id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.112 Arrest- Rolnummer: 112/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 992 - laatst gezien 2026-06-18 06:43 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 houdende organisatie van de Instituten der Belgische Radio en Televisie, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht - Gemeentebelasting - Kantooroppervlakten - Vrijstelling voor de goederen van de Staat - Toepassing op de RTBF Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 112/2022 van 22 september 2022 Rolnummer : 7569 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 houdende organisatie van de Instituten der Belgische Radio en Televisie, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 31 maart 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 april 2021, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : - « Schenden (
- a)artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 houdende organisatie van de Instituten der Belgische Radio en Televisie, in zoverre het de RTBF gelijkstelt met de Staat voor de toepassing van de wetten en verordeningen betreffende de directe belastingen van de Staat en de taksen of belastingen van de provincies en de gemeenten, (
- b)het algemeen rechtsbeginsel of de wettelijke regel volgens welke de goederen van het openbaar domein van de Staat en die van het privaat domein ervan die voor een openbare dienst of een dienst van algemeen belang worden aangewend, uit hun aard, niet aan de belasting kunnen worden onderworpen en volgens welke die goederen slechts aan de belasting worden onderworpen indien een wetsbepaling uitdrukkelijk daarin voorziet, en de bepaling van artikel 172, tweede lid, van de Grondwet, luidens welke geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet, niet op hen van toepassing is, of (
- c)de combinatie van het genoemde artikel 30 en van het genoemde algemeen rechtsbeginsel of van de genoemde wettelijke regel, in die zin geïnterpreteerd dat de RTBF van alle gemeentebelastingen is vrijgesteld voor de goederen van het openbaar domein en die van het privaat domein ervan die voor een openbare dienst of een dienst van algemeen belang worden aangewend, artikel 170, § 4, van de Grondwet en het beginsel van de fiscale autonomie van de gemeenten ? »; 2 - « Schenden (
- a)artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 houdende organisatie van de Instituten der Belgische Radio en Televisie, in zoverre het de RTBF gelijkstelt met de Staat voor de toepassing van de wetten en verordeningen betreffende de directe belastingen van de Staat en de taksen of belastingen van de provincies en de gemeenten, (
- b)het algemeen rechtsbeginsel of de wettelijke regel volgens welke de goederen van het openbaar domein van de Staat en die van het privaat domein ervan die voor een openbare dienst of een dienst van algemeen belang worden aangewend, uit hun aard, niet aan de belasting kunnen worden onderworpen en volgens welke die goederen slechts aan de belasting worden onderworpen indien een wetsbepaling uitdrukkelijk daarin voorziet, en de bepaling van artikel 172, tweede lid, van de Grondwet, luidens welke geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet, niet op hen van toepassing is, of (
- c)de combinatie van het genoemde artikel 30 en van het genoemde algemeen rechtsbeginsel of van de genoemde wettelijke regel, in die zin geïnterpreteerd dat de RTBF van alle gemeentebelastingen is vrijgesteld voor de goederen van het openbaar domein en die van het privaat domein ervan die voor een openbare dienst of een dienst van algemeen belang worden aangewend, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling doen ontstaan tussen, enerzijds, de RTBF en, anderzijds, de andere economische operatoren die analoge activiteiten uitoefenen, maar ook allen die gemeentebelastingen verschuldigd zijn ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de « Radio-Télévision belge de la Communauté française », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. O. Bertin en Mr. C. Maczkovics, advocaten bij de balie te Brussel; - de gemeente Schaarbeek, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Fortemps, advocaat bij de balie te Brussel; - de nv van publiek recht « Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Sablon, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 20 april 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 4 mei 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 4 mei 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 15 juni 2022. Op de openbare terechtzitting van 15 juni 2022 : - zijn verschenen : . Mr. O. Bertin, voor de « Radio-Télévision belge de la Communauté française »; . Mr. N. Fortemps, voor de gemeente Schaarbeek; 3 . Mr. L. Kell, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. S. Sablon, voor de nv van publiek recht « Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie » (tussenkomende partij); - hebben de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De « Radio-Télévision belge de la Communauté française » (hierna : de RTBF) is eigenaar van verschillende gebouwen gelegen op het grondgebied van de gemeente Schaarbeek, waarin zij haar activiteit uitoefent. Zij dient verschillende bezwaarschriften in bij het college van burgemeester en schepenen van die gemeente om de toepassing te betwisten, op die gebouwen, van de gemeentebelasting op gebouwen of delen van gebouwen die bestemd zijn als kantoorruimte, voor meer bepaald vijf aanslagjaren tussen 2008 en 2012. Die bezwaarschriften worden telkens verworpen. Met toepassing van de artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, stelt de RTBF, tegen elk van die beslissingen, een beroep in bij de Franstalige Rechtbank van eerste aanlag te Brussel, die de zaken samenvoegt wegens de samenhang ervan. Voor de verwijzende rechter voert de RTBF aan dat zij de voormelde gemeentebelasting niet verschuldigd is omdat zij, krachtens artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 houdende organisatie van de Instituten der Belgische Radio en Televisie (hierna : de wet van 18 mei 1960), met de Staat wordt gelijkgesteld voor de toepassing van de gemeentelijke taksen en belastingen. Volgens de RTBF erkent het Hof van Cassatie het bestaan van een beginsel van fiscale vrijstelling voor de goederen van het openbaar domein van de Staat en die van het privaat domein ervan die voor een openbare dienst of een dienst van algemeen belang worden aangewend, zodat, ingevolge artikel 30 van de wet van 18 mei 1960, geen enkele gemeentebelasting mag worden geheven op de gebouwen waarin zij haar activiteit uitoefent. De gemeente Schaarbeek voert aan dat de algemene fiscale vrijstelling voor de goederen van de Staat uitsluitend is bekrachtigd door een alleenstaand arrest van het Hof van Cassatie van 23 februari 2018, dat werd gewezen op de andersluidende conclusies van de advocaat-generaal, en dat uit de parlementaire voorbereiding van artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 niet blijkt dat de wetgever ook maar enigszins de bedoeling had een dergelijke vrijstelling te verlenen aan de door hem beoogde instituten. Zij benadrukt dat die rechtspraak in ieder geval een beperking van de fiscale autonomie van de gemeenten vormt waarvan de noodzaak niet is aangetoond, en dat zij overigens een onverantwoord verschil in behandeling creëert tussen, enerzijds, de RTBF en, anderzijds, de andere economische operatoren die analoge activiteiten uitoefenen, maar ook, meer algemeen, de andere personen die gemeentebelastingen verschuldigd zijn. De verwijzende rechter stelt vast dat de onroerende goederen waarop de voormelde gemeentebelasting betrekking heeft, bestemd zijn voor de openbare dienst van radio en televisie van de Franse Gemeenschap, zodat zij, volgens de lering van het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 23 februari 2018, van de in het geding zijnde gemeentebelasting moeten worden vrijgesteld. Op verzoek van de gemeente Schaarbeek stelt de verwijzende rechter de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen, na ze enigszins te hebben geherformuleerd. 4 III. In rechte -A- Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof A.1. De RTBF stelt vast dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op zowel artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 als het algemeen rechtsbeginsel of de wettelijke regel volgens welke de goederen van het openbaar domein van de Staat en die van het privaat domein ervan die voor een openbare dienst of een dienst van algemeen belang worden aangewend, uit hun aard, niet aan de belasting kunnen worden onderworpen en volgens welke die goederen slechts aan de belasting worden onderworpen indien een wetsbepaling daarin uitdrukkelijk voorziet. In zoverre de prejudiciële vragen betrekking hebben op artikel 30 van de wet van 18 mei 1960, behoeven zij geen antwoord aangezien die bepaling zich ertoe beperkt de RTBF gelijk te stellen met de Staat voor de toepassing van de gemeentelijke taksen en belastingen, en op zich geen vrijstelling toekent. De in de prejudiciële vragen beoogde vrijstelling is enkel toe te schrijven aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie, die het Hof niet vermag te toetsen. In zoverre zij betrekking hebben op het voormelde algemeen rechtsbeginsel of de voormelde wettelijke regel, vallen de prejudiciële vragen overigens niet onder de bevoegdheid van het Hof aangezien het niet gaat om formele wettelijke bepalingen, zoals de Raad van State reeds herhaaldelijk vaststelde. A.2. De gemeente Schaarbeek is van mening dat de fiscale vrijstelling waarop de RTBF zich beroept, voortvloeit uit de gecombineerde toepassing van artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 en van het algemeen rechtsbeginsel of de wettelijke regel die is bekrachtigd bij het arrest van het Hof van Cassatie van 23 februari 2018, dat werd verduidelijkt bij een arrest van het Hof van Cassatie van 9 mei 2019, want op zichzelf beschouwd stelt dat beginsel of die wettelijke regel de RTBF niet vrij van elke gemeentebelasting. De gemeente Schaarbeek is overigens van oordeel dat alle wetten, zowel in materiële als in formele zin, het voorwerp kunnen uitmaken van een toetsing door het Hof, aangezien het niet vereist is dat dit voorwerp het resultaat is van de uitoefening van de normeringsfunctie in strikte zin. Het Hof is bijgevolg bevoegd om het beginsel of de wettelijke regel, zoals bekrachtigd door het Hof van Cassatie, te toetsen. De door de RTBF verdedigde stelling leidt overigens ertoe haar een belastingregeling te laten genieten die afwijkt van het gemeen recht, en die aan elke grondwettigheidstoetsing ontsnapt. Ten aanzien van het belang van de tussenkomende partij A.3.1. De Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (hierna : de VRT) is van mening dat zij belang heeft om in de voorliggende zaak tussen te komen omdat haar juridisch statuut en haar werking op alle punten vergelijkbaar zijn met die van de RTBF, meer bepaald wat de uitoefening van de opdrachten van openbare dienst betreft. De VRT vindt haar oorsprong ook in de wet van 18 mei 1960 en wordt bijgevolg ook, krachtens artikel 30 van die wet, met de Staat gelijkgesteld. Zij is eveneens eigenaar van kantoren in de gemeente Schaarbeek, waarop dezelfde belasting wordt gevestigd als op die van de RTBF. De VRT heeft de toepassing van die belasting systematisch betwist. De betwistingen betreffende de aanslagjaren 2008 en 2009 zijn uitgelopen op een cassatievoorziening die thans hangende is. Er zijn momenteel beroepen aanhangig, met betrekking tot de aanslagjaren 2010 tot en met 2021, bij de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die haar uitspraak heeft opgeschort in afwachting van de uitkomst van de voormelde cassatieprocedure. De VRT is dan ook van mening dat zij over een rechtmatig belang beschikt om, op grond van artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, in de voorliggende zaak een memorie in te dienen. A.3.2. Het belang van de VRT om in de rechtspleging tussen te komen, wordt niet betwist. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.4.1. De RTBF stelt dat, volgens een eerste interpretatie, artikel 170, § 4, van de Grondwet zich ertegen verzet dat de wetgever zelf beslist over het principe van een gemeentebelasting, tenzij hij daarvan de noodzaak aantoont. Artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 voert echter geen enkele belasting ten gunste van de gemeenten in, zodat de eerste prejudiciële vraag geen antwoord behoeft of op zijn minst ontkennend moet worden beantwoord. A.4.2. Volgens een tweede interpretatie verplicht artikel 170, § 4, van de Grondwet de wetgever ertoe de noodzakelijkheid aan te tonen van elke inbreuk op de gemeentelijke fiscale autonomie, zelfs wanneer hij een 5 wettelijke bepaling aanneemt die geen belasting creëert. Te dezen beperkt artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 zich ertoe de RTBF gelijk te stellen met de Staat en creëert het op zich geen enkele vrijstelling, zodat die bepaling de gemeentelijke fiscale autonomie niet beperkt. De vrijstelling die de RTBF geniet, vloeit voort uit een algemeen rechtsbeginsel of een wettelijke regel volgens de bewoordingen van de prejudiciële vragen, zodat geen noodzakelijkheid in de zin van het voormelde artikel 170, § 4, moet worden aangetoond. Er dient overigens te worden vastgesteld dat de noodzakelijkheidsvoorwaarde te dezen hoe dan ook is vervuld. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt immers dat de noodzakelijkheid van een fiscale vrijstellingsregeling ten gunste van publiekrechtelijke entiteiten blijkt wanneer de vrijstelling wordt verantwoord door de uitoefening van opdrachten van openbare dienst, omdat die niet mogen worden belemmerd door de uitoefening van de gemeentelijke fiscale bevoegdheid. De fiscale vrijstelling die de RTBF geniet, heeft precies enkel betrekking op de goederen die worden aangewend voor de opdrachten van openbare dienst die zij waarneemt. De wet van 18 mei 1960 heeft overigens tot doel te vermijden dat fiscale heffingen van lokale besturen die opdrachten belemmeren. Ten slotte steunt het algemeen rechtsbeginsel of de wettelijke regel voortvloeiende uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie vanaf 1890, eveneens op de noodzakelijkheidsvoorwaarde van algemeen nut. De eerste prejudiciële vraag dient bijgevolg ontkennend te worden beantwoord. A.5.1. In hoofdorde voert de gemeente Schaarbeek aan dat artikel 170, § 4, van de Grondwet zich ertegen verzet dat een uitzondering op de fiscale bevoegdheid van de gemeenten wordt bepaald door een beginsel of door een wettelijke regel die geen door de federale overheid aangenomen formele wettelijke bepaling is. Aangezien de fiscale vrijstelling waarop de RTBF zich beroept, niet alleen volgt uit artikel 30 van de wet van 18 mei 1960, maar uit de combinatie van dat laatste artikel met het beginsel of de wettelijke regel bekrachtigd door het Hof van Cassatie, is artikel 170, § 4, te dezen geschonden. A.5.2. In ondergeschikte orde voert de gemeente Schaarbeek aan dat de fiscale vrijstelling waarop de RTBF zich beroept, toe te schrijven is aan de decreetgever van de Franse Gemeenschap, die artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 heeft gehandhaafd door het niet op te heffen bij het decreet van 12 december 1977 « houdende statuut van de ‘ Radio-Télévision belge de la Communauté culturelle française ’ (R.T.B.F.) » (hierna : het decreet van 12 december 1977), noch bij het decreet van 14 juli 1997 « houdende het statuut van de ‘ Radio-Télévision belge de la Communauté française (RTBF) ’ » (hierna : het decreet van 14 juli 1997). De Franse Gemeenschap zou bijgevolg dat systeem enkel kunnen doen steunen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvan de toepassingsvoorwaarden te dezen niet in acht zijn genomen. In de parlementaire voorbereiding van de decreten van 12 december 1977 en van 14 juli 1997 wordt immers geen enkele verantwoording gegeven voor het aanwenden van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 om artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 te handhaven. Vervolgens is de rechtspraak die door de RTBF wordt aangevoerd om de fiscale vrijstelling waarop zij zich beroept te rechtvaardigen, beperkt tot de overheidsinstanties in strikte zin. Zij strekt zich niet uit tot de andere publiekrechtelijke rechtspersonen, noch tot de privaatrechtelijke rechtspersonen die met opdrachten van openbare dienst zijn belast. De opdrachten van openbare dienst van de RTBF worden overigens gefinancierd met de toelagen van de Franse Gemeenschap en met de ontvangsten uit commerciële activiteiten, die met een zekere vrijheid worden ontwikkeld. De RTBF is ook onderworpen aan de federale belasting op haar resultaten. Daarnaast voert de gemeente Schaarbeek aan dat de fiscale vrijstelling waarop de RTBF zich beroept, de gemeenten belastinginkomsten ontzegt die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun opdrachten van openbare dienst, terwijl zij, in tegenstelling tot de RTBF, geen dotaties en toelagen genieten die toereikend zijn om al hun opdrachten van gemeentelijk belang te financieren en terwijl zij geen commerciële activiteiten mogen uitoefenen. De gemeente Schaarbeek voert ten slotte aan dat gemeentebelastingen andere dan strikt financiële doelstellingen nastreven, meer bepaald op het vlak van stimulering, ontrading en compensatie. De gemeente Schaarbeek stelt overigens dat de in het geding zijnde vrijstelling nieuwe staatssteun vormt die in strijd is met de artikelen 106 en 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), omdat zij een last schrapt die het budget van de RTBF, die een onderneming is in de zin van het VWEU op het gebied van staatssteun, in normale omstandigheden zou moeten bezwaren, en die tot logisch gevolg heeft dat de belastinginkomsten van de gemeente ten belope van die vrijstelling worden verminderd. Die maatregel is ook van die aard dat de RTBF wordt bevoordeeld ten opzichte van haar concurrenten, hetgeen concurrentieverstoringen met zich meebrengt. Die staatssteun wordt bovendien niet opgevat als een compensatie van de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de opdrachten van openbare dienst van de RTBF, aangezien die laatste worden gefinancierd met toelagen en met inkomsten uit commerciële activiteiten. De in het geding zijnde vrijstelling is overigens geen bestaande staatssteun, maar nieuwe steun, aangezien de decreetgever van de Franse Gemeenschap zich artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 heeft toegeëigend door het te handhaven, en omdat het voormelde beginsel of de voormelde wettelijke regel werd bekrachtigd door het arrest van het Hof van 6 Cassatie van 23 februari 2018. In bepaalde opzichten kan die vrijstelling ook worden beschouwd als bestaande steun. Om die redenen verzoekt de gemeente Schaarbeek het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.5.3. In nog meer ondergeschikte orde, in de veronderstelling dat de in het geding zijnde fiscale vrijstelling toe te schrijven is aan de federale wetgever, en niet aan de decreetgever van de Franse Gemeenschap, dient te worden vastgesteld dat de noodzakelijkheidsvoorwaarde, opgelegd bij artikel 170, § 4, van de Grondwet, niet in acht wordt genomen. De gemeente Schaarbeek verwijst in dat verband naar de uiteenzetting over de niet- inachtneming van de toepassingsvoorwaarden van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De eerste prejudiciële vraag dient bijgevolg bevestigend te worden beantwoord. A.6. De VRT is van mening dat de fiscale autonomie van de gemeenten ondergeschikt is aan de fiscale bevoegdheid van de federale overheid en aan die van de gewesten. Dat ondergeschikte karakter blijkt uit de Grondwet zelf, en meer bepaald uit de artikelen 170, § 4, en 159 ervan, met als doel de instellingen die opdrachten van openbare dienst uitoefenen te beschermen. Met de gelijkstelling van de VRT en van de RTBF met de Staat, krachtens artikel 30 van de wet van 18 mei 1960, wordt precies dat doel nagestreefd. In de parlementaire voorbereiding van die wet heeft de wetgever het belang beklemtoond van de opdrachten van openbare dienst die aan de voorganger van die instellingen werden toevertrouwd. Het feit dat het juridische statuut van de RTBF en van de VRT in de loop der jaren is gewijzigd, heeft niets aan hun opdrachten en hun specifieke kenmerken veranderd. In diezelfde parlementaire voorbereiding werd benadrukt dat de onroerende goederen van de toenmalige Instituten der Belgische Radio en Televisie essentiële werktuigen waren voor het verzekeren van de openbare dienst, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de onroerende goederen van de VRT en de RTBF wel degelijk voor een openbare dienst zijn bestemd en tot het openbaar domein behoren, zoals blijkt uit twee arresten van het Hof van Cassatie van 23 november 2018. Het is bijgevolg verantwoord dat de wetgever de VRT en de RTBF, via een gelijkstelling met de Staat, van gemeentebelastingen vrijstelt. Algemeen wordt immers aangenomen dat de aanwending van openbare domeingoederen, evenals de integrale aanwending van private domeingoederen voor een dienst van openbaar nut, op zich de vrijstelling van een belasting verantwoordt zonder dat dit een bijkomende verantwoording behoeft. Net zoals de RTBF, wendt de VRT haar kantoren aan om de opdrachten van openbare dienst te verzekeren die worden waargenomen conform de afspraken die in de opeenvolgende beheersovereenkomsten worden vastgelegd. Die opdrachten kunnen uitsluitend worden verzekerd door middel van een overheidsfinanciering. De Europese Unie heeft overigens in een kader voorzien waarin lidstaten de openbare omroepen mogen financieren. In het bijzonder is de financiering van de VRT onderworpen aan een voortdurend onderzoek door de Europese Commissie, die overigens geen gevolg heeft gegeven aan een klacht van de gemeente Schaarbeek tegen de VRT, wat ongetwijfeld kan worden verklaard door het feit dat de Commissie niet heeft geoordeeld dat de financiering van de VRT de interne markt verstoort. De eerste prejudiciële vraag dient bijgevolg ontkennend te worden beantwoord. A.7.1. In haar memorie van antwoord insisteert de RTBF op de evidente noodzaak om de gemeentelijke fiscale bevoegdheid te beperken door middel van de in het geding zijnde fiscale vrijstelling. Zij onderstreept dat in de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 mei 1960 en in die van de wet van 18 juni 1930 « op de stichting van het Belgisch Nationaal Instituut voor Radio-omroep (NIR) » (hierna : de wet van 18 juni 1930) niet wordt ingegaan op de noodzaak van die vrijstelling omdat die evident is en geen bijkomende toelichting behoeft. Het Hof heeft overigens het doel van de wetgever reeds in vergelijkbare gevallen geïdentificeerd. Bovendien zouden, indien gemeentebelastingen zouden worden geheven op de goederen van de RTBF, de aan de RTBF toegekende toelagen worden afgehouden van hun doel, ten voordele van andere publiekrechtelijke entiteiten. De subsidiërende overheid zou daardoor de subsidies moeten verhogen om een equivalente dienst te financieren. Ten slotte streven de RTBF en de VRT doelstellingen van algemeen belang na die het gemeentelijk belang ruimschoots overstijgen, zodat beperkingen van de fiscale bevoegdheid van de gemeenten gerechtvaardigd zijn. A.7.2. De RTBF voert overigens aan dat de Franse Gemeenschap niet bevoegd is om de gemeentelijke autonomie te beperken op grond van artikel 170, § 4, van de Grondwet. Artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 werd wel degelijk aangenomen door de federale overheid. Door die bepaling te laten voortbestaan, heeft de Franse Gemeenschap niet zelf de in het geding zijnde fiscale vrijstelling gecreëerd. Bovendien kan het beginsel of de wettelijke regel die door het Hof van Cassatie is ontwikkeld, niet worden toegeschreven aan de Franse Gemeenschap. 7 A.7.3. De RTBF voert ten slotte aan dat de fiscale regeling die op haar van toepassing is, bestaanbaar is met het Europees Unierecht inzake staatssteun, aangezien alleen de Europese Commissie bevoegd is om een staatssteunmaatregel verenigbaar te verklaren met de gemeenschappelijke interne markt, onder toezicht van de rechterlijke instanties van de Unie, zodat de nationale rechterlijke instanties niet gemachtigd zijn om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een vraag te stellen over de verenigbaarheid van een staatssteunmaatregel met de regels van de interne markt. Voor het overige dient de eventuele staatssteun die voortvloeit uit de in het geding zijnde fiscale vrijstelling te worden beschouwd als bestaande steun, die werd vastgelegd bij de wet van 18 mei 1960, aangezien die de vrijstelling vastgelegd bij de wet van 18 juni 1930 heeft verlengd, zodat die steun hoe dan ook niet vooraf bij de Europese Commissie moest worden aangemeld, zoals artikel 108, lid 3, van het VWEU vereist voor nieuwe staatssteun. De RTBF stelt overigens vast dat, in het kader van een onderzoek naar het financieringssysteem van de RTBF, de Europese Commissie geen enkele opmerking heeft gemaakt over de in het geding zijnde fiscale vrijstelling. A.8. In haar memorie van antwoord voert de gemeente Schaarbeek aan dat louter het feit dat een goed onder de openbare dienst valt, niet volstaat om een fiscale vrijstelling te rechtvaardigen. De rechtspraak die door de VRT wordt aangehaald om die bewering te staven, heeft niet de draagwijdte die zij eraan toekent. De gemeente Schaarbeek voert ten slotte aan dat de Europese Commissie de klacht tegen de VRT zonder gevolg heeft gelaten enkel omdat de gemeente niet werd beschouwd als een belanghebbende partij in de zin van het Europees Unierecht, zodat geen conclusie kan worden getrokken uit de verwerping van die klacht. A.9. In haar memorie van antwoord stelt de VRT dat de wetgever een hele reeks wettelijke bepalingen heeft aangenomen om bepaalde publiekrechtelijke entiteiten een fiscale vrijstelling te laten genieten. Op het ogenblik dat de wet van 18 mei 1960 werd aangenomen, stond de rechtspraak van het Hof van Cassatie over de vrijstelling die de Staat geniet overigens reeds vast, zodat de wetgever artikel 30 van die wet precies met dat doel heeft aangenomen. Daarnaast kan de bewering van de gemeente Schaarbeek dat de in het geding zijnde fiscale vrijstelling een nieuwe staatssteunmaatregel zou zijn die strijdig is met artikel 108 van het VWEU, niet worden gevolgd aangezien uit een beslissing van de Europese Commissie van 2008 blijkt dat die vrijstelling een bestaande staatssteunmaatregel vormt. Om die reden dient er geen prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat ter zake niet bevoegd is. Hoe dan ook lijkt die vrijstellingsregeling in overeenstemming met het recht van de Europese Unie en maakt zij het voorwerp uit van een permanent toezicht door de Europese Commissie. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.10.1. De RTBF voert aan dat het Hof reeds herhaaldelijk ertoe werd gebracht de bestaanbaarheid te onderzoeken van de fiscale regeling van publiekrechtelijke ondernemingen – met name Belgacom, de intercommunales, De Post en de NMBS – met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het oordeelde dat de publiekrechtelijke verplichtingen die op die ondernemingen rustten, de vrijstellingsregeling die zij voor bepaalde belastingen genoten rechtvaardigden. Die verantwoordingen zijn vergelijkbaar met die van de fiscale regeling van de RTBF, zoals gespecifieerd in artikel 30 van de wet van 18 mei 1960, die niet ter discussie werd gesteld bij latere wettelijke en decretale wijzigingen. Voordien genoot het Belgisch Nationaal Instituut voor Radio-omroep, waarvan de RTBF de opvolgster is, een onvoorwaardelijke vrijstelling van de toepassing van gemeente- en provinciebelastingen, met toepassing van artikel 15 van de wet van 18 juni 1930. A.10.2. De RTBF stelt dat zij verschillende opdrachten van openbare dienst waarneemt - opgesomd in het beheerscontract dat werd gesloten voor de jaren 2007 tot 2011, tussen de RTBF en de Franse Gemeenschap, krachtens artikel 8 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 14 juli 1997 - die de fiscale regeling die zij geniet, rechtvaardigen. Het gaat niet om een onvoorwaardelijke vrijstelling, aangezien zij enkel geldt voor de goederen die worden aangewend voor opdrachten van openbare dienst. De omstandigheid dat de RTBF ook commerciële activiteiten kan uitoefenen, heeft in dat verband geen invloed omdat de eventuele opbrengst die door die activiteiten wordt gegenereerd integraal moet worden besteed aan de verwezenlijking van haar opdrachten van openbare dienst, volgens de beslissingen van de Europese Commissie ter zake. De rechtspraak is overigens van oordeel dat de uitoefening van commerciële activiteiten die samenhangen met de uitoefening van opdrachten van openbare dienst, het recht op vrijstelling niet tenietdoet. De RTBF voert ten slotte aan dat sommige van haar commerciële activiteiten door andere entiteiten worden uitgeoefend. De tweede prejudiciële vraag dient bijgevolg ontkennend te worden beantwoord. 8 A.11.1. De gemeente Schaarbeek voert aan dat de in het geding zijnde bepaling een discriminatie creëert tussen, enerzijds, de RTBF en, anderzijds, allen die lokale belastingen verschuldigd zijn, omdat alleen de RTBF aanspraak kan maken op een vrijstelling van welke gemeentelijke taks of belasting ook. Volgens de gemeente Schaarbeek zijn die categorieën van personen vergelijkbaar in zoverre zij elk een persoonlijke of zakelijke band hebben met de gemeente en, door die band, mogelijk gemeentelijke taksen en belastingen verschuldigd zijn. De RTBF is overigens vergelijkbaar met om het even welke economische operator die analoge activiteiten uitoefent. De gemeente Schaarbeek stelt vast dat noch de wet van 18 mei 1960, noch het decreet van 14 juli 1997, noch het decreet van 12 september 1977 het mogelijk maken de redenen vast te stellen waarom de RTBF met de Staat wordt gelijkgesteld en waarom het aangewezen zou zijn haar een dergelijke vrijstelling te laten genieten. Om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in het kader van de eerste prejudiciële vraag, kan die vrijstelling niet worden verantwoord door de noodzakelijke financiering van de opdrachten van openbare dienst van de RTBF, en vormt zij overigens een nieuwe en onregelmatige staatssteunmaatregel. A.11.2. De in het geding zijnde fiscale vrijstelling heeft bovendien onevenredige gevolgen, omdat zij de gemeenten belastinginkomsten ontzegt die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van opdrachten van gemeentelijk belang, en omdat zij het toepassingsgebied van de stimulerings-, ontradings- en compensatiemaatregelen die zij via hun belastingreglementen kunnen invoeren, beperkt. Volgens de verwijzende rechter is die vrijstelling bovendien algemeen, dat wil zeggen dat zij geldt voor alle goederen en alle activiteiten van de RTBF, en niet alleen in het kader van haar opdrachten van algemeen belang. Zij komt de RTBF ongetwijfeld ten goede bij de uitoefening van haar commerciële opdrachten, waardoor die laatste wordt bevoordeeld ten opzichte van haar concurrenten. De tweede prejudiciële vraag dient bijgevolg bevestigend te worden beantwoord. A.12. De VRT is van mening dat de categorieën van personen die in de tweede prejudiciële vraag worden beoogd, niet voldoende vergelijkbaar zijn omdat de RTBF opdrachten van openbare dienst waarneemt, hetgeen een eigen juridisch statuut en specifieke verplichtingen en beperkingen met zich meebrengt. Zelfs indien particulieren soortgelijke activiteiten zouden uitoefenen, dan gelden die verplichtingen en beperkingen niet voor hen. De parlementaire voorbereiding van de wet van 18 mei 1960 bevestigt dat de private marktspelers niet vergelijkbaar zijn met de Instituten der Belgische Radio en Televisie, waarvan de RTBF en de VRT de opvolgers zijn. Het Hof heeft overigens herhaaldelijk geoordeeld dat de toekenning van een fiscale vrijstelling aan een openbare instelling die een openbare dienst of opdracht van algemeen belang vervult, zonder dat die vrijstelling wordt uitgebreid tot private instellingen die in sommige opzichten soortgelijke activiteiten uitoefenen, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet schendt. Wegens de overheidsfinanciering die voor hen geldt, staan de RTBF en de VRT ten slotte onder een strikt overheidstoezicht, in tegenstelling tot de private marktspelers. De tweede prejudiciële vraag dient bijgevolg ontkennend te worden beantwoord. A.13. In haar memorie van antwoord voert de RTBF aan dat zij zich wegens de opdrachten van openbare dienst die zij waarneemt en de talrijke beheersverplichtingen die daaruit voortvloeien, niet in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van de belastingplichtigen die kunnen worden onderworpen aan gemeentelijke taksen en belastingen, noch met die van de economische operatoren die soortgelijke activiteiten uitoefenen. De RTBF verwijst in dat kader naar de rechtspraak van het Hof betreffende andere publiekrechtelijke entiteiten. Het verlies van gemeentelijke inkomsten dat voortvloeit uit de in het geding zijnde vrijstelling, is een gevolg van het verschil inzake betrokken bestuursniveaus, zodat de openbare dienst die door de RTBF en de VRT wordt waargenomen, voorrang heeft op het gemeentelijk belang. A.14. In haar memorie van antwoord stelt de gemeente Schaarbeek dat louter de omstandigheid dat de RTBF een bijzonder statuut geniet en aan specifieke verplichtingen is onderworpen, niet toelaat te besluiten dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. De rechtspraak van het Hof die door de RTBF wordt aangehaald, leidt overigens niet tot een dergelijke conclusie en heeft dus niet de algemene draagwijdte die de RTBF eraan toekent. Bovendien is de bewering van de RTBF dat haar commerciële activiteiten worden uitgeoefend door andere entiteiten onjuist, omdat de RTBF in feite toezicht uitoefent op die entiteiten. A.15. In haar memorie van antwoord voert de VRT aan dat het verlies aan fiscale inkomsten voor de gemeente redelijk verantwoord is, aangezien de openbare dienst die de RTBF en de VRT verzekeren het gemeentelijk belang overstijgt, omdat de RTBF en de VRT slechts commerciële activiteiten kunnen uitoefenen wanneer die hun opdrachten van openbare dienst ondersteunen, en omdat de fiscale vrijstelling enkel de provinciale en gemeentelijke taksen en belastingen betreft, en niet de andere vormen van belasting. 9 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.1.1. Artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 houdende organisatie van de Instituten der Belgische Radio en Televisie (hierna : de wet van 18 mei 1960) bepaalt : « De instituten worden met de Staat gelijkgesteld voor de toepassing van de wetten en verordeningen betreffende de directe belastingen van de Staat en de taksen of belastingen van de provincies en de gemeenten. Zij zijn vrijgesteld van de taksen op de radio-elektrische zend- en ontvangstinrichtingen ». De « instituten » waaraan de wet van 18 mei 1960 refereert, verwijzen naar de openbare instellingen « Belgische Radio en Televisie, Nederlandse uitzendingen », « Radiodiffusion-Télevision belge, Émissions françaises » en « Belgische Radio en Televisie - Instituut van de gemeenschappelijke diensten » (artikelen 1, § 1, eerste lid, en 2, § 1, eerste lid). B.1.2. Het eerste ontwerp dat ten grondslag lag aan de wet van 18 mei 1960, stelde de voormelde instituten vrij van « alle belastingen of taksen ten behoeve van provincies en gemeenten ». In zijn advies merkte de Raad van State op : « Artikel 26 stelt de instituten vrij van alle belastingen of taksen ten behoeve van provincies en gemeenten. Hiermede wordt ten gunste van deze instituten een regeling ingesteld die gunstiger is dan de regeling die de Staat zelf ter zake van provincie- of gemeentebelastingen en taksen geniet. Een andere tekst wordt hierna, met instemming van de Regering, voorgesteld » (RvSt, advies nr. 6619/2 van 10 april 1959, p. 12). Het tweede ontwerp dat aan de wet van 18 mei 1960 ten grondslag lag, hield rekening met de opmerking van de Raad van State en stelde de voormelde instituten gelijk met de Staat voor de toepassing van de verordeningen betreffende de taksen of belastingen van de provincies en de gemeenten (Parl. St., Senaat, 1958-1959, nr. 317, p.17). B.1.3. Uit de bewoordingen van artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 en uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat met de in het geding zijnde bepaling een belastingvrijstelling wordt nagestreefd. Door de fiscale regeling van de instituten in 10 overeenstemming te brengen met die van de Staat, strekt artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 immers ertoe die laatsten vrij te stellen van de belastingen waaraan de Staat niet is onderworpen. B.2.1. Artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 1977 « houdende statuut van de ‘ Radio-Télévision belge de la Communauté culturelle française ’ (R.T.B.F.) » (hierna : het decreet van 12 december 1977) bepaalt : « Onder de benaming ‘ Radio-Télévision belge de la Communauté culturelle française ’ (R.T.B.F.) wordt een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid opgericht, hierna genoemd ‘ Instituut ’. […] ». Artikel 30 van het decreet van 12 december 1977 bepaalt : « Het Instituut neemt de rechten en plichten over van het uitzendingsinstituut ‘ Radiodiffusion Télévision belge, émissions françaises ’, bepaald in de wet van 18 mei 1960 houdende organisatie van de Instituten der Belgische Radio en Televisie en in later uitgevaardigde wetten ». Artikel 31 van het decreet van 12 december 1977 bepaalt : « Voor zover zij betrekking hebben op het uitzendingsinstituut ‘ Radiodiffusion Télévision belge, émissions françaises ’ worden de artikelen 1, 9, § 2; 10; 11; 12, §§ 1, 2, 3, 4 en 5; 13; 20; 21; 23; 24; 25, § 1; 26; 27; 28, §§ 1 en 2, eerste alinea en 5; 29; 31; 32; 33; 34 van de wet van 18 mei 1960 houdende organisatie van de Instituten van de Belgische Radio en Televisie opgeheven. […] ». Bij het decreet van 12 december 1977 heeft de decreetgever dus niet artikel 30 van de wet van 18 mei 1960, in tegenstelling tot andere bepalingen van die wet, opgeheven. B.2.2. Het decreet van 12 december 1977 werd opgeheven en vervangen bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 14 juli 1997 « houdende het statuut van de ‘ Radio-Télévision belge de la Communauté française (RTBF) ’ » (hierna : het decreet van 14 juli 1997), dat momenteel van kracht is. Dat decreet heeft evenmin artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 opgeheven. 11 B.2.3. Uit het voorgaande blijkt dat de « Radio-Télévision belge de la Communauté française » (hierna : de RTBF) zich kan beroepen op artikel 30 van de wet van 18 mei 1960, in zoverre zij de rechten en de verplichtingen van het uitzendingsinstituut « Radiodiffusion-Télévision belge, émissions françaises » heeft overgenomen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen B.3.1. De RTBF voert aan dat de prejudiciële vragen niet ontvankelijk zijn in zoverre zij betrekking hebben op de rechtspraak van het Hof van Cassatie. B.3.2. Krachtens artikel 142 van de Grondwet en de artikelen 1 en 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof doet het Hof uitspraak over beroepen tot vernietiging van wetten, decreten en ordonnanties en over prejudiciële vragen dienaangaande, gesteld door rechtscolleges. B.3.3. Artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 stelt de RTBF gelijk met de Staat voor onder meer « de toepassing van de verordeningen betreffende de taksen of belastingen van de gemeenten ». Bij een arrest van 23 februari 2018 verwierp het Hof van Cassatie een cassatieberoep dat was gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel waarbij verschillende aanslagen in een gemeentebelasting waren vernietigd wegens de gelijkstelling van de RTBF met de Staat, zoals vastgelegd bij artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 (Cass., 23 februari 2018, F.16.0102.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180223.2). In dat arrest oordeelde het Hof van Cassatie dat « de openbare-domeingoederen van de Staat en zijn private-domeingoederen die bestemd zijn voor een openbare dienst of een dienst van openbaar nut […], uit hun aard, niet aan belasting onderworpen [zijn]. Hieruit volgt dat, enerzijds, die goederen slechts aan belasting zijn onderworpen als een wettelijke bepaling daarin uitdrukkelijk voorziet en dat, anderzijds, artikel 172, tweede lid, Grondwet, dat bepaalt dat geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet, daarop niet van toepassing is ». Bij een arrest van 9 mei 2019 oordeelde het Hof van Cassatie, op vergelijkbare wijze, dat « belastingen heffingen [zijn], op eigen gezag, door de Staat, de gewesten, de gemeenschappen, 12 de provincies, de agglomeraties en federaties van gemeenten of gemeenten, op de geldmiddelen van personen die op hun grondgebied wonen of er belangen bezitten, om voor diensten van openbaar nut te worden aangewend. Hieruit volgt dat de Staat, in de uitoefening van zijn activiteit van beheer of bestuur van de federale overheidsdiensten, niet aan belasting kan worden onderworpen » (Cass., 9 mei 2019, F.18.0010.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190509.1). B.3.4. Het is die rechtspraak waaraan het verwijzende rechtscollege refereert in de prejudiciële vraag, wanneer het artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 in die zin interpreteert dat het de RTBF vrijstelt van iedere gemeentebelasting op de goederen van het openbaar domein en die van het privaat domein ervan die voor een openbare dienst of een dienst van algemeen belang worden aangewend. B.4. Het Hof onderzoekt de gestelde vragen, niet om zich uit te spreken over de rechtspraak van het Hof van Cassatie, wat niet onder zijn bevoegdheid valt, maar door zich te plaatsen in de in de prejudiciële vragen aangenomen veronderstelling volgens welke aan de in het geding zijnde bepaling de in de vragen geformuleerde interpretatie moet worden gegeven. B.5. De exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. Ten gronde Wat betreft het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie B.6. De gemeente Schaarbeek voert aan dat de fiscale vrijstelling waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, in strijd zou zijn met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), in zoverre zij een nieuwe of bestaande steunmaatregel is die door die bepalingen wordt verboden. Zij verzoekt dan ook om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. B.7.1. Artikel 267 van het VWEU verleent het Hof van Justitie de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over zowel de uitlegging van de verdragen en van de handelingen van de instellingen van de Europese Unie als de geldigheid van die 13 handelingen. Volgens de derde alinea ervan is een nationale rechterlijke instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden, indien haar beslissingen - zoals die van het Grondwettelijk Hof - volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep. Wanneer er twijfel is over de interpretatie of de geldigheid van een bepaling van het recht van de Europese Unie die van belang is voor de oplossing van een voor een dergelijk nationaal rechtscollege hangend geschil, dient dat rechtscollege, zelfs ambtshalve, het Hof van Justitie prejudicieel te ondervragen. B.7.2. De artikelen 107 en 108 van het VWEU bepalen dat, behoudens de afwijkingen waarin het Verdrag voorziet, de door de Staten toegekende steunmaatregelen die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar zijn met de interne markt. Die bepalingen voorzien in een procedure volgens welke de Europese Commissie tezamen met de lidstaten belast is met een voortdurend onderzoek van de bestaande steunregelingen in de Staten. Indien zij vaststelt, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, dat een steunmaatregel niet verenigbaar is met de interne markt, « bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn ». Die beslissing werkt niet terug. Krachtens dezelfde bepalingen moet van de nieuwe steunmaatregelen aan de Commissie kennis worden gegeven vóór de uitvoering ervan, en de Commissie oordeelt over hun verenigbaarheid met de bepalingen van Europees recht. Indien de betrokken Staat daarvan geen kennis geeft, komt het, in laatste instantie, ook aan de Commissie toe om, onder toezicht van de Europese rechtscolleges, te beslissen over de verenigbaarheid van die steunmaatregel met de interne markt. B.7.3. Uit die procedure vloeit voort dat een maatregel die in de zin van de artikelen 107 en 108 van het VWEU als staatssteun wordt gekwalificeerd, zonder beslissing van de Europese Commissie niet a priori als strijdig met de interne markt kan worden beschouwd. Wanneer de Commissie beslist dat zulks het geval is met betrekking tot een bestaande steunmaatregel, wordt die maatregel opgeheven of gewijzigd binnen een door de Commissie bepaalde termijn. Een nieuwe steunmaatregel, waarvan niet vooraf kennis is gegeven aan de Commissie, is daarom nog niet onverenigbaar met de interne markt. Wanneer een nieuwe steunmaatregel, die zonder kennisgeving ten uitvoer wordt gelegd, door de Commissie in strijd wordt geacht met de interne markt, eist de Commissie in beginsel de terugvordering van die staatssteun. 14 B.7.4. Het Hof van Justitie is bijgevolg « niet bevoegd […] om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van een nationale maatregel met het Unierecht. Het kan zich evenmin uitspreken over de verenigbaarheid met de interne markt van een staatssteunmaatregel of een steunregeling, aangezien de beoordeling van deze verenigbaarheid onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Commissie valt, die daarbij onder toezicht van de Unierechter staat (arrest Fallimento Traghetti del Mediterraneo, C-140/09, EU:C:2010:335, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak) » (HvJ, 16 juli 2015, C-39/14, BVVG Bodenverwertungs- und -verwaltungs GmbH, punt 19). B.8. Bijgevolg is het niet noodzakelijk om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft B.9. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met artikel 170, § 4, van de Grondwet, in zoverre zij de fiscale autonomie van de gemeenten beperkt. B.10. Artikel 170, § 4, van de Grondwet bepaalt : « Geen last of belasting kan door de agglomeratie, de federatie van gemeenten en de gemeente worden ingevoerd dan door een beslissing van hun raad. De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt ». Op het ogenblik van de aanneming van de wet van 18 mei 1960, bepaalde artikel 110, derde en vierde lid, van de Grondwet : « Geen gemeentelijke last of belasting kan worden ingevoerd dan met toestemming van de gemeenteraad. De wet bepaalt, ten aanzien van de provinciale en de gemeentelijke belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid uit de ondervinding zal blijken ». 15 B.11.1. Krachtens die bepaling beschikt de gemeente over een autonome fiscale bevoegdheid, behoudens wanneer de wet uitzonderingen heeft bepaald of nadien bepaalt waarvan de noodzakelijkheid wordt aangetoond. De op die grondwettelijke grondslag aangenomen wet moet restrictief worden geïnterpreteerd, aangezien zij de fiscale autonomie van de gemeenten beperkt. B.11.2. In tegenstelling tot hetgeen de gemeente Schaarbeek beweert, heeft de omstandigheid dat de decreetgever van de Franse Gemeenschap, bij zijn decreten van 12 december 1977 en van 14 juli 1997, artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 niet heeft opgeheven, niet tot gevolg dat die decreetgever zich de inhoud van die bepaling heeft toegeëigend. Er dient bijgevolg ervan te worden uitgegaan dat de vrijstelling die zij bevat, wel degelijk toe te schrijven is aan de wet van 18 mei 1960. B.11.3. Zoals in B.1.3 is vermeld, strekt artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 ertoe de « instituten » die het beoogt vrij te stellen van de belastingen waaraan de Staat niet is onderworpen, onder meer inzake gemeentelijke taksen en belastingen. De wetgever heeft aldus gebruik gemaakt van de bevoegdheid die hem werd verleend in het vroegere artikel 110, leden 3 en 4, van de Grondwet, om te vermijden dat de opdrachten die hij aan de voormelde « instituten » had toegekend op de helling zouden worden gezet door belastingen die aan andere belastingheffende overheden verschuldigd zijn. B.12. Zoals in B.2.3 is vermeld, is de gelijkstelling bedoeld in artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 voortaan van toepassing op de RTBF. Het staat aan het Hof na te gaan of nog steeds voldaan is aan de voormelde voorwaarde van « noodzakelijkheid ». B.13.1. De gelijkstelling waarin artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 voorziet, kan worden beschouwd als noodzakelijk, aangezien de RTBF een openbare dienst waarneemt, haar goederen bestemd zijn voor dienstverlening aan de bevolking en haar verschillend statuut verantwoordt dat ze aan bijzondere regels wordt onderworpen : ofschoon het juist is dat sommige van haar activiteiten soortgelijk zijn met die van andere operatoren, blijft het feit dat zij, overeenkomstig het decreet van 14 juli 1997 en het beheerscontract dat krachtens dat decreet is afgesloten, gehouden is tot een aantal openbare dienstverplichtingen die niet op die 16 andere operatoren, noch op de andere personen die gemeentebelastingen verschuldigd zijn, wegen. B.13.2. De RTBF wordt overigens onder meer gefinancierd door een toelage die jaarlijks door de Franse Gemeenschap wordt toegekend, als tegenprestatie voor de uitvoering van haar opdracht van openbare dienst overeenkomstig het beheerscontract, en door de ontvangsten uit haar commerciële activiteiten, met dien verstande dat de nettowinsten van die activiteiten integraal moeten worden besteed aan de financiering van de nettokosten van haar opdracht van openbare dienst. B.13.3. Ten slotte is de RTBF, in tegenstelling tot hetgeen was bepaald bij de wet van 18 juni 1930 « op de stichting van het Belgisch Nationaal Instituut voor Radio-omroep (NIR) », niet onvoorwaardelijk vrijgesteld van gemeentelijke belastingen. Het voormelde artikel 30 beperkt zich tot een gelijkstelling van de fiscale regeling van de RTBF met die van de Staat, zoals die door het Hof van Cassatie wordt geïnterpreteerd. B.14. Bijgevolg vermocht de wetgever redelijkerwijs het beginsel van gelijkstelling van de fiscale regeling van de RTBF met die van de Staat als noodzakelijk te beschouwen om te vermijden dat de aan de RTBF toevertrouwde opdrachten van openbare dienst in het gedrang zouden komen door belastingen die verschuldigd zijn aan andere belastingheffende overheden. B.15. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft B.16. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling doet ontstaan tussen de RTBF en, enerzijds, de economische operatoren die analoge activiteiten uitoefenen en, anderzijds, allen die gemeentebelastingen verschuldigd zijn. 17 B.17.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in fiscale aangelegenheden. Het gelijkheidsbeginsel in fiscale zaken verbiedt de wetgever niet om sommige belastingplichtigen verschillend te behandelen, op voorwaarde dat het aldus ingevoerde verschil in behandeling redelijk kan worden verantwoord. B.17.2. In tegenstelling tot hetgeen de RTBF en de VRT aanvoeren, zijn de categorieën van personen die in de tweede prejudiciële vraag worden beoogd, voldoende vergelijkbaar. De RTBF oefent activiteiten van radio en televisie uit op dezelfde markt als andere operatoren, en dit binnen een concurrentiële context. Zij is overigens eigenaar van kantoorgebouwen op het grondgebied van de gemeente Schaarbeek, net zoals privaatrechtelijke rechtspersonen dat kunnen zijn. B.18.1. Het in B.16 vermelde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit dat de eerstvermelde categorie van personen instaat voor de openbare dienst inzake radio en televisie van de Franse Gemeenschap van België, terwijl de andere categorieën van personen niet met een dergelijke opdracht zijn belast. B.18.2. Ten opzichte van de doelstelling van artikel 30 van de wet van 18 mei 1960, namelijk vermijden dat de aan de RTBF toegekende opdrachten in het gedrang worden gebracht door belastingen die verschuldigd zijn aan andere belastingheffende overheden, is het pertinent de fiscale regeling van die laatste inzake gemeentebelastingen gelijk te stellen met die van de Staat, gelet op de vrijstellingen die hij geniet in fiscale aangelegenheden. B.18.3. Rekening houdend met het feit dat de andere operatoren voor radio en televisie en, meer algemeen, de privaatrechtelijke rechtspersonen die eigenaar zijn van kantoorruimten op het grondgebied van de gemeente Schaarbeek, niet ertoe zijn gehouden de openbare dienst van radio en televisie in de Franse Gemeenschap te verzekeren, heeft de gelijkstelling van de fiscale regeling van de RTBF met die van de Staat inzake gemeentebelastingen ten slotte geen onevenredige gevolgen voor die andere rechtspersonen, aangezien uit die taak een groot aantal verplichtingen voortvloeien die niet op hen rusten. 18 B.19. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 19 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 30 van de wet van 18 mei 1960 houdende organisatie van de Instituten der Belgische Radio en Televisie schendt de artikelen 10, 11, 170, § 4, en 172 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 september 2022. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.112 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180223.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190509.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div