← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.093

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 juli 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.093 Arrest- Rolnummer: 93/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 463 - laatst gezien 2026-06-14 19:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 2 en 4 van de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen », gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Pensioenen - Financiering - Inhouding op het vakantiegeld - Provinciale en plaatselijke besturen - Statutaire ambtenaren van « Net Brussel » Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 93/2022 van 7 juli 2022 Rolnummer : 7574 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 2 en 4 van de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen », gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 5 mei 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 mei 2021, heeft de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 2 en 4 van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de [lokale] politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij het Gewestelijk Agentschap voor Netheid (‘ Net Brussel ’) de verplichting opleggen een inhouding van 13,07 % te verrichten op het volledige bedrag van het vakantiegeld openbare sector betaald aan de statutaire ambtenaren ervan, op wie noch de pensioenregeling van de rijksambtenaren, noch de regeling georganiseerd bij de wet van 28 april 1958, noch de pensioenregeling van de plaatselijke besturen van toepassing zijn, en die bij de verzekeringsmaatschappij Ethias het voordeel van een eigen pensioenregeling genieten krachtens de ordonnantie van 13 april 1995 betreffende de 2 pensioenregeling van de personeelsleden van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre 1) zij zodoende ‘ Net Brussel ’ (instelling van openbaar nut van categorie A in de zin van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut) de verplichting opleggen om voor het statutair personeel ervan een dergelijke inhouding te verrichten van 13,07 % op hun vakantiegeld krachtens die artikelen 2 en 4 van de wet van 24 oktober 2011, terwijl de gemeenschappen en de gewesten alsook de instellingen, met name van openbaar nut die ervan afhangen, ervan zijn vrijgesteld dergelijke inhoudingen te verrichten, ter uitvoering van de wet van 17 september 2005 houdende invoering van een egalisatiebijdrage voor pensioenen ? 2) zij zodoende de statutaire ambtenaren van ‘ Net Brussel ’, die een eigen pensioenregeling hebben, de verplichting opleggen bij te dragen aan de financiering van de pensioenen van de benoemde personeelsleden van de provinciale en de plaatselijke overheidsdiensten, terwijl de vastbenoemde personeelsleden die aanspraak kunnen maken op een rustpensioen ten laste van de Schatkist of van de pensioenregeling ingesteld bij de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, van het toepassingsgebied van die wet van 24 oktober 2011 zijn uitgesloten en niet bijdragen aan de financiering van een andere pensioenregeling dan die waaronder zij vallen en waarvan zij het voordeel zullen genieten ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - het Gewestelijk Agentschap voor Netheid (Net Brussel), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Levert en Mr. L. Orfila, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Pertry, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 4 mei 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 18 mei 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 18 mei 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Van 2005 tot 2011 houdt het Gewestelijk Agentschap voor Netheid (hierna : Net Brussel) 13,07 % in op het vakantiegeld van zijn statutaire ambtenaren om bij te dragen in de financiering van het Fonds voor egalisatie van 3 het percentage van de pensioenbijdragen dat is opgericht bij artikel 10, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 « betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen » (hierna : de wet van 6 augustus 1993), zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 17 september 2005 « houdende invoering van een egalisatiebijdrage voor pensioenen » (hierna : de wet van 17 september 2005). Van 2012 tot 2019 houdt Net Brussel 13,07 % in op het vakantiegeld van zijn statutaire ambtenaren om bij te dragen in de financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen en van het Fonds voor de amortisatie van de verhoging van de pensioenbijdragevoeten, die zijn opgericht bij artikel 4 van de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen » (hierna : de wet van 24 oktober 2011). Op 10 november 2017 vraagt Net Brussel aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna : de RSZ) om uitleg in verband met de wettelijke grondslag van de inhouding van 13,07 % die wordt verricht op het vakantiegeld van zijn statutaire ambtenaren naar aanleiding van het arrest nr. 81/2014 van 22 mei 2014 waarbij het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat de contractuele en de vastbenoemde ambtenaren die een rustpensioen zullen genieten ten laste van de Schatkist van de Franse Gemeenschapscommissie uitdrukkelijk zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de wet van 17 september 2005 omdat zij tot een deelentiteit behoren. Het Hof heeft hieruit afgeleid dat artikel 10, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 geen grondslag kon vormen voor de heffing van een inhouding die door de Franse Gemeenschapscommissie wordt verricht op het vakantiegeld van haar contractuele en statutaire ambtenaren die, aangezien zij belast zijn met de uitoefening van decretale bevoegdheden of het rustpensioenstelsel genieten dat van toepassing is op de ambtenaren van het algemeen bestuur van de Staat, niet onder het toepassingsgebied vallen van die bepaling die alleen de ambtenaren van de plaatselijke besturen beoogt. Net Brussel is van mening dat, daar het geen plaatselijk bestuur is, zijn situatie volkomen vergelijkbaar is met die van de Franse Gemeenschapscommissie. Op 19 juni 2018 deelt de RSZ Net Brussel mee dat hij de analyse van die laatstgenoemde niet deelt. Op 17 september 2018 dagvaardt Net Brussel de RSZ in rechte teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die zijn betaald ter uitvoering van de artikelen 2 en 4 van de wet van 24 oktober

  1. De Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel oordeelt dat Net Brussel moest worden beschouwd als een « plaatselijk bestuur » in de zin van de wet van 6 augustus 1993, daar, vanaf 10 januari 2005, artikel 2 van die wet « de plaatselijke besturen » definieerde als de besturen die zijn aangesloten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (hierna : de RSZPPO) krachtens artikel 32 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, waarvan het opschrift is gewijzigd in « Algemene kinderbijslagwet » (hierna : de wet van 19 december 1939). Net Brussel was echter van rechtswege aangesloten bij de RSZPPO krachtens het koninklijk besluit van 19 mei 1992 « tot uitvoering van artikel 32 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders » (hierna : het koninklijk besluit van 19 mei 1992). Zij is eveneens van oordeel dat, hoewel het juist is dat de wet van 24 oktober 2011 de wet van 6 augustus 1993 heeft opgeheven, artikel 3 van de wet van 24 oktober 2011 toch uitdrukkelijk verwijst naar artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 om sommige provinciale en plaatselijke besturen te definiëren. In de parlementaire voorbereiding wordt vermeld dat de definities van dat artikel 3 bestaande begrippen overnemen. De Rechtbank is van oordeel dat, teneinde de toepassing van de wet van 24 oktober 2011 op Net Brussel uit te sluiten, geen toepassing kan worden gemaakt van het voormelde arrest van het Hof nr. 81/2014 op het onderhavige geval, aangezien dat arrest zich uitspreekt over de wet van 6 augustus 1993 en Net Brussel geen deelentiteit is, in tegenstelling tot de Franse Gemeenschapscommissie. Daarnaast oordeelt zij dat Net Brussel niet kan worden uitgesloten van het toepassingsgebied van de wet van 24 oktober 2011 op grond van artikel 2, tweede lid, van die wet, aangezien de leden van zijn vastbenoemd personeel geen aanspraak kunnen maken op een rustpensioen ten laste van het pensioenstelsel dat is ingesteld bij de wet van 28 april 1958 « betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden » (hierna : de wet van 28 april 1958). 4 Het is van mening dat een lezing a contrario van artikel 2, tweede lid, van de wet van 24 oktober 2011 bevestigt dat het eerste lid van dat artikel niet alle gewestelijke instellingen van openbaar nut uitsluit en derhalve niet alleen de plaatselijke besturen in de gebruikelijke betekenis van de term beoogt. Op vraag van Net Brussel stelt de Rechtbank aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
  2. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat zij geen provinciaal of plaatselijk bestuur is in de zin van artikel 2, eerste lid, 1), van de wet van 24 oktober 2011, zodat zij niet ertoe gehouden is om, krachtens artikel 4, § 3, tweede lid, van die wet, de inhouding van 13,07 % te heffen op het volledige bedrag van het vakantiegeld dat vanaf 1 januari 2012 is betaald aan de ambtenaren van de provinciale en plaatselijke besturen waarop titel 2 van dezelfde wet van toepassing is. Zij herinnert eraan dat het Hof, bij zijn arrest nr. 21/2016 van 18 februari 2016, heeft geoordeeld dat, daar artikel 32 van de wet van 19 december 1939, waarnaar artikel 2, eerste lid, 1), van de in het geding zijnde wet van 24 oktober 2011 verwijst, de woorden « provinciale en plaatselijke besturen » niet vermeldt, de in die bepaling vervatte lijst van de « aangeslotenen » klaarblijkelijk ook de openbare instellingen omvat die niet worden beoogd in de gewone definitie van het plaatselijk bestuur, noch in die van het provinciaal bestuur. Het Hof heeft hieruit afgeleid dat artikel 2, eerste lid, 1), van de wet van 24 oktober 2011 titel 2 van die wet niet toepasselijk maakt op al die « aangeslotenen ». Volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege blijkt uit het voormelde arrest dat de woorden « plaatselijk bestuur » in hun gebruikelijke betekenis moeten worden begrepen, gelet op het feit dat de wet van 24 oktober 2011 die niet definieert. A.1.
  3. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat, indien de wetgever alle besturen die krachtens artikel 32 van de wet van 19 december 1939 zijn aangesloten bij de RSZ had willen onderwerpen aan de wet van 24 oktober 2011, hij het toepassingsgebied van de wet van 24 oktober 2011 niet zou hebben beperkt tot alleen de provinciale en plaatselijke besturen die zijn aangesloten bij de RSZ. Zij doet gelden dat haar aansluiting bij de RSZ uitdrukkelijk voortvloeit uit de toepassing van verschillende wets- en reglementaire bepalingen, en niet uit een vermeende hoedanigheid van provinciaal of plaatselijk bestuur. A.
  4. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat tevens moet worden geredeneerd naar analogie met het arrest nr. 81/2014, waarbij het Hof de gelegenheid heeft gehad zich uit te spreken over het toepassingsgebied van de wet van 6 augustus 1993, in de plaats waarvan de wet van 24 oktober 2011 is gekomen. Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat de contractuele en de vastbenoemde ambtenaren die een rustpensioen ten laste van de Schatkist van de Franse Gemeenschapscommissie zullen genieten, uitdrukkelijk zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de bepaling betreffende de te verrichten inhouding op het vakantiegeld van de personeelsleden, omdat zij tot een deelentiteit behoren. A.
  5. Zij herinnert eraan dat de financiering van de pensioenstelsels van de ambtenaren van de plaatselijke besturen die is ingesteld bij de wet van 24 oktober 2011 op een systeem van autofinanciering en solidariteit tussen de bijdrageplichtigen berust. De inhouding van 13,07 % vermeld in artikel 4, § 3, tweede lid, maakt deel uit van de financieringsbronnen van die pensioenstelsels. Zij onderstreept dat zij van haar kant ervoor heeft gekozen de automatische aansluiting bij het Fonds voor de amortisatie van de verhoging van de pensioenbijdragevoeten te weigeren. Hieruit vloeit voort dat de reserves die haar toekwamen, zijn gestort op een lopende rekening teneinde die aan haar terug te betalen. Zij leidt hieruit af dat zij uit het financieringsmechanisme van het voormelde Fonds is getreden en bijgevolg is ontsnapt aan de verplichte betaling van de inhouding bedoeld in artikel 4, § 3, van de wet van 24 oktober
  6. Die inhouding is immers niet opgevat als een aanmoediging om toe te treden tot het Fonds voor de amortisatie van de verhoging van de pensioenbijdragevoeten (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1770/001, p. 24). Zij moet dus niet worden uitgevoerd door de instellingen die zich niet aansluiten bij het voormelde Fonds. 5 A.
  7. Zij herinnert ook eraan dat zij beschikt over een bijzonder pensioenstelsel, daar, in tegenstelling tot de meeste instellingen van openbaar nut van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, het pensioenstelsel dat is ingesteld bij de wet van 28 april 1958 niet op haar van toepassing is. Uit de ordonnantie van 13 april 1995 « betreffende de pensioenregeling van de personeelsleden van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp » (hierna : de ordonnantie van 13 april 1995) blijkt immers dat de wet van 28 april 1958 niet van toepassing is op de personeelsleden van de twee voormelde instellingen. Krachtens artikel 2, tweede lid, van de ordonnantie van 13 april 1995 heeft de Brusselse Hoofdstedelijke Regering een overeenkomst gesloten met Ethias teneinde de betaling van de pensioenen te waarborgen. Hoewel het juist is dat die ordonnantie verwijst naar de regels die worden toegepast op de personeelsleden van de Brusselse agglomeratie voor de berekening van de pensioenen, heeft dat niet tot gevolg dat Net Brussel de hoedanigheid van plaatselijk bestuur zou hebben, daar de financiering van het pensioenstelsel moet worden onderscheiden van de voorwaarden inzake de toekenning van die pensioenen. A.5.
  8. De Ministerraad geeft de evolutie weer van het statuut van Net Brussel vanuit het standpunt van de financiering van het pensioenstelsel om aan te tonen dat de wet van 24 oktober 2011 erop van toepassing is. A.5.
  9. Hij is van mening dat het gegeven dat Net Brussel het statuut van plaatselijk bestuur heeft met name voortvloeit uit het feit dat dat laatste de bevoegdheden van de Brusselse agglomeratie heeft overgenomen en uit het feit dat de opdrachten inzake inzameling en verwerking van afval die daaraan zijn toegewezen, in de regel toekomen aan de gemeenten of de intercommunales. Hij voert aan dat uit artikel 2 van de ordonnantie van 13 april 1995 blijkt dat het pensioenstelsel van de statutaire personeelsleden van Net Brussel is onderworpen aan dezelfde regels als die welke van toepassing zijn op de personeelsleden van de Brusselse agglomeratie en dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering een overeenkomst kan sluiten met een voorzorgskas voor het beheer van die pensioenen. Hij doet gelden dat Net Brussel kon worden beschouwd als een plaatselijk bestuur in de zin van de wet van 6 augustus 1993, daar het was aangesloten bij de RSZPPO krachtens het koninklijk besluit van 19 mei
  10. A.5.
  11. Volgens de Ministerraad verschilt het toepassingsgebied van titel 2 van de wet van 24 oktober 2011 niet van dat van de wet van 6 augustus
  12. A.
  13. De Ministerraad is van mening dat Net Brussel een plaatselijk bestuur is zoals bedoeld in titel 2 van de wet van 24 oktober 2011, daar de pensioenen van de personeelsleden ervan niet worden betaald door de Schatkist en zij niet vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 28 april
  14. Daarnaast is hij van mening dat de woorden « provinciale en plaatselijke besturen » in artikel 2, eerste lid, 1), van de wet van 24 oktober 2011 het uitsluitend mogelijk maken die besturen te onderscheiden van de lokale politiezones. Hij leidt hieruit af dat artikel 2, eerste lid, 1), van de wet van 24 oktober 2011 alle openbare werkgevers die, naar het voorbeeld van Net Brussel, zijn aangesloten bij de RSZPPO beoogt, met uitzondering van de lokale politiezones. Hij voert eveneens aan dat Net Brussel ervoor heeft gekozen zich niet aan te sluiten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen. Zijn deel in de gevormde reserves is dus terugbetaald, overeenkomstig artikel 5, § 4, van dezelfde wet. Volgens de Ministerraad volstaat een dergelijke keuze niet om het feit te wijzigen dat Net Brussel de aard van een plaatselijk bestuur heeft en toont zulks daarentegen aan dat Net Brussel niet ernstig betwist een plaatselijk bestuur te zijn. –B– B.
  15. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de artikelen 2 en 4 van de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende 6 bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen » (hierna : de wet van 24 oktober 2011) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
  16. Artikel 2 van de wet van 24 oktober 2011 definieert het toepassingsgebied van titel 2 van die wet. Het bepaalt : « Deze titel is van toepassing op : 1) de provinciale en plaatselijke besturen aangesloten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor provinciale en plaatselijke overheidsdiensten krachtens artikel 32 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders; 2) de lokale politiezones bedoeld in artikel 9 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. Deze titel is echter niet van toepassing op vastbenoemde personeelsleden : 1) die aanspraak kunnen maken op een rustpensioen ten laste van het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden; 2) die aanspraak kunnen maken op een rustpensioen ten laste van de Schatkist ». B.
  17. Artikel 4, § 1, van de wet van 24 oktober 2011 voorziet in de oprichting van een Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen binnen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (hierna : de RSZPPO). Dat Fonds wordt beheerd door de RSZPPO. Daarnaast wordt binnen de RSZPPO een Fonds voor de amortisatie van de verhoging van de pensioenbijdragevoeten opgericht, waaraan alle andere reserves worden overgedragen dan die bedoeld in artikel 4, § 2, van dezelfde wet die zijn geregistreerd in de rekeningen van de RSZPPO die definitief zijn afgesloten en goedgekeurd op 31 december 2011 en die ofwel wettelijk zijn toegewezen aan de financiering van de pensioenen van de benoemde ambtenaren, ofwel bestemd zijn voor de pensioensector zonder daaraan wettelijk te zijn toegewezen. Dat Fonds wordt eveneens gefinancierd door een inhouding van 13,07 % die wordt verricht op het volledige bedrag van « het vakantiegeld van de openbare sector » dat wordt betaald vanaf 7 1 januari 2012 aan de ambtenaren van de provinciale en plaatselijke besturen en van de lokale politiezones waarop titel 2 van toepassing is (artikel 4, § 3, van de wet van 24 oktober 2011). B.
  18. Het stelsel voor de financiering van de pensioenen dat is ingevoerd bij de wet van 24 oktober 2011 volgt op het stelsel dat is ingevoerd bij de wet van 6 augustus 1993 « betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen » (hierna : de wet van 6 augustus 1993). B.5.
  19. Dat stelsel, voorzien bij de wet van 6 augustus 1993, was van toepassing op de « plaatselijke besturen », die gedefinieerd waren als de « besturen aangesloten bij de [RSZPPO] krachtens artikel 32 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag » (artikel 1bis, b), zoals gewijzigd bij artikel 189 van de programmawet van 27 december 2004). Net Brussel was weliswaar aangesloten bij de RSZPPO sinds 1 januari 1992, krachtens het koninklijk besluit van 19 mei 1992 « tot uitvoering van artikel 32 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders ». Net Brussel is echter een instelling van openbaar nut van categorie A in de zin van artikel 1, A, van de wet van 16 maart 1954 « betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut ». De Brusselse Hoofdstedelijke Regering benoemt de leidend ambtenaar van Net Brussel en bepaalt de bevoegdheden die aan hem worden overgedragen (artikel 6 van de ordonnantie van 19 juli 1990 « houdende oprichting van het Gewestelijk Agentschap voor netheid »; hierna : de ordonnantie van 19 juli 1990). De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is eveneens bevoegd om de personeelsleden van Net Brussel te benoemen en hun administratief en geldelijk statuut vast te stellen (artikel 8, §§ 2 en 3, van de ordonnantie van 19 juli 1990). Net Brussel is een publiekrechtelijke rechtspersoon die afhangt van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest met toepassing van artikel 5 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen (hierna : de bijzondere wet van 12 januari 1989). De gemeenschappen en de gewesten zijn op grond van artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), dat toepasselijk is gemaakt op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij artikel 4 van de 8 bijzondere wet van 12 januari 1989, bevoegd om het statuut te regelen van het personeel van de instellingen van openbaar nut die van hen afhangen, met inbegrip van de regels inzake de pensioenen. De gewesten en de gemeenschappen kunnen, met toepassing van die bepaling, die instellingen van openbaar nut toestaan om deel te nemen aan een door de federale wetgeving geregeld pensioenstelsel, zoals het stelsel dat is ingevoerd bij de wet van 28 april 1958 « betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden ». Vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 13 april 1995 « betreffende de pensioenregeling van de personeelsleden van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp » (hierna : de ordonnantie van 13 april 1995) liet artikel 9 van de ordonnantie van 19 juli 1990 Net Brussel toe deel te nemen aan het voormelde pensioenstelsel. Net Brussel mocht dus niet deelnemen aan het bij de wet van 6 augustus 1993 ingevoerde pensioenstelsel. Indien artikel 1bis, b), van die wet zo zou moeten worden geïnterpreteerd dat het Net Brussel beoogt, dan zou moeten worden vastgesteld dat de federale overheid inbreuk heeft gemaakt op de bevoegdheden van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, zonder dat enig element toelaat ervan uit te gaan dat de federale overheid zich wilde beroepen op de theorie van de impliciete bevoegdheden. B.5.
  20. Artikel 10, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 had in elk geval een beperkter toepassingsgebied ratione personae dan dat van dezelfde wet. B.5.
  21. De voormelde bepaling vloeit immers voort uit een wijziging aangebracht bij de wet van 17 september 2005 « houdende invoering van een egalisatiebijdrage voor pensioenen », die het vakantiegeld regelt dat van toepassing is op de contractuele personeelsleden in de overheidssector, de vastbenoemde personeelsleden in de overheidssector en de ambtenaren van de plaatselijke besturen. B.5.
  22. De tekst van het wetsontwerp dat eerst is goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers alvorens te worden geëvoceerd door de Senaat voorzag erin dat de op de contractuele personeelsleden in de overheidssector toepasselijke reglementering ook van toepassing was op de contractuele personeelsleden van de diensten van de gemeenschaps- en gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie alsook de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan 9 afhangen zoals gedefinieerd in artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 « tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen », alsook op alle « vastbenoemde personeelsleden die een rustpensioen ten laste van de Staatskas zullen kunnen genieten » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1444/007, pp. 3 en 5). In die tijd verplichtten artikel 11bis van het koninklijk besluit van 30 januari 1979 « betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van ’s lands algemeen bestuur », alsook diverse reglementaire teksten genomen door de deelentiteiten, ertoe een inhouding van 13,07 % te heffen op het vakantiegeld van de personeelsleden van de besturen van die entiteiten en van de publiekrechtelijke rechtspersonen die daarvan afhangen. Die inhoudingen waren niet toegewezen aan een bijzonder beleid, zodat zij uitsluitend een budgettair effect hadden dat bestond in de vermindering van het bedrag van het aan de personeelsleden gestorte vakantiegeld. Het doel van het wetsontwerp bestond erin die budgettaire inhoudingen om te zetten in een persoonlijke bijdrage van het personeelslid, die, voor de contractuele ambtenaren, bestemd zou zijn voor het algemeen beheer van de sociale zekerheid en, voor de statutaire ambtenaren, voor de financiering van het Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1444/001, pp. 4-5, en DOC 51-1444/003, pp. 3-4). B.5.
  23. Gelet op de aanzienlijke budgettaire gevolgen van dat wetsontwerp voor de financiën van de deelentiteiten heeft het Vlaams Parlement een belangenconflictprocedure ingesteld (ibid., DOC 51-1444/003, pp. 9 en 10). Daarnaast hebben verschillende volksvertegenwoordigers en senatoren eraan herinnerd dat de overdracht van de bevoegdheden aan de deelentiteiten niet gepaard is gegaan met een overdracht van alle overeenstemmende middelen, met name middelen bestemd voor de financiering van het personeelsbeleid. Volgens hen zou hieruit voortvloeien dat de federale overheid, door de deelentiteiten ertoe te verplichten de inhouding van 13,07 % op het 10 vakantiegeld van hun personeelsleden toe te wijzen aan de financiering van federale bevoegdheden, die entiteiten de dankzij die inhouding te verwezenlijken besparingen zou ontnemen, terwijl hun middelen eerder al werden beperkt (Parl. St., Senaat, 2004-2005, nr. 3-1036/1, pp. 8 en 17; Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1444/005, p. 6; Parl. St., Senaat, 2004-2005, nr. 3-1166/3, p. 4). B.5.
  24. Aansluitend op de procedure van het belangenconflict heeft de Senaat het door de Kamer goedgekeurde ontwerp geëvoceerd en de oorspronkelijke tekst gewijzigd om er uitdrukkelijk de delen uit te halen die de deelentiteiten en de publiekrechtelijke rechtspersonen die daarvan afhangen, beoogden (zie Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1444/009, p. 4; Parl. St., Senaat, 2004-2005, nr. 3-1166/3, pp. 4-6, en nr. 3-1166/6). B.
  25. Zoals is vermeld in B.5.1, is Net Brussel een publiekrechtelijke rechtspersoon die afhangt van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Hoewel het juist is dat de pensioenen van de personeelsleden van Net Brussel niet ten laste waren van de Schatkist, noch van het pensioenstelsel dat is ingesteld bij de wet van 28 april 1958, is het toch zo dat Net Brussel een louter budgettaire inhouding van 13,07 % op het vakantiegeld van zijn personeelsleden uitvoerde (artikel 1, § 9, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 juli 2003 « betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid, Net Brussel »). Net Brussel bevond zich bijgevolg in de situatie die heeft verantwoord dat de deelentiteiten en de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen, werden onttrokken aan het wetsontwerp houdende invoering van een egalisatiebijdrage voor de pensioenen heeft verantwoord. Hieruit vloeit voort dat Net Brussel niet viel onder het toepassingsgebied van de wet van 6 augustus
  26. B.
  27. Het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen en het Fonds voor de amortisatie van de verhoging van de pensioenbijdragevoeten, die zijn opgericht bij artikel 4 van de wet van 24 oktober 2011, vervangen het Fonds voor egalisatie van het percentage van de pensioenbijdragen dat was opgericht bij artikel 10, § 1, van de wet van 11 6 augustus 1993, net zoals de inhouding van 13,07 % bedoeld in artikel 4, § 3, tweede lid, van de wet van 24 oktober 2011 de inhouding vervangt bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 6 augustus
  28. B.8.
  29. Noch uit de tekst van de wet van 24 oktober 2011, noch uit de parlementaire voorbereiding ervan blijkt dat de wetgever de intentie zou hebben gehad het toepassingsgebied van het voormelde mechanisme voor de financiering van de pensioenen uit te breiden door daarin voortaan, geheel of gedeeltelijk, de deelentiteiten en de publiekrechtelijke rechtspersonen die daarvan afhangen, op te nemen. B.8.
  30. Integendeel, het toepassingsgebied van titel 2 van de wet van 24 oktober 2011 is uitdrukkelijk beperkt tot de « provinciale en plaatselijke besturen » die zijn aangesloten bij de RSZPPO krachtens artikel 32 van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (hierna : de wet van 19 december 1939) en tot de lokale politiezones, terwijl het toepassingsgebied van de wet van 6 augustus 1993 geen gelijkwaardige toelichting bevatte. Hoewel het juist is dat, zoals het verwijzende rechtscollege opmerkt, artikel 3, 3), van de wet van 24 oktober 2011 het « stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen » definieert als « het stelsel waarbij de vastbenoemde personeelsleden van bepaalde provinciale en plaatselijke besturen zijn aangesloten in toepassing van artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen », blijkt uit die definitie niet dat alle bij de RSZPPO aangesloten besturen in het kader van het stelsel voor de financiering van de pensioenen dat is ingevoerd bij de wet van 6 augustus 1993 provinciale en plaatselijke besturen zijn in de zin van artikel 2 van de wet van 24 oktober
  31. Integendeel, alleen de personeelsleden van de provinciale en plaatselijke besturen in de zin van artikel 2, eerste lid, 1), van de wet van 24 oktober 2011 zijn aangesloten bij « het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen », op voorwaarde dat het bestuur waarvoor zij werken, daarbij is aangesloten. B.8.
  32. Noch artikel 2 van de wet van 24 oktober 2011, noch enige andere bepaling van die wet definiëren het begrip « provinciaal en plaatselijk bestuur », dat in dat artikel wordt gebruikt. 12 Bovendien, ter illustratie van het begrip « provinciaal en plaatselijk bestuur », wordt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 24 oktober 2011 uitsluitend verwezen naar de gemeenten, de provincies en de daaraan verbonden besturen (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1770/001, pp. 4 en 22). In de parlementaire voorbereiding wordt echter nergens verwezen naar de deelentiteiten of de instellingen van openbaar nut als zijnde provinciale en plaatselijke besturen. Hieruit vloeit voort dat moet worden verwezen naar de gebruikelijke betekenis van de termen « provinciaal en plaatselijk bestuur ». B.8.
  33. Artikel 2, tweede lid, van de wet van 24 oktober 2011 laat niet toe ervan uit te gaan dat het begrip « provinciaal en plaatselijk bestuur » alle besturen omvat die worden beoogd door artikel 32 van de wet van 19 december 1939, ook wanneer die bepaling de deelentiteiten en de publiekrechtelijke rechtspersonen die daarvan afhangen, beoogt. Het doel van artikel 2, tweede lid, van de wet van 24 oktober 2011 bestaat immers niet erin de draagwijdte van het eerste lid van datzelfde artikel uit te breiden, maar te waarborgen dat de personeelsleden die daarin worden beoogd, worden uitgesloten van het toepassingsgebied van titel 2 van de wet. B.8.
  34. Artikel 32 van de wet van 19 december 1939 zoals voor het laatst gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 juni 2014 « tot aanvulling van de in artikel 32, eerste lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders vervatte lijst van instanties die zijn aangesloten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten », bepaalt : « De Koning richt een bijzonder kinderbijslagfonds op waarbij van rechtswege zijn aangesloten : 1° de gemeenten; 2° de openbare instellingen die afhangen van de gemeenten; 3° de verenigingen van gemeenten; 4° de agglomeraties en de federaties van gemeenten; 5° de openbare instellingen die afhangen van de agglomeraties en van de federaties van gemeenten; 13 6° de provincies; 7° de openbare instellingen die afhangen van de provincies; 8° de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie; 9° de gewestelijke economische instellingen bedoeld in de hoofdstukken II en III van de kaderwet van 15 juli 1970 houdende de organisatie van de planning en economische decentralisatie, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 1983 van de Waalse Gewestraad, behalve voor de personeelsleden voor wie zij verplicht zijn rechtstreeks de gezinsbijslag toe te kennen; 10° de door de Koning aangewezen instellingen bedoeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut en dit voor hun personeelsleden die geen aanleiding geven tot het betalen aan de Rijksdienst voor de sociale zekerheid van een bijdrage voor de gezinsbijslag, voor zover ze niet verplicht zijn rechtstreeks gezinsbijslag te betalen aan die personeelsleden. De Koning bepaalt voor ieder van die instellingen de aansluitingsdatum; 11° de verenigingen van meerdere hierboven vermelde instellingen. 12° de vzw ‘ Vlaamse Operastichting ’ voor de personeelsleden die vastbenoemd waren bij de Intercommunale ‘ Opera voor Vlaanderen ’ en met behoud van hun statuut worden overgenomen. 13° de korpsen van de lokale politie, zoals bedoeld bij de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. De Koning kan andere instellingen toevoegen aan de in het eerste lid vervatte lijst van aangesloten instanties. Hij kan die lijst wijzigen om rekening te houden met de wetswijzigingen die voor de in het eerste lid genoemde instellingen gelden. De Koning kan de bevoegdheid van deze Rijksdienst uitbreiden tot andere opdrachten betreffende het personeel van de voornoemde administraties. De Koning regelt de inrichting en de werking van deze Rijksdienst. De wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut inzake sociale zekerheid en sociale voorzorg is toepasselijk op deze Rijksdienst. De artikelen 14 en 15 van voormelde wet van 25 april 1963 zijn slechts toepasselijk wanneer het gaat, hetzij om het personeelskader, hetzij om voorstellen of ontwerpen met betrekking tot dit artikel of de artikelen 81, 92, 110, tweede lid, en 119bis, tweede lid, of tot besluiten ter uitvoering van die artikelen te nemen ». B.8.
  35. Artikel 32 van de wet van 19 december 1939 gebruikt niet de termen « provinciale en plaatselijke besturen ». 14 De lijst van de « aangeslotenen » die die bepaling bevat, omvat duidelijk overheidsinstellingen die niet worden beoogd door de gewone definitie van een plaatselijk bestuur, noch door die van een provinciaal bestuur. Artikel 2, eerste lid, 1), van de wet van 24 oktober 2011 maakt titel 2 van die wet dus niet van toepassing op al die « aangeslotenen ». B.9.
  36. Zoals is vermeld in B.5.1, is Net Brussel een publiekrechtelijke rechtspersoon die afhangt van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Hieruit vloeit voort dat het niet zou kunnen worden beschouwd als een « provinciaal bestuur » of een « plaatselijk bestuur ». B.9.
  37. Bovendien is, zoals is vermeld in B.5.1, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op grond van artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bevoegd om het pensioenstelsel vast te stellen voor de personeelsleden van de instellingen van openbaar nut die van dat Gewest afhangen. Artikel 2, tweede lid, van de ordonnantie van 13 april 1995 staat de gewestregering toe een overeenkomst te sluiten met een voorzorgskas teneinde de uitkering van de pensioenen mogelijk te maken en te waarborgen. Net Brussel mag dus niet deelnemen aan het bij de wet van 24 oktober 2011 ingevoerde pensioenstelsel. Indien de in het geding zijnde bepalingen zo zouden moeten worden geïnterpreteerd dat zij Net Brussel beogen, dan zou moeten worden vastgesteld dat de federale overheid inbreuk heeft gemaakt op de bevoegdheden van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Uit de voorgaande elementen blijkt dat niets erop wijst dat zulks de intentie van de federale overheid was. Bovendien beroept die laatstgenoemde zich niet op de theorie van de impliciete bevoegdheden. B.
  38. Hieruit volgt dat de artikelen 2 en 4 van de wet van 24 oktober 2011, die het voorwerp uitmaken van de prejudiciële vraag, kennelijk niet kunnen dienen als grondslag voor de heffing van een inhouding door Net Brussel op het vakantiegeld van zijn statutaire ambtenaren die, daar zij werken voor een instelling van openbaar nut die afhangt van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, niet vallen onder het toepassingsgebied van die bepalingen, die alleen de ambtenaren van de provinciale en plaatselijke besturen beogen. 15 B.
  39. Daar het uitgangspunt van de prejudiciële vraag verkeerd is, behoeft die vraag geen antwoord. 16 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 juli
  40. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.093 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.