← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.120

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.120 Arrest- Rolnummer: 120/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 980 - laatst gezien 2026-06-19 04:50 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 206, 1°, a), van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, gesteld door de Raad van State. Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Ruimtelijke Ordening - Bescherming van het onroerend erfgoed - Bescherming door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van roerende goederen die beheerd worden door een federale wetenschappelijke instelling - Bevoegdheidverdelende regels Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 120/2022 van 13 oktober 2022 Rolnummer : 7483 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 206, 1°, a), van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest nr. 249.084 van 27 november 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 december 2020, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 206, 1°, a), van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 2004, in zoverre het zo zou kunnen worden geïnterpreteerd dat het de bescherming toestaat van volledige zalen, met talrijke, niet als dusdanig geïnventariseerde voorwerpen, van een museum dat een wetenschappelijke en culturele instelling van de federale Staat is, en dat het aldus de inspraak in het beheer van die instelling toestaat, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale Staat en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en meer bepaald de artikelen 127, § 1, 1°, en 135bis van de Grondwet en de artikelen 4, 4°, 6, § 1, I, 7°, 6bis, § 2, 4°, en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen ? »; « Schendt artikel 206, 1°, a), van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 2004, in zoverre het zo zou kunnen worden geïnterpreteerd dat het de bescherming toestaat van een wijze van museale tentoonstelling of scenografie, hetgeen een cultureel immaterieel erfgoed 2 van een museum zou vormen, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale Staat en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en meer bepaald de artikelen 127, § 1, 1°, en 135bis van de Grondwet, de artikelen 4, 4°, 6, § 1, I, 7°, 6bis, § 2, 4°, en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, en de artikelen 4 en 4bis, 3°, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, terwijl artikel 4bis, 3°, van die bijzondere wet van 12 januari 1989 de bevoegdheid van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest beperkt tot het bicultureel immaterieel erfgoed van gewestelijk belang ? ». Memories zijn ingediend door : - het « War Heritage Institute », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Lagasse, advocaat bij de balie te Brussel; - het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, vertegenwoordigd door zijn Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sautois, advocaat bij de balie te Brussel; - de Regie der Gebouwen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Coenraets en Mr. I. Najem, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Lagasse. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, vertegenwoordigd door zijn Regering, heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 18 mei 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 8 juni 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 8 juni 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 29 juni

  1. Op de openbare terechtzitting van 29 juni 2022 : - zijn verschenen : . Mr. D. Lagasse, voor het « War Heritage Institute » en de Ministerraad; . Mr. J. Sautois, voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, vertegenwoordigd door zijn Regering; . Mr. I. Najem, tevens loco Mr. P. Coenraets, voor de Regie der Gebouwen; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 3 - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het gebouw waar het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis is gevestigd, is sinds 2004 beschermd als monument. Het wordt beheerd door het « War Heritage Institute », een publiekrechtelijke instelling onder het toezicht van de minister van Defensie. Die instelling wordt vermeld als « federale wetenschappelijke instelling » in artikel 1 van het koninklijk besluit van 30 oktober 1996 « tot aanwijzing van de federale wetenschappelijke instellingen ». Bij een besluit van 1 juni 2017 heeft de Brusselse Hoofdstedelijke Regering een procedure opgestart om de bescherming, als monument, uit te breiden tot de elementen (meubilair en voorwerpen) die intrinsiek deel uitmaken van het scenografisch decor van de historische en technische zalen die zich bevinden in de gebogen galerij van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis, op grond van artikel 206, 1°, a), van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. Bij een besluit van 16 mei 2019 is de Brusselse Hoofdstedelijke Regering overgegaan tot de daadwerkelijke bescherming. Het « War Heritage Institute » en de Belgische Staat vorderen de nietigverklaring van die twee besluiten voor de Raad van State. Die laatste stelt aan het Hof de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen over de overeenstemming van artikel 206, 1°, a), van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening met de bevoegdheidverdelende regels. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.
  2. Inleidend wijzen het « War Heritage Institute » en de Ministerraad erop dat het voor de Raad van State bestreden beschermingsbesluit geen betrekking heeft op voorwerpen of meubilair, maar op een wijze van museale tentoonstelling. De voorwerpen kunnen immers worden vervangen, op voorwaarde dat het scenografisch decor blijft staan. Het beschermingsbesluit beoogt aldus het scenografisch decor volgens het principe van de encyclopedische opbouw van de verzamelingen van twee volledige zalen van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis. De enige voorwerpen die worden beoogd in een passage in het beschermingsbesluit, zijn de vitrines. Voor de rest heeft het beschermingsbesluit betrekking op voorwerpen en meubilair die geenszins zijn ontworpen voor die zalen. A.1.
  3. Het « War Heritage Institute » en de Ministerraad verwijzen naar het beginsel van de federale loyauteit bedoeld in artikel 143 van de Grondwet en naar het evenredigheidsbeginsel, dat inherent is aan elke bevoegdheidsuitoefening. Zij verwijzen tevens naar het arrest van het Hof nr. 25/2010 van 17 maart 2010, waaruit blijkt dat, op grond van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna: de bijzondere wet van 8 augustus 1980), de bevoegdheid van de gewesten inzake monumenten en landschappen slechts op beperkte wijze de roerende voorwerpen omvat die zich in een beschermd gebouw bevinden. Volgens het « War Heritage Institute » en de Ministerraad is niet voldaan aan de voorwaarden die uit die bepaling voortvloeien. Allereerst is de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering uitgevoerde bescherming niet noodzakelijk voor de uitoefening van haar bevoegdheid inzake monumenten en landschappen. Immers, hoewel het doel van de bescherming bestaat in de bewaring, het onderhoud en eventueel de restauratie van de betrokken 4 goederen, dient te worden vastgesteld dat die opdrachten reeds worden verzekerd door het « War Heritage Institute ». Vervolgens leent de bescherming van de wijze van tentoonstelling van de verzamelingen van twee volledige zalen van een museum dat wordt beheerd door een federale culturele en wetenschappelijke instelling, zich niet tot een gedifferentieerde regeling, gelet op de aanzienlijke gevolgen van die bescherming voor de werking van het museum zelf. Door een scenografisch decor te beschermen, legt het betwiste beschermingsbesluit de wijze van tentoonstelling vast voor de volledige verzamelingen van twee zalen, waardoor het verboden wordt de betrokken goederen te verplaatsen, en belet het hierdoor het « War Heritage Institute » zijn wettelijke opdrachten uit te voeren. Ten slotte zijn de gevolgen van de bescherming voor de federale bevoegdheid inzake federale culturele en wetenschappelijke instellingen niet marginaal. Indien zou worden aangenomen dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de verzamelingen van een museum vermag te beschermen uitsluitend op grond van de historische band tussen het museum en het beschermde gebouw waar het museum is gevestigd, dan zou zij inspraak kunnen hebben in het beheer van talrijke andere federale musea die op het grondgebied van het Gewest zijn gevestigd. A.
  4. De Regie der Gebouwen voert aan dat de voorwerpen en concepten die worden beoogd door het voor de Raad van State bestreden beschermingsbesluit, noch van nature, noch door bestemming onroerende goederen zijn. Die voorwerpen zijn meubels die het museum versieren, naar het voorbeeld van de verzamelingen van alle musea, die vrij verplaatst en vervangen kunnen worden. Door dergelijke voorwerpen te beschermen, heeft de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dus inbreuk gemaakt op de bevoegdheid van de federale overheid, zonder dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus
  5. A.
  6. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering preciseert dat zij het voor de Raad van State bestreden beschermingsbesluit heeft genomen op grond van haar bevoegdheid inzake monumenten en landschappen en dat uit dat besluit blijkt dat de beschermde goederen materiële goederen zijn die integrerend deel uitmaken van het beschermde gebouw dat het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis is. De bescherming heeft dus geen betrekking op een wijze van museale tentoonstelling. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst naar het voormelde arrest nr. 25/
  7. De zinvolle uitoefening van de gewestbevoegdheid inzake monumenten en landschappen veronderstelt dat die geldt voor alle materiële goederen die integrerend deel uitmaken van een monument en daarmee een onlosmakelijk geheel vormen. Het monument en die materiële goederen dienen op gelijke wijze te worden beschermd. Die bevoegdheid wordt overigens uitgeoefend ten aanzien van alle onroerende goederen (met inbegrip van de elementen die daarvan integrerend deel uitmaken), zelfs indien het goed behoort tot de federale overheid of deel uitmaakt van verzamelingen waarvan het beheer is toevertrouwd aan een federale wetenschappelijke instelling. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de voor de Raad van State bestreden besluiten niet tot doel, noch tot gevolg hebben de organisatie, de werking, de opdrachten of de activiteiten van het « War Heritage Institute » te regelen. De bescherming beoogt uitsluitend bepaalde materiële goederen die zich bevinden in een museum dat wordt beheerd door het « War Heritage Institute », in zoverre die goederen integrerend deel uitmaken van het beschermde gebouw waarin zij zich bevinden. De bescherming heeft weliswaar gevolgen voor de daarmee beoogde goederen, daar de beheerder van het museum hiermee rekening zal moeten houden net als met zoveel andere verplichtingen die voor het monument zelf gelden. Dergelijke gevolgen volstaan evenwel niet om te besluiten tot een bevoegdheidsoverschrijding vanwege het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Die gevolgen zijn immers eigen aan de beschermingsprocedure en zijn inherent aan de bevoegdheid van de gewesten inzake monumenten en landschappen. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is, in de veronderstelling dat artikel 206, 1°, a), van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (hierna : het BWRO) inbreuk maakt op de federale bevoegdheid inzake federale wetenschappelijke en culturele instellingen, voldaan aan de voorwaarden inzake de toepassing van de theorie van de impliciete bevoegdheden. De in het geding zijnde bepaling heeft slechts marginale gevolgen voor de federale bevoegdheid, daar zij slechts op welbepaalde situaties van toepassing is. Zo moet het gebouw waarin de uitrusting of de decoratieve elementen zich bevinden, als monument zijn beschermd en moeten het meubilair en de voorwerpen in kwestie kunnen worden beschouwd als uitrusting of decoratieve elementen die integrerend deel uitmaken van het beschermde werk. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert ten slotte aan dat de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij toestaat de roerende goederen te beschermen die integrerend deel uitmaken van een gebouw dat als monument is beschermd en onder een federale wetenschappelijke instelling valt, niet tot gevolg heeft de uitoefening, door de federale overheid, van haar bevoegdheid inzake wetenschappelijke en culturele instellingen onmogelijk of overdreven moeilijk te maken, des te minder daar die instellingen en hun toezichthoudende minister hun standpunt 5 kunnen aanvoeren tijdens de beschermingsprocedure en ook, zodra tot de bescherming is beslist, inzonderheid met het oog op de opmaak van een plan voor erfgoedbeheer. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.
  8. Het « War Heritage Institute » en de Ministerraad voeren aan dat de bevoegdheid die het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest haalt uit artikel 4bis, 3°, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen zich beperkt tot het immaterieel bicultureel erfgoed van gewestelijk belang. Zij omvat niet het immaterieel cultureel erfgoed van nationaal belang, waaronder de te dezen beschermde wijze van museale tentoonstelling kennelijk ressorteert. Het « War Heritage Institute » en de Ministerraad herinneren eraan dat de bevoegdheid van de gewesten inzake monumenten en landschappen slechts op beperkte wijze de roerende voorwerpen omvat die zich in een beschermd gebouw bevinden. Opdat kan worden beschouwd dat die voorwerpen integrerend deel uitmaken van het gebouw, moeten zij verbonden zijn met de realisatie van het beschermde gebouw, hetgeen niet het geval is voor de verzamelingen van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis. Bovendien mengt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zich rechtstreeks in het beheer van het museum door een wijze van museale tentoonstelling, met andere woorden een immaterieel cultureel erfgoed, te beschermen. Een dergelijke inmenging is niet marginaal. In uiterst ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat op zijn minst de Brusselse Hoofdstedelijke Regering ertoe zou moeten worden verplicht overleg te plegen met de federale overheid om haar bevoegdheid uit te oefenen. A.
  9. De Regie der Gebouwen zet een argumentatie uiteen die analoog is aan die van het « War Heritage Institute » en van de Ministerraad. Volgens haar kan de rechtspraak van de Raad van State betreffende het Stocletpaleis te dezen niet worden overgenomen, daar de beschermde voorwerpen of concepten geen enkel verband vertonen met het gebouw waarin zij zich bevinden. Die rechtspraak kan overigens niet van toepassing zijn op immateriële voorwerpen. A.
  10. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de tweede prejudiciële vraag, in zoverre daarin wordt verondersteld dat de betwiste bescherming uitsluitend betrekking heeft op een element dat valt onder het immaterieel cultureel erfgoed, op een onjuiste premisse berust. Zij is derhalve niet nuttig voor de oplossing van het geschil en behoeft geen antwoord. In ondergeschikte orde voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat de materiële goederen kunnen worden beschermd op voorwaarde dat zij integrerend deel uitmaken van een monument, in de zin van artikel 206, 1°, a), van het BWRO, waarop de Raad van State moet toezien, en dit ongeacht of zij al dan niet zijn geassocieerd met een museografisch concept dat onder het immaterieel erfgoed zou vallen. In nog meer ondergeschikte orde voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in elk geval bevoegd is om de bescherming van het bicultureel erfgoed te regelen, op grond van artikel 4bis van de bijzondere wet van 8 augustus
  11. -B- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
  12. De Raad van State vraagt aan het Hof of artikel 206, 1°, a), van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (hierna : het BWRO), « zo […] geïnterpreteerd dat het de bescherming toestaat van volledige zalen, met talrijke, niet als dusdanig geïnventariseerde 6 voorwerpen, van een museum dat een wetenschappelijke […] instelling van de federale Staat is, en dat het aldus de inspraak in het beheer van die instelling toestaat », in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels en, inzonderheid, met de artikelen 127, § 1, 1°, en 135bis van de Grondwet en met de artikelen 4, 4°, 6, § 1, I, 7°, 6bis, § 2, 4°, en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980). De voor de Raad van State bestreden handelingen betreffen de bescherming, door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, van roerende goederen die beheerd worden door een federale wetenschappelijke instelling. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie. B.
  13. Artikel 206, 1°, a), van het BWRO bepaalt : « Voor de toepassing van deze titel moet worden verstaan onder : 1° onroerend erfgoed : het geheel van de onroerende goederen met een historische, archeologische, artistieke, esthetische, wetenschappelijke, sociale, technische landschappelijke, stedenbouwkundige of volkskundige waarde, te weten : a) als monument : elk bijzonder merkwaardig werk, met inbegrip van de uitrusting of decoratieve elementen die er integrerend deel van uitmaken ». Op basis van die bepaling vermag de Brusselse Hoofdstedelijke Regering roerende goederen te beschermen in zoverre zij integrerend deel uitmaken van een monument. B.
  14. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wordt de aangelegenheid inzake het cultureel erfgoed, met uitzondering van de monumenten en de landschappen, geregeld door verschillende wetgevers. De Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap zijn bevoegd voor het cultureel erfgoed dat valt onder de instellingen die, wegens hun activiteiten, moeten worden geacht uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap (artikel 127 van de Grondwet en artikel 4, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is bevoegd voor het roerend en immaterieel bicultureel erfgoed, op voorwaarde dat het van gewestelijk belang is, zoals het Hof heeft 7 geoordeeld bij zijn arrest nr. 71/2021 van 20 mei 2021 (artikel 4bis, 3°, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen (hierna : de bijzondere wet van 12 januari 1989), genomen met toepassing van artikel 135bis van de Grondwet). Het cultureel erfgoed dat niet onder de bevoegdheden valt van de Franse Gemeenschap, van de Vlaamse Gemeenschap of van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, ressorteert onder de residuaire bevoegdheid van de federale overheid. Die laatste is aldus bevoegd voor het bicultureel erfgoed met nationale of internationale uitstraling en, inzonderheid, voor de roerende goederen die onder een federale wetenschappelijke of culturele instelling vallen. B.
  15. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is bevoegd voor monumenten en landschappen (artikel 6, § 1, I, 7°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in samenhang gelezen met artikel 4, eerste lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989). B.
  16. In zoverre artikel 206, 1°, a), van het BWRO « de uitrusting of decoratieve elementen die […] integrerend deel […] uitmaken » van een bijzonder merkwaardig werk kwalificeert als monument, regelt het, ten aanzien van de bescherming van de roerende goederen die beheerd worden door een federale wetenschappelijke instelling, een aangelegenheid die ressorteert onder de bevoegdheid van de federale overheid. B.
  17. Artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in samenhang gelezen met artikel 4, eerste lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989, staat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest echter wel toe ordonnantiebepalingen aan te nemen in een aangelegenheid die tot de bevoegdheid van de federale wetgever behoort, op voorwaarde dat die bepalingen noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bevoegdheden van het Gewest, dat die aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling en dat de weerslag van die bepalingen op de federale aangelegenheid slechts marginaal is. B.
  18. Bij zijn arrest nr. 25/2010 van 17 maart 2010 heeft het Hof geoordeeld dat een gewest, krachtens artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, om zijn bevoegdheid inzake monumenten en landschappen op nuttige wijze uit te oefenen, « het noodzakelijk [kan] achten dat naast de onroerende goederen, tevens de cultuurgoederen die integrerend deel ervan uitmaken, inzonderheid de bijbehorende uitrusting en de decoratieve elementen, worden beschermd », aangezien die voorwerpen « uit hun aard zozeer met een monument verbonden 8 [zijn] en […] de socioculturele, artistieke en/of historische waarde ervan [mede bepalen,] dat zij samen met het monument dienen beschermd te worden ». Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is derhalve bevoegd om de bescherming van de roerende goederen die integrerend deel uitmaken van een monument te regelen. B.
  19. Daar zij steunt op de uitoefening van impliciete bevoegdheden moet de bevoegdheid van de ordonnantiegever om de roerende goederen te beschermen die zijn verbonden met een onroerend goed, zich beperken tot uitsluitend de goederen die integrerend deel uitmaken van dat onroerend goed en dient dat begrip strikt te worden geïnterpreteerd. De Raad van State heeft ter zake geoordeeld: « Opdat kan worden beschouwd dat een voorwerp ‘ integrerend deel ’ uitmaakt van een architecturaal werk, moet tussen het ene en het andere een verband bestaan; […] dat verband is niet gedefinieerd door de gewestwetgever, noch door het Verdrag van Granada, […] waaruit de betrokken bepaling voortvloeit; […] om de aard van dat verband te bepalen, dient rekening te worden gehouden met de doelstellingen van de wetgeving betreffende het behoud van het onroerend erfgoed, die blijken uit de motieven die, volgens artikel 206, 1°, a), van het BWRO, de bescherming verantwoorden, namelijk het historisch, archeologisch, artistiek, esthetisch, sociaal, technisch of volkskundig belang; […] hieruit vloeit voort dat dat verband met name van historische, esthetische en artistieke aard kan zijn; […] sommige voorwerpen zijn, uit hun aard, dermate verbonden met een monument, waarvan zij bijdragen tot het bepalen van de socioculturele, artistieke of historische waarde ervan, dat, om ten volle te gelden, de bescherming van het gebouw als monument ook die voorwerpen moet omvatten, los van de intrinsieke waarde die zij afzonderlijk zouden kunnen hebben ten opzichte van het geheel waarvan zij deel uitmaken; […] de kwalificatie ervan in het burgerlijk recht en de identiteit van de eigenaars ervan blijken in dat opzicht zonder belang, daar die overwegingen niet relevant zijn om het deel van het geheel af te bakenen dat als historische monument moet worden beschermd » (RvSt, 2 februari 2011, nr. 210.958, eigen vertaling). Uit datzelfde arrest blijkt dat, om te kunnen beschouwen dat zij « integrerend deel » uitmaken van een architecturaal werk, de voorwerpen onlosmakelijk moeten zijn verbonden met het gebouw waarin zij zich bevinden en zij daarmee in situ moeten worden beschermd, daar de verplaatsing ervan afbreuk kan doen aan de integriteit van het te beschermen merkwaardige werk. Daarentegen hoeven « die voorwerpen […] bovendien de hoedanigheid van onroerend goed uit hun aard of door bestemming niet te hebben » (Cass., 13 juni 2013, C.12.0091.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130613.12). 9 B.
  20. Het staat aan de Raad van State na te gaan of de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering beschermde roerende goederen daadwerkelijk integrerend deel uitmaken van het gebouw waarin zij zich bevinden, en, indien zulks het geval is, na te gaan of in het kader van de federale loyauteit die bescherming de uitoefening door de federale overheid van haar bevoegdheid inzake het beheer van de federale wetenschappelijke instellingen niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. B.
  21. De eerste prejudiciële vraag behoeft derhalve geen antwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
  22. De Raad van State vraagt aan het Hof of artikel 206, 1°, a), van het BWRO, zo geïnterpreteerd dat het « de bescherming toestaat van een wijze van museale tentoonstelling of scenografie, hetgeen een cultureel immaterieel erfgoed van een museum zou vormen », in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels en, inzonderheid, met de artikelen 127, § 1, 1°, en 135bis van de Grondwet, met de artikelen 4, 4°, 6, § 1, I, 7°, 6bis, § 2, 4°, en 10 van bijzondere wet van 8 augustus 1980 en met de artikelen 4 en 4bis, 3°, van de bijzondere wet van 12 januari 1989, « terwijl artikel 4bis, 3°, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 de bevoegdheid van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest beperkt tot het bicultureel immaterieel erfgoed van gewestelijk belang ». B.
  23. Uit het verwijzingsarrest blijkt dat de voor de Raad van State bestreden besluiten op grond van artikel 206, 1°, a), van het BWRO overgaan tot de bescherming, door uitbreiding, als monument van elementen die voorwerpen en meubilair zijn « die intrinsiek deel uitmaken van het scenografisch decor van de historische en technische zalen die zich bevinden in de gebogen galerij van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis ». Hieruit vloeit voort dat de betwiste bescherming geen betrekking heeft op een wijze van museale tentoonstelling of een scenografie, maar op materiële goederen die zijn gekwalificeerd als « uitrusting of decoratieve elementen die integrerend deel uitmaken van het architecturaal werk waarvan zij het scenografisch decor vormen ». B.
  24. De tweede prejudiciële vraag, waarbij aan het Hof wordt gevraagd of de in het geding zijnde bepaling in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels in zoverre 10 zij de bescherming zou toestaan van een « wijze van museale tentoonstelling of scenografie », kan derhalve niet dienstig zijn voor het oplossen van het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 13 oktober
  25. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.120 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130613.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.