← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.088

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.088 Arrest- Rolnummer: 88/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 357 - laatst gezien 2026-06-14 19:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (art. 458 van het Strafwetboek, rekening houdend met hetgeen in B.13 en B.14 is vermeld) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 458bis van het Strafwetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Strafrecht - Beroepsgeheim - Advocaten - Verzoek om de intrekking van de juridische bijstand - Voorwaarde van ontoereikende bestaansmiddelen niet voldaan - Verbod om de elementen van de vaststelling bekend te maken Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 88/2022 van 30 juni 2022 Rolnummer : 7551 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 458bis van het Strafwetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 25 maart 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 april 2021, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 458bis van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die zin geïnterpreteerd dat het de advocaat die in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand is aangesteld en die verzoekt om van zijn aanstelling te worden ontheven met toepassing van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer hij vaststelt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 508/13 van hetzelfde Wetboek bedoelde voorwaarden inzake bestaansmiddelen, verbiedt om de elementen aan het licht te brengen die hem tot die vaststelling hebben gebracht, zelfs indien hij daartoe wordt verzocht door de arbeidsrechtbank wanneer de begunstigde het in artikel 508/16 van hetzelfde Wetboek bedoelde beroep instelt ? ». Memories zijn ingediend door : - A.N., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Lydakis, advocaat bij de balie Luik-Hoei; 2 - de « Ordre des Barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Lemmens en Mr. E. Kiehl, advocaten bij de balie Luik-Hoei; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Bonbled, advocaat bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - A.N.; - de « Ordre des Barreaux francophones et germanophone ». Bij beschikking van 23 maart 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Bribosia en S. de Bethune, ter vervanging van rechter D. Pieters, wettig verhinderd, te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 april 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 20 april 2022 : - de dag van de terechtzitting bepaald op 18 mei 2022; - de partijen verzocht vooraf te antwoorden op de volgende vraag door middel van een aanvullende memorie in te dienen uiterlijk op 16 mei 2022 en binnen dezelfde termijn mee te delen aan de andere partijen, alsook aan de griffie van het Hof via mail op het adres « griffie@const-court.be » : « Zou de onmogelijkheid, voor het rechtscollege dat ermee belast is het beroep te onderzoeken dat is gericht tegen een beslissing tot intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand, om kennis te nemen van de elementen waarop die beslissing is gegrond, voortvloeien uit, niet de artikelen 458 en 458bis van het Strafwetboek, maar de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die de door het bureau voor juridische bijstand aangewezen advocaat, wanneer de door het beroepsgeheim gedekte inlichtingen waarvan hij kennisneemt tijdens de uitoefening van zijn opdracht van advocaat, hem ertoe brengen ervan uit te gaan dat zijn cliënt niet voldoet aan de voorwaarde inzake ontoereikende bestaansmiddelen, ermee belasten de procedure voor de intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand op gang te brengen, die aan het bureau voor juridische bijstand de bevoegdheid verlenen om te beslissen over de intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand en die aan de arbeidsrechtbank de bevoegdheid verlenen om kennis te nemen van de beroepen die zijn gericht tegen de door het bureau voor juridische bijstand genomen beslissingen tot intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand ? ». Aanvullende memories zijn ingediend door : - A.N.; - de « Ordre des Barreaux francophones et germanophone »; - de Ministerraad. 3 Op de openbare terechtzitting van 18 mei 2022 : - zijn verschenen : . Mr. E. Tessarolo, advocaat bij de balie Luik-Hoei, loco Mr. P. Lydakis, voor A.N.; . Mr. E. Kiehl, voor de « Ordre des Barreaux francophones et germanophone » (tussenkomende partij); . Mr. N. Bonbled en Mr. L. Bouhyaoui, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op verzoek van S.T.T. heeft A.N., gepensioneerde, die zich zou hebben voorgesteld als lasthebber of aangestelde van de ebvba « A.D.A. », samen met die laatste, sloopwerken uitgevoerd in een woning gelegen te Luik. In het kader van discussies over de storting van een voorschot is gebleken dat S.T.T. niet de hoedanigheid van eigenaar van de woning had. Bij dagvaarding van 25 februari 2019 dagvaardt de echte eigenaar van het onroerend goed S.T.T., de ebvba « A.D.A. » en A.N. voor het gerecht. A.N. vraagt juridische tweedelijnsbijstand (hierna : juridische bijstand) aan. Op 27 november 2019 wordt een advocate aangesteld door het bureau voor juridische bijstand van de Orde van advocaten te Luik, in het kader van een opvolging van advocaten. Op 30 april 2020 dient de advocate bij het bureau voor juridische bijstand een verzoek in tot intrekking van de juridische bijstand, op grond van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek, waarin zij aangeeft dat A.N. niet voldoet aan de in artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorwaarden. Op 25 mei 2020 brengt het bureau voor juridische bijstand de beslissing om een einde te maken aan het voordeel van de juridische bijstand ter kennis van A.N. Op 16 juni 2020 dient A.N. een verzoekschrift tot betwisting van die beslissing in bij de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat het beroepsgeheim de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde advocate verplicht om de vertrouwelijke elementen die zij kent, niet te onthullen, zodat zelfs de Orde waartoe zij behoort, niet weet wat zij heeft kunnen opmerken. 4 Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat het niet kan beoordelen of de advocate beschikte over concrete bewijzen dan wel, op zijn minst, over een geheel van nauwkeurige en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen waardoor zij kon beweren dat A.N. niet voldeed aan de bij artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek vastgestelde voorwaarden. Volgens het verwijzende rechtscollege vloeit daaruit eveneens voort dat de eiser wordt verplicht om het bewijs te leveren dat er geen verborgen bestaansmiddelen bestaan, hetgeen moeilijk en zelfs onmogelijk is. Het verwijzende rechtscollege stelt bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.

  1. De Ministerraad doet gelden dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is, omdat de categorieën van personen die zouden worden gediscrimineerd, daarin niet worden geïdentificeerd. Hij brengt in herinnering dat het Hof van oordeel is dat het niet aan het Hof staat een verschil in behandeling te onderzoeken in het kader waarvan het zelf de te vergelijken categorieën van personen moet bepalen. A.1.
  2. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, aangezien zij op een verkeerde premisse berust. Volgens hem is het verwijzende rechtscollege van oordeel dat artikel 458bis van het Strafwetboek de in het kader van de juridische bijstand aangestelde advocaat zou verbieden om aan de rechter de redenen bekend te maken die hem ertoe hebben gebracht vast te stellen dat de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 508/13, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorwaarde inzake ontoereikendheid van de bestaansmiddelen. De Ministerraad is dan weer van mening dat die bepaling de advocaat geen geheimhoudings- noch discretieplicht oplegt. Zij bestraft de schending van het beroepsgeheim evenmin strafrechtelijk. Integendeel, zij vormt een uitzondering op het in artikel 458 van het Strafwetboek uitgevaardigde verbod om een beroepsgeheim bekend te maken en legt een spreekrecht vast, zoals het Hof bij zijn arrest nr. 127/2013 van 26 september 2013 heeft geoordeeld. De Ministerraad leidt daaruit af dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet kan schenden. A.1.
  3. Hoe dan ook brengt de Ministerraad, ten gronde, in herinnering dat het beroepsgeheim wordt beschermd door de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en haalt hij in dat verband het arrest van het Hof nr. 43/2019 van 14 maart 2019 aan, alsook de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 6 december 2012, Michaud t. Frankrijk, §§ 118-123) en van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ, 26 juni 2007, C-305/05, O.B.F.G. e.a. t. Ministerraad, punt 32). Hij beklemtoont dat het beroepsgeheim niet alleen is ingevoerd in het belang van de cliënt, die de waarborg heeft dat hetgeen hij aan zijn advocaat toevertrouwt, door hem niet openbaar zal worden gemaakt, maar ook in het belang van de samenleving, aangezien het de goede werking van het gerechtelijk systeem verzekert en de uitoefening van de rechten van de verdediging bevordert door het elke persoon mogelijk te maken vrij te kiezen om een beroep te doen op een advocaat met de zekerheid dat de geheimen die hij hem toevertrouwt, zullen worden beschermd. Hij verwijst in dat verband naar de conclusies van advocaat-generaal P. Maduro in de reeds aangehaalde zaak O.B.F.G. e.a. t. Ministerraad (punt 54). De Ministerraad leidt daaruit af dat het verbod dat wordt opgelegd aan de advocaat die houder is van het beroepsgeheim, om aan het licht te brengen wat door dat geheim wordt gedekt, niet het recht op een eerlijk proces en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel schendt, maar dat het, integendeel, een essentieel element ervan uitmaakt. Indien de advocaat de vertrouwelijke informatie van zijn cliënt niet mag onthullen, is dat volgens de Ministerraad om het recht op een eerlijk proces van die laatste te waarborgen. Indien de advocaat verplicht was om de vertrouwelijke informatie van zijn cliënt aan het licht te brengen telkens als een zaak voor de hoven en rechtbanken werd gebracht, zou de doeltreffendheid van het beroepsgeheim worden tenietgedaan en zou het recht van de rechtzoekende op een eerlijk proces worden geschonden. 5 Hij doet eveneens gelden dat de regel van het beroepsgeheim niet kan worden geïnterpreteerd op een wijze die de effectiviteit van het in artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet vastgelegde recht op juridische bijstand zou kunnen verminderen, wanneer de cliënt van de advocaat een mogelijke begunstigde van de juridische bijstand is. De Ministerraad is van mening dat de rechter over verschillende oplossingen beschikt wanneer hij beoordeelt of de aanvrager voldoet aan de in artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorwaarde inzake ontoereikende bestaansmiddelen. In het kader van de behandeling van de zaak kan de rechter van de aanvrager eisen dat hij de stukken voorlegt die hij aan de advocaat heeft verstrekt toen hij zich tot het bureau voor juridische bijstand heeft gewend. Bovendien kan het arbeidsauditoraat zijn opsporings- en onderzoeksbevoegdheden uitoefenen indien het zulks nodig acht, teneinde de bestaansmiddelen van de aanvrager te beoordelen. A.1.
  4. In uiterst ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat zowel door het Hof van Cassatie als in de rechtsleer wordt geoordeeld dat het beroepsgeheim van de advocaat niet absoluut is. Artikel 458 van het Strafwetboek bepaalt dat de houder van het geheim geen misdrijf begaat wanneer hij de vertrouwelijke informatie bekendmaakt in het kader van een getuigenis in rechte of voor een parlementaire commissie en in de gevallen waarin de wet, het decreet of de ordonnantie de houder verplicht of toestaat ze bekend te maken. Bovendien heeft het Grondwettelijk Hof, bij zijn arrest nr. 127/2013 van 26 september 2013, de mogelijkheid bevestigd om af te wijken van het beroepsgeheim door zich op de noodtoestand te beroepen. De Ministerraad is van mening dat die uitzonderingen van toepassing zijn op de advocaat. Die laatste heeft met name het recht om de door zijn cliënt meegedeelde vertrouwelijke informatie bekend te maken wanneer hij getuigenis aflegt in rechte. Hij brengt evenwel in herinnering dat, hoewel de advocaat krachtens artikel 929 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 80 van het Wetboek van strafvordering de verplichting heeft te verschijnen wanneer hij wordt opgeroepen om te getuigen, hij niet de verplichting heeft te getuigen. Het staat dus aan de advocaat om per geval na te gaan of de openbaarmaking van de informatie geschiedt in het belang van zijn cliënt. Volgens het Hof van Cassatie zal het in beginsel aan de rechter staan te beoordelen of de houder van het geheim, door zich op het beroepsgeheim te beroepen, dat geheim niet afwendt van het oogmerk ervan (Cass., 18 juni 1992, Arr. Cass., 1992, nr. 549). Verwijzend naar de opinie in een deel van de rechtsleer, is de Ministerraad van mening dat de deontologische regels de advocaat niet kunnen verbieden getuigenis af te leggen in rechte, aangezien de wet hem dat toestaat en de deontologische regels niet in strijd mogen zijn met de wet. Hij geeft aan dat de advocaat het met redenen omklede verzoek zou kunnen overzenden of vermelden dat artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek hem verplicht in te dienen bij het bureau voor juridische bijstand wanneer hij vaststelt dat de begunstigde niet voldoet aan de in artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorwaarde inzake ontoereikende bestaansmiddelen. Gelet op de grondwettelijke verankering van het recht op juridische bijstand mag de omstandigheid dat bepaalde deontologische regels de inhoud van het door de advocaat overgezonden verzoek beperken tot een vermelding van het feit dat de cliënt niet voldoet aan de in artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorwaarden, volgens de Ministerraad niet in strijd zijn met de duidelijke bewoordingen van artikel 508/18 van hetzelfde Wetboek die een motivering vereisen. A.2.
  5. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » is van mening dat het niet onmogelijk is dat de vraag geen antwoord behoeft en/of dat het aangevoerde verschil in behandeling niet zijn oorsprong vindt in artikel 458bis van het Strafwetboek, maar in artikel 458 van het Strafwetboek. Volgens haar geldt zulks des te meer aangezien niets de rechter verbiedt om, wanneer het beroepsgeheim wordt aangevoerd en het dossier het niet mogelijk maakt het bewijs te leveren dat de begunstigde van de juridische bijstand niet meer aan de voorwaarden voldoet om die bijstand te verkrijgen, het beroep als gegrond te beschouwen. Zij doet gelden dat het arbeidsauditoraat, in de zaken met betrekking tot de inachtneming van de in artikel 508/13, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorwaarde inzake ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, meestal een onderzoek start, hetgeen het mogelijk maakt de voornaamste moeilijkheden uit de weg te ruimen. Indien het resultaat van het onderzoek niet doorslaggevend is en er vermoedens van fraude blijven bestaan, is de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » van mening dat het aan de wetgever staat op te treden om het de bevoegde ordes, en enkel hen, mogelijk te maken uitspraak te doen. Volgens haar brengt elk ander systeem in de regels die inzake het beroepsgeheim van toepassing zijn, afwijkingen aan die onbestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. A.2.
  6. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » beklemtoont dat de prejudiciële vraag niet vermeldt welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken. Volgens haar zijn er twee vergelijkingen mogelijk. 6 Ten eerste zouden, enerzijds, de advocaten die informatie die door het beroepsgeheim wordt gedekt, moeten bekendmaken voor een rechtscollege in het bijzondere geval waarin zij door het bureau voor juridische bijstand zijn aangesteld in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand en waarin zij verzoeken om van hun aanstelling te worden ontheven met toepassing van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek en, anderzijds, alle advocaten die informatie die door het beroepsgeheim wordt gedekt, moeten bekendmaken voor een rechtscollege, met elkaar kunnen worden vergeleken. Volgens de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » vormt het feit dat de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde advocaten, wanneer zij verzoeken om van hun aanstelling te worden ontheven met toepassing van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek, niet worden onderworpen aan een specifieke regeling met betrekking tot hun beroepsgeheim, geen discriminerende behandeling. Het gaat erom de effectiviteit van de rechten van verdediging veilig te stellen. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » voert aan dat de opheffing van het beroepsgeheim enkel denkbaar is voor een rechter, krachtens de noodtoestand of een conflict met een hogere waarde. Zij verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof nr. 10/2008 van 23 januari
  7. De advocaat dient meester en rechter te blijven van de opheffing van het beroepsgeheim. Ten tweede zouden, enerzijds, de advocaten die ertoe worden gemachtigd door het beroepsgeheim gedekte elementen bekend te maken krachtens de artikelen 458 en 458bis van het Strafwetboek en, anderzijds, de in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand aangestelde advocaten die verzoeken om van hun aanstelling te worden ontheven met toepassing van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien zij niet in artikel 458bis van het Strafwetboek worden beoogd, met elkaar kunnen worden vergeleken. Volgens de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » zijn die twee categorieën van personen niet vergelijkbaar. Bovendien blijkt uit het arrest van het Hof nr. 127/2013 van 26 september 2013 dat artikel 458bis van het Strafwetboek strikt moet worden geïnterpreteerd. Die bepaling werd vernietigd in zoverre zij van toepassing was op de advocaat die houder was van vertrouwelijke informatie van zijn cliënt, dader van een van de bedoelde misdrijven, wanneer die informatie mogelijkerwijs incriminerend was voor die cliënt. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » is van mening dat de begunstigden van de juridische bijstand die een recht van beroep uitoefenen op grond van artikel 508/16 van het Gerechtelijk Wetboek, niet kunnen worden gelijkgesteld met de in artikel 458bis bedoelde kwetsbare personen. Hun situatie vertoont evenmin een risico van een ernstig en dreigend gevaar voor hun fysieke of psychische integriteit dat het mogelijk zou maken het beroepsgeheim stelselmatig op te heffen. Zij voegt eraan toe dat de opheffing van het beroepsgeheim voor de rechter, indien een dergelijk geval zich zou voordoen, denkbaar zou zijn. In dat geval zou de advocaat zelf moeten beoordelen of hij wordt geconfronteerd met het bestaan van een noodtoestand. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » voert aan dat, indien artikel 458bis van het Strafwetboek de advocaat die verzoekt om van zijn aanstelling te worden ontheven met toepassing van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek, stelselmatig zou verplichten om door het beroepsgeheim gedekte informatie aan het licht te brengen naar aanleiding van elke beroepsprocedure tegen de beslissing van het bureau voor juridische bijstand, op onevenredige wijze afbreuk zou worden gedaan aan het beroepsgeheim van de advocaat. A.3.
  8. De eiser voor het verwijzende rechtscollege verwijst naar de argumentatie van de Ministerraad met betrekking tot de onontvankelijkheid van de prejudiciële vraag. A.3.
  9. Ten gronde doet hij gelden dat het Hof van Beroep te Brussel, bij een arrest van 18 juni 1984, heeft geoordeeld dat « het beroepsgeheim van de advocaat zijn grondslag vindt in de noodzaak om aan diegenen die dat beroep uitoefenen, de noodzakelijke vertrouwenswaarborgen te geven en zulks in het algemeen belang, zodat al diegenen die zich in vertrouwen tot hen richten, de zekerheid hebben dat zij hun geheim aan hen kunnen toevertrouwen zonder gevaar dat het aan derden kenbaar wordt gemaakt ». Hij is van mening dat de advocaat verplicht is om de vertrouwelijke informatie die hij tijdens de uitoefening van zijn beroep heeft ontvangen, niet te onthullen, ongeacht of dat leidt tot het beschermen van zijn cliënt of van een derde. Volgens hem is die verplichting van openbare orde. De uitzonderingen op de regel van het beroepsgeheim dienen strikt te worden geïnterpreteerd. A.3.
  10. Volgens de eiser voor het verwijzende rechtscollege bestaat de vraag die in de thans onderzochte zaak wordt gesteld, erin of de in het kader van de juridische bijstand aangestelde advocaat die verzoekt om van zijn 7 aanstelling te worden ontheven met toepassing van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer hij vaststelt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 508/13 van hetzelfde Wetboek bedoelde voorwaarden inzake bestaansmiddelen, het beroepsgeheim kan opheffen waartoe hij is gehouden. A.3.
  11. De eiser voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat, aangezien die situatie niet in de wet wordt beoogd, elke afwijking van de regel van het beroepsgeheim, die voortvloeit uit het recht op een eerlijk proces en uit het recht op het privéleven, moet worden verantwoord door een dwingende reden en evenredig moet zijn met het nagestreefde doel. Volgens hem is het verwijzende rechtscollege van oordeel dat het recht van de aanvrager van de juridische bijstand op een eerlijk proces en op een daadwerkelijk rechtsmiddel een dwingende reden uitmaakt. Hij voert evenwel aan dat de opheffing van het beroepsgeheim geen evenredige maatregel is die het mogelijk maakt dat doel te bereiken. Hij brengt in herinnering dat het aan diegene die een beroep tot betwisting van de beslissing van het bureau voor juridische bijstand instelt, staat om aan te tonen dat zijn bestaansmiddelen ontoereikend zijn. Het komt bijgevolg die laatste toe de feiten die hij aanvoert en, in casu, de ontstentenis van inkomsten ter aanvulling op zijn pensioen te bewijzen. De eiser voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel hem niet wordt ontzegd door het loutere feit dat de Orde van advocaten niet de redenen kent die hebben verantwoord dat de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde advocaat een verzoek op grond van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek indient. Zijn recht op een eerlijk proces wordt hem evenmin ontzegd, aangezien noch hij, noch de Orde van advocaten zich kunnen beroepen op de door het geheim gedekte elementen. De Orde van advocaten dient bij te dragen tot de bewijsvoering rekening houdend met haar positie als verweerder. In dat opzicht kan zij zich beroepen op elementen die niet door het beroepsgeheim worden gedekt en antwoorden op de door de verzoeker aangevoerde argumenten. Volgens de eiser voor het verwijzende rechtscollege vloeit uit de voorafgaande overwegingen voort dat de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet zijn geschonden. A.3.
  12. De eiser voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat er geen discriminatie is, aangezien geen enkele partij zich kan beroepen op de aan de advocaat meegedeelde vertrouwelijke informatie. Ten slotte bestaat er volgens hem geen discriminatie tussen de Orde van advocaten en een andere houder van het beroepsgeheim. Het beroepsgeheim van de andere houders wordt immers enkel opgeheven wanneer zij procespartijen zijn, en zulks om hun de mogelijkheid te bieden hun verdediging uit te oefenen. De advocaat van de aanvrager van de juridische bijstand is evenwel geen procespartij wanneer die laatste de beslissing tot intrekking van de juridische bijstand betwist, aangezien de beslissing is genomen door de Orde van advocaten, die de hoedanigheid van verweerder voor de arbeidsrechtbank heeft. Indien de advocaat de informatie zou bekendmaken die hij heeft van zijn cliënt, zou dat niet voor zijn eigen verdediging zijn, maar voor die van de Orde waartoe hij behoort. Volgens de eiser voor het verwijzende rechtscollege is het net die situatie die een discriminatie tussen de partijen zou teweegbrengen, aangezien de Orde van advocaten zou kunnen rekenen op de ondersteuning van de advocaat in wie de cliënt vertrouwen heeft gehad door vrijuit te praten over zijn situatie. A.4.
  13. Bij beschikking van 20 april 2022 werden de partijen verzocht de volgende vraag te beantwoorden : « Vloeit de onmogelijkheid, voor het rechtscollege dat belast is met het onderzoeken van het beroep dat is gericht tegen een beslissing tot intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand, om kennis te nemen van de elementen waarop die beslissing is gebaseerd, niet voort uit de artikelen 458 en 458bis van het Strafwetboek maar wel uit de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde advocaat, wanneer de door het beroepsgeheim gedekte informatie waarvan hij kennisneemt bij de uitoefening van zijn opdracht als advocaat, hem ertoe brengt te oordelen dat zijn cliënt niet voldoet aan de voorwaarde inzake ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, belasten met het opstarten van de procedure tot intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand, waarbij aan het bureau voor juridische bijstand de bevoegdheid wordt toevertrouwd om te beslissen over de intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand en waarbij aan de arbeidsrechtbank de bevoegdheid wordt toevertrouwd om kennis te nemen van de beroepen die zijn gericht tegen de door het bureau voor juridische bijstand genomen beslissingen tot intrekking ? ». 8 A.4.
  14. De partijen hebben aanvullende memories ingediend om die vraag te beantwoorden. A.4.
  15. De eiser voor het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de onmogelijkheid voor het rechtscollege om kennis te nemen van de elementen waarop de beslissing tot intrekking van de juridische bijstand werd gebaseerd, voortvloeit uit de artikelen 458 en 458bis van het Strafwetboek en niet uit het Gerechtelijk Wetboek, aangezien de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de intrekking van de juridische bijstand niet erin voorzien dat de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde advocaat bepaalde informatie moet achterhouden omdat zij door het beroepsgeheim wordt gedekt. Integendeel, het Gerechtelijk Wetboek voorziet erin dat het verzoek waarbij de advocaat vraagt om de intrekking van de juridische bijstand die zijn cliënt geniet, met redenen moet worden omkleed. A.4.
  16. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » voert aan dat de door het Hof gestelde vraag berust op de veronderstelling dat het verwijzende rechtscollege geen kennis zou kunnen nemen van de elementen die de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde advocaat ertoe hebben gebracht vast te stellen dat zijn cliënt niet voldeed aan de bij artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek vastgestelde voorwaarden inzake bestaansmiddelen. Zij is van mening dat die bewering moet worden genuanceerd, aangezien de advocaat het beroepsgeheim kan opheffen wanneer een noodtoestand zulks rechtvaardigt. Bovendien is de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » van mening dat de oorsprong van het verbod om de door het beroepsgeheim gedekte elementen door te geven in het kader van een beroep dat tegen een beslissing tot intrekking van de juridische bijstand is gericht, voortvloeit uit zowel artikel 458 van het Strafwetboek als uit de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die in de door het Hof gestelde vraag zijn bedoeld. Enerzijds vindt het beroepsgeheim van de advocaat zijn oorsprong in artikel 458 van het Strafwetboek. Anderzijds voorzien de artikelen 508/13, 508/15, 508/16 en 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek niet in een afwijking van die regel in geval van een beroep tegen een beslissing tot intrekking van de juridische bijstand. Aangezien, volgens de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », geen van de voormelde bepalingen in de prejudiciële vraag wordt beoogd, behoeft zij wellicht geen antwoord. Ten slotte brengt de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » in herinnering dat het beroepsgeheim van de advocaat, ongeacht de oorsprong van de bekritiseerde vertrouwelijkheid, geen afbreuk kan doen aan het recht op een eerlijk proces waarvan het een van de bestanddelen vormt. A.4.
  17. De Ministerraad doet gelden dat de door het Hof gestelde vraag ontkennend moet worden beantwoord, aangezien de artikelen 508/15, 508/16 en 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde advocaat op zich geen geheimhoudingsplicht opleggen met betrekking tot de informatie waarvan hij kennis heeft in het kader van de bijstand van zijn cliënt. Die verplichting vloeit volgens de Ministerraad voort uit artikel 458 van het Strafwetboek. De Ministerraad brengt in herinnering dat artikel 508/18 zijn oorsprong vindt in de wet van 23 november 1998 « betreffende de juridische bijstand ». In de parlementaire voorbereiding van die wet wordt de samenhang tussen het beroepsgeheim van de advocaat en de praktijk van de juridische bijstand herhaalde malen aangesneden. Enerzijds, in verband met artikel 508/6 van het Gerechtelijk Wetboek, dat handelt over de verslagen die de advocaten die juridische bijstand verlenen, jaarlijks moeten overzenden. Anderzijds, wat betreft de uitwisseling van informatie met betrekking tot de inkomsten van de rechtzoekenden tussen de instanties van de orden en de belastingadministratie. Daaruit blijkt dat het beroepsgeheim werd beschouwd als een bestaand element waarmee rekening moet worden gehouden in het kader van de juridische bijstand, en niet als een beginsel dat is neergelegd bij de bepalingen die erop betrekking hebben. Volgens de Ministerraad bevestigen de op de advocaten van toepassing zijnde deontologische regels hetgeen voorafgaat. Ten slotte brengt de Ministerraad in herinnering dat het Hof, bij zijn arrest nr. 77/2018 van 21 juni 2018, heeft geoordeeld dat de wet van 6 juli 2016 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand » geen afbreuk deed aan het beginsel van het beroepsgeheim van de advocaat wegens het feit dat de « gegevens die aan de advocaat worden toevertrouwd met betrekking tot de bestaansmiddelen van de aanvrager, [zijn] gedekt door het beroepsgeheim dat hem, alsook de leden van het bureau voor juridische bijstand 9 die de dossiers moeten behandelen, met toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek, bindt » (B.12.4). Volgens de Ministerraad blijkt uit dat arrest dat volgens het Hof de advocaat met toepassing van die bepaling de vertrouwelijke informatie die hij van de begunstigde van de juridische bijstand heeft ontvangen, niet kan onthullen wanneer hij een einde maakt aan die bijstand. -B- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag B.
  18. Het verwijzende rechtscollege wenst te vernemen of artikel 458bis van het Strafwetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het beroepsgeheim de advocaat die verzoekt een einde te stellen aan de juridische tweedelijnsbijstand na vaststelling dat de begunstigde niet voldoet aan de voorwaarde van ontoereikende bestaansmiddelen, verbiedt om de elementen bekend te maken op grond waarvan hij tot die vaststelling is gekomen, zelfs indien de arbeidsrechtbank daartoe verzoekt in het kader van een beroep tegen een beslissing tot intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand op grond van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek. B.2.
  19. De Ministerraad doet gelden dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is, aangezien de categorieën van personen die verschillend worden behandeld, daarin niet worden geïdentificeerd. B.2.
  20. Wanneer het Hof wordt verzocht, in antwoord op een prejudiciële vraag, uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van een wetsbepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met grondrechten gewaarborgd in internationaalrechtelijke bepalingen, heeft de vraag betrekking op de grondwettigheid van een verschil in behandeling tussen, enerzijds, de personen die het slachtoffer zijn van de schending van die grondrechten en, anderzijds, de personen welke die rechten genieten. Bijgevolg moeten die twee categorieën van personen worden vergeleken. B.3.
  21. De Ministerraad, de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de eiser voor het verwijzende rechtscollege zijn van mening dat de vraag geen antwoord behoeft, aangezien artikel 458bis van het Strafwetboek de advocaat die in het kader van de juridische 10 tweedelijnsbijstand is aangesteld, niet verbiedt om aan de rechter de redenen bekend te maken die hem ertoe hebben gebracht vast te stellen dat de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 508/13, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorwaarde inzake ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, maar daarentegen een uitzondering vormt op het in artikel 458 van het Strafwetboek vervatte verbod om een beroepsgeheim bekend te maken. B.3.
  22. Artikel 458bis van het Strafwetboek bepaalt : « Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen en hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in de artikelen 371/1 tot 377, 377quater, 379, 380, 383bis, §§ 1 en 2, 392 tot 394, 396 tot 405ter, 409, 423, 425, 426 en 433quinquies, gepleegd op een minderjarige of op een persoon die kwetsbaar is ten gevolge van zijn leeftijd, zwangerschap, partnergeweld, gebruiken van geweld, gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde ‘ eer ’, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid kan, onverminderd de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings, hetzij wanneer er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige of de bedoelde kwetsbare persoon en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen, hetzij wanneer er aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar dat andere minderjarigen of bedoelde kwetsbare personen het slachtoffer worden van de in voormelde artikelen bedoelde misdrijven en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen ». B.3.
  23. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzing naar artikel 458bis van het Strafwetboek kennelijk voortvloeit uit een materiële vergissing van het verwijzende rechtscollege. De prejudiciële vraag moet in die zin worden begrepen dat zij betrekking heeft op artikel 458 van het Strafwetboek. De partijen hebben zich overigens niet daarin vergist, aangezien zij, in hun memories, in ondergeschikte orde aanvoeren dat de regel van het beroepsgeheim bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en zij argumenten ter ondersteuning van dat standpunt voorleggen. B.
  24. De excepties worden verworpen. 11 Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.5.
  25. Het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil heeft betrekking op een beslissing tot beëindiging van de juridische tweedelijnsbijstand die werd genomen nadat het bureau voor juridische bijstand had vastgesteld dat de begunstigde niet voldeed aan de voorwaarde van ontoereikende bestaansmiddelen. B.5.
  26. Een persoon kan gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand genieten wanneer zijn bestaansmiddelen ontoereikend zijn. De juridische tweedelijnsbijstand wordt georganiseerd door het bureau voor juridische bijstand dat bij elke balie is ingesteld door de raad van de Orde van advocaten (artikel 508/7 van het Gerechtelijk Wetboek). De voorwaarde inzake ontoereikendheid van de bestaansmiddelen wordt nagegaan door het bureau voor juridische bijstand (artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek). B.5.
  27. De regels met betrekking tot de omvang van de bestaansmiddelen en de voor te leggen bewijsstukken, zoals ze van toepassing zijn in het bodemgeschil, worden bepaald bij het koninklijk besluit van 18 december 2003 « tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand » (hierna : het koninklijk besluit van 18 december 2003), dat inmiddels werd opgeheven bij de wet van 31 juli 2020 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek teneinde de toegang tot de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand te verbeteren, door de ter zake geldende inkomensmaxima te verhogen ». De aanvrager kan zijn situatie aantonen door middel van om het even welk document dat door het bureau voor juridische bijstand moet worden beoordeeld (artikel 1, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 18 december 2003). Het bureau voor juridische bijstand kan bij de rechtzoekende of bij derden, met inbegrip van overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden van toegang tot de juridische tweedelijnsbijstand zijn vervuld (artikelen 1, § 3, en 2, zevende lid, van hetzelfde koninklijk besluit). Bovendien wordt de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand geweigerd indien blijkt dat de rechtzoekende beschikt over kapitalen of over voordelen en indien uit andere tekenen en aanwijzingen een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, 12 waaruit kan worden besloten dat hij in de mogelijkheid verkeert zelf zijn advocaat te betalen (artikel 2ter van hetzelfde koninklijk besluit). De aanvrager van de juridische tweedelijnsbijstand kan bij de arbeidsrechtbank een beroep instellen dat is gericht tegen die beslissing (artikel 508/16 van het Gerechtelijk Wetboek). B.5.
  28. Het bureau voor juridische bijstand kan tevens, ambtshalve of op een met redenen omkleed verzoek van de advocaat, een einde maken aan de juridische tweedelijnsbijstand, met name indien het vaststelt dat de begunstigde niet voldeed of niet langer voldoet aan de voorwaarden bepaald bij artikel 508/
  29. Het is ertoe gehouden de begunstigde daarvan bij aangetekende zending in kennis te stellen en hem te verzoeken zijn opmerkingen te formuleren binnen een termijn van twintig dagen. De beslissing tot beëindiging van de toegekende bijstand wordt met redenen omkleed. Tegen die beslissing kan een beroep worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank binnen een maand na de kennisgeving ervan. Die kennisgeving moet nuttige informatie bevatten om het beroep in te stellen (artikelen 508/15, 508/16 en 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek). B.6.
  30. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 77/2018 van 21 juni 2018, zijn alle gegevens met betrekking tot de bestaansmiddelen van de aanvrager of van de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand die worden toevertrouwd aan de advocaat die door het bureau voor juridische bijstand is aangesteld, gedekt door het beroepsgeheim dat de advocaat, alsook de leden van het bureau voor juridische bijstand die de dossiers moeten behandelen, met toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek, bindt. B.6.
  31. Een houder van het beroepsgeheim moet immers, in principe, elke vertrouwelijke mededeling die is verkregen in de omstandigheden vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek, geheimhouden. Dat artikel bepaalt : « Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet, het decreet of de ordonnantie hen verplicht of toelaat die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van honderd euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen ». 13 B.7.
  32. De Ministerraad is van mening dat het beroepsgeheim van de advocaat niet absoluut is. Hij doet gelden dat de advocaat die door het bureau voor juridische bijstand is aangesteld, krachtens de voormelde bepaling het recht heeft om die gegevens bekend te maken, met name wanneer hij getuigenis aflegt in rechte of wanneer hij zich op de noodtoestand kan beroepen. B.7.
  33. Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de bepaling die het van toepassing acht te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing. Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat het verwijzende rechtscollege van oordeel is dat het beroepsgeheim de advocaat verbiedt om, in het kader van een getuigenis, voor dat rechtscollege de vertrouwelijke informatie met betrekking tot de bestaansmiddelen van de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand te onthullen. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vraag in die interpretatie, die niet kennelijk verkeerd is. Ten gronde B.
  34. Uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat het verwijzende rechtscollege van oordeel is dat de regel van het beroepsgeheim de verdediging van de Orde van advocaten bemoeilijkt, in zoverre die de feitelijke elementen die haar beslissing verantwoorden, niet kan uitleggen. Ook zou de in het geding zijnde bepaling tot gevolg hebben aan de eiser voor het verwijzende rechtscollege een bewijs voor te leggen dat moeilijk, zo niet onmogelijk te leveren is, namelijk het bewijs dat er geen verborgen bestaansmiddelen zijn. Het verwijzende rechtscollege vraagt meer bepaald of de inachtneming van het beginsel van het beroepsgeheim op discriminerende wijze afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces voor zowel de Orde van advocaten als de eiser voor het verwijzende rechtscollege. B.9.
  35. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens beschermt het recht op een eerlijk proces. Artikel 13 van dat Verdrag waarborgt eenieder wiens rechten en vrijheden die in dat Verdrag worden erkend, zijn geschonden, het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. In die context voegt die bepaling niets toe aan artikel
  36. B.9.
  37. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat « het beginsel van de tegenspraak en dat van de wapengelijkheid, die onderling nauw met elkaar zijn 14 verbonden, fundamentele elementen van het begrip ‘ eerlijk proces ’ in de zin van artikel 6, lid 1, van het Verdrag zijn. Zij vereisen een ‘ billijk evenwicht ’ tussen de partijen : zij moeten elk een redelijke mogelijkheid krijgen om hun zaak voor te leggen onder voorwaarden die hen niet in een duidelijk nadelige positie ten opzichte van de tegenpartij of tegenpartijen brengen » (EHRM, grote kamer, 19 september 2017, Regner t. Tsjechische Republiek, § 146). Hoewel het beginsel van de tegenspraak, in de regel, niet vereist dat elke partij aan haar tegenstander stukken verstrekt die evenmin aan de rechter zijn voorgelegd (EHRM, 24 april 2003, Yvon t. Frankrijk, § 38), houdt het evenwel « het recht [in] voor de partijen om de elementen te doen kennen die noodzakelijk zijn voor het welslagen van hun aanspraken » (EHRM, 13 oktober 2005, Clinique des Acacias en anderen t. Frankrijk, § 37). B.
  38. Ofschoon het juist is dat het aan de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand staat te bewijzen dat hij voldoet aan de voorwaarde inzake ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, rust de bewijslast op de Orde van advocaten wanneer die laatste aanvoert dat de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand andere inkomsten zou ontvangen dan die welke hij heeft aangegeven bij het bureau voor juridische bijstand en die met name blijken uit zijn rekeningafschriften, uit het saldo van zijn bankrekeningen en uit andere documenten die hij heeft neergelegd. De begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand is dus niet ertoe gehouden daarenboven het bewijs te leveren dat er geen verborgen inkomsten zijn. De in het geding zijnde bepaling belemmert het vermogen van de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand om zijn standpunt voor de arbeidsrechtbank te verdedigen bijgevolg niet op onevenredige wijze. Daaruit volgt dat zij geen afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces van die laatste. B.11.
  39. De inachtneming van het beginsel van het beroepsgeheim heeft daarentegen tot gevolg dat de Orde van advocaten niet in staat is om de feitelijke elementen uiteen te zetten die de advocaat die een verzoek op grond van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek heeft ingediend, ertoe hebben gebracht te oordelen dat de rechtzoekende niet voldeed aan de voorwaarde inzake ontoereikendheid van de bestaansmiddelen. De Orde van advocaten kon dus de elementen die noodzakelijk zijn voor het welslagen van haar aanspraken, niet doen kennen, hetgeen een inmenging vormt in het recht op een eerlijk proces. B.11.
  40. Het beginsel van de tegenspraak en dat van de wapengelijkheid zijn niet absoluut. Evenmin geldt er een absoluut recht op de bekendmaking van de bewijsmiddelen (EHRM, grote 15 kamer, 19 september 2017, Regner t. Tsjechische Republiek, § 147). Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in verschillende arresten heeft vastgesteld, kunnen andere legitieme doelstellingen worden aangevoerd om beperkingen aan deze beginselen te verantwoorden (EHRM, 26 juli 2016, Miryana Patrova t. Bulgarije, §§ 39-40; 29 april 2014, Ternovskis t. Letland, §§ 65-68). Om te beoordelen of in het licht van deze doelstellingen, beperkingen aan deze beginselen aanvaardbaar zijn, moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel. In het bijzonder moet worden nagegaan of de beperkingen voldoende worden gecompenseerd door andere procedurele waarborgen (EHRM, grote kamer, 19 september 2017, Regner t. Tsjechische Republiek, §§ 151-161). Daarbij moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid, voor de rechter, om de feitelijke grondslag van de bestreden beslissing en de motieven die deze ondersteunen, te beoordelen (EHRM, 26 juli 2016, Miryana Patrova t. Bulgarije, §§ 41-44). B.11.
  41. Te dezen dienen de beginselen van de tegenspraak en van de wapengelijkheid te worden afgewogen tegen de rechten van de verdediging van de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand. Er dient eveneens rekening te worden gehouden met de legitieme zorg van de wetgever om misbruiken inzake de juridische tweedelijnsbijstand te voorkomen, teneinde de per definitie beperkte middelen welke eraan worden besteed, voor te behouden voor personen welke die bijstand echt nodig hebben. B.
  42. Het rechtscollege in de procedure zoals deze in het bodemgeschil, wijst zijn beslissing aan de hand van informatie uit de naspeuringen van de arbeidsauditeur (artikelen 138bis, § 1, en 138ter van het Gerechtelijk Wetboek), hetgeen bijdraagt tot het goede verloop van het proces. In het kader van de uitoefening van die bevoegdheden kan het arbeidsauditoraat de Orde van advocaten of de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde advocaat, echter, evenmin als de rechter, niet gelasten om de door het beroepsgeheim gedekte informatie openbaar te maken. De mogelijkheid om de documenten die de begunstigde heeft ingediend ter ondersteuning van zijn oorspronkelijke aanvraag voor juridische tweedelijnsbijstand in te kijken, kan evenmin garanderen dat het rechtscollege kan beoordelen of de betrokkene nog andere bronnen van inkomsten heeft. De betwiste intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand komt immers per definitie na de oorspronkelijke toekenning van die bijstand, waardoor de kans zeer groot is dat die intrekking gebaseerd is op elementen die niet gekend waren op het moment van de oorspronkelijke aanvraag. 16 B.
  43. Daaruit volgt dat de rechter geen kennis kan nemen van de elementen die aan de basis liggen van de beslissing tot intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand, wat nochtans net het voorwerp is van de beroepsprocedure tegen die beslissing. Dat gevolg vindt evenwel niet zijn oorsprong in de in het geding zijnde bepaling. Zonder dat het Hof, gelet op de draagwijdte van de thans onderzochte prejudiciële vraag, zich kan uitspreken over de grondwettigheid ervan, moet worden vastgesteld dat dat gevolg zijn oorsprong vindt in de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek waarbij aan het bureau voor juridische bijstand de bevoegdheid wordt toevertrouwd om te beslissen over de toekenning en de intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand, in voorkomend geval op verzoek van de advocaat die werd aangesteld, en waarbij aan de arbeidsrechtbank de bevoegdheid wordt toevertrouwd om kennis te nemen van de beroepen die zijn gericht tegen de door het bureau voor juridische bijstand genomen beslissingen tot weigering of tot intrekking. Die bepalingen hebben tot gevolg dat, indien de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde advocaat, in het kader van zijn opdrachten van verdediging of vertegenwoordiging in rechte van zijn cliënt of van verlening van juridisch advies aan die cliënt, kennisneemt van informatie volgens welke zijn cliënt niet voldoet aan de voorwaarde inzake ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, de advocaat, door het verzoek dat hij indient bij het bureau voor juridische bijstand met toepassing van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek, het initiatief neemt voor een procedure tot intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand die kan uitmonden in een beroep dat wordt onderzocht door de arbeidsrechtbank en in aanwezigheid van het arbeidsauditoraat. De betrokken bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek belasten de advocaat van de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand aldus ermee erop toe te zien dat zijn cliënt voldoet aan de voorwaarden om die bijstand te genieten, en zulks onder het uiteindelijke toezicht van de gewone rechtscolleges. B.
  44. Aangezien de in B.13 vermelde gevolgen niet hun oorsprong vinden in de in het geding zijnde bepaling, dient te worden geantwoord dat artikel 458 van het Strafwetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 17 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Rekening houdend met hetgeen in B.13 en in B.14 is vermeld, schendt artikel 458 van het Strafwetboek niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 juni
  45. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.088 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.