id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.122 Arrest- Rolnummer: 122/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 522 - laatst gezien 2026-06-14 19:40 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De woorden « via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL's » in het dictum van het arrest nr. 108/2018 moeten zo worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op het verbod van cumulatie van verschillende aanvullende vergunningen van onderscheiden klassen voor de uitbating van kansspelen en weddenschappen via een en dezelfde domeinnaam en de URL's die aan die domeinnaam zijn verbonden Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vordering tot uitlegging van het arrest nr. 108/2018 van 19 juli 2018, ingesteld door de nv « Rocoluc ». Kansspelen - Uitbatingsvergunningen - Cumulatie - Verschillende houders - Onlinespelen en -weddenschappen op een gemeenschappelijke internetsite Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 122/2022 van 13 oktober 2022 Rolnummer : 7564 In zake : de vordering tot uitlegging van het arrest nr. 108/2018 van 19 juli 2018, ingesteld door de nv « Rocoluc ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 april 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 april 2021, heeft de nv « Rocoluc », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Tulkens, Mr. L. Malluquin en Mr. J. Renaux, advocaten bij de balie te Brussel, een vordering tot uitlegging van het arrest van het Hof nr. 108/2018 van 19 juli 2018 ingesteld. Memories zijn ingediend door : - de vennootschap naar Maltees recht « Unibet (Belgium) Limited » en de nv « Blankenberge Casino-Kursaal », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Roets en Mr. S. Sottiaux, advocaten bij de balie van Antwerpen, en door Mr. P. Paepe, advocaat bij de balie te Brussel; - de nv « Derby », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Joassart, advocaat bij de balie te Brussel; - de nv « Casino Austria International Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Bonbled en Mr. J.-F. Germain, advocaten bij de balie te Brussel; 2 - de nv « NGG », de nv « Lucky Seven », de nv « Aloha », de nv « E.C.K. » en de nv « Napoleon Games Sports », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. van Thuyne en Mr. A. Pirard, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Levert, advocaat bij de balie te Brussel. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vennootschap naar Maltees recht « Unibet (Belgium) Limited » en de nv « Blankenberge Casino-Kursaal »; - de nv « Derby »; - de nv « NGG », de nv « Lucky Seven », de nv « Aloha », de nv « E.C.K. » en de nv « Napoleon Games Sports »; - de Ministerraad. Bij beschikking van 8 juni 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 29 juni 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 22 juni 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 13 juli 2022. Op de openbare terechtzitting van 13 juli 2022 : - zijn verschenen : . Mr. F. Tulkens, voor de verzoekende partij; . Mr. J. Roets en Mr. P. Paepe, voor de vennootschap naar Maltees recht « Unibet (Belgium) Limited » en de nv « Blankenberge Casino-Kursaal » (tussenkomende partijen); . Mr. J. Paternostre, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. P. Joassart, voor de nv « Derby » (tussenkomende partij); . Mr. C. Dupret Torres, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. N. Bonbled en Mr. J.-F. Germain, voor de nv « Casino Austria International Belgium » (tussenkomende partij); . Mr. A. Laes, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. G. van Thuyne, en Mr. A. Pirard, voor de nv « NGG », de nv « Lucky Seven », de nv « Aloha », de nv « E.C.K. » en de nv « Napoleon Games Sports » (tussenkomende partijen); 3 . Mr. P. Levert, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.1. De nv « Rocoluc » stelt een vordering in tot uitlegging van het arrest nr. 108/2018 van 19 juli 2018, inzonderheid van de woorden « via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s » in het dictum, gelezen in het licht van de overwegingen van het Hof in dat arrest, alsook in de arresten nrs. 129/2017 van 9 november 2017 en 109/2018 van 19 juli 2018. Daar de verzoekende partij het beroep heeft ingesteld dat aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 108/2018, vermag zij de in het geding zijnde vordering tot uitlegging in te stellen, overeenkomstig artikel 118 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. A.1.2. De verzoekende partij legt uit dat de woorden « via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s » voor controverse zorgen tussen de verschillende actoren van de sector van de kansspelen. Talrijke beroepen zijn overigens hangende voor de Raad van State met betrekking tot aanvullende vergunningen die de Kansspelcommissie heeft toegekend voor het online uitbaten van kansspelen van onderscheiden klassen. In de arresten nrs. 129/2017, 108/2018 en 109/2018 hadden de aanvullende vergunningen betrekking op domeinnamen en URL’s die volkomen identiek waren. Sindsdien trachten de houders van aanvullende vergunningen de lering van die arresten te omzeilen door de URL’s fictief onder te verdelen. Er kunnen zich dan vier hypothesen voordoen :
(1)de uitbating van verschillende vergunningen via eenzelfde domeinnaam met eenzelfde URL,
(2)de uitbating van verschillende vergunningen via eenzelfde domeinnaam, maar met verschillende URL’s die overeenstemmen met verschillende pagina’s van een internetsite,
(3)de uitbating van verschillende vergunningen via een gedeeltelijk identieke domeinnaam die afgeleid wordt naar verschillende onderscheiden subdomeinen, die overeenstemmen met verschillende pagina’s van een internetsite en
(4)de uitbating van technisch gezien onderscheiden domeinnamen die evenwel gelijkenissen vertonen en overeenstemmen met verschillende pagina’s van een internetsite. In die hypothesen verandert de situatie van de speler niet, daar hij surft op eenzelfde internetsite en er spelen van onderscheiden klassen speelt, terwijl, in de fysieke wereld, het voor hem niet mogelijk is om in eenzelfde inrichting spelen van onderscheiden klassen te spelen. De verzoekende partij is van mening dat de woorden « via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s » zo moeten worden geïnterpreteerd dat zij elke cumulatie van klassieke vergunningen beogen « op eenzelfde internetsite » in de gebruikelijke betekenis van het woord, namelijk op eenzelfde virtuele plaats die de speler die over eenzelfde gebruikersaccount beschikt, spelen van onderscheiden klassen aanbiedt, via tabbladen of hyperlinks, aanbod dat hij niet heeft opgezocht. Die woorden, die gehaald zijn uit de prejudiciële vraag die aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 129/2017, kunnen dus niet vanuit een strikt technisch oogpunt worden geïnterpreteerd, maar moeten worden geïnterpreteerd in het licht van de overwegingen die het dictum verduidelijken, rekening ermee houdend dat het Hof, in zijn motivering, een vergelijking heeft gemaakt tussen de uitbating « op dezelfde fysieke plaats » en de uitbating « op dezelfde internetsite ». De beperkende interpretatie van het arrest nr. 108/2018, die wordt gesteund door sommige houders van aanvullende vergunningen, komt erop neer het aan dat arrest verbonden gezag van gewijsde te ontkennen, daar de speler niet langer beschermd zou zijn en het doel van de wetgever zou worden geschonden. 4 A.2.
- In hoofdorde voert de Ministerraad de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot uitlegging aan, daar een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de interpretatie van het dictum, die duidelijk is, en de uitoefening, door de administratieve overheid, te dezen de Kansspelcommissie, van haar discretionaire bevoegdheid binnen de perken van het gezag van gewijsde dat verbonden is aan de arresten van het Hof en onder het toezicht van de Raad van State. De verzoekende partij geeft overigens zelf toe dat, onder de vier hypothesen die zij beoogt, alleen de eerste betrekking heeft op situaties die aanleiding hebben gegeven tot de vorige arresten. De andere hypothesen kunnen dus niet worden gedekt door het gezag van gewijsde van die arresten. De thans onderzochte vordering strekt in werkelijkheid ertoe de voor de Raad van State hangende procedure te omzeilen, hetgeen een misbruik van rechtspleging is om de verzoekende partij te bevoordelen. Het feit dat die laatstgenoemde de interpretatie van de adjunct-auditeur-generaal van de Raad van State niet deelt, betekent niet dat het arrest nr. 108/2018 dubbelzinnig is of rechtsonzekerheid teweegbrengt. A.2.
- In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat de door de verzoekende partij gesuggereerde interpretatie volkomen persoonlijk is en hij verwijst naar B.3 van het arrest nr. 109/
- Er kan niet worden aangevoerd dat het Hof bij benadering gebruikmaakt van technische begrippen, zodat de arresten nrs. 129/2017 en 108/2018 niet de mogelijkheid verbieden dat er tabbladen of hyperlinks zijn tussen de onderscheiden domeinnamen en de daaraan verbonden URL’s. Niets belet een speler om, in verschillende vensters, twee totaal onderscheiden spelsites te openen, noch te beschikken over eenzelfde gebruikersaccount om spelen van onderscheiden klassen te spelen. Ten slotte staat het niet aan het Hof om, in de plaats van de Kansspelcommissie, toe te zien op de concrete uitvoering van de door die laatstgenoemde toegekende vergunningen. De Ministerraad verwijst voor het overige naar het verslag van de adjunct-auditeur-generaal van de Raad van State. A.3.
- De vennootschap naar Maltees recht «Unibet (Belgium) limited » en de nv « Blankenberge Casino-Kursaal » verantwoorden hun belang om tussen te komen door hun hoedanigheid van toonaangevende actoren in de kansspelen, houders van aanvullende vergunningen voor de uitbating van onlinespelen, die door de verzoekende partij voor de Raad van State worden bestreden op grond van de argumenten die zijn uiteengezet in het kader van de vordering tot uitlegging. A.3.
- In hun memorie van wederantwoord voeren de tussenkomende partijen allereerst de niet- ontvankelijkheid ratione temporis van de vordering tot uitlegging aan, waarbij die laatste, daar zij mutatis mutandis is onderworpen aan dezelfde regels als het beroep tot vernietiging, moest worden ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest nr. 108/2018 in het Belgisch Staatsblad, op 12 september
- Zij voeren ook de niet-ontvankelijkheid ratione materiae van de vordering tot uitlegging aan, daar het werkelijke doel ervan verder reikt dan de loutere uitlegging, maar in werkelijkheid ertoe strekt aan het Hof een nieuwe prejudiciële vraag voor te leggen, in een argumentatie die gelijkwaardig is aan een middel en die nieuwe feitelijke hypothesen beoogt. Het Hof is niet bevoegd om te antwoorden op een vordering tot uitlegging die betrekking heeft op constellaties van feiten die losstaan van de hypothese die wordt beoogd in het arrest nr. 108/2018, of om na te gaan of de gemeenrechtelijke of administratieve rechter de arresten van het Hof correct heeft toegepast. Het Hof, waarbij de vordering tot uitlegging is ingesteld, kan de draagwijdte van het eerdere arrest niet uitbreiden, beperken of wijzigen. Mocht dat het geval zijn, dan zou dat een verzoeker overigens in staat stellen om, zonder beperking in de tijd, bij het Hof een vordering tot uitlegging in te stellen van nieuwe feitelijke hypothesen, waardoor aldus het nut van de prejudiciële procedure wordt beperkt. A.3.
- Ten gronde vereist het arrest nr. 108/2018 geen enkele uitlegging, daar de bewoordingen ervan voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn, met name voor de Raad van State, die het niet nodig heeft geacht opnieuw een vraag te stellen aan het Hof, alsook voor de Vrederechter van Henegouwen, afdeling Bergen, die in een arrest van 6 december 2019 heeft geoordeeld dat, zolang er geen cumulatie is op eenzelfde internetsite, aan de voorwaarden van het arrest nr. 129/2017 is voldaan. Immers, de vaststelling van ongrondwettigheid is beperkt tot de context die aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 129/2017, namelijk een cumulatie van vergunningen op één unieke domeinnaam, waarbij de « URL’s » in het meervoud alleen bedoeld is om de gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden. Het verbod van « integrale » cumulatie, dat door de verzoekende partij wordt verdedigd, reikt dus verder dan het kader van het arrest nr. 108/
- Die analyse is bevestigd door de minister van Justitie in
- Door parallel twee procedures te voeren, voor de Raad van State en voor het Grondwettelijk Hof, pleegt de verzoekende partij misbruik van rechtspleging. 5 Ten slotte zou de door de verzoekende partij gesuggereerde interpretatie een nieuwe discriminatie veroorzaken tussen de uitbaters van kansspelen in de reële wereld, die zich naast elkaar kunnen bevinden, en de uitbaters van spelen in de virtuele wereld, terwijl die laatste uitbaters spelers kunnen « kanaliseren » veeleer dan dat de spelers geconfronteerd worden met een illegaal aanbod van spelen. A.4.
- De nv « Derby » verantwoordt haar belang om tussen te komen door haar hoedanigheid van houder van verschillende vergunningen die haar toelaten kansspelen uit te baten, zowel in fysieke inrichtingen als via instrumenten van de informatiemaatschappij. De vordering tot uitlegging kan haar rechtstreeks raken, daar zij de geldigheid van haar vergunningen betreft. Bovendien was de tussenkomende partij ook partij in het geschil dat aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 129/
- A.4.
- In hoofdorde is de tussenkomende partij van mening dat de vordering tot uitlegging niet ontvankelijk is, daar zij geen werkelijke vordering tot uitlegging is. Allereerst is die vordering gelijk aan een nieuwe aanhangigmaking bij het Hof, daar zij in werkelijkheid ertoe strekt de draagwijdte van het geïnterpreteerde arrest uit te breiden, door het Hof te verzoeken zich uit te spreken over de grondwettigheid van andere hypothesen dan die welke het heeft berecht in zijn arresten nrs. 129/2017 en 108/2018, die alleen betrekking hadden op de uitbating via dezelfde domeinnaam en dezelfde daaraan verbonden URL. De verzoekende partij geeft overigens zelf toe dat die hypothesen niet waren beoogd in die arresten, daar zij in haar verzoekschrift uitlegt dat die maneuvers alleen tot doel hebben de rechtspraak van het Hof te omzeilen. Indien die hypothesen werden beoogd in die twee arresten – quod non – dan heeft het Hof die niet discriminerend bevonden, daar zijn dictum is beperkt tot de uitbating via « dezelfde domeinnaam en dezelfde URL ». Vervolgens blijkt uit de motivering van het Hof duidelijk dat het woord « internetsite » een synoniem is voor « een enkele domeinnaam en een enkele daaraan verbonden URL ». Ten slotte wordt het Hof met de vordering verzocht zich uit te spreken over de rechtspraak na het arrest nr. 108/2018, of zelfs die te beïnvloeden, door het standpunt van de Raad van State in de hangende beroepen te oriënteren, aangezien het verslag van de adjunct-auditeur-generaal van de Raad van State nadelig is voor de verzoekende partij. Er bestaat dus geen enkele discordantie tussen de interpretatie die is gegeven door sommige houders van aanvullende vergunningen, door de Kansspelcommissie of door het auditoraat van de Raad van State. Bovendien wijst de tussenkomende partij op de onbevoegdheid van het Hof, daar de vraag of een speler zich kan verplaatsen van de ene internetsite naar de andere zonder zich opnieuw te moeten identificeren als speler, valt onder het toezicht op de uitvoering van de vergunning – hetgeen toekomt aan de Kansspelcommissie – en niet valt onder het toezicht op de wetsbepalingen betreffende de toekenning van de vergunningen. De verzoekende partij verdraait aldus de draagwijdte van het arrest nr. 108/2018 om een nieuw antwoord te verkrijgen betreffende het gedrag van de operatoren bij de uitbating van hun vergunning. A.4.
- In ondergeschikte orde is de tussenkomende partij van mening dat de door de verzoekende partij gesuggereerde « niet technische » interpretatie, niet kan worden gevolgd. Aldus zijn de inrichtingen die onderscheiden domeinnamen dragen, duidelijk van elkaar onderscheiden in de schrijfwijze van hun internetadressen en vormen zij dus niet dezelfde « online ruimte » in de zin van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen. Een en ander leunt overigens aan bij het parallellisme met de definitie van een « inrichting » in de fysieke wereld, waarnaar het Hof nog verwijst in zijn arrest nr. 114/2021 van 16 september
- Bovendien zou de vastgestelde lacune, indien de interpretatie van de verzoekende partij zou worden gevolgd, niet zelfherstellend zijn, zodat de Raad van State de in de hangende zaken bestreden vergunningen niet op geldige wijze nietig zou kunnen verklaren, en is de mogelijke oplossing om een einde te maken aan de discriminatie, niet evident, noch uniek. A.4.
- In uiterst ondergeschikte orde, indien de interpretatie van de verzoekende partij wordt gevolgd, verzoekt de tussenkomende partij dat, met toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof de interpretatie handhaaft die wordt gevolgd door de adjunct-auditeur-generaal van de Raad van State, voor het verleden en voor de toekomst tot dat de vastgestelde lacune in de wetgeving is weggewerkt. Een retroactieve nietigverklaring van de betrokken onlinevergunningen zou onevenredige gevolgen hebben voor de tewerkstelling in die sector, alsook voor de actoren die te goeder trouw zijn en, zoals de tussenkomende partij, niet rechtmatig konden verwachten dat de interpretatie van de verzoekende partij zou worden gevolgd. A.5.
- In hoofdorde werpt de nv « Casinos Austria International Belgium » de niet-ontvankelijkheid op van de vordering tot uitlegging, in zoverre het Hof daarmee wordt verzocht het strikt interpretatieve kader te overschrijden. De woorden « via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s » zijn duidelijk en 6 geven aan dat het Hof een dergelijke cumulatie via een enkele internetsite heeft willen verbieden. Dat is tevens het vaste standpunt van de Kansspelcommissie Te dezen maakt de verzoekende partij enkel gebruik van een vordering tot uitlegging om aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen waarover het Hof reeds is ondervraagd, hetgeen erop neerkomt dat een gesloten debat wordt heropend. In elk geval zou het Hof zijn saisine tot uitlegging te buiten gaan indien het zich zou uitspreken over feitelijke en juridische elementen die niet aan het Hof waren voorgelegd in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 108/
- A.5.
- In ondergeschikte orde is de tussenkomende partij van mening dat de door de verzoekende partij gesuggereerde interpretatie niet kan worden gevolgd. Uit het arrest vloeit immers duidelijk voort dat, zelfs indien het Hof het begrip « URL » niet op een technisch correcte wijze lijkt te hebben benaderd, het duidelijk een uitbating via eenzelfde internetsite, met andere woorden internetpagina’s, met eigen URL’s die met elkaar verbonden zijn en alle dezelfde domeinnaam hebben, heeft willen verbieden. Een geheel van internetpagina’s met verschillende domeinnamen vormt geen internetsite. Elke andere interpretatie zou afwijken van de wil van het Hof en zou dat verbod uitbreiden tot situaties die de wetgever niet heeft willen beogen. Aangezien het niet verboden is voor een houder om binnen eenzelfde gebouw de uitbating van verschillende soorten spelen door middel van onderscheiden vergunningen in de reële wereld te cumuleren, geldt zulks ook in de virtuele wereld via onderscheiden domeinnamen, waarbij het zich verplaatsen van de ene internetsite naar een andere een vrijwillige demarche van de speler impliceert. Bovendien heeft een domeinnaam een marketingfunctie en wordt daarbij in de praktijk gebruikgemaakt van de handelsnaam van de onderneming : indien het verbod gold voor vergunningen van verschillende klassen die worden uitgebaat met verschillende domeinnamen, dan zou dat afbreuk doen aan de bescherming van de handelsnaam, die wordt gewaarborgd door het Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, en aan de bescherming van het merk, beoogd in artikel 9 van de verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 « inzake het Uniemerk » en in artikel 16 van de overeenkomst, ondertekend te Marrakech, inzake de handelsaspecten van de rechten van intellectuele eigendom. Voorts zorgt de invoering van hyperlinks voor een afbakening tussen verschillende internetsites, die merkbaar kan zijn via een verschillend visueel element. Het feit dat men zich niet moet afmelden om zich opnieuw aan te melden, is niet vereist, aangezien de uitbating van verschillende vergunningen is toegestaan in de reële wereld, en dus ook op verschillende internetsites. De interpretatie van de verzoekende partij zou dus leiden tot een discriminatie tussen de uitbaters van kansspelen in de « reële wereld » en de uitbaters van kansspelen in de « virtuele wereld ». Het creëren van verschillende accounts zou bovendien de bescherming beperken van de speler, die aldus verschillende uitgavenlimieten zou kunnen cumuleren. A.6.
- De nv « NGG » en anderen komen tussen in de hoedanigheid van houders van aanvullende vergunningen waardoor zij onlinekansspelen kunnen uitbaten. Naar aanleiding van het arrest nr. 108/2018 hebben zij hun sites met virtuele spelen afgezonderd in verschillende internetsites, met afzonderlijke domeinnamen en daaraan verbonden URL’s, hetgeen, volgens de verzoekende partij, een hypothese zou zijn die wordt beoogd door het arrest nr. 108/
- De verzoekende partij heeft die vergunningen bestreden voor de Raad van State en tracht, met de vordering tot uitlegging, die hangende procedures te beïnvloeden, aangezien de Raad van State de door haar voorgestelde prejudiciële vragen niet heeft gesteld. A.6.
- De tussenkomende partijen zijn van mening dat de verzoekende partij de woorden « domeinnamen » en « daaraan verbonden URL’s » met elkaar verwart door daaraan een onredelijk ruime interpretatie te geven, die niet overeenstemt met de technische betekenis ervan, en aldus het gezag van gewijsde van het arrest nr. 108/2018 schendt. De werkelijke kritiek van de verzoekende partij heeft niet zozeer betrekking op de cumulatie van een domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s, maar wel op de verwijzing van een spelsite naar een andere, waardoor het Hof zich moet uitspreken over een volkomen andere vraag dan die welke aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 108/
- Er kan niet worden beweerd dat een duidelijk zichtbaar onderscheid tussen de domeinnamen een « maneuver » vormt of dat de speler niet beschermd zou zijn. Integendeel, die dissociatie zorgt voor verschillende remmen die de speler nog meer beschermen dan in de reële wereld, met name een langere wachttijd voor de speler alvorens van de ene site naar de andere te gaan, en een nieuwe controle van zijn identiteit. Indien het Hof de interpretatie van de verzoekende partij volgt, dan zou dat leiden tot, enerzijds, een discriminatie van de uitbaters van onlinespelen ten opzichte van de uitbaters van spelinrichtingen in de reële wereld en, anderzijds, de praktische onmogelijkheid voor de Kansspelcommissie om nog aanvullende vergunningen toe te kennen voor de uitbating van onlinespelen, zodat de tussenkomende partijen het Hof in dat geval vragen de 7 praktische moeilijkheden op te lossen waartoe die interpretatie zou leiden en de hypothesen te preciseren waarin een cumulatie nog zou zijn toegestaan. A.7.
- De verzoekende partij antwoordt dat het Hof, dat bevoegd is om zich uit te spreken over de uitlegging van een arrest waarbij een ongrondwettige wet wordt vernietigd, de situaties vermag te identificeren die de discriminatie in het leven roepen die haar oorsprong vindt in een wet. De vordering strekt niet ertoe dat het Hof zich uitspreekt over feitelijke situaties of de latere rechtspraak van andere rechtscollege. De adjunct-auditeur-generaal van de Raad van State heeft zelf verwezen naar de mogelijkheid om een uitleggend arrest te vragen die, hoewel dat arrest de toekomstige rechtspraak kan beïnvloeden, niet volstaat om een vordering tot uitlegging onontvankelijk te maken. De vordering strekt niet ertoe de draagwijdte van het arrest nr. 108/2018 uit te breiden, maar dat arrest te verduidelijken, dat op drie manieren kan worden uitgelegd : ofwel heeft het arrest uitsluitend betrekking op de kwestie van de cumulatie via een enkele URL; ofwel beslecht het integraal de kwestie van de cumulatie door die te verbieden, zoals de verzoekende partij aanvoert, of door die cumulatie uitsluitend te veroordelen ten aanzien van een enkele URL, zoals de tussenkomende partijen aanvoeren. Te dezen wordt het Hof verzocht meer bepaald de woorden « en de daaraan verbonden URL’s » uit te leggen door daaraan, in plaats van een louter technische interpretatie, een « feitelijke en nuttige » interpretatie te geven, in het licht van de overwegingen van het arrest – en met name B.8.3 van het arrest nr. 129/2017 – en van het doel dat erin bestaat te voorzien in « remmen » voor de speler, die vergelijkbaar zijn met die waarmee hij wordt geconfronteerd in de reële wereld. A.7.
- Hoewel er grenzen zijn aan de analogie tussen « inrichtingen », toegestaan in eenzelfde gebouw wanneer zij duidelijk van elkaar zijn gescheiden, en de onderscheiden « domeinnamen » die, wanneer zij met elkaar zijn verbonden, nog steeds eenzelfde internetsite vormen, die de speler confronteert met een spelaanbod dat hij niet heeft opgezocht, is het daarentegen volkomen mogelijk de onlinespeler te beschermen. Het is immers mogelijk een speler te beletten zich tegelijkertijd aan te melden op verschillende sites, die niet met elkaar verbonden zijn. De aanwezigheid van hyperlinks kan niet worden gelijkgesteld met loutere reclame, daar die een virtuele omgeving creëert die de speler de indruk geeft zich niet te verplaatsen. De verplichting om zich opnieuw aan te melden staat gelijk met een verplaatsing in de reële wereld van de ene inrichting naar de andere en de verplichting om onderscheiden gebruikersaccounts te hebben, staat gelijk met de aparte kassa’s in de inrichtingen. Er kan overigens worden overwogen om te voorzien in een algemene beperking van alle gebruikersaccounts voor alle kansspelen waaraan de speler deelneemt. Het is tevens mogelijk kansspelen afzonderlijk uit te baten, waarbij toch wordt gebruikgemaakt van eenzelfde handelsnaam. Volkomen ten overvloede belet geen enkele norm om het gebruik van die handelsnamen te reglementeren omwille van het openbaar belang, zoals het voorkomen van kansspelverslaving. De merken bieden een bescherming tegen een onrechtmatig gebruik door derden, maar geen positief en nog minder een onbeperkt « recht ». Ten slotte zou de door het Hof vastgestelde lacune wel degelijk zelfherstellend zijn, daar het Hof de gevolgen daarvan heeft aangetoond en heeft geweigerd de gevolgen van de ongrondwettige bepalingen te handhaven. -B- Ten aanzien van het onderwerp van het verzoekschrift B.
- Op grond van artikel 118 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof heeft de nv « Rocoluc » een verzoekschrift ingediend tot uitlegging van de woorden « via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s » in het dictum van het arrest nr. 108/2018 van 19 juli
- 8 B.2.
- Bij dat arrest heeft het Hof zich uitgesproken over het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » (hierna : de wet van 7 mei 1999), ingesteld door de nv « Rocoluc ». Dat beroep tot vernietiging was ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 naar aanleiding van het arrest nr. 129/2017 van 9 november 2017, gewezen op prejudiciële vraag, waarin het Hof voor recht heeft gezegd : « In zoverre zij de cumulatie van verschillende aanvullende vergunningen van onderscheiden klassen (A+, B+ en F1+) voor de exploitatie van kansspelen en weddenschappen via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s niet verbiedt, schendt de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ». In het dictum van zijn arrest nr. 108/2018 heeft het Hof « de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » vernietigd « in zoverre zij de cumulatie van verschillende aanvullende vergunningen van onderscheiden klassen (A+, B+ en F1+) voor de uitbating van kansspelen en van weddenschappen via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s niet verbiedt ». B.2.
- Ten aanzien van de omvang van de vernietiging waartoe is besloten in zijn arrest nr. 108/2018 heeft het Hof gepreciseerd dat het, uitspraak doende over een beroep tot vernietiging dat is ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, « ertoe [kan] worden gebracht de bestreden norm te vernietigen in zoverre het vooraf de ongrondwettigheid heeft vastgesteld in het prejudiciële contentieux » (B.4.2), zodat de omvang van het beroep dat aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 108/2018 derhalve is « beperkt tot ongrondwettigheid die in het voormelde arrest nr. 129/2017, op prejudiciële vraag, werd vastgesteld » (B.4.3). B.
- Met haar verzoekschrift tot uitlegging vraagt de nv « Rocoluc » het Hof de betekenis toe te lichten van de woorden « via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s » in het dictum van het arrest nr. 108/2018, gelezen in het licht van de overwegingen 9 die het Hof in dat arrest, alsook in de arresten nrs. 129/2017 van 9 november 2017 en 109/2018 van 19 juli 2018 heeft geformuleerd. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoekschrift B.4.
- De vennootschap naar Maltees recht « Unibet (Belgium) limited » en de nv « Blankenberge Casino-Kursaal », tussenkomende partijen, voeren allereerst de niet-ontvankelijkheid ratione temporis aan van de vordering tot uitlegging, die volgens hen moest worden ingediend binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest nr. 108/2018 in het Belgisch Staatsblad, op 12 september
- B.4.
- Artikel 118 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepaalt : « Op vordering van de partijen bij het beroep tot vernietiging of van het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, geeft het Hof een uitlegging van het arrest. De vordering tot uitlegging wordt ingesteld overeenkomstig artikel 5 of artikel 27, naar gelang van het geval. Zij wordt medegedeeld aan alle partijen in het geding. Voor het overige is de voor het verzoekschrift tot vernietiging of voor de prejudiciële vraag voorgeschreven rechtspleging toepasselijk. De minuut van het uitleggend arrest wordt aan de minuut van het uitgelegde arrest gehecht. Van het uitleggend arrest wordt melding gemaakt op de kant van het uitgelegde arrest ». B.4.
- Artikel 118 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 maakt het de personen die partij zijn geweest bij een beroep tot vernietiging mogelijk om een vordering in te stellen tot uitlegging van het arrest met betrekking tot dat beroep. Die vordering past in het verlengde van de procedure die op gang is gebracht door middel van het oorspronkelijke beroep tot vernietiging en vormt geen nieuw beroep tot vernietiging. De partijen zijn dus niet onderworpen aan de voorwaarden bepaald in artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 voor het instellen van een beroep tot vernietiging. B.4.
- De vordering tot uitlegging is ontvankelijk ratione temporis. B.5.
- De Ministerraad en de tussenkomende partijen voeren de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot uitlegging aan in zoverre zij betrekking zou hebben op nieuwe hypothesen, die 10 losstaan van die welke waren beoogd in het arrest nr. 108/2018, en zij bijgevolg ertoe zou strekken aan het Hof een nieuwe prejudiciële vraag te stellen of het gezag van het arrest nr. 108/2018 uit te breiden. B.5.
- Wanneer bij het Hof een vordering tot uitlegging wordt ingesteld, kan het enkel zijn eerder arrest uitleggen. In dat kader kan het zich niet uitspreken over andere hypothesen dan die welke zijn berecht in het arrest waarvan de uitlegging wordt gevraagd, noch zich uitspreken over de naleving, door de administratie of door andere rechtscolleges, van het gezag van zijn arrest. B.5.
- De vordering tot uitlegging heeft betrekking op het dictum van het arrest nr. 108/2018, gelezen in het licht van de overwegingen die het Hof in dat arrest en in de voormelde arresten nrs. 129/2017 en 109/2018 heeft geformuleerd. Zoals is vermeld in B.2.2, kan het Hof, daar het arrest nr. 108/2018 aansluit op de vaststelling van ongrondwettigheid vervat in het arrest nr. 129/2017, dat de omvang afbakent van de vernietiging die is gevorderd op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere van 6 januari 1989, rekening houden met de overwegingen die in dat arrest zijn geformuleerd teneinde de draagwijdte van het dictum van het arrest nr. 108/2018 uit te leggen. De arresten nrs. 129/2017 en 108/2018 hadden betrekking op de cumulatie, door verschillende houders, van verschillende aanvullende vergunningen van onderscheiden klassen voor het online uitbaten van kansspelen, terwijl het arrest nr. 109/2018 betrekking had op de cumulatie van dergelijke vergunningen, door eenzelfde houder. Hoewel het arrest nr. 109/2018 een prejudiciële vraag beantwoordde die was gesteld door de Raad van State en die kon worden geacht te zijn verbonden met de arresten nrs. 129/2017 en 108/2018, kan met dat arrest evenwel geen rekening worden gehouden om het dictum van het vernietigingsarrest nr. 108/2018 uit te leggen. In zoverre het Hof wordt verzocht het dictum van het arrest nr. 108/2018 uit te leggen in het licht van de overwegingen die zijn geformuleerd in het arrest nr. 109/2018, betreft de vordering tot uitlegging een element dat losstaat van dat arrest en is zij dus niet ontvankelijk. 11 B.5.
- Voor het overige vallen de excepties van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot uitlegging samen met het onderzoek van die vordering. Ten aanzien van de vordering tot uitlegging B.
- Bij zijn arrest nr. 129/2017 van 9 november 2017 heeft het Hof geoordeeld : « B.
- Uit de memories van de tussenkomende partijen blijkt echter dat meerdere verschillende vergunninghouders A+, B+ en F1+ akkoorden hebben gesloten om op dezelfde internetsite (een enkele domeinnaam en eenzelfde daaraan verbonden URL) spelen en weddenschappen aan te bieden die onder verschillende klassen vallen. De prejudiciële vraag moet dus in die zin worden begrepen dat zij de situatie beoogt van verscheidene onderscheiden houders die samen verscheidene aanvullende vergunningen van verschillende klassen cumuleren en dezelfde domeinnaam en dezelfde daaraan verbonden URL exploiteren om online op een gemeenschappelijke internetsite spelen en weddenschappen aan te bieden die onder verschillende klassen vallen. B.4.
- Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van de voormelde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de cumulatie van de uitbating van verscheidene aanvullende vergunningen van de onderscheiden klassen A+, B+ of F1+ op dezelfde domeinnaam, dus op dezelfde internetsite, zou zijn toegestaan terwijl de cumulatie van de uitbating van verscheidene vergunningen van de onderscheiden klassen A, B of F1 op dezelfde fysieke plaats verboden is. […] B.
- In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad betoogt, belet de omstandigheid dat de vergunninghouders klasse A+, B+ of F1+ noodzakelijkerwijs ook vergunninghouders klasse A, B of F1 zijn, het Hof niet de situatie van de exploitanten van spelen en weddenschappen wanneer zij enkel in de reële wereld actief zijn en die van de exploitanten van spelen en weddenschappen die zowel in de reële wereld als via de informatiemaatschappij-instrumenten hun activiteiten ontwikkelen, met elkaar te vergelijken. B.6.
- Ten aanzien van de doelstellingen die door de wetgever werden nagestreefd toen hij probeerde de spelen en weddenschappen te reglementeren, is in de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet van 10 januari 2010 ‘ tot wijziging van de wetgeving inzake kansspelen ’ toegelicht : ‘ De regulering van de kansspelen is gebaseerd op de “ kanalisatiegedachte ”. Om te voldoen aan de klaarblijkelijke speelbehoefte van de mens wordt het illegale aanbod bestreden door het toelaten van een “ beperkt ” legaal spelaanbod. Het reguleren van illegale kansspelen draagt bij tot het beteugelen van deelneming aan kansspelen en is een geschikt en proportioneel middel om de aan het kansspelbeleid ten 12 grondslag liggende doelstellingen te bereiken. Door het legale aanbod te beperken komt men tegemoet aan één van de pijlers van het kansspelbeleid zijnde de bescherming van de speler tegen gokverslaving. […] Het voorontwerp vertrekt zoals de wet van 7 mei 1999 van het principe dat het uitbaten van kansspelen a priori verboden is. Uitzonderingen kunnen worden toegestaan door een stelsel van vergunningen. Het principiële exploitatieverbod blijft als uitgangspunt gehandhaafd, met als gevolg dat het verlenen van vergunningen slechts in beperkte mate binnen de door de wet voorziene grenzen kan toegelaten worden ’ (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1992/001, p. 4). B.6.
- Er is in verband met de regulering van de kansspelen en weddenschappen die via de informatiemaatschappij-instrumenten worden uitgebaat, gepreciseerd : ‘ Dergelijk doeltreffend controlebeleid is enkel mogelijk door de online spelen voor te behouden aan zij die ook in de reële wereld de kansspelen uitbaten waarbij de creatie van een extra aanbod aan online spelen wordt vermeden. Enkel de entiteiten die in de reële wereld over een vergunning A, B of F1 beschikken, kunnen deze zelfde activiteiten aanbieden in de virtuele wereld. De spelen die zij via internet aanbieden moeten van dezelfde aard zijn als deze die in de reële wereld aangeboden worden. Zo zal een casinouitbater met een aanvullende vergunning enkel casinospelen via internet mogen aanbieden en bijvoorbeeld geen weddenschappen. Enkel de vergunninghouders F1 die de weddenschappen inrichten kunnen maximaal over één aanvullende vergunning beschikken. Deze vergunning kan alleen maar betrekking hebben op het inrichten van online weddenschappen van dezelfde aard als deze die ze in de reële wereld aanbieden. Het voorgestelde beleid beoogt de expansie van online kansspelen te bestrijden ’ (ibid., p. 10). B.
- Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het reële of virtuele karakter van het aanbod van kansspelen en weddenschappen. Terwijl in de reële wereld spelen en weddenschappen van verschillende aard niet op dezelfde fysieke plaats mogen worden aangeboden, hetgeen de spelers die verschillende spelen willen spelen en weddenschappen willen aangaan ertoe verplicht zich naar verscheidene plaatsen te begeven, mogen diezelfde spelen en weddenschappen op dezelfde internetsite (zelfde domeinnaam en zelfde URL) worden aangeboden, hetgeen de speler de mogelijkheid biedt spelen die onder verschillende klassen vallen te spelen en weddenschappen aan te gaan zonder met verschillende sites een verbinding te moeten maken. B.8.
- Een dergelijk criterium is objectief. Het Hof dient nog te onderzoeken of het relevant is ten opzichte van de door de wetgever nagestreefde doelstelling. B.8.
- De regulering van kansspelen en de beperking van het aanbod strekken ertoe de spelers te beschermen, met name tegen de risico’s van verslaving die inherent zijn aan dat soort 13 activiteit. Het verbod om verschillende soorten spelen en weddenschappen op dezelfde fysieke plaats aan te bieden draagt bij tot de bescherming van de spelers, aangezien het hen ertoe verplicht zich te verplaatsen om toegang te hebben tot andere spelen of weddenschappen. Het heeft ook tot gevolg te vermijden dat de spelers in verleiding worden gebracht om andere spelen te spelen dan die welke zij van plan waren te spelen of weddenschappen aan te gaan terwijl zij dat niet van plan waren, aangezien zij niet rechtstreeks worden geconfronteerd met een aanbod dat zij niet hadden gezocht. B.8.
- Die doelstellingen zijn ook die welke door de wetgever werden nagestreefd toen hij probeerde de onlinespelen en -weddenschappen te reguleren. Het is derhalve niet pertinent de cumulatie toe te staan van het aanbod van verscheidene soorten spelen en weddenschappen op eenzelfde internetsite, waarbij een unieke domeinnaam en een daaraan verbonden unieke URL worden gebruikt, terwijl een dergelijke cumulatie in de reële wereld verboden is. Zoals de tussenkomende partijen opmerken, is het waar dat het zeer eenvoudig is zich in de virtuele wereld van de ene naar de andere site te begeven en dat het gemakkelijk is op eenzelfde computer gelijktijdig verscheidene internetpagina’s te openen, zodat het cumulatieverbod in de virtuele wereld niet dezelfde draagwijdte of hetzelfde gevolg heeft als het cumulatieverbod in de reële wereld. Dat neemt niet weg dat de verplichting om verscheidene sites te moeten openen en zich telkens opnieuw te moeten identificeren voor de speler een rem kan vormen. Daarenboven maakt het verbod om spelen en weddenschappen die onder verschillende klassen vallen op dezelfde internetsite aan te bieden het mogelijk het risico te verminderen dat de speler geconfronteerd wordt met een aanbod dat hij niet heeft gezocht. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. In zoverre zij de cumulatie van verschillende aanvullende vergunningen van onderscheiden klassen (A+, B+ en F1+) voor de exploitatie van kansspelen en weddenschappen via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s niet verbiedt, is de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.10.
- Een van de tussenkomende partijen verzoekt het Hof in uiterst ondergeschikte orde de gevolgen te handhaven van de bepalingen waarvan het de ongrondwettigheid zou vaststellen. B.10.
- De handhaving van de gevolgen dient als een uitzondering op de declaratoire aard van het in het prejudicieel contentieux gewezen arrest te worden beschouwd. Alvorens te beslissen de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen te handhaven, moet het Hof vaststellen dat het voordeel dat uit de niet gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid voortvloeit, buiten verhouding staat tot de verstoring die zij voor de rechtsorde met zich zou meebrengen, wat te dezen niet het geval is ». B.7.
- Bij zijn arrest nr. 108/2018 heeft het Hof, op grond van de voormelde overwegingen, geoordeeld : « B.
- Om redenen die identiek zijn aan die welke vervat liggen in het voormelde arrest nr. 129/2017, is het enige middel gegrond. De wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers dient dus te worden vernietigd in zoverre zij de cumulatie van 14 verschillende aanvullende vergunningen van onderscheiden klassen (A+, B+ en F1+) voor de uitbating van kansspelen en van weddenschappen via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s niet verbiedt. B.
- In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad in zijn memorie met verantwoording meent, betreft die vernietiging geen strafbepalingen, maar de administratieve procedure voor het verlenen, door de Kansspelcommissie, van de vergunningen voor de uitbating van kansspelen en van weddenschappen. Die vernietiging heeft tot gevolg dat de Kansspelcommissie niet verschillende aanvullende vergunningen van onderscheiden klassen (A+, B+ en F1+) voor de uitbating van kansspelen en van weddenschappen via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s kan verlenen ». B.7.
- Bij zijn vernietigingsarrest nr. 108/2018 heeft het Hof geoordeeld dat de wet van 7 mei 1999 verbiedt om spelen en weddenschappen van verschillende aard op dezelfde fysieke plaats aan te bieden, dat het aanbod van kansspelen in de reële wereld vergelijkbaar is met het aanbod van kansspelen in de virtuele wereld en dat de wet van 7 mei 1999 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre zij de cumulatie, door verschillende houders, van verschillende aanvullende vergunningen van onderscheiden klassen (A+, B+ en F1+) voor de uitbating van kansspelen en van weddenschappen via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s niet verbiedt. B.
- Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat de woorden « via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s » in het dictum van het arrest nr. 108/2018 zo moeten worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op het verbod van cumulatie van verschillende aanvullende vergunningen van onderscheiden klassen voor de uitbating van kansspelen en van weddenschappen via een en dezelfde domeinnaam en de URL’s die met die domeinnaam zijn verbonden. Voor het overige kan het verzoek van de verzoekende partij dat ertoe strekt de woorden in het dictum « via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s » in die zin uit te leggen dat ze elke cumulatie verbieden «‘ op eenzelfde internetsite ’, in de gebruikelijke betekenis van het woord », niet worden gevolgd, daar het in werkelijkheid de draagwijdte van het arrest nr. 108/2018 beoogt uit te breiden. Een dergelijk verzoek is op dat punt niet ontvankelijk. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De woorden « via een en dezelfde domeinnaam en de daaraan verbonden URL’s » in het dictum van het arrest nr. 108/2018 moeten zo worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op het verbod van cumulatie van verschillende aanvullende vergunningen van onderscheiden klassen voor de uitbating van kansspelen en weddenschappen via een en dezelfde domeinnaam en de URL’s die aan die domeinnaam zijn verbonden. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 13 oktober
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.122 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div