id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 juli 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.101 Arrest- Rolnummer: 101/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 531 - laatst gezien 2026-06-15 12:47 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (art. 9 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juni 2021, onder voorbehoud van hetgeen in B.13 is vermeld) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juni 2021 « houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de studies diergeneeskundige wetenschappen », gesteld door de Raad van State. Franse Gemeenschap - Hoger onderwijs - Studies diergeneeskunde - Voorwaarden inzake de toegang tot het 2de studiejaar van het programma van de eerste cyclus - Wijziging van de voorwaarden - Onmiddellijke werking Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 101/2022 van 22 juli 2022 Rolnummers : 7708, 7709, 7710, 7711, 7712, 7713, 7716, 7717, 7718 en 7719 In zake : de prejudiciële vragen over het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juni 2021 « houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de studies diergeneeskundige wetenschappen », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, M. Pâques, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij tien arresten, nrs. 252.416, 252.417, 252.418, 252.419, 252.420, 252.421, 252.415, 252.412, 252.414 en 252.413, van 15 december 2021, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 21 en 30 december 2021, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1) Schendt het decreet van 17 juni 2021 houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de studies diergeneeskundige wetenschappen de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet in zoverre het de studenten die, op het einde van het academiejaar 2019-2020, minstens 45 studiepunten hadden behaald en geen attest van slagen moesten behalen voor het vergelijkend examen op het einde van het jaar, en alle andere studenten die niet werden vrijgesteld van die verplichting om het attest te behalen teneinde toegang te verkrijgen tot het 2de studiejaar van de studies diergeneeskundige wetenschappen, op dezelfde manier behandelt ? 2) Schendt het decreet van 17 juni 2021 houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de studies diergeneeskundige wetenschappen de artikelen 10, 11 en 24, § 3, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met artikel 13, lid 2, c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, in zoverre het vanaf het academiejaar 2021-2022 een nieuwe academische filter invoert 2 voor studenten die hun studies voordien zonder filter konden voortzetten, en dat zonder enige toereikende verantwoording die in een redelijke verhouding staat tot het nagestreefde doel ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7708, 7709, 7710, 7711, 7712, 7713, 7716, 7717, 7718 en 7719 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Carina Ammoun-Bourdelas, Jonas Frere, Camille Moreau, Violette Simonetti, Carla Hersigny, Lisa Sytche, Olivier Duquenne, Othello Boudigues, Charlotte de Lame en Laurie Vanoverschelde, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Bourtembourg en Mr. M. de Mûelenaere, advocaten bij de balie te Brussel; - de Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Levert, Mr. A. Feyt en Mr. N. Mouraux, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 8 juni 2022 heeft het Hof de zaken in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 29 juni
- Op de openbare terechtzitting van 29 juni 2022 : - zijn verschenen : . Mr. J. Bourtembourg en Mr. M. de Mûelenaere, voor Carina Ammoun-Bourdelas, Jonas Frere, Camille Moreau, Violette Simonetti, Carla Hersigny, Lisa Sytche, Olivier Duquenne, Othello Boudigues, Charlotte de Lame en Laurie Vanoverschelde; . Mr. P. Levert, tevens loco Mr. A. Feyt, voor de Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering; - hebben de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de voor de verwijzende rechter hangende geschillen verzoeken verschillende studenten, in het kader van de procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid, om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissingen van de afgevaardigde van de Regering bij de Universiteiten van Louvain-la-Neuve, Namen en Luik, waarbij hun beroepen tegen de weigering van hun inschrijving in het 2de studiejaar van bachelor diergeneeskunde voor het academiejaar 2021-2022 ongegrond werden verklaard. 3 Tijdens het academiejaar 2019-2020 waren die studenten ingeschreven in het 1ste studiejaar van de bacheloropleiding; zij hadden deelgenomen aan het vergelijkend examen dat was georganiseerd om een van de « attesten van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus », die worden vereist bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 juli 2016 « betreffende de studie diergeneeskunde » (hierna : het decreet van 13 juli 2016), te verkrijgen, maar werden niet batig gerangschikt. Op het einde van dat academiejaar hadden zij 45 studiepunten van het 1ste studiejaar van het programma van de studiecyclus behaald. Artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016 bepaalde dat dit decreet uitwerking zou hebben tot en met het academiejaar 2019-2020, en dat het uiterlijk gedurende dat academiejaar door de Regering zou worden geëvalueerd. Het decreet van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 2020 wijzigde evenwel artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016 om de uitwerking van het decreet van 13 juli 2016 te verlengen tot en met het academiejaar 2020- 2021, zodat, met toepassing van dat decreet, de verzoekende studenten niet werden toegelaten tot het 2de studiejaar gedurende het academiejaar 2020-2021, bij gebrek aan een attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus. Nadat de zaak prejudicieel aanhangig was gemaakt door de Raad van State, zegde het Hof voor recht, bij zijn arrest nr. 82/2021 van 3 juni 2021, dat de artikelen 1 en 2 van het decreet van 22 oktober 2020 de artikelen 10, 11 en 24, § 3, eerste zin, van de Grondwet schonden, in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, in zoverre zij een terugwerkende kracht toekenden aan de verlenging van de gevolgen van artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 tot na het academiejaar 2019-
- Nadat met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bij het Hof een zaak aanhangig was gemaakt, vernietigde het, bij zijn arrest nr. 150/2021 van 21 oktober 2021, de artikelen 1 en 2 van het voormelde decreet van 22 oktober
- De Franse Gemeenschap wijzigde opnieuw het decreet van 13 juli 2016, bij een decreet van 17 juni 2021, dat in werking is getreden vanaf het academiejaar 2021-2022, met uitzondering van, met name, artikel 9 ervan, dat de tweede zin van artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016 opheft, en dat in werking is getreden op 15 juni
- In oktober 2021 hebben de verzoekende studenten gevraagd om te mogen overgaan naar het 2de studiejaar van de studie diergeneeskunde tijdens het academiejaar 2021-2022, wat hun door de betrokken universiteiten werd geweigerd omdat zij geen attest van toelating tot het vervolg van het programma van de studiecyclus, vereist bij artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 zoals het van toepassing is krachtens het voormelde decreet van 17 juni 2021, konden overleggen. Vanuit de overweging dat het aanwenden van de procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid ontvankelijk was, oordeelde de verwijzende rechter dat, wegens de vernietiging van het decreet van 22 oktober 2020, er geen attest van toelating tot het vervolg van het programma van de studiecyclus vereist was voor het academiejaar 2020-
- Bij het decreet van 17 juni 2021 heeft de wetgever die verplichting om het attest te behalen opnieuw willen invoeren vanaf het academiejaar 2021-2022, zonder evenwel een onderscheid te maken tussen de studenten die niet werden vrijgesteld van de verplichting om het attest te behalen en die welke, zoals de verzoekende studenten, daarvan werden vrijgesteld tijdens het academiejaar 2020-2021 en die reeds toegang tot dat studiejaar hadden moeten kunnen krijgen zonder het voormelde attest te bezitten, indien zij daartoe niet op onwettige wijze verhinderd waren geweest. Aangezien hij oordeelde dat die identieke behandeling ernstige twijfel deed rijzen over de bestaanbaarheid van het decreet van 17 juni 2021 met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, heeft de verwijzende rechter beslist het Hof te ondervragen en, in afwachting van het antwoord van het Hof, de tenuitvoerlegging van de bestreden akten voorlopig te schorsen. III. In rechte –A– A.
- De Franse Gemeenschapsregering zet uiteen dat het decreet van 17 juni 2021 tot gevolg heeft het toepasselijke mechanisme van het vergelijkend examen en het attest van toelating te bevestigen en een permanent karakter eraan te geven, voor de toekomst en vanaf het academiejaar 2021-2022, voor alle studenten die zich 4 wensen in te schrijven in het tweede jaar van de studie diergeneeskunde. Zij verzoekt het Hof de twee prejudiciële vragen ontkennend te beantwoorden. A.
- De kritiek die ten grondslag ligt aan de eerste prejudiciële vraag is gericht tegen het feit dat de wetgever niet in een overgangsbepaling heeft voorzien die de studenten van het academiejaar 2019-2020 die geslaagd waren maar hun studie niet mochten voortzetten en die niet onderworpen waren aan een filter tijdens het academiejaar 2020-2021, zou hebben toegelaten zich zonder enige filter in te schrijven voor het academiejaar 2021-
- Het is echter gerechtvaardigd en redelijk dat het decreet van 17 juni 2021 niet zulk een overgangsbepaling bevat. Zo voorzag het decreet van 22 oktober 2020 in een evaluatie op het einde van het academiejaar 2019-2020, die echter niet kon plaatsvinden om diverse redenen, waaronder de Covid-19-crisis. In zijn arresten nrs. 82/2021 en 150/2021 heeft het Hof zich enkel uitgesproken over de terugwerkende kracht van het decreet van 22 oktober 2020 en heeft het niet geoordeeld dat, voor de periode na de inwerkingtreding van dat decreet, de regeling van het vergelijkend examen en van het attest van toelating ongeldig zou zijn. Integendeel, die regeling is nooit ter discussie gesteld, zodat de verzoekers voor de verwijzende rechter zich niet rechtmatig op het standpunt konden stellen dat dit systeem zou worden opgegeven tijdens het academiejaar 2021-
- Ten slotte heeft het feit dat de verzoekers op onwettige wijze de mogelijkheid zou zijn ontnomen om zich in te schrijven voor het academiejaar 2020-2021, geen invloed, aangezien in dit geval de discriminatie die werd aangeklaagd met betrekking tot een inschrijving voor het academiejaar 2021-2022 moet worden onderzocht. Het zou ondenkbaar zijn, gelet op de ratio legis van de toegangsfilter, een overgangsbepaling aan te nemen die zou hebben toegelaten een tweede groep studenten te creëren, namelijk de 148 studenten van het academiejaar 2019-2020 die geslaagd waren maar die hun studie niet mochten voortzetten, bovenop de studenten van de groep 2020-2021 die, op grond van het attest dat zij in september 2021 behaalden, het recht hadden om zich in te schrijven in het tweede studiejaar van bachelor diergeneeskunde voor het academiejaar 2021-
- A.
- Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, herinnert de Franse Gemeenschapsregering eraan dat de filter inzake toegang tot de studie diergeneeskunde dateert van 2016 en dat hij volledig gerechtvaardigd is in het licht van de verplichtingen die verbonden zijn aan de organisatie van het onderwijs in de diergeneeskunde en aan de kwaliteit van het onderwijs, tegenover een aanzienlijke instroom van studenten. Het parlementaire debat dat heeft geleid tot de aanneming van het decreet van 17 juni 2021, had betrekking op de regeling van een voorlopige situatie, in afwachting van de bespreking ten gronde die door de Regering zou worden gevoerd na de evaluatie van het decreet van 13 juli 2016, en een amendement voorzag erin dat die evaluatie zou plaatsvinden tijdens het academiejaar 2025-
- De artikelen 8 en 9 van het decreet van 17 juni 2021 liggen dus in het verlengde van het decreet van 13 juli 2016, met als waarschuwing een nieuwe evaluatie in 2025-2026, maar de filter die in 2016 werd vastgesteld, heeft steeds gesteund op een toereikende verantwoording die in een redelijke verhouding staat tot het nagestreefde doel, meer bepaald tot het doel inzake bescherming van de volksgezondheid, dat het Hof heeft aangenomen in zijn arrest nr. 89/2011 van 31 mei
- A.
- De tien verzoekende studenten voor de verwijzende rechter verzoeken het Hof de eerste prejudiciële vraag bevestigend te beantwoorden. Zij stellen vast dat het decreet van 17 juni 2021 twee categorieën van studenten die zich in verschillende situaties bevinden, namelijk, enerzijds, de studenten van het academiejaar 2019- 2020 die geslaagd waren maar hun studie niet mochten voortzetten en die als enigen niet meer aan een filter onderworpen waren tijdens het academiejaar 2020-2021 en zich dus zonder meer rechtsgeldig hadden kunnen inschrijven voor het 2de studiejaar diergeneeskunde en, anderzijds, alle andere studenten die steeds onderworpen zijn geweest aan de verplichting om het attest van toelating tot het 2de studiejaar van de studie diergeneeskunde te behalen, op dezelfde manier behandelt, zonder dat daarvoor een verantwoording bestaat. De Raad van State heeft overigens terecht geoordeeld dat de grondwettigheidskritiek ernstig was. Bij het arrest nr. 142/2017 van 30 november 2017 heeft het Hof ook een decreet afgekeurd waarbij een nieuwe academische filter werd ingevoerd voor de studies geneeskunde en tandheelkunde, in zoverre dat decreet geen rekening hield met de situatie van studenten die, in tegenstelling tot alle andere studenten, niet verplicht waren het vergelijkend examen af te leggen op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan. A.
- Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, brengen de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter in herinnering dat het recht op hoger onderwijs vastligt bij artikel 24, § 3, van de Grondwet, maar ook bij artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 13, lid 2, c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Om in het licht van die 5 bepalingen toelaatbaar te zijn, moet de invoering van academische filters aan drie criteria voldoen : het gelijkheidsbeginsel in acht nemen, voldoende verantwoord zijn en geen achteruitgang vormen in het licht van de standstill-verplichting afgeleid uit artikel 13 van het voormelde Verdrag. Te dezen heeft de wetgever, zonder enige verantwoording, een filter ingevoerd voor het academiejaar 2021- 2022, ten aanzien van studenten die tijdens het academiejaar 2020-2021 niet aan een filter waren onderworpen, hetgeen aldus, zonder verantwoording, de gelijkheid tussen studenten verbreekt en een achteruitgang met zich meebrengt in de bescherming van het recht van die studenten op toegang tot het hoger onderwijs. A.
- In haar memorie van antwoord stelt de Franse Gemeenschapsregering vast dat het arrest nr. 142/2017 te dezen niet kan worden overgenomen omdat het Hof in dat arrest het discriminerende karakter van de ingevoerde overgangsregeling afkeurde, wat geenszins de grief is die te dezen wordt bedoeld. A.
- In hun memorie van antwoord onderstrepen de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter, wat de eerste prejudiciële vraag betreft, dat, ook al is er een continuïteit in de verplichting om te slagen voor het vergelijkend examen, die verplichting niet geldt voor de studenten van het academiejaar 2019-2020 die geslaagd waren maar hun studie niet mochten voortzetten, voor wie de invoering van een filter bij het decreet van 17 juni 2021 een nieuwe reglementering vormt. Het is overigens op die manier dat de Franse Gemeenschapsregering de kritiek heeft begrepen die zij waarneemt in de ontstentenis van een overgangsbepaling. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter antwoorden dat er, ingevolge de vernietiging van het decreet van 22 oktober 2020 bij het arrest nr. 150/2021, geen enkele wettelijke hindernis voor hen was om hun studieprogramma voort te zetten aan het begin van het academiejaar 2020-2021, zodat zij op legitieme wijze mochten verwachten hun studieprogramma te kunnen voortzetten, in tegenstelling tot alle andere studenten die, sinds de inwerkingtreding van het decreet van 13 juli 2016, aan een filter onderworpen zijn geweest, zonder onderbreking. Het beginsel van gewettigd vertrouwen van de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter is dus op buitensporige wijze aangetast. In tegenstelling tot hetgeen de Franse Gemeenschapsregering aanvoert, is het aantal studenten die geslaagd waren maar hun studie niet mochten voortzetten, dat zou worden toegevoegd aan de groep van 2021-2022 niet 148, maar beduidend lager dan een vijftigtal, aangezien een groot deel van die studenten die geslaagd waren maar hun studie niet mochten voortzetten, opnieuw hebben deelgenomen aan en geslaagd zijn voor het vergelijkend examen van juni 2021, of zich naar een andere studie hebben geheroriënteerd aan het begin van het academiejaar 2021-
- Voor het overige is er geen redelijke verantwoording die, in een evenredige verhouding tot het nagestreefde doel, zou verklaren dat de bijzondere situatie van de studenten van 2019-2020 die geslaagd waren maar hun studie niet mochten voortzetten, niet in aanmerking wordt genomen door de wetgever. A.
- Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, antwoorden de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter dat uitsluitend het decreet van 17 juni 2021 en de motivering ervan te dezen moeten worden beoordeeld. De argumentatie van de Franse Gemeenschapsregering, die van mening is dat de in het geding zijnde maatregel geen nieuwe filter zou creëren voor die studenten, is overigens strijdig met hetgeen zij verklaart met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag en de ontstentenis van een overgangsbepaling; die argumentatie kan niet worden gevolgd omdat zij erop zou neerkomen dat de verzoekende partijen in 2020-2021 aan een filter onderworpen waren, wat niet het geval is wegens de vernietiging waartoe beslist werd bij het arrest nr. 150/
- Het arrest nr. 89/2011, dat door de Franse Gemeenschapsregering wordt vermeld, had ten slotte betrekking op de beperking van het aantal niet-verblijvende studenten in het licht van hun vrijheid van verkeer, hetgeen te dezen niet de problematiek vormt. 6 -B- Ten aanzien van het in het geding zijnde decreet en de context ervan B.
- Het programma van de eerste cyclus van de universitaire studies diergeneeskunde, waarvoor het slagen wordt bekrachtigd door het verkrijgen van de graad van bachelor, is onderverdeeld in drie « studiejaren van 60 studiepunten » (artikel 15, § 1, 10°, 26°, 41° en 58°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 november 2013 « tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies »; artikel 83, § 1, 12°, en artikel 124, derde lid, van hetzelfde decreet). Artikel 100, § 2, van het decreet van 7 november 2013, zoals vervangen bij artikel 16 van het decreet van 3 mei 2019 « houdende diverse maatregelen betreffende het Hoger Onderwijs en het Onderzoek », bepaalt : « Naast de eerste 60 studiepunten van de bacheloropleiding, omvat het jaarprogramma van een student van de eerste cyclus : 1° de onderwijseenheden van de opleiding waarvoor hij reeds ingeschreven was en waarvoor hij de overeenkomstige studiepunten nog niet verdiend had, met uitzondering van de optie-eenheden in de opleiding die door de student die hij heeft gekozen niet meer te volgen; 2° de onderwijseenheden van de rest van het cyclusprogramma, waarvoor hij aan de vooraf gevergde voorwaarden voldoet ». B.2.
- Artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 « betreffende de studie diergeneeskunde » (hierna : het decreet van 13 juli 2016) bepaalt : « Voor de toepassing van artikel 100, § 2 van het decreet van 7 november 2013, buiten de eerste 60 studiepunten van het studieprogramma van de eerste cyclus, kunnen alleen de studenten die houder zijn van een attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus in hun studieprogramma de onderwijseenheden van de eerste cyclus in de diergeneeskunde opnemen ». Het totale aantal « attesten van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » die elk jaar in de Franse Gemeenschap worden uitgereikt, is vastgesteld op 276 voor het geheel van de universiteiten die de studierichting diergeneeskunde organiseren, behoudens afwijking door de Franse Gemeenschapsregering op basis van een met redenen omkleed voorstel van de 7 Academie voor Onderzoek en Hoger Onderwijs. De Franse Gemeenschapsregering stelt jaarlijks het aantal attesten vast dat elke universiteit die studies diergeneeskunde organiseert, zal mogen uitreiken (artikel 5 van het decreet van 13 juli 2016). Om een van de attesten te kunnen verkrijgen die beschikbaar zijn in de universiteit waar de student zijn studies heeft gevolgd, moet die laatste « minstens 45 van de eerste 60 studiepunten van het studieprogramma van de eerste cyclus » hebben behaald en batig gerangschikt zijn na een vergelijkend examen dat zijn universiteit organiseert op het einde van het tweede quadrimester van het academiejaar (artikel 6 van het decreet van 13 juli 2016). Een student kan slechts eenmaal opnieuw deelnemen aan dat vergelijkend examen, in de regel in het volgende academiejaar (artikel 8 van hetzelfde decreet). De attesten worden door elke universiteit uiterlijk op 13 september uitgereikt (artikel 6, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet). B.2.
- Aanvankelijk bepaalde artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016 : « Dit decreet treedt in werking voor het academiejaar 2016-2017, met uitzondering van de artikelen 2 en 4, die in werking treden voor het academiejaar 2017-
- Dit decreet heeft uitwerking tot en met het academiejaar 2019-
- Het wordt door de Regering uiterlijk gedurende het academiejaar 2019-2020 geëvalueerd ». Uit die tekst vloeit voort dat artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016, aangehaald in B.2.1, geen uitwerking had voor het academiejaar 2020-
- Daar een academiejaar « op 14 september begint » (artikel 15, § 1, 6°, van het decreet van 7 november 2013), kon een student zich dus, op 14 september 2020 en de daaropvolgende weken, inschrijven voor het tweede « studiejaar van 60 studiepunten » van het programma van de eerste cyclus van de universitaire studies diergeneeskunde, zelfs wanneer hij geen houder was van het « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » bedoeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli
- B.3.
- Artikel 1 van het decreet van 22 oktober 2020 « houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de studie diergeneeskunde » (hierna : het decreet van 22 oktober 2020) heeft artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016, aangehaald in B.2.2, gewijzigd waarbij in de tweede zin de jaren « 2019-2020 » worden vervangen door de jaren « 2020-2021 ». 8 Artikel 2 van het decreet van 22 oktober 2020 bepaalde : « Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2020 ». B.3.
- Het decreet van 22 oktober 2020 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober
- Krachtens artikel 56 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is dat decreet dus in werking getreden op de tiende dag na die bekendmaking, zijnde 8 november
- B.4.
- Zoals is vermeld in B.2.2, begint een academiejaar « op 14 september ». Het academiejaar 2020-2021 is dus begonnen op 14 september
- Vóór de wijziging ervan bij artikel 1 van het decreet van 22 oktober 2020 maakte artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016 de toepassing van artikel 4 van hetzelfde decreet, weergegeven in B.2.1, niet mogelijk gedurende het academiejaar 2020-
- Een van de gevolgen van de wijziging van artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016 bij het decreet van 22 oktober 2020 bestaat erin de toepassing van dat artikel 4 mogelijk te maken gedurende dat academiejaar. Aangezien, zoals is vermeld in B.3.2, artikel 1 van het decreet van 22 oktober 2020 pas op 8 november 2020 in werking is getreden, met andere woorden wanneer het academiejaar 2020- 2021 reeds was aangevat, had het een terugwerkende kracht in zoverre het de toepassing van artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 mogelijk maakte gedurende het deel van dat academiejaar vóór de inwerkingtreding van het decreet van 22 oktober
- B.4.
- Door te bepalen dat artikel 1 van het decreet van 22 oktober 2020 uitwerking had met ingang van 1 juli 2020, werd in artikel 2 van dat decreet aangegeven dat ervan diende te worden uitgegaan dat het vanaf die dag niet mogelijk was een student in te schrijven die niet in het bezit was van het « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » bedoeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 voor het tweede « studiejaar van 60 studiepunten » van het programma van de eerste cyclus van de universitaire studies diergeneeskunde. 9 B.5.
- Bij zijn arrest nr. 82/2021 van 3 juni 2021 heeft het Hof, in antwoord op een prejudiciële vraag van de Raad van State, voor recht gezegd dat de artikelen 1 en 2 van het decreet van 22 oktober 2020 de artikelen 10, 11 en 24, § 3, eerste zin, van de Grondwet, in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, schonden in zoverre zij een terugwerkende kracht toekenden aan de verlenging van de gevolgen van artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 tot na het academiejaar 2019-
- B.5.
- Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld : « B.
- De niet-retroactiviteit van de wetten is een waarborg die tot doel heeft rechtsonzekerheid te voorkomen. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende de gevolgen van een bepaalde handeling in redelijke mate kan voorzien op het ogenblik dat die handeling wordt gesteld. De terugwerkende kracht is enkel verantwoord indien die absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. […] B.
- Een regel moet als retroactief worden gekwalificeerd wanneer hij van toepassing is op feiten, handelingen en toestanden die definitief waren voltrokken op het ogenblik dat hij in werking is getreden […] B.
- De afdeling wetgeving van de Raad van State, waaraan op 22 juli 2020 een verzoek om advies over een voorontwerp van decreet met dezelfde bepalingen als die twee artikelen van het decreet van 22 oktober 2020 is gericht, herinnert in het advies 67.831/2 van 21 september 2020 eraan dat de niet-retroactiviteit van de wetten tot doel heeft rechtsonzekerheid te voorkomen en dat de retroactiviteit van een wetsbepaling alleen te verantwoorden is wanneer die absoluut noodzakelijk is voor het bereiken van een doel van algemeen belang. In dat advies verzoekt de afdeling wetgeving van de Raad van State de auteur van de beoogde bepalingen om de verantwoording voor de retroactieve werking van de overwogen maatregelen uiteen te zetten (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 127/1, pp. 34-35, 38 en 47). B.
- De auteurs van het decreet van 22 oktober 2020 verantwoorden de retroactiviteit die is verbonden aan de verlenging van de gevolgen van artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 tot na het academiejaar 2019-2020 door ‘ de noodzaak om een wettelijke grondslag te bieden ’, door de ‘ zorg om rechtszekerheid ’ en door de noodzaak om te kunnen beschikken over de evaluatie waarin artikel 12 van hetzelfde decreet voorziet (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 129/1, pp. 3-4; CRI, Parlement van de Franse Gemeenschap, nr. 5, 21 oktober 2020, pp. 30-31). B.
- Een dergelijke verantwoording volstaat niet om vast te stellen dat de terugwerkende kracht die voortvloeit uit de twee in het geding zijnde bepalingen noodzakelijk is voor het bereiken van een doel van algemeen belang ». 10 B.6.
- Nadat het Hof werd geadieerd met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, heeft het Hof, bij zijn arrest nr. 150/2021 van 21 oktober 2021, de artikelen 1 en 2 van het decreet van 22 oktober 2020 vernietigd, in zoverre zij een terugwerkende kracht toekenden aan de verlenging van de gevolgen van artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 tot na het academiejaar 2019-
- Aangezien de beroepen tot vernietiging van diezelfde bepalingen, ingesteld door respectievelijk de vzw « Fédération des Étudiant(e)s Francophones » en door 31 studenten die, op het einde van het academiejaar 2019-2020, minstens 45 studiepunten hadden behaald maar niet batig werden gerangschikt om een van de « attesten van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » te verkrijgen, zonder voorwerp waren geworden ingevolge dat vernietigingsarrest, werden zij verworpen bij de arresten nr. 152/2021 van 21 oktober 2021 en nr. 191/2021 van 23 december
- B.6.
- Uit die vernietiging volgt dat de gevolgen van artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 niet konden worden verlengd, door een decreet met terugwerkende kracht, tot na het academiejaar 2019-
- B.7.
- Het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juni 2021 « houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de studies diergeneeskundige wetenschappen » (hierna : het decreet van 17 juni 2021) wijzigt opnieuw de gevolgen in de tijd van artikel 4 van het decreet van 13 juli
- Bij artikel 9 van het decreet van 17 juni 2021 wordt de tweede zin van artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016, die de gevolgen van het decreet van 13 juli 2016 in de tijd beperkte « tot en met het academiejaar 2019-2020 », opgeheven. Die bepaling « strekt ertoe de beperking in de tijd van de gevolgen van het decreet tot aan het academiejaar 2020-2021 af te schaffen, en dus de regeling in de tijd te bestendigen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 241/1, p. 7), vanuit de vaststelling dat « de invoering van een filter op het einde van het eerste jaar diergeneeskunde de meest aangewezen optie lijkt binnen de Federatie Wallonië-Brussel » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 241/3, p. 3). 11 Bij artikel 8 van het decreet van 17 juni 2021 wordt artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016 aangevuld met een zin die luidt als volgt : « Uiterlijk tijdens het academiejaar 2025-2026 wordt door de regering een tweede evaluatie uitgevoerd ». Artikel 12 van het decreet van 17 juni 2021 bepaalt dat dit decreet in werking treedt met ingang van het academiejaar 2021-2022, met uitzondering van de artikelen 1, 8 en 9, die in werking treden op 15 juni
- B.7.
- Zoals het werd gewijzigd bij de artikelen 8 en 9 van het decreet van 17 juni 2021, bepaalt artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016 : « Dit decreet treedt in werking voor het academiejaar 2016-2017, met uitzondering van de artikelen 2 en 4, die in werking treden voor het academiejaar 2017-
- Het wordt door de Regering uiterlijk gedurende het academiejaar 2019-2020 geëvalueerd. Uiterlijk tijdens het academiejaar 2025-2026 wordt door de regering een tweede evaluatie uitgevoerd ». B.7.
- De opheffing van de tweede zin van artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016, overeenkomstig artikel 9 van het decreet van 17 juni 2021, die in werking trad op 15 juni 2021, heeft tot gevolg dat artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 opnieuw, vanaf het academiejaar 2021-2022, uitwerking kan hebben. Een dergelijke bepaling heeft geen retroactief karakter. Uit die regeling, in samenhang gelezen met de arresten van het Hof nrs. 82/2021 en 150/2021, volgt dat artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 uitwerking kon hebben vanaf het academiejaar 2016-2017 en voor de toekomst uitwerking zal kunnen hebben. Zij kon daarentegen geen uitwerking hebben voor het academiejaar 2020-2021, maar enkel in de mate van het – afgekeurde – retroactieve karakter van het decreet van 22 oktober
- Ten gronde B.
- In de voor de verwijzende rechter hangende geschillen hebben studenten die, op het einde van het academiejaar 2019-2020, minstens 45 studiepunten hadden behaald zonder batig te zijn gerangschikt voor het verkrijgen van een « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » dat is vereist bij artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016, een 12 beroep ingesteld tegen hun weigering tot inschrijving in het tweede studiejaar van bachelor diergeneeskunde voor het academiejaar 2021-
- B.9.
- Met de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, van het decreet van 17 juni 2021, in zoverre het de studenten die, op het einde van het academiejaar 2019-2020, minstens 45 studiepunten hadden behaald en geen attest van slagen moesten behalen voor het vergelijkend examen op het einde van het jaar, en alle andere studenten die niet werden vrijgesteld van die verplichting om het attest van toegang tot het tweede studiejaar van de studie diergeneeskunde te behalen, op dezelfde manier behandelt. Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van het decreet van 17 juni 2021 met de artikelen 10, 11 en 24, § 3, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 13, lid 2, c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, in zoverre het vanaf het academiejaar 2021-2022 een nieuwe academische filter invoert voor studenten die hun studies voordien zonder filter konden voortzetten, en dat zonder enige toereikende verantwoording die in een redelijke verhouding staat tot het nagestreefde doel. B.9.
- Met de prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, van het decreet van 17 juni 2021, in zoverre het, vanaf het academiejaar 2021-2022, de academische filter waarin was voorzien bij artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016, opnieuw invoert, zonder te voorzien in een specifieke regeling, ten opzichte van de andere studenten, voor « de studenten die, op het einde van het academiejaar 2019-2020, minstens 45 studiepunten hadden behaald en geen attest van slagen moesten behalen voor het vergelijkend examen op het einde van het jaar ». Die prejudiciële vragen betreffen dus in essentie de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, van het decreet van 17 juni 2021, in zoverre dat laatste twee categorieën van studenten die zich in een wezenlijk verschillende situatie zouden bevinden op identieke wijze behandelt, en meer bepaald in zoverre het niet voorziet in een overgangsregeling voor de studenten van de voormelde categorie, wier situatie zo wezenlijk zou verschillen van die van de andere studenten dat het verantwoord zou zijn om de vereiste van het « attest van 13 toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus », vereist bij artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016, niet op hen toe te passen voor het academiejaar 2021-
- B.9.
- Gelet op de onderlinge samenhang ervan, onderzoekt het Hof de prejudiciële vragen samen. B.9.
- Uit de formulering van de prejudiciële vragen en van de verwijzingsbeslissingen blijkt overigens dat de prejudiciële vragen enkel betrekking hebben op artikel 9 van het decreet van 17 juni
- Het Hof beperkt dan ook zijn onderzoek tot die bepaling. B.10.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.10.
- Het staat in beginsel aan de wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. B.10.
- Het Hof dient bijgevolg na te gaan of de in B.9.2 beoogde categorie van studenten zich, in het licht van de in het geding zijnde maatregel, in een situatie bevindt die wezenlijk 14 verschilt van die van de andere studenten, wat betreft hun inschrijving voor de leeractiviteiten van het tweede jaar van de studiecyclus diergeneeskunde voor het academiejaar 2021-
- B.11.
- Zoals in B.2 is vermeld, zou de oorspronkelijke regeling inzake het « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus », vereist bij artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016, in principe geen uitwerking meer hebben na het academiejaar 2019-
- Artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016 bepaalde evenwel ook, in de oorspronkelijke versie ervan, dat die regeling zou worden geëvalueerd, door de Regering, uiterlijk gedurende het academiejaar 2019-
- Voor een eventuele verlenging van die maatregel was bijgevolg een wijziging van het decreet vereist, zonder dat het decreet van 13 juli 2016 evenwel een verworven recht of een legitieme verwachting creëert dat de regeling inzake het « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » niet door de decreetgever kon worden verlengd tot na het academiejaar 2019-
- B.11.
- Gelet op het voorgaande voert de in het geding zijnde bepaling, door, vanaf het academiejaar 2021-2022, de gevolgen van de regeling inzake het « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » ingevoerd bij artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 in de tijd te verlengen, geen « nieuwe » academische filter in. B.11.
- Zoals in B.5 en B.6 is vermeld, had de vaststelling van ongrondwettigheid die werd gedaan bij het arrest nr. 82/2021, gevolgd door het vernietigingsarrest nr. 150/2021, enkel betrekking op het retroactieve karakter van het decreet van 22 oktober 2020, in zoverre dat decreet, met terugwerkende kracht, een student die gedurende het academiejaar 2019-2020 minstens 45 studiepunten had behaald verhinderde zich voor het academiejaar 2020-2021 te kunnen inschrijven in het tweede « studiejaar van 60 studiepunten » van het programma van de eerste cyclus van de universitaire studie diergeneeskunde, zelfs indien hij niet in het bezit was van het « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » beoogd in artikel 4 van het decreet van 13 juli
- De ongrondwettigheid die werd vastgesteld bij de arresten nrs. 82/2021 en 150/2021, had enkel betrekking op het feit dat de inwerkingtreding, op 8 november 2020, van de artikelen 1 en 2 van het decreet van 22 oktober 2020 tot gevolg had gehad de geldigheid van dat type van 15 inschrijving, zoals die welke in het geding was in de zaak die aanleiding gaf tot die arresten, opnieuw in het geding te brengen. Verder dan dat retroactief karakter heeft het Hof de verlenging van de gevolgen van het voormelde artikel 4 tot na het academiejaar 2019-2020 niet opnieuw in het geding gebracht. B.12.
- Ten opzichte van de draagwijdte van de arresten nrs. 82/2021 en 150/2021, omvat de categorie van de in B.9.2 beoogde studenten, namelijk « de studenten die, op het einde van het academiejaar 2019-2020, minstens 45 studiepunten hadden behaald en geen attest van slagen moesten behalen voor het vergelijkend examen op het einde van het jaar », studenten die zich, in het licht van de in het geding zijnde maatregel, niet bevinden in een situatie die wezenlijk verschilt van die van de andere studenten wat betreft hun inschrijving voor de leeractiviteiten van het tweede jaar van de studiecyclus diergeneeskunde voor het academiejaar 2021-2022, en de vereiste om houder te zijn van het « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » bedoeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli
- Zo kunnen de studenten die, op het einde van het academiejaar 2019-2020, minstens 45 studiepunten hadden behaald zonder houder te zijn van het voormelde attest, maar die hun inschrijving hebben aangevraagd na 8 november 2020, of niet hebben aangevraagd, voor het academiejaar 2020-2021, niet worden beschouwd als zijnde, door de terugwerkende kracht van het decreet van 22 oktober 2020, verhinderd om zich in te schrijven voor de leeractiviteiten van het tweede jaar van de studiecyclus die werd aangevat tijdens het academiejaar 2019-
- Die studenten kunnen bijgevolg niet rechtmatig erop rekenen zich, gedurende hun studieprogramma, te kunnen inschrijven voor dat academiejaar zonder houder te zijn van het « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » bedoeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli
- Overigens kunnen de studenten die, op het einde van het academiejaar 2019-2020, minstens 45 studiepunten hadden behaald zonder houder te zijn van het voormelde attest, maar die hun – in voorkomend geval voorlopige – inschrijving, voor het academiejaar 2020-2021, voor de leeractiviteiten van het tweede jaar van de studiecyclus die werd aangevat tijdens het academiejaar 2019-2020 zouden hebben verkregen vóór 8 november 2020, het effect erga omnes van het vernietigingsarrest nr. 150/2021 genieten. De studenten die werden ingeschreven, voor het academiejaar 2020-2021, voor de leeractiviteiten van het tweede jaar van de studiecyclus terwijl zij minstens 45 studiepunten hadden behaald op het einde van het 16 academiejaar 2019-2020 maar geen « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » hadden behaald, werden de facto vrijgesteld van die vereiste van een « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus ». Ten slotte konden de studenten die, op het einde van het academiejaar 2019-2020, minstens 45 studiepunten hadden behaald maar die bij het vergelijkend examen niet batig werden gerangschikt om een van de « attesten van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » te verkrijgen, zich opnieuw inschrijven, voor het academiejaar 2020-2021, in het programma van de eerste 60 studiepunten van de studiecyclus diergeneeskunde teneinde het vergelijkend examen opnieuw af te leggen, of zich heroriënteren met overname van de verworven studiepunten en met behoud van de mogelijkheid om het vergelijkend examen opnieuw af te leggen (artikelen 7 en 8 van het decreet van 13 juli 2016; zie ook Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2015-2016, nr. 311/2, pp. 6-7). B.12.
- Rekening houdend met het voorgaande, is artikel 9 van het decreet van 17 juni 2021, in zoverre het op identieke wijze van toepassing is op de studenten, voor hun inschrijving voor de leeractiviteiten van het tweede jaar van de studiecyclus diergeneeskunde voor het academiejaar 2021-2022, met inbegrip van de studenten die, op het einde van het academiejaar 2019-2020, minstens 45 studiepunten hadden behaald zonder houder te zijn van een « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus », niet onbestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet. B.
- Het Hof merkt evenwel op dat, binnen de globale categorie van de studenten bedoeld in B.9.2, studenten die, op het einde van het academiejaar 2019-2020, minstens 45 studiepunten hadden behaald zonder houder te zijn van het voormelde attest en die zouden aantonen dat zij vóór 8 november 2020 hun inschrijving voor de leeractiviteiten van het tweede jaar van de studiecyclus aangevat tijdens het academiejaar 2019-2020 hebben aangevraagd, maar die daartoe zouden zijn verhinderd op grond van het retroactief karakter van het decreet van 22 oktober 2020, rechtmatig zouden mogen hebben verwacht zich te kunnen inschrijven voor dat academiejaar 2020-2021 zonder houder te zijn van het « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » bedoeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli
- In de veronderstelling dat sommige van de studenten die betrokken zijn in de voor de verwijzende rechter hangende geschillen tot die specifieke categorie behoren - hetgeen de 17 verwijzende rechter dient na te gaan -, dan zouden zij zich in een situatie bevinden die wezenlijk verschilt van die van de andere studenten, in het licht van de legitieme verwachting, die zij mogelijk tijdelijk koesterden, toelating te kunnen verkrijgen tot die leeractiviteiten zonder houder te zijn van het « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » bedoeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli
- Artikel 9 van het decreet van 17 juni 2021, in zoverre het van toepassing zou zijn op die zeer beperkte categorie van studenten, voor hun inschrijving, voor het academiejaar 2021-2022, voor de leeractiviteiten van het tweede jaar van de studiecyclus diergeneeskunde die werd aangevat tijdens het academiejaar 2019-2020, zou dan niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet. 18 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Onder voorbehoud van hetgeen in B.13 is vermeld, schendt artikel 9 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juni 2021 « houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de studies diergeneeskundige wetenschappen » de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof op 22 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.101 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.212 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.258 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.259 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.260 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div