id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.103 Arrest- Rolnummer: 103/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 1313 - laatst gezien 2026-06-18 18:56 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikel 326/7, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 289bis/7, § 3, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, artikel 146duodecies, § 3, van het Wetboek der successierechten en artikel 211bis/7, § 3, van het Wetboek diverse rechten en taksen, ingevoegd bij de artikelen 9, 26, 41 en 55 van de wet van 20 december 2019 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie[s] », in zoverre zij erin voorzien dat de intermediair die gehouden is tot het strafrechtelijk gesanctioneerde beroepsgeheim zich niet kan beroepen op het beroepsgeheim ten aanzien van de periodieke meldingsplicht inzake marktklare constructies in de zin van artikel 326/4 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, van artikel 289bis/4 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, van artikel 146nonies van het Wetboek der successierechten en van artikel 211bis/4 van het Wetboek diverse rechten en taksen) - Vernietiging (artikel 289bis/13 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, artikel 146septdecies van het Wetboek der successierechten en artikel 211bis/12 van het Wetboek diverse rechten en taksen, ingevoegd bij de artikelen 32, 46 en 60 van de voormelde wet van 20 december 2019) - Houdt de uitspraak aan over de grieven die zijn vermeld in B.64 en B.87, in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de prejudiciële vraag die is gesteld bij het arrest nr. 167/2020 van 17 december 2020 - Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (alvorens ten gronde uitspraak te doen over de grieven vermeld in B.21, B.32, B.38, B.52, B.92 en B.94) - Verwerping van de beroepen voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 20 december 2019 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies », ingesteld door de feitelijke vereniging « Belgian Association of Tax Lawyers » en anderen, door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », door de Orde van Vlaamse balies en Alex Tallon en door het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten en anderen. Fiscale transparantie binnen de Europese Unie - Vlaams Gewest - Agressieve grensoverschrijdende fiscale constructies - Meldingsplicht - Intermediairs - Advocaten - Beroepsgeheim Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 103/2022 van 15 september 2022 Rolnummers : 7407, 7409, 7410 en 7412 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 20 december 2019 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies », ingesteld door de feitelijke vereniging « Belgian Association of Tax Lawyers » en anderen, door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », door de Orde van Vlaamse balies en Alex Tallon en door het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten [thans : het Instituut van de belastingadviseurs en de accountants] en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters T. Giet, J. Moerman, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 juni 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 juni 2020, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 20 december 2019 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2019) door de feitelijke vereniging « Belgian Association of Tax Lawyers », P.V. en G.G., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Malherbe, advocaat bij de balie te Brussel. Bij afzonderlijk verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde wet. Bij het arrest nr. 168/2020 van 17 december 2020, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 april 2021, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. 2 b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 juni 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 juni 2020, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Scarnà, advocaat bij de balie te Brussel. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 juni 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 juli 2020, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet door de Orde van Vlaamse balies en Alex Tallon, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 juni 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 juli 2020, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 5 tot 9, 16, 22 tot 26, 32, 37 tot 41, 46, 51 tot 55 en 60 van dezelfde wet door het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten, het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten, Frédéric Delrue, Mirjam Vermaut, Bart Van Coile en Vincent Delvaux, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Judo, advocaat bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7407, 7409, 7410 en 7412 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de ivzw « Conseil des barreaux européens », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie, en door Mr. C. De Jonghe en Mr. E. Esterzon, advocaten bij de balie te Brussel; - de « Conseil national des barreaux de France », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-P. Hordies, advocaat bij de balie te Brussel, en door Mr. G. de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door F. Roland, adviseur-generaal bij de FOD Financiën. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. De Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 20 april 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 4 mei 2022 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge de verzoeken van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 4 mei 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 8 juni
- 3 Op de openbare terechtzitting van 8 juni 2022 : - zijn verschenen : . Mr. P. Malherbe, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407; . Mr. S. Scarnà en Mr. J. Noël, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7409; . Mr. P. Wouters, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7410; . Mr. F. Judo, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7412; . Mr. M. Grégoire, voor de ivzw « Conseil des barreaux européens » (tussenkomende partij); . Mr. J.-P. Hordies, tevens loco Mr. G. de Foestraets, voor de « Conseil national des barreaux de France » (tussenkomende partij); . adviseur-generaal F. Roland, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het onderwerp van de beroepen A.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7407, 7409, 7410 en 7412 vorderen de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 20 december 2019 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies » (hierna : de wet van 20 december 2019). Zij merken op dat de wet van 20 december 2019 het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 92), het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, het Wetboek der successierechten en het Wetboek diverse rechten en taksen wijzigt met het oog op de omzetting van de richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 « tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies » (hierna : de richtlijn (EU) 2018/822). 4 Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.2.
- De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 7407 zet uiteen dat zij een feitelijke vereniging is van Belgische advocaten die zijn gespecialiseerd in fiscaal recht en dat zij vertegenwoordigd wordt door haar algemeen lasthebber. De tweede en de derde verzoekende partij in de zaak nr. 7407 zetten uiteen dat zij in fiscale zaken gespecialiseerde advocaten zijn. Zij voeren aan dat de wet van 20 december 2019 de leden van de eerste verzoekende partij, alsook de tweede en de derde verzoekende partij rechtstreeks en ongunstig kunnen aantasten. A.2.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7409 voert aan dat haar opdracht met name erin bestaat de belangen van de advocaten en van de rechtzoekenden te verdedigen. Zij onderstreept dat de wet van 20 december 2019 van toepassing is op de personen die zijn onderworpen aan het beroepsgeheim, zoals de advocaten. Zij voegt eraan toe dat die wet maatregelen bevat die de rechtszekerheid en het privéleven van de rechtzoekenden en van de advocaten aantasten. A.2.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410, waarvan de tweede een advocaat is, zetten uiteen dat het beroepsgeheim wezenlijk deel uitmaakt van het beroep van advocaat en zij verwijzen in dat verband naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van het Grondwettelijk Hof, van het Hof van Cassatie en van de Raad van State. Volgens hen tast de wet van 20 december 2019 de situatie van de advocaten rechtstreeks en ongunstig aan, daar die laatsten zich blootstellen aan ofwel tuchtsancties wegens de schending van het beroepsgeheim wanneer zij zich in overeenstemming brengen met de voormelde wet, ofwel aan zware geldboeten wanneer zij zich niet daaraan conformeren. Zij voegen eraan toe dat de aantasting van het beroepsgeheim van de advocaten de belangen van de rechtzoekenden rechtstreeks en ongunstig aantast. A.2.
- De eerste twee verzoekende partijen in de zaak nr. 7412 zetten uiteen dat zij wettelijk ermee belast zijn te waken over de naleving van het beroepsgeheim door hun leden. In zijn memorie van antwoord geeft het Instituut van de belastingsadviseurs en de accountants aan de rechtsopvolger te zijn van de eerste twee verzoekende partijen. De derde tot de zesde verzoekende partij in de zaak nr. 7412 verklaren dat het voor hen, in hun beroepshoedanigheid, onmogelijk is om tegelijk de wet van 20 december 2019 en het beroepsgeheim na te leven. A.3.
- De ivzw « Raad van Europese balies », tussenkomende partij in de zaken nrs. 7407, 7409, 7410 en 7412, zet uiteen dat haar statutair doel erin bestaat de balies te vertegenwoordigen, het beroep van advocaat te verdedigen en te waken over de naleving van de grondrechten. Zij is van mening dat zij belang erbij heeft om in de zaak tussen te komen, daar de wet van 20 december 2019 de advocaten een meldingsplicht oplegt die per definitie een grensoverschrijdende dimensie heeft en afbreuk doet aan het beroepsgeheim. A.3.
- De « Conseil national des barreaux de France », tussenkomende partij in de zaken nrs. 7407, 7409, 7410 en 7412, zet uiteen dat hij wettelijk ermee is belast het beroep van advocaat in Frankrijk en in het buitenland te vertegenwoordigen. Hij verantwoordt zijn belang om tussen te komen door aan te voeren dat de wet van 20 december 2019 betrekking heeft op grensoverschrijdende bepalingen en dat zij van toepassing kan zijn op Franse advocaten die diensten verlenen in België of op Belgische advocaten die diensten verlenen in Frankrijk. A.
- Het belang van de verzoekende en tussenkomende partijen wordt niet betwist door de andere partijen. Ten gronde Wat betreft het eerste middel in de zaak nr. 7407 A.5.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 leiden een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 19 tot 46 van de wet van 20 december 2019, van de artikelen 10, 11, 35, 39, 170, § 2, en 172 van de Grondwet, van artikel 16, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), van artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen (hierna : de bijzondere wet 12 januari 1989) en van de artikelen 3, 4 en 5 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (hierna : de bijzondere wet van 16 januari 1989). Zij voeren aan dat de bestreden bepalingen een meldingsplicht inzake registratierechten en successierechten regelen en hierbij in sancties voorzien, en dat zij derhalve inbreuk maken op de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest, die is gegrond op artikel 5, § 4, van de bijzondere wet van 16 januari 1989, om de dienst betreffende die belastingen te regelen. Zij verwijzen in dat verband naar het arrest van het Hof nr. 130/2014 van 19 september
- Daarnaast zijn zij van mening dat de registratierechten en de 5 successierechten niet vallen onder het toepassingsgebied van artikel 170, § 2, van de Grondwet. Zij voegen eraan toe dat artikel 16, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet kan worden toegepast, daar de richtlijn (EU) 2018/822 niet moet worden omgezet op het gebied van de registratierechten en de successierechten. A.5.
- De Ministerraad onderstreept dat de bestreden bepalingen, in zoverre zij betrekking hebben op gewestbelastingen, alleen van toepassing zijn op de gewesten waaraan de dienst van de belastingen nog niet is overgedragen, namelijk het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, en dat zij dus niet van toepassing zijn op het Vlaamse Gewest. A.5.
- In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 eraan toe dat het middel eveneens is afgeleid uit de schending van artikel 170 van de Grondwet. Zij merken op dat de bestreden bepalingen, in de door de Ministerraad voorgestelde interpretatie, de in het middel beoogde normen niet schenden. Wat betreft het tweede middel in de zaak nr. 7407 A.6.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 leiden een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 19 tot 46 van de wet van 20 december 2019, van de artikelen 10, 11, 143, § 1, en 170 van de Grondwet, van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en van artikel 1ter van de bijzondere wet van 6 januari
- Zij voeren aan dat de bestreden bepalingen grondwettelijk alleen in het Waalse Gewest en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een meldingsplicht kunnen opleggen inzake successierechten en registratierechten. Volgens hen doen de bestreden bepalingen derhalve een onverantwoord verschil in behandeling ontstaan, naargelang de intermediairs en de belastingplichtigen zich, enerzijds, in het Vlaamse Gewest of, anderzijds, in het Waalse Gewest of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bevinden. A.6.
- De Ministerraad voert aan dat het bekritiseerde verschil in behandeling voortvloeit uit de bevoegdheidverdelende regels. Hij voegt eraan toe dat de richtlijn (EU) 2018/822 eveneens is omgezet in het Vlaamse Gewest, zodat het verschil in behandeling onbestaande is. A.6.
- In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 eraan toe dat het middel eveneens is afgeleid uit de schending van artikel 172 van de Grondwet. Zij preciseren dat zij tevens een beroep tot vernietiging hebben ingesteld tegen het Vlaams decreet dat de richtlijn (EU) 2018/822 omzet. Zij voeren aan dat de in het middel beoogde normen de federale overheid en het Vlaamse Gewest ertoe verplichtten vooraf een akkoord te sluiten. A.6.
- De Ministerraad repliceert dat het voorafgaande akkoord van het Vlaamse Gewest niet vereist was. Hij voegt eraan toe dat, in elk geval, de in artikel 5, § 3, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 bedoelde overlegprocedure is gevolgd. Wat betreft het derde middel in de zaak nr. 7407 A.7.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet door de artikelen 2 tot 60 van de wet van 20 december
- Zij voeren aan dat het onevenredig is de meldingsplicht voor grensoverschrijdende constructies op te leggen ten aanzien van andere belastingen dan de vennootschapsbelasting. Volgens hen behandelt de wet aldus intermediairs en belastingplichtigen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden op dezelfde wijze, zonder dat hiervoor een redelijke verantwoording bestaat. Zij voegen eraan toe dat de wezenskenmerken vermeld in de bijlage bij de richtlijn (EU) 2018/822 niet zijn aangepast aan andere belastingen dat de vennootschapsbelasting. A.7.
- De Ministerraad onderstreept dat de richtlijn (EU) 2018/822 de Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 « betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG » (hierna : de richtlijn 2011/16/EU), waarvan het toepassingsgebied betrekking heeft op alle andere belastingen dan de btw en de douanerechten en accijnzen, heeft gewijzigd. Hij voegt eraan toe dat het feit dat sommige wezenskenmerken minder aangepast zijn aan bepaalde belastingen, de in het middel beoogde bepalingen niet schendt, daar de constructie niet moet worden gemeld bij ontstentenis van een wezenskenmerk. A.7.
- In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 eraan toe dat het middel eveneens is afgeleid uit de schending van artikel 172 van de Grondwet. Zij onderstrepen dat uit de 6 parlementaire voorbereiding niet blijkt hoe de registratierechten en successierechten zouden kunnen worden vermeden door middel van een agressieve grensoverschrijdende fiscale planning. Wat betreft het vierde middel in de zaak nr. 7407 A.8.
- Het vierde middel van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 is gericht tegen de artikelen 326/1, 2° en 3°, en 326/2 van het WIB 1992, de artikelen 289bis/1, 2° en 3°, en 289bis/2 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, de artikelen 146sexies, 2° en 3°, en 146septies van het Wetboek der successierechten en de artikelen 211bis/1, 2° en 3°, en 211bis/2 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij de artikelen 3, 4, 20, 21, 35, 36, 49 en 50 van de wet van 20 december
- Zij voeren aan dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna : het VEU), met de artikelen 26, lid 2, 49, 56, 63, 65, lid 3, en 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), met de artikelen 7, 8, lid 1, en 51 tot 53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest) en met artikel 17 van het internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zij onderstrepen allereerst dat de door de richtlijn (EU) 2018/822 opgelegde meldingsplicht op een dubbel vermoeden berust :
(1)het onweerlegbare vermoeden dat een grensoverschrijdende constructie die een wezenskenmerk vertoont, een risico van belastingontwijking of van belastingmisbruik impliceert en
(2)het in sommige gevallen weerlegbare vermoeden dat een dergelijke constructie hoofdzakelijk wordt gemotiveerd door een fiscaal doel. Volgens hen voldoet die meldingsplicht niet aan de twee voorwaarden die zijn opgelegd door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, daar die niet afhankelijk is van de voorafgaande benutting, door de Staat, van de gewoonlijke informatiebronnen en daar die doorgaans leidt tot de overdracht van inlichtingen die niet naar verwachting van belang zijn. Bovendien voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 aan dat de Europese vrijheden van verkeer zich ertegen verzetten dat wettelijke vermoedens die ertoe strekken misbruiken of fraude te bestrijden, worden toegepast op transacties die niet louter kunstmatig zijn. Zij voegen eraan toe dat de richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 « tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt » (hierna : de richtlijn (EU) 2016/1164) reeds toelaat belastingontwijking te bestrijden. In ondergeschikte orde voeren zij aan dat de door de richtlijn (EU) 2018/822 opgelegde meldingsplicht onevenredig is, in zoverre die zich niet beperkt tot de vennootschapsbelasting. In meer ondergeschikte orde zijn zij van mening dat alleen de wezenskenmerken die een aanwijzing vormen voor een belastingvoordeel dat zowel voortvloeit uit een agressieve fiscale planning als uit een kunstmatige methode, kunnen voldoen aan de vereiste van evenredigheid. Daarnaast bekritiseren zij het feit dat het, wanneer bepaalde wezenskenmerken aanwezig zijn, niet mogelijk is zich te onttrekken aan de meldingsplicht door te bewijzen dat de constructie hoofdzakelijk een niet-fiscaal doel nastreeft. Ten slotte vragen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 om aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen. A.8.
- De Ministerraad voert aan dat de wet van 20 december 2019 de richtlijn (EU) 2018/822 omzet, die wordt verondersteld geldig te zijn. Wat betreft de vraag of het opportuun is prejudiciële vragen te stellen, gedraagt hij zich naar de wijsheid van het Hof. Ten slotte, in verband met de toepassing van de wet van 20 december 2019 op andere belastingen dan de vennootschapsbelasting, verwijst hij naar de weerlegging van het derde middel. A.8.
- In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 eraan toe dat het middel eveneens is afgeleid uit de schending van de artikelen 2, 4, lid 3, en 6 van het VEU, van artikel 16, lid 1, van het VWEU, van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet. Zij antwoorden dat de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, lid 3, van het VEU, zich verzetten tegen het bestaan van een vermoeden van geldigheid van een richtlijn. Zij voegen eraan toe dat de in het kader van het vierde middel opgeworpen vragen voorafgaan aan die welke worden opgeworpen in het kader van het achtste middel. Wat betreft het vijfde, zesde en zevende middel in de zaak nr. 7407 en het eerste middel in de zaak nr. 7409 A.9.
- Het vijfde middel van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 is gericht tegen de artikelen 326/1, 4°, tweede lid, en 326/3, § 1, van het WIB 1992, de artikelen 289bis/1, 4°, tweede lid, en 289bis/3, § 1, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, de artikelen 146sexies, 4°, tweede lid, en 146octies, § 1, van het Wetboek der successierechten en de artikelen 211bis/1, 4°, tweede lid, en 211bis/3, § 1, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij de artikelen 3, 5, 20, 22, 35, 37, 49 en 51 van de wet van 20 december 7 2019, in samenhang gelezen met de artikelen 18, 31, 33 en 47 van de voormelde wet. Zij voeren aan dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met de artikelen 20, 48, lid 1, 49, 51 en 52 van het Handvest, met de artikelen 6, leden 1 en 2, en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 10, 11, 12, 14, 170, § 2, en 172 van de Grondwet. Zij voeren aan dat de definitie van de intermediairs die geen promotor zijn, definitie die letterlijk is overgenomen uit de richtlijn (EU) 2018/822, onvoldoende nauwkeurig is. Bovendien zijn zij van mening dat dergelijke intermediairs niet in staat zijn een geldige melding in te vullen, melding die de inlichtingen moet bevatten die worden bedoeld in artikel 8bis ter, lid 14, van de richtlijn 2011/16/EU. Zij voegen eraan toe dat die definitie ertoe leidt identieke verplichtingen op te leggen aan personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden. Zij verzoeken om aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen. Daarnaast merken zij op dat een ruime definitie van het begrip « intermediair » de goede werking van de richtlijn (EU) 2018/822 zelf kan hinderen. Ten slotte onderstrepen zij dat de Franse « Conseil constitutionnel » bij een arrest van 29 december 2013 een wet die verplichtingen oplegde inzake de melding van schema’s voor fiscale optimalisatie heeft vernietigd wegen schending van het beginsel van rechtszekerheid. A.9.
- Het zesde middel van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 is gericht tegen de artikelen 326/3, § 1, en 326/8, § 2, van het WIB 1992, de artikelen 289bis/3, § 1, en 289bis/8, § 2, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, de artikelen 146octies, § 1, en 146terdecies, § 2, van het Wetboek der successierechten en de artikelen 211bis/3, § 1, en 211bis/8, § 2, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij de artikelen 5, 10, 22, 27, 37, 42, 51 en 56 van de wet van 20 december 2019, in samenhang gelezen met de artikelen 18, 31, 33 en 47 van de voormelde wet. Zij voeren aan dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met de artikelen 20, 48, lid 1, 49, 50, 51 en 52 van het Handvest, met de artikelen 6, leden 1 en 2, en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en met de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet. Volgens hen laten de bestreden bepalingen niet toe het aanvangspunt van de meldingstermijn nauwkeurig vast te stellen. Zij voegen eraan toe dat de meldingsplicht in werking kan worden gesteld door een handeling van iemand anders waarvan de intermediair niet noodzakelijk kennis heeft. Volgens hen riskeert elk verzuim van een melding een zwaardere straf met zich mee te brengen door het verzuim van een melding van de vorige fase, zodat eenzelfde misdrijf het voorwerp zal uitmaken van meerdere sancties. Bovendien verwijten zij de bestreden bepalingen toe te laten dat een intermediair die aanvullend optreedt, meermaals wordt bestraft wegens een onvolledige melding, terwijl hij geen toegang heeft gehad tot de volledige vereiste informatie. Ten slotte verzoeken zij om aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen. A.9.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 leiden een zevende middel af uit de schending, door de artikelen 61 en 62, in samenhang gelezen met de artikelen 18, 31, 33 en 47 van de wet van 20 december 2019, van de artikelen 20, 48, lid 1, 49, 50, 51 en 52 van het Handvest, van de artikelen 6, leden 1 en 2, en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en van de artikelen 10, 11, 12, 14, 172 en 190 van de Grondwet. Zij voeren aan dat de richtlijn (EU) 2018/822 een retroactieve werking heeft, in zoverre zij de melding van de constructies waarvan de eerste stap is geïmplementeerd tussen de datum van inwerkingtreding ervan (25 juni 2018) en de toepassingsdatum ervan (1 juli 2020) oplegt. Volgens hen heeft die terugwerkende kracht onevenredige gevolgen. Zij verzoeken om aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen. Daarnaast voegen zij eraan toe dat, ook al voorziet de bestreden wet niet in sancties wanneer de melding heeft plaatsgehad tussen 1 september 2020 en 31 december 2020, zulks niet de toepassing uitsluit van de administratieve sancties waarin de algemene bepalingen van de betrokken wetboeken voorzien. A.9.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7409 leidt een eerste middel af uit de schending, door de wet van 20 december 2019, van de artikelen 12, 14 en 190 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 49 van het Handvest en met de grondbeginselen van rechtszekerheid en niet-retroactiviteit van de wetten. De verzoekende partij in de zaak nr. 7409 merkt op dat niet-naleving van de bij de wet van 20 december 2019 opgelegde verplichtingen wordt bestraft met administratieve geldboeten van 1 250 tot 100 000 euro en dat de schaal van geldboeten is vastgelegd bij het koninklijk besluit van 20 mei 2020 « tot uitvoering van de artikelen 18, 31, 33 en 47 van de wet van 20 december 2019 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies ». Met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof en naar die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelt zij dat die administratieve geldboeten strafrechtelijk van aard zijn, zodat de bepalingen van de wet van 20 december 2019 onderworpen zijn aan het wettigheidsbeginsel in zijn formele en materiële dimensie, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van niet-retroactiviteit van de wetten. 8 Zij merkt op dat, krachtens de artikelen 5, 22, 37 en 51 van de wet van 20 december 2019, een intermediair verplicht is de inlichtingen over meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies waarvan hij kennis, bezit of controle heeft, aan de bevoegde overheid te verstrekken. Volgens haar zijn de bestreden bepalingen opzettelijk in vage en onduidelijke bewoordingen en begrippen uitgedrukt, zodat de adressaten van de wet van 20 december 2019 elke rechtszekerheid wordt ontnomen. Ten eerste merkt zij op dat de wet van 20 december 2019 geen definitie geeft van het begrip « constructie », dat nochtans centraal staat. Volgens haar doet de door de wet van 20 december 2019 aangebrachte verduidelijking dat « een constructie […] uit verscheidene stappen of onderdelen [kan] bestaan » vermoeden dat een constructie ook uit slechts één stap of onderdeel kan bestaan, wat de betekenis van dat begrip nog onzekerder maakt. Daarnaast stelt zij dat, in tegenstelling tot hetgeen in de parlementaire voorbereiding wordt gesuggereerd, het begrip « constructie » niet kan worden gedefinieerd aan de hand van de bij de wet van 20 december 2019 vastgestelde « wezenskenmerken ». Ten tweede voert zij aan dat noch de tekst van de wet van 20 december 2019, noch de parlementaire voorbereiding toelaten de draagwijdte van de kwalificatie « grensoverschrijdend » en van het begrip « deelnemer » aan een constructie te begrijpen. Ten derde merkt zij op dat de wet van 20 december 2019 in vijf categorieën van wezenskenmerken voorziet om te bepalen of een grensoverschrijdende constructie al dan niet moet worden gemeld. Volgens haar zijn die wezenskenmerken onduidelijk en niet relevant. Zij voert aan dat de « main benifit test », waarnaar sommige wezenskenmerken verwijzen, uiterst subjectief is. Zij bekritiseert het gebrek aan nauwkeurigheid van de wezenskenmerken van categorie A, 3°, van categorie B, 2°, van categorie C, 4°, en van categorie E, 1° en 2°. Zij voegt eraan toe dat de parlementaire voorbereiding verwarrend is en zij vraagt zich af hoe het begrip « marktklare constructie » moet worden gecombineerd met het wezenskenmerk van categorie A, 3°. Ten slotte is zij van mening dat sommige wezenskenmerken niet zijn aangepast aan de andere belastingen dan de inkomenstenbelastingen. Ten vierde zijn de te verstrekken inlichtingen volgens haar onduidelijk en obscuur. Zij stelt in dat verband onder meer dat de definitie van « verbonden onderneming » niet voldoende duidelijk en precies is geformuleerd. Zij onderstreept dat het nochtans onontbeerlijk is dat de meldingsplichtige inlichtingen duidelijk worden gedefinieerd, omdat een onvolledige melding wordt bestraft met administratieve geldboeten van strafrechtelijke aard. Volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 7409 dienen aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen te worden gesteld, daar de onnauwkeurigheid van de verschillende begrippen toe te schrijven is aan de richtlijn (EU) 2018/
- Ten slotte stelt zij dat artikel 61 van de wet van 20 december 2019 voorziet in een retroactieve toepassing van de meldingsverplichtingen, in zoverre het de melding oplegt van constructies waarvan de eerste stap is geïmplementeerd tussen 25 juni 2018 en 1 juli
- Volgens haar hadden de intermediairs en de relevante belastingplichtigen, op het ogenblik van de implementatie van een grensoverschrijdende constructie, moeten kunnen bepalen of die constructie moet worden gemeld. De verzoekende partij in de zaak nr. 7409 doet gelden dat die terugwerkende kracht niet absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. A.9.
- De argumentatie die de ivzw « Raad van Europese Balies » in haar memorie van tussenkomst uiteenzet, sluit aan bij die van de verzoekende partij in de zaak nr.
- Zij voegt eraan toe dat het begrip « intermediair » eveneens de vereiste nauwkeurigheid mist. Bovendien is zij van mening dat de bepalingen betreffende de vrijstelling van de meldingsplicht voor de intermediairs die zijn onderworpen aan het beroepsgeheim, onnauwkeurig zijn. Ten slotte voert zij aan dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan het beginsel van de niet-retroactiviteit van de strafwet. A.9.
- De « Conseil national des barreaux de France » verwijst naar de argumentatie die de ivzw « Raad van Europese Balies » heeft uiteengezet. Hij voegt eraan toe dat de onnauwkeurigheid van de bewoordingen in de richtlijn (EU) 2018/822 het risico doet ontstaan van een overdreven uitbreiding van het toepassingsgebied ervan. Hij is van mening dat aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen dienen te worden gesteld. A.9.
- De Ministerraad onderstreept dat de bekritiseerde bepalingen de tekst van de richtlijn (EU) 2018/822 overnemen. Hij verwijst naar de tekst van die bepalingen en naar de parlementaire voorbereiding en is van mening dat de verschillende bekritiseerde begrippen voldoende duidelijk zijn. 9 Ten eerste, in verband met het begrip « intermediair », is hij van mening dat het voldoende duidelijk is om een deskundige ter zake toe te laten om te beoordelen of hij al dan niet een intermediair is. Hij voegt eraan toe dat een intermediair niet wordt verondersteld te beschikken over alle inlichtingen die moeten worden meegedeeld door de bevoegde overheid van een lidstaat. Ten tweede voert hij aan dat de bestreden bepalingen toelaten om het aanvangspunt van de meldingstermijn nauwkeurig te identificeren en dat de meldingsplicht van een intermediair niet in werking wordt gesteld door een handeling van iemand anders. Ten derde, wat het begrip « constructie » betreft, preciseert hij dat het niet is gedefinieerd, daar zulks niet zou hebben toegelaten de agressieve fiscale planning doeltreffend te bestrijden. Ten vierde, wat het begrip « deelnemer » betreft, zet hij uiteen dat de relevante belastingplichtige steeds een deelnemer is, terwijl de intermediair pas een deelnemer is indien hij een actieve rol speelt in de constructie. Ten vijfde, wat betreft de wezenskenmerken en de main benefit test, is hij van mening dat de intermediair en de relevante belastingplichtige geschikt zijn om op redelijke wijze te oordelen of een constructie een voornamelijk fiscaal doel nastreeft. Daarnaast preciseert hij dat het wezenskenmerk van categorie A, 3°, aansluit bij het begrip « marktklare constructie », maar dat hiermee alleen rekening kan worden gehouden indien is voldaan aan de main benefit test. Volgens de Ministerraad is het feit dat sommige wezenskenmerken in mindere mate aangepast zijn aan sommige belastingen, niet strijdig met het wettigheidsbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid, daar de afwezigheid van een wezenskenmerk betekent dat de constructie niet valt onder het toepassingsgebied van de wet van 20 december
- Daarnaast onderstreept de Ministerraad dat de sancties waarin is voorzien in geval van niet-naleving van de meldingsverplichtingen, daadwerkelijk, evenredig en ontradend zijn. Ten slotte voert hij aan dat uit het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State blijkt dat de bestreden bepalingen niet retroactief zijn. Hij voegt eraan toe dat in een advies bekendgemaakt op 4 juni 2020 op de website van de FOD Financiën is aangekondigd dat de datum waarop de constructies waarvan de eerste stap is geïmplementeerd tussen 25 juni 2018 en 30 juni 2020 moeten worden gemeld, is uitgesteld tot 28 februari
- Ten aanzien van de opportuniteit om aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen, gedraagt de Ministerraad zich naar de wijsheid van het Hof. A.9.
- In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 eraan toe dat het vijfde middel eveneens is afgeleid uit de schending van de artikelen 2, 4, lid 3, en 6 van het VEU, van de artikelen 47, 48, lid 2, 50 en 53 van het Handvest en van artikel 170 van de Grondwet. Zij antwoorden dat geen enkele bepaling een intermediair toelaat een gedeeltelijke melding in te dienen die niet alle vereiste inlichtingen bevat. A.9.
- In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 eraan toe dat het zesde middel eveneens is afgeleid uit de schending van de artikelen 2, 4, lid 3, en 6 van het VEU, van de artikelen 47, 48, lid 2, en 53 van het Handvest en van artikel 172 van de Grondwet. Zij antwoorden dat geen enkele bepaling een intermediair vrijstelt van zijn meldingsplicht voor een fase zodra hij is betrokken bij die fase. Zij voegen eraan toe dat een intermediair die zijn beroepsgeheim heeft aangevoerd, niet is vrijgesteld van zijn meldingsplicht indien de relevante belastingplichtige niet voor elke fase overgaat tot een volledige melding binnen de opgelegde termijn. A.9.
- In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 eraan toe dat het zevende middel eveneens is afgeleid uit de schending van de artikelen 2, 4, lid 3, en 6 van het VEU, van de artikelen 47, 48, lid 2, en 53 van het Handvest en van artikel 170 van de Grondwet. Zij antwoorden dat een rechtzoekende op de dag dat hij handelingen stelt die later meldingsverplichtingen in werking zullen stellen, op de hoogte moet zijn van de normen die op hem van toepassing zullen zijn. A.9.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7409 antwoordt dat belastingadministratie « FAQ’s » heeft gepubliceerd teneinde aanwijzingen te geven over de meldingsplicht voor mogelijk agressieve grensoverschrijdende constructies. Volgens haar geven die « FAQ’s » aan het begrip « constructie » een andere interpretatie dan die welke in de parlementaire voorbereiding wordt gegeven en laten zij evenmin toe het begrip « deelnemer » te verduidelijken. Bovendien is zij van mening dat, teneinde hun verplichtingen te bepalen, de 10 intermediair en de relevante belastingplichtige de wezenskenmerken moeten toepassen op elke belasting, zodat het feit dat verschillende wezenskenmerken niet aangepast zijn aan sommige belastingen, in strijd is met het wettigheidsbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid. Ten slotte voert zij aan dat de wet van 20 december 2019 retroactief is in zoverre zij van toepassing is op de constructies waarvan de eerste stap is geïmplementeerd tussen 25 juni 2018 en 1 juli 2020, aangezien de meldingsplicht een wezenlijk bestanddeel is van de te melden constructies en aangezien de wet van 20 december 2019 een ontradend doel nastreeft, dat geen betrekking kan hebben op reeds geïmplementeerde constructies. Zij is echter van mening dat dat ontradend doel niet overeenstemt met een dwingende sociale behoefte, daar het erom gaat de belastingadministratie in staat te stellen onterecht druk uit te oefenen opdat de belastingplichtige zou afzien van een nochtans wettige transactie. Ten slotte voegt zij eraan toe dat het uitstel waarnaar de Ministerraad verwijst, op geen enkele wettelijke basis steunt. A.9.
- De Ministerraad repliceert dat, luidens de wet van 20 december 2019, de intermediair alleen de inlichtingen moet meedelen waarvan hij kennis, bezit of controle heeft. Wat betreft het achtste middel in de zaak nr. 7407 en het tweede middel in de zaak nr. 7409 A.10.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 leiden een achtste middel af uit de schending, door de artikelen 9, 10, 26, 27, 41, 42, 54 en 55 van de wet van 20 december 2019, van de artikelen 7, 8, lid 1, 20, 47, 48, 51 tot 53 van het Handvest, van de artikelen 6, lid 3, en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en van de artikelen 10, 11, 22, 29 en 170 van de Grondwet. Zij onderstrepen dat het beroepsgeheim van de advocaat een algemeen beginsel is dat bijdraagt tot de naleving van de grondrechten en dat het zich onderscheidt van het beroepsgeheim dat van toepassing is op andere beroepen. Zij verwijzen naar de arresten van het Hof nrs. 10/2008 van 23 januari 2008, 174/2018 van 6 december 2018 en 143/2019 van 17 oktober
- Volgens hen doen de bestreden bepalingen in verschillende opzichten afbreuk aan het beroepsgeheim van de advocaat :
(1)de advocaat-intermediair kan zich niet beroepen op het beroepsgeheim in aanwezigheid van een marktklare constructie, waarvan de definitie bovendien te vaag is,
(2)de mogelijkheid waarover de cliënt beschikt om het beroepsgeheim van zijn advocaat op te heffen, is niet verenigbaar met het karakter van openbare orde ervan,
(3)de advocaat-intermediair die zich beroept op het beroepsgeheim blijft ertoe gehouden andere intermediairs of de relevante belastingplichtige, die niet noodzakelijk zijn cliënten zijn, in kennis te stellen,
(4)de advocaat-intermediair blijft ertoe gehouden over te gaan tot de melding indien de andere intermediairs zulks niet doen,
(5)de relevante belastingplichtigen kunnen eisen dat de intermediairs die zijn onderworpen aan het beroepsgeheim hun alle inlichtingen meedelen die noodzakelijk zijn om over te gaan tot de melding,
(6)de advocaten zijn niet vrijgesteld van de verplichting om inlichtingen mee te delen zoals is vastgelegd in de artikelen 14, 16, 46 en 60 van de wet van 20 december
- Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 kunnen de met de richtlijn (EU) 2018/822 en met de wet van 20 december 2019 nagestreefde doelstellingen die aantastingen van het beroepsgeheim van de advocaat niet verantwoorden. Volgens hen kunnen die aantastingen evenmin worden verantwoord door de zorg om een economische gelijkheid te vrijwaren tussen de advocaten en de leden van andere beroepscategorieën die zijn onderworpen aan het beroepsgeheim en die eveneens fiscaal advies verstrekken. Zij zijn van mening dat de advocaten zouden moeten worden vrijgesteld van de toepassing van de richtlijn (EU) 2018/822 en dat hun cliënten niet ertoe zouden moeten worden verplicht de identiteit van hun advocaat bekend te maken, noch de inhoud van hun gesprekken met hem en van de documenten die zij met hem hebben uitgewisseld. Zij voegen daaraan toe dat, in tegenstelling tot wat blijkt uit de parlementaire voorbereiding, het Belgisch fiscaal recht geen verplichting tot medewerking oplegt aan de advocaten wanneer de gevraagde inlichtingen betrekking hebben op hun cliënten. Zij voeren aan dat een beperking van het beroepsgeheim van de advocaat alleen aanvaardbaar is onder de drievoudige voorwaarde dat die beperking verantwoord is door een dwingende reden, dat ze is vastgelegd in een duidelijke en voorzienbare wet en dat ze strikt evenredig is, hetgeen te dezen niet het geval is. Volgens hen vloeit uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens voort dat een beperking van het beroepsgeheim van de advocaat alleen evenredig kan zijn indien die ertoe strekt onwettige activiteiten te bestrijden en indien is voorzien in het optreden van de stafhouder. Bovendien stellen zij vast dat de regels waarin de wet van 20 december 2019 voorziet, regels die betrekking hebben op wettige constructies inzake belastingontwijking, het beroepsgeheim van de advocaat in mindere mate beschermen dan de regels die van toepassing zijn inzake de voorkoming van het witwassen van geld, die betrekking hebben op bijzonder ernstige strafrechtelijke misdrijven. Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 dienen aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen te worden gesteld. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 voeren daarnaast aan dat de meldingsplicht in strijd is met de vrijheid van meningsuiting. 11 A.10.2.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7409 leidt een tweede middel af uit de schending, door de wet van 20 december 2019, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, van de artikelen 7, 8, 20 en 21 van het Handvest, van de artikelen 1 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 17 van het internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 47, 48, 49, 51 en 52 van het Handvest, met de algemene rechtsbeginselen inzake de rechten van verweer en met artikel 6, lid 2, van het VEU. A.10.2.
- Verwijzend naar de rechtspraak van het Hof en naar die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zet de verzoekende partij in de zaak nr. 7409 inleidend de draagwijdte uiteen van het recht op eerbiediging van het privéleven en die van het beroepsgeheim van de advocaat. Zij onderstreept dat de advocaat die optreedt binnen het kader van zijn opdracht van verweer, van analyse van een rechtstoestand of van juridisch advies, met inbegrip in fiscale zaken, is onderworpen aan het beroepsgeheim. Zij zet op dezelfde wijze als de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407, de verschillende aantastingen van het beroepsgeheim van de advocaat uiteen die voortvloeien uit de wet van 20 december
- A.10.2.
- In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 7409 aan dat de wet van 20 december 2019 in strijd is met het recht op eerbiediging van het privéleven en met het recht op een eerlijk proces en, inzonderheid, het beroepsgeheim van de advocaat. Allereerst voert zij aan dat de bestreden bepalingen verder gaan dat hetgeen noodzakelijk is om belastingontwijking te bestrijden, en zulks om de volgende redenen :
(1)de wet van 20 december 2019 heeft betrekking op wettige constructies,
(2)de wezenskenmerken beogen in wezen de directe belastingen, die onder de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten vallen,
(3)de geïsoleerde initiatieven van de lidstaten zullen indruisen tegen de fundamentele vrijheden van de Europese Unie en tegen de overeenkomsten tot voorkoming van dubbele belasting,
(4)verschillende wetgevingen laten reeds toe om toegang te hebben tot de relevante fiscale inlichtingen,
(5)de uitvoering van fiscale controles vertoont te dezen weinig nut, daar de gemelde constructies wettig zijn,
(6)de richtlijn (EU) 2016/1164, die betrekking heeft op het fiscale misbruiken, is alleen van toepassing op de vennootschapsbelasting en beoogt slechts de kunstmatige constructies, zodat zij de relevantie van de te dezen te melden inlichtingen slechts op zeer beperkte wijze kan verantwoorden. Ten tweede is de verzoekende partij in de zaak nr. 7409 van mening dat de inmenging niet op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze is gedefinieerd. Zij verwijst naar de argumentatie die zij heeft uiteengezet in haar eerste middel. Ten derde voert zij, ten aanzien van de intermediairs die zijn onderworpen aan het beroepsgeheim, aan dat de inmenging niet in verhouding staat tot het nagestreefde doel, om de volgende redenen :
(1)de verplichting voor de advocaat om inlichtingen te delen met een andere intermediair schendt het beroepsgeheim,
(2)de wet van 20 december 2019 voorziet niet in het optreden van de stafhouder,
(3)de wet van 20 december 2019 regelt niet de controle van de naleving van de verplichtingen die zijn opgelegd aan de intermediairs die aan het beroepsgeheim zijn onderworpen,
(4)de nominatieve melding is onevenredig, temeer daar die het risico inhoudt dat de belastingadministratie druk uitoefent op de intermediairs opdat zij zouden afzien van nochtans wettige transacties,
(5)het is onevenredig dat de meldingsplicht steunt op de aanwezigheid van een enkel wezenskenmerk zonder concreet onderzoek van de relevantie van de te melden gegevens,
(6)de wet van 20 december 2019 plaatst de advocaat-intermediair voor het volgende dilemma : de niet-inachtneming van de meldingsplicht stelt hem bloot aan administratieve sancties van stafrechtelijke aard, terwijl de melding van een constructie die niet had moeten worden gemeld, hem blootstelt aan strafrechtelijke, deontologische en burgerrechtelijke sancties wegens de schending van het beroepsgeheim,
(7)de administratieve last die voortvloeit uit de wet van 20 december 2019 is onredelijk zwaar. Volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 7409 dienen aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen te worden gesteld over de evenredigheid van de inmengingen in het recht op eerbiediging van het privéleven en over de aantasting van het beroepsgeheim van de advocaat. A.10.2.
- In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 7409 aan dat de wet van 20 december 2019 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre zij alle aan het beroepsgeheim onderworpen intermediairs op dezelfde wijze behandelt en niet voorziet in onderscheiden regels voor de advocaten. Zij verzoekt prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. 12 A.10.
- De argumentatie die de ivzw « Raad van Europese Balies » uiteenzet in haar memorie van tussenkomst sluit aan bij die van de verzoekende partij in de zaak nr.
- De ivzw « Raad van Europese Balies » verzoekt eveneens prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. A.10.
- De « Conseil national des barreaux de France » verwijst naar de argumentatie die de ivzw « Raad van de Europese Balies » heeft uiteengezet. Hij voegt eraan toe dat de wet van 20 december 2019, door de meldingsplicht waarin de richtlijn (EU) 2018/822 voorziet, uit te breiden tot de advocaten, artikel 4, lid 3, van het VEU, artikel 2, lid 2, van het VWEU, de artikelen 8 en 48 van het Handvest en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt. Ten slotte stelt hij voor aan het Hof van Justitie drie prejudiciële vragen te stellen. A.10.
- De Ministerraad merkt allereerst op dat het beroepsgeheim van de advocaat niet absoluut is. Volgens hem zijn de richtlijn (EU) 2018/822 en de wet van 20 december 2019 verantwoord door een dwingende reden van algemeen belang, daar zij ertoe strekken de nationale belastinggrondslagen tegen uitholling te beschermen en een billijkere fiscale omgeving binnen de interne markt te creëren. Hij onderstreept dat de mededeling van inlichtingen betreffende mogelijk agressieve fiscale constructies de lidstaten toelaat snel te reageren door middel van wetswijzigingen, risicoanalyses of fiscale controles. Vervolgens zet hij uiteen dat de aantasting van het beroepsgeheim strikt evenredig is met het nagestreefde doel, daar
(1)het toepassingsgebied van de wet van 20 december 2019 zich beperkt tot de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies,
(2)een algemene afwijking elk nut zou ontnemen aan de richtlijn (EU) 2018/822,
(3)het beroepsgeheim van toepassing blijft op het bepalen van de juridische situatie en de verdediging van de cliënt,
(4)de meldingsplicht uitsluitend van toepassing is indien de houder van het beroepsgeheim handelt als intermediair,
(5)de meldingsplicht beperkt is tot de mogelijk agressieve fiscale planning,
(6)het bewijs dat de intermediair die zich beroept op het beroepsgeheim de andere intermediairs of zijn cliënt erover heeft ingelicht, noodzakelijk is om de belastingadministratie toe te laten de naleving te controleren van de verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijn (EU) 2018/822, en
(7)de meldingsplicht voor de marktklare constructies geen betrekking heeft op inlichtingen die zijn gedekt door het beroepsgeheim. Hij voegt eraan toe dat de intermediair die is gehouden tot het beroepsgeheim, is vrijgesteld van die meldingsplicht zodra hij een andere intermediair of de relevante belastingplichtige daarover behoorlijk heeft ingelicht, zonder dat hij zich ervan moet vergewissen dat die laatsten daadwerkelijk overgaan tot de melding. Hij preciseert eveneens dat niets een advocaat-intermediair belet zijn stafhouder te raadplegen. Ten slotte is hij van mening dat de kritiek betreffende de wijze waarop de naleving van de meldingsplicht zal worden gecontroleerd door de belastingadministratie en betreffende het risico dat de belastingadministratie druk uitoefent, onder het intentieproces vallen. De Ministerraad voegt eraan toe dat, in het licht van het bedenken, aanbieden of opzetten van een grensoverschrijdende constructie, de situatie van een advocaat-intermediair vergelijkbaar is met die van een andere aan het beroepsgeheim onderworpen intermediair, zodat niets een verschil in behandeling verantwoordt. Ten aanzien van de vereiste van duidelijkheid en voorzienbaarheid verwijst de Ministerraad naar de weerlegging van het vijfde en zesde middel in de zaak nr. 7407 en van het eerste middel in de zaak nr.
- Hij voegt eraan toe dat het begrip « marktklare constructie » voldoende duidelijk is. Ten slotte ziet de Ministerraad niet in op welke manier de meldingsplicht de vrijheid van meningsuiting schendt. Ten aanzien van de vraag of het opportuun is aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen, gedraagt de Ministerraad zich naar de wijsheid van het Hof. A.10.
- In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7407 eraan toe dat het middel eveneens is afgeleid uit de schending van de artikelen 2, 4, lid 3, 6 en 19, lid 1, van het VEU, van artikel 16, lid 1, van het VWEU, van de artikelen 49 en 50 van het Handvest, van de artikelen 6, leden 1 en 2, 7, 8 en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en van de artikelen 19 en 172 van de Grondwet. Zij antwoorden dat het Hof, bij het arrest nr. 114/2020 van 24 september 2020, heeft bevestigd dat de toegenomen bescherming van het beroepsgeheim van de advocaat eveneens betrekking heeft op de juridische adviezen in de ruime zin. Zij voegen eraan toe dat het beroepsgeheim van de advocaat onontbeerlijk is voor de goede werking van de rechtsstaat en dat het derhalve de bescherming geniet die wordt geboden door de artikelen 2 en 19 van het VEU. A.10.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7409 antwoordt dat de wet van 20 december 2019 de advocaat in een situatie plaats waarin zijn belang tegenover dat van zijn cliënt staat, daar de advocaat belang erbij zal hebben 13 elk advies te vermijden dat hem ertoe kan brengen mogelijkerwijs een constructie te moeten melden, terwijl de transactie die hij had kunnen adviseren, het meest geschikt was voor zijn cliënt. Volgens haar wordt de advocaat aldus zijn onafhankelijkheid ontnomen. Daarnaast voert zij aan dat het doel dat erin bestaat de belastingadministratie toe te laten de betrokkenen af te raden om de gemelde constructies te implementeren, niet overeenstemt met een dwingende sociale behoefte, daar zulks aanleunt bij het uitoefenen van onterechte druk, daar zulks niet gepaard gaat met enige waarborg en daar de antimisbruikbepalingen toelaten transacties te ontraden die fiscale misbruiken vormen. Daarnaast onderstreept zij dat het optreden van de stafhouder onmogelijk wordt gemaakt door de korte termijn van dertig dagen waarin de constructies moeten worden gemeld en door het fenomeen van de « overvloedige melding » van de constructies dat zal waartoe de onnauwkeurigheid van de wet van 20 december 2019 zal leiden. Bovendien voert zij aan dat een controle van alle constructies waarover een advocaat-intermediair advies heeft verstrekt, teneinde de naleving van de meldingsplicht voor mogelijk agressieve grensoverschrijdende constructies te waarborgen, een schending van het beroepsgeheim zou inhouden die volkomen onevenredig zou zijn. A.10.
- De Ministerraad repliceert dat, wanneer een advocaat-intermediair die zich beroept op het beroepsgeheim, de andere intermediairs (of, bij ontstentenis, de relevante belastingplichtige) bij gemotiveerd schrijven inlicht over hun meldingsplicht, de motivatie niet alle details van de constructie moet vermelden, maar uitsluitend betrekking heeft op de reden waarom het beroepsgeheim wordt aangevoerd. Wat betreft het eerste middel in de zaak nr. 7410 A.11.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 leiden een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 1 tot en met 62 van de wet van 20 december 2019, van de artikelen 22, 29 en 170 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, met het algemeen rechtsbeginsel van het beroepsgeheim van de advocaat, met de artikelen 1, 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 20, 21, 47, 48, 49 en 51 van het Handvest en met artikel 6 van het VEU. Zij voeren aan dat artikel 326/7, § 3, van het WIB 1992, artikel 289bis/7, § 3, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, artikel 146duodecies, § 3, van het Wetboek der successierechten en artikel 211bis/7, § 3, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd door de artikelen 9, 26, 41 en 55 van de wet van 20 december 2019, die bepalingen schenden doordat zij uitsluiten dat een advocaat die optreedt als intermediair, zich op zijn beroepsgeheim beroept om te worden vrijgesteld van de periodieke meldingsplicht inzake marktklare constructies. De advocaat kan echter niet voldoen aan die meldingsplicht zonder zijn beroepsgeheim te schenden. De verzoekende partijen verwijzen daarbij naar de rechtspraak van het Hof, waaruit blijkt dat het loutere feit dat beroep wordt gedaan op een advocaat, onder de bescherming van het beroepsgeheim valt. Volgens de verzoekende partijen is er geen enkele verantwoording voor een dergelijke absolute en a priori opheffing van het beroepsgeheim. De doelstelling om lidstaten toe te laten zogenaamde achterpoortjes te sluiten, verantwoordt niet dat de advocaat verplicht wordt zijn beroepsgeheim te schenden om een perfect legale constructie te melden en kan niet worden beschouwd als een dwingende reden van algemeen belang. Het argument dat de advocaat de meldingsplicht moet vervullen en dat hij zich in het geval van marktklare constructies, in tegenstelling tot andere grensoverschrijdende constructies, niet kan beroepen op het beroepsgeheim, omdat de belastingplichtige in dat laatste geval onvoldoende informatie heeft om zelf aan de meldingsplicht te voldoen, houdt bij nader onderzoek geen stand. Bovendien is er onvoldoende duidelijkheid over de precieze invulling van het begrip « marktklare constructie », zodat de meldingsplicht in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. In ondergeschikte orde, indien het Hof tot de vaststelling zou komen dat het de grondwettigheid van de wet van 20 december 2019 niet kan beoordelen zonder de geldigheid van de richtlijn (EU) 2018/822 te onderzoeken, stellen de verzoekende partijen voor om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.11.
- De Ministerraad voert aan dat de meldingsplicht voor mogelijk agressieve grensoverschrijdende constructies verantwoord is door een dwingende reden van algemeen belang, namelijk het beschermen van de nationale belastinggrondslagen tegen uitholling. Volgens hem is dat des te meer het geval voor de marktklare constructies, daar zij op grote schaal kunnen worden verspreid. Hij voegt eraan toe dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft gesteld dat het verantwoord is dat het beroepsgeheim niet van toepassing is in aanwezigheid van een marktklare constructie. Hij preciseert dat een marktklare constructie niet kan worden beschermd door het beroepsgeheim, daar die wordt ontwikkeld voordat de relatie ontstaat tussen de advocaat en de cliënt. Hij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 43/2019 en is van mening dat het feit dat de melding de naam van de revelante belastingplichtige bevat, het beroepsgeheim niet schendt. Bovendien leidt hij uit de rechtspraak van het Hof van Justitie af dat het beroepsgeheim niet kan worden aangevoerd wanneer de advocaat optreedt als 14 zaakwaarnemer en is hij van mening dat zulks het geval is ten aanzien van een marktklare constructie. Volgens hem maakt het ingewikkelde karakter van de marktklare constructies het overigens niet mogelijk de meldingsplicht te laten rusten op de relevante belastingplichtigen. Daarnaast voert hij aan dat het begrip « marktklare constructie » voldoende nauwkeurig is. Ten slotte merkt de Ministerraad op dat hij zich niet ertegen kan verzetten dat aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag wordt gesteld. A.11.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 antwoorden, ten aanzien van alle middelen, dat de verwijzingen naar de parlementaire voorbereiding met omzichtigheid moeten worden gelezen, daar die betrekking hebben op een voorontwerp van wet dat een heel andere reglementering inzake het beroepsgeheim bevatte. Zij voegen eraan toe dat het feit dat een meldingsplicht ten laste van de belastingplichtige legitiem kan zijn, niet inhoudt dat een aantasting van het beroepsgeheim van de advocaat dat eveneens zou zijn. Opdat het doel van de wet van 20 december 2019 wordt bereikt, is het volgens hen niet noodzakelijk dat de advocaat-intermediair andere personen dan zijn cliënt in kennis stelt. Bovendien zijn zij van mening dat de advocaat-intermediair niet in eigen naam maar in naam en voor rekening van zijn cliënt de kennisgevingen zou moeten kunnen uitvoeren waartoe hij moet overgaan. Vervolgens preciseren zij dat elke inlichting die wordt meegedeeld aan de advocaat door zijn cliënt, is beschermd door het beroepsgeheim en dat een advocaat-intermediair optreedt binnen de perken van het beroep van advocaat. Ten slotte onderstrepen zij dat de bestreden bepalingen niet gepaard gaan met waarborgen, zoals het optreden van de stafhouder. Specifiek ten aanzien van het eerste middel voegen zijn eraan toe dat de argumentatie van de Ministerraad geen rekening houdt met de situatie van de advocaten die onder het toepassingsgebied vallen van de tweede alinea van de definitie van het begrip « intermediair ». A.11.
- De Ministerraad repliceert dat het tweede lid van de definitie van het begrip « intermediair » elkeen toelaat aan te tonen dat hij niet wist en niet redelijkerwijs kon worden geacht te weten dat hij deelnam aan een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie. Hij voegt eraan toe dat, wanneer een advocaat-intermediair voorstelt een marktklare constructie substantieel aan te passen, het dan niet langer een marktklare constructie betreft. Ten slotte merkt de Ministerraad op dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 niet uitleggen waarom zij de termijn hebben laten verstrijken om bij het Hof van Justitie een vordering in te stellen tegen de richtlijn (EU) 2018/822, met toepassing van artikel 263 van het VWEU. Wat betreft het tweede middel in de zaak nr. 7410 A.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 leiden een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 1 tot 62 van de wet van 20 december 2019, van de artikelen 22, 29 en 170 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, met het algemeen rechtsbeginsel van het beroepsgeheim van de advocaat, met de artikelen 1, 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 20, 21, 47, 48, 49 en 51 van het Handvest en met artikel 6 van het VEU. Zij splitsen dat middel op in vijf onderdelen. Eerste onderdeel A.13.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 klagen aan dat de ontheffing van de meldingsverplichtingen in het geval van beroepsgeheim slechts uitwerking heeft op het tijdstip dat een andere intermediair voldaan heeft aan de meldingsplicht. Het is voor de advocaat immers onmogelijk zich daarvan te vergewissen, zonder alsnog zijn beroepsgeheim te schenden. A.13.
- De Ministerraad voert aan dat de intermediair die zich beroept op het beroepsgeheim is vrijgesteld van zijn meldingsplicht zodra hij de andere intermediairs of de relevante belastingplichtige in kennis stelt. A.13.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 antwoorden dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende interpretaties die worden gegeven aan de bestreden bepaling en dat de ongrondwettigheid moet worden vastgesteld van de interpretatie waarop zij hebben gewezen. 15 Tweede onderdeel A.14.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 klagen aan dat de advocaat-intermediair die zich op zijn beroepsgeheim wil beroepen, ertoe gehouden is de andere betrokken intermediairs schriftelijk en gemotiveerd ervan op de hoogte te brengen dat hij niet aan zijn meldingsplicht kan voldoen. Volgens de verzoekende partijen kan hij die vereiste onmogelijk vervullen zonder alsnog het beroepsgeheim te schenden. De vereiste is overigens niet noodzakelijk om de melding van de grensoverschrijdende constructie te garanderen, aangezien de cliënt, al dan niet bijgestaan door de advocaat, de andere intermediairs kan inlichten en hen kan vragen om te voldoen aan hun meldingsplicht. A.14.
- De Ministerraad voert aan dat het beroepsgeheim niet is geschonden in een dergelijke situatie, daar alle intermediairs reeds op de hoogte zijn van het bestaan van de constructie. Volgens hem is het mogelijk dat de verschillende intermediairs overleg plegen om te bepalen wie onder hen zal overgaan tot de melding. Bovendien onderstreept hij dat, wanneer een intermediair de andere intermediairs op gemotiveerde wijze erover inlicht dat hij niet kan voldoen aan zijn meldingsplicht, de motivatie uitsluitend betrekking moet hebben op de reden waarom het beroepsgeheim wordt aangevoerd. A.14.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 antwoorden dat de bestreden bepalingen ertoe verplichten alle andere intermediairs in te lichten, ook diegenen van wie de advocaat-intermediair het bestaan niet kende. Zij voegen eraan toe dat de verplichting om over te gaan tot een gemotiveerde kennisgeving impliceert dat details worden meegedeeld over de constructie en over de betrokken personen. A.14.
- De Ministerraad repliceert dat de advocaat-intermediair niet alle intermediairs in kennis moet stellen, maar uitsluitend diegenen van wie hij weet dat zij bij de te melden constructie zijn betrokken. Derde onderdeel A.15.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 klagen aan dat de advocaat-intermediair die zich op zijn beroepsgeheim wil beroepen ten aanzien van de meldingsplicht, bij gebrek aan andere intermediair, verplicht is de relevante belastingplichtige of belastingplichtigen schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte te brengen van de meldingsplicht. Indien die belastingplichtige niet de cliënt is van de advocaat-intermediair, is het volgens de verzoekende partijen niet mogelijk dat laatstgenoemde voldoet aan die verplichting zonder het beroepsgeheim te schenden. De verzoekende partijen wijzen erop dat het mogelijk moet zijn dat de advocaat zich ertoe beperkt zijn cliënt te wijzen op zijn verplichting om de belastingplichtige te informeren over de meldingsplicht. A.15.
- De Ministerraad is van mening dat het derde onderdeel berust op een hypothese die onbestaande is. Volgens hem is de relevante belastingplichtige, in afwezigheid van andere intermediairs, noodzakelijkerwijs de cliënt van de advocaat. A.15.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 antwoorden dat het bijvoorbeeld mogelijk is dat de cliënt van de advocaat een dochteronderneming van de relevante belastingplichtige is. A.15.
- De Ministerraad repliceert dat het, in het door de verzoekende partijen gegeven voorbeeld, weinig waarschijnlijk is dat er geen andere intermediair bestaat waarvan de moedermaatschappij cliënt zou zijn. Hij is van mening dat, zelfs in afwezigheid van een andere intermediair, de advocaat het beroepsgeheim niet schendt door zijn kennisgeving te richten aan de moedermaatschappij, aangezien die kennis heeft van het bestaan van de constructie. Vierde en vijfde onderdeel A.16.
- In het vierde onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 het feit dat de wet van 20 december 2019 in de mogelijkheid voorziet, voor de relevante belastingplichtige, cliënt van de advocaat-intermediair, om laatstgenoemde de opdracht te geven toch te voldoen aan de meldingsplicht. Hierdoor zou het voor de belastingplichtige mogelijk worden de advocaat te verplichten zijn beroepsgeheim te schenden. Het vijfde onderdeel gaat uit van dezelfde veronderstelling, maar dan in het geval dat de relevante belastingplichtige niet de cliënt zou zijn. 16 A.16.
- Ten aanzien van het vierde onderdeel onderstreept de Ministerraad dat, wanneer de relevante belastingplichtige de aan het beroepsgeheim onderworpen intermediair toestaat om over te gaan tot de melding, die laatste kan overgaan tot de melding, maar daartoe niet verplicht is. Volgens hem kan de intermediair eveneens de melding voorleggen aan de tuchtautoriteit van zijn beroepsvereniging. Ten slotte verwijst hij naar een arrest van het Hof van Cassatie van 3 oktober 2018 en is hij van mening dat het beroepsgeheim zich niet ertegen verzet dat de relevante belastingplichtige zelf overgaat tot de melding of de intermediair toestaat daartoe over te gaan. Ten aanzien van het vijfde middel onderstreept de Ministerraad dat de toestemming van de relevante belastingplichtige geen verplichting inhoudt voor de intermediair, en al zeker niet wanneer de relevante belastingplichtige niet de cliënt van de intermediair is. A.16.
- Ten aanzien van het vierde en het vijfde onderdeel antwoorden de verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 dat het arrest van het Hof van Cassatie van 3 oktober 2018 niet relevant is. Zij voegen eraan dat het beroepsgeheim van de advocaat van openbare orde is. Wat betreft het derde middel in de zaak nr. 7410 A.17.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 leiden een derde middel af uit de schending, door de artikelen 1 tot 62 van de wet van 20 december 2019, van de artikelen 22, 29 en 170 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, met het algemeen rechtsbeginsel van het beroepsgeheim van de advocaat, met de artikelen 1, 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 20, 21, 47, 48, 49 en 51 van het Handvest en met artikel 6 van het VEU. Zij klagen aan dat, de advocaat-intermediair slechts kan worden ontheven van zijn meldingsplicht indien hij schriftelijk bewijs kan voorleggen dat die plicht reeds door een andere intermediair werd volbracht. Het is voor de advocaat-intermediair niet mogelijk dat schriftelijke bewijs te verkrijgen zonder zijn beroepsgeheim te schenden. A.17.
- De Ministerraad voert aan dat het derde middel berust op een verkeerde lezing van de bestreden bepalingen. Volgens hem is de intermediair die zich beroept op het beroepsgeheim, ontheven van zijn meldingsplicht zodra hij de andere intermediairs of de relevante belastingplichtige in kennis heeft gesteld. A.17.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 antwoorden dat uit artikel 326/6, tweede lid, van het WIB 1992, zoals ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 20 december 2019, blijkt dat de intermediair alleen van zijn meldingsplicht is ontheven indien hij het schriftelijke bewijs kan leveren dat een andere intermediair de melding reeds heeft uitgevoerd. A.17.
- De Ministerraad repliceert dat, in aanwezigheid van meerdere intermediairs, de ontheffing bepaald in artikel 9 van de wet van 20 december 2019, eveneens van toepassing kan zijn. Wat betreft het vierde middel in de zaak nr. 7410 A.18.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 leiden een vierde middel af uit de schending, door de artikelen 1 tot 62 van de wet van 20 december 2019, van de artikelen 22, 29 en 170 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van rechtszekerheid, met het algemeen rechtsbeginsel van het beroepsgeheim van de advocaat, met de artikelen 1, 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 20, 21, 47, 48, 49 en 51 van het Handvest en met artikel 6 van het VEU. Zij voeren aan dat de artikelen 14, 16, 46 en 60 van de wet van 20 december 2019 de belastingadministratie toelaten controles uit te voeren bij de intermediairs. Zij zien niet in waarom de advocaat-intermediair, die zich kan beroepen op het beroepsgeheim om te worden ontheven van de meldingsplicht, zich daarna daarop niet zou kunnen beroepen in het kader van een dergelijke controle. A.18.
- De Ministerraad onderstreept dat, wanneer een aan het beroepsgeheim onderworpen intermediair andere intermediairs of de relevante belastingplichtige ervan in kennis stelt dat hij niet kan overgaan tot de melding, die intermediair zich eveneens kan beroepen op het beroepsgeheim in het kader van een latere controle. Hij merkt op dat artikel 334 van het WIB 1992 niet is gewijzigd en dat de gewoonlijke regels inzake het aanvoeren van het beroepsgeheim bij een fiscale controle te dezen van toepassing zijn. Ten slotte merkt hij op dat de belastingadministratie zich alleen rechtstreeks kan richten tot de intermediair wanneer de relevante belastingplichtige de gevraagde inlichtingen niet meedeelt met toepassing van het nieuwe artikel 315quater van het WIB
- 17 A.18.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 antwoorden dat het niet redelijk verantwoord is de advocaat-intermediair ertoe te verplichten inlichtingen mee te delen die door het beroepsgeheim zijn beschermd. Bovendien stellen zij vast dat, ten aanzien van de andere fiscale wetboeken dan het WIB 1992, de artikelen 46 en 60 van de wet van 20 december 2019 toelaten de inlichtingen rechtstreeks te vragen aan de advocaat-intermediair. Wat betreft het vijfde middel in de zaak nr. 7410 A.19.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 leiden een vijfde middel af uit de schending, door de wet van 20 december 2019, van de artikelen 22, 29 en 170 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, met het algemeen rechtsbeginsel van het beroepsgeheim van de advocaat, met de artikelen 1, 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 20, 21, 47, 48, 49 en 51 van het Handvest en met artikel 6 van het VEU. Meer specifiek vragen zij, in dat onderdeel, de vernietiging van artikel 61 van de wet, dat de inwerkingtreding ervan regelt. A.19.
- De Ministerraad is van mening dat het vijfde middel niet gegrond is, aangezien de andere middelen dat niet zijn. A.19.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7410 antwoorden dat de in de andere middelen aangeklaagde ongrondwettigheden ook gelden voor artikel 61 van de wet van 20 december
- Wat betreft het eerste middel in de zaak nr. 7412 A.20.
- De verzoekende partijen in de zaak 7412 leiden een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 5 tot 9, 16, 22 tot 26, 32, 37 tot 41, 51 tot 55 en 60 van de wet van 20 december 2019, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7 en 8 van het Handvest. Volgens hen doen de bestreden bepalingen een verschil in behandeling ontstaan ten aanzien van het beroepsgeheim, naargelang de intermediairs advies geven over de bestaande rechtstoestand van de cliënt of over de toekomstige rechtstoestand van de cliënt of over niet-juridische elementen van de toestand van de cliënt. Zij bekritiseren het feit dat de bestreden bepalingen in het tweede geval het beroepsgeheim niet te beschermen. A.20.
- De Ministerraad voert aan dat de bestreden bepalingen geen verschil in behandeling doen ontstaan naargelang de intermediair al dan niet juridische advies verstrekt of naargelang hij advies geeft over de bestaande of toekomstige toestand van de cliënt. Hij merkt op dat de uittreksels uit de parlementaire voorbereiding waarop de verzoekende partijen hun argumentatie doen steunen, betrekking hebben op het oorspronkelijke voorontwerp van wet, dat is aangepast aansluitend op het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. A.20.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7412 antwoorden dat de door de Ministerraad voorgestelde interpretatie door het Hof zou moeten worden overgenomen in een interpretatievoorbehoud. Wat betreft het tweede middel in de zaak nr. 7412 A.21.
- In ondergeschikte orde leiden de verzoekende partijen in de zaak 7412 een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 5 tot 9, 16, 22 tot 26, 32, 37 tot 41, 46, 51 tot 55 en 60 van de wet van 20 december 2019, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 7 van het Handvest. Zij voeren aan dat de wet van 20 december 2019 geen bepaling bevat die vergelijkbaar is met artikel 53 van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (hierna : de wet van 18 september 2017). Volgens hen vloeit hieruit voort dat de bestreden bepalingen het beroepsgeheim in minder mate beschermen dan de wetgeving tot voorkoming van het witwassen van geld. A.21.
- De ivzw « Raad van Europese balies » onderstreept dat artikel 52 van de wet van 18 september 2017 de opheffing van het beroepsgeheim van de advocaat afhankelijk stelt van het voorafgaande optreden van de stafhouder, wiens rol zeker pertinent is in het licht van artikel 53 van de voormelde wet. Zij stelt vast dat de wet van 20 december 2019 niet voorziet in een dergelijke waarborg. 18 A.21.
- De « Conseil national des barreaux de France » verwijst naar de argumentatie die de ivzw « Raad van Europese balies » heeft uiteengezet. A.21.
- De Ministerraad voert aan dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de bestreden bepalingen betreffende de ontheffing van de meldingsplicht dezelfde draagwijdte hebben als de bepaling waarin de wet van 18 september 2017 voorziet. Hij besluit dat het bekritiseerde verschil in behandeling onbestaande is. A.21.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7412 antwoorden dat de door de Ministerraad voorgestelde interpretatie door het Hof zou moeten worden overgenomen in een interpretatievoorbehoud. Wat betreft het derde middel in de zaak nr. 7412 A.22.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7412 leiden een derde middel af uit de schending, door de artikelen 5 tot 9, 16, 22 tot 26, 32, 37 tot 41, 46, 51 tot 55 en 60 van de wet van 20 december 2019, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 7 van het Handvest. Zij voeren aan dat de bestreden bepalingen, zonder dat een redelijke verantwoording bestaat, een verschil in behandeling doen ontstaan onder de intermediairs, naargelang zij al dan niet samenwerken met andere intermediairs. Zij onderstrepen dat, in aanwezigheid van meerdere intermediairs, een intermediair die zich beroept op het beroepsgeheim de andere intermediairs hiervan op gemotiveerde wijze in kennis moet stellen : ofwel zijn de andere intermediairs niet onderworpen aan het beroepsgeheim en schendt de verplichting tot gemotiveerde kennisgeving in dat geval het beroepsgeheim, ofwel zijn de andere intermediairs eveneens onderworpen aan het beroepsgeheim en is de laatste intermediair aldus, met schending van het beroepsgeheim, ertoe gehouden over te gaan tot de melding. Volgens hen vloeit hieruit voort dat, wanneer een intermediair samenwerkt met andere intermediairs, de bestreden bepalingen noodzakelijkerwijs leiden tot een schending van het beroepsgeheim. A.22.
- De ivzw « Raad van Europese balies » voert aan dat niets verantwoordt dat de advocaat die samenwerkt met intermediairs die niet zijn onderworpen aan het beroepsgeheim, het beroepsgeheim moet schenden. A.22.
- De « Conseil national des barreaux de France » verwijst naar de argumentatie die de ivzw « Raad van Europese balies » uiteenzet. A.22.
- De Ministerraad voert aan dat bestreden bepalingen noodzakelijk zijn voor de omzetting van de richtlijn (EU) 2018/
- Hij voegt eraan toe dat een intermediair die zich beroept op het beroepsgeheim, wanneer hij de andere intermediairs daarvan op gemotiveerde wijze in kennis stelt, het beroepsgeheim niet schendt, daar alle relevante intermediairs reeds kennis hebben van het bestaan van de constructie. Bovendien moet de motivatie uitsluitend betrekking hebben op de reden waarom het beroepsgeheim wordt aangevoerd. A.22.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7412 antwoorden dat de omzetting van een richtlijn de wetgever niet toestaat zich te onttrekken aan de naleving van de grondwettelijke normen. Zij voegen eraan toe dat het standpunt van de Ministerraad volgens hetwelk de motivering geen betrekking zou hebben op de constructie, niet overeenstemt met de tekst van de bestreden bepalingen. Wat betreft het vierde middel in de zaak nr. 7412 A.23.
- De verzoekende partijen in de zaak 7412 leiden een vierde middel af uit de schending, door de artikelen 5 tot 9, 16, 22 tot 26, 32, 37 tot 41, 46, 51 tot 55 en 60 van de wet van 20 december 2019, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 7 van het Handvest. Zij zijn van mening dat het niet redelijk verantwoord is dat de bestreden bepalingen, in tegenstelling tot artikel 334 van het WIB 1992, geen enkele rol toekent aan de tuchtoverheden. Volgens hen zouden de tuchtoverheden hun standpunt moeten kunnen geven wanneer wordt overwogen een constructie te melden, hetgeen overigens verzoenbaar zou zijn met de doelstellingen van de richtlijn (EU) 2018/
- A.23.
- De Ministerraad voert aan dat een wezenlijk verschil bestaat tussen de melding zonder voorafgaand verzoek die voortvloeit uit de bestreden bepalingen en de in diverse fiscale bepalingen opgenomen verplichting 19 om te antwoorden op de verzoeken van de belastingadministratie. Bovendien verklaart hij, verwijzend naar de parlementaire voorbereiding, dat de bestreden bepalingen het optreden van de tuchtoverheden niet uitsluiten. A.23.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7412 antwoorden dat het, in het licht van de bescherming van het beroepsgeheim, niet relevant is een onderscheid te maken naargelang het beroepsgeheim riskeert te worden geschonden ten gevolge van een verzoek van de belastingadministratie of ten gevolge van een spontane verplichte melding. Bovendien onderstrepen zij dat, hoewel het juist is dat een intermediair het advies van zijn tuchtoverheid kan inwinnen, een dergelijk advies geenszins dwingend zou zijn. Ten aanzien van de procedure voor het Hof van Justitie van de Europese Unie A.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7407 en 7409 vragen dat het Hof, in de veronderstelling dat het prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie stelt, dat laatste verzoekt om die volgens de versnelde rechtspleging te behandelen. -B– Ten aanzien van de bestreden wet en de context ervan B.
- De verzoekende partijen vorderen de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 20 december 2019 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies » (hierna : de wet van 20 december 2019). Zoals het opschrift ervan aangeeft, beoogt de wet van 20 december 2019 de omzetting van de richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 « tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies » (hierna : de richtlijn (EU) 2018/822). B.2.
- De richtlijn (EU) 2018/822 wijzigt de richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 « betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG » (hierna : de richtlijn 2011/16/EU). Het doel van de richtlijn 2011/16/EU bestaat erin « de voorschriften en procedures [vast te stellen] voor de onderlinge samenwerking van de lidstaten met het oog op de uitwisseling van inlichtingen die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van 20 de nationale wetgeving van de lidstaten met betrekking tot de […] belastingen [die vallen onder het toepassingsgebied van die richtlijn] » (artikel 1, lid 1, van de richtlijn 2011/16/EU). Uit overweging 2 van de richtlijn EU/2018/822 blijkt dat die ertoe strekt de fiscale transparantie ten aanzien van « mogelijk agressieve » grensoverschrijdende fiscale constructies te vergroten : « Het is voor de lidstaten almaar moeilijker om hun nationale belastinggrondslagen tegen uitholling te beschermen nu fiscale planningsstructuren steeds geraffineerder worden en vaak profiteren van de toegenomen mobiliteit van kapitaal en personen binnen de interne markt. Dergelijke structuren bestaan gewoonlijk uit constructies die zich over meerdere rechtsgebieden uitstrekken, waarbij belastbare winsten worden verschoven naar gunstigere belastingregimes of de totale belastingdruk op een belastingplichtige wordt verlaagd. Daardoor lopen de lidstaten vaak aanzienlijke belastinginkomsten mis en kunnen zij moeilijker een groeivriendelijk fiscaal beleid voeren. Het is dan ook van wezenlijk belang dat de belastingautoriteiten van de lidstaten volledige en relevante informatie over mogelijk agressieve fiscale constructies krijgen. Daarmee zouden deze autoriteiten onverwijld kunnen reageren op schadelijke fiscale praktijken en mazen dichten door wetgeving vast te stellen of door passende risicobeoordelingen en belastingcontroles te verrichten. Dat belastingautoriteiten niet reageren op een gemelde constructie dient echter niet te impliceren dat ze de geldigheid of belastingbehandeling van die constructie aanvaarden ». Concreet moeten de lidstaten een bevoegde autoriteit aanwijzen, die instaat voor de uitwisseling, tussen de lidstaten, van inlichtingen omtrent « mogelijk agressieve » grensoverschrijdende fiscale constructies. Opdat de bevoegde autoriteiten over die inlichtingen kunnen beschikken, voert de richtlijn een meldingsplicht in met betrekking tot dergelijke constructies. B.2.
- De meldingsplichtige constructies zijn de grensoverschrijdende constructies met minstens een « wezenskenmerk » dat is opgenomen in de nieuwe bijlage IV van de richtlijn 2011/16/EU, waarbij wordt gepreciseerd dat sommige wezenskenmerken alleen in aanmerking kunnen worden genomen indien zij daarnaast voldoen aan de « main benefit test ». Overweging 9 van de richtlijn (EU) 2018/822 vermeldt in dat verband : « In de loop der jaren zijn agressieve fiscale planningsconstructies steeds complexer geworden, en zij worden ook constant gewijzigd en aangepast in reactie op defensieve tegenmaatregelen van de belastingautoriteiten. Daarom is het doeltreffender om te proberen grip te krijgen op mogelijk agressieve fiscale planningsconstructies door een lijst samen te stellen van de kenmerken en elementen van transacties die een sterke aanwijzing voor 21 belastingontwijking of -misbruik vormen, dan een definitie te geven van agressieve fiscale planning. Deze aanwijzingen worden ‘ wezenskenmerken ’ genoemd ». De nieuwe bijlage IV van de richtlijn 2011/16/EU rangschikt de wezenskenmerken in vijf categorieën : categorie A (« Algemene wezenskenmerken die aan de ‘ main benefit test ’ zijn gekoppeld »), categorie B (« Specifieke wezenskenmerken die aan de ‘ main benefit test ’ zijn gekoppeld »), categorie C (« Specifieke wezenskenmerken in verband met grensoverschrijdende transacties »), categorie D (« Specifieke wezenskenmerken in verband met automatische uitwisseling van inlichtingen en uiteindelijk belang ») en categorie E (« Specifieke wezenskenmerken in verband met verrekenprijzen »). De wezenskenmerken van categorie A, die van categorie B en die van categorie C, lid 1, b), i), c) en d), mogen uitsluitend in aanmerking worden genomen indien ze aan de « main benefit test » voldoen. Volgens de voormelde bijlage, is aan dat criterium voldaan « indien kan worden aangetoond dat het belangrijkste voordeel dat of een van de belangrijkste voordelen die, gelet op alle relevante feiten en omstandigheden, redelijkerwijs te verwachten valt van een constructie het verkrijgen van een belastingvoordeel is ». In het kader van een wezenskenmerk van categorie C, lid 1, kan het gegeven dat de in categorie C, lid 1, b), i), c) of d), bepaalde voorwaarden vervuld zijn op zich geen reden zijn om te besluiten dat een constructie voldoet aan de « main benefit test ». B.2.
- De meldingsplicht rust in de eerste plaats op de zogenaamde intermediairs die doorgaans betrokken zijn bij de implementatie van dergelijke constructies. Wanneer er echter geen dergelijke intermediairs zijn, of indien zij zich kunnen beroepen op een wettelijk verschoningsrecht, verschuift de meldingsplicht naar de belastingplichtige : «
(6)De melding van mogelijk agressieve grensoverschrijdende fiscale planningsconstructies kan daadwerkelijk bijdragen aan de inspanningen die worden geleverd om een eerlijk belastingklimaat op de interne markt te scheppen. In dit verband zou een verplichting voor intermediairs om de belastingautoriteiten te informeren over bepaalde grensoverschrijdende constructies die kunnen worden gebruikt voor agressieve fiscale planning, een stap in de goede richting betekenen. […] […]
(8)Om de goede werking van de interne markt te garanderen en leemten in de voorgestelde regelgeving te voorkomen, moet de meldingsplicht worden opgelegd aan alle spelers die doorgaans betrokken zijn bij het bedenken, aanbieden, opzetten of beheren van de implementatie van een meldingsplichtige grensoverschrijdende transactie of een reeks van dergelijke transacties, alsmede aan diegenen die bijstand of advies verlenen. Er mag ook niet worden voorbijgegaan aan het feit dat de meldingsplicht bij een intermediair soms niet kan 22 worden gehandhaafd omdat er een wettelijk verschoningsrecht bestaat of omdat er geen sprake is van een intermediair, bijvoorbeeld wanneer de belastingplichtige zelf een regeling bedenkt en implementeert. Het is dus van wezenlijk belang dat de belastingautoriteiten in die omstandigheden toch informatie kunnen blijven krijgen over belastinggerelateerde constructies die mogelijk verband houden met agressieve fiscale planning. Daarom dient de meldingsplicht in dergelijke gevallen te verschuiven naar de belastingplichtige die van de constructie profiteert » (overwegingen 6-8). B.3.1. Teneinde die meldingsplicht om te zetten, wijzigt de wet van 20 december 2019 het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, het Wetboek der successierechten en het Wetboek diverse rechten en taksen. B.3.2. Artikel 3 van de wet van 20 december 2019 voegt in het WIB 1992 een nieuw artikel 326/1 in, dat verschillende definities bevat : « Voor de toepassing van deze afdeling en van artikel 338, § 6/4, wordt verstaan onder : 1° ‘ grensoverschrijdende constructie ’ : een constructie die ofwel meer dan één lidstaat ofwel een lidstaat en een derde land betreft, waarbij ten minste één van de volgende voorwaarden is vervuld :
- a)niet alle deelnemers aan de constructie hebben hun fiscale woonplaats in hetzelfde rechtsgebied;
- b)een of meer van de deelnemers aan de constructie heeft zijn fiscale woonplaats tegelijkertijd in meer dan één rechtsgebied;
- c)een of meer van de deelnemers aan de constructie oefent een activiteit uit in een ander rechtsgebied via een in dat rechtsgebied gelegen vaste inrichting en de constructie behelst een deel of het geheel van de activiteit van die vaste inrichting;
- d)een of meer van de deelnemers aan de constructie oefent een activiteit uit in een ander rechtsgebied zonder in dat rechtsgebied zijn fiscale woonplaats te hebben of zonder in dat rechtsgebied een vaste inrichting te creëren;
- e)een dergelijke constructie heeft mogelijk gevolgen voor de automatische uitwisseling van inlichtingen of de vaststelling van het uiteindelijk belang. Een constructie betekent ook een reeks constructies. Een constructie kan uit verscheidene stappen of onderdelen bestaan; 2° ‘ meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie ’ : iedere grensoverschrijdende constructie die ten minste één van de in artikel 326/2 bedoelde wezenskenmerken bezit; 23 3° ‘ wezenskenmerk ’ : een in artikel 326/2 bedoelde eigenschap of kenmerk van een grensoverschrijdende constructie die geldt als een indicatie van een mogelijk risico op belastingontwijking; 4° ‘ intermediair ’ : een persoon die een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie bedenkt, aanbiedt, opzet, beschikbaar maakt voor implementatie of de implementatie ervan beheert; Een intermediair is ook een persoon die, gelet op de betrokken feiten en omstandigheden en op basis van de beschikbare informatie en de deskundigheid die en het begrip dat nodig is om die diensten te verstrekken, weet of redelijkerwijs kon weten dat hij, rechtstreeks of via andere personen, heeft toegezegd hulp, bijstand of advies te verstrekken met betrekking tot het bedenken, aanbieden, opzetten, beschikbaar maken voor implementatie of beheren van de implementatie van een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie. Elke persoon heeft het recht bewijs te leveren van het feit dat hij niet wist en redelijkerwijs niet kon weten dat hij bij een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie betrokken was. Daartoe kan die persoon alle relevante feiten en omstandigheden, beschikbare informatie en zijn relevante deskundigheid en begrip ervan vermelden. Om een intermediair te zijn, dient een persoon ten minste één van de volgende aanvullende voorwaarden te vervullen :
- a)fiscaal inwoner van een lidstaat zijn;
- b)beschikken over een vaste inrichting in een lidstaat via welke de diensten in verband met de constructie worden verleend;
- c)opgericht zijn in of onder de toepassing van de wetten vallen van een lidstaat;
- d)ingeschreven zijn bij een beroepsorganisatie in verband met de verstrekking van juridische, fiscale of adviesdiensten in een lidstaat; 5° ‘ relevante belastingplichtige ’ : elke persoon voor wie een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie beschikbaar wordt gemaakt voor implementatie, of die gereed is om een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie te implementeren of die de eerste stap van een dergelijke constructie heeft geïmplementeerd; 6° ‘ marktklare constructie ’ : een grensoverschrijdende constructie die is bedacht of aangeboden, implementeerbaar is of beschikbaar is gemaakt voor implementatie zonder dat er wezenlijke aanpassingen nodig zijn; 7° ‘ constructie op maat ’ : een grensoverschrijdende constructie die geen marktklare constructie is ». Artikel 388, § 2, 21°, van het WIB 1992, ingevoegd bij artikel 17, 2°, van de wet van 20 december 2019, definieert het begrip « verbonden onderneming » : 24 « ‘ verbonden onderneming ’, voor de toepassing van paragraaf 6/4 en de artikelen 326/1 tot en met 326/9 : een persoon die gelieerd is met een andere persoon op ten minste een van de volgende wijzen :
- a)een persoon neemt deel aan de leiding van een andere persoon waarbij hij invloed van betekenis kan uitoefenen op die andere persoon;
- b)een persoon neemt deel aan de zeggenschap over een andere persoon door middel van een deelneming van meer dan 25 % van de stemrechten;
- c)een persoon neemt deel in het kapitaal van een andere persoon door middel van een eigendomsrecht van, rechtstreeks of middellijk, meer dan 25 % van het kapitaal;
- d)een persoon heeft recht op 25 % of meer van de winsten van een andere persoon. Indien meer dan één persoon deelneemt, als bedoeld onder
- a)tot en met d), aan de leiding van, aan de zeggenschap over of in het kapitaal of de winsten van dezelfde persoon, worden alle betrokken personen als verbonden ondernemingen beschouwd. Indien dezelfde personen deelnemen, als bedoeld onder
- a)tot en met d), aan de leiding van, aan de zeggenschap over of in het kapitaal of de winsten van meer dan één persoon, worden alle betrokken personen als verbonden ondernemingen beschouwd. Voor de toepassing van dit punt wordt een persoon die met betrekking tot de stemrechten of het kapitaalbezit van een entiteit samen met een andere persoon optreedt, beschouwd als houder van een deelneming in alle stemrechten of het volledige kapitaalbezit dat die andere persoon in de genoemde entiteit heeft. Bij middellijke deelneming wordt vastgesteld of aan de eisen onder
- c)is voldaan door vermenigvuldiging van de deelnemingspercentages door de opeenvolgende niveaus heen. Een persoon die meer dan 50 % van de stemrechten houdt, wordt geacht 100 % te houden. Een natuurlijk persoon, zijn of haar echtgenoot en bloedverwanten in de rechte lijn worden behandeld als één persoon ». De artikelen 19, 2°, 20, 34, 2°, 35, 48, 2°, en 49 van de wet van 20 december 2019 voegen in de artikelen 289bis, § 2, 18°, en 289bis/1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, de artikelen 146quater, § 2, 18°, en 146sexies van het Wetboek der successierechten en de artikelen 211bis, § 2, 18°, en 211bis/1 van het Wetboek diverse rechten en taksen vergelijkbare definities in. Die definities zijn een vrijwel letterlijke weergave van de definities vermeld in artikel 3, punten 18 tot 25, van de richtlijn 2011/16/EU, zoals gewijzigd bij de richtlijn (EU) 2018/822. 25 B.3.3. Artikel 326/2 van het WIB 1992, ingevoerd bij artikel 4 van de wet van 20 december 2019, identificeert de verschillende « wezenskenmerken ». Het vierde lid van die bepaling identificeert de wezenskenmerken van categorie A : « 1° een constructie waarbij de relevante belastingplichtige of een deelnemer aan de constructie zich tot geheimhouding verbindt en op grond hiervan niet aan andere intermediairs of de belastingautoriteiten mag onthullen hoe de constructie een belastingvoordeel kan opleveren; 2° een constructie waarbij de intermediair aanspraak maakt op een vergoeding (of rente, betaling van financieringskosten en andere uitgaven) voor de constructie en die vergoeding wordt vastgelegd op basis van :
- a)het bedrag van het belastingvoordeel dat de constructie oplevert; of
- b)de vraag of de constructie daadwerkelijk een belastingvoordeel heeft opgeleverd. De intermediair moet daarbij de vergoeding gedeeltelijk of volledig terugbetalen wanneer het met de constructie beoogde belastingvoordeel niet gedeeltelijk of volledig werd verwezenlijkt; 3° een constructie waarbij gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde documenten en/of een gestandaardiseerde structuur en die beschikbaar is voor meer dan één relevante belastingplichtige zonder dat er voor implementatie wezenlijke aanpassingen nodig zijn ». Het vijfde lid van die bepaling identificeert de wezenskenmerken van categorie B : « 1° een constructie waarbij een deelnemer aan de constructie een reeks geplande stappen onderneemt die erin bestaan een verlieslijdende onderneming te verwerven, de hoofdactiviteit van die onderneming stop te zetten en de verliezen ervan te gebruiken om de door hem verschuldigde belastingen te verminderen, onder meer door overdracht van die verliezen naar een ander rechtsgebied of door een versneld gebruik van die verliezen; 2° een constructie die tot gevolg heeft dat inkomsten worden omgezet in vermogen, schenkingen of andere inkomstencategorieën die lager worden belast of van belasting worden vrijgesteld; 3° een constructie die circulaire transacties omvat met als resultaat dat middelen worden rondgepompt (‘ round-tripping ’), meer bepaald met behulp van tussengeschoven entiteiten zonder ander primair handelsdoel of van transacties die elkaar compenseren of tenietdoen of andere soortgelijke kenmerken hebben ». Het zesde lid van die bepaling identificeert de wezenskenmerken van categorie C : « 1° een constructie met aftrekbare grensoverschrijdende betalingen tussen twee of meer verbonden ondernemingen waarbij ten minste een van de volgende voorwaarden is vervuld : 26
- a)de ontvanger is in geen van de fiscale rechtsgebieden fiscaal inwoner;
- b)de ontvanger is fiscaal inwoner in een rechtsgebied, maar dat rechtsgebied : - heft geen vennootschapsbelasting, of heft vennootschapsbelasting tegen een nultarief of bijna-nultarief; of - is opgenomen in een lijst van rechtsgebieden van derde landen die door de lidstaten gezamenlijk of in het kader van de OESO als niet-coöperatief zijn beoordeeld;
- c)de betaling geniet een volledige belastingvrijstelling in het rechtsgebied waar de ontvanger fiscaal inwoner is;
- d)de betaling geniet een fiscaal gunstregime in het rechtsgebied waar de ontvanger fiscaal inwoner is; 2° in meer dan één rechtsgebied wordt aanspraak gemaakt op aftrekken voor dezelfde afschrijving; 3° in meer dan één rechtsgebied wordt aanspraak gemaakt op voorkoming van dubbele belasting voor hetzelfde inkomens- of vermogensbestanddeel; 4° een constructie met overdrachten van activa waarbij er een wezenlijk verschil bestaat tussen het bedrag dat in de betrokken rechtsgebieden wordt aangemerkt als de voor die activa te betalen vergoeding ». Het zevende lid van die bepaling identificeert de wezenskenmerken van categorie D : « 1° een constructie die kan leiden tot het ondermijnen van de rapportageverplichting uit hoofde van de wetgeving ter omzetting van Uniewetgeving of evenwaardige overeenkomsten inzake de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen, waaronder overeenkomsten met derde landen, of die profiteert van het gebrek aan die wetgeving of overeenkomsten. Dergelijke constructies omvatten ten minste het volgende :
- a)het gebruik van een rekening, product of belegging die geen financiële rekening is of niet als zodanig te boek staat, maar die over eigenschappen beschikt die in wezen vergelijkbaar zijn met die van een financiële rekening;
- b)de overdracht van financiële rekeningen of activa aan, of het gebruik van rechtsgebieden die niet gebonden zijn aan de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen met de staat van verblijf van de relevante belastingplichtige;
- c)de herkwalificatie van inkomsten en vermogen in producten of betalingen die niet onder de automatische uitwisseling van inlichtingen vallen;
- d)de overdracht of omzetting van een financiële instelling of een financiële rekening of de activa daarvan in een financiële instelling of een financiële rekening of activa die niet onder de rapportage in het kader van de automatische uitwisseling van inlichtingen vallen; 27
- e)het gebruik van rechtspersonen, juridische constructies of structuren die de rapportage over één of meer rekeninghouders of uiteindelijk begunstigden in het kader van de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen stopzetten of daartoe strekken;
- f)constructies die due-diligenceprocedures die door financiële instellingen worden gebruikt om te voldoen aan hun verplichtingen tot het rapporteren van inlichtingen over financiële rekeningen, ondermijnen of zwakke punten ervan benutten, onder meer via het gebruik van rechtsgebieden met ontoereikende of zwakke regelingen voor de handhaving van antiwitwaswetgeving of met zwakke transparantievereisten voor rechtspersonen of juridische constructies; 2° een constructie waarbij de juridische of feitelijke eigendom niet-transparant is door het gebruik van personen, juridische constructies of structuren :
- a)die geen wezenlijke economische, door voldoende personeel, uitrusting, activa en gebouwen ondersteunde activiteit uitoefenen; en
- b)die zijn opgericht in, worden beheerd in, inwoner zijn van, onder zeggenschap staan in, of gevestigd zijn in een ander rechtsgebied dan het rechtsgebied van verblijf van een of meer van de uiteindelijk begunstigden van de activa die door die personen, juridische constructies of structuren worden aangehouden; en
- c)indien de uiteindelijk begunstigden van die personen, juridische constructies of structuren, zoals bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik niet-identificeerbaar zijn gemaakt ». Het achtste lid van die bepaling identificeert de wezenskenmerken van categorie E : « 1° een constructie met gebruik van unilaterale veiligehavenregels : 2° een constructie met overdracht van moeilijk te waarderen immateriële activa. De term ‘ moeilijk te waarderen immateriële activa ’ omvat immateriële activa of rechten op immateriële activa waarvoor, op het tijdstip van de overdracht ervan tussen verbonden ondernemingen :
- a)geen betrouwbare vergelijkbare activa bestaan; en
- b)de prognoses van de toekomstige kasstromen of inkomsten die naar verwachting uit de overgedragen activa voortvloeien, of de aannames die worden gebruikt voor het waarderen van de immateriële activa, bijzonder onzeker zijn, waardoor het moeilijk is te voorspellen hoe succesvol de immateriële activa op het moment van de overdracht uiteindelijk zullen zijn; 3° een constructie met een grensoverschrijdende overdracht binnen de groep van functies, en/of risico's en/of activa, indien de geraamde jaarlijkse winst vóór interest en belastingen (ebit) van de overdrager of overdragers, tijdens de periode van drie jaar na de overdracht, minder dan 50 % bedraagt van de geraamde jaarlijkse ebit van die overdrager of overdragers indien de overdracht niet had plaatsgevonden ». 28 De artikelen 21, 36 en 50 van de wet van 20 december 2019 voegen in artikel 289bis/2 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, artikel 146septies van het Wetboek der successierechten en artikel 211bis/2 van het Wetboek diverse rechten en taksen vergelijkbare bepalingen in. Die bepalingen zijn een vrijwel letterlijke weergave van de nieuwe bijlage IV van de richtlijn 2011/16/EU. B.3.4. Artikel 338, § 6/4, van het WIB 1992, ingevoegd bij artikel 17, 3°, van de wet van 20 december 2019, regelt de automatische uitwisseling, door de bevoegde autoriteit, van inlichtingen met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies : « De Belgische bevoegde autoriteit deelt binnen de in het derde lid bedoelde termijn de in het tweede lid bedoelde gegevens inzake grensoverschrijdende constructies, waarvan zij ingelicht is door de intermediair of de relevante belastingplichtige overeenkomstig de artikelen 326/1 tot en met 326/8, via automatische uitwisseling mee aan de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten. De door de Belgische bevoegde autoriteit uit hoofde van het eerste lid mee te delen gegevens zijn de volgende, voor zover van toepassing : 1° de identificatiegegevens van intermediairs en relevante belastingplichtigen bedoeld in artikel 326/1, 4° en 5°, met inbegrip van hun naam, geboortedatum en -plaats (in het geval van een natuurlijk persoon), fiscale woonplaats, fiscaal identificatienummer, en, in voorkomend geval, van de personen die overeenkomstig paragraaf 2, 21°, een verbonden onderneming vormen met de relevante belastingplichtige; 2° nadere bijzonderheden over de wezenskenmerken bedoeld in artikel 326/2 op grond waarvan de grensoverschrijdende constructie gemeld moet worden; 3° een samenvatting van de inhoud van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie, met onder meer de benaming waaronder zij algemeen bekend staat, indien voorhanden, en een omschrijving van de relevante zakelijke activiteiten of constructies, in algemene bewoordingen gesteld, die niet mag leiden tot de openbaarmaking van een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze, of van inlichtingen waarvan de onthullingen in strijd zou zijn met de openbare orde; 4° de datum waarop de eerste stap voor de implementatie van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie is of zal worden ondernomen; 5° nadere bijzonderheden van de nationale bepalingen die aan de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie ten grondslag liggen; 29 6° de waarde van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie; 7° de lidstaat van de relevante belastingbetaler(
- s)en eventuele andere lidstaten waarop de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn; 8° de identificatiegegevens van andere personen in een lidstaat, op wie de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn, waarbij wordt vermeld met welke lidstaten deze personen verbonden zijn. De automatische uitwisseling geschiedt binnen één maand te rekenen vanaf het einde van het kwartaal waarin de inlichtingen zijn verstrekt. De eerste inlichtingen worden uiterlijk op 31 oktober 2020 meegedeeld. De inlichtingen bedoeld in het tweede lid, 1°, 3° en 8° van deze paragraaf, worden niet medegedeeld aan de Europese Commissie ». De artikelen 19, 3°, 34, 3°, en 48, 3°, van de wet van 20 december 2019 voegen in respectievelijk het nieuwe artikel 289bis, § 6/3, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, het nieuwe artikel 146quater, § 6/3, van het Wetboek der successierechten en het nieuwe artikel 211bis, § 6/3, van het Wetboek diverse rechten en taksen vergelijkbare bepalingen in. Het tweede lid van die bepalingen is een vrijwel letterlijke weergave van artikel 8bis ter, lid 14, van de richtlijn 2011/16/EU, ingevoegd bij de richtlijn (EU) 2018/822. B.3.5.1. De artikelen 326/3 tot 326/11 van het WIB 1992, ingevoegd bij de artikelen 5 tot 13 van de wet van 20 december 2019, regelen de verplichte verstrekking van inlichtingen over meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies door intermediairs of relevante belastingplichtigen. B.3.5.2. Artikel 326/3, § 1, van het WIB 1992 bepaalt : « Elke intermediair moet de in artikel 338, § 6/4, bedoelde inlichtingen, inzake meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies waarvan zij kennis, bezit of controle hebben, verstrekken aan de in artikel 338, § 2, 6°, bedoelde Belgische bevoegde autoriteit binnen 30 dagen te rekenen vanaf het hierna vermelde geval dat het eerst plaatsvindt : - de dag nadat de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie voor implementatie beschikbaar is gesteld; of 30 - de dag nadat de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie gereed is voor implementatie; of - het ogenblik dat de eerste stap in de implementatie van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie is ondernomen. Onverminderd het eerste lid moeten de intermediairs bedoeld in artikel 326/1, 4°, tweede lid, eveneens inlichtingen verstrekken met betrekking tot een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie binnen 30 dagen te rekenen vanaf de dag nadat zij, rechtstreeks of via andere personen, hulp, bijstand of advies hebben verstrekt ». Artikel 362/3, § 2, van het WIB 1992 bepaalt welke autoriteit moet worden ingelicht wanneer meerdere autoriteiten in aanmerking komen. B.3.5.3. Artikel 326/4 van het WIB 1992 betreft de marktklare constructies en bepaalt : « Indien het gaat om een marktklare constructie moet de intermediair om de drie maanden een periodiek verslag opstellen met een overzicht van nieuwe meldingsplichtige inlichtingen zoals bedoeld in artikel 338, § 6/4, 1°, 4°, 7° en 8°, die sinds het laatste ingediende verslag beschikbaar zijn geworden ». B.3.5.4. Artikel 326/5 van het WIB 1992 betreft de toekenning van een uniek referentienummer. B.3.5.5. Artikel 326/6 van het WIB 1992 regelt de meldingsplicht wanneer meerdere intermediairs betrokken zijn bij dezelfde constructie : « Wanneer meerdere intermediairs betrokken zijn bij dezelfde meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie, moeten alle betrokken intermediairs de inlichtingen verstrekken over de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie. Een intermediair is ontheven van de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen indien hij een schriftelijk bewijs kan voorleggen dat een andere intermediair de inlichtingen bedoeld in artikel 338, § 6/4, tweede lid, reeds heeft verstrekt ». B.3.5.6. Artikel 326/7 van het WIB 1992 bepaalt de manier waarop de meldingsplicht zich verhoudt tot het beroepsgeheim waartoe bepaalde intermediairs gehouden zijn. 31 Een intermediair die gehouden is tot het beroepsgeheim, is, in aanwezigheid van een of meerdere andere intermediairs, enkel vrijgesteld van de meldingsplicht indien hij de andere intermediair(
- s)schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte brengt van het feit dat hij niet aan de meldingsplicht kan voldoen, waarna de meldingsplicht automatisch geldt voor de andere intermediair(s). Een intermediair die gehouden is tot het beroepsgeheim is, in afwezigheid van een andere intermediair, enkel vrijgesteld van de meldingsplicht indien hij de relevante belastingplichtige(
- n)schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte brengt van de meldingsplicht die op die laatstgenoemden rust. De relevante belastingplichtige kan mits hij daartoe schriftelijke toestemming geeft de tot het beroepsgeheim gehouden intermediair toestaan om alsnog aan de meldingsplicht te voldoen. Volgens artikel 326/7, § 3, van het WIB 1992 kan in geen geval een beroepsgeheim worden aangevoerd aangaande de meldingsplicht voor marktklare constructies. Artikel 326/7 van het WIB 1992 bepaalt : « § 1. Wanneer een intermediair gebonden is door een beroepsgeheim, is hij gehouden : 1° de betrokken intermediair of intermediairs schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte te brengen dat hij niet aan de meldingsplicht kan voldoen, waardoor deze meldingsplicht automatisch rust op de andere intermediair of intermediairs; 2° bij gebreke aan een andere intermediair, de relevante belastingplichtige of belastingplichtigen schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte te brengen van zijn of hun meldingsplicht. De ontheffing van de meldingsplicht krijgt slechts uitwerking op het tijdstip dat een intermediair voldaan heeft aan de in het eerste lid bedoelde verplichting. § 2. De relevante belastingplichtige kan de intermediair door schriftelijke instemming toelaten alsnog te voldoen aan de in artikel 326/3 bedoelde meldingsplicht. Indien de relevante belastingplichtige geen instemming verleent, blijft de meldingsplicht bij de belastingplichtige en bezorgt de intermediair de nodige gegevens voor het vervullen van de in artikel 326/3 bedoelde meldingsplicht aan de relevante belastingplichtige. 32 § 3. Geen beroepsgeheim overeenkomstig paragraaf 1 of ontheffing van rechtswege kan worden ingeroepen aangaande de meldingsplicht van marktklare constructies die aanleiding geven tot een periodiek verslag overeenkomstig artikel 326/4 ». B.3.5.7. Artikel 326/8, § 1, van het WIB 1992 legt de gevallen vast waarin de meldingsplicht op de relevante belastingplichtige rust : « In de volgende gevallen ligt de meldingsplicht bij de relevante belastingplichtige : 1° wanneer er geen intermediair betrokken was bij het bedenken, aanbieden, opzetten, beschikbaar maken voor implementatie of het beheren voor implementatie van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie; of 2° wanneer de intermediair ontheven is van de verplichting om inlichtingen te verstrekken overeenkomstig artikel 326/7, § 1, en hij de relevante belastingplichtige of belastingplichtigen op de hoogte heeft gesteld van zijn of hun meldingsplicht, overeenkomstig artikel 326/7, § 1, 2° ; 3° wanneer deze niet de in artikel 326/7, § 2, eerste lid bedoelde toestemming heeft verleend ». Artikel 326/8, § 2, van het WIB 1992 legt de termijn vast waarin de relevante belastingplichtige moet overgaan tot de melding : « Ingeval de meldingsplicht overeenkomstig paragraaf 1 bij de relevante belastingplichtige ligt, verstrekt deze de inlichtingen binnen dertig dagen te rekenen vanaf het hierna vermelde geval dat eerst plaatsvindt : - de dag nadat de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie voor implementatie ter beschikking van de relevante belastingplichtige is gesteld of; - de dag nadat de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie gereed is voor implementatie door de relevante belastingplichtige of; - vanaf het ogenblik dat de eerste stap voor de implementatie ervan met betrekking tot de relevante belastingplichtige is ondernomen ». Artikel 326/8, § 3, van het WIB 1992 bepaalt welke autoriteit op de hoogte moet worden gebracht wanneer meerdere autoriteiten in aanmerking komen. B.3.5.8. Artikel 326/9 van het WIB 1992 regelt de gevallen waarin de meldingsplicht rust op de relevante belastingplichtige en waarin er meerdere relevante belastingplichtigen zijn. 33 B.3.5.9. Artikel 326/10 van het WIB 1992 heeft betrekking op de taal waarin de melding moet gebeuren. B.3.5.10. Artikel 326/11 van het WIB 1992 machtigt de Koning ertoe het meldingsformulier te bepalen. B.3.5.11. Bepalingen die vergelijkbaar zijn met de artikelen 326/3 tot 326/11 van het WIB 1992 zijn opgenomen in de artikelen 289bis/3 tot 289bis/11 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, in de artikelen 146octies tot 146sedecies van het Wetboek der successierechten, en in de artikelen 211bis/3 tot 211bis/11 van het Wetboek diverse rechten en taksen, respectievelijk ingevoegd bij de