id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.104 Arrest- Rolnummer: 104/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 582 - laatst gezien 2026-06-18 19:59 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 103, § 1, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Hoei. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Uitkeringen in het stelsel van de zelfstandigen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 104/2022 van 15 september 2022 Rolnummer : 7533 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 103, § 1, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Hoei. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters J. Moerman, Y. Kherbache, E. Bribosia en W. Verrijdt, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 12 maart 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 maart 2021, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Hoei, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 103, § 1, 1°, van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, geïnterpreteerd in die zin dat het de volledige opschorting van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor een zelfstandige met zich meebrengt wanneer hij een gewaarborgd loon ontvangt, zonder een onderscheid te maken naargelang dat laatste is berekend op basis van een gedeelte of daarentegen de totaliteit van hun activiteiten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het aldus alle werknemers op identieke wijze behandelt, zonder rekening te houden met het feit of die laatsten één enkele of meerdere onderscheiden activiteiten uitoefenen ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Pertry, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 8 juni 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting 2 zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 29 juni 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 29 juni 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege is logopediste onder het statuut van zelfstandige in hoofdberoep en oefent daarnaast een deeltijdse activiteit in loondienst in bijberoep uit. Op 22 september 2019 wordt zij arbeidsongeschikt en licht zij haar ziekenfonds, de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen, hierover in. Bij beslissing van 21 oktober 2019 deelt die laatste haar mee dat zij, als zelfstandige, recht heeft op een vergoeding van 37,35 euro per dag. Voor de periode van 22 september 2019 tot 24 oktober 2019 ontvangt de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege 1 045,80 euro van haar ziekenfonds. Daarnaast ontvangt zij, voor de periode van 22 september 2019 tot 21 oktober 2019, 656 euro als gewaarborgd loon in het kader van haar activiteit in loondienst in bijberoep. Bij beslissing van 18 december 2019 verzoekt de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen haar 933,75 euro terug te betalen, namelijk het integrale bedrag van de uitkeringen die aan haar zijn gestort voor de periode die is gedekt door het gewaarborgd loon. Bij verzoekschrift van 3 juli 2020 maakt de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen een zaak aanhangig bij het verwijzende rechtscollege en eist hij dat de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege ertoe wordt veroordeeld dat bedrag terug te betalen. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat artikel 28 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 « houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten » (hierna : het koninklijk besluit van 20 juli 1971) bepaalt dat de uitkeringen in beginsel worden geweigerd voor de tijdvakken bedoeld in artikel 103 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de wet van 14 juli 1994), met name voor de periode waarvoor de werknemer recht heeft op een loon. Het verwijzende rechtscollege onderstreept dat artikel 103 van de wet van 14 juli 1994 geen rekening houdt met de gemengde loopbanen, namelijk ofwel de situatie waarin een persoon is tewerkgesteld onder verschillende deeltijdse arbeidsovereenkomsten, ofwel de situatie waarin een persoon een activiteit onder het statuut van zelfstandige uitoefent en een andere onder het statuut van werknemer. Het stelt vast dat de eerste van beide situaties het voorwerp heeft uitgemaakt van het arrest van het Hof nr. 141/2014 van 25 september 2014 en vraag zich af of dat arrest zou kunnen worden toegepast op de tweede situatie. Volgens het verwijzende rechtscollege leidt een strikte toepassing van artikel 103, § 1, 1°, van de wet van 14 juli 1994 tot het verlies van alle arbeidsongeschiktheidsuitkeringen wanneer de werknemer een gewaarborgd loon ontvangt, zonder een onderscheid te maken naargelang dat laatste betrekking heeft op de totaliteit of een deel van de activiteiten van de werknemer. Het is van mening dat hieruit een discriminatie zou kunnen voortvloeien en stelt derhalve de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
- In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, daar de eventuele discriminatie niet voortvloeit uit artikel 103, § 1, 1°, van de wet van 14 juli
- Volgens hem verbiedt in werkelijkheid artikel 28 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 de zelfstandige die daarnaast een activiteit in loondienst in bijberoep uitoefent, een arbeidsongeschiktheidsuitkering in het stelsel van de zelfstandigen te cumuleren met een gewaarborgd loon. De Ministerraad merkt op dat, in afwezigheid van artikel 28 van het 3 koninklijk besluit van 20 juli 1971, niets zich tegen een dergelijke cumulatie zou verzetten. Hij onderstreept dat dat artikel alleen verwijst naar artikel 103, § 1, 1°, van de wet van 14 juli 1994 om de periodes te bepalen waarin een zelfstandige geen arbeidsongeschiktheidsuitkering kan genieten. Hij merkt op dat artikel 103, § 1, 1°, van de wet van 14 juli 1994 op zich een werknemer uitsluitend verbiedt om een arbeidsongeschiktheidsuitkering te ontvangen in het stelsel van de werknemers voor de periode waarin hij recht heeft op een loon. Volgens hem strekt die bepaling ertoe een cumulatie in het stelsel van de werknemers te verbieden, en niet in dat van de zelfstandigen. Ten slotte herinnert de Ministerraad eraan dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over de grondwettigheid van een koninklijk besluit. A.1.
- In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat artikel 103, § 1, 1°, van de wet van 14 juli 1994 verenigbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Na te hebben onderstreept dat de verwijzingsbeslissing niet duidelijk bepaalt of de prejudiciële vraag betrekking heeft op een verschil in behandeling dan wel op een identieke behandeling, en dat zij de vergeleken categorieën niet duidelijk identificeert, wijst de Ministerraad erop dat de prejudiciële vraag volgens hem betrekking heeft op de identieke behandeling van werknemers die een enkele activiteit uitoefenen en werknemers die verschillende activiteiten uitoefenen. Volgens hem kan de prejudiciële vraag, daar zij artikel 103, § 1, 1°, van de wet van 14 juli 1994 beoogt, immers alleen betrekking hebben op een vergelijking van werknemers. De Ministerraad voert aan dat het antwoord op die vraag te dezen geen nut heeft, daar de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege zelfstandige is. Ten slotte verwijst hij naar het voormelde arrest nr. 141/2014, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat artikel 103, § 1, 1°, van de wet van 14 juli 1994 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, daar het zo kan worden geïnterpreteerd dat het de toepassing mogelijk maakt van het « pro rata temporis »-beginsel in het geval van een werknemer die onder verschillende deeltijdse arbeidsovereenkomsten is tewerkgesteld. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 103, § 1, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de wet van 14 juli 1994), in de versie vóór de wijziging ervan bij artikel 31 van de wet van 28 februari 2022 « houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken ». Artikel 103, § 1, 1°, van de wet van 14 juli 1994, dat van toepassing is op de uitkeringsverzekering in het stelsel van de werknemers, bepaalt : « Geen aanspraak op uitkeringen heeft de werknemer : 1° voor de periode waarvoor hij recht heeft op loon. Het begrip loon wordt bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Evenwel kan de Koning het aldus bepaalde begrip uitbreiden of beperken ». B.
- Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof een vraag wordt gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 103, § 1, 1°, van de wet van 14 juli 1994 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling zich ertegen verzet dat een persoon die in hoofdberoep onder het statuut 4 van zelfstandige werkt en daarnaast een activiteit in loondienst in bijberoep uitoefent, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen kan genieten in het stelsel van de zelfstandigen voor de periode waarin hij een gewaarborgd loon ontvangt in het kader van zijn activiteit in loondienst in bijberoep. B.
- De Ministerraad voert aan dat het verbod, voor de persoon die in hoofdberoep onder het statuut van zelfstandige werkt en daarnaast een activiteit in loondienst in bijberoep uitoefent, om arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te genieten in het stelsel van de zelfstandigen voor de periode waarin hij een gewaarborgd loon ontvangt, niet voortvloeit uit artikel 103, § 1, 1°, van de wet van 14 juli 1994, maar uit artikel 28 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 « houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten » (hierna : het koninklijk besluit van 20 juli 1971). B.
- Artikel 86, § 3, van de wet van 14 juli 1994 bepaalt : « De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een uitkeringsverzekering invoeren ten voordele van de zelfstandigen en de helpers die zijn onderworpen aan de wetgeving houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, alsmede van de meewerkende echtgenoten bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Hij bepaalt de voorwaarden waaronder deze verzekering van toepassing is, de omvang van de verstrekte uitkeringen en het bedrag van de rijkstoelage bestemd voor deze verzekering. […] ». Met toepassing van die bepaling wordt de uitkeringsverzekering die de zelfstandigen genieten, ingericht door het koninklijk besluit van 20 juli
- B.
- Artikel 28, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, zoals het van toepassing is in de zaak voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt : « De uitkeringen worden geweigerd voor de tijdvakken bedoeld in artikel 103 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, behalve wanneer het gaat om een periode gedekt door een loon dat verworven werd door een bezigheid in toepassing van de artikelen 22, 23 en 23bis ». 5 Artikel 28, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 legt aldus de periodes vast waarin de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in het stelsel van de zelfstandigen niet worden toegekend. Het verbod, voor de persoon die in hoofdberoep onder het statuut van zelfstandige werkt en daarnaast een activiteit in loondienst in bijberoep uitoefent, om arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te genieten in het stelsel van de zelfstandigen voor de periode waarin hij een gewaarborgd loon geniet, vloeit voort uit artikel 28, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 juli
- Dat verbod volgt immers uit de keuze die de Koning heeft gemaakt wanneer Hij de periodes heeft vastgelegd waarvoor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in het stelsel van de zelfstandigen niet worden toegekend. Te dezen, hoewel artikel 28, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 met name verwijst naar artikel 103, § 1, 1°, van de wet van 14 juli 1994, zou het onderzoek van de bestaanbaarheid van het voormelde verbod met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geen beoordeling van de grondwettigheid van die wetsbepaling inhouden. B.
- Noch de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, noch enige andere grondwets- of wetsbepaling verlenen het Hof de bevoegdheid om uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van een koninklijk besluit met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Te dezen komt die bevoegdheid aan het verwijzende rechtscollege toe op grond van artikel 159 van de Grondwet. B.
- De prejudiciële vraag valt niet onder de bevoegdheid van het Hof. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag valt niet onder de bevoegdheid van het Hof. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.104 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div