id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.111 Arrest- Rolnummer: 111/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 456 - laatst gezien 2026-06-14 19:40 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 34, § 3, van het decreet van het Waalse Gewest van 12 april 2001 « betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt », zoals dat artikel aangevuld werd bij artikel 4 van het decreet van het Waalse Gewest van 1 oktober 2020 « tot beëindiging van de compensatie tussen de hoeveelheden elektriciteit opgenomen en geïnjecteerd op het net en tot toekenning van premies ter bevordering van het rationeel energiegebruik en de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen », en van de artikelen 5 en 6 van het voormelde decreet van 1 oktober 2020, ingesteld door Antoine Thoreau. Energie - Waals Gewest - Toekenning van een jaarlijkse premie aan de afnemer die een installatie voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen heeft Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 111/2022 van 22 september 2022 Rolnummer : 7561 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 34, § 3, van het decreet van het Waalse Gewest van 12 april 2001 « betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt », zoals dat artikel aangevuld werd bij artikel 4 van het decreet van het Waalse Gewest van 1 oktober 2020 « tot beëindiging van de compensatie tussen de hoeveelheden elektriciteit opgenomen en geïnjecteerd op het net en tot toekenning van premies ter bevordering van het rationeel energiegebruik en de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen », en van de artikelen 5 en 6 van het voormelde decreet van 1 oktober 2020, ingesteld door Antoine Thoreau. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 15 april 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 april 2021, heeft Antoine Thoreau beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 34, § 3, van het decreet van het Waalse Gewest van 12 april 2001 « betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt », zoals dat artikel aangevuld werd bij artikel 4 van het decreet van het Waalse Gewest van 1 oktober 2020 « tot beëindiging van de compensatie tussen de hoeveelheden elektriciteit opgenomen en geïnjecteerd op het net en tot toekenning van premies ter bevordering van het rationeel energiegebruik en de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen », en van de artikelen 5 en 6 van het voormelde decreet van 1 oktober 2020 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 oktober 2020). 2 De Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Uyttendaele en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 18 mei 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 8 juni 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 8 juni 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
- A. Thoreau zet uiteen dat hij voor het Hof optreedt als burger, belastingplichtige en gebruiker van de electriciteitsdistributienetten in het Waalse Gewest. Hij wijst erop dat hij van mei 2015 tot januari 2021 socio- economisch en tarifair directeur is geweest bij de « Commission wallonne pour l’énergie » (hierna : CWaPE), maar preciseert dat het niet in die hoedanigheid is dat hij het beroep tot vernietiging instelt. Hij voegt eraan toe dat zijn beroep enkel gebaseerd is op openbare documenten, en niet op de documenten waarvan hij kennis zou kunnen hebben gehad in de uitoefening van zijn functie. A.1.
- Hij geeft aan dat hij in zijn woonplaats niet over een installatie voor de productie van elektriciteit beschikt en dat hij dus niet de hoedanigheid van zelfproducent heeft (hierna : de « prosument »). Hij is van mening dat hij belang erbij heeft de vernietiging te vorderen van de bepalingen van het decreet van 1 oktober 2020 « tot beëindiging van de compensatie tussen de hoeveelheden elektriciteit opgenomen en geïnjecteerd op het net en tot toekenning van premies ter bevordering van het rationeel energiegebruik en de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen » (hierna : het decreet van 1 oktober 2020) die hem benadelen ten opzichte van de « prosumenten ». Hij legt uit dat hij een prijs moet betalen voor het gebruik van de distributienetten wanneer hij op die netten elektriciteit opneemt, terwijl die prijs voor de residentiële « prosumenten » wordt gecompenseerd door de bij artikel 4 van het decreet van 1 oktober 2020 ingestelde premie, zodat zij in fine niet bijdragen in de kosten van de distributienetten. Hij voegt eraan toe dat aangezien die premie door de Waalse begroting wordt gedragen, hij bijdraagt aan de financiering ervan, via zijn belastingen, zonder voordeel ervan te trekken. A.2.
- De Waalse Regering is van mening dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat de verzoekende partij geen rechtstreeks en persoonlijk belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepalingen. Zij doet gelden dat de vernietiging van de bestreden bepalingen de situatie van de verzoekende partij niet rechtstreeks zou raken en haar geen enkel voordeel zou opleveren in haar hoedanigheid van « niet-prosument »-gebruiker van de distributienetten in het Waalse Gewest. Zij voegt eraan toe dat de band tussen de hoedanigheid van Waalse belastingplichtige en de bestreden normen niet voldoende nauw is om haar enig belang te verlenen bij het verkrijgen van de vernietiging ervan, zodat het beroep als actio popularis moet worden aangemerkt. Zij gaat dienaangaande ervan uit dat erkennen dat de verzoekende partij een belang erbij heeft de vernietiging van de betwiste bepalingen te vorderen in haar hoedanigheid van belastingplichtige erop zou neerkomen dat wordt erkend dat zij een belang erbij heeft de vernietiging te vorderen van om het even welke premie die door het Gewest wordt 3 toegekend aan om het even welke begunstigde om de enkele reden dat die wordt gefinancierd door de Waalse gewestbegroting, waaraan zij bijdraagt door haar belastingen, net zoals elke andere Waalse belastingplichtige. A.2.
- In ondergeschikte orde doet de Waalse Regering gelden dat de verzoekende partij geen belang heeft bij haar beroep in zoverre daarin de bestreden bepalingen wordt verweten dat zij een discriminatie doen ontstaan tussen de residentiële « prosumenten », enerzijds, en de « prosumenten » die het sociaal tarief genieten en de niet- residentiële « prosumenten », anderzijds, aangezien zij tot geen enkele van die twee categorieën behoort. A.
- A. Thoreau zet uiteen dat de bij het bestreden decreet ingestelde premie ertoe strekt uitsluitend voor de « prosumenten », de heffing voor het gebruik van het distributienet te compenseren. Hij wijst erop dat die heffing enkel de verbruikte elektriciteit betreft en niet de elektriciteit die door die gebruikers is geproduceerd en op het net is geïnjecteerd. Hij leidt daaruit af dat eenzelfde premie zou kunnen worden toegekend aan alle gebruikers van het net, zonder een onderscheid te maken of zij al dan niet een installatie voor de productie van elektriciteit bezitten. Hij besluit daaruit dat de vernietiging van de bestreden bepalingen hem de gelegenheid zou bieden in de toekomst ook een premie te genieten die ertoe strekt zijn kosten voor het gebruik van het net te compenseren. Hij doet gelden dat er een rechtstreekse band bestaat tussen de toegekende premie en de afwenteling van het « prosumententarief » op de gebruikers van het net en dat die band precies wordt aangetoond door het het feit dat het bestreden artikel 6 werd aangenomen. Hij onderstreept dat het hier niet erom gaat de vernietiging te vorderen van om het even welke gewestelijke premie, maar wel van een premie die rechtstreeks verbonden is met een bijdrage die normaal wordt opgelegd aan alle gebruikers van het net, waarvan hij deel uitmaakt. Hij verwijst ook naar de doelstelling die erin bestaat het met het « prosumententarief » nagestreefde zelfverbruik te stimuleren en hij doet gelden dat aangezien de bestreden bepalingen die doelstelling tenietdoen, de gevolgen ervan rechtstreeks voelbaar zullen zijn voor de andere consumenten wier tarieven zullen worden verhoogd als gevolg van de investeringen die zullen moeten worden gedaan om het hoofd te bieden aan de pieken van injectie en opname. Hij verwijst tot slot naar het arrest nr. 62/2016 van 28 april 2016, waarbij het Hof de mogelijkheid heeft bekrachtigd het belang van elke verzoeker om in rechte te treden, te erkennen wanneer een aspect van de democratische rechtsstaat in het geding is dat dermate essentieel is dat de bescherming ervan alle burgers aanbelangt. Ten gronde Wat het eerste middel betreft A.
- A. Thoreau leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 4 van het decreet van 1 oktober 2020, in zoverre het een paragraaf 3 invoegt in artikel 34 van het decreet van 12 april 2001 « betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt » (hierna : het decreet van 12 april 2001), en door de artikelen 5 en 6 van hetzelfde decreet, in zoverre de residentiële « prosumenten » anders worden behandeld dan de « niet-prosumenten », de « prosumenten » die het sociaal tarief genieten en de niet- residentiële « prosumenten ». Hij gaat ervan uit dat al die categorieën van personen zich in vergelijkbare situaties bevinden, aangezien zij allen elektriciteit op het distributienet opnemen, om die reden ertoe worden gebracht bij te dragen aan de kosten van het net en dus allen een distributietarief betalen. Hij is van mening dat niets verantwoordt dat krachtens artikel 4 van het decreet van 1 oktober 2020 de personen die tot de categorie van de residentiële « prosumenten » behoren, een premie ontvangen die het distributietarief compenseert, terwijl die personen het net gebruiken zoals de personen die tot de andere drie categorieën behoren. Niets verantwoordt evenmin dat krachtens artikel 6 van hetzelfde decreet, de Waalse Regering aan de distributienetbeheerders het bedrag stort dat overeenstemt met het tarief voor het gebruik van het distributienet dat de « prosumenten » tussen 1 januari en 30 september 2020 hadden moeten betalen, terwijl zij dat niet doet voor de « niet-prosumenten ». Bovendien doet hij gelden dat niets verantwoordt dat de categorie van personen die de premie ontvangen krachtens artikel 4 van het bestreden decreet en de categorie van personen voor wie de distributiekosten door de Regering rechtstreeks aan de distributienetbeheerders worden betaald krachtens artikel 6 van het bestreden decreet, niet dezelfde zijn. Wat het tweede middel betreft A.5.
- A. Thoreau leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 35 en 37 van de richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG », met de artikelen 57, 59 en 60 van de richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt 4 voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking) » en met het algemeen wettigheidsbeginsel, door artikel 4 van het decreet van 1 oktober 2020, in zoverre het een paragraaf 3 invoegt in artikel 34 van het decreet van 12 april 2001, en door de artikelen 5 en 6 van het decreet van 1 oktober
- A.5.
- Hij zet uiteen dat door te beslissen over een « prosumententarief » in de tariefmethodologie 2019- 2023, de CWaPE ten doel had, enerzijds, alle gebruikers van het net billijk te doen bijdragen in de kosten van dat net en, anderzijds, de « prosumenten » ertoe aan te zetten hun productie meer zelf te verbruiken teneinde nog meer hernieuwbare energie te kunnen integreren op het distributienet zonder dat te moeten versterken. Hij preciseert dat die doelstellingen ook voortvloeien uit de inachtneming van de bepalingen van artikel 4, § 2, van het decreet van 19 januari 2017 « betreffende de tariefmethodologie die van toepassing is op gas- en elektriciteitsdistributienetbeheerders ». Hij wijst erop dat de CWaPE die beslissing heeft genomen in het kader van haar exclusieve tariefbevoegdheid en van de onafhankelijkheid van de regulerende instanties van de elektriciteitsmarkt bij het nemen van de beslissingen inzake het vaststellen of goedkeuren van transmissie- of distributietarieven of de berekeningsmethodes hiervoor. Die onafhankelijkheid wordt opgelegd bij de in het middel aangevoerde bepalingen van Europees recht. Hij doet gelden dat door een premie in te stellen die kan worden toegekend aan de residentiële « prosumenten », de artikelen 4 en 6 van het decreet van 1 oktober 2020 de gevolgen van het door het CWaPE besliste « prosumententarief » geheel, voor de jaren 2020-2021, en gedeeltelijk, voor de jaren 2022-2023, neutraliseren, wat afbreuk doet aan haar exclusieve tariefbevoegdheid en haar onafhankelijkheid bij het nemen van beslissingen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
- Het beroep tot vernietiging beoogt de artikelen 4 (gedeeltelijk), 5 en 6 van het decreet van het Waalse Gewest van 1 oktober 2020 « tot beëindiging van de compensatie tussen de hoeveelheden elektriciteit opgenomen en geïnjecteerd op het net en tot toekenning van premies ter bevordering van het rationeel energiegebruik en de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen » (hierna : het decreet van 1 oktober 2020). B.1.
- Artikel 4 van het decreet van 1 oktober 2020 voegt in artikel 34 van het decreet van het Waalse Gewest van 12 april 2001 « betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt » (hierna : het decreet van 12 april 2001) nieuwe paragrafen 2 en 3 in. Het beroep beoogt de ingevoegde nieuwe paragraaf 3, die bepaalt : « Vanaf 1 oktober 2020 tot 31 december 2023 kennen de distributienetbeheerders als openbare dienstverplichting jaarlijks, voor rekening van het Waals Gewest, een premie toe aan de residentiële autoproducerende afnemers die een installatie voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen hebben met een netto-ontwikkelbaar vermogen van minder dan of gelijk aan 10 kW en die niet genieten van het sociaal tarief. 5 Vanaf 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2021 bedraagt het bedrag van de premie voor de in lid 1 bedoelde afnemers die niet over een dubbele stroommeter beschikken, 100 procent van de capaciteitstermijn en 54,27 procent van de capaciteitstermijn voor de jaren 2022 en
- Vanaf 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2021 bedraagt het bedrag van de premie voor de in lid 1 bedoelde afnemers die zijn uitgerust met een dubbele stroommeter 100 procent van het verschil tussen de factuur voor de netkosten en het totale bedrag van de netkosten die zonder de capaciteitstermijn als netto-afname in rekening zouden zijn gebracht, en 54,27 procent van dit bedrag voor de jaren 2022 en
- Elke distributienetbeheerder is verplicht de premie binnen een maand na verzending van de afrekeningsfactuur aan de leverancier toe te kennen. De administratie verstrekt de distributienetbeheerder een begrotingsvoorschot om de betaling van de in lid 1 bedoelde premies te financieren. Elke netbeheerder bezorgt de administratie tegen de tiende dag van elke maand een elektronisch bestand dat per [e-mail] met bericht van ontvangst wordt overgemaakt. Dat bestand bevat de lijst van de premies die de vorige maand zijn uitgekeerd, alsook de uitvoerige gegevens die daarop betrekking hebben. De netbeheerder bezorgt de administratie elk kwartaal in 3 exemplaren een schuldvorderingsverklaring, samen met een lijst van de uitgaven en de bewijsstukken betreffende de daadwerkelijk betaalde premies. Zodra de uitgavenlijst door de administratie in ontvangst genomen wordt, wordt ze samen met de bijgevoegde bewijsstukken door haar nagekeken. Na bepaling van het bedrag van de in aanmerking komende uitgaven keurt de administratie de uitgaven goed in mindering op het in lid 1 bedoelde voorschot of brengt zij dit bedrag in voorkomend geval in vereffening. De netbeheerder vermeldt op zijn schuldvorderingsverklaring het nummer van de financiële rekening waarvan hij houder is en neemt er de melding ‘ bedrag voor waar en oprecht verklaard ’ in op. De Regering of haar afgevaardigde kan de modaliteiten tot toepassing van deze paragraaf bepalen ». B.1.
- Artikel 5 van het decreet van 1 oktober 2020 voegt in artikel 34bis van het decreet van 12 april 2001 een nieuwe paragraaf 2 in, die bepaalt : « De leverancier vermeldt op de regularisatiefactuur van de begunstigden van de in artikel 34, § 3, eerste lid, bedoelde premie zowel het bedrag van de toegekende premie als de uiteindelijke betaling ervan door de Regering ». B.1.
- Artikel 6 van het decreet van 1 oktober 2020 bepaalt : 6 « De Regering betaalt de distributienetbeheerders het bedrag dat overeenkomt met het tarief voor het gebruik van het distributienet dat van toepassing is op een autoproducent die een installatie voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen heeft met een netto ontwikkelbaar vermogen van minder dan of gelijk aan 10 kW, dat niet is opgehaald tussen 1 januari 2020 en 30 september 2020 ». B.2.
- In de uiteenzetting van het voorstel dat aan de oorsprong ligt van artikel 4 van het decreet van 1 oktober 2020 wordt vermeld : « De nieuwe paragraaf 3 van artikel 34 van het zogenaamde ‘ elektriciteitsdecreet ’ stelt een ondersteuning in voor de residentiële autoproducerende afnemers die een installatie voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen hebben met een netto ontwikkelbaar vermogen van minder dan of gelijk aan 10 kW. Het bedrag van de ondersteuning stemt, van 1 oktober 2020 tot 31 december 2021, overeen met het tarief voor het gebruik van het distributienet dat van toepassing is op de autoproducent die een installatie voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen heeft met een netto vermogen van minder dan of gelijk aan 10 kW. Vervolgens, van 1 januari 2022 tot 31 december 2023, stemt het bedrag van de ondersteuning overeen met 54,2 % van dat tarief. De Regering betaalt de netbeheerders terug op grond van aangiften van schuldvordering […] » (Parl. St., Waals Parlement, 2020-2021, nr. 260/1, p. 4). B.2.
- In de commissie van het Waals Parlement heeft een van de indieners van het voorstel van decreet uitgelegd : « Er worden, bij dit voorstel, verschillende mechanismen ingesteld die, laten we zeer duidelijk zijn, het Gewest de mogelijkheid bieden zijn engagementen na te komen en de inwerkingtreding te compenseren van dat tarief zoals gewild door de ‘ Commission wallonne pour l’énergie ’. […] Er is vervolgens de inwerkingstelling van een financiële ondersteuning voor de prosumenten teneinde voor de jaren 2020 tot 2023 een degressieve ondersteuning te verlenen voor de door een prosument niet zelf verbruikte hoeveelheid elektriciteit voor een installatie voor de productie van hernieuwbare zonne-energie met een vermogen van minder dan 10 kW. Dat ondersteuningsmechanisme dat door de distributienetbeheerders in werking zal worden gesteld met terugbetaling door het Gewest zal gelijktijdig met de toepassing van het prosumententarief in werking treden. Die ondersteuning stemt overeen met 100 % van de prosumentenheffing voor de jaren 2020 en 2021, met 54,27 % van die heffing in 2022 en met 54,27 % van de heffing in
- Het gaat om een budget dat geraamd wordt op 224 000 000 euro. 7 Het gaat met andere woorden om een automatische terugbetaling van het prosumententarief. Die terugbetaling zal gebeuren binnen de 30 dagen na de ontvangst door de burger van zijn factuur » (Parl. St., Waals Parlement, 2020-2021, 28 september 2020, C.R.I.C., nr. 15, p. 56). B.2.
- De tekst van het oorspronkelijke voorstel van decreet omvatte andere bepalingen waarbij werd voorzien in de inwerkingstelling van een financiële ondersteuning ten voordele van alle consumenten, met inbegrip van de afnemers die niet over zonnepanelen beschikken, voor de installatie van dubbele stroommeters of voor de installatie van meet- en stuurapparaten bedoeld om elke burger de mogelijkheid te bieden zijn energieverbruik beter te analyseren en dus te beheersen. Die bepalingen zijn om procedurele redenen uit het oorspronkelijke voorstel gehaald en zijn opgenomen in het decreet van het Waalse Gewest van 17 december 2020 « betreffende de toekenning van een premie voor de installatie van meet- en stuurapparaten ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.3.
- De Waalse Regering doet gelden dat het beroep niet-ontvankelijk is, aangezien de verzoekende partij niet doet blijken van een rechtstreeks en persoonlijk belang bij de vernietiging van de bepalingen die zij aanvecht. B.3.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.3.
- De verzoekende partij toont vanuit twee invalshoeken haar belang om de vernietiging te vorderen aan. Ten eerste acht die partij zich, als verbruiker van elektriciteit in het Waalse Gewest die niet over een installatie voor de productie van elektriciteit beschikt, gediscrimineerd ten opzichte van de verbruikers die over een installatie voor de productie van elektriciteit beschikken, in zoverre zij, in tegenstelling tot die laatsten, dient bij te dragen aan de kosten van het elektriciteitsdistributienet. Ten tweede gaat die partij, als belastingplichtige die in het Waalse Gewest gedomicilieerd is, ervan uit dat zij een belang heeft om de premie, die door de Waalse begroting wordt gefinancierd, te betwisten. 8 B.4.
- Vermits zij niet over een installatie voor de productie van elektriciteit beschikt, wordt de verzoekende partij niet geraakt door de door haar aangevochten bepalingen, aangezien zij niet op haar van toepassing zijn. De vernietiging ervan kan voor haar situatie dan ook geen enkel rechtstreeks gevolg hebben. Opdat de verzoekende partij doet blijken van het vereiste belang, is het echter waar dat het niet noodzakelijk is dat een eventuele vernietiging haar een onmiddellijk voordeel oplevert. De omstandigheid dat de verzoekende partij opnieuw een kans verkrijgt dat haar situatie gunstiger wordt geregeld na de vernietiging van de betwiste bepaling volstaat om haar belang om die bepaling aan te vechten, te verantwoorden. B.4.
- Evenwel dient te dezen te worden opgemerkt dat de financiële ondersteuning die bij de bestreden bepalingen is ingesteld in de vorm van een premie past in de context van het gewestelijk beleid inzake ontwikkeling van hernieuwbare energie en dat zij is bedacht om « het vertrouwen te herstellen bij de prosumenten die de kaart van de transitie hebben getrokken, die ertoe hebben bijgedragen de verplichtingen van het Gewest op het stuk van hernieuwbare energie na te komen » (Parl. St., Waals Parlement, 2020-2021, 28 september 2020, C.R.I.C., nr. 15, p. 58). Zoals in B.2.3 is vermeld, zijn ten voordele van alle consumenten tegelijkertijd andere ondersteuningsmaatregelen aangenomen die ertoe strekken energiebesparingen te bevorderen. Daaruit volgt dat de eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen niet tot gevolg kan hebben dat de decreetgever nieuwe bepalingen aanneemt waarbij dezelfde premie wordt verleend aan consumenten die geen « prosumenten » zijn en die niet bijdragen aan de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Bijgevolg is het voordeel dat de verzoekende partij hoopt te kunnen halen uit een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen dermate hypothetisch dat het te zijnen aanzien geen belang om de vernietiging te vorderen zou kunnen gronden. B.
- De eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen kan evenmin een rechtstreekse weerslag hebben op de situatie van de verzoekende partij als belastingplichtige die in het Waalse Gewest gedomicilieerd is. Hoewel het juist is dat de bij de bestreden bepalingen beoogde premie door de Waalse begroting wordt gefinancierd, heeft de toekenning ervan door 9 de decreetgever aan de residentiële « prosumenten » geen enkel gevolg gehad voor de wijze waarop de verzoekende partij wordt belast en zou de vernietiging ervan haar fiscale situatie geenszins wijzigen. B.
- De omstandigheid dat door de tariefstimulans die door de Waalse regulator is ingevoerd opdat de « prosumenten » meer hun eigen productie zouden verbruiken, de bestreden bepalingen de noodzaak met zich zouden meebrengen het distributienet te versterken, hetgeen voor alle consumenten een verhoging van de distributietarieven zou veroorzaken, volstaat, naast het feit dat zij hypothetisch is, evenmin om een voldoende geïndividualiseerde band aan te tonen tussen de situatie van de verzoekende partij en de bepalingen die zij aanvecht. B.
- Ten slotte toont de verzoekende partij, in tegenstelling tot hetgeen zij betoogt, niet aan dat het bestreden decreet afbreuk dreigt te doen aan een aspect van de democratische rechtsstaat dat dermate essentieel is dat de bescherming ervan alle burgers aangaat. Het door de verzoekende partij aangevoerde belang dat de onafhankelijkheid bij het nemen van beslissingen en de exclusieve bevoegdheden van de overheid die de Waalse elektriciteitsmarkt reguleert, worden nageleefd, onderscheidt zich niet van het belang dat elke persoon heeft bij de inachtneming van de wettigheid in elke aangelegenheid. Een dergelijk belang om voor het Hof in rechte te treden toestaan, zou erop neerkomen de actio popularis toe te staan, hetgeen de Grondwetgever niet heeft gewild. B.
- De exceptie van niet-ontvankelijkheid is gegrond. Het beroep tot vernietiging is niet- ontvankelijk bij gebrek aan het vereiste belang. 10 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.111 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div