id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.118 Arrest- Rolnummer: 118/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 1025 - laatst gezien 2026-06-19 04:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 46bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals het in 2009 in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van toepassing was, in zoverre de verkrijgers die, wegens overmacht, pas na het verstrijken van de termijn van twee jaar na de registratie hun hoofdverblijfplaats kunnen vestigen in het verkregen onroerend goed, niet worden vrijgesteld van de verplichting de aanvullende registratierechten te betalen) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 46bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals van toepassing in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht - Registratie-, hypotheek- en griffierechten - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Onmogelijkheid om binnen twee jaar na de registratie de hoofdverblijfplaats te vestigen wegens overmacht - Betaling van de aanvullende registratierechten op het bedrag van het abattement Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 118/2022 van 29 september 2022 Rolnummer : 7590 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 46bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals van toepassing in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 12 mei 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 1 juni 2021, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 46bis van het Wetboek der registratierechten dat van toepassing is in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, in de versie van kracht op 28 december 2009 (datum van de aankoop van een goed die het feit vormt dat de betwiste rechten doet ontstaan), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 172 van de Grondwet en het in het fiscaal recht van toepassing zijnde algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de strengheid van de wet gematigd wordt in geval van overmacht, in zoverre de bij die bepaling beoogde verkrijgers die zich wegens overmacht in de onmogelijkheid bevinden om te voldoen aan de voorwaarde binnen twee jaar hun hoofdverblijfplaats te vestigen op de plaats van het aangekochte goed, waarin is voorzien bij het zesde lid, 2°, b), niet zijn vrijgesteld van de aanvullende registratierechten, waarbij het achtste lid van die bepaling alleen erin voorziet dat wanneer de niet-naleving van de verbintenis het gevolg is van overmacht, de boete niet verschuldigd is, 2 - terwijl de bij die bepaling beoogde verkrijgers die geconfronteerd worden met een geval van overmacht dat hen belet te voldoen aan de voorwaarde hun hoofdverblijfplaats in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (of in het verkregen onroerend goed, volgens de tekst die van toepassing is vanaf 1 januari 2013) te behouden gedurende een ononderbroken periode van minstens vijf jaar, waarin is voorzien bij het zesde lid, 2°, c), zijn vrijgesteld van de betaling van de boete en van de aanvullende registratierechten (laatste lid van artikel 46bis); - en terwijl, meer in het algemeen, op grond van het algemeen beginsel volgens hetwelk de strengheid van de wet gematigd wordt in geval van overmacht, de personen die door overmacht worden verhinderd te voldoen aan een voorwaarde waarin is voorzien bij de belastingwet, behoudens verantwoorde afwijking, aanspraak kunnen maken op een vrijstelling van de heffing ? ». Memories zijn ingediend door : - Elise De Maeyer, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Scheyvaerts, advocaat bij de balie te Brussel; - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Molitor en Mr. V. Feyens, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Demartin en Mr. R. Dubail, advocaten bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering; - de Ministerraad. Bij beschikking van 8 juni 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Detienne en W. Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 29 juni 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 29 juni 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 28 december 2009 verkrijgt E. De Maeyer een onroerend goed en naar aanleiding hiervan geniet zij, krachtens artikel 46bis van het Wetboek der registratierechten, zoals het op het ogenblik van die verkrijging in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van kracht was, het voordeel van een abattement van 75 000 euro op grond van 3 de berekening van de registratierechten. Zij domicilieert zich in het goed op datum van 12 maart 2012, dus meer dan twee jaar na de verkrijging. Bijgevolg wordt van haar de betaling gevorderd van aanvullende registratierechten en krijgt zij een boete opgelegd wegens niet-naleving van de voorwaarden die zijn verbonden aan het abattement van de registratierechten. Zij voert bij de administratie een geval van overmacht aan dat haar heeft belet zich sneller in het goed te domiciliëren. Het bevoegde kantoor rechtszekerheid erkent de overmacht en vernietigt bijgevolg de boete. Daarentegen blijven de aanvullende rechten verschuldigd met toepassing van artikel 46bis van het Wetboek der registratierechten. E. De Maeyer stelt bij de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel een vordering in tot vernietiging of ontheffing van die aanvullende registratierechten. Voor die Rechtbank betoogt zij dat de in het geding zijnde bepaling een discriminatie doet ontstaan en zij verzoekt dan ook daarover een vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.1.1. E. De Maeyer, eisende partij voor de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, stelt vast dat artikel 46bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals het van toepassing is in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, verschillende gevolgen met zich meebrengt naargelang de overmacht de verwezenlijking belet van de voorwaarde met betrekking tot de vestiging van de hoofdverblijfplaats binnen de twee jaar na de verkrijging van het onroerend goed of naargelang zij de verwezenlijking belet van de voorwaarde met betrekking tot het behoud van de hoofdverblijfplaats in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gedurende vijf jaar. Zij zet uiteen dat de overmacht slechts een beperkt gevolg heeft wanneer zij de verkrijger belet zijn hoofdverblijfplaats in het goed te vestigen binnen de twee jaar na de verkrijging, aangezien zij in dat geval slechts tot een vrijstelling leidt van de betaling van de boete, terwijl de overmacht, wanneer zij de verkrijger belet zijn verblijfplaats in het goed te behouden gedurende vijf jaar, tot gevolg heeft dat hij wordt vrijgesteld van de verplichting de aanvullende rechten te betalen. Zij onderstreept dat de beperking van het gevolg van de overmacht tot de fiscale boetes in geval van de niet-naleving van de voorwaarde van domiciliëring in het goed binnen de twee jaar na de verkrijging, niet het voorwerp heeft uitgemaakt van enige bespreking noch verantwoording tijdens de parlementaire voorbereiding. A.1.2. E. De Maeyer is van mening dat de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van verkrijgers volledig vergelijkbaar zijn en dat, ruimer, de verkrijgers van een goed die niet zijn vrijgesteld van de aanvullende registratierechten terwijl overmacht hen belet te voldoen aan de voorwaarden van de fiscale wet, zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van elke belastingschuldige die door overmacht wordt belet de fiscale wet na te leven en die om die reden aanspraak kan maken op een vrijstelling van heffing. Zij doet gelden dat geen enkele bijzondere doelstelling verantwoordt dat de in het geding zijnde bepaling verschillende gevolgen met zich meebrengt naargelang overmacht de verwezenlijking belet van de voorwaarde met betrekking tot de vestiging van de hoofdverblijfplaats in het onroerend goed binnen de twee jaar na de verkrijging ervan of naargelang zij de verwezenlijking belet van de voorwaarde met betrekking tot het behoud van die woonplaats gedurende vijf jaar. A.1.3. E. De Maeyer herinnert eraan dat het Hof het beginsel bekrachtigt volgens hetwelk de strengheid van de fiscale wet wordt gematigd in geval van overmacht en dat het Hof van Cassatie overmacht heeft erkend als een algemene reden voor vrijstelling in het fiscaal recht die steeds kan worden aangevoerd, zelfs bij het stilzwijgen van de wet (Cass., 26 februari 2016, F.15.0039.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160226.4). Zij doet gelden dat de inaanmerkingneming van overmacht een algemeen rechtsbeginsel met grondwettelijke waarde is, in zoverre zij de inachtneming van het eigendomsrecht betreft dat wordt gewaarborgd in artikel 16 van de Grondwet en in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.2.1. De Ministerraad herinnert eraan dat het Grondwettelijk Hof herhaalde malen van oordeel is geweest dat de strengheid van de wet kan worden gematigd in geval van overmacht of onoverkomelijke dwaling, voor zover de wet niet uitdrukkelijk ervan afwijkt. Hij is van mening dat aangezien de tekst uitdrukkelijk bepaalt dat overmacht kan worden aangevoerd om een specifieke reden, ervan dient te worden uitgegaan dat de tekst die in de andere gevallen uitsluit. Hij besluit uit het onderzoek van de tekst van de in het geding zijnde bepaling dat de Brusselse ordonnantiegever de gevolgen van overmacht bewust heeft willen beperken wanneer die de verkrijger heeft belet binnen de twee jaar na de registratie van de aankoopakte zijn hoofdverblijfplaats in het verkregen goed te vestigen. 4 A.2.2. De Ministerraad is van mening dat de Brusselse ordonnantiegever rekening heeft gehouden met het feit dat renovatiewerkzaamheden in beginsel voorzienbaar zijn op het ogenblik van de verwerving en van de aanvraag van een abattement, en dat hij een termijn van twee jaar heeft bepaald om het uitvoeren van ingrijpende werken mogelijk te maken. Hij gaat ervan uit dat de termijn van vijf jaar behoud van de verblijfplaats in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijnerzijds langer en moeilijker na te leven is, en dat de voorzienbaarheid ervan beperkter is, aangezien tijdens die termijn zich onverwachte gebeurtenissen kunnen voordoen die tot gevolg hebben de verkrijger ertoe te verplichten te verhuizen. Hij legt uit dat het om die reden is dat een vrijstelling van de aanvullende rechten en de interesten mogelijk is in geval van overmacht die zich voordoet binnen de vijf jaar. Hij voegt eraan toe dat, vanuit het oogpunt van de doelstellingen die worden nagestreefd door middel van het in het geding zijnde abattement, namelijk in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest jonge huishoudens met middeninkomens aantrekken, de verkrijger die er niet in slaagt te voldoen aan de voorwaarde van het behoud van zijn woonplaats gedurende vijf jaar reeds een gedeelte van die doelstellingen heeft volbracht door zich in het Gewest te vestigen, door de woning te renoveren en door bij te dragen aan het economisch leven en de fiscale ontvangsten van het Gewest. Hij is van mening dat het bijgevolg onevenredig zou zijn hem aan dezelfde sanctieregeling te onderwerpen als een verkrijger die, door zich niet in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest te domiciliëren, geenszins bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen die door de Brusselse ordonnantiegever worden nagestreefd. A.3.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt vast dat met de prejudiciële vraag wordt verzocht, enerzijds, de situatie van de verkrijger die het voordeel van het abattement heeft genoten en die, wegens een geval van overmacht, de voorwaarde met betrekking tot de vestiging van zijn hoofdverblijfplaats in het goed binnen de twee jaar na de registratie van de akte van verkrijging niet heeft kunnen naleven en, anderzijds, de situatie van de verkrijger die het voordeel van het abattement heeft genoten en die, wegens een geval van overmacht, de voorwaarde met betrekking tot het behoud van zijn hoofdverblijfplaats in het goed gedurende de vijf jaar na de vestiging van de verblijfplaats niet heeft kunnen naleven, met elkaar te vergelijken. Zij doet gelden dat die twee voorwaarden niet hetzelfde belang hebben ten aanzien van de doelstellingen die door de ordonnantiegever worden nagestreefd en leidt daaruit af dat de niet-naleving van de eerste voorwaarde niet vergelijkbaar is met de niet-naleving van de tweede voorwaarde. Zij is van mening dat die verschillen verantwoorden dat in het eerste geval overmacht niet leidt tot een vrijstelling van de betaling van de aanvullende rechten. A.3.2. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering leidt uit de bewoordingen van de in het geding zijnde bepaling alsook uit de parlementaire voorbereiding ervan af dat de aanvullende rechten verschuldigd zijn door de verkrijger die niet voldoet aan de verbintenis zijn hoofdverblijfplaats binnen de twee jaar te vestigen, zelfs wanneer dat in gebreke blijven te wijten is aan een geval van overmacht. Zij onderstreept daarenboven dat in geen enkele boete is voorzien wanneer de voorwaarde van het behoud van de verblijfplaats gedurende vijf jaar niet is vervuld, waarbij de ordonnantiegever oog heeft gehad voor de vrijheid van vestiging van de woonplaats en voor het feit dat er, zelfs indien het niet gaat om overmacht, goede redenen kunnen zijn om te verhuizen. Zij voegt eraan toe dat de vestiging van de hoofdverblijfplaats in het goed binnen de twee jaar na de verkrijging ervan een vrijwillige kortstondige daad is, terwijl het behoud van die verblijfplaats gedurende vijf jaar meer aan de toevalligheden van het leven onderworpen is. A.3.3. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering preciseert voorts dat de hoofddoelstelling van de maatregel erin bestaat huishoudens ertoe aan te moedigen een gezinswoning te verwerven op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en dat de regeling dan ook het doel heeft een voordeel toe te kennen aan de natuurlijke personen die de bedoeling hebben er hun hoofdverblijfplaats te vestigen, teneinde hen te helpen eigenaar van hun woning te worden. Zij legt de nadruk op het feit dat de voorwaarde de verblijfplaats gedurende vijf jaar te behouden een « tweederangs » voorwaarde is ten opzichte van de voorwaarde zijn verblijfplaats binnen de twee jaar in het verworven goed te vestigen, aangezien de voormelde doelstelling reeds grotendeels is bereikt wanneer de verkrijger zich in het goed domicilieert binnen de twee jaar na de aankoop. A.4.1. In zijn memorie van antwoord wijst de Ministerraad erop dat de sanctie van de boete die wordt opgelegd wanneer de voorwaarde van de vestiging van de hoofdverblijfplaats in het goed binnen de twee jaar na de verwerving ervan niet wordt nageleefd, wordt verantwoord door de noodzaak het systeem van het abattement te vrijwaren tegen misbruik waaraan promotoren of speculanten zich zouden kunnen bezondigen door goederen te verwerven voor andere doeleinden dan de vestiging van hun hoofdverblijfplaats en daartoe bovendien een fiscaal voordeel te genieten. Hij wijst daarenboven erop dat het systeem van het abattement berust op de opeenvolgende en cumulatieve vervulling van verscheidene voorwaarden, zodat de inachtneming van die voorwaarden opeenvolgend wordt beoordeeld en het voordeel verloren gaat indien de vorige voorwaarde niet in acht is genomen. Uit het feit dat de verkrijger van de latere verplichtingen bevrijd is, indien hij een van de voorwaarden niet in acht 5 neemt, leidt hij af dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen de verkrijger die alleen de voorwaarde van het behoud heeft nageleefd maar niet de voorwaarde van de vestiging binnen de twee jaar en de verkrijger die de twee voorwaarden heeft nageleefd. In dat verband zet hij uiteen dat de eerste zijn verblijfplaats in het verworven goed vrij en om redenen die hem eigen zijn, heeft behouden, terwijl hij niet langer het voordeel van het abattement genoot, terwijl de tweede er zijn verblijfplaats heeft behouden om het voordeel van het abattement te blijven genieten. Hij gaat bijgevolg ervan uit dat de door E. De Maeyer beschreven situatie niet bestaat, aangezien het voordeel van het abattement verloren gaat zodra een voorwaarde niet wordt vervuld. A.4.2. De Ministerraad herinnert eraan dat het algemeen rechtsbeginsel van de overmacht voortkomt uit het Burgerlijk Wetboek en dat het Hof reeds heeft aanvaard dat de wetgever van dat beginsel afwijkt. Hij leidt daaruit af dat het niet gaat om een beginsel met grondwettelijke waarde. A.5. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van mening dat de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege, in de wijze waarop zij de prejudiciële vraag weergeeft, geen rekening houdt met de omstandigheid dat de ordonnantiegever voor het genot van de in het geding zijnde maatregel als essentiële voorwaarde heeft gesteld dat de hoofdverblijfplaats in het onroerend goed wordt gevestigd binnen de twee jaar na de verwerving ervan. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering was van mening dat de voorwaarde van het behoud van de hoofdverblijfplaats in de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gedurende een periode van vijf jaar secundair is. De Regering besluit daaruit dat de door de eisende partij vergeleken categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. -B- B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 46bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten zoals het van toepassing is in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. In de versie ervan die van toepassing is op het geschil dat hangende is voor het verwijzende rechtscollege, bepaalde dat artikel : « Voor wat betreft de verkopingen, wordt de belastbare grondslag bepaald overeenkomstig de artikelen 45 en 46, verminderd met 60.000 euro in geval van verkrijging door een natuurlijke persoon van de geheelheid in volle eigendom van een geheel of gedeeltelijk tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed dat zal dienen tot hoofdverblijfplaats van de verkrijger. Hetzelfde abattement is van toepassing in geval van verkrijging door meerdere natuurlijke personen van de geheelheid in volle eigendom van een geheel of gedeeltelijk tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed dat zal dienen tot gemeenschappelijke hoofdverblijfplaats van de verkrijgers. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder hoofdverblijfplaats, tenzij tegenbewijs, het adres waarop de verkrijgers zijn ingeschreven in het bevolkingsregister of vreemdelingenregister. Als datum van vestiging van de hoofdverblijfplaats geldt de datum van inschrijving in die registers. Het abattement waarin het eerste en het tweede lid voorzien, wordt op 75.000 euro gebracht wanneer de verkrijging een onroerend goed betreft dat ligt binnen een ruimte voor versterkte ontwikkeling van de huisvesting en de stadsvernieuwing, zoals afgebakend in het Gewestelijk Ontwikkelingsplan tot uitvoering van de artikelen 16 tot 24 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw. 6 De vermindering van de belastbare grondslag geldt niet voor de verkrijging van een bouwgrond. Deze uitsluiting geldt niet voor de verkrijging van een appartement in aanbouw of een appartement op tekening. Aan de vermindering van de belastbare grondslag zijn de volgende voorwaarden verbonden : 1° de verkrijger mag op de datum van de overeenkomst tot verkrijging niet voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd; indien de verkrijging geschiedt door meer dan één persoon, moet elke verkrijger deze voorwaarde vervullen, en mogen de verkrijgers bovendien gezamenlijk niet voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd; 2° in of onderaan het document dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig registratierecht of in een bij dat document gevoegd en ondertekend geschrift moeten de verkrijgers :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.