← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.096

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 juli 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.096 Arrest- Rolnummer: 96/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 520 - laatst gezien 2026-06-15 01:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (art. VI.19 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 17 mei 2019, in zoverre het de vereiste duur van de schoolloopbaan in het Nederlandstalig basisonderwijs op minstens negen jaar bepaalt) - Verwerping van de beroepen voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 17 mei 2019 « houdende wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 en van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, wat het inschrijvingsrecht betreft », ingesteld door het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapsregering. Onderwijs - Vlaamse Gemeenschap - Inschrijvingen - Voorrang in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad -

  1. Voldoende kennis van het Nederlands voor ten minste één van beide ouders -
  2. Leerlingen die reeds negen jaar basisonderwijs in het Nederlands hebben gevolgd Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 96/2022 van 14 juli 2022 Rolnummers : 7350 en 7351 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 17 mei 2019 « houdende wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 en van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, wat het inschrijvingsrecht betreft », ingesteld door het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapsregering. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter J.-P. Moerman, waarnemend voorzitter, en voorzitter L. Lavrysen, de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters en E. Bribosia, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Moerman, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 januari 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 januari 2020, heeft het College van de Franse Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Nihoul, advocaat bij de balie van Waals-Brabant, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen II.48, V.18, VI.18 en VI.19 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 17 mei 2019 « houdende wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 en van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, wat het inschrijvingsrecht betreft » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 juli 2019). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 januari 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 januari 2020, heeft de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Tulkens, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van artikelen II.48, III.55, V.18, VI.18 en VI.19 van hetzelfde decreet. 2 Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7350 en 7351 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Tulkens (in de zaak nr. 7350); - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel, Mr. K. Caluwaert en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 15 december 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Detienne en D. Pieters te hebben gehoord, beslist : - dat de zaken in staat van wijzen zijn, - de partijen uit te nodigen om, in een aanvullende memorie die uiterlijk op 28 januari 2022 moet worden ingediend en binnen dezelfde termijn aan de andere partijen moet worden bezorgd, de volgende gegevens met betrekking tot de schooljaren 2020-2021 en 2021-2022 aan het Hof mee te delen : . het aantal beschikbare plaatsen in respectievelijk de Nederlandstalige en Franstalige scholen van het basisonderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad; . het aantal beschikbare plaatsen in respectievelijk de Nederlandstalige en Franstalige scholen van het secundair onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad; . de gezinstaal van de leerlingen in respectievelijk het Nederlandstalige en Franstalige basisonderwijs van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad; . de gezinstaal van de leerlingen in respectievelijk het Nederlandstalige en Franstalige secundair onderwijs van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad; . het overzicht van het aantal aanmeldingen in respectievelijk de Nederlandstalige en Franstalige scholen van het basisonderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad; . het overzicht van het aantal aanmeldingen in respectievelijk de Nederlandstalige en Franstalige scholen van het secundair onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad; . het aantal leerlingen in respectievelijk het Nederlandstalige en Franstalige basisonderwijs van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad van wie geen enkele ouder de onderwijstaal in voldoende mate machtig is; 3 . het aantal leerlingen in respectievelijk het Nederlandstalige en Franstalige secundair onderwijs van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad van wie geen enkele ouder de onderwijstaal in voldoende mate machtig is; . in welk Gewest de leerlingen beoogd in de derde, vierde, zevende en achtste vraag gedomicilieerd zijn; - de Vlaamse Regering te verzoeken, bij de mededeling van de gewenste gegevens, de volgende categorieën te onderscheiden : . « homogeen Nederlandstalig » : beide ouders van de leerling zijn Nederlandstalig; . « taalgemengd » : slechts één ouder is Nederlandstalig; . « homogeen Franstalig » : beide ouders zijn Franstalig; . « homogeen anderstalig » : de ouders spreken Frans en een andere taal dan het Nederlands of spreken Nederlands noch Frans. Onder « Nederlandstalig » wordt verstaan « die het Nederlands in voldoende mate machtig is », zoals omschreven in artikel 37/58, § 2, van het decreet « basisonderwijs » van de Vlaamse Gemeenschap van 25 februari 1997, en in artikel 253/44, §2, van de Vlaamse Codex Secundair Onderwijs; - het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapsregering te verzoeken, bij de mededeling van de gewenste gegevens, de volgende categorieën te onderscheiden : . « homogeen Franstalig » : beide ouders van de leerling zijn Franstalig; . « taalgemengd » : slechts één ouder is Franstalig; . « homogeen Nederlandstalig » : beide ouders zijn Nederlandstalig; . « homogeen anderstalig » : de ouders spreken Nederlands en een andere taal dan het Frans of spreken Nederlands noch Frans, - de dag van de terechtzitting te bepalen op 2 februari
  3. Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partijen; - de Vlaamse Regering. Op de openbare terechtzitting van 2 februari 2022 : - zijn verschenen : 4 . Mr. M. Nihoul, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7350; . Mr. F. Tulkens, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7351 (tussenkomende partij in de zaak nr. 7350); . Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, tevens loco Mr. T. Moonen, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers T. Detienne en D. Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan A.1.
  4. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie stelt een beroep in tot vernietiging van vier bepalingen van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 17 mei 2019 « houdende wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 en van de Codificatie [van] sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, wat het inschrijvingsrecht betreft » (hierna : het decreet van 17 mei 2019). Dat beroep werd ingeschreven onder nummer 7350 van de rol van het Hof. Artikel II.48 betreft de rangschikking van de aangemelde leerlingen in een volgorde van voorrangsgroepen waarvan de derde, voor de basisscholen in het buitengewoon onderwijs, gelegen in het tweetalige gebied Brussel- Hoofdstad, betrekking heeft op 65 % van de leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. Artikel V.18 bepaalt dat schoolbesturen voor hun basisscholen in het gewoon onderwijs, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voorrang geven aan leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, en bepaalt de criteria en de bewijsmiddelen waarmee die kennis kan worden aangetoond. Schoolbesturen bepalen welk aantal leerlingen moet toelaten het percentage van 65 % te behouden of te verwerven. Artikel VI.18 bevat een vergelijkbare bepaling voor de scholen van het secundair onderwijs, die in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gelegen zijn. Artikel VI.19 voert voor scholen van het gewoon secundair onderwijs, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een voorrang in voor leerlingen die negen jaar basisonderwijs hebben gevolgd in het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, voorrang die gericht is op het verwerven of het behoud van 15 % van de plaatsen die verbonden zijn aan die voorrang. A.1.
  5. Inleidend herinnert het College van de Franse Gemeenschapscommissie eraan dat het decreet van 17 mei 2019 het percentage wijzigt van de plaatsen die in Brussel zijn voorbehouden aan Nederlandstaligen, dat reeds sinds 2005 bestaat en dat sindsdien voortdurend is opgetrokken. De Franse Gemeenschapscommissie diende een motie betreffende een belangenconflict in tegen het voorontwerp van decreet. Er werd in dat kader een overleg georganiseerd, dat is mislukt. 5 Het College van de Franse Gemeenschapscommissie is overigens van mening dat men de bij het bestreden decreet vastgelegde behandeling niet los kan zien van de context ervan. Er is in het tweetalige gebied Brussel- Hoofdstad immers een steeds grotere vraag naar plaatsen in het onderwijs, die te wijten is aan een algemene bevolkingstoename. A.2.
  6. De Franse Gemeenschapsregering stelt een beroep tot vernietiging in van dezelfde bepalingen van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 17 mei 2019, en van artikel III.55 van hetzelfde decreet. Dat beroep werd ingeschreven onder het nummer 7351 van de rol van het Hof. Artikel III.55 heeft betrekking op het buitengewoon secundair onderwijs en betreft de rangschikking van de aangemelde leerlingen in een volgorde van voorrangsgroepen waaronder de derde, in de onderwijsinstellingen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, betrekking heeft op 65 % van de leerlingen van wie minstens één ouder het Nederlands in voldoende mate machtig is. A.2.
  7. Net zoals de Franse Gemeenschapscommissie, is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat de bestreden wetgeving niet los kan worden gezien van de context van een steeds grotere vraag naar plaatsen in het onderwijs in Brussel. Zij doet daarnaast gelden dat de Vlaamse decreetgever zich duidelijk op een hellend vlak begeeft, aangezien zijn uiteindelijke bedoelingen met de verhoging van de voorrangspercentages vaag blijven. A.3.
  8. In haar memorie onderstreept de Vlaamse Regering dat het bestreden decreet een eerste maal werd gewijzigd bij het decreet van 22 november 2019 « houdende wijziging van diverse decreten, wat de wijziging van het inschrijvingsrecht betreft », waarbij de inwerkingtreding van het bestreden decreet werd vastgesteld op 1 september 2020, en vervolgens een tweede maal bij het decreet van 8 mei 2020 « tot het nemen van dringende tijdelijke maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis », waarbij de inwerkingtreding van het bestreden decreet verder werd uitgesteld tot 1 september
  9. De bestreden bepalingen zullen ten vroegste gelden vanaf het schooljaar 2022-
  10. A.3.
  11. De Vlaamse Regering herinnert eraan dat de algemene doelstelling van het bestreden decreet erin bestaat het nieuw gecreëerde kader voor het inschrijvingsrecht in het lager en secundair onderwijs te versterken. Dat kader gaat uit van zes basisprincipes. Ten eerste gaat het erom de vrije schoolkeuze van alle leerlingen en ouders te waarborgen zonder lange kampeerrijen voor de schoolpoort. Ten tweede dient een maximale uniformiteit en een maximale transparantie te worden gewaarborgd, meer bepaald door middel van een centrale en geharmoniseerde « tijdslijn ». Ten derde moet de weigering om bepaalde leerlingen in te schrijven, wegens plaatsgebrek, strikt worden omkaderd, en worden transparante criteria ingevoerd naar gelang van het onderwijstype. Ten vierde wordt de nadruk gelegd op een sterke deregulering voor scholen die geen capaciteitsdruk ervaren, om de toegang tot die scholen te vereenvoudigen. Ten vijfde is, wat het buitengewoon onderwijs betreft, het ordewoord dat ieder kind een plaats moet krijgen. Ten slotte en ten zesde is de ligging binnen of buiten het gebied van een Lokaal Overlegplatform (LOP) niet langer een doorslaggevend criterium. A.3.
  12. Verder herinnert de Vlaamse Regering eraan dat de bestreden voorrangsregelingen niet de enige maatregelen zijn binnen de inschrijvingsregeling, maar dat zij deel uitmaken van een geheel van maatregelen. Zo volgt de voorrang voor leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands voldoende machtig is op die welke wordt toegekend aan kinderen van personeelsleden van de schoolinrichting met een tewerkstelling van meer dan 104 dagen, voorrang die op zijn beurt volgt op de voorrang voor kinderen die behoren tot hetzelfde gezin als een reeds ingeschreven leerling. Overigens werd bij het bestreden decreet een andere vroeger bestaande voorrangsregeling afgeschaft, namelijk die voor indicatorleerlingen uit kansarme gezinnen, zodat de verhoging van het voorrangspercentage betreffende de taalkennis van één ouder niet als een bijkomende last moet worden beschouwd. A.3.
  13. Ten slotte onderstreept de Vlaamse Regering dat de Vlaamse Gemeenschap haar onderwijsaanbod in Brussel voortdurend heeft uitgebreid, meer bepaald met een stijging met 300 % van haar aandeel in het kleuteronderwijs en met 200 % in het lager onderwijs. De Vlaamse Gemeenschap zorgt thans voor 30 % van de investeringen in het Brusselse onderwijs, terwijl die Gemeenschap electoraal gezien 9,9 % van het Brusselse Parlement vertegenwoordigt. Elk jaar wordt per leerling maar liefst 2 000 euro extra geïnvesteerd, en dat cijfer blijft toenemen. A.
  14. In antwoord op de stelling van de Vlaamse Regering benadrukt het College van de Franse Gemeenschapscommissie dat de vaststelling dat de bestreden bepalingen pas voor het schooljaar 2022-2023 in werking zullen treden, zonder gevolg is voor de voorliggende beroepen. 6 A.
  15. Bij wijze van repliek en teneinde een algemeen punt te verduidelijken dat betrekking heeft op alle middelen die zijn opgeworpen, hecht de Vlaamse Regering eraan te benadrukken dat de twee verzoekende partijen een manifest verkeerde draagwijdte geven aan de regeling die zij betwisten. De bij de bestreden bepalingen ingevoerde verhoging van het voorrangspercentage betekent niet dat voortaan 65 % van de leerlingen van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel Nederlandstalig zullen zijn, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen als uitgangspunt nemen. Anderstalige leerlingen worden niet ipso facto uitgesloten van de voorrangsplaatsen, aangezien slechts één ouder het bewijs moet leveren van een voldoende niveau van kennis van het Nederlands. Welnu, het komt vaak voor dat één ouder van een niet-Nederlandstalig gezin die taalkennis kan aantonen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
  16. De Vlaamse Regering werpt de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van de beroepen tot vernietiging op wat betreft de onderdelen van bepalingen waartegen in feite geen grief wordt gericht. Zo vragen de verzoekende partijen een volledige vernietiging van de artikelen II.48 en III.
  17. De beroepen tot vernietiging betreffen echter slechts een beperkt gedeelte van die artikelen. Die twee bepalingen worden enkel bestreden in zoverre zij de voorrangspercentages verhogen, en daarom mogen de beroepen enkel wat dat aspect betreft ontvankelijk worden verklaard. A.
  18. Op dat punt gedragen de Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie zich naar de wijsheid van het Hof. Ten gronde Wat betreft het eerste middel in de zaak nr. 7350 en het tweede middel in de zaak nr. 7351 A.
  19. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapsregering leiden een soortgelijk middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet. A.9.
  20. In een eerste onderdeel zijn de verzoekende partijen van mening dat de bestreden bepalingen een onverantwoorde discriminatie doen ontstaan tussen Nederlandstalige leerlingen en anderstalige leerlingen, wat de thuistaal betreft. A.9.
  21. Krachtens artikel 24, § 4, van de Grondwet zijn alle leerlingen gelijk voor de wet. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie voert aan dat het optrekken van het voorrangspercentage betreffende de thuistaal voor alle onderwijstypes, die gelijkheid klaarblijkelijk schendt. De twee verzoekende partijen onderstrepen dat de cumulatieve voorrangspercentages, die voortaan zijn vastgesteld op 65 % voor het lager onderwijs en op 80 % voor het secundair onderwijs, discriminerend zijn voor anderstalige - al dan niet Franstalige - leerlingen, die nog in aanmerking komen voor slechts 35 % en 20 % van de resterende voorrangsplaatsen. Dat geldt des te meer omdat Brussel, volgens de Franse Gemeenschapsregering, de meest kosmopolitische stad van Europa is, met 184 vertegenwoordigde nationaliteiten. A.9.
  22. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie erkent dat de bij artikel 24, § 4, van de Grondwet gewaarborgde gelijkheid niet absoluut is en dat de opgeworpen discriminatie op een objectief criterium is gegrond, te weten de taal die door de ouders wordt gesproken, en een legitiem doel nastreeft, namelijk het Nederlandstalige karakter van het Vlaamse onderwijsnet alsook gelijke kansen vrijwaren. De zeer aanzienlijke verhoging van het voorrangspercentage is evenwel niet noodzakelijk, noch evenredig met de nagestreefde doelstellingen. A.9.
  23. Wat de noodzaak van de bestreden regeling betreft, zijn de twee verzoekende partijen van mening dat de doelstellingen die de Vlaamse Regering op de voorgrond stelt, reeds zijn bereikt bij het decreet van 9 juli 2010 « betreffende het onderwijs XX ». Het College van de Franse Gemeenschapscommissie ziet niet in in welk opzicht een dermate sterke verhoging noodzakelijk zou zijn om algemene doelstellingen, die overigens vrij vaag zijn, te bereiken. De afdeling wetgeving van de Raad van State, die vragen had bij de reële nood aan een dergelijke verhoging van de voorrangspercentages, wees in haar advies overigens op de summiere verantwoording van de Vlaamse Regering met betrekking tot dat aspect. Bijgevolg is de verhoging van de voorrangspercentages, in zoverre de Vlaamse Regering niet in concreto aantoont, zoals zij dat zou moeten doen overeenkomstig het arrest van het Hof nr. 7/2012 van 18 januari 2012, dat het nieuw vastgestelde percentage berust op een stijgende vraag vanwege Nederlandstalige leerlingen, louter arbitrair, en is zij niet noodzakelijk. Het Hof had immers benadrukt 7 dat er, om een voorrangspercentage van meer dan 55 % van de plaatsen op te leggen, uitzonderlijke omstandigheden moesten worden aangevoerd, op grond van objectieve gegevens die de concrete noodzaak van een dergelijk voorrangspercentage aantonen. Te dezen worden de respectieve verhogingen van 10 en 25 % ten opzichte van die drempel niet gemotiveerd. A.9.
  24. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie voert eveneens aan dat de bestreden regeling niet pertinent is in het licht van de nagestreefde doelstellingen. Het doel om het Nederlandstalige karakter van het onderwijs te vrijwaren, was reeds op een behoorlijke manier bereikt toen de voorrangspercentages vastlagen op 55 %. Bovendien kan, met een verhoging van de voorrangspercentages, niet het tweede nagestreefde doel, te weten gelijke kansen, worden verwezenlijkt. Die vaststelling werd reeds aangestipt door het Gewoon Onderwijs [lees : het Gemeenschapsonderwijs] dat, wat dat aspect betreft, voor een soepelere regeling pleit. Dat is des te meer noodzakelijk daar de situaties van de scholen sterk verschillen. De Franse Gemeenschapsregering benadrukt dat met de bestreden maatregelen niet het doel kan worden bereikt dat erin bestaat het Nederlandstalige karakter van het onderwijs te behouden, vermits een leerling die het Nederlands machtig is, per definitie Nederlandstalig is, ongeacht de taal die door zijn ouders wordt gesproken. De Franse Gemeenschapsregering voegt eraan toe dat de statistieken voldoende aantonen dat slechts 30 à 36 % van de Brusselse gezinnen Nederlands spreekt, hetgeen bewijst dat de Vlaamse decreetgever uitgaat van een stereotiepe veronderstelling. In feite beoogt het bestreden decreet enkel de situatie van een twintigtal zeer gewaardeerde scholen van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel, hetgeen de Vlaamse Regering overigens erkent. Zelfs indien die ad hoc-behoefte bewezen is, kan ze geenszins volstaan om een globale behoefte te rechtvaardigen. Integendeel, de bestreden bepalingen zullen leiden tot een concentratie van Nederlandstalige leerlingen in enkele scholen en zullen die concentratie verminderen in andere onderwijsinstellingen, hetgeen niet pertinent is in het licht van de vastgestelde doelstellingen. A.9.
  25. De twee verzoekende partijen zijn ten slotte van mening dat de bestreden regeling een belemmering vormt die onevenredig is met het recht op vrije toegang tot onderwijs. Het recht op vrije toegang tot onderwijs heeft immers tot doel aan alle leerlingen dezelfde kansen te bieden om een optimale opleiding te krijgen, uitsluiting en discriminatie te vermijden en sociale vermenging te bevorderen. De verhoging van de voorrangspercentages doet afbreuk aan die drie doelstellingen, zonder dat daarvoor een verantwoording bestaat, en vormt bijgevolg een onevenredige beperking van het recht van de allochtone leerlingen. Overigens mag het feit dat het voorrangspercentage van 55 % in bepaalde scholen reeds is bereikt, niet hebben geleid tot een verhoging ervan in alle scholen. Een dergelijke verhoging zonder onderscheid is onevenredig des te meer omdat de lokale overlegplatforms bij decreet gemachtigd zijn om dat percentage per deelgebied te verhogen. A.10.
  26. In een tweede onderdeel voeren de twee verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen tussen de leerlingen van het secundair onderwijs een onverantwoorde discriminatie doen ontstaan, die is gebaseerd op de instelling waar zij hun basisonderwijs hebben gevolgd. De inschrijvingen in de instellingen voor secundair onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden immers voortaan onderworpen aan een bijkomend voorrangspercentage van 15 %, dat betrekking heeft op de leerlingen die negen jaar onderwijs hebben gevolgd in het Nederlandstalig basisonderwijs. Dat onderscheid is gegrond op een onredelijk criterium en is onevenredig met de nagestreefde doelstellingen. A.10.
  27. Het onderscheid tussen de niet-prioritaire leerlingen en de leerlingen die het voorrangspercentage van 15 % kunnen genieten, is gebaseerd op een dubbel criterium inzake onderwijsinstelling en tijd. Ook al is dat criterium objectief, toch is het volgens de verzoekende partijen onredelijk. De Vlaamse decreetgever verantwoordt het door uit te gaan van de stelling dat de leerlingen die niet in aanmerking komen voor het eerste voorrangspercentage van 65 %, toch voorrang verdienen wanneer zij van het Nederlandstalig basisonderwijs komen. Het criterium van negen jaar is echter bijzonder restrictief in zoverre het de volledige schoolloopbaan in het basisonderwijs beoogt. Dat criterium brengt bovendien voor alle leerlingen de ontwikkelings- en leerdoelen, met oog voor de sociale vermenging, in het gedrang. A.10.
  28. Volgens de Franse Gemeenschapsregering is het doel om de kansen op inschrijving te verhogen van leerlingen van wie de ouders het Nederlands niet machtig zijn maar die schoollopen in het Nederlandstalig onderwijs, weliswaar lovenswaardig, maar is het criterium van negen jaar buitensporig en gaat het verder dan hetgeen noodzakelijk is. Net daarom had de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies kritiek op dat cijfer, aangezien het neerkomt op de invoering van een nieuwe categorie van leerlingen. Sinds 1 september 2020 heeft de federale overheid het begin van de leerplicht immers vastgesteld op de leeftijd van 5 jaar, zodat het criterium van negen jaar de duur van de leerplicht in het basisonderwijs overschrijdt. Die voorwaarde is des te meer onredelijk omdat zij de kinderen uit kwetsbare bevolkingsgroepen, die niet noodzakelijk naar school gaan 8 vanaf de kleuterschool, op onevenredige wijze raakt. Het nieuwe voorrangspercentage is bijgevolg onevenredig in zoverre het de rechten van de anderstalige leerlingen schendt. De voorwaarde om de schoolloopbaan integraal te hebben gevolgd, brengt de doelstellingen inzake het optimaliseren van de ontwikkelings- en leerkansen van alle leerlingen, integratie en het bevorderen van de sociale vermenging en cohesie in gevaar. De 20 % resterende plaatsen maken, voor die leerlingen, de kansen op toegang tot het Nederlandstalig secundair onderwijs in Brussel manifest onzeker. A.11.
  29. De Vlaamse Regering weerlegt de argumentatie van de verzoekende partijen in haar geheel. Om te beginnen herinnert zij eraan dat de opportuniteitskeuze op dat gebied aan de Vlaamse decreetgever, en niet aan het Hof toekomt, behalve wanneer die keuze kennelijk onredelijk is. Dat blijkt duidelijk uit de arresten nrs. 7/2012 van 18 januari 2012 en 19/2017 van 16 februari
  30. De Vlaamse Regering betwist het eerste onderdeel van het middel op drie punten. A.11.
  31. Ten eerste heeft het Grondwettelijk Hof de principiële grondwettigheid van de betwiste voorrangsregeling reeds bevestigd. Bij de voormelde arresten nrs. 7/2012 en 19/2017 heeft het Hof tot tweemaal toe de voorwaarde inzake een voldoende kennis van het Nederlands van één van de ouders, alsook de manier om die kennis te beoordelen, gevalideerd. Ook het voorrangspercentage van 55 % werd door het Hof geldig verklaard omdat het aan een reële behoefte beantwoordt. Het lijdt bijgevolg geen twijfel dat het huidige systeem in overeenstemming is met de Grondwet, ondanks de verhoging van 55 naar 65 %. A.11.
  32. Ten tweede is het criterium van onderscheid objectief, pertinent en redelijk verantwoord. Dat criterium is dat van de door de ouder gesproken taal en bestaat sinds
  33. Gelet op die anterioriteit, is de Vlaamse Regering van mening dat de grief kennelijk te laat wordt opgeworpen. In elk geval is de grief niet gegrond. Het Hof heeft immers reeds aangenomen dat dit criterium pertinent en evenredig is, en dat criterium is evenwel niet gewijzigd. De Vlaamse Regering ziet niet in waarom van de voormelde rechtspraak zou moeten worden afgeweken, des te meer omdat de nagestreefde doelstellingen identiek blijven. Zij besluit dan ook dat die grief eigenlijk neerkomt op loutere opportuniteitskritiek. A.11.
  34. Ten derde is de maatregel pertinent en verantwoord in het licht van de door de Vlaamse decreetgever nagestreefde doelstellingen. Vooreerst staat het niet aan het Hof, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen beweren, te onderzoeken of het nagestreefde doel met andere wettelijke maatregelen zou kunnen worden bereikt, vermits het gaat om een opportuniteitsbeslissing. Het middel is dus niet ontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op de noodzaak van het optrekken van het voorrangspercentage van 55 naar 65 %. Vervolgens strekt de verhoging van het voorrangspercentage in de eerste plaats ertoe de inschrijvingskansen van Nederlandstalige leerlingen te verhogen, en niet het Nederlandstalig onderwijs in Brussel homogeen te maken. Het lijdt overigens geen twijfel dat het voorrangspercentage van 55 % thans niet in alle scholen van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel wordt bereikt. De situaties in de onderwijsinstellingen van de hoofdstad zijn immers zeer divers. In verschillende scholen, die een aanzienlijke populariteit genieten, wordt dat voorrangspercentage bereikt en is het dus ontoereikend. Die populariteit hangt af van meerdere factoren en kan onder meer worden verklaard door het grote aantal broers en zussen die reeds in de instelling zijn ingeschreven. Het voorrangspercentage van 65 % is bijgevolg pertinent ten opzichte van het nagestreefde doel. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen beweren, doet het feit dat de lokale overlegplatforms de mogelijkheid hebben om de voorrangspercentages op te trekken niets af aan de pertinentie van de bestreden wetgeving. De beoordeling van die pertinentie door het Hof veronderstelt immers niet dat moet worden onderzocht of het vastgestelde doel met andere maatregelen zou kunnen worden bereikt. De Vlaamse decreetgever heeft enkel een plaatstekort vastgesteld en heeft gereageerd door de voorrangspercentages op te trekken. Door die verhoging algemeen toe te passen, heeft de Vlaamse Gemeenschap willen vermijden dat er steeds opnieuw moet worden gesleuteld aan die voorrangspercentages. Ten slotte is het optrekken van het voorrangspercentage voldoende verantwoord en is het niet onevenredig met de nagestreefde doelstellingen. Louter het feit dat de afdeling wetgeving van de Raad van State de decreetgever heeft verzocht om het bestreden decreet uitgebreider te verantwoorden, vormt geen voldoende argument. De draagwijdte van de maatregel mag niet worden overschat. De weerslag van die maatregel voor niet- Nederlandstalige leerlingen, namelijk de vermindering van het percentage beschikbare plaatsen, is slechts voelbaar in een beperkt aantal scholen (8 lagere scholen en 5 secundaire scholen). Om die reden is het argument dat er plots geen plaatsen meer zouden zijn voor Franstaligen en anderstaligen, misleidend. In de meeste scholen bedraagt het aantal beschikbare plaatsen voor anderstalige leerlingen 35 %, of zelfs 45 % in een heel aantal gevallen, zoals 9 blijkt uit de cijfers voor het schooljaar 2019-
  35. Bovendien zijn er voldoende plaatsen beschikbaar in het Nederlandstalig onderwijs te Brussel (de inschrijvingen vertegenwoordigen slechts 94 % van het aantal beschikbare plaatsen in 2018-2019 en 92 % in 2019-2020) en de Vlaamse Gemeenschap levert, teneinde tegemoet te komen aan de demografische uitdagingen van de hoofdstad, aanzienlijke inspanningen om dat aantal verder te verhogen. Zo steeg het « marktaandeel » van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel, tussen 2005 en 2019, van 17 naar 18,9 %, wat het aandeel Nederlandstaligen in de Brusselse bevolking ver overschrijdt. Samengevat wordt het optrekken van het voorrangspercentage tot 65 % dus gecompenseerd door de algemene stijging van de capaciteit van het Brusselse Nederlandstalig onderwijs. Er is geenszins sprake van een « eerste reflex » om anderstalige leerlingen uit te sluiten. Bovendien zijn er andere maatregelen die het effect van de verhoging van het voorrangspercentage milderen, zoals het schrappen van de dubbele contingentering die betrekking had op indicatorleerlingen uit kansarme gezinnen. De Vlaamse Regering besluit dan ook dat de rechten van niet- Nederlandstalige leerlingen niet op kennelijk onevenredige wijze worden beperkt, aangezien het feit dat men zich niet kan inschrijven in de school van eerste keuze op zich niet onevenredig is. A.11.
  36. Wat het tweede onderdeel betreft, is de voorrang met betrekking tot leerlingen die negen jaar onderwijs hebben gevolgd in het Nederlandstalig basisonderwijs, niet onevenredig. De Vlaamse Regering onderstreept allereerst dat de verzoekende partijen niet de legitimiteit als zodanig van de bijkomende voorrangsregeling in het secundair onderwijs betwisten, maar enkel de proportionaliteit ervan. Hun uitgangspunt is evenwel verkeerd, vermits zij de percentages van 65 % en 15 % optellen en daaruit afleiden dat de plaatsen die zijn voorbehouden voor Franstalige en anderstalige leerlingen, beperkt zijn tot de resterende 20 %. Leerlingen die de voorrangsregeling van 15 % kunnen genieten, hebben echter niet noodzakelijk Nederlandstalige ouders. De legitieme oorspronkelijke doelstelling bestaat erin de onderwijskansen van diegenen die van in het begin bewust hebben gekozen voor het Nederlandstalig onderwijs, te versterken. Wat de duur van negen jaar schoolloopbaan betreft, benadrukt de Vlaamse Regering dat het Hof zich niet mag uitspreken over de opportuniteit van zulk een maatregel, noch eenzijdig mag beslissen dat de passende schoolloopbaan bijvoorbeeld zes jaar zou bedragen. Te dezen is het criterium objectief en pertinent. In de praktijk kunnen de meeste leerlingen van het basisonderwijs (84,9 % op 1 februari 2020) immers een schoolloopbaan van negen jaar voorleggen. Dat de federale wetgever het begin van het leerplichtonderwijs heeft vastgesteld op de leeftijd van vijf jaar, maakt de maatregel niet onevenredig. Het beleid van de Vlaamse Gemeenschap bestaat erin kleuterparticipatie vanaf de leeftijd van drie jaar aan te moedigen en daarop maximaal in te zetten. Vanuit die optiek is het niet onredelijk om een volledige schoolloopbaan te vereisen voor de bijkomende voorrangscategorie van 15 %. A.12.
  37. De Franse Gemeenschapsregering betwist de interpretatie van de Vlaamse Regering volgens welke het beoordelen van de noodzaak van een verschil in behandeling zou neerkomen op een beoordeling van de opportuniteit ervan. Een overvloedige rechtspraak van het Grondwettelijk Hof toont daarentegen aan dat, bij een onderzoek van de grondwettigheid van een verschil in behandeling, rekening moet worden gehouden met het bestaan van minder ingrijpende maatregelen om de noodzaak ervan te beoordelen. Zowel het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als het Hof van Justitie van de Europese Unie en de afdeling wetgeving van de Raad van State volgen een soortgelijke redenering. Die stelling wordt door de rechtsleer op haar beurt op ondubbelzinnige wijze bevestigd. Na die verduidelijkingen, benadrukt de Franse Gemeenschapsregering dat de Vlaamse Regering op geen enkel moment aantoont dat de aldus gecreëerde verschillen in behandeling noodzakelijk zijn om, enerzijds, gelijke kansen voor Nederlandstalige leerlingen te vrijwaren en, anderzijds, het Nederlandstalige karakter van haar onderwijs te behouden. A.12.
  38. De Franse Gemeenschapsregering antwoordt op de kritiek van de Vlaamse Regering met betrekking tot de noodzaak en herhaalt dat een veralgemeende verhoging niet noodzakelijk was voor een dermate gering aantal betrokken scholen. Zij herinnert eraan dat de afdeling wetgeving van de Raad van State een gelijkaardig advies heeft verstrekt en dat de voorwaarden inzake het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden en van objectieve en gemotiveerde gegevens, zoals vastgesteld door het Hof in het arrest nr. 7/2012, duidelijk niet vervuld zijn. A.12.
  39. Wat de evenredigheid betreft, beklemtoont de Franse Gemeenschapsregering het wel degelijk reële gevolg van het bestreden decreet, namelijk dat een onevenredig deel van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel wordt voorbehouden aan homogeen Nederlandstalige gezinnen, althans in de populairste scholen. De Vlaamse Gemeenschap geeft op dat punt overigens toe dat het slechts gaat om 8 lagere scholen en 5 secundaire scholen, die « het slachtoffer zijn van hun populariteit ». Het is bovendien onjuist te beweren dat de bestreden regeling kan worden gerechtvaardigd door de arresten van het Hof van 2012 en
  40. Het Hof heeft een lager percentage geldig verklaard met een aanzienlijk voorbehoud inzake interpretatie en er kan geenszins worden vooruitgelopen op zijn oordeel over de verhoging van dat percentage tot 65 % of zelfs tot 80 %. Het Hof had de verhoging van 20 % naar 55 % daarentegen geldig verklaard om de uitdrukkelijke reden dat het percentage van 20 % op dat ogenblik 10 daadwerkelijk in alle scholen was bereikt. Er dient te worden vastgesteld dat de situatie te dezen heel anders is. De situatie in 13 scholen kan in geen geval worden beschouwd als een uitzonderlijke omstandigheid in de zin van de voormelde rechtspraak. De Vlaamse Regering levert overigens geen enkel bewijs van enige algemene reële behoefte. Het argument dat is gebaseerd op de nabijheid van de woonplaats, dat wordt aangevoerd in de door de Vlaamse Regering aangeleverde stukken, is kennelijk onvoldoende, net zoals dat van de schrapping van de dubbele contingentering. Het kan overigens worden betwijfeld of de bestreden bepalingen werkelijk tot doel hebben het Nederlandstalige karakter van het Brusselse onderwijs te behouden omdat, zo bekent de Vlaamse Regering, sommige gewaardeerde scholen wel « meer » Nederlandstalig zullen worden, terwijl andere scholen het tegengestelde effect zullen ondergaan. Ten slotte kan het argument van de ontstentenis van een onvoorwaardelijk recht op inschrijving in de school van zijn keuze het verschil in behandeling niet rechtvaardigen. A.12.
  41. De Franse Gemeenschapsregering voert vervolgens aan dat, indien het eerste middel in de zaak nr. 7351 zou worden verworpen, de hoedanigheid van « Nederlandstalige » enkel op de kennis van de taal zou berusten. Welnu, een leerling die zelf het Nederlands machtig is, voldoet aan die voorwaarde en wordt bijgevolg gediscrimineerd wanneer zijn ouders die taal niet machtig zijn. Door dat verschil in behandeling kan geen enkele van de nagestreefde doelstellingen worden bereikt. Het valt aldus onmogelijk te rechtvaardigen dat een Nederlandstalige van wie de ouders anderstalig zijn en die negen jaar onderwijs les heeft gevolgd in het basisonderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, in die mate wordt gediscrimineerd. A.12.
  42. Wat betreft het tweede onderdeel, dat betrekking heeft op het voorrangspercentage van 15 %, onderstreept de Franse Gemeenschapsregering dat de Vlaamse Regering niet betwist dat zes schooljaren voldoende zouden zijn geweest om de vastgestelde doelstellingen te bereiken. Bovendien draagt de Vlaamse Regering zelf de cijfers aan van de kinderen die negen jaar basisonderwijs hebben gevolgd. Daaruit blijkt dat 22 % van de anderstaligen niet tot die categorie behoort, wat een niet-verwaarloosbaar aantal gediscrimineerde leerlingen vertegenwoordigt. Het feit dat, ter vergelijking, slechts 7,6 % van de Nederlandstalige kinderen geen curriculum van negen jaar volgen, toont voldoende aan dat de maatregel een onevenredige weerslag heeft voor de anderstaligen. Het willen aanmoedigen van onderwijsparticipatie vanaf drie jaar volstaat bijgevolg niet en kan niet rechtvaardigen dat een leerling die het hele traject van het leerplichtonderwijs heeft gevolgd, wordt benadeeld. De Vlaamse Gemeenschap is verplicht de federale wetgeving in aanmerking te nemen wanneer zij normerend optreedt. A.13.
  43. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie is van mening dat het feit dat het voorrangspercentage van 55 % thans niet overal volledig is bereikt, geen weerslag heeft op de grondwettigheid van de bestreden bepalingen. Het huidige cijfer is van weinig belang, maar dat neemt niet weg dat, wanneer de voorrangsplaatsen ingenomen zullen zijn, de leerlingen van wie de ouders het Nederlands niet machtig zijn, daadwerkelijk hun vrije onderwijskeuze zullen verliezen. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie onderstreept overigens het tegenstrijdige karakter van de argumenten van de Vlaamse Regering, die benadrukt dat de voorrangspercentages niet zijn ingevuld met uitzondering van sommige zeer populaire scholen, en tegelijkertijd de algemene verhoging van de voorrangspercentages rechtvaardigt op basis van statistieken over de demografische toename. A.13.
  44. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie herhaalt vervolgens zijn grief dat de bestreden bepalingen niet noodzakelijk zijn. De afdeling wetgeving van de Raad van State had de Vlaamse Gemeenschap net om die reden verzocht om de verhoging van het voorrangspercentage uitvoerig toe te lichten, hetgeen zij niet heeft gedaan en zij thans stuntelig en voor de eerste keer tracht uit te leggen in haar memorie. Er zijn uitzonderlijke omstandigheden nodig om tot een dergelijke verhoging over te gaan, hetgeen de Vlaamse Gemeenschap overigens had aangevoerd in
  45. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie toont duidelijk aan dat de Vlaamse Regering, aangezien zij geen bewijzen kan overleggen die vergelijkbaar zijn met die van in 2012, zich voortaan verschanst achter een argument dat erin bestaat te beweren dat het Hof enkel een marginale toetsing mag verrichten, hetgeen niet juist is. A.13.
  46. De Vlaamse Regering heeft in haar memorie evenmin aangetoond dat de bestreden bepalingen pertinent zijn. Het Nederlandstalige karakter is bewezen zowel voor de 55 % reeds bestaande voorrangsplaatsen, maar ook grotendeels voor de andere voorrangsregelingen die door de Vlaamse Regering worden aangevoerd (broers en zussen, personeel van de school). Wat de gelijke kansen betreft, onderstreept het College van de Franse Gemeenschapscommissie dat de verhoging van het voorrangspercentage het tegengestelde effect heeft, omdat zij die gelijkheid vermindert, aangezien het statistisch bewezen is dat leerlingen uit gezinnen met een zwakke socio-economische index eerder het Frans beheersen. 11 A.13.
  47. Wat het criterium van een schoolloopbaan van negen jaar in het basisonderwijs betreft, hecht het College van de Franse Gemeenschapscommissie eraan daaraan toe te voegen dat het een bijkomend middel is om het secundair onderwijs af te grendelen. A.14.
  48. In haar memorie van wederantwoord werpt de Vlaamse Regering de niet-ontvankelijkheid op, wegens laattijdigheid, van de door de Franse Gemeenschapsregering geformuleerde grief betreffende het niveau van taalkennis. A.14.
  49. De Vlaamse Regering herbevestigt vervolgens dat de door het Hof uitgevoerde toetsing van de noodzaak van de bestreden voorrangsregeling slechts marginaal is, niettegenstaande de door de Franse Gemeenschapsregering geciteerde rechtspraak en rechtsleer. De situaties die door die verwijzingen naar rechtsleer en rechtspraak worden beoogd, zijn immers specifiek en vereisen een striktere evenredigheidstoets, meer bepaald wanneer er een fundamenteel recht in het geding is, wat te dezen niet het geval is. De Vlaamse Regering verwijst daarentegen naar andere rechtspraak die verduidelijkt dat het Hof wel degelijk een marginale controle uitoefent en blijk geeft van een zekere terughoudendheid door enkel een kennelijke onevenredigheid af te keuren. A.14.
  50. Daarnaast weerlegt de Vlaamse Regering het argument van de verzoekende partijen wat de concrete gevolgen van de voorrangsmaatregel betreft. In tegenstelling tot hetgeen die laatsten beweren, maakt het verband tussen, enerzijds, de concrete feiten, de context en de evolutie ervan en, anderzijds, de betwiste maatregel deel uit van de grondwettigheidstoets en houdt het Hof er rekening mee. Aldus is het pertinent het Hof op de hoogte te brengen van de werkelijke draagwijdte van de bestreden bepalingen, des te meer omdat de verzoekende partijen, met betrekking tot het decreet, een grief formuleren die niet op feiten is gebaseerd. A.14.
  51. Volgens de Vlaamse Regering dient opnieuw de nadruk te worden gelegd op de reële behoefte die verbonden is aan de bestreden bepalingen. Dat de verhoging van het voorrangspercentage in bepaalde scholen geen invloed heeft, betekent niet dat de behoefte niet reëel is. De Vlaamse Regering heeft daarentegen bewezen dat die behoefte in een aantal scholen wel reëel is. Er werd geopteerd voor een ongedifferentieerde maatregel. Het arrest van het Hof nr. 7/2012 verplicht de Vlaamse Gemeenschap geenszins om aan te tonen dat er een reële behoefte is in alle scholen, zonder uitzondering. Men kan de Vlaamse Gemeenschap niet verwijten in die zin te hebben gehandeld, des te meer omdat het lokaal overlegplatform dat niet deed. Het valt overigens niet uit te sluiten dat in de toekomst de behoefte ook in andere scholen kan ontstaan. Bovendien en overeenkomstig de rechtspraak van het Hof, betekent de loutere omstandigheid dat de verantwoording voor dat punt niet als zodanig voorkomt in de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet, niet dat de Vlaamse Gemeenschap die verantwoording niet kan aanwenden in het kader van de voorliggende beroepen. A.14.
  52. Ten slotte wenst de Vlaamse Regering eraan te herinneren dat de verzoekende partijen van een verkeerde premisse uitgaan telkens wanneer zij verwijzen naar een voorrangspercentage van 80 % voor Nederlandstalige leerlingen. Het is immers perfect mogelijk dat de bijkomende voorrangscategorie van 15 % in het secundair onderwijs leerlingen omvat die niet voldoen aan het taalcriterium dat geldt in het kader van de voorrangsregeling van 65 %. Wat betreft het tweede middel in de zaak nr. 7350 en het vijfde middel in de zaak nr. 7351 A.
  53. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapsregering leiden een soortgelijk middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 143 van de Grondwet en, wat de Franse Gemeenschapsregering betreft, eveneens van het evenredigheidsbeginsel. Zij voeren aan dat de Vlaamse Gemeenschap deloyaal is, vermits zij voor een groot aantal anderstalige leerlingen de deuren van haar scholen sluit en hun onderwijslast afwentelt op het Franstalig onderwijs. Die vaststelling wordt versterkt in de context van een substantiële bevolkingstoename in het tweetalige gebied Brussel en een toenemende vraag naar onderwijs (stijging met 38 000 leerlingen tussen 2015 en 2025 volgens de Franse Gemeenschapsregering). De voorrangsregeling in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel heeft dus tot gevolg dat het de verzoekende partijen overdreven moeilijk wordt gemaakt om hun bevoegdheid uit te oefenen. Volgens het arrest van het Hof nr. 7/2012 is elke gemeenschap echter verplicht om een billijk deel van die kinderen op te vangen. Er dient te worden vastgesteld dat 35 % resterende plaatsen in het lager onderwijs en 20 % resterende plaatsen in het secundair onderwijs geen billijk deel vormen, zoals ook de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft erkend. De Franse Gemeenschapsregering benadrukt daarnaast dat, indien zij ook zou opteren voor het vaststellen van voorrangspercentages, sommige kinderen zich in geen enkele van beide onderwijstypes zouden kunnen inschrijven. Dat toont voldoende aan dat de bestreden bepalingen de uitoefening van de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap overdreven moeilijk maken. 12 A.
  54. De Vlaamse Regering voert aan dat het middel niet kan worden aangenomen omdat het Hof reeds heeft vastgesteld dat het feit dat de Brusselse bevolking toeneemt, niet volstaat om te besluiten tot een schending van de federale loyauteit. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen aanvoeren, hebben de bestreden maatregelen niet tot gevolg dat het voorrangspercentage dermate wordt opgetrokken dat de Vlaamse Gemeenschap niet meer in staat zou zijn om een billijk deel van de niet-Nederlandstalige leerlingen op te vangen, vermits voor hen nog veel plaatsen openstaan. De Vlaamse Gemeenschap verwijst op dat punt naar de cijfers en de argumentatie die is uiteengezet in het kader van het eerste middel in de zaak nr. 7350 en van het tweede middel in de zaak nr.
  55. Bovendien verwijten de verzoekende partijen de Vlaamse Gemeenschap geen billijk deel van de leerlingen op te vangen, maar leggen zij geen enkel cijfer voor om die stelling te onderbouwen. Daarnaast ziet de Vlaamse Regering niet in hoe een mogelijk plaatstekort in het Franstalig onderwijs - tekort dat niet door de verzoekende partijen wordt aangetoond - ertoe zou kunnen leiden dat de uitoefening van hun bevoegdheid inzake onderwijs onmogelijk of overdreven moeilijk zou worden gemaakt. Het bestreden decreet heeft geen plotse vermindering van het aantal plaatsen in het Franstalig onderwijs tot gevolg. A.17.
  56. De Franse Gemeenschapsregering antwoordt dat louter het feit dat het Hof zich heeft uitgesproken over het voorrangspercentage van 55 % niet volstaat om te besluiten dat zij hetzelfde antwoord zal geven met betrekking tot de voorrangspercentages van 65 % en 80 %. Wat het door de Vlaamse Regering geformuleerde verwijt betreft over het voorleggen van eventuele cijfergegevens, beschikt de Franse Gemeenschapsregering, wat haar eigen onderwijs betreft, inderdaad niet over statistieken op basis waarvan het aandeel ingeschreven Nederlandstalige leerlingen en het aandeel ingeschreven Franstalige leerlingen kunnen worden bepaald, precies omdat er in het Franstalig onderwijs te Brussel geen taalvoorrangsregeling bestaat. Zij beschikt evenwel over één cijfergegeven, namelijk dat 25 % van de kinderen die zijn ingeschreven in het Franstalig onderwijs in Brussel (zijnde 52 000 leerlingen) van vreemde nationaliteit zijn. In tegenstelling tot hetgeen de Vlaamse Regering beweert, is louter de omstandigheid dat, op dit ogenblik, het Nederlandstalig onderwijs voldoende plaatsen aanbiedt ondanks de voorrangsregeling, niet voldoende. De vraag naar onderwijsplaatsen in Brussel zal immers in de toekomst aanzienlijk stijgen. Volgens de bewoordingen van het voormelde arrest nr. 7/2012 is het aangewezen « [geen] percentage […] [te bepalen] op een zodanig hoog niveau […] dat de scholen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap niet zouden zijn gehouden een billijk deel van die kinderen op te vangen ». Het is het decretale kader dat een dergelijke opvang mogelijk moet maken, en niet de cijfers van het moment. Het bestreden decreet waarborgt die opvang dus niet. A.17.
  57. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie wenst eraan te herinneren dat het beginsel van de federale loyauteit ruimer is dan het evenredigheidsbeginsel. Te dezen kunnen de bevoegdheden, gezien het effect van communicerende vaten tussen de beschikbare plaatsen in beide onderwijstypes in Brussel, worden beschouwd als zijnde dermate verweven dat zij minstens een overleg vereisen in de zin van artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Er dient te worden vastgesteld dat de Vlaamse Gemeenschap de problematiek van de anderstalige ouders niet in aanmerking heeft genomen, en zeker niet heeft opgelost. In tegenstelling tot hetgeen die laatste beweert, staat het niet aan de Franse Gemeenschapscommissie, noch aan de Franse Gemeenschap aan te tonen dat de Vlaamse Gemeenschap geen billijk deel van haar inschrijvingen voorbehoudt aan anderstalige leerlingen. Die bewijslast komt de Vlaamse Gemeenschap toe. De Vlaamse Regering toont zelfs niet aan dat het probleem in aanmerking is genomen, gezien haar weigering om te antwoorden op de kritiek van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Het feit dat de bestreden bepalingen louter zijn aangenomen om het lot van een handvol scholen te regelen, is een bijkomende aanwijzing voor het gebrek aan loyauteit van de Vlaamse Gemeenschap. Ten slotte, en zonder ook maar enige uitleg te geven, weigert de Vlaamse Gemeenschap zich te verlaten op de lokale overlegplatforms, terwijl die bij decreet ermee belast zijn om gelijke kansen te realiseren in overleg met de betrokken actoren, meer bepaald door in te spelen op de voorrangsregelingen. A.18.
  58. De Vlaamse Regering repliceert dat het middel dat het College van de Franse Gemeenschapscommissie met betrekking tot artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen heeft opgeworpen in zijn memorie van antwoord, niet ontvankelijk is in zoverre het laattijdig is en het om een nieuw middel gaat. A.18.
  59. De Vlaamse Regering doet vervolgens gelden dat de verzoekende partijen nog steeds niet aantonen hoe de bestreden voorrangsregels afbreuk kunnen doen aan de uitoefening van hun eigen bevoegdheden. Zij zetten daarover geen nieuwe argumenten uiteen in hun memories van antwoord. Bovendien is het standpunt van het College van de Franse Gemeenschapscommissie tegenstrijdig in zoverre wordt aangevoerd dat de Vlaamse Gemeenschap niet instaat voor een billijk aandeel wegens het bestaan van de voorrangsregeling, maar tegelijkertijd erkent dat de groep van niet-Nederlandstaligen de belangrijkste groep is binnen het Nederlandstalig onderwijs in 13 Brussel. Door die bewering wordt impliciet erkend dat de Vlaamse Gemeenschap wel degelijk voor een evenredig aandeel haar verantwoordelijkheid ter zake op zich neemt. De Vlaamse Regering herinnert eraan dat haar aandeel in het onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad blijft toenemen. Tot slot verduidelijkt het College van de Franse Gemeenschapscommissie niet in welk opzicht de verhoging van het voorrangspercentage door de Vlaamse Gemeenschap afbreuk zou doen aan zijn bevoegdheid terwijl, zo bekent datzelfde College, eenzelfde verhoging die zou worden uitgevoerd door de lokale overlegplatforms volkomen aanvaardbaar zou zijn. A.
  60. De Franse Gemeenschapsregering repliceert dat het aantal leerlingen van het zesde leerjaar van het Franstalig lager onderwijs in Brussel hoger is dan het aantal beschikbare plaatsen in het eerste jaar van haar secundair onderwijs. Zo waren er op 3 september 2020 250 leerlingen ingeschreven op de wachtlijst, tegenover 197 het jaar ervoor. Wat het eerste middel in de zaak nr. 7351 betreft A.
  61. De Franse Gemeenschapsregering leidt een eerste middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 127, § 2, van de Grondwet, in zoverre de Vlaamse decreetgever zich beroept op de Nederlandstalige subnationaliteit van Brussel om de toegang tot zijn onderwijs daarvan te laten afhangen. Het doel van de Vlaamse decreetgever, zoals het blijkt uit de parlementaire voorbereiding, is een objectivering van het « Nederlandstalig zijn ». In diezelfde parlementaire voorbereiding wordt overigens gewag gemaakt van de bekommernis om de frustratie van de homogeen Nederlandstalige gezinnen van Brussel weg te nemen. Die twee overwegingen tonen aan dat de Vlaamse Gemeenschap het begrip « subnationaliteit » heeft aangewend, wat verboden is. In zoverre de Vlaamse Gemeenschap een persoonsgebonden criterium gebruikt om de adressaten van de bestreden normen aan te wijzen, namelijk de Nederlandstalige subnationaliteit, schendt zij artikel 127 van de Grondwet. A.
  62. De Vlaamse Regering onderstreept dat de kritiek te dezen gericht is op een regeling die reeds bestond en dat het middel, om die reden, laattijdig en niet ontvankelijk is. Zelfs indien het ontvankelijk zou zijn, is het niet gegrond omdat het bestreden decreet zich geenszins tot de « Nederlandstaligen » richt, maar wel tot de scholen, die instellingen zijn in de zin van artikel 127 van de Grondwet die geheel en al onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap vallen. Zoals het Hof reeds heeft bevestigd in het arrest nr. 7/2012, gaat het dus niet erom een subnationaliteitscriterium in te voeren. A.22.
  63. Wat betreft de door de Vlaamse Regering opgeworpen niet-ontvankelijkheid van het middel wegens laattijdigheid, doet de Franse Gemeenschapsregering gelden dat het beroep wel degelijk is ingesteld binnen de termijn van zes maanden. Een mogelijke laattijdigheid die te wijten is aan het voorkomen van soortgelijke maatregelen in de voorgaande decreten, wordt door die laatste verworpen op basis van de geschikte rechtspraak van het Hof. Volgens het Hof belet de omstandigheid dat bepalingen reeds in een vroegere wetgeving waren vervat, niet dat een beroep tot vernietiging wordt ingesteld wanneer de wetgever zich de inhoud van die bepalingen opnieuw heeft toegeëigend of wanneer het gaat om een hernieuwde uiting van zijn wil. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat die laatste voorwaarde te dezen is vervuld, des te meer omdat de Vlaamse decreetgever de reeds bestaande maatregelen heeft versterkt. A.22.
  64. Ten gronde antwoordt de Franse Gemeenschapsregering de Vlaamse Regering dat het bestreden decreet zonder twijfel verwijst naar de subnationaliteiten en dat dit duidelijk blijkt uit zowel de parlementaire voorbereiding als de overlegprocedure. Hoewel de Vlaamse Regering dat tegenspreekt, wordt die vaststelling overigens bevestigd bij lezing van de memorie die zij heeft ingediend, vermits daarin heel vaak de uitdrukking « Nederlandstalige leerling » wordt gebruikt, die zij definieert als het kind met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. De echte begunstigden van de bestreden bepalingen zijn dus de leerlingen, en niet de scholen. Indien toch die laatsten de echte adressaten van de bestreden normen zouden zijn, verbiedt het Belgische recht om een subnationaliteitscriterium toe te passen. A.
  65. De Vlaamse Regering repliceert dat het feit dat op een aantal plaatsen in haar memorie wordt verwezen naar de « Nederlandstalige leerlingen », niets afdoet aan het feit dat de adressaten van de bestreden bepalingen de onderwijsinstellingen zijn. Die formulering is louter formeel en dient telkens te worden begrepen als « de leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is », hetgeen de Vlaamse Regering overigens reeds heeft verduidelijkt in haar stukken. Het decreet heeft dus geen enkel uitstaans met een subnationaliteit; zo is het perfect mogelijk dat, binnen eenzelfde gezin, broers en zussen naar verschillende scholen gaan, die tot verschillende gemeenschappen behoren. 14 Wat het derde middel in de zaak nr. 7351 betreft A.
  66. De Franse Gemeenschapsregering leidt een derde middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10, 11 en 24, § 1, van de Grondwet, in zoverre zij afbreuk doen aan het recht op toegang tot onderwijs en aan de keuzevrijheid van de ouders op het vlak van de onderwijsinstelling voor hun kind. De vereiste van de kennis van het Nederlands wordt vastgesteld op niveau B2, terwijl zij vóór de hervorming van 2017 was vastgesteld op niveau B
  67. Het Hof oordeelde weliswaar, bij zijn arrest nr. 19/2017, dat de verhoging van het vereiste kennisniveau niet onredelijk was, maar, door de veralgemeende verhoging van het voorrangspercentage waarin het bestreden decreet voorziet, zijn de omstandigheden gewijzigd. In die context betoogt de Franse Gemeenschapsregering dat de vereiste van het taalkennisniveau B2 onredelijk is geworden. A.
  68. De Vlaamse Regering is van mening dat, volgens een overvloedige rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, artikel 24 van de Grondwet ouders en leerlingen geen onvoorwaardelijk recht toekent van inschrijving in de school van hun keuze. De vrijheid van de ouders is niet absoluut en de Vlaamse Gemeenschap beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid inzake inschrijvingsbeleid. De Vlaamse Regering ziet niet in waarom het vereiste minimumniveau van taalkennis B2, dat het Hof reeds geldig verklaarde, zou moeten worden herbekeken, en de Franse Gemeenschap toont dat evenmin aan. De verhoging van het voorrangspercentage kan redelijkerwijs geen invloed hebben op het vereiste minimumniveau inzake kennis van het Nederlands. Wat het vierde middel in de zaak nr. 7351 betreft A.
  69. De Franse Gemeenschapsregering leidt een vierde middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 30 en 127, § 1, 2°, en § 2, van de Grondwet en van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in zoverre zij afbreuk doen aan de vrijheid van het gebruik van de talen, alsook aan de waarborgen die de Franstaligen genieten in de Brusselse randgemeenten. In die gemeenten hadden niet-Nederlandstalige gezinnen immers, op 14 oktober 2012 - datum die de bijzondere wetgever had vastgesteld om het niveau van de aan de Franstaligen toegekende waarborgen te bepalen, zijnde vóór de inwerkingtreding van het bestreden decreet -, minstens 45 % kans om niet te worden gepenaliseerd inzake toegang tot het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. De bestreden bepalingen tasten die waarborg aan. De Vlaamse wetgever heeft bijgevolg zijn bevoegdheid inzake gebruik van de talen overschreden. A.27.
  70. De Vlaamse Regering werpt in eerste instantie de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het middel op, omdat het onvoldoende wordt uiteengezet. In de regel zijn de verzoekende partijen verplicht hun middelen uiteen te zetten in het verzoekschrift en niet in de memories, zoals het Hof heeft benadrukt. Bovendien moeten de middelen zodanig worden geformuleerd dat zij geen afbreuk doen aan de rechten van verdediging, noch aan het tegensprekelijk karakter van de procedure, en mogen zij dus niet incoherent zijn. Het vierde middel in de zaak nr. 7351 moet bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard, bij gebrek aan toelichting. A.27.
  71. Indien het Hof het middel toch ontvankelijk zou bevinden, betwist de Vlaamse Regering het middel in zoverre het gegrond is op een verkeerde interpretatie van de in het geding zijnde referentienormen. Ook al werd de standstill-verplichting die gekoppeld is aan artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen uitgebreid tot de waarborgen die bestonden op 14 oktober 2012, toch heeft die verplichting enkel betrekking op de vóór die datum bestaande waarborgen. In het arrest van het Hof nr. 7/2012 werd reeds geoordeeld dat de bestreden regeling het onderwijs en niet het gebruik van de talen regelt. Zelfs indien dat anders zou zijn, ziet de Vlaamse Regering niet in, en legt de Franse Gemeenschap niet uit, hoe die aangelegenheid zou kunnen worden beschouwd als een « waarborg » in de zin van de voormelde bepaling. Die waarborgen gelden immers niet voor alle rechtsregels die van toepassing zijn op de inwoners van de betrokken gemeenten. A.28.
  72. De Franse Gemeenschapsregering verwerpt het argument van niet-ontvankelijkheid door aan te voeren dat het verzoekschrift de grief wel op voldoende wijze uiteenzet. A.28.
  73. Volgens de Franse Gemeenschapsregering is de waarborg om niet te worden gepenaliseerd door een taalvoorrangsregeling wel degelijk een waarborg in de zin van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Volgens de bewoordingen van het Hof beoogt een dergelijke waarborg immers, « in het algemeen alle bepalingen die particulieren […] beschermen » (arrest nr. 7/2012). Het bestreden decreet regelt weliswaar het onderwijs en niet het taalgebruik, maar niettemin moet men onderzoeken of het die 15 waarborgen niet aantast. In 2012 besloot het Hof tot niet-schending van die referentienorm enkel om reden dat de spildatum toen 1 januari 2002 was. Die datum is voortaan echter vastgesteld op 14 oktober 2012, krachtens de bijzondere wet van 19 juli 2012 « houdende wijziging van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen (de zogenaamde ‘ pacificatiewet ’) en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft ». Op die nieuwe datum gelden die waarborgen eveneens voor het onderwijs, en niet alleen voor de benoeming van de burgemeesters, hetgeen het Hof reeds heeft bevestigd en hetgeen blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de voormelde bijzondere wet. A.29.
  74. De Vlaamse Regering repliceert dat de Franse Gemeenschapsregering niet antwoordt op de grief van niet-ontvankelijkheid, maar zich beperkt tot een herhaling van de in haar verzoekschrift ontwikkelde argumenten. A.29.
  75. De Vlaamse Regering is van mening dat uit het arrest van het Hof nr. 7/2012 niet kan worden afgeleid dat de bestreden voorrangsregeling, louter wegens het niet-nakomen van de temporele voorwaarde, een waarborg zou zijn in de zin van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De logica is helemaal anders, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van het voormelde artikel 16bis. Wat betreft de door de Franse Gemeenschapsregering geciteerde verwijzingen naar de rechtspraak van het Hof die volgens haar aantonen dat de genoemde waarborgen niet enkel van toepassing zijn op de benoeming van de burgemeesters, dient te worden vastgesteld dat zij betrekking hebben op een situatie die totaal verschillend is van de te dezen bestreden voorrangsregeling. De inwoners van de faciliteitengemeenten worden niet « beschermd » door een voorrangsregeling in het onderwijs. Een dergelijke interpretatie zou betekenen dat het begrip « waarborg » enkel wordt gekoppeld aan het wonen in die gemeenten, hetgeen de bijzondere wetgever niet heeft gewild. In ieder geval is aan de inwoners van die gemeenten nooit de toegang tot het Nederlandstalig onderwijs van Brussel ontzegd, en zullen zij steeds toegang tot dat onderwijs blijven hebben. A.
  76. Op verzoek van het Hof hebben het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapsregering, alsook de Vlaamse Regering, in een aanvullende memorie, cijfers aangereikt betreffende de inschrijvingen in hun respectieve onderwijsinstellingen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. A.31.
  77. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapsregering verklaren in de eerste plaats dat zij niet beschikken over gegevens betreffende het algemene aantal beschikbare plaatsen in de Franstalige scholen van het basisonderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. De enige beschikbare gegevens betreffen het eerste jaar secundair onderwijs, vermits het Inschrijvingsdecreet verplicht om die gegevens te verzamelen. De verzoekende partijen maken melding van het bestaan, op 31 januari 2021, van 11 889 plaatsen voor 12 500 geregistreerde aanvragen. A.31.
  78. Wat betreft de thuistaal van de leerlingen in de Franstalige onderwijsinstellingen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, beschikken de verzoekende partijen evenmin over gegevens omdat, in tegenstelling tot de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van mening zijn dat zij zich niet kunnen beroepen op een specifiek doel om die gegevens op te vragen. De categorieën « homogeen Franstalig », « meertalig », « homogeen Nederlandstalig » of « homogeen anderstalig » zijn hun bijgevolg onbekend. Om dezelfde redenen kunnen de verzoekende partijen geen enkel cijfer bezorgen over het aantal leerlingen van wie geen enkele ouder de onderwijstaal in voldoende mate machtig is. A.31.
  79. De verzoekende partijen onderstrepen ten slotte dat er in hun onderwijs geen aanmeldingssysteem is dat vergelijkbaar is met het Vlaamse systeem, behalve in het eerste jaar secundair onderwijs. Voor dat laatste dient te worden opgemerkt dat, ook al is het aantal beschikbare plaatsen relatief stabiel sinds 2010, het aantal aanvragen blijft stijgen. Zo herinneren het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapsregering eraan dat er voor het jaar 2021 12 500 aanvragen werden geteld voor 11 889 plaatsen, zijnde een ratio van 0,
  80. Daaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een reële spanning, die inherent is aan een dergelijke situatie en het gevolg is van een jarenlange groeiende tendens. A.32.
  81. De Vlaamse Regering verduidelijkt vooraf, in haar aanvullende memorie, dat de thuistaal van een leerling wordt geregistreerd op basis van een verklaring op eer, en dat de gegevens waarover zij beschikt uit die verklaringen worden gehaald. Een voldoende beheersing van het Nederlands door één van beide ouders wordt echter niet systematisch geëist en is niet steeds bekend, omdat een dergelijk kenmerk enkel dient om te bepalen of een leerling de desbetreffende voorrang kan genieten. Zij preciseert dat de taal die daadwerkelijk in het gezin van 16 de betrokken leerling wordt gesproken niet noodzakelijkerwijze het Nederlands moet zijn opdat hij in aanmerking kan komen voor de bestreden voorrangsregeling. Het volstaat dat één van de ouders het Nederlands voldoende machtig is (niveau B2) opdat hij in aanmerking kan komen voor deze voorrangsregeling. De Vlaamse Regering is ten slotte van mening dat de cijfers voor het lopende schooljaar (2021-2022) met voorzichtigheid moeten worden bekeken, omdat het niet uitgesloten is dat zij nog moeten worden verstrekt of aangevuld door bepaalde instellingen. A.32.
  82. Volgens de Vlaamse Regering bevestigen de cijfers die werden verstrekt voor de schooljaren 2020- 2021 en 2021-2022 dat het Nederlandstalige onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad een grote aantrekkingskracht heeft. Ook al neemt het aantal beschikbare plaatsen voortdurend toe, toch is het aantal inschrijvingsaanvragen steeds groter. Zo waren er in 2021 1 720 plaatsen beschikbaar voor de instapklas van het basisonderwijs, voor 2 514 kandidaten. De situatie is vergelijkbaar in het secundair onderwijs. Zo waren er, voor hetzelfde jaar, 1 861 plaatsen beschikbaar voor het eerste jaar « A », dat wil zeggen het jaar dat toegankelijk is voor kinderen die hun getuigschrift lager onderwijs hebben behaald, voor 2 275 ontvangen aanvragen. Bovendien zijn de profielen van de scholen soms heel verschillend en zijn er in bepaalde scholen meer aanvragen dan in andere. A.32.
  83. Wat de thuistaal betreft, legt de Vlaamse Regering aan het Hof een grafiek voor die aantoont dat het aandeel van leerlingen die thuis geen Nederlands spreken reeds jarenlang blijft stijgen, in alle onderwijstypes. De Vlaamse Regering onderstreept dat het aandeel van niet-Nederlandstalige leerlingen in het lager onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad reeds jarenlang hoger is dan 70 % en jaarlijks blijft toenemen. Zij wijst in dat verband erop dat het aandeel van Nederlandstalige leerlingen dus in hetzelfde tempo afneemt. De substantiële toename van het totale aantal leerlingen in het Nederlandstalig lager onderwijs in het tweetalige gebied Brussel- Hoofdstad kan overigens, volgens de Vlaamse Regering, vrijwel uitsluitend worden toegeschreven aan de stijging van het aantal niet-Nederlandstalige leerlingen. In het secundair onderwijs is die tendens minder uitgesproken, hoewel zij zeker niet neerwaarts is. Wanneer men alleen de leerlingen in aanmerking neemt van wie de ouders noch het Nederlands noch het Frans als thuistaal hebben, dient te worden vastgesteld dat het aandeel van die categorie toeneemt en het respectievelijk 19, 21 en 21 % vertegenwoordigt van de leerlingen in het Nederlandstalig kleuter-, lager en secundair onderwijs voor de schooljaren 2020-2021 en 2021-
  84. De Vlaamse Regering is van mening dat uit de beschikbare gegevens blijkt dat de invoering van de voorrangsregel van 55 % in 2012, ten gunste van de ouders die het bewijs leveren van hun beheersing van het Nederlands, in geen geval het aandeel van niet- Nederlandstaligen in het Nederlandstalig onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad heeft doen dalen sinds het schooljaar 2013-
  85. A.32.
  86. Wat ten slotte de woonplaats van de leerlingen betreft, benadrukt de Vlaamse Regering dat de « toestroom van pendelaars » van het Vlaamse Gewest naar Brussel afneemt. Men stelt daarentegen een sterke stijging vast van het aantal leerlingen die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wonen. Dat geldt voor alle onderwijstypes, hoewel de voormelde daling sterker is in het kleuteronderwijs. Uit de door de Vlaamse Regering voorgelegde gegevens blijkt in elk geval dat de grote meerderheid van de schoolbevolking van het Nederlandstalige onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, in dat gebied woont, en dat dit aandeel verder toeneemt. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
  87. De bepalingen die worden bestreden door het College van de Franse Gemeenschapscommissie en door de Franse Gemeenschapsregering maken deel uit van de voorrangsregels die van toepassing zijn op inschrijvingen in het Nederlandstalig basis- en secundair onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. 17 B.2.
  88. Bij artikel II.48 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 17 mei 2019 « houdende wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 en van de Codificatie [van] sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, wat het inschrijvingsrecht betreft » (hierna : het decreet van 17 mei 2019) wordt, in het decreet « basisonderwijs » van de Vlaamse Gemeenschap van 25 februari 1997 (hierna : het decreet van 25 februari 1997), in hoofdstuk IV/2 « Recht op inschrijving in het buitengewoon onderwijs », ingevoegd bij artikel II.40 van het decreet van 17 mei 2019, een artikel 37/40 ingevoegd. Dat artikel bepaalt : « Art. 37/
  89. §
  90. Het schoolbestuur rangschikt de binnen de aanmeldingsperiode, zoals bepaald in artikel 37/39, aangemelde leerlingen, die behoren tot de volgende voorrangsgroepen bovenaan en respecteert daarbij onderstaande volgorde : 1° leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit als een reeds ingeschreven leerling; 2° leerlingen met een ouder die personeelslid is van de school of van de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen op basis van artikel 37/36, op voorwaarde dat er op het ogenblik van de inschrijving sprake is van een lopende tewerkstelling voor meer dan 104 dagen. Met personeelslid wordt bedoeld : a) een personeelslid als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in de school; b) een personeelslid dat via een arbeidsovereenkomst werd aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld wordt in de school; 3° voor scholen, gelegen in tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, en tot het aandeel van 65 procent van de capaciteit van het betreffende niveau, zoals bepaald in artikel 37/37, bereikt is, leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, zoals bepaald in artikel 37/58; 4° een schoolbestuur kan voor zijn scholen een maximum van 50 procent van de capaciteit van het betreffende niveau, zoals bepaald in artikel 37/39, § 2, voorrang verlenen aan leerlingen die - uiterlijk op het moment van de effectieve lesbijwoning - verblijven of gebruikmaken van dat internaat of semi-internaat. Met internaat of semi-internaat wordt bedoeld : a) internaten, als bepaald in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016; b) internaten met permanente openstelling als vermeld in hoofdstuk 6 van dezelfde codificatie; 18 c) semi-internaten, als bepaald in het koninklijk besluit van 21 augustus 1978 houdende organisatie van de semi-internaten in het buitengewoon onderwijs van de Staat en tot vaststelling van de personeelsnormen; d) multifunctionele centra, als bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap, voor wat de functies dagopvang, verblijf, diagnostiek of intensieve behandeling betreft. Indien de capaciteit, vermeld in artikel 37/37, eerste lid, of artikel 37/41, § 4, reeds bereikt werd binnen bovenstaande voorrangsgroepen worden de leerlingen uit de betreffende voorrangsgroep, geordend op basis van de afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats. Indien de capaciteit, vermeld in artikel 37/37, eerste lid, of artikel 37/41, § 4, bereikt werd binnen de overige aangemelde leerlingen, worden de betreffende leerlingen geordend op basis van de afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats. §
  91. Wanneer meerdere scholen of vestigingsplaatsen samen aanmelden worden de aangemelde leerlingen toegewezen aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze die de ouders bij de aanmelding opgaven, waarbinnen de leerling een gunstige rangschikking heeft gekregen. De leerling wordt verwijderd uit de lijst van aangemelde leerlingen in de lager gerangschikte scholen of vestigingsplaatsen op zijn voorkeurslijst. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen ter beschikking stellen voor gezamenlijke aanmeldingsprocedures ». B.2.
  92. Bij artikel III.55 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 17 mei 2019, waarvan alleen de Franse Gemeenschap de vernietiging vordert, wordt, in deel V van de Vlaamse Codex Secundair Onderwijs (« Specifieke bepalingen betreffende het buitengewoon secundair onderwijs »), meer bepaald onder (« Onderafdeling
  93. Organisatie van de inschrijvingen »), ingevoegd bij artikel III.51 van het voormelde decreet van 17 mei 2019, een artikel 295/8 ingevoegd. Dat artikel bepaalt : « Art. 295/
  94. §
  95. Het schoolbestuur rangschikt de binnen de aanmeldingsperiode, zoals bepaald in artikel 295/7, aangemelde leerlingen, die behoren tot de volgende voorrangsgroepen bovenaan en respecteert daarbij onderstaande volgorde : 1° leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit als een reeds ingeschreven leerling; 2° leerlingen met een ouder die personeelslid is van de school of van de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen op basis van artikel 295/3, op voorwaarde dat er op het ogenblik van de inschrijving sprake is van een lopende tewerkstelling voor meer dan 104 dagen. Met personeelslid wordt bedoeld : 19 a) een personeelslid als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in de school; b) een personeelslid dat via een arbeidsovereenkomst werd aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld wordt in de school; 3° voor scholen, gelegen in tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, en tot het aandeel van 65 procent van de capaciteit van het betreffende niveau, zoals bepaald in artikel 295/5, eerste lid, bereikt is, leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, zoals bepaald in artikel 253/46; 4° een schoolbestuur kan voor zijn scholen een maximum van 50 procent van de capaciteit van het betreffende niveau, zoals bepaald in artikel 295/5, eerste lid, voorrang verlenen aan leerlingen die - uiterlijk op het moment van de effectieve lesbijwoning - verblijven of gebruik maken van dat internaat of semi-internaat. Met internaat of semi-internaat wordt bedoeld : a) internaten, als bepaald in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016; b) internaten met permanente openstelling, als vermeld in hoofdstuk 6 van dezelfde codificatie; c) semi-internaten, als bepaald in het koninklijk besluit van 21 augustus 1978 houdende organisatie van de semi-internaten in het buitengewoon onderwijs van de Staat en tot vaststelling van de personeelsnormen; d) multifunctionele centra, als bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap, voor wat de functies dagopvang, verblijf, diagnostiek of intensieve behandeling betreft. Indien de capaciteit, vermeld in artikel 295/5, eerste lid, of artikel 295/9, § 4, reeds bereikt werd binnen bovenstaande voorrangsgroepen worden de leerlingen uit de betreffende voorrangsgroep, geordend op basis van de afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats. Indien de capaciteit, vermeld in artikel 295/5, eerste lid, of artikel 295/9, § 4, bereikt werd binnen de overige aangemelde leerlingen, worden de betreffende leerlingen geordend op basis van de afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats. §
  96. Wanneer meerdere scholen of vestigingsplaatsen samen aanmelden worden de aangemelde leerlingen toegewezen aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze die de betrokken personen bij de aanmelding opgaven, waarbinnen de leerling een gunstige rangschikking heeft gekregen. De leerling wordt verwijderd uit de lijst van aangemelde leerlingen in de lager gerangschikte scholen of vestigingsplaatsen op zijn voorkeurslijst. 20 De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen ter beschikking stellen voor gezamenlijke aanmeldingsprocedures ». B.2.
  97. Bij artikel V.18 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 17 mei 2019 wordt, in het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 februari 1997, in hoofdstuk IV/3 (« Recht op inschrijving in het gewoon onderwijs voor scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad »), ingevoegd bij artikel V.1 van het voormelde decreet van 17 mei 2019, een artikel 37/58 ingevoegd. Dat artikel bepaalt : « Art. 37/
  98. §
  99. Met behoud van de toepassing van artikel 37/59, geven schoolbesturen voor hun scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voorrang aan leerlingen met minstens één ouder als vermeld in artikel 3, 41°, die het Nederlands in voldoende mate machtig is. §
  100. Om van de voorrangsregeling, vermeld in paragraaf 1, gebruik te kunnen maken, toont de ouder op één van volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is : 1° door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs; 2° door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs; 3° door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst minstens op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken : a) een studiebewijs van door de Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont; b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont; c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid; 4° door het voorleggen van het bewijs dat hij 9 jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager én secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen. §
  101. Schoolbesturen bepalen voor hun scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel- Hoofdstad, het aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder als vermeld in artikel 3, 41°, die het Nederlands in voldoende mate machtig is. 21 Dit aantal moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 65 % leerlingen in de school met minstens één ouder als vermeld in artikel 3, 41°, die het Nederlands in voldoende mate machtig is. Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, zal door een schoolbestuur bepaald worden voor elke overeenkomstig artikel 37/55, § 1, door het schoolbestuur bepaalde capaciteit. Het LOP maakt de bepaalde aantallen bekend aan alle belanghebbenden. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands, mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf
  102. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf
  103. §
  104. Leerlingen die naast de voorwaarde, vermeld in paragraaf 2, ook beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 37/60, tellen niet mee voor het bereiken van het in paragraaf 3 vermelde aantal. Deze leerlingen worden ingeschreven tot het contingent voor de leerlingen die beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 37/60, § 3, bereikt is ». B.2.
  105. Bij artikel VI.18 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 17 mei 2019 wordt in deel IV van de Vlaamse Codex Secundair Onderwijs (« Specifieke bepalingen betreffende het voltijds gewoon secundair onderwijs »), meer bepaald onder afdeling 3 (« Organisatie van de inschrijvingen »), ingevoegd bij artikel VI.10 van het voormelde decreet van 17 mei 2019, een artikel 253/44 ingevoegd, dat bepaalt : « Art. 253/
  106. §
  107. Een schoolbestuur verleent, in voorkomend geval met behoud van de toepassing van artikel 253/43, voor zijn scholen, gelegen in het tweetalige gebied Brussel- Hoofdstad, voorrang aan leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. §
  108. Om van de voorrangsregeling, vermeld in paragraaf 1, gebruik te kunnen maken, toont de ouder op één van volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is : 1° door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs; 2° door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs; 22 3° door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst op minstens niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken : a) een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont; b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont; c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid; 4° door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen. §
  109. Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel- Hoofdstad, het aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 65 % leerlingen in de school met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, kan door een schoolbestuur bepaald worden tot op de niveaus, vermeld in artikel 253/
  110. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1 ». B.2.
  111. Bij artikel VI.19 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 17 mei 2019 wordt in deel IV van de Codex Secundair Onderwijs (« Specifieke bepalingen betreffende het voltijds gewoon secundair onderwijs »), meer bepaald onder afdeling 3 (« Organisatie van de inschrijvingen »), ingevoegd bij artikel VI.10 van het voormelde decreet van 17 mei 2019, een artikel 253/45 ingevoegd, dat bepaalt : « Art. 253/
  112. §
  113. Uiterlijk voor de aanmeldingen voor inschrijvingen in schooljaar 2020- 2021 verleent een schoolbestuur, met behoud van de toepassing van artikel 253/43 en artikel 253/44, voor zijn scholen, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voorrang aan leerlingen die minstens 9 jaar Nederlandstalig basisonderwijs volgden. 23 Een leerling die gebruikmaakt van de voorrangsgroep, vermeld in artikel 253/44, kan geen gebruikmaken van de voorrang, vermeld in dit artikel. §
  114. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het voldoen aan deze voorrangsgroep aangetoond wordt. §
  115. Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel- Hoofdstad, het aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen die minstens 9 jaar Nederlandstalig basisonderwijs volgden. Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 15 % leerlingen in de school die minstens 9 jaar Nederlandstalig basisonderwijs volgden. Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, kan door een schoolbestuur bepaald worden tot op de niveaus, vermeld in artikel 253/42 ». B.3.
  116. Artikel VII.1 van het bestreden decreet bepaalt dat dit decreet in werking treedt op 1 september
  117. De artikelen III.46 en VI.3 bepalen dat de artikelen III.55, VI.18 en VI.19 van toepassing zijn op de inschrijvingen als regelmatige leerling voor lesbijwoning vanaf het schooljaar 2020-
  118. De voorliggende beroepen tot vernietiging zijn niet tegen die bepalingen gericht. B.3.
  119. De artikelen 2 en 4 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 22 november 2019 « houdende wijziging van diverse decreten, wat de wijziging van het inschrijvingsrecht betreft » stellen de inwerkingtreding van alle bestreden bepalingen vast op het schooljaar 2021-
  120. Vervolgens wijzigen de artikelen 38 en 39 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 8 mei 2020 « tot het nemen van dringende tijdelijke maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis » opnieuw de inwerkingtreding ervan en stellen zij die uit tot het schooljaar 2022-
  121. Ten slotte bepaalt het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 juni 2021 « tot het nemen van dringende tijdelijke maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (VIII) », bij de artikelen 12 en 13 ervan, dat die maatregelen pas voor het schooljaar 2023-2024 in werking zullen treden. B.
  122. De bestreden bepalingen hebben hoofdzakelijk tot doel voor de Nederlandstalige scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad het percentage voorrangsplaatsen voor leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is te verhogen van 55 naar 65 %, zowel in het basisonderwijs als in het secundair onderwijs. Het 24 voormelde artikel VI.19 voert ten aanzien van dezelfde scholen overigens een nieuwe voorrang in, a rato van 15 % van de in het secundair onderwijs beschikbare plaatsen, ten voordele van leerlingen die minstens negen jaar Nederlandstalig basisonderwijs hebben gevolgd. B.5.
  123. De bestreden bepalingen worden, wat het basisonderwijs betreft, als volgt verantwoord : « Voor scholen in Brussel zijn de bepalingen dezelfde als die voor scholen in Vlaanderen […], maar gezien de specifieke context van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad is er de bijkomende bepaling dat - na de voorrang voor kinderen van dezelfde leefentiteit (‘ broers en zussen ’) en kinderen van een ouder die personeelslid is van de school - er een voorrang is van 65 % voor leerlingen van wie minstens een van de ouders het Nederlands in voldoende mate machtig is. In het decreet betreffende het onderwijs XX werd een nieuwe regeling ingeschreven ten aanzien van de voorrang voor Nederlandstaligen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Deze wijziging had in de eerste plaats de bedoeling om het ‘ Nederlandstalig zijn ’ te objectiveren. Vandaar de introductie van de diplomavoorwaarde (of gelijkwaardigheden). Aan dit objectief criterium houden we vast. Het gegeven dat één van de ouders een Nederlandstalig diploma heeft, geeft echter geen garantie dat het betrokken kind met die ouder Nederlands spreekt. Dat één van de ouders een Nederlandstalig diploma heeft, geeft wel een zekere garantie dat die ouder een zekere betrokkenheid heeft op de Nederlandstalige gemeenschap, dat die ouder in voldoende mate met de school zal kunnen communiceren (agenda, rapporten, mededelingen van de school, heen-en-weerschriftjes enzovoort) en in voldoende mate het Nederlands machtig is om het kind bij het schoolwerk te kunnen helpen. Het is aangewezen om dit ook op die wijze op te nemen in het decreet. De verhoging van het percentage moet de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het behoud van het Nederlandstalig karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad [versterken] » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2018-2019, nr. 1747/1, pp. 39-40). B.5.
  124. De bestreden bepalingen werden, wat het secundair onderwijs betreft, als volgt verantwoord : « Ook voor het gewoon secundair onderwijs in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad geldt dat het overgrote deel van de bepalingen dezelfde zijn als die voor het gewoon secundair onderwijs in het Nederlandse taalgebied, met uitzondering van enkele bijkomende bepalingen : a) na de voorrang voor kinderen van dezelfde leefentiteit en kinderen van een ouder die personeelslid is van de school is er een voorrang van 65 % voor leerlingen van wie minstens een van de ouders het Nederlands in voldoende mate machtig. Deze verhoging moet de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het 25 behoud van het Nederlandstalig karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad [versterken]; b) na de voorrang vermeld in a) is er een bijkomende voorrang van 15 % voor kinderen die 9 jaar Nederlandstalig basisonderwijs hebben gevolgd. Deze voorrang dient uiterlijk te worden toegepast vanaf de aanmeldingen voor de inschrijvingen voor schooljaar 2020-
  125. De decreetgever kiest voor deze bijkomende voorrangsgroep omdat het leerlingen van ouders die het Nederlands niet in voldoende mate machtig zijn, maar wel van bij de start schoolliepen in het Nederlandstalig basisonderwijs versterkt in hun inschrijvingsrecht voor het Nederlandstalig secundair onderwijs in scholen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad; c) voor de aanmeldingen voor de inschrijvingen in schooljaar 2019-2020 kan het LOP Brussel-Hoofdstad een alternatief ordeningsvoorstel indienen bij de Vlaamse Regering. Deze overgangsmaatregel moet het LOP in staat stellen om haar complexe ordeningssysteem (rekening houdend met de voorrang Nederlands van 65 %, de bijkomende voorrang van 15 % voor kinderen die 9 jaar Nederlandstalig basisonderwijs volgden en de voorrang voor ondervertegenwoordigde groepen van maximaal 20 %) aan te passen aan de nieuwe regelgeving; d) net zoals voor de scholen in het Nederlandse taalgebied kan de Vlaamse Regering capaciteitsgebieden bepalen waarbij scholen die gelegen zijn in dit gebied verplicht zijn voor al hun scholen en vestigingsplaatsen gezamenlijk een aanmeldingsprocedure te organiseren. Het werkingsgebied van het LOP Brussel-Hoofdstad is vanaf het schooljaar 2019-2020 capaciteitsgebied » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2018-2019, nr. 1747/1, p. 40). B.5.
  126. De Raad van State verstrekte een advies over het ontwerpdecreet. Wat de invoering van een bijkomende voorrang in het secundair onderwijs betreft, is hij van mening dat : « [de] indieners van het voorstel […] er goed aan [doen] om deze maatregel meer omstandig te verantwoorden tijdens de parlementaire bespreking. Zij zullen onder meer moeten aantonen dat het onderscheidingscriterium relevant is voor de doelstelling van de maatregel. Bovendien zullen ze moeten aantonen dat deze voorrangscategorie in combinatie met de reeds bestaande voorrangscategorie er niet toe leidt dat het aantal leerlingen waaraan voorrang wordt verleend dermate hoogt ligt dat de scholen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap niet zouden zijn gehouden een billijk deel van kinderen waarvan de ouders noch het Nederlands, noch het Frans als thuistaal hebben, op te vangen » (Advies van de Raad van State nr. 64.586/1 van 12 december 2018, Parl. St., Vlaams Parlement, 2018-2019, nr. 1747/3, p. 14). Wat betreft de verhoging van 55 naar 65 % van de leerlingen die de voorrang kunnen genieten die werd ingevoerd ten voordele van kinderen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, vermeldt de Raad van State : 26 « In de toelichting (p. 40) wordt de verhoging van het percentage slechts zeer algemeen verantwoord. […] Deze verantwoording geeft niet aan waarom de verhoging tegemoetkomt aan een ‘ reële behoefte ’. Aangenomen dat wat voor de Lokaal Overlegplatform geldt, ook geldt voor de decreetgever mag het voorrangspercentage bovendien niet op een zodanig hoog niveau worden bepaald dat de scholen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap niet zouden zijn gehouden een billijk deel aan [lees : van] de kinderen die niet het Nederlands of het Frans als thuistaal hebben op te vangen. In de toelichting wordt nergens aangegeven dat de scholen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap in staat zullen zijn de genoemde leerlingen voldoende op te vangen. In dat geval zou de Vlaamse Gemeenschap immers het beginsel van de federale loyauteit miskennen. De indieners van het voorstel of de Vlaamse Regering doen er dan ook goed aan om tijdens de parlementaire bespreking de verhoging van het percentage meer omstandig te verantwoorden, in het licht van de werkelijke toestand en de werkelijke behoeften in het Brusselse onderwijs » (Advies van de Raad van State nr. 64.586/1 van 12 december 2018, Parl. St., Vlaams Parlement, 2018-2019, nr. 1747/3, p. 15). Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
  127. De Vlaamse Regering werpt de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van de beroepen tot vernietiging op wat betreft de onderdelen van bepalingen waartegen niet daadwerkelijk enige grief is aangewend. B.7.
  128. Het Hof bepaalt de omvang van het beroep tot vernietiging aan de hand van de inhoud van het verzoekschrift en in het bijzonder op basis van de uiteenzetting van de middelen. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen waartegen daadwerkelijk grieven zijn aangewend. B.7.
  129. Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat de door de verzoekende partijen geformuleerde kritieken uitsluitend betrekking hebben op de voorrang voor leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, die wordt opgetrokken tot 65 % van de plaatsen op alle onderwijsniveaus, alsook op de invoering van een nieuwe voorrang a rato van 15 % van de plaatsen in het secundair onderwijs ten voordele van leerlingen die gedurende minstens negen jaar Nederlandstalig basisonderwijs hebben gevolgd. B.
  130. Het Hof beperkt dus zijn onderzoek tot de onderdelen van de bestreden bepalingen die betrekking hebben op de in B.7.2 vermelde elementen. 27 Ten gronde B.
  131. De verzoekende partijen voeren verschillende middelen aan, die deels zijn afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels, en deels uit de schending van meerdere bepalingen beoogd in artikel 1, 2° en 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. B.
  132. Het Hof onderzoekt eerst de middelen die zijn afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels. Wat betreft de middelen die zijn afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels Het eerste middel in de zaak nr. 7351 B.
  133. De Franse Gemeenschapsregering leidt een middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 127, § 2, van de Grondwet, in zoverre de Vlaamse decreetgever zich richt tot de Nederlandstalige leerlingen van Brussel en niet tot de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap. B.
  134. Artikel 127 van de Grondwet bepaalt : « §
  135. De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, bij decreet : 1° de culturele aangelegenheden; 2° het onderwijs, met uitsluiting van : a) de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht; b) de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's; 28 c) de pensioenregeling; 3° de samenwerking tussen de gemeenschappen, alsook de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen, voor de aangelegenheden bedoeld in 1° en 2°. Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt de in 1° vermelde culturele aangelegenheden, de in 3° vermelde vormen van samenwerking, alsook de nadere regelen voor het in 3° vermelde sluiten van verdragen vast. §
  136. Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap ». B.
  137. Zoals blijkt uit de tekst van de nieuwe artikelen 37/40, § 1, en 37/58, § 1, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 februari 1997 en uit de nieuwe artikelen 295/8, § 1, 253/44, § 1, en 253/45, § 1, van de Vlaamse Codex Secundair Onderwijs, en zoals wordt toegelicht in de in B.5.1 en B.5.2 geciteerde parlementaire voorbereiding, verplicht het decreet van 17 mei 2019 de schoolbesturen ertoe een volgorde van voorrang in acht te nemen bij de inschrijving van binnen de aanmeldingsperiode aangemelde leerlingen, en stelt het de nadere regels daarvoor vast. Twee van die voorrangsregels worden bestreden in het kader van de voorliggende beroepen tot vernietiging. B.14.
  138. Krachtens artikel 127, § 2, van de Grondwet, hebben de decreten die het onderwijs regelen kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gevestigde instellingen die, wegens hun activiteiten, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap. B.14.
  139. De in het bestreden decreet beoogde schoolbesturen kunnen worden beschouwd als « instellingen » die uitsluitend kunnen behoren tot de bevoegdheid van één gemeenschap, in de zin van artikel 127, § 2, van de Grondwet. Zij vallen bijgevolg, wat die aangelegenheid betreft, onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap. B.
  140. Het eerste middel in de zaak nr. 7351 is niet gegrond. 29 Het vierde middel in de zaak nr. 7351 B.
  141. De Franse Gemeenschapsregering leidt een middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 30 en 127, § 1, 2°, en § 2, van de Grondwet en van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in zoverre die bepalingen afbreuk doen aan de vrijheid van het gebruik van de talen, alsook aan de waarborgen die de Franstaligen genieten in de randgemeenten. B.
  142. Door het voorrangspercentage voor leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is op te trekken van 55 % tot 65 % en een bijkomende voorrang in te voeren voor leerlingen die negen jaar Nederlandstalig basisonderwijs hebben gevolgd, zijn de bestreden bepalingen geen bepalingen die het gebruik van de talen regelen, maar bepalingen die het onderwijs regelen in de zin van artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet. De bestreden bepalingen vallen bijgevolg onder de bevoegdheid van de decreetgever. B.
  143. Artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ingevoegd bij artikel 9 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 en vervolgens gewijzigd bij artikel 2 van de bijzondere wet van 19 juli 2012, bepaalt : « De decreten, reglementen en administratieve handelingen van de gemeenschappen en de gewesten en de handelingen, reglementen en verordeningen van de plaatselijke besturen mogen geen afbreuk doen aan de op 14 oktober 2012 bestaande waarborgen die de Franstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de Nederlandstaligen, respectievelijk Franstaligen en Duitstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 8 van diezelfde wetten ». Artikel 7 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, zoals het werd gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 23 december 1970, bepaalt : « De gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem worden begiftigd met een eigen regeling. Met het oog op de toepassing van de volgende bepalingen en inzonderheid die van hoofdstuk IV worden deze gemeenten beschouwd als gemeenten met een speciale regeling. Zij worden hierna randgemeenten genoemd ». 30 B.19.
  144. In de parlementaire voorbereiding van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 wordt aangegeven dat ermee « wordt beoogd aan de rand- en faciliteitengemeenten te garanderen dat de thans bestaande garanties ook na de regionalisering van de organieke gemeentewet en gemeentekieswet onverkort zullen worden gehandhaafd » (Parl. St., Senaat, 2000-2001, nr. 2-709/1, p. 21), en dat de wetgever, met het begrip « garanties », « het geheel [beoogde] van de thans geldende bepalingen die een specifieke regeling voor de in de tekst vermelde particulieren instellen, en in het algemeen alle bepalingen die particulieren, en voornamelijk de mandatarissen in de gemeenten bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de gecoördineerde wetten, beschermen » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1280/003, p. 10; zie ook Parl. St., Senaat, 2000-2001, nr. 2-709/7, pp. 11-12). B.19.
  145. Hoewel artikel 2 van de bijzondere wet van 19 juli 2012 « houdende wijziging van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen » artikel 16bis heeft gewijzigd, door een « bijwerking » tot 14 oktober 2012 uit te voeren van de « standstill »-clausule vervat in die bepaling (Parl. St., Senaat, 2011-2012, nr. 5-1566/1, p. 1, en nr. 5-1563/4, p. 10), en uitdrukkelijk heeft gepreciseerd dat die « standstill »-clausule van toepassing is op de gemeenschappen en de lokale besturen (Parl. St., Senaat, 2011-2012, nr. 5-1566/1, p. 3 en nr. 5-1563/4, pp. 11 en 39), heeft het evenwel niet de begunstigden van de « bestaande waarborgen » gewijzigd die, sinds de aanneming van artikel 16bis, worden opgevat als de particulieren in de gemeenten die worden beoogd in de artikelen 7 en 8 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. B.19.
  146. Het blijkt niet in welk opzicht het bestreden decreet afbreuk doet aan de specifieke waarborgen die artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de Franstaligen in de randgemeenten biedt. B.
  147. Het vierde middel in de zaak nr. 7351 is niet gegrond. 31 Wat betreft de middelen die zijn afgeleid uit de schending van de bepalingen bedoeld in artikel 1, 2° en 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof Het eerste middel in de zaak nr. 7350 en het tweede middel in de zaak nr. 7351 B.
  148. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapsregering leiden een middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet. In het eerste onderdeel van die middelen voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen, door het percentage van de bestaande voorrangsregeling voor leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, op te trekken van 55 % tot 65 %, een niet-verantwoord verschil in behandeling doen ontstaan tussen leerlingen op grond van de « thuistaal ». In het tweede onderdeel van die middelen voeren zij aan dat de invoering van een bijkomend voorrangspercentage van 15 % voor leerlingen die negen jaar Nederlandstalig basisonderwijs hebben gevolgd, een niet-verantwoord verschil in behandeling creëert tussen de leerlingen van het secundair onderwijs. De verhoging van het voorrangspercentage voor leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is B.
  149. De verzoekende partijen voeren aan dat de verhoging van het voorrangspercentage voor leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, strijdig is met de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet, in zoverre daardoor een niet- verantwoord verschil in behandeling ontstaat tussen « Nederlandstalige kinderen en anderstalige kinderen ». In zoverre de verzoekende partijen verwijzen naar de taal van het kind moet worden opgemerkt dat de bestreden bepalingen de voorrang bepalen op basis van het gegeven dat minstens één ouder het Nederlands in voldoende mate machtig is. B.23.
  150. De Vlaamse Regering voert aan dat het middel niet ontvankelijk is, aangezien het verschil in behandeling reeds bestond vóór de inwerkingtreding van het bestreden decreet. 32 B.23.
  151. Het is juist dat de voorrangsregeling ten voordele van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, werd ingevoerd door een vroeger decreet, dat niet werd gewijzigd bij het bestreden decreet. Toch is het zo dat de bestreden bepaling de voorwaarden wijzigt waaronder die voorrang kan worden toegekend. B.23.
  152. De exceptie wordt verworpen. B.24.
  153. Om een verschil in behandeling tussen leerlingen te verantwoorden in het licht van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, volstaat het niet dat dat verschil in behandeling zoals te dezen berust op objectieve criteria; er moet worden aangetoond dat, ten aanzien van de geregelde aangelegenheid, dat onderscheid pertinent is in het licht van het door de bestreden bepaling nagestreefde doel en dat het niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van bepaalde categorieën van ouders en van hun kinderen. B.24.
  154. Onder die rechten bevindt zich de keuzevrijheid van de ouders op het vlak van onderwijs, gewaarborgd bij artikel 24, § 1, van de Grondwet. Die vrijheid verleent hun evenwel niet een onvoorwaardelijk recht op de inschrijving van hun kind in de inrichting van hun keuze, waarbij de decreetgever in dat opzicht beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid om rekening te houden met de diversiteit aan situaties, die kunnen leiden tot soms tegengestelde belangen van de betrokken gebruikers, alsook met objectieve beperkingen, zoals te dezen de opvangcapaciteit van de onderwijsinrichtingen. B.
  155. Zoals in B.5 is vermeld, beoogt de decreetgever met de bestreden bepalingen de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen te verhogen voor leerlingen van wie minstens een van de ouders het Nederlands in voldoende mate machtig is alsook het Nederlandstalige karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad te versterken. Die doelstellingen zijn legitiem. B.
  156. De bestreden maatregel bestaat erin het percentage plaatsen die bij voorrang moeten worden toegewezen aan leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, op algemene wijze te verhogen van 55 tot 65 %. 33 Met de voormelde verhoging wil de decreetgever het aantal beschikbare plaatsen voor leerlingen die in aanmerking komen voor die voorrangscategorie, verhogen, waardoor hun inschrijvingskansen eveneens toenemen. De decreetgever beoogt op die manier niet alleen de continuïteit en de slaagkansen van de schoolloopbaan van de leerling te bevorderen, maar ook de opvolging, door de ouders, van het onderwijstraject van hun kind aan te moedigen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2018-2019, nr. 1747/1, p. 39). Verder beoogt de decreetgever eveneens op die manier de Nederlandse taalontwikkeling te versterken van alle leerlingen in de Nederlandstalige scholen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, met inbegrip van de leerlingen van wie de thuistaal niet het Nederlands is. B.
  157. Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 7/2012 van 18 januari 2012 heeft geoordeeld, dient een verhoging van het voorrangspercentage voor leerlingen van wie minstens één ouder het Nederlands in voldoende mate machtig is te beantwoorden aan een reële behoefte en dient ook erover te worden gewaakt dat dit percentage niet op een zodanig hoog niveau wordt vastgelegd dat de scholen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap niet ertoe gehouden zouden zijn een billijk deel van de leerlingen « waarvan de ouders noch het Nederlands, noch het Frans als thuistaal hebben, op te vangen » (arrest nr. 7/2012 van 18 januari 2012, B.21.5). B.28.
  158. Uit de gegevens die de Vlaamse Regering op verzoek van het Hof heeft overgelegd, blijkt dat er, voor de schooljaren 2020-2021 en 2021-2022, in zowel het Nederlandstalig basis- als secundair onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad een onevenwicht bestaat tussen het aantal beschikbare vrije plaatsen en het aantal aanmeldingen, na de inschrijving van de leerlingen die in aanmerking komen om de voorrangsregeling te genieten die wordt toegekend aan leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit als de reeds ingeschreven leerling en aan leerlingen van wie een ouder personeelslid is. Zo bedraagt het aantal beschikbare vrije plaatsen voor de instapklas in het basisonderwijs voor het schooljaar 2020-2021 1 683, in verhouding tot een totaal aantal van 2 721 aanmeldingen. Wat het schooljaar 2021-2022 betreft, gaat het om 1 720 beschikbare plaatsen voor de instapklas, voor 2 514 aanmeldingen. Ook in het secundair onderwijs is het aantal aanmeldingen hoger dan het aantal beschikbare plaatsen (2 253 tegenover 1 816 voor het schooljaar 2020-2021, en 2 275 tegenover 1 861 voor het schooljaar 2021-2022). 34 Daarnaast blijkt uit diezelfde gegevens dat het aandeel van de leerlingen uit gezinnen waarin minstens één van de ouders het Nederlands in voldoende mate machtig is, in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, 26 % bedraagt wat betreft het kleuteronderwijs voor de schooljaren 2020-2021 en 2021-2022, 28 % wat betreft het lager onderwijs voor de schooljaren 2020-2021 en 2021-2022, en respectievelijk 38 % en 37 % wat betreft het secundair onderwijs voor de schooljaren 2020-2021 en 2021-
  159. Dat aandeel bedroeg echter, tijdens het schooljaar 1991-1992, 57,9 % voor het kleuteronderwijs, 72,5 % voor het lager onderwijs en 93,7 % voor het secundair onderwijs. Samengevat blijkt dat slechts een minderheid van de leerlingen die zijn ingeschreven in het Nederlandstalig kleuter-, lager- en secundair onderwijs in het tweetalige gebied Brussel- Hoofdstad en die hun woonplaats in Brussel hebben, deel uitmaken van een gezin waarvan minstens één van de ouders het Nederlands beheerst. De bestreden maatregel verhoogt bijgevolg, voor diezelfde leerlingen de kansen om in de nabijheid van hun woonplaats een Nederlandstalige school te vinden. B.28.
  160. De Vlaamse Regering wijst erop dat bepaalde scholen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden geconfronteerd met een toenemende vraag, die de toegang tot die scholen voor kinderen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, in gevaar brengt. Zo zijn er voor het schooljaar 2020-2021 acht instellingen (op een totaal van 157) voor basisonderwijs en vijf (op een totaal van 39) instellingen voor secundair onderwijs, waarin het aantal kandidaten met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is merkelijk hoger is dan het aantal voorrangsplaatsen. Hoewel uit die cijfermatige gegevens blijkt dat slechts in een beperkt aantal scholen van het basis- en secundair onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad het contingent van 55 % wordt ingevuld en er derhalve meer gegadigden zijn dan er plaatsen vrij zijn binnen de voorrangsgroep voor leerlingen van wie minstens één ouder het Nederlands in voldoende mate machtig is, kon de Vlaamse Regering redelijkerwijs oordelen dat er een reële behoefte bestond en dat het voor die scholen noodzakelijk was om het voorrangspercentage voor de betrokken voorrangsgroep te verhogen. B.29.
  161. Gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover hij beschikt, mocht de decreetgever ervan uitgaan dat het opportuun is om op het niveau van het gehele 35 Nederlandstalig onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad maatregelen vast te stellen veeleer dan het aan het lokaal overlegplatform Brussel over te laten om de voorrangspercentages voor leerlingen van wie minstens één ouder het Nederlands in voldoende mate machtig is, te verhogen. B.29.
  162. Bovendien hangt het bestaan van een capaciteitstekort in een welbepaalde school samen met demografische en socio-economische gegevens, zoals de populariteit van de school, alsook de omvang en de samenstelling van de bevolkingstoename. Die gegevens zijn echter uitermate variabel. Door een uniforme regeling te treffen voor alle Nederlandstalige scholen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en niet op het niveau van de individuele scholen, heeft de decreetgever willen vermijden dat de voorrangspercentages steeds opnieuw zouden moeten worden gewijzigd. B.29.
  163. Voorts is het niet onredelijk om een algemene maatregel te nemen ten aanzien van de bekommernis om het gebruik van het Nederlands, dat de onderwijstaal is, te bevorderen in het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. B.30.
  164. De cijfergegevens die de Vlaamse Regering op verzoek van het Hof heeft overgelegd, laten niet toe te besluiten dat de scholen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap niet in staat zouden zijn om een billijk deel van de leerlingen die noch het Nederlands, noch het Frans als thuistaal hebben, op te vangen. Uit die gegevens bl

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.