id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.110 Arrest- Rolnummer: 110/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 1286 - laatst gezien 2026-06-19 12:57 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1) Vernietiging (decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2020, artikel 1 van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 12 oktober 2020, artikel 2 van de wet van 9 oktober 2020, de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 1 oktober 2020 en het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 2 oktober 2020, in zoverre daarbij instemming wordt verleend : - met de artikelen 2, § 3, en 15, §§ 1 en 3, tweede zin, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020, in zoverre die bepalingen niet voorzien in een maximale bewaringstermijn van de persoonsgegevens die zijn opgeslagen in Gegevensbank IV; - met artikel 2, § 4, van hetzelfde samenwerkingsakkoord, in zoverre die bepaling niet erin voorziet dat de bevoegde gefedereerde entiteiten of hun agentschappen onder wier gezag de contactcentra, de mobiele teams en de gezondheidsinspectiediensten werken, gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke van Gegevensbank I zijn; - met hetzelfde samenwerkingsakkoord in zoverre artikel 11, § 1, ervan de woorden « zowel » en « als de verdere mededeling van die persoonsgegevens door Sciensano aan derden bepaald in artikel 10, » bevat; en - met artikel 10, § 3, tweede zin, van hetzelfde samenwerkingsakkoord) 2) Verwerping van het beroep voor het overige (onder voorbehoud van de in B.30.4 en B.61 vermelde interpretaties en rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.55.2) 3) Handhaving van de gevolgen van de vernietigde akten (in zoverre daarmee instemming wordt verleend : - met de artikelen 2, § 3, en 15, §§ 1 en 3, tweede zin, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020, tot wanneer de betrokken wetgevers hun goedkeuring verlenen aan een aanvullend samenwerkingsakkoord dat een maximale bewaringstermijn van de persoonsgegevens die zijn opgeslagen in Gegevensbank IV bepaalt en uiterlijk tot en met 31 maart 2023 ; - met artikel 2, § 4, van hetzelfde samenwerkingsakkoord, tot wanneer de betrokken wetgevers hun goedkeuring verlenen aan een aanvullend samenwerkingsakkoord dat bepaalt dat de bevoegde gefedereerde entiteiten of hun agentschappen onder wier gezag de contactcentra, de mobiele teams en de gezondheidsinspectiediensten werken, gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke van Gegevensbank I zijn, en uiterlijk tot en met 31 maart 2023) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2020, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 12 oktober 2020, van artikel 2 van de wet van 9 oktober 2020, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 1 oktober 2020 en van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 2 oktober 2020 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde gefedereerde entiteiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano », ingesteld door de vzw « Vivant Ostbelgien » en anderen en door de vzw « Ligue des droits humains ». COVID-19-pandemie - Maatregelen ter bestrijding van de verspreiding van COVID-19 - Contactopsporing van de met COVID-19 besmette personen - Oprichting van gegevensbanken Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 110/2022 van 22 september 2022 Rolnummers : 7555, 7556, 7557, 7558, 7559 en 7560 In zake : de beroepen tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2020, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 12 oktober 2020, van artikel 2 van de wet van 9 oktober 2020, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 1 oktober 2020 en van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 2 oktober 2020 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde gefedereerde entiteiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano », ingesteld door de vzw « Vivant Ostbelgien » en anderen en door de vzw « Ligue des droits humains ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 april 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 april 2021, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2020 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde gefedereerde entiteiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspectiediensten en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het 2 coronavirus COVID-19 besmet zijn op grond van een gegevensbank bij Sciensano » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 2020, tweede editie) door de vzw « Vivant Ostbelgien », Diana Stiel, Alain Mertes en Michael Balter, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Fonteyn, advocaat bij de balie te Brussel. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 april 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 april 2021, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 12 oktober 2020 « houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde gefedereerde entiteiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID–19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 2020, tweede editie) door de vzw « Vivant Ostbelgien », Diana Stiel, Alain Mertes en Michael Balter, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Fonteyn. c. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 12 april 2021 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 14 april 2021, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van artikel 2 van de wet van 9 oktober 2020 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde gefedereerde entiteiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 2020, tweede editie) door de vzw « Ligue des droits humains », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Forget, Mr. S. Najmi, advocaten bij de balie te Brussel, en Mr. R. Fonteyn, en door de vzw « Vivant Ostbelgien », Diana Stiel, Alain Mertes en Michael Balter, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Fonteyn. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 april 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 april 2021, is beroep tot vernietiging ingesteld van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 1 oktober 2020 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde gefedereerde entiteiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspectiediensten en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op grond van een gegevensbank bij Sciensano » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 2020, tweede editie) door de vzw « Vivant Ostbelgien », Diana Stiel, Alain Mertes en Michael Balter, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Fonteyn. e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 april 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 april 2021, is beroep tot vernietiging 3 ingesteld van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 2 oktober 2020 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde gefedereerde entiteiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID–19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 2020, tweede editie) door de vzw « Vivant Ostbelgien », Diana Stiel, Alain Mertes en Michael Balter, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Fonteyn. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7555, 7556, 7557, 7558, 7559 en 7560 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys, advocaat bij de balie te Gent; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys; - het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys; - de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7555, 7556, 7558, 7559 en 7560 hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 18 mei 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Detienne en W. Verrijdt te hebben gehoord : - beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn en de dag van de terechtzitting bepaald op 29 juni 2022; - de partijen verzocht vooraf op de volgende vragen te antwoorden door middel van een aanvullende memorie in te dienen bij ter post aangetekende brief uiterlijk op 17 juni 2022 en binnen dezelfde termijn mee te delen aan de andere partijen, alsook aan de griffie van het Hof via mail op het adres « griffie@const-court.be » : «
- Kunt u de onderlinge samenhang van artikel 6, §§ 5 en 6, van artikel 7 en van artikel 10, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 uitleggen ? Waarom zijn bepaalde categorieën van gegevens uit Gegevensbank I die door de contactcentra aan Sciensano worden meegedeeld overeenkomstig artikel 6, §§ 5 en 6, van het samenwerkingsakkoord van 4 25 augustus 2020, identiek aan de categorieën van gegevens uit Gegevensbank III die door Sciensano aan de contactcentra worden meegedeeld overeenkomstig artikel 7 ?
- Hoe worden de in artikel 6, §§ 5 en 6, van het samenwerkingsakkoord bedoelde persoonsgegevens door de contactcentra meegedeeld aan Sciensano met het oog op het opslaan ervan in Gegevensbank I ? Slaan de contactcentra de gegevens die zij verzamelen op in Gegevensbank I en, zo ja, krachtens welke bepaling ?
- Kunt u de verwijzing in artikel 3, § 1, 4°, en in artikel 10, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 naar de ‘ in artikel 6 bedoelde ’ personen van categorie V en/of VI uitleggen ? Worden de persoonsgegevens met betrekking tot de personen van categorie V en VI verzameld in Gegevensbank I en, zo ja, krachtens welke bepaling ? ». Aanvullende memories zijn ingediend door : - de Ministerraad; - de Vlaamse Regering; - de Waalse Regering; - het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie; - de Regering van de Duitstalige Gemeenschap. Op de openbare terechtzitting van 29 juni 2022 : - zijn verschenen : . Mr. R. Fonteyn, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7555, 7556, 7558, 7559 en 7560; . Mr. R. Fonteyn, tevens loco Mr. C. Forget en Mr. S. Najmi, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7557; . Mr. M. Feys en Mr. A. Vandeburie, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad, de Vlaamse Regering, de Waalse Regering, het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Regering van de Duitstalige Gemeenschap; - hebben de rechters-verslaggevers T. Detienne en W. Verrijdt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 5 II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1.
- De eerste verzoekende partij in de zaken nrs. 7555, 7556, 7558, 7559 en 7560 zet uiteen dat zij een politieke partij met een specifieke territoriale werking is die tot doel heeft de particuliere belangen van de inwoners van de Duitstalige Gemeenschap te behartigen. Zij verantwoordt haar belang bij het vorderen van de vernietiging van alle akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde gefedereerde entiteiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano (hierna : het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020) door het feit dat dat samenwerkingsakkoord met name de inwoners van de Duitstalige Gemeenschap beoogt. Daarnaast voert zij aan dat de bestreden akten gevolgen hebben voor de beroepen tot nietigverklaring die zij voor de Raad van State heeft ingesteld tegen het koninklijk besluit nr. 18 van 4 mei 2020 « tot oprichting van een databank bij Sciensano in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 », tegen het koninklijk besluit nr. 25 van 28 mei 2020 « tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 18 van 4 mei 2020 tot oprichting van een databank bij Sciensano in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 », tegen het koninklijk besluit nr. 44 van 26 juni 2020 « betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en door de bevoegde regionale overheden of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano » en tegen het besluit van de Waalse Regering van bijzondere machten nr. 35 van 5 mei 2020 « houdende organisatie van de ‘ contact tracing ’ in het kader van de bestrijding van de COVID-19- epidemie ». Zij verwijst naar haar proceduregeschriften voor de Raad van State. De tweede tot de vierde verzoekende partij in de voormelde zaken zijn volksvertegenwoordigers van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap. Zij verantwoorden hun belang door het feit dat, krachtens de bestreden akten, wezenlijke elementen van hun privéleven kunnen worden verzameld en meegedeeld in gegevensbanken waarvan zij de wettigheid betwisten. De verzoekende partij in de zaak nr. 7557 is een vereniging zonder winstoogmerk die tot doel heeft onrechtvaardigheid en elke willekeurige aantasting van de rechten van een individu of van een gemeenschap te bestrijden. A.1.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7555, 7556, 7558, 7559 en 7560 menen te beschikken over het vereiste belang om niet alleen het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 12 oktober 2020 te bestrijden, maar ook de andere akten waarbij instemming wordt verleend met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020, daar dat samenwerkingsakkoord met name de inwoners van de Duitstalige Gemeenschap beoogt. A.2.
- De Ministerraad, de Waalse Regering, de Vlaamse Regering, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (hierna : de verwerende overheden) betwisten het belang van de eerste verzoekende partij in de zaken nrs. 7555, 7558, 7559 en 7560, omdat zij niet aantoont in welke zin de thans onderzochte beroepen een invloed kunnen hebben op de beroepen die zij heeft ingesteld voor de Raad van State. De verwerende overheden merken op dat die beroepen zijn gericht tegen het koninklijk besluit nr. 18 van 4 mei 2020, tegen het koninklijk besluit nr. 25 van 28 mei 2020 en tegen het koninklijk besluit nr. 44 van 26 juni 2020, voormeld, die zonder voorwerp zijn geworden door de intrekking ervan bij de artikelen 3 tot 5 van de wet van 9 oktober
- Zij verwijzen daarnaast naar artikel 7 van de wet van 27 maart 2020 « die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) ». Volgens de verwerende overheden toont de eerste verzoekende partij niet aan dat de bestreden akten haar statutair doel kunnen aantasten, doel dat overigens aanleunt bij de verdediging van het algemeen belang. Ten slotte laat het territoriale karakter van haar statutair doel haar niet toe te doen blijken van een belang bij de vernietiging 6 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2020, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 1 oktober 2020 en van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 2 oktober
- De verwerende overheden betwisten eveneens het belang om in rechte te treden van de tweede tot de vierde verzoekende partij in dezelfde zaken, omdat, enerzijds, hun hoedanigheid van volksvertegenwoordiger hun geen toereikend functioneel belang toekent en, anderzijds, zij niet beschikken over een rechtstreeks belang bij de vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2020, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 1 oktober 2020 en van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 2 oktober
- A.2.
- De verwerende overheden betwisten dat de eerste tot de vierde verzoekende partij in de zaak nr. 7556 een belang heeft bij het beroep om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in A.2.1, alsook omdat die verzoekende partijen de bepaling waarvan zij de vernietiging vorderen, niet identificeren. Zij merken in dat verband op dat de artikelen 2 tot 11 van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 12 oktober 2020 geen betrekking hebben op de instemming met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- A.2.
- De verwerende overheden voeren aan dat het belang van de verzoekende partij in de zaak nr. 7557 steeds geval per geval moet worden beoordeeld en dat die laatste niet aantoont dat de bestreden akten haar statutair doel kunnen aantasten, doel dat overigens aanleunt bij de verdediging van het algemeen belang. Ten aanzien van het enige middel A.3.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 4, punt 7), 5, lid 1, 6, 9, 14, 35 en 36 van de verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van de gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). Het middel bevat tien onderdelen. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7555, 7556, 7558, 7559 en 7560 voeren aan dat hun verzoekschriften zijn gericht tegen de bestreden akten in zoverre zij instemming verlenen met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en de verwerende overheden een verkeerde toepassing maken van het arrest nr. 171/2015 van 3 december
- Zij voeren aan dat de wijze waarop de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 4, punt 7), 35 en 36 van de AVG zijn geschonden, met de vereiste nauwkeurigheid is uiteengezet. A.3.
- In hun memories van antwoord vragen de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7555, 7556, 7558, 7559 en 7560 het Hof om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag te stellen : « Verzet het recht van de Unie, en inzonderheid de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 4, 7), 5, lid 1, 6, 9, 14, 35 en 36 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘ betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van de gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) ’, al dan niet in samenhang gelezen met de bepalingen van de verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en van de Raad van 14 juni 2021 ‘ betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren ’, zich tegen de toepassing van een nationale reglementering die, naar het voorbeeld van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie ‘ betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde gefedereerde entiteiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano ’ : 1° de gegevens centraliseert bij een enkele openbare operator; 7 2° tussen de verzamelde gegevens en de gegevensbanken waarin zij worden geregistreerd geen onderscheid maakt naar gelang van de verschillende doeleinden die met die verzameling van gegevens worden nagestreefd; 3° de verzameling van de gegevens betreffende de vermoedelijk besmette personen regelt zoals in die nationale reglementering wordt gepreciseerd; 4° de verzameling van de gegevens betreffende de ‘ contacten ’ van de (vermoedelijk) besmette personen (personen categorie IV) regelt zoals in die nationale reglementering wordt gepreciseerd; 5° kiest voor een pseudonimisering (en niet een anonimisering) van de gegevens die voor onderzoeksdoeleinden worden verwerkt; 6° toestaat dat het ‘ Informatieveiligheidscomité ’ de essentiële elementen bepaalt die zijn verbonden aan de overdracht van gegevens aan derden, zoals de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke, de betrokken categorieën van personen en de precieze aard van de gegevens die kunnen worden meegedeeld; 7° toestaat dat de behandelende arts wordt ingelicht over de beoogde test zonder de instemming van de betrokken persoon ? ». A.4.
- De verwerende overheden werpen de niet-ontvankelijkheid van het enige middel op in zoverre het uitsluitend zou zijn gericht tegen het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Zij verwijzen naar het arrest nr. 171/
- Volgens de verwerende overheden zou het enige middel overigens niet ontvankelijk zijn daar het geen uiteenzetting bevat, in zoverre het de schending beoogt van artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van de artikelen 4, punt 7), 35 en 36 van de AVG. Ten slotte zou het enige middel niet ontvankelijk zijn in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, daar het betwiste verschil in behandeling en de met elkaar te vergelijken categorieën van personen niet worden gepreciseerd. A.4.
- In hoofdorde voeren de verwerende overheden aan dat het enige middel niet gegrond is. In ondergeschikte orde voeren zij aan dat alleen een gedeeltelijke vernietiging van de bestreden akten mogelijk zou zijn, daar geen enkele kritiek wordt geformuleerd tegen de artikelen 1, 4, 5, 10, 13 en 16 tot 19 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- In uiterst ondergeschikte orde vorderen de verwerende overheden in geval van vernietiging, de gevolgen van de bestreden akten te handhaven « op definitieve wijze voor de hele periode tussen 4 mei 2020 en de bekendmaking van het koninklijk besluit waarbij het einde van de epidemie van het coronavirus COVID-19 wordt afgekondigd of op zijn minst tot de aanneming van een nieuw samenwerkingsakkoord en de instemming ermee, onverminderd de handhaving van de gevolgen van de in het samenwerkingsakkoord beoogde maatregelen voor de toekomst overeenkomstig de artikelen 15 en 19 van het samenwerkingsakkoord ». Zij voeren aan dat het contactonderzoek een van de meest doeltreffende middelen is om de verspreiding van een besmettelijke ziekte zoals COVID-19 te bestrijden. Zij zetten uiteen dat de vroegtijdige opsporing van de personen die in contact zijn geweest met personen die met die ziekte zijn besmet of ernstig worden vermoed ermee te zijn besmet, primordiaal is om de nodige aanbevelingen te kunnen formuleren, om de heropflakkering van de ziekte te voorkomen, alsook om lockdown-maatregelen te vermijden die de rechten en vrijheden in grotere mate aantasten, om beslissingen te nemen die zijn aangepast aan de omvang van de gezondheidscrisis, om de vooruitgang te vergemakkelijken van het wetenschappelijk onderzoek betreffende een ziekte die nog grotendeels onbekend is en om de continuïteit te verzekeren van het beleid inzake de bestrijding ervan. In verband met dat laatste punt verwijzen de verwerende overheden naar de aanbevelingen die het Europees Centrum voor ziektepreventie en –bestrijding in zijn verslag van 21 juni 2021 heeft geformuleerd, en merken zij op dat de plotse stopzetting van het Belgische beleid inzake contactopsporing het hele beleid van de Europese Unie inzake de strijd tegen het virus in het gedrang zou kunnen brengen. De verwerende overheden voeren tevens aan dat een niet-gemoduleerde vernietiging een juridische leemte zou creëren die rechtsonzekerheid met zich meebrengt en de in het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 beoogde personen zou blootstellen aan risico’s inzake vervolging wegens schending van het beroepsgeheim. De verwerende overheden verwijzen naar de arresten nrs. 1/2005, 134/2012 en 66/2013 van het Hof en voegen eraan toe dat een niet-gemoduleerde vernietiging een administratieve en gerechtelijke last zou veroorzaken die onhoudbaar is voor de administraties, alsook talrijke beslissingen en overeenkomsten ter uitvoering van de contactopsporing in het geding zou brengen. Volgens de verwerende overheden blijkt uit de termijnen van het wissen van de gegevens zoals bedoeld in artikel 15 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 dat een vernietiging van de bestreden akten geen enkele nuttige werking kan hebben, daar de maatregelen van het samenwerkingsakkoord reeds zullen zijn uitgewerkt. De verwerende overheden voeren aan dat, zoals het Hof reeds 8 heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 104/2006 van 21 juni 2006, de uitputting van de gevolgen van een overgangsbepaling kan leiden tot de handhaving van de gevolgen voor de beschouwde periode. Ten slotte zetten zij uiteen dat de verzoekende partijen niet de schorsing van de bestreden akten hebben gevorderd en dat een vernietiging ervan buitensporige nadelen zou inhouden voor de betrokken administraties en entiteiten, maar voor de verzoekende partijen slechts een louter theoretisch voordeel zou inhouden. De verwerende overheden zetten uiteen dat het systeem van een gecentraliseerde gegevensbank ondersteuning moet bieden aan de samenwerkingsakkoorden van 14 juli 2021 en van 27 september 2021, alsook aan de uitvoerende samenwerkingsakkoorden van 14 juli 2021, van 23 juli 2021, van 20 september 2021 en van 27 september 2021 « betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitale EU-COVID- certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België ». Zij onderstrepen dat de vernietiging van de bestreden akten ongewenste gevolgen zal hebben voor de vaccinatiestrategie en het contactonderzoek, voor het digitale EU-COVID-certificaat en voor het COVID Safe Ticket. Zolang die laatste twee instrumenten worden gebruikt, moeten de resultaten van de vaccinaties en tests toegankelijk blijven op financieel en organisatorisch vlak. Zij voegen eraan toe dat de gecentraliseerde gegevensbank reeds wordt toegepast door de betrokken sector en bij het grote publiek bekend is. Wat betreft de oprichting van Gegevensbank I bij Sciensano (artikel 2 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020) A.5.
- In het eerste onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 2 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 strijdig is met de beginselen van wettigheid, voorzienbaarheid, noodzakelijkheid en evenredigheid in zoverre het voorziet in de centralisatie van gevoelige medische gegevens bij Sciensano, terwijl er andere minder intensieve middelen bestaan om het nagestreefde doel te bereiken, zoals de mededeling, door de contactcentra, van de nodige gegevens aan de actoren die belast zijn met het wetenschappelijk onderzoek. De verzoekende partijen verwijzen naar de adviezen van de Gegevensbeschermingsautoriteit nrs. 34/2020 en 42/
- A.5.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7555, 7556, 7558, 7559 en 7560 voeren aan dat de wetenschappelijke gemeenschap de noodzaak en doeltreffendheid van een centralisatie van de gegevens betwist. Zij verwijzen naar de aanbeveling (EU) nr. 2020/518 van de Europese Commissie van 8 april 2020 « over een gemeenschappelijke toolbox voor het gebruik van technologie en gegevens om de Covid-19-crisis te bestrijden en te boven te komen, met name wat mobiele applicaties en het gebruik van geanonimiseerde mobiliteitsgegevens betreft », de verordening (EU) nr. 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 « betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren », de adviezen nrs. 36/2020 en 138/2020 van de Gegevensbeschermingsautoriteit en websites. A.6.
- De verwerende overheden voeren aan dat de grief die is afgeleid uit de schending van de beginselen van wettigheid en voorzienbaarheid niet gegrond is, daar die niet wordt uiteengezet. Zij voeren aan dat de oprichting van een centrale gegevensbank bij Sciensano noodzakelijk en evenredig is in het licht van de doeleinden inzake gegevensbescherming, veiligheid en gebruiksvriendelijkheid. Allereerst zou een gedecentraliseerd systeem gedifferentieerde beschermingsmaatregelen vereisen en zou het niet aangepast zijn aan de mobiliteit van de burger. Het zou leiden tot logistieke problemen en problemen inzake gegevensbescherming, en het zou de contactopsporing vertragen, ten koste van de strijd tegen de verspreiding van het virus. Ten tweede had het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit nr. 42/2020 betrekking op het koninklijk besluit nr. 44 van 26 juni 2020, en niet op het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- In haar advies nr. 64/2020 van 20 juli 2020 heeft de Gegevensbeschermingsautoriteit de noodzaak en evenredigheid van de oprichting van een centrale gegevensbank bij Sciensano bevestigd. Ten derde onderschatten de verzoekende partijen de gevolgen van de gezondheidscrisis en de risico’s op het lekken van gegevens die inherent zijn aan een gedecentraliseerd systeem. Indien de contactcentra zelf de nodige gegevens zouden moeten meedelen aan de actoren van het wetenschappelijk onderzoek, dan zou dat enorm veel extra werk met zich meebrengen voor die centra, ten koste van de uitoefening van hun informatieopdracht. De continue overdracht en verwerking van gevoelige gegevens in verschillende gegevensbanken zouden overigens een aanzienlijk risico doen ontstaan inzake de veiligheid van de informatie en het lekken van de gegevens. Omgekeerd draagt een centrale gegevensbank bij tot de naleving van het beginsel van de minimale gegevensverwerking en tot een veiligere en doeltreffendere manuele opsporing van de contacten. 9 A.6.
- In antwoord op de vragen die door het Hof in zijn beschikking van 18 mei 2022 zijn gesteld, geven de verwerende overheden aan dat Gegevensbank I de gegevens bevat die nodig zijn voor de uitvoering van het beleid inzake opsporing, testing, isolatie en quarantaine. Het betreft de persoonsgegevens met betrekking tot de personen van categorie I tot IV. Gegevensbank I wordt continu geüpdatet. Gegevensbank III bevat enkel de gegevens die nodig zijn voor de medewerkers van de contactcentra en voor de veldonderzoekers om de contactopsporing te verrichten. Die gegevens worden tijdelijk opgenomen in Gegevensbank III omdat zij dagelijks worden gewist. In antwoord op de eerste vraag zetten de verwerende overheden uiteen dat, ten eerste, artikel 6, § 5, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 erin voorziet dat de gegevens vanuit met name de ziekenhuizen en Sciensano worden aangeleverd aan Gegevensbank I. Ten tweede voorziet artikel 6, § 6, erin dat de gegevens die door de contactcentra zijn verzameld in Gegevensbank III, terugkeren naar Gegevensbank I. Ten derde regelt artikel 7 ook de uitwisseling van gegevens tussen Gegevensbank I en Gegevensbank III. Ten vierde voorziet artikel 10 erin dat de contactcentra van een gefedereerde entiteit de burgers die er zijn gedomicilieerd, kunnen contacteren. Ten vijfde wordt de uitwisseling van gegevens tussen Gegevensbank I en Gegevensbank III verantwoord, enerzijds, door het feit dat de contactcentra geen toegang hoeven te hebben tot alle gegevens uit Gegevensbank I om de manuele contactopsporing te verrichten en, anderzijds, door het feit dat de in Gegevensbank III opgeslagen gegevens aan de juiste persoon moeten kunnen worden toegewezen, in Gegevensbank I. De informatie die door de contactcentra in Gegevensbank III is ingevoerd, wordt gebruikt om Gegevensbank I te updaten. Zij maakt het mogelijk te volgen welke personen reeds door het contactcentrum werden gecontacteerd en welke personen nog moeten worden gecontacteerd. In antwoord op de tweede vraag zetten de verwerende overheden uiteen dat de in artikel 6, §§ 5 en 6, van het samenwerkingsakkoord bedoelde gegevens de gegevens zijn die door de contactcentra worden verzameld en opgeslagen in Gegevensbank III en die automatisch worden opgeslagen in Gegevensbank I. De contactcentra slaan gegevens nooit rechtstreeks op in Gegevensbank I omdat zij geen toegang ertoe hebben. Zij kunnen enkel de voor hen noodzakelijke gegevens raadplegen in Gegevensbank III. In antwoord op de derde vraag geven de verwerende overheden aan dat de « in artikel 6 [van het samenwerkingsakkoord] bedoelde » personen van categorie V en/of VI de behandelende arts en de referentiearts zijn wier persoonsgegevens worden verwerkt in Gegevensbank I. Wat betreft de noodzaak om bepaalde categorieën van gegevens te verzamelen (artikelen 6 tot 9 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020) A.
- In het tweede onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 6 tot 9 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 niet voldoen aan de beginselen en bepalingen die worden beoogd in het middel, in zoverre
(1)de verzamelde gegevens en de gegevensbanken waarin zij worden geregistreerd, niet worden onderscheiden naar gelang van het nagestreefde doel,
(2)de verzameling van de gegevens betreffende de vermoedelijk besmette personen (personen categorie III) en de personen die contact hebben gehad met een besmette persoon of met een vermoedelijk besmette persoon (personen categorie IV) niet noodzakelijk, noch evenredig is,
(3)de keuze om de gegevens te pseudonimiseren die worden verwerkt met het oog op wetenschappelijk onderzoek niet verantwoord is en
(4)bepaalde concepten onvoldoende duidelijk zijn. De verzoekende partijen verwijzen naar het advies nr. 64/2020 van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
- De noodzaak om de gegevens en de gegevensbanken te onderscheiden volgens het nagestreefde doel A.
- De verzoekende partijen voeren aan dat het identificatienummer van de sociale zekerheid, het rijksregister, de resultaten van de « CT-scan » en de taal van de betrokken persoon niet noodzakelijk zijn in het licht van het nagestreefde doel. Aangezien de contactcentra toegang hebben tot het identificatienummer van de sociale zekerheid en tot de gegevens die zijn opgenomen in het rijksregister, kan het doel inzake de identificatie van de betrokken persoon worden bereikt zonder die gegevens te registreren in de gegevensbank I. De verwerking van het identificatienummer van de sociale zekerheid leidt tot een bijzonder ernstige inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokken personen wegens de gevoelige informatie die dat nummer bevat. De verwerking van de resultaten van de « CT-scan » streeft een doel van wetenschappelijk onderzoek na. Het is niet noodzakelijk, noch evenredig met het doel inzake contactopsporing. Ten slotte blijkt de registratie van de taal van de betrokken personen in de gegevensbank I niet noodzakelijk aangezien het mogelijk is de betrokken 10 personen automatisch door te verbinden met een persoon die hun taal spreekt via een automatische taalkeuze die wordt voorgesteld bij de aanvang van het telefonisch contact. A.
- De verwerende overheden voeren allereerst aan dat het wetenschappelijk onderzoek geen doel op zich is van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020, dat uitsluitend ertoe strekt « de gegevensstroom te regelen tussen de gegevensbanken I en II teneinde het wetenschappelijk onderzoek te vergemakkelijken ». Ten tweede zou het feit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de gegevensbanken naar gelang van het doel van de verzameling van de gegevens tot een gedecentraliseerd systeem leiden dat extra administratief werk bezorgt aan de zorgverstrekkers, alsook veiligheidsrisico’s inhoudt. De gegevens zouden immers door de zorgverstrekkers, vóór de registratie ervan, moeten worden opgesplitst volgens het doel van de verzameling ervan. De zorgverstrekkers zouden tevens die gegevens moeten anonimiseren of pseudonimiseren die bestemd zijn voor wetenschappelijk onderzoek alvorens die worden opgenomen in de desbetreffende gegevensbank. Ten derde laat de pseudonimisering van de gegevens die bestemd zijn voor wetenschappelijk onderzoek vanuit de gegevensbank I alvorens te worden gedeeld met de gegevensbank II, en niet vóór de registratie ervan in de gegevensbank I, toe om de administratieve last van de artsen niet te verzwaren en de pseudonimisering van de gegevens toe te vertrouwen aan het platform eHealth dat over de vereiste deskundigheid beschikt. Ten vierde zijn de opname van het identificatienummer van de sociale zekerheid en de toegang tot het rijksregister noodzakelijk voor de eenduidige identificatie van de betrokken personen. De verwerende overheden verwijzen naar de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en naar het arrest nr. 29/2010 van 18 maart
- Zij onderstrepen dat de toegang van de contactcentra tot het identificatienummer van de sociale zekerheid en tot het rijksregister precies voortvloeit uit de registratie van die gegevens in de gegevensbank I, die zorgt voor de gegevensinvoer in de gegevensbank III waartoe die centra toegang hebben. Ten vijfde betekent het latere gebruik van de « CT-scans » met het oog op wetenschappelijk onderzoek niet dat de registratie van die gegevens niet noodzakelijk, noch evenredig is. Ten zesde is de registratie van de taal van de betrokken personen een essentieel element om de contacten op te sporen. Het door de verzoekende partijen voorgestelde systeem kan niet worden overwogen, daar het contactcentrum de betrokkene belt en niet omgekeerd.
- De verwerking van de gegevens betreffende de vermoedelijk besmette personen en de personen die in contact zijn geweest met een besmette persoon of met een vermoedelijk besmette persoon A.
- Volgens de verzoekende partijen streeft de verwerking van de gegevens betreffende de vermoedelijk besmette personen (personen van categorie III) een doel van wetenschappelijk onderzoek na. Zij is niet noodzakelijk, noch evenredig met het doel inzake contactopsporing. De verwerking van de gegevens betreffende de personen die in contact zijn geweest met een besmette persoon of met een vermoedelijk besmette persoon (personen categorie IV) is evenmin noodzakelijk, noch evenredig. A.
- De verwerende overheden verwijzen naar de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en voeren aan dat de verwerking van de persoonsgegevens betreffende vermoedelijk besmette personen noodzakelijk en evenredig is. Het betreft een vermoedelijke diagnose door een arts op basis van een medisch onderzoek dat een juist gegeven vormt in de zin van artikel 5, lid 1, d), van de AVG. De verwerende overheden voegen eraan toe dat, krachtens artikel 3, § 2, van hetzelfde samenwerkingsakkoord, de gegevens van de vermoedelijk besmette personen voor de opsporing van de contacten en niet voor wetenschappelijk onderzoek dienen. Volgens de verwerende overheden is de verwerking van de gegevens betreffende de personen die in contact zijn geweest met een besmette persoon of met een vermoedelijk besmette persoon, eveneens noodzakelijk en evenredig. Ten eerste heeft het advies nr. 64/2020 van de Gegevensbeschermingsautoriteit betrekking op het ontwerp van samenwerkingsakkoord. Ten tweede vloeit de registratie van de geboortedatum van die personen voort uit de verzameling van het identificatienummer van de sociale zekerheid, en het doel ervan blijkt uit de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Ten derde vloeit uit artikel 6, § 5, 7°, van dat samenwerkingsakkoord voort dat « de gegevens noodzakelijk voor het contactcentrum om verder nuttig contact te leggen » de postcode en de taal omvatten. Ten vierde blijkt uit de algemene toelichting bij hetzelfde samenwerkingsakkoord dat het opnemen van contact niet reikt tot de contacten van de personen die in contact zijn geweest met een besmette persoon of met een vermoedelijk besmette persoon. Ten vijfde is de registratie van de weigering om een arts te raadplegen, eveneens verantwoord in die algemene toelichting. 11
- De keuze om de met het oog op wetenschappelijk onderzoek verwerkte gegevens te pseudonimiseren A.
- De verzoekende partijen voeren aan dat de wetgever de noodzaak om de met het oog op wetenschappelijk onderzoek verwerkte gegevens te pseudonimiseren niet verantwoordt en dat de anonimisering een minder groot risico op heridentificatie zou inhouden. A.
- De verwerende overheden voeren aan dat de Gegevensbeschermingsautoriteit, in haar advies nr. 64/2020, de ontstentenis van verantwoording ten aanzien van de keuze voor pseudonimisering niet heeft aangeklaagd. Zij voeren aan dat die keuze voor de pseudonimisering is verantwoord in de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en dat de volledige anonimisering het opsporen van een contact onmogelijk zou maken.
- Het gebrek aan duidelijkheid van bepaalde concepten A.
- De verzoekende partijen verwijzen naar het advies nr. 64/2020 waarin de Gegevensbeschermingsautoriteit vragen heeft bij de draagwijdte van de woorden « het identificatienummer uit authentieke bron » en « de in geval van nood te contacteren persoon ». A.
- De verwerende overheden zetten uiteen dat, aansluitend op dat advies, die begrippen zijn verduidelijkt in artikel 8, § 1, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en in de algemene toelichting erbij. Wat betreft de aan het Informatieveiligheidscomité verleende machtiging om de mededeling van persoonsgegevens aan derden toe te staan (artikelen 11 en 12 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020) A.
- In het derde onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 11 en 12 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 de in het middel beoogde bepalingen en beginselen schenden, door het Informatieveiligheidscomité ertoe te machtigen de essentiële elementen te bepalen die zijn verbonden met de mededeling van gegevens aan derden, zoals de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke, de betrokken categorieën van personen en de precieze aard van de gegevens die kunnen worden meegedeeld. Zij voeren aan dat het Informatieveiligheidscomité niet kan worden beschouwd als een toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 51 van de AVG en dat de toestemmingsbevoegdheid van dat Comité bijgevolg niet kan worden verantwoord op grond van artikel 36, leden 4 en 5, van de AVG. Zij verwijzen naar de kritiek geformuleerd door de afdeling wetgeving van de Raad van State. A.
- Volgens de verwerende overheden zetten de verzoekende partijen niet concreet uiteen in welke zin de bevoegdheden van het Informatieveiligheidscomité de AVG zouden schenden. De verwerende overheden verwijzen naar de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en naar de wet van 5 september 2018 « tot oprichting van het Informatieveiligheidscomité en tot wijziging van diverse wetten betreffende de uitvoering van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG », en zetten uiteen dat het Informatieveiligheidscomité een onafhankelijk orgaan is dat belast is met het toestaan van de mededeling van persoonsgegevens in de sociale sector en de sector van de gezondheidszorg, en met het bevorderen van de gegevensbescherming en de informatieveiligheid, en geen toezichthoudende autoriteit is in de zin van artikel 51 van de AVG. De bevoegdheid van het Informatieveiligheidscomité om uitwisselingen van gegevens toe te staan of te weigeren na beraadslaging, bevordert de naleving van het recht op eerbiediging van het privéleven, daar zij toelaat vóór de uitwisseling van de gegevens een preventieve controle uit te voeren teneinde een geoorloofde en correcte gegevensuitwisseling te waarborgen. Die bevoegdheid doet geen afbreuk aan die van de Gegevensbeschermingsautoriteit, die het Informatieveiligheidscomité kan vragen diens beslissing te heroverwegen indien hogere juridische normen niet in acht zijn genomen. De verwerende overheden baseren zich op de artikelen 6, lid 2, en 9, lid 4, van de AVG en voeren aan dat artikel 36 van dezelfde verordening niet uitsluit dat een voorafgaande controle wordt uitgevoerd door een andere instantie dan de toezichthoudende autoriteit. Zij betogen dat met de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State rekening is gehouden in de artikelen 11 en 12 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Zij voeren aan dat de bevoegdheden van het Informatieveiligheidscomité geen betrekking hebben op essentiële elementen van de verwerking, zoals de instellingen die kunnen ressorteren onder de collectiviteit, de « informerende personen » die ertoe gehouden zijn gegevens mee te delen aan Sciensano of de categorieën van gegevens die worden verwerkt in de gegevensbanken I 12 tot IV. Die elementen moeten worden vastgelegd in een uitvoerend samenwerkingsakkoord. De rol van het Informatieveiligheidscomité waarborgt de flexibiliteit die nodig is om doeltreffende maatregelen te nemen die zijn aangepast aan de evoluerende realiteit van de strijd tegen het virus. De verwerende overheden besluiten dat de artikelen 11, derde lid, en 12, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 geen essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens regelen. Wat betreft de informatie die de contactcentra verstrekken aan de behandelende artsen (artikel 3, § 1, 2°, B, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020) A.
- In het vierde onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 3, § 1, 2°, B, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 artikel 5, lid 1, b), van de AVG en artikel 22 van de Grondwet schendt, in zoverre het erin voorziet dat de behandelende artsen worden ingelicht over de medische toestand van de personen die misschien zijn besmet, van de personen bij wie een Covid-19-test is uitgevoerd (personen categorie II) en van de vermoedelijk besmette personen (personen categorie III) zonder de instemming van de betrokken personen. A.
- In hoofdorde voeren de verwerende overheden aan dat het vierde onderdeel van het enige middel steunt op een verkeerde lezing van artikel 3, § 1, 2°, B, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Die bepaling voorziet uitsluitend erin dat de referentieartsen (personen categorie VI) en niet de behandelende artsen (personen categorie V) kunnen worden gecontacteerd door de contactcentra om te worden ingelicht over de vermoedelijke besmetting. Het samenwerkingsakkoord is op dat punt gewijzigd na het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit. In ondergeschikte orde voeren de verwerende overheden aan dat de doeleinden van de verwerking bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, B, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 bepaald en expliciet zijn, overeenkomstig het beginsel van de beperking van de doeleinden. Wat betreft het doel inzake wetenschappelijk onderzoek (artikel 3, § 1, 4°, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020) A.
- In het vijfde onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 3, § 1, 4°, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 in strijd is met het finaliteitsbeginsel, in zoverre het doel inzake wetenschappelijk onderzoek zou moeten worden beschouwd als een latere verwerking van gegevens, en niet als een primair doel, daar de gegevens oorspronkelijk voor andere doeleinden worden verzameld. Het onderscheid tussen een wetenschappelijk onderzoek dat steunt op het primaire gebruik en datgene dat steunt op het secundaire gebruik van gezondheidsgegevens heeft een weerslag op de juridische basis van de verwerking en op het beginsel van minimale gegevensverwerking. Zij verwijzen naar de adviezen nrs. 42/2020 en 43/2020 van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Ten aanzien van de juridische basis van de verwerking voeren de verzoekende partijen aan dat, aangezien de toestemming van de betrokken personen, overeenkomstig artikel 6, lid 1, a), en artikel 9, lid 2, a), van de AVG, niet wordt gevraagd, artikel 3, § 3, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 artikel 6, lid 1, e), van de AVG schendt. Ten aanzien van het beginsel van de minimale gegevensverwerking voeren de verzoekende partijen aan dat, door van het doel inzake wetenschappelijk onderzoek een primair doel te maken zoals de doeleinden inzake « contactopsporing » en « voorkoming van de uitbreiding van de nadelige gevolgen veroorzaakt door besmettelijke ziektes », de verwerkingsverantwoordelijke meer gegevens mag verwerken, hetgeen in strijd is met artikel 5, lid 1, b), van de AVG. A.
- De verwerende overheden voeren allereerst aan dat een latere verwerking een verwerking is voor een doel dat aanvankelijk niet werd overwogen en waarover de betrokken personen, die niet op adequate wijze werden geïnformeerd, moeten worden ingelicht (artikel 13, lid 3, van de AVG). Ten tweede, indien het doel van de secundaire verwerking verenigbaar is met dat van de primaire verwerking, kan de verwerking steunen op de juridische grondslag van het doel van de primaire verwerking (artikel 6, lid 4, van de AVG). Ten derde voorziet artikel 3, § 1, 4°, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 uitsluitend erin het wetenschappelijk onderzoek te vergemakkelijken, teneinde een secundaire verwerking van gegevens voor wetenschappelijk onderzoek mogelijk te maken, zonder van het wetenschappelijk onderzoek een doel op zich te maken. Het primaire 13 doel bestaat in het beheer van de gegevensstromen tussen de gegevensbanken I en II teneinde wetenschappelijk onderzoek mogelijk te maken. Daar dat doel is opgenomen in het samenwerkingsakkoord, kan het niet worden beschouwd als een ander doel dan dat waarvoor de gegevens zijn verzameld. Trouwens, de Gegevensbeschermingsautoriteit heeft hierover geen enkel voorbehoud gemaakt in haar advies nr. 64/
- Ten vierde zijn de verwerkingen met het oog op wetenschappelijk onderzoek in overeenstemming met het beginsel van de minimale gegevensverwerking, daar alleen de gepseudonimiseerde gegevens worden uitgewisseld met de gegevensbank II. Volgens de verzoekende partijen moet het beginsel van de minimale gegevensverwerking steeds worden beoordeeld in het licht van het overwogen specifieke onderzoek en de gegevens die al dan niet kunnen worden gebruikt in het kader van het doel inzake wetenschappelijk onderzoek kunnen niet a priori worden afgebakend. Wat betreft de koppelingen tussen de gegevensbank I en de gegevensbank V en het begrip « risicocontact » (artikel 14 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020) A.
- In het zesde en het zevende onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 14 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 in strijd is met de in het middel beoogde bepalingen en beginselen, in zoverre het het gebruik van de gegevens die zijn opgenomen in de gegevensbank I niet beperkt tot het manuele contactonderzoek, en in zoverre het het begrip « risicocontact » niet definieert. Zij verwijzen naar het advies nr. 43/2020 van de Gegevensbeschermingsautoriteit. A.
- Volgens de verwerende overheden berust het zesde onderdeel van het enige middel op teksten van vóór het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en op een verkeerd begrip van de verschillende gegevensbanken. Zij zetten uiteen dat de gegevens inzake de contacten en de gezondheid van vermoedelijk besmette personen die zijn geregistreerd in de gegevensbank I worden verwerkt door de ziekenhuizen, de laboratoria en de medewerkers van het contactcentrum. De gegevensbank I zorgt voor de invoer van gegevens in de gegevensbanken II, III en VI. De gegevensbank V bevat de gegevens van de loglijst van de digitale contactopsporingsapplicatie, de besmettingsgegevens en de waarschijnlijke datum van besmetting, zonder de gebruiker te identificeren. Geen enkel gegeven uit de gegevensbank I wordt rechtstreeks geregistreerd in de gegevensbank V. De scheiding tussen de gegevensbanken I en V wordt verzekerd door zowel technische als organisatorische door Sciensano genomen maatregelen, alsook door de oprichting van de gegevensbank VI. De gegevensbank VI, die werden opgericht door het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 13 oktober 2020 tussen de federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de digitale contactopsporingsapplicatie(s), overeenkomstig artikel 92bis, § 1, derde lid, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 13 oktober 2020), laat toe de authentificatie van de besmettingsstatus te beveiligen. Volgens de verwerende overheden steunt het zevende onderdeel van het enige middel op een verkeerde lezing van artikel 14, § 9, 2°, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Overeenkomstig die bepaling is het begrip « risicocontact » gedefinieerd in artikel 1, 10°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 13 oktober
- Wat betreft het begrip « fysiek bezoek » (artikel 3 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020) A.
- In het achtste onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 3, § 1, 2°, A, en § 2, 2°, A, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 niet voldoet aan het finaliteitsbeginsel, in zoverre het het begrip « fysiek bezoek » niet definieert. Zij verwijzen naar het advies nr. 64/2020 van de Gegevensbeschermingsautoriteit. A.
- De verwerende overheden verwijzen naar de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord en voeren aan dat de specifieke regels betreffende de uitvoering van de opsporing, waaronder die betreffende de huisbezoeken, onder de bevoegdheid van de deelentiteiten vallen. Uit artikel 1, § 1, 20°, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en uit de algemene toelichting erbij blijkt dat de fysieke bezoeken kunnen worden uitgevoerd door de medewerkers van het contactcentrum, wanneer het telefonisch contact of contact via mail niet mogelijk is. Uit artikel 3, § 2, van hetzelfde samenwerkingsakkoord blijkt overigens dat die drie mogelijkheden van contact identieke doeleinden nastreven en dat het contactcentrum de gegevens die worden verkregen in het kader van een huisbezoek alleen mag verwerken voor de in die bepaling gedefinieerde doeleinden. De verwerende overheden zetten uiteen dat, naar aanleiding van het advies nr. 64/2020 van de 14 Gegevensbeschermingsautoriteit, het woord « waaronder » is geschrapt en het woord « opvolging » is gedefinieerd in de algemene toelichting van het samenwerkingsakkoord. Volgens de verwerende overheden verplicht het transparantiebeginsel bedoeld in artikel 12 van de AVG niet ertoe de specifieke omstandigheden van de verwerking in een wetgevend instrument te definiëren. De verwerende overheden baseren zich op artikel 16 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en op de algemene toelichting erbij om te besluiten dat de betrokken persoon op transparante wijze wordt ingelicht over de verwerking van zijn persoonsgegevens tijdens het contact en via de website http://corona-tracking.info. Wat betreft de geheimhoudingsplicht van de medewerkers van de contactcentra A.
- In het negende onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020, door niet erin te voorzien dat de medewerkers van de contactcentra zijn onderworpen aan het beroepsgeheim, strijdig is met artikel 9, lid 2, i), van de AVG. Zij verwijzen naar de adviezen nrs. 34/2020 en 64/2020 van de Gegevensbeschermingsautoriteit. A.
- De verwerende overheden voeren aan dat de onderwerping van de medewerkers van de contactcentra aan het beroepsgeheim onder de bevoegdheid ressorteert van de deelentiteiten en respectievelijk is geregeld bij artikel 3, derde lid, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 mei 2020 « tot organisatie van het centrale contactonderzoek door een samenwerkingsverband van externe partners, het lokale contactonderzoek door lokale besturen of zorgraden en tot organisatie van de COVID-19-teams in het kader van COVID-19 », bij artikel 5 van het besluit van de Waalse Regering van bijzondere machten nr. 35 van 5 mei 2020 « houdende organisatie van de ‘ contact tracing ’ in het kader van de bestrijding van de COVID-19-epidemie », bij artikel 10.18, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 1 juni 2004 betreffende de gezondheidspromotie en inzake medische preventie » en bij artikel 4, § 2, van het besluit van bijzondere machten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie nr. 2020/006 van 18 juni 2020 « tot het organiseren van het gezondheidskundig contactonderzoek in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie ». Wat betreft de bewaringstermijn van de gegevens die zijn opgeslagen in gegevensbank II (artikel 15 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020) A.
- In het tiende onderdeel van het enige middel verwijten de verzoekende partijen artikel 15 van het samenwerkingsakkoord de bewaringstermijn van de gepseudonimiseerde gegevens die zijn geregistreerd in de gegevensbank II niet te preciseren. A.
- De verwerende overheden zetten uiteen dat, naar aanleiding van het advies nr. 64/2020 van de Gegevensbeschermingsautoriteit, een bewaringstermijn van dertig jaar voor die gegevens is bepaald in artikel 15, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Zij voegen eraan toe dat die termijn evenredig is met de nagestreefde doeleinden daar die overeenstemt met de termijn die doorgaans wordt aangenomen voor het bewaren van gezondheidsgegevens met het oog op wetenschappelijk onderzoek. -B- Ten aanzien van de context van de bestreden akten B.1.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2020 (zaak nr. 7555), van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 1 oktober 2020 (zaak nr. 7559), van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 2 oktober 2020 (zaak nr. 7560), van artikel 2 van de wet van 9 oktober 2020 (zaken nrs. 7557 en 7558) en van het decreet van de Duitstalige 15 Gemeenschap van 12 oktober 2020 (zaak nr. 7556) « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde gefedereerde entiteiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020). Via dat samenwerkingsakkoord komen de federale overheid, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie overeen om verscheidene gegevensbanken op te richten teneinde de manuele en digitale opsporing te regelen van de met COVID-19 besmette personen, van de personen die worden vermoed besmet te zijn en van hun contacten, teneinde de verspreiding van het virus te beperken. B.1.
- De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft, in haar advies nr. 67.719/VR van 15 juli 2020 over het voorontwerp van wet dat de bestreden wet van 9 oktober 2020 is geworden, het ontwerp van samenwerkingsakkoord beschreven. Die beschrijving is van toepassing naar analogie met de definitieve tekst van het samenwerkingsakkoord, met een aantal aanpassingen die zijn aangegeven tussen vierkante haken : « 5.
- Bij het samenwerkingsakkoord worden bij Sciensano vier gegevensbanken opgericht (Gegevensbanken I, III, IV en V), naast de bestaande gegevensbank, die nader wordt geregeld in het licht van de strijd tegen COVID-19 (Gegevensbank II). Deze vijf gegevensbanken worden bij artikel 1, § 1, [6° tot 10°], van het samenwerkingsakkoord omschreven. - Gegevensbank I is de algemene, centrale gegevensbank bij Sciensano voor de verwerking en uitwisseling van gegevens voor de verwerkingsdoeleinden bepaald in het samenwerkingsakkoord. […] - Gegevensbank II is de bestaande gegevensbank bij Sciensano die is opgericht ter uitvoering van een samenwerkingsovereenkomst met het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (hierna : RIZIV) […]. De gegevens […] moeten onderzoeksinstellingen, met inbegrip van Sciensano, in staat stellen wetenschappelijke of statistische studies uit te voeren in verband met de verspreiding van het coronavirus COVID- 19 en om het beleid in de strijd tegen het coronavirus te ondersteunen, middels de uitwisseling van de gegevens met de Gegevensbank I [artikel 1, § 2, 3°]. 16 - Gegevensbank III is de gegevensbank met [belopdrachten en opdrachten] voor de medewerkers van het contactcentrum. - Gegevensbank IV is de gegevensbank met contactgegevens van collectiviteiten. - Gegevensbank V is de centrale loglijst die toelaat om de werking van de digitale contactopsporingsapplicatie op een gecontroleerde manier te laten verlopen en die bij Sciensano afzonderlijk van Gegevensbank I en II wordt gehouden. Een digitale contactopsporingsapplicatie op basis van DP3T bestaat immers uit een mobiele applicatie die door de gebruiker [vrijwillig] lokaal op diens toestel geïnstalleerd en gebruikt kan worden, en een centrale loglijst die in Gegevensbank V bewaard wordt [artikel 14, § 3, 1° en 2°, en § 5]. 5.
- Hoofdstuk I van het samenwerkingsakkoord bevat algemene bepalingen. Artikel 1 bevat een aantal definities (paragraaf 1), vermeldt de doelstellingen van het samenwerkingsakkoord (paragraaf 2), bepaalt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de regelgeving van de bevoegde overheden inzake contactonderzoek voor het opsporen van besmettelijke ziekten (paragraaf 3), schrijft voor dat de partijen de maatregelen moeten nemen om het samenwerkingsakkoord uit te voeren en om hun bestaande initiatieven ermee in overeenstemming te brengen (paragraaf 4), voorziet in de mogelijkheid van uitvoerende samenwerkingsakkoorden (paragraaf 5) en bepaalt dat de gezondheidszorgverleners en de gecontacteerde personen ontheven zijn van hun beroepsgeheim (paragraaf 6). Artikel 2 richt Gegevensbank I op (paragraaf 1), kadert Gegevensbank II binnen dit samenwerkingsakkoord (paragraaf 2), stelt de Gegevensbanken III en IV in (paragraaf 3), wijst Sciensano aan als verwerkingsverantwoordelijke van de Gegevensbanken I en II (paragraaf 4) en bepaalt dat de deelstaten [of hun agentschappen] de verwerkingsverantwoordelijken voor de Gegevensbanken III en IV zullen aanwijzen (paragraaf 5). Hoofdstuk [II] omvat artikel 3, dat de verwerkingsdoeleinden regelt met betrekking tot de terbeschikkingstelling van persoonsgegevens door Gegevensbank I (paragraaf 1), alsook met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens [door de gefedereerde entiteiten] of de bevoegde agentschappen (paragraaf 2) en door de mobiele teams en de gezondheidsinspectiediensten van de gemeenschappen (paragraaf 3). Er wordt voorzien in een algemeen verbod om persoonsgegevens te verwerken voor andere doelstellingen (paragraaf 4). Hoofdstuk [III] omvat artikel 4, dat de categorieën van personen omschrijft wiens persoonsgegevens worden verwerkt in het kader van dit samenwerkingsakkoord. Die categorieën worden bepaald in artikel 1, § 1, [13° tot 18°]. - Personen Categorie I : de personen voor wie de arts een COVID-19-test heeft voorgeschreven; - Personen Categorie II : de personen bij wie een COVID-19-test is uitgevoerd; 17 - Personen Categorie III : de personen bij wie de arts een ernstig vermoeden heeft dat ze besmet zijn, zonder dat een COVID-19-test is uitgevoerd of voorgeschreven of waarbij de COVID-19-test uitwees dat ze niet besmet waren; - Personen Categorie IV : de personen met wie hetzij (i) de Personen Categorie II voor zover de COVID-19-test uitwees dat ze besmet zijn, hetzij (ii) de Personen Categorie III in contact zijn geweest gedurende een periode van veertien dagen voor en na de eerste tekenen van de besmetting; - Personen Categorie V : de behandelende artsen van de Personen Categorieën I, II, en III; - Personen Categorie VI : de referentiearts of - bij gebrek aan een referentiearts bij de betrokken collectiviteit - de administratief verantwoordelijke van collectiviteiten waarmee de Personen Categorieën I, II en III gedurende een periode van veertien dagen voor en veertien dagen na de eerste symptomen van de besmetting in contact [zijn] geweest. Hoofdstuk [IV] bepaalt de categorieën van persoonsgegevens die verwerkt worden in het kader van het samenwerkingsakkoord. Artikel 5 schrijft voor dat de gegevensverwerking moet gebeuren […] overeenkomstig de AVG en de wet van 30 juli 2018 ‘ betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens ’. Artikel 6 schrijft voor dat de verplichte meldingen op grond van gemeenschapsregelgeving gebeurt aan Gegevensbank I (paragraaf 1) en omschrijft de categorieën van persoonsgegevens die in die gegevensbank worden verwerkt voor respectievelijk de Personen Categorie I, de Personen Categorie II, de Personen Categorie III en de Personen Categorie IV (paragrafen 2 tot 5). De paragrafen 6 en 7 omschrijven bijkomende te verwerken persoonsgegeven[s] voor bepaalde categorieën personen en clusters, die worden verzameld of aangeleverd door [de contactcentra,] de bevoegde mobiele teams of de gezondheidsinspectiediensten. Artikel 7 omschrijft de categorieën van persoonsgegevens die verwerkt worden in Gegevensbank III, namelijk de persoonsgegevens die worden meegedeeld door Sciensano vanuit Gegevensbank I aan de contactcentra (paragraaf 1), de persoonsgegevens voor Gegevensbank III met betrekking tot de Personen Categorie II die na een COVID-19-test besmet bleken te zijn, en de Personen Categorie III (paragraaf 2), de Personen Categorie IV (paragraaf 3) en de Personen Categorie VI (paragraaf 4). Artikel 8 omschrijft de categorieën van persoonsgegevens die verwerkt worden in Gegevensbank IV met betrekking tot de Personen Categorie V en Categorie VI. Artikel 9 omschrijft de categorieën van persoonsgegevens die na pseudonimisering verwerkt worden in Gegevensbank II met betrekking tot de Personen Categorie I, Categorie II en Categorie III (paragraaf 1) en de Personen Categorie IV (paragraaf 2). Hoofdstuk V omvat artikel 10 dat de toegang regelt tot persoonsgegevens door de contactcentra (paragraaf 1) en door de mobiele teams en de gezondheidsinspectiediensten (paragraaf 2) en dat de doorgifte van persoonsgegevens na pseudonimisering regelt van Gegevensbank I naar Gegevensbank II (paragraaf 3). Hoofdstuk VI betreft de bevoegdheid van het [informatieveiligheidscomité]. Artikel 11 regelt de voorafgaande beraadslaging in dat comité in bepaalde gevallen (paragrafen 1 en 2) en de verduidelijkende bevoegdheid van dat comité (paragraaf 3). Er wordt ook voorzien in de nadere regeling van bepaalde aspecten van het samenwerkingsakkoord in een uitvoerend 18 samenwerkingsakkoord (paragraaf 4). Artikel 12 bepaalt de nadere regels die het informatieveiligheidscomité kan vaststellen (paragraaf 1) en regelt de toegang tot het Rijksregister en de registers van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid (paragraaf 2), alsook de voorafgaande beraadslaging in het informatieveiligheidscomité voor de mededeling [aan Gegevensbank I] van persoonsgegevens uit andere authentieke bronnen […] (paragraaf 3). Hoofdstuk VII omvat artikel 13, dat betrekking heeft op de veiligheidsmaatregelen die Sciensano [en de bevoegde gefedereerde entiteiten of hun agentschappen] moet[en] nemen om een op het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen. Hoofdstuk VIII heeft betrekking op de digitale contactopsporingsapplicaties. Artikel 14 beschrijft de doelstelling van digitale contactopsporingsapplicaties (paragraaf 1) en regelt de beperkingen inzake de verwerking van persoonsgegevens door middel van die applicaties (paragraaf 2), alsook de minimale voorwaarden voor die applicaties (paragraaf 3). De applicaties moeten de principes vervat in [de artikelen 5 en 25] van de AVG respecteren (paragraaf 4) en moeten gebaseerd zijn op vrijwillige basis (paragraaf 5). De bewaartermijn van de gegevens met betrekking tot contacten wordt geregeld (paragraaf 6), alsook de doelstellingen van de gegevensverwerking (paragraaf 7). Er moet een gegevensbeschermingseffectenbeoordeling worden opgesteld en gepubliceerd (paragraaf 8). Er wordt ook voorzien in de nadere regeling van bepaalde aspecten van de digitale contactopsporingsapplicaties in een uitvoerend samenwerkingsakkoord (paragraaf 9). Hoofdstuk IX omvat artikel 15, dat de maximale bewaringstermijn regelt van persoonsgegevens voor de Gegevensbanken I, III, IV en V (paragraaf 1) en II (paragraaf 2). Hoofdstuk X betreft de transparantie en de rechten van betrokken personen. Artikel 16 verplicht Sciensano om als verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen te nemen inzake de communicatie van de rechten van de betrokken personen (paragraaf 1), om een website te creëren en te onderhouden (paragraaf 2), om een systeem te onderhouden en te beheren voor de uitoefening van door de AVG bepaalde rechten (paragraaf 3) en om een overeenkomst te sluiten met de [gefedereerde entiteiten] en hun agentschappen met betrekking tot hun verantwoordelijkheden inzake de uitoefening van de rechten van de betrokken personen en het verstrekken van informatie (paragraaf 4). Hoofdstuk [XI] bevat verscheidene slotbepalingen. Artikel 17 regelt de beslechting van geschillen tussen de partijen door een samenwerkingsgerecht. Artikel 18 draagt de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid op om toezicht te houden op de uitvoering en naleving van de bepalingen van het samenwerkingsakkoord […] [,] om aanpassingen voor te stellen [en een bemiddelingsfunctie uit te oefenen]. Artikel 19 regelt de uitwerking in de tijd van het samenwerkingsakkoord (paragraaf 1) en [bepaalt dat de maatregelen ervan ophouden uitwerking te hebben op de dag van de publicatie van het koninklijk besluit dat het einde van de toestand van de COVID-19-epidemie afkondigt en] voorziet in de mogelijkheid van de beëindiging ervan door een nieuw samenwerkingsakkoord (paragraaf [3]) » (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1490/001, pp. 31-35). B.1.
- Overeenkomstig artikel 1, § 2, ervan heeft het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 als drievoudig doel
(1)een kader te bieden voor het manuele contactonderzoek en het inzetten van mobiele teams,
(2)een kader te bieden voor het digitale 19 contactonderzoek middels gebruik van een digitale contactopsporingsapplicatie en
(3)onderzoeksinstellingen en administraties, waaronder Sciensano, in staat te stellen wetenschappelijke of statistische studies uit te voeren inzake de strijd tegen de verspreiding van COVID-19 en/of het beleid op dat gebied te ondersteunen. Uit de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord blijkt dat de digitale contactopsporing bedoeld is om het manuele onderzoek aan te vullen (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1490/001, p. 72). Het samenwerkingsakkoord strekt met name ertoe aanbevelingen te geven aan personen die met COVID-19 zijn besmet en aan mogelijk besmette of vermoedelijk besmette personen, teneinde de besmettingsketen te doorbreken. Uit artikel 1, § 2, 1°, f, van het samenwerkingsakkoord blijkt dat die aanbevelingen geen verplicht karakter hebben voor de betrokken personen. B.1.
- Vóór het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 werd de oprichting van een gegevensbank teneinde manuele contactopsporing in het kader van de strijd tegen COVID-19 mogelijk te maken, geregeld bij het koninklijk besluit nr. 18 van 4 mei 2020 « tot oprichting van een databank bij Sciensano in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 » (hierna : het koninklijk besluit nr. 18 van 4 mei 2020). Met een geldigheidsduur die aanvankelijk was vastgesteld tot 4 juni 2020 (artikel 6), werd dat besluit verlengd tot 30 juni 2020 bij artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 25 van 28 mei 2020 « tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 18 van 4 mei 2020 tot oprichting van een databank bij Sciensano in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 » (hierna : het koninklijk besluit nr. 25 van 28 mei 2020). Op 14 mei 2020 werd in de Kamer een wetsvoorstel « tot oprichting van een databank bij Sciensano in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 » ingediend met hetzelfde doel (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1249/001). Een tweede wetsvoorstel « betreffende het gebruik van digitale contactopsporingsapplicaties ter voorkoming van de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 onder de bevolking », dat de dag ervoor werd ingediend, beoogde een kader te bieden voor de digitale contactopsporing via digitale applicaties (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1251/001). Bij haar adviezen nrs. 67.425/3-67.426/3-67.427/3 en nr. 67.424/3 van 26 mei 2020 over die twee 20 wetsvoorstellen heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State besloten tot de noodzaak om een samenwerkingsakkoord te sluiten tussen de federale overheid en de gemeenschappen, rekening houdend met de nauwe band tussen de federale bevoegdheden en de gemeenschapsbevoegdheden waarop de overwogen maatregelen betrekking hadden (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1249/006, pp. 6-9; Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1251/003, pp. 5-8). Zij heeft die conclusie herhaald in haar advies nr. 67.482/3 van 3 juni 2020 betreffende een globaal amendement op het voormelde eerste wetsvoorstel dat ertoe strekte dat te vervangen (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1249/009, pp. 5-7). Op 25 juni 2020 heeft het Overlegcomité het ontwerp van samenwerkingsakkoord aangenomen dat aan de oorsprong ligt van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- In afwachting van de afloop van de wetgevingsprocedures houdende instemming met het ontwerp van samenwerkingsakkoord heeft het koninklijk besluit nr. 44 van 26 juni 2020 « betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde regionale overheden of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano » (hierna : het koninklijk besluit nr. 44 van 26 juni 2020) de inhoud van het ontwerp van samenwerkingsakkoord in essentie overgenomen. Dat besluit is in werking getreden op 1 juli
- Volgens artikel 17 ervan moest het ophouden uitwerking te hebben op de dag van de inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord en ten laatste op 15 oktober
- Het koninklijk besluit nr. 18 van 4 mei 2020, het koninklijk besluit nr. 25 van 28 mei 2020 en het koninklijk besluit nr. 44 van 26 juni 2020 werden ingetrokken bij de artikelen 3 tot 5 van de bestreden wet van 9 oktober
- B.1.
- Overeenkomstig artikel 19, § 1, eerste lid, ervan zijn de bepalingen van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 die inhoudelijk overeenstemmen met die van het koninklijk besluit nr. 18 van 4 mei 2020, met terugwerkende kracht in werking getreden op de datum van inwerkingtreding van dat koninklijk besluit, op 4 mei
- Overeenkomstig artikel 19, § 1, tweede lid, ervan zijn artikel 14 van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en de bepalingen van hetzelfde samenwerkingsakkoord die betrekking hebben op de 21 digitale contactopsporingsapplicaties, met terugwerkende kracht in werking getreden op 29 juni 2020 « voor wat betreft de bepalingen die inhoudelijk overeenstemmen met het koninklijk besluit nr. 44 van 26 juni 2020 ». Artikel 19, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 bepaalt dat, behoudens hetgeen in artikel 15, §§ 2 en 3, ervan is vermeld, de maatregelen ervan ophouden uitwerking te hebben op de dag van de publicatie van het koninklijk besluit dat het einde van de toestand van de COVID-19-epidemie afkondigt. Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.2.
- De Ministerraad, de Waalse Regering, de Vlaamse Regering, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (hierna : de verwerende overheden) voeren aan dat de beroepen tot vernietiging onontvankelijk zijn wegens gebrek aan belang. B.2.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden akten rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.2.
- De tweede tot de vierde verzoekende partij in de zaken nrs. 7555, 7556, 7558, 7559 en 7560 beroepen zich op hun hoedanigheid van natuurlijke persoon ter ondersteuning van hun belang. Bij de bestreden akten wordt instemming verleend met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 dat een juridisch kader creëert voor de manuele en digitale contactopsporing van personen die besmet zijn met het coronavirus teneinde de verspreiding ervan te voorkomen. Dat samenwerkingsakkoord voorziet in het verzamelen van tal van persoonsgegevens, met inbegrip van gevoelige gegevens over gezondheid met betrekking tot met name de personen die contact hebben gehad met een persoon die positief is getest op het coronavirus of met een vermoedelijk besmette persoon. 22 Dat samenwerkingsakkoord, zoals goedgekeurd bij de bestreden akten, raakt de situatie van elke natuurlijke persoon die zich op het Belgische grondgebied bevindt, dus rechtstreeks en ongunstig. Een samenwerkingsakkoord dat wetgevende instemming vereist, heeft pas volledig uitwerking nadat het de instemming van alle betrokken wetgevende vergaderingen heeft gekregen. De tweede tot de vierde verzoekende partij in de zaken nrs. 7555, 7556, 7558, 7559 en 7560 doen derhalve blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van alle akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Het is niet nodig om het belang van de eerste verzoekende partij in die zaken te onderzoeken. B.2.
- Het beroep in de zaak nr. 7557 heeft betrekking op artikel 2 van de wet van 9 oktober 2020 dat ook de in de zaak nr. 7558 bestreden akte is, en steunt op een middel dat analoog is aan het middel dat is aangevoerd in die zaak. Aangezien de tweede tot de vierde verzoekende partij in de zaak nr. 7558 doen blijken van een belang bij de vernietiging van artikel 2 van de wet van 9 oktober 2020, is het niet nodig om het belang van de verzoekende partij in de zaak nr. 7557 te onderzoeken. B.2.
- De exceptie wordt verworpen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het enige middel B.3.
- Volgens de verwerende overheden is het enige middel onontvankelijk omdat het in werkelijkheid enkel tegen het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 is gericht. B.3.
- Het Hof is bevoegd om bij wege van arrest uitspraak te doen op beroepen tot vernietiging van wetten, decreten en ordonnanties. Die bevoegdheid omvat de akten houdende instemming met een samenwerkingsakkoord. Het Hof is evenwel niet bevoegd om een samenwerkingsakkoord te vernietigen. 23 De verzoekende partijen kunnen de akten houdende instemming met een samenwerkingsakkoord echter niet op zinvolle wijze bestrijden, en het Hof kan ze niet op zinvolle wijze toetsen, zonder de inhoud van de relevante bepalingen van het goedgekeurde samenwerkingsakkoord in hun kritiek of in hun onderzoek te betrekken. B.3.
- In zoverre het formeel gericht is tegen de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en materieel gericht is tegen de bepalingen van dat samenwerkingsakkoord, is het enige middel ontvankelijk. B.4.
- De verwerende overheden voeren aan dat het enige middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien de verzoekende partijen de twee categorieën van personen die bij de bestreden akten op discriminerende wijze zouden worden behandeld, niet identificeren. B.4.
- Wanneer een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt aangevoerd, in samenhang gelezen met een ander grondrecht dat in de Grondwet of in een internationaalrechtelijke bepaling is gewaarborgd, of dat uit een algemeen rechtsbeginsel voortvloeit, dient de categorie van personen voor wie dat grondrecht wordt geschonden, te worden vergeleken met de categorie van personen ten opzichte van wie dat grondrecht wordt gewaarborgd. B.4.
- Aangezien de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden aangevoerd in samenhang gelezen met verschillende bepalingen die het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op de bescherming van persoonsgegevens waarborgen, wordt de exceptie verworpen. B.5.
- In de zaak nr. 7556 voeren de verwerende overheden aan dat het enige middel onontvankelijk is in zoverre de verzoekende partijen niet de bepaling van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 12 oktober 2020 identificeren waarvan zij de vernietiging vorderen. In alle zaken voeren de verwerende overheden aan dat het enige middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 7 van het Handvest van de grondrechten 24 van de Europese Unie (hierna : het Handvest) en van de artikelen 4, punt 7), 35 en 36 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). Volgens hen laten de verzoekende partijen na aan te geven in welk opzicht die bepalingen zouden zijn geschonden. B.5.
- Artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt : « Het verzoekschrift vermeldt het onderwerp van het beroep en bevat een uiteenzetting van de feiten en middelen ». Om te voldoen aan de vereisten vermeld in die bepaling, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Die vereisten zijn ingegeven, enerzijds, door de noodzaak voor het Hof om vanaf het indienen van het verzoekschrift in staat te zijn de juiste draagwijdte van het beroep tot vernietiging te bepalen en, anderzijds, door de zorg om aan de andere partijen in het geding de mogelijkheid te bieden op de argumenten van de verzoekers te repliceren, waartoe een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting van de middelen onontbeerlijk is. B.5.
- Uit het verzoekschrift in de zaak nr. 7556 kan worden afgeleid dat de verzoekende partijen hun grieven enkel richten tegen artikel 1 van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 12 oktober 2020 in zoverre bij die bepaling instemming wordt verleend met het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Het Hof onderzoekt bijgevolg niet de andere bepalingen van dat decreet. B.5.
- De verzoekende partijen voeren aan dat het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020, zoals het bij de bestreden akten werd goedgekeurd, afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van het privéleven en aan het recht op bescherming van persoonsgegevens, 25 gewaarborgd door artikel 22 van de Grondwet, door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en door artikel 7 van het Handvest, die een analoge draagwijdte hebben. Het enige middel is derhalve ontvankelijk. B.5.
- In artikel 4, punt 7), van de AVG wordt de verwerkingsverantwoordelijke gedefinieerd. Wanneer zij, in het eerste onderdeel van het enige middel, de oprichting van Gegevensbank I bij Sciensano bekritiseren, onder meer om reden dat die instelling niet belast is met de manuele contactopsporingsverrichtingen, zetten de verzoekende partijen uiteen in welk opzicht artikel 4, punt 7), van de AVG zou zijn geschonden. Het enige middel is derhalve ontvankelijk. B.5.
- Wanneer de verzoekende partijen in het derde onderdeel van het enige middel opmerken dat de toestemmingsbevoegdheid van het Informatieveiligheidscomité niet kan worden verantwoord op grond van artikel 36, lid 5, van de AVG, aangezien dat Comité niet als een toezichthoudende autoriteit kan worden beschouwd, zetten zij uiteen in welk opzicht die bepaling zou zijn geschonden. De verzoekende partijen zetten daarentegen niet uiteen in welk opzicht artikel 36, lid 4, van de AVG dat betrekking heeft op de raadpleging van de toezichthoudende autoriteit bij het opstellen van een wetgevingsvoorstel of een regelgevingsmaatregel, noch in welk opzicht artikel 35 van de AVG en artikel 36, leden 1 tot 3, van de AVG die betrekking hebben op de voorafgaande effectbeoordeling van de verwerkingsactiviteiten die waarschijnlijk een hoog risico inhouden voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen en op de voorafgaande raadpleging van de toezichthoudende autoriteit in dat kader, zouden zijn geschonden. In zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 35 en 36, leden 1 tot 4, van de AVG, is het enige middel onontvankelijk. B.5.
- De - zelfs volledige - weergave van de adviezen van een adviserende instantie voldoet niet aan de voormelde vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 26 op het Grondwettelijk Hof. De in het tweede onderdeel van het enige middel uiteengezette grieven met betrekking tot de noodzaak om de gegevens en de gegevensbanken te onderscheiden volgens het nagestreefde doel, de noodzaak om persoonsgegevens met betrekking tot personen categorie IV te verzamelen in Gegevensbank I en het gebrek aan duidelijkheid van bepaalde concepten, zijn bijgevolg onontvankelijk. Ten gronde B.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest en met de artikelen 4, punt 7), 5, lid 1, 6, 9, 14 en 36, lid 5, van de AVG. De verzoekende partijen doen in essentie gelden dat verschillende bepalingen van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020, zoals zij bij de bestreden akten werden goedgekeurd, het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens schenden. B.7.
- Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». B.7.
- Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». 27 B.7.
- De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.7.
- Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd in de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. Het voorstel dat is voorafgegaan aan de aanneming van artikel 22 van de Grondwet beklemtoonde « de bescherming van de persoon, de erkenning van zijn identiteit en de belangrijkheid van zijn ontplooiing en die van zijn gezin » en het onderstreepte de noodzaak om het privéleven en het gezinsleven te beschermen tegen « inmenging, onder meer als gevolg van de onafgebroken ontwikkeling van de informatietechnieken, wanneer maatregelen van opsporing, onderzoek en controle door de overheid en particuliere instellingen worden uitgevoerd bij het uitoefenen van hun functie of hun activiteit » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-4/2°, p. 3). In dat voorstel werd eveneens aangegeven dat de wetgever « het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven op geen enkele wijze mag uithollen; anders schendt hij niet alleen een grondwetsregel, maar ook internationale rechtsregels » (ibid.). Het recht op eerbiediging van het privéleven heeft een ruime draagwijdte en omvat, onder meer, de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke informatie. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat, onder meer, de volgende gegevens en informatie betreffende personen vallen onder de bescherming van dat recht : de naam, het adres, de professionele activiteiten, de persoonlijke relaties, digitale vingerafdrukken, camerabeelden, foto’s, communicatiegegevens, DNA-gegevens, gerechtelijke gegevens (veroordeling of verdenking), financiële gegevens, informatie over bezittingen en medische gegevens (zie onder meer EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden, §§ 47-48; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, §§ 66-68; 17 december 2009, B.B. t. Frankrijk, § 57; 10 februari 2011, Dimitrov-Kazakov t. Bulgarije, §§ 29-31; 18 oktober 2011, 28 Khelili t. Zwitserland, §§ 55-57; 9 oktober 2012, Alkaya t. Turkije, § 29; 18 april 2013, M.K. t. Frankrijk, § 26; 18 september 2014, Brunet t. Frankrijk, § 31; 13 oktober 2020, Frâncu t. Roemenië, § 51). B.7.
- Het recht op eerbiediging van het privéleven is evenwel niet absoluut. Artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, voor zover zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; grote kamer, 12 november 2013, Söderman t. Zweden, § 78). De bescherming van persoonsgegevens, en in het bijzonder van medische gegevens, is van fundamenteel belang voor het recht op eerbiediging van het privéleven van een persoon en diens vertrouwen in de gezondheidszorg (EHRM, 25 februari 1997, Z. t. Finland, § 95). Wanneer zij de afweging maken tussen het belang van de Staat bij de verwerking van persoonsgegevens en het individueel belang bij de bescherming van de vertrouwelijkheid van die gegevens, beschikken de nationale autoriteiten over een zekere beoordelingsmarge (ibid., § 99). In het licht van het fundamentele belang van de bescherming van persoonsgegevens is die marge evenwel vrij beperkt (EHRM, 26 januari 2017, Surikov t. Oekraïne, § 73). Opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, is vereist dat een billijk evenwicht wordt bereikt tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Bij de beoordeling van dat evenwicht dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (hierna : het Verdrag nr. 108) (EHRM, 25 februari 1997, Z t. Finland, § 95; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, § 103; 26 januari 2017, Surikov t. Oekraïne, § 74). Het Verdrag nr. 108 bevat onder meer de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens : rechtmatigheid, behoorlijkheid, transparantie, doelbinding, evenredigheid, juistheid, opslagbeperking, integriteit en vertrouwelijkheid, en verantwoordingsplicht. 29 Datzelfde Verdrag is geactualiseerd bij een protocol tot amendering dat op 10 oktober 2018 voor ondertekening is opengesteld. Uit Verdrag nr. 108 vloeit voort dat het nationale recht in het bijzonder moet verzekeren dat persoonsgegevens relevant en niet excessief zijn in het licht van de doeleinden waarvoor ze worden verzameld of bijgehouden, dat de gegevens worden bewaard in een vorm die de identificatie van de betrokkenen niet langer dan vereist mogelijk maakt, en dat de bijgehouden data op efficiënte wijze worden beschermd tegen verkeerdelijk gebruik en misbruik. Het heeft ook erop gewezen dat het van essentieel belang is dat het nationale recht duidelijke en gedetailleerde regels bevat inzake de reikwijdte en toepassing van de betrokken maatregelen, en ook minimumwaarborgen bevat inzake, onder andere, de duurtijd, de bewaring, het gebruik, de toegang van derden, procedures voor het behoud van de integriteit en vertrouwelijkheid van gegevens en procedures voor de vernietiging ervan, zodat in elke fase van de gegevensverwerking er voldoende waarborgen zijn tegen het risico van misbruik en willekeur (EHRM, 26 januari 2017, Surikov t. Oekraïne, § 74). B.7.
- Binnen de werkingssfeer van het Europees Unierecht waarborgen artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 7 van het Handvest analoge grondrechten, terwijl artikel 8 van dat Handvest een specifieke rechtsbescherming van persoonsgegevens beoogt. B.7.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt dat de eerbiediging van het recht op persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens gelijk welke informatie betreft aangaande een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (HvJ, grote kamer, 9 november 2010, C-92/09 en C-93/09, Volker und Markus Schecke en Eifert, punt 52; 16 januari 2019, C-496/17, Deutsche Post AG, punt 54). B.7.
- Artikel 52, lid 1, van het Handvest bepaalt : « Beperkingen op de uitoefening van de in dit handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen 30 worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.7.
- Artikel 4, punten 1), 2), 5), 7), en 15), van de AVG bepalen : « Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder : 1) ‘ persoonsgegevens ’ : alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (‘ de betrokkene ’); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon; 2) ‘ verwerking ’ : een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens; […] 5) ‘ pseudonimisering ’ : het verwerken van persoonsgegevens op zodanige wijze dat de persoonsgegevens niet meer aan een specifieke betrokkene kunnen worden gekoppeld zonder dat er aanvullende gegevens worden gebruikt, mits deze aanvullende gegevens apart worden bewaard en technische en organisatorische maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de persoonsgegevens niet aan een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon worden gekoppeld; […] 7) ‘ verwerkingsverantwoordelijke ’ : een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen; […] 15) ‘ gegevens over gezondheid ’ : persoonsgegevens die verband houden met de fysieke of mentale gezondheid van een natuurlijke persoon, waaronder gegevens over verleende gezondheidsdiensten waarmee informatie over zijn gezondheidstoestand wordt gegeven ». 31 Artikel 5 van de AVG met als opschrift « Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens » bepaalt : «
- Persoonsgegevens moeten : a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (‘ rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie ’); b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd (‘ doelbinding ’); c) toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt (‘ minimale gegevensverwerking ’); d) juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren (‘ juistheid ’); e) worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is; persoonsgegevens mogen voor langere perioden worden opgeslagen voor zover de persoonsgegevens louter met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt overeenkomstig artikel 89, lid 1, mits de bij deze verordening vereiste passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de rechten en vrijheden van de betrokkene te beschermen (‘ opslagbeperking ’); f) door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging (‘ integriteit en vertrouwelijkheid ’).
- De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving van lid 1 en kan deze aantonen (‘ verantwoordingsplicht ’) ». Artikel 6 van de AVG met als opschrift « Rechtmatigheid van de verwerking » bepaalt : «
- De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan : a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden; 32 b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen; c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust; d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen; e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen; f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken.
- De lidstaten kunnen specifiekere bepalingen handhaven of invoeren ter aanpassing van de manier waarop de regels van deze verordening met betrekking tot de verwerking met het oog op de naleving van lid 1, punten c) en e), worden toegepast; hiertoe kunnen zij een nadere omschrijving geven van specifieke voorschriften voor de verwerking en andere maatregelen om een rechtmatige en behoorlijke verwerking te waarborgen, ook voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX.
- De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c) en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij : a) Unierecht; of b) lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is. Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Die rechtsgrond kan specifieke bepalingen bevatten om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen, met inbegrip van de algemene voorwaarden inzake de rechtmatigheid van verwerking door de verwerkingsverantwoordelijke; de types verwerkte gegevens; de betrokkenen; de entiteiten waaraan en de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt; de doelbinding; de opslagperioden; en de verwerkingsactiviteiten en -procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een rechtmatige en behoorlijke verwerking, zoals die voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX. Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel. 33
- Wanneer de verwerking voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op toestemming van de betrokkene of op een Unierechtelijke bepaling of een lidstaatrechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, lid 1, bedoelde doelstellingen houdt de verwerkingsverantwoordelijke bij de beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doel verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld onder meer rekening met : a) ieder verband tussen de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, en de doeleinden van de voorgenomen verdere verwerking; b) het kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld, met name wat de verhouding tussen de betrokkenen en de verwerkingsverantwoordelijke betreft; c) de aard van de persoonsgegevens, met name of bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt, overeenkomstig artikel 9, en of persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten worden verwerkt, overeenkomstig artikel 10; d) de mogelijke gevolgen van de voorgenomen verdere verwerking voor de betrokkenen; e) het bestaan van passende waarborgen, waaronder eventueel versleuteling of pseudonimisering ». Artikel 9 van de AVG met als opschrift « Verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens » bepaalt : «
- Verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid zijn verboden.
- Lid 1 is niet van toepassing wanneer aan een van de onderstaande voorwaarden is voldaan : a) de betrokkene heeft uitdrukkelijke toestemming gegeven voor de verwerking van die persoonsgegevens voor een of meer welbepaalde doeleinden, behalve indien in Unierecht of lidstatelijk recht is bepaald dat het in lid 1 genoemde verbod niet door de betrokkene kan worden opgeheven; […] h) de verwerking is noodzakelijk voor doeleinden van preventieve of arbeidsgeneeskunde, voor de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid van de werknemer, medische diagnosen, het 34 verstrekken van gezondheidszorg of sociale diensten of behandelingen dan wel het beheren van gezondheidszorgstelsels en -diensten of sociale stelsels en diensten, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht, of uit hoofde van een overeenkomst met een gezondheidswerker en behoudens de in lid 3 genoemde voorwaarden en waarborgen; i) de verwerking is noodzakelijk om redenen van algemeen belang op het gebied van de volksgezondheid, zoals bescherming tegen ernstige grensoverschrijdende gevaren voor de gezondheid of het waarborgen van hoge normen inzake kwaliteit en veiligheid van de gezondheidszorg en van geneesmiddelen of medische hulpmiddelen, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht waarin passende en specifieke maatregelen zijn opgenomen ter bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene, met name van het beroepsgeheim; […]
- De in lid 1 bedoelde persoonsgegevens mogen worden verwerkt voor de in lid 2, punt h), genoemde doeleinden wanneer die gegevens worden verwerkt door of onder de verantwoordelijkheid van een beroepsbeoefenaar die krachtens Unierecht of lidstatelijk recht of krachtens door nationale bevoegde instanties vastgestelde regels aan het beroepsgeheim is gebonden, of door een andere persoon die eveneens krachtens Unierecht of lidstatelijk recht of krachtens door nationale bevoegde instanties vastgestelde regels tot geheimhouding is gehouden.
- De lidstaten kunnen bijkomende voorwaarden, waaronder beperkingen, met betrekking tot de verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens of gegevens over gezondheid handhaven of invoeren ». Artikel 14 van de AVG met als opschrift « Te verstrekken informatie wanneer de persoonsgegevens niet van de betrokkene zijn verkregen » bepaalt : «
- Wanneer persoonsgegevens niet van de betrokkene zijn verkregen, verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene de volgende informatie : a) de identiteit en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke; b) in voorkomend geval, de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming; c) de verwerkingsdoeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn bestemd, en de rechtsgrond voor de verwerking; d) de betrokken categorieën van persoonsgegevens; e) in voorkomend geval, de ontvangers of categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens; f) in voorkomend geval, dat de verwerkingsverantwoordelijke het voornemen heeft de persoonsgegevens door te geven aan een ontvanger in een derde land of aan een internationale 35 organisatie; of er al dan niet een adequaatheidsbesluit van de Commissie bestaat; of, in het geval van de in artikel 46, artikel 47 of artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde doorgiften, welke de passende of geschikte waarborgen zijn, hoe er een kopie van kan worden verkregen of waar ze kunnen worden geraadpleegd.
- Naast de in lid 1 bedoelde informatie verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene de volgende informatie om ten overstaan van de betrokkene een behoorlijke en transparante verwerking te waarborgen : a) de periode gedurende welke de persoonsgegevens zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; b) de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, indien de verwerking op artikel 6, lid 1, punt f), is gebaseerd; c) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken om inzage van en rectificatie of wissing van persoonsgegevens of om beperking van de hem betreffende verwerking, alsmede het recht tegen verwerking van bezwaar te maken en het recht op gegevensoverdraagbaarheid; d) wanneer verwerking op artikel 6, lid 1, punt a) of artikel 9, lid 2, punt a), is gebaseerd, dat de betrokkene het recht heeft de toestemming te allen tijde in te trekken, zonder dat dit afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de verwerking op basis van de toestemming vóór de intrekking daarvan; e) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit; f) de bron waar de persoonsgegevens vandaan komen, en in voorkomend geval, of zij afkomstig zijn van openbare bronnen; g) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
- De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie : a) binnen een redelijke termijn, maar uiterlijk binnen één maand na de verkrijging van de persoonsgegevens, afhankelijk van de concrete omstandigheden waarin de persoonsgegevens worden verwerkt; b) indien de persoonsgegevens zullen worden gebruikt voor communicatie met de betrokkene, uiterlijk op het moment van het eerste contact met de betrokkene; of c) indien verstrekking van de gegevens aan een andere ontvanger wordt overwogen, uiterlijk op het tijdstip waarop de persoonsgegevens voor het eerst worden verstrekt.
- Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke voornemens is de persoonsgegevens verder te verwerken voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verkregen, 36 verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene vóór die verdere verwerking informatie over dat andere doel en alle relevante verdere informatie als bedoeld in lid
- De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing wanneer en voor zover : a) de betrokkene reeds over de informatie beschikt; b) het verstrekken van die informatie onmogelijk blijkt of onevenredig veel inspanning zou vergen, in het bijzonder bij verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden, behoudens de in artikel 89, lid 1, bedoelde voorwaarden en waarborgen, of voor zover de in lid1 van dit artikel bedoelde verplichting de verwezenlijking van de doeleinden van die verwerking onmogelijk dreigt te maken of ernstig in het gedrang dreigt te brengen. In dergelijke gevallen neemt de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen om de rechten, de vrijheden en de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene te beschermen, waaronder het openbaar maken van de informatie; c) het verkrijgen of verstrekken van de gegevens uitdrukkelijk is voorgeschreven bij Unie- of lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is en dat recht voorziet in passende maatregelen om de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene te beschermen; of d) de persoonsgegevens vertrouwelijk moeten blijven uit hoofde van een beroepsgeheim in het kader van Unierecht of lidstatelijke recht, waaronder een statutaire geheimhoudingsplicht ». Artikel 24 van de AVG met als opschrift « Verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke » bepaalt : «
- Rekening houdend met de aard, de omvang, de context en het doel van de verwerking, alsook met de qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico's voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, treft de verwerkingsverantwoordelijke passende technische en organisatorische maatregelen om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking in overeenstemming met deze verordening wordt uitgevoerd. Die maatregelen worden geëvalueerd en indien nodig geactualiseerd.
- Wanneer zulks in verhouding staat tot de verwerkingsactiviteiten, omvatten de in lid 1 bedoelde maatregelen een passend gegevensbeschermingsbeleid dat door de verwerkingsverantwoordelijke wordt uitgevoerd.
- Het aansluiten bij goedgekeurde gedragscodes als bedoeld in artikel 40 of goedgekeurde certificeringsmechanismen als bedoeld in artikel 42 kan worden gebruikt als element om aan te tonen dat de verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke zijn nagekomen ». Artikel 26 van de AVG met als opschrift « Gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken » bepaalt : 37 «
- Wanneer twee of meer verwerkingsverantwoordelijken gezamenlijk de doeleinden en middelen van de verwerking bepalen, zijn zij gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken. Zij stellen op transparante wijze hun respectieve verantwoordelijkheden voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening vast, met name met betrekking tot de uitoefening van de rechten van de betrokkene en hun respectieve verplichtingen om de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie te verstrekken, door middel van een onderlinge regeling, tenzij en voor zover de respectieve verantwoordelijkheden van de verwerkingsverantwoordelijken zijn vastgesteld bij een Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepaling die op de verwerkingsverantwoordelijken van toepassing is. In de regeling kan een contactpunt voor betrokkenen worden aangewezen.
- Uit de in lid 1 bedoelde regeling blijkt duidelijk welke rol de gezamenlijke verwer