licht van artikel 22bis van de Grondwet, naar luid waarvan het belang van het kind primeert bij iedere beslissing die het aangaat, en in het licht van het recht van het kind op kwaliteitsvol onderwijs, zoals gewaarborgd door artikel 24 van de Grondwet. Zij meent dat onderwijsdoelen nood hebben aan concretisering en dat door een dergelijke concretisering waarborgen worden geboden aan de ouders en de leerlingen op het vlak van het recht op onderwijs en de gelijkheid van alle leerlingen. Zij meent dat de nieuwe onderwijsdoelen de verwezenlijking van het eigen pedagogisch project van de scholen niet verhinderen. Uit de lessentabellen die de scholen die behoren tot het provinciaal onderwijs hebben opgemaakt, blijkt volgens haar dat de nieuwe onderwijsdoelen haalbaar zijn en dat er nog tijd overblijft om te voorzien in complementaire uren. Zij wijst erop dat elke school bovendien de mogelijkheid heeft om extra lesuren in te richten bovenop de standaard 32 lesuren per week en dat veel scholen gebruik maken van die mogelijkheid. Zij vervolgt dat de provinciale scholen bij de opmaak van hun lessentabellen maximaal gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden die worden geboden door artikel 157/3 van de Codex Secundair Onderwijs, zoals aangevuld door artikel 23 van het bestreden decreet. Zij zet uiteen dat de onderwijsdoelen volgens die bepaling binnen eenzelfde vak of vakkencluster en binnen dezelfde onderwijstijd mogen worden gerealiseerd. Zij verwijst eveneens naar artikel 139, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs, volgens hetwelk de schoolbesturen bevoegd zijn om de verbinding te maken tussen de eindtermen en de vakken of vakkenclusters. Zij meent dat die bepaling de scholen veel ruimte biedt bij het opmaken van de lessentabellen en de weekroosters en dat die bepaling aantoont dat de pedagogische vrijheid van de scholen niet is aangetast. A.27.
- De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » bekritiseert het uitgangspunt van de verzoekende partijen dat het verwezenlijken van het eigen pedagogisch project pas start nadat de basisvorming is afgehandeld. Zij beargumenteert haar kritiek op een gelijksoortige wijze als het GO! en de vzw « GO! ouders ». A.27.
- Met betrekking tot het door de verzoekende partijen aangehaalde overkoepelende vak MEAV, doet de vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » gelden dat het niet juist is dat de modernisering van het secundair onderwijs leidt tot minder artistieke vorming. Zij wijst erop dat er vóór het bestreden decreet niet voor alle onderwijsniveaus van de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs, aparte eindtermen voor artistieke vorming bestonden. Zij begrijpt niet dat het protest vanuit het kunstonderwijs zich richt tegen de bestreden bepalingen, daar die bepalingen, in tegenstelling tot de voorheen toepasselijke bepalingen, duidelijk voorzien in eindtermen voor artistieke vorming. Zij wijst in dit kader nog erop dat de provinciale scholen geen overkoepelend vak hebben georganiseerd en in voldoende ruimte hebben voorzien in de lessentabellen om artistieke vorming aan de leerlingen aan te bieden in de tweede graad. A.27.
- Voor het overige beargumenteert de vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » haar standpunt op een gelijksoortige wijze als de Vlaamse Regering, het GO! en de vzw « GO! ouders ». Wat het tweede middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 betreft A.
- Het tweede middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 is afgeleid uit de schending van het recht van het kind op kwalitatief onderwijs, zoals gewaarborgd door artikel 24, § 3, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 13 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de artikelen 28 en 29 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en uit de schending van het recht op actieve onderwijsvrijheid van de onderwijsverstrekkers, zoals gewaarborgd door artikel 24, § 1, van de Grondwet. A.
- In het eerste onderdeel van het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen het recht op actieve onderwijsvrijheid, zoals gewaarborgd door artikel 24, § 1, van de Grondwet, schenden, doordat die bepalingen zijn gebaseerd op een te eenzijdige visie op onderwijskwaliteit, waardoor zij geen adequaat middel zijn om het nagestreefde doel van verhoging van de kwaliteit van het onderwijs te bereiken, of minstens een onevenredige inperking inhouden van de onderwijsvrijheid van de onderwijsverstrekkers. A.30.
- Volgens de verzoekende partijen houdt de actieve onderwijsvrijheid ook het recht in om eigen accenten te leggen inzake kwaliteit en kwaliteitszorg. Zij menen dat de bestreden bepalingen dat recht aantasten als gevolg van een eenzijdige en vernauwde focus van de decreetgever op wat kwaliteit is. Hoewel de doelstelling 18 om de onderwijskwaliteit te verhogen volgens hen legitiem is en bovendien in overeenstemming met de internationale verplichtingen inzake het recht op onderwijs, zijn zij van oordeel dat de eindtermen geen pertinent middel zijn om die doelstelling te bereiken. Indien zou moeten worden aanvaard dat de eindtermen wel een pertinent middel zijn om de onderwijskwaliteit te verhogen, dan is de decreetgever bij het vaststellen van die eindtermen volgens hen zodanig ver gegaan dat er dient te worden gesproken van een onevenredige inperking van de vrijheid van onderwijs. A.30.
- De verzoekende partijen menen dat de door de decreetgever gemaakte keuzes niet zullen leiden tot een verhoging van de onderwijskwaliteit, maar integendeel een lagere onderwijskwaliteit met zich zullen meebrengen, wat volgens hen in strijd is met de standstill-verplichting die geldt voor economische, sociale en culturele rechten, zoals het recht op onderwijs. Zij menen dat een verhoging van de onderwijskwaliteit enkel kan door middel van inspanningen die geleverd worden door de scholen. De lat verhogen, wat de eindtermen betreft, moet volgens hen noodzakelijkerwijze gepaard gaan met meer ruimte om te kunnen remediëren en differentiëren, zo niet komt niet alleen de onderwijskwaliteit in haar geheel onder druk te staan, maar in het bijzonder ook het recht op gelijke onderwijskansen voor elk kind en het recht op gelijke kansen voor elk kind om een volwaardige plaats in de samenleving te kunnen opnemen, zoals gewaarborgd door de in het middel vermelde internationale en Europese normen. A.
- In het tweede onderdeel van het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen het recht op kwalitatief onderwijs en het recht op gelijke onderwijskansen, zoals gewaarborgd door artikel 24, § 3, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de in het middel vermelde internationale en Europese normen, en al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, van de Grondwet, schenden. A.32.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat artikel 24, § 3, van de Grondwet het recht op onderwijs waarborgt, maar niet uitdrukkelijk het recht op kwalitatief onderwijs. Zij menen echter dat dit laatste recht voortvloeit uit internationale verdragen en aanbevelingen van internationale verdragsorganen. In die internationale verdragen en aanbevelingen staat het recht op gelijke onderwijskansen volgens hen centraal. Onderwijs biedt immers volgens hen de mogelijkheid om economisch en sociaal achtergestelde kinderen en volwassenen de middelen en kansen te geven om armoede, segregatie en discriminatie te overstijgen. Zij leiden daaruit af, met verwijzingen naar internationale aanbevelingen, dat naast het beschikbaar en toegankelijk maken van het onderwijs voor iedereen, het nodig kan zijn om ondersteunende maatregelen te nemen ten aanzien van een achtergestelde groep van leerlingen, opdat zij een gelijke kans krijgen in het kader van hun recht op onderwijs. Wanneer positieve actie moet plaatsvinden om gelijke kansen voor leerlingen mogelijk te maken, dan moet dit volgens hen worden vertaald in tijd en middelen die geïnvesteerd worden in het begeleiden en extra ondersteunen van de desbetreffende leerlingen. Zij menen dat de bestreden bepalingen met zich meebrengen dat de onderwijsinstellingen minder of, in het slechtste geval, helemaal geen tijd meer overhouden om de leerlingen de gepaste en noodzakelijk hulp te bieden. A.32.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de bestreden bepalingen onterecht de kwantiteit en de kwaliteit van de leerinhouden in een evenredige verhouding met elkaar plaatsten. Zij menen dat het oppervlakkig onderrichten van veel leerinhouden niet leidt tot kwalitatiever onderwijs, daar dit het grondig verwerven van kennis en vaardigheden in de weg staat. A.33.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet- ontvankelijk is, doordat de verzoekende partijen, zonder een schending van artikel 24, § 3, van de Grondwet aan te voeren, zich bij de uiteenzetting ervan beperken tot een algemene bespreking van het recht op kwalitatief onderwijs. Zij merkt op dat de verzoekende partijen hun uitgangspunt, namelijk dat de onderwijskwaliteit door de bestreden bepalingen niet is gewaarborgd, louter baseren op opinies, zonder dat die opinies worden onderbouwd. A.33.
- Het tweede onderdeel van het tweede middel is volgens de Vlaamse Regering niet-ontvankelijk in zoverre het uitgaat van de 1e tot en met de 115e verzoekende partij, daar die partijen geen leerlingen zijn. Dat onderdeel is volgens haar ook niet-ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de in het middel vermelde internationale en Europese normen, daar de verzoekende partijen nalaten concreet uiteen te zetten op welke wijze de bestreden bepalingen die internationale en Europese normen zouden schenden. Voor het overige meent de Vlaamse Regering dat de verzoekende partijen op geen enkele wijze aantonen en concreet maken dat de bestreden bepalingen de gelijke onderwijskansen en het recht op kwalitatief onderwijs van de leerlingen in het gedrang brengen. Zij tonen volgens haar evenmin aan dat er in het secundair onderwijs geen ruimte meer is voor zorg voor elke leerling. 19 A.34.
- Het GO! en de vzw « GO! ouders » zijn van oordeel dat het tweede middel gedeeltelijk niet- ontvankelijk is. In zoverre de verzoekende partijen in hun middel de noodzaak en de doeltreffendheid van de eindtermen als instrument voor de kwaliteitsbewaking van het onderwijs in twijfel trekken, betreft hun kritiek, volgens hen, de opportuniteit van de bestreden bepalingen. Zij menen dat het Hof niet bevoegd is om te beoordelen of de bestreden bepalingen al dan niet wenselijk zijn. In zoverre de verzoekende partijen in het eerste onderdeel van het middel een schending van artikel 24, § 1, van de Grondwet aanvoeren, is het middel volgens hen eveneens niet-ontvankelijk bij gebrek aan een voldoende duidelijke uiteenzetting ervan. Het middel is naar hun oordeel eveneens niet-ontvankelijk in zoverre de verzoekende partijen erin een schending aanvoeren van de standstill-verplichting die geldt op het vlak van de sociale en economische rechten, zoals het recht op onderwijs, zonder uiteen te zetten aan welke referentienorm die schending zou moeten worden gekoppeld en in welke zin de bestreden bepalingen afbreuk zouden doen aan die standstill-verplichting. Het middel is naar hun oordeel ten slotte niet-ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, omdat de verzoekende partijen geen aanknopingspunt van hun situatie met de tenuitvoerlegging van het recht van de Europese Unie aantonen. A.34.
- Ten gronde zijn het GO! en de vzw « GO! ouders » van oordeel dat het middel enkel steunt op de premisse dat de eindtermen dermate omvangrijk en gedetailleerd zijn dat er geen onderwijstijd overblijft voor het verdiepen van kennis en vaardigheden of voor leerlingenbegeleiding. Zij betwisten dat uitgangspunt en menen dat zij reeds naar aanleiding van het eerste middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 hebben aangetoond dat de bestreden eindtermen wel degelijk volledig kunnen worden gerealiseerd binnen de beschikbare onderwijstijd en dat er voldoende ruimte overblijft om de doelstellingen van het eigen pedagogisch project te verwezenlijken. Zij merken bovendien op dat de bestreden bepalingen precies werden aangenomen om het recht op een voldoende kwalitatief onderwijs te waarborgen. Zij verwijzen in dat kader naar het arrest van het Hof nr. 76/96, waaruit zij afleiden dat het door artikel 24, § 3, van de Grondwet gewaarborgde recht op onderwijs een reglementering van het onderwijs niet in de weg staat. Zij menen dat het Hof in dat arrest ook heeft vastgesteld dat het concept van de eindtermen beoogt de kwaliteit van het onderwijs te verzekeren en te verhogen. De combinatie van artikel 24, § 3, van de Grondwet met de in het middel vermelde verdragsnormen leidt volgens hen niet tot een andere conclusie. A.
- De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » is van oordeel dat het middel niet gegrond is. Zij meent dat de verzoekende partijen het middel niet onderbouwen en dat zij nalaten om hun uitgangspunten te toetsen aan de sleutelcompetenties vervat in artikel 139, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs. Zij is van oordeel dat onder meer met de sleutelcompetenties die betrekking hebben op gezondheid en burgerschap, juist een verbreding van het curriculum wordt bewerkstelligd, waardoor het onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap meer in overeenstemming wordt gebracht met de aanbevelingen van de Raad van Europa. Wat het derde middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 betreft A.
- Het derde middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 is afgeleid uit de schending van de keuzevrijheid van de ouders (de passieve onderwijsvrijheid), zoals gewaarborgd door artikel 24, § 1, tweede lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 24, § 4, ervan, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 18, lid 4, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 28 en 29 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. A.37.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat de keuzevrijheid van de ouders op het vlak van onderwijs niet los kan worden gezien van het recht tot het oprichten van onderwijsinstellingen en van het recht op subsidiëring dat die instellingen bezitten. Het recht op keuzevrijheid van de ouders kan volgens hen slechts ten volle gelden wanneer de vrijheid van de inrichtende machten om onderwijs in te richten en het recht op subsidiëring dat dit onderwijs in beginsel bezit, niet op willekeurige wijze worden ingeperkt. Uit de rechtspraak van het Hof leiden zij af dat de keuzevrijheid van de ouders inhoudt dat zij voor hun kinderen het onderwijs kunnen kiezen dat 20 het meest met hun levensopvatting overeenstemt en dat, om die keuze te waarborgen, de gemeenschap neutraal onderwijs dient in te richten dat de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen eerbiedigt en onderwijsinstellingen dient te subsidiëren die hun eigenheid vinden in een bepaalde godsdienstige, filosofische of onderwijskundige opvatting. Zij wijzen erop dat de keuzevrijheid van de ouders niet alleen wordt gewaarborgd door de Grondwet, maar ook door internationale en Europese normen, waaronder artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.37.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat wanneer de onderwijsdoelen gelijkvormige leerprogramma’s dreigen op te leggen in plaats van minimumdoelen, niet alleen de actieve onderwijsvrijheid in het gedrang komt, maar ook de passieve onderwijsvrijheid, meer bepaald de keuzevrijheid van de ouders. Zij menen dat de bestreden bepalingen leiden tot verschraling, kleurloosheid en nivellering van het onderwijs en dat zij de ouders verhinderen om te kiezen voor een school afhankelijk van hun kind, bijvoorbeeld naargelang de school al dan niet sterk inzet op inclusie, op leerlingenbegeleiding, op excellentie of op maatschappelijke participatie. Zoals zij bij het eerste middel hebben uiteengezet, menen de verzoekende partijen bovendien dat de bestreden bepalingen de onderwijsinstellingen een eenzijdige visie op de samenleving en een eenzijdig mensbeeld opdringen, visie en mensbeeld die niet overeenstemmen met wat sommige ouders nastreven in het kader van de opvoeding van hun kind. A.38.
- In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat artikel 24, § 4, van de Grondwet en artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zijn geschonden, is het middel volgens de Vlaamse Regering niet-ontvankelijk bij gebrek aan een uitzetting ervan. A.38.
- De Vlaamse Regering meent voorts dat de bestreden bepalingen artikel 24, § 1, van de Grondwet niet schenden. Uit het arrest van het Hof nr. 80/2014 van 8 mei 2014 leidt zij af dat de keuzevrijheid van de ouders moet worden geïnterpreteerd rekening houdend met het hogere belang van het kind en zijn grondrecht op onderwijs. Zij meent dat het Hof om die reden aanvaardt dat de decreetgever, onder meer door middel van eindtermen, toeziet op de kwaliteit van het onderwijs. Zij merkt op dat de door het internationaal recht gewaarborgde keuzevrijheid van de ouders gepaard gaat met een verplichting voor de Staat om te waarborgen dat het onderwijs kwaliteitsvol is voor elke leerling. Zij meent dat het invoeren van nieuwe eindtermen op zich de keuzevrijheid van de ouders niet kan schenden. A.38.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat de bestreden bepalingen geen uniform leerprogramma invoeren. Zij wijst bovendien erop dat de scholen de mogelijkheid hebben om een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen in te dienen. A.39.
- Het GO! en de vzw « GO! ouders » zijn van oordeel dat het middel niet-ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, omdat de verzoekende partijen geen aanknopingspunt van hun situatie met de tenuitvoerlegging van het recht van de Europese Unie aantonen. A.39.
- Voor het overige menen het GO! en de vzw « GO! ouders » dat het middel niet gegrond is. Zij wijzen erop dat het steunt op het foute uitgangspunt dat de eindtermen dermate omvangrijk en gedetailleerd zijn dat er geen ruimte overblijft om binnen de beschikbare onderwijstijd een eigen pedagogisch project te verwezenlijken. Zij verwijzen in dit kader naar hun argumentatie bij het eerste middel. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de bestreden bepalingen een gelijkvormig leerprogramma opleggen, menen het GO! en de vzw « GO! ouders » dat hun kritiek in werkelijkheid is gericht tegen het concept van de eindtermen zelf, zoals bepaald bij het decreet van 26 januari 2018, en dus niet tegen de bestreden bepalingen. Zij menen dat het evident is dat eindtermen tot op zekere hoogte leiden tot een gelijkvormig leerprogramma, daar zij precies tot doel hebben de kwaliteit en de onderlinge gelijkwaardigheid van het met overheidsmiddelen verstrekte onderwijs te waarborgen. Zij menen dat de bestreden bepalingen niet eraan in de weg staan dat ouders een school kunnen kiezen die overeenstemt met hun godsdienstige en filosofische overtuigingen. Zij wijzen ook op de mogelijkheid voor de scholen om een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen in te dienen bij de Vlaamse Regering. A.39.
- In ondergeschikte orde zijn het GO! en de vzw « GO! ouders » van oordeel dat een eventuele beperking van de keuzevrijheid van de ouders niet opweegt tegen het recht op onderwijs van het kind, dat met de 21 bestreden bepalingen wordt gewaarborgd. Uit de rechtspraak van het Hof leiden zij af dat dit laatste recht de keuzevrijheid van de ouders en de vrijheid van de leerkrachten op het vlak van het onderwijs dat zij wensen te verstrekken, kan beperken. Zij menen dat ook uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat in geval van een conflict tussen, enerzijds, de rechten van de ouders en, anderzijds, het recht van het kind op onderwijs, de belangen van het kind primeren. A.39.
- De combinatie van artikel 24, § 1, tweede lid, van de Grondwet met de overige in het middel vermelde referentienormen leidt volgens het GO! en de vzw « GO! ouders » niet tot een andere conclusie. A.
- De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » is van oordeel dat het derde middel samenhangt met het eerste middel, in die zin dat indien de bestreden bepalingen de actieve vrijheid van onderwijs niet schenden, de keuzevrijheid van de ouders evenmin is geschonden. Zij verwijst naar haar argumentatie bij het eerste middel en meent dat daaruit volgt dat ook het derde middel niet gegrond is. Wat het vierde middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 betreft A.
- Het vierde middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 5, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van behoorlijke wetgeving, rechtszekerheid en procedurele evenredigheid. A.42.
- De verzoekende partijen menen dat de bestreden bepalingen het wettigheidsbeginsel in onderwijszaken, zoals gewaarborgd door artikel 24, § 5, van de Grondwet, schenden, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met de beginselen van behoorlijke wetgeving en met het rechtszekerheidsbeginsel, en dat die schending het resultaat is van het onzorgvuldig verloop van de procedure van totstandkoming van het bestreden decreet en van de materiële niet-doeltreffendheid van de initiatieven om die onzorgvuldigheden weg te werken. A.42.
- De beginselen van behoorlijke wetgeving zijn volgens de verzoekende partijen door de bestreden bepalingen geschonden, doordat de inherente constructiefouten in de wetgevingsprocedure hebben geleid tot een onhaalbaar geheel van onderwijsdoelen. De inherente constructiefouten in de wetgevingsprocedure betreffen volgens hen het ontbreken van een overkoepelende commissie bij het ontwikkelen van de bestreden onderwijsdoelen, het ontbreken van een mogelijkheid tot daadwerkelijke remediëring, de door het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen (hierna : AHOVOKS) aan de leden van de ontwikkelcommissies opgelegde geheimhoudingsplicht, het ontbreken van een specifieke opdracht voor de generalisten in de ontwikkelcommissies, het ontbreken van een decretale verankering van de praktijkcommissie en het ontbreken van objectieve handvaten om de haalbaarheid te evalueren. A.42.
- Wat de ontwikkelcommissies betreft, zetten de verzoekende partijen uiteen dat er meerdere dergelijke commissies werden opgericht en dat die commissies elk afzonderlijk op hun eigen domein de onderwijsdoelen hebben uitgeschreven. Zij vervolgen dat er geen overkoepelende commissie werd opgericht die de haalbaarheid van het geheel in het oog hield. De valideringscommissie die werd opgericht, heeft volgens hen nooit de opdracht gekregen om die haalbaarheid te bewaken. Zij vervolgen dat de bevoegde minister pas in juni 2020 een zogenaamde « helikoptercommissie » heeft samengeroepen, die tot taak kreeg de verschillende ontwikkelcommissies aan te zetten tot bijsturing waar nodig. A.42.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat er tijdens de procedure van totstandkoming van de bestreden bepalingen bovendien geen mogelijkheid was om de ontworpen onderwijsdoelen daadwerkelijk bij te sturen teneinde de onhaalbaarheid van het geheel te remediëren. Zij wijzen erop dat de eerste verzoekende partij, na te hebben vastgesteld dat de manoeuvreerruimte van de voormelde « helikoptercommissie » bijzonder beperkt was, op 7 oktober 2020 een formeel schrijven heeft gericht naar de bevoegde minister om alsnog te kunnen komen tot de oprichting van een overkoepelende commissie. Ook de kleine onderwijsverstrekkers hebben volgens hen de minister aangeschreven. Zij vervolgen dat tijdens de in het Vlaams Parlement georganiseerde hoorzitting van 29 oktober 2020 meerdere vertegenwoordigers van het onderwijsveld, waaronder de eerste verzoekende partij, ernstige bezorgdheden hebben geuit over de haalbaarheid van de eindtermen. Niettemin werd volgens hen ervoor gekozen het op 9 oktober 2020 vastgestelde voorontwerp van decreet niet fundamenteel te wijzigen, ook al was er geen concrete becijfering voorhanden van de impact van de onderwijsdoelen op de onderwijstijd. 22 A.42.
- Een bijkomende onzorgvuldigheid betreft volgens de verzoekende partijen de door AHOVOKS aan de leden van de ontwikkelcommissies opgelegde geheimhoudingsplicht. Die plicht heeft er volgens hen toe geleid dat er tijdens de werkzaamheden van de commissies geen mogelijkheid was om zicht te krijgen op de zwaarte van het gehele pakket van onderwijsdoelen en dat pas na het voltooien van de werkzaamheden van de ontwikkelcommissies kon worden vastgesteld dat het gehele pakket in de praktijk niet haalbaar is. A.42.
- De verzoekende partijen wijzen vervolgens erop dat er in de meeste ontwikkelcommissies twee zogenaamde generalisten aanwezig waren, meer bepaald één namens het GO! en één namens het Katholiek Onderwijs Vlaanderen, die tot taak hadden om de coherentie van het geheel in de gaten te houden. Zij menen dat die generalisten nooit de specifieke taak hebben gekregen om de haalbaarheid van de onderwijsdoelen te monitoren, laat staan dat hun daartoe een methodiek werd aangereikt. A.42.
- Wat de zogenaamde praktijkcommissie betreft, wijzen de verzoekende partijen erop dat die commissie is opgericht om na de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen de haalbaarheid van de eindtermen te bewaken en voorstellen tot wijzigingen te formuleren. Het feit dat daarbij niet wordt voorzien in een objectieve berekeningsmethode om die haalbaarheid na te gaan, leidt volgens hen tot een schending van de beginselen van behoorlijke wetgeving en in het bijzonder van het rechtszekerheidsbeginsel. Bovendien menen zij dat de onduidelijkheid omtrent de opdracht en de werking van de praktijkcommissie en het gebrek aan decretale verankering leiden tot een niet-transparante manier om de kwaliteit en de vrijheid van het onderwijs te bewaken. Het gebrek aan decretale verankering is volgens hen ook strijdig met het wettigheidsbeginsel in onderwijszaken. A.42.
- Uit het voorgaande leiden de verzoekende partijen af dat noch de Vlaamse Regering, noch de decreetgever, tijdig een redelijke afweging heeft gemaakt inzake de mogelijke fundamentele impact van de onderwijsdoelen op de onderwijsvrijheid en op het recht op onderwijs, wat volgens hen leidt tot een schending van het wettigheidsbeginsel in onderwijszaken en van de beginselen van behoorlijke wetgeving. Een schending van het rechtszekerheidsbeginsel leiden zij af uit het ontbreken van een decretale verankering van de praktijkcommissie en uit het ontbreken van een objectieve berekeningsmethode betreffende de impact van de eindtermen op de onderwijstijd. A.
- De verzoekende partijen menen ten slotte dat de onderwijsdoelen op zulke wijze tot stand zijn gekomen dat de inperking van de vrijheid van en het recht op onderwijs niet voldoet aan de voorwaarden van de procedurele evenredigheid, die zij afleiden uit rechtspraak van het Hof en van het Europees Hof voor de Rechten van Mens en die volgens hen inhouden dat het beslissingsproces in materies die inhoudelijk complex en technisch zijn, moet berusten op adequaat onderzoek dat toelaat te komen tot een billijk evenwicht tussen de verschillende strijdige belangen in het geding. A.44.
- De Vlaamse Regering doet gelden dat de verzoekende partijen hun middel niet op een duidelijke wijze uiteenzetten. Zij merkt vervolgens op dat zij haar verweer uitsluitend kan voeren met betrekking tot de in het randnummer 405 van het verzoekschrift aangevoerde schending van het wettigheidsbeginsel in onderwijszaken, zoals gewaarborgd door artikel 24, § 5, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met de beginselen van behoorlijke wetgeving en met het rechtszekerheidsbeginsel. A.44.
- Uit het arrest van het Hof nr. 76/96 leidt de Vlaamse Regering af dat de decreetgever, wat het vaststellen van eindtermen betreft, ervoor mag opteren de onderwijswereld bij de ontwikkeling van die eindtermen te betrekken en de aldus ontwikkelde en door de Vlaamse Regering vastgestelde eindtermen te bekrachtigen. Zij meent dat zulk een werkwijze niet strijdig is met artikel 24, § 5, van de Grondwet en dat de kritiek van de verzoekende partijen in wezen betrekking heeft op artikel 143 van de Codex Secundair Onderwijs, dat niet het voorwerp uitmaakt van de onderhavige beroepen. A.44.
- Voor het overige is de Vlaamse Regering van oordeel dat de kritiek van de verzoekende partijen niet de bestreden bepalingen betreft, maar wel het verloop van de wetgevingsprocedure die heeft geleid tot die bepalingen. Zij verwijst naar rechtspraak waaruit zij afleidt dat het Hof niet bevoegd is om de parlementaire procedure, de kwaliteit van de wetgeving op zich en de formaliteiten die voorafgaan aan de aanneming van wetgeving te controleren. A.44.
- Wat het door de verzoekende partijen aangevoerde ontbreken van een overkoepelende commissie betreft, wijst de Vlaamse Regering erop dat in de ontwikkelingscommissies zowel specialisten als generalisten aanwezig waren en dat de generalisten wel degelijk de opdracht hadden om de coherentie en de haalbaarheid van het geheel te bewaken. Wat de geheimhoudingsplicht van de leden van de ontwikkelcommissies betreft, beklemtoont 23 de Vlaamse Regering dat zij nooit een dergelijke geheimhoudingsplicht heeft opgelegd en uitsluitend heeft gevraagd om met de documenten vertrouwelijk om te gaan. A.44.
- Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde schending van de procedurele evenredigheid betreft, doet de Vlaamse Regering gelden dat de decreetgever wel degelijk op een zorgvuldige wijze, met inbreng van diverse actoren uit het onderwijsveld, tot de formulering van de eindtermen is gekomen en dat hij redelijkerwijs heeft kunnen oordelen dat de eindtermen bijdragen tot de kwaliteit van het onderwijs. A.45.
- Het GO! en de vzw « GO! ouders » zijn van oordeel dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van het middel, in zoverre daarin de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijke regelgeving wordt aangevoerd, doordat er verschillende onzorgvuldigheden zouden zijn begaan tijdens de procedure van totstandkoming van de bestreden bepalingen. Zij doen gelden dat het vaste rechtspraak is van het Hof dat zijn toetsingsbevoegdheid zich beperkt tot de inhoud van een wetskrachtige norm en zich niet uitstrekt tot de totstandkoming ervan. A.45.
- Het GO! en de vzw « GO! ouders » menen daarnaast dat de bestreden bepalingen het wettigheidsbeginsel in onderwijszaken niet schenden. Zij wijzen erop dat de eindtermen, in overeenstemming met artikel 24, § 5, van de Grondwet, bij decreet werden vastgelegd. Zij zien niet in hoe de bestreden bepalingen het wettigheidsbeginsel zouden kunnen schenden, doordat de door de Vlaamse Regering opgerichte praktijkcommissie niet decretaal werd verankerd. Zij doen gelden dat de verzoekende partijen op dat vlak in werkelijkheid de beslissing van de Vlaamse Regering om een praktijkcommissie op te richten, bekritiseren en niet de bestreden bepalingen. A.
- De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » is van oordeel dat de grieven van de verzoekende partijen geen betrekking hebben op de bestreden bepalingen. In zoverre de verzoekende partijen de bepalingen van het decreet van 26 januari 2018 bekritiseren, wijst zij erop dat die bepalingen niet het voorwerp uitmaken van de onderhavige beroepen. Wat de door de verzoekende partijen bekritiseerde geheimhoudingsplicht van de leden van de ontwikkelcommissies betreft, doet zij gelden dat zij geen weet heeft van zulk een plicht en dat er in ieder geval voor de leden van die commissies geen enkel beletsel is geweest om terug te koppelen naar de eigen organisatie. Zij is ten slotte van oordeel dat uit de oprichting van een praktijkcommissie geen enkel argument kan worden afgeleid met betrekking tot het wettig karakter van de onderwijsdoelen. Wat het vijfde middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 betreft A.
- Het vijfde middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 is afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel in onderwijszaken, zoals gewaarborgd door artikel 24, § 4, van de Grondwet. A.48.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen, volgens artikel 24, § 4, van de Grondwet, gelijk zijn voor de wet of het decreet en dat de wet of het decreet, volgens diezelfde bepaling, rekening moet houden met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden. De eigenheid van de onderwijsverstrekkers behoort volgens hen tot de in die bepaling bedoelde objectieve verschillen en kan in bepaalde omstandigheden een ongelijke behandeling verantwoorden. Omgekeerd kan een identieke regeling voor het gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs, zonder voldoende rekening te houden met de eigen karakteristieken van de inrichtende machten, volgens hen een strijdigheid met artikel 24, § 4, van de Grondwet opleveren. A.48.
- Uit de rechtspraak van het Hof leiden de verzoekende partijen af dat de overheid de vrijheid van de inrichtende machten om aan het onderwijs vorm te geven, zowel inhoudelijk als op pedagogisch vlak, door middel van eindtermen kan beperken om de gelijkwaardigheid van de studiebewijzen en diploma’s veilig te stellen en om de onderlinge gelijkwaardigheid van het onderwijs te vrijwaren. In de memorie van toelichting bij het bestreden decreet wordt volgens hen evenwel op geen enkele wijze verwezen naar de eerste doelstelling, namelijk de gelijkwaardigheid van de studiebewijzen en diploma’s. Om die reden menen zij dat die doelstelling dient te worden uitgesloten van de beoordeling van de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel in onderwijszaken. De tweede doelstelling, namelijk het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijs, wordt volgens hen daarentegen wel vermeld in de parlementaire voorbereiding. Die doelstelling is volgens hen legitiem. Het aanwenden van eindtermen is volgens hen in beginsel ook pertinent ten aanzien van die doelstelling. 24 A.48.
- De verzoekende partijen menen echter dat de bestreden bepalingen niet evenredig zijn ten aanzien van het nagestreefde doel. Ze zetten uiteen dat uit rechtspraak van het Hof blijkt dat de gemeenschap en de andere inrichtende machten niet over eenzelfde vrijheid van onderwijs beschikken en leiden daaruit af dat er een verschil bestaat tussen, enerzijds, de gesubsidieerde onderwijsverstrekkers, van wie de onderwijsvrijheid rechtstreeks voortvloeit uit artikel 24, § 1, van de Grondwet, en, anderzijds, het gemeenschapsonderwijs, dat krachtens artikel 24, § 2, van de Grondwet over die bevoegdheid beschikt die de decreetgever bij bijzonder decreet delegeert aan het desbetreffende orgaan. Daar de bestreden onderwijsdoelen geen minimumdoelen zijn, raken die doelen volgens hen de onderwijsverstrekkers die gebruik wensen te maken van de vrijheid bepaald in artikel 24, § 1, van de Grondwet onevenredig in vergelijking met de onderwijsverstrekkers die gebruik wensen te maken van de vrijheid bepaald in artikel 24, § 2, van de Grondwet. Zij menen dat de bestreden bepalingen aldus een indirecte discriminatie in het leven roepen, omdat de vrije onderwijsverstrekkers in de praktijk meer nadeel ondervinden van die bepalingen dan de scholen van het GO! Door alle onderwijsverstrekkers op gelijke wijze te behandelen, zonder rekening te houden met de ernstige grieven van de vrije onderwijsverstrekkers, miskent de overheid volgens hen de op haar rustende verplichting om rekening te houden met de eigen karakteristieken van de inrichtende machten. A.49.
- De Vlaamse Regering is in hoofdorde van oordeel dat het middel niet-ontvankelijk is omdat het in werkelijkheid is gericht tegen het decreet van 26 januari
- Zij zet uiteen dat de decreetgever bij dat decreet heeft beslist om eindtermen op uniforme wijze op te leggen aan alle onderwijsverstrekkers. Zij meent dat uniformiteit inherent is aan het concept van eindtermen en verwijst naar rechtspraak van het Hof, waaruit zij afleidt dat de decreetgever met het oog op het verzekeren van de kwaliteit en de onderlinge gelijkwaardigheid van het met overheidsmiddelen verstrekte onderwijs maatregelen kan nemen die op de onderwijsinstellingen van algemene toepassing zijn, ongeacht de eigenheid van het door hen verstrekte onderwijs. A.49.
- In ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van oordeel dat het middel niet gegrond is, daar de katholieke scholen zich ten aanzien van de bestreden bepalingen niet in een situatie bevinden die wezenlijk verschilt van die van andere onderwijsverstrekkers. De omstandigheid dat het gemeenschapsonderwijs de verplichting heeft om de keuzevrijheid van de ouders te waarborgen en om neutraal onderwijs in te richten en de omstandigheid dat de onderwijsinstellingen ingericht door openbare besturen de keuze moeten aanbieden tussen onderricht in één van de erkende godsdiensten en niet-confessionele zedenleer, doen volgens haar geen afbreuk aan de pedagogische en didactische vrijheid waarover het gemeenschapsonderwijs en de onderwijsinstellingen ingericht door openbare besturen, beschikken. Daar de onderwijsvrijheid toekomt aan alle onderwijsverstrekkers, bevinden de katholieke scholen zich, volgens de Vlaamse Regering, ten aanzien van de bestreden bepalingen niet in een situatie die wezenlijk verschilt van de situatie van de instellingen van het gemeenschapsonderwijs en van de instellingen ingericht door de openbare besturen. Zij verwijst bovendien naar rechtspraak van het Hof, waaruit zij afleidt dat de in artikel 24, § 4, tweede zin, van de Grondwet neergelegde verplichting voor de decreetgever om rekening te houden met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, niet zo ruim kan worden uitgelegd dat zij de verplichting zou inhouden om voor scholen die hun eigenheid vinden in bepaalde pedagogische of onderwijskundige opvattingen te voorzien in gunstnormen. De Vlaamse Regering is ten slotte van oordeel dat de bekritiseerde gelijke behandeling objectief en redelijk is verantwoord. A.50.
- Het GO! en de vzw « GO! ouders » menen dat de bestreden bepalingen het gelijkheidsbeginsel in onderwijszaken niet schenden, omdat de verschillende onderwijsverstrekkers zich ten aanzien van die bepalingen niet in wezenlijk verschillende situaties bevinden. Zij herinneren eraan dat de eindtermen minimumdoelen zijn die de decreetgever noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie en dat elke school de maatschappelijk opdracht heeft om de eindtermen op populatieniveau bij de leerlingen te bereiken. Zij menen dat het aldus logisch is dat de eindtermen gelijkvormig van toepassing zijn op alle onderwijsverstrekkers en dat alleen zo de kwaliteit en de onderlinge gelijkwaardigheid van het met overheidsmiddelen verstrekte onderwijs kan worden gewaarborgd. A.50.
- In zoverre de verzoekende partijen ervan uitgaan dat de vrijheid om een eigen pedagogisch project uit te werken, zoals gewaarborgd door artikel 24, § 1, van de Grondwet, in mindere mate zou gelden voor het gemeenschapsonderwijs dan voor het vrij onderwijs, menen het GO! en de vzw « GO! ouders » dat het uitgangspunt van de verzoekende partijen manifest onjuist is. Zij doen gelden dat de vrijheid van onderwijs geldt voor alle onderwijsverstrekkers. A.
- De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » is van oordeel dat het middel niet gegrond is. Zij meent bovendien dat het middel strijdig is met de artikelen 22bis en 24, § 4, van de Grondwet, op grond waarvan het belang van het kind primeert en iedere leerling gelijk dient te worden behandeld. De eigen filosofische, 25 ideologische, godsdienstige of pedagogische karakteristieken van de inrichtende machten kunnen volgens haar niet verantwoorden dat er wordt geraakt aan het gelijke recht van eenieder op kwaliteitsvol onderwijs, dat moet leiden tot gelijkwaardige studiebewijzen en diploma’s. In de zaak nr. 7589 Wat het eerste middel in de zaak nr. 7589 betreft A.
- Het eerste middel in de zaak nr. 7589 is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 24, § 1, van de Grondwet. A.
- In het eerste onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen onderwijsdoelen opleggen die uiterst omvangrijk, complex, technisch en gedetailleerd zijn en die geenszins kwaliteit generen, noch garanderen, laat staan verhogen, terwijl de vrijheid van onderwijs, zoals gewaarborgd door artikel 24, § 1, van de Grondwet, vereist dat de onderwijsdoelen minimumnormen zijn. A.54.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de bestreden bepalingen geen adequate maatregel vormen ten aanzien van het nagestreefde doel betreffende het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs. Eindtermen kunnen volgens hen de kwaliteit van het onderwijs niet verhogen. Minstens zijn de bestreden bepalingen onevenredig ten aanzien van het nagestreefde doel, vermits er geen reden voorhanden is om de eindtermen niet als sober geformuleerde minimumdoelen uit te werken. A.54.
- De verzoekende partijen betwisten het standpunt van de Vlaamse Regering dat de eindtermen het resultaat zijn van afwegingen en keuzes waarvoor binnen de onderwijswereld naar een consensus is gezocht. Zij betwisten eveneens het standpunt dat het bestreden decreet minder eindtermen oplegt dan voorheen en zijn van mening dat een numerieke vergelijking tussen de oude en de nieuwe eindtermen geen correct beeld oplevert. Zij wijzen erop dat de nieuwe eindtermen zijn ingedeeld per sleutelcompetentie, terwijl dat vroeger per vak was, dat er in tegenstelling tot voorheen geen vakoverschrijdende eindtermen meer bestaan en dat de nieuwe eindtermen geformuleerd zijn volgens een heel ander format dan voorheen, meer bepaald volgens de herziene taxonomie van Bloom. Om een realistisch beeld te krijgen van het gewicht en de impact van de bestreden bepalingen dient volgens hen rekening te worden gehouden met de leerstofonderdelen die per eindterm worden geformuleerd. Zij wijzen erop dat uit eigen berekeningen blijkt dat wanneer rekening wordt gehouden met de leerstofonderdelen er 5 165 eindtermen bestaan voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs samen, terwijl er volgens de Vlaamse Regering maar 384 eindtermen zijn. A.54.
- De verzoekende partijen doen gelden dat de eindtermen de volledige inhoud van het onderwijs bepalen en dat het verwezenlijken ervan de volledige onderwijstijd in beslag neemt. Zij merken op dat de bestreden eindtermen als het ware een onderwijsprogramma vormen en dat de leerplannen daardoor verworden tot documenten die de eindtermen louter overnemen. Zij menen dat dit blijkt uit de leerplannen die de onderwijsverstrekkers van het GO! hebben neergelegd. Die leerplannen zijn volgens hen een loutere overname van de bestreden eindtermen. Zij merken daarbij op dat artikel 147/3 van de Codex Secundair Onderwijs nochtans vereist dat de leerplannen voldoende ruimte laten voor de leraren en de scholen. Alle informatie die onder de hoofdingen « feitenkennis », « conceptuele kennis » en « procedurele kennis » staat, is volgens hen overbodig en hypothekeert, als te evalueren leerstof, de onderwijstijd en de pedagogische ruimte. A.54.
- In hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen nog aan dat hun kritiek ook slaat op de specifieke eindtermen voor de studierichting « R. Steinerpedagogie ». Zij menen dat die eindtermen de specificiteit van die studierichting niet uitdrukken en het gegeven negeren dat die studierichting gericht is op een ruime keuze aan vervolgopleidingen. A.
- In het tweede onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen onderwijsdoelen opleggen die dermate uitgebreid en zwaar zijn dat het onmogelijk is ze te realiseren binnen de beschikbare onderwijstijd, laat staan dat er nog ruimte overblijft voor de eigenheid van het pedagogisch project van de scholen, terwijl de vrijheid van onderwijs vereist dat de overheid haalbare onderwijsdoelen oplegt waarbij er nog voldoende ruimte overblijft voor eigen pedagogische doelen. 26 A.56.
- Uit de parlementaire voorbereiding leiden zij af dat de decreetgever zelf van oordeel is geweest dat eindtermen haalbaar moeten zijn binnen de beschikbare onderwijstijd en bovendien ruimte moeten laten voor eigen pedagogische doelen. Uit die voorbereiding leiden zij eveneens af dat noch de ontwikkelcommissies, noch de valideringscommissie een instrument in handen hadden om de haalbaarheid van de eindtermen in hun geheel te toetsen. Zij betwisten dat de Vlaamse Regering de haalbaarheid van de eindtermen heeft getoetst. Zij merken daarbij allereerst op dat zulk een toetsing enkel mogelijk zou zijn ge