id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.123 Arrest- Rolnummer: 123/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 529 - laatst gezien 2026-06-14 19:40 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikelen 20, 2°, 22, 43 en 44 van de wet van 8 mei 2014, doch uitsluitend in zoverre die bepalingen niet gepaard gaan met een gelijktijdige wijziging van de wet- of regelgeving betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, die een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau vermijdt) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over : - artikel 13 van de programmadecreet van het Waalse Gewest van 12 december 2014 houdende verschillende maatregelen betreffende de begroting inzake natuurrampen, verkeersveiligheid, openbare werken, energie, huisvesting, leefmilieu, ruimtelijke ordening, dierenwelzijn, landbouw en fiscaliteit, - artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap », - de artikelen 5/1, § 1, 2°, en 5/5, § 4, 1°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, zoals ingevoegd bij de artikelen 7 en 11 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden, - en de artikelen 20, 2°, 22, 43 en 44 van de wet van 8 mei 2014 « tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ingevolge de invoering van de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting als bedoeld in titel III/1 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, tot wijziging van de regels op het stuk van de belasting van niet-inwoners en tot wijziging van de wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet », gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Namen. Fiscaal recht - Waals Gewest - Vervanging van de fiscale aftrek voor de eigen en enige woning door een belastingvermindering - Verhoging van het belastbaar inkomen - Gevolgen op de tegemoetkomingen voor personen met een handicap Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 123/2022 van 13 oktober 2022 Rolnummer : 7566 In zake : de prejudiciële vragen over : - artikel 13 van de programmadecreet van het Waalse Gewest van 12 december 2014 houdende verschillende maatregelen betreffende de begroting inzake natuurrampen, verkeersveiligheid, openbare werken, energie, huisvesting, leefmilieu, ruimtelijke ordening, dierenwelzijn, landbouw en fiscaliteit, - artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap », - de artikelen 5/1, § 1, 2°, en 5/5, § 4, 1°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, zoals ingevoegd bij de artikelen 7 en 11 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden, - en de artikelen 20, 2°, 22, 43 en 44 van de wet van 8 mei 2014 « tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ingevolge de invoering van de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting als bedoeld in titel III/1 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, tot wijziging van de regels op het stuk van de belasting van niet-inwoners en tot wijziging van de wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet », gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 20 april 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 april 2021, heeft het Arbeidshof te Luik, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 13 van het programmadecreet van 12 december 2014 houdende verschillende maatregelen betreffende de begroting inzake natuurrampen, verkeersveiligheid, openbare werken, energie, huisvesting, leefmilieu, ruimtelijke ordening, dierenwelzijn, landbouw en fiscaliteit, door het stelsel van de aftrek voor enige woning bepaald in de vroegere artikelen 115 en 116 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (zoals ingevoegd bij artikel 396 van de programmawet van 27 december 2004) op te heffen, artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, in zoverre die bepaling tot gevolg heeft de aftrek voor enige woning om te vormen in een belastingvermindering die niet langer kan worden afgetrokken van het gezamenlijk belastbaar inkomen, waardoor het gezamenlijk belastbaar inkomen dat door de socialezekerheidsinstellingen in aanmerking wordt genomen om te bepalen of socialezekerheidsuitkeringen (met name inzake tegemoetkomingen voor personen met een handicap) al dan niet worden toegekend, aldus fictief wordt verhoogd, en houdt die bepaling een betekenisvolle achteruitgang in het recht op sociale zekerheid in ? 2. Schenden (
- a)artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, (
- b)de artikelen 5/1, § 1, 2°, en 5/5, § 4, 1°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, zoals ingevoegd bij de artikelen 7 en 11 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 tot hervorming van de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden, en (
- c)de artikelen 20, 2°, 22, 43 en 44 van de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ingevolge de invoering van de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting als bedoeld in titel III/1 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot wijziging van de regels op het stuk van de belasting van niet-inwoners en tot wijziging van de wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, al dan niet met elkaar in samenhang gelezen, artikel 23 van de Grondwet en het in die tekst opgelegde standstill[-verplichting], in zoverre die bepalingen ertoe hebben geleid de vermindering van het belastbaar inkomen bestaande in interesten en andere bedragen bestemd voor de afschrijving en de wedersamenstelling van een hypothecaire lening die specifiek is aangegaan om een enige woning te verwerven of te behouden, te vervangen door een belastingvermindering voor soortgelijke uitgaven, met als gevolg een verhoging van het gezamenlijk belastbaar inkomen en, bijgevolg, een mogelijke vermindering van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap, zelfs wanneer de inkomsten en de uitgaven voor het verwerven of behouden van de enige woning van de betrokken persoon met een handicap ongewijzigd zijn gebleven ? ». Memories zijn ingediend door : - E.N., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Zielonka, advocaat bij de balie Luik-Hoei; 3 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. C. Caillet, advocaten bij de balie te Brussel. E.N. heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 8 juni 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 29 juni 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 29 juni 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Sinds 2013 geniet E.N. tegemoetkomingen voor personen met een handicap. Op 18 juli 2019 weigert de directie-generaal « Personen met een handicap » van de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid haar de toekenning van een inkomensvervangende tegemoetkoming wegens de omvang van haar inkomsten. Zij krijgt daarentegen een integratietegemoetkoming van categorie 2 toegekend. De beslissing heeft uitwerking vanaf 1 augustus 2019. E.N. betwist die beslissing voor de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Bij een vonnis van 20 april 2020 verklaart die rechtbank haar vordering ontvankelijk, doch niet gegrond. Op 22 mei 2020 stelt E.N. hoger beroep in tegen dat vonnis. Op 20 april 2021 verklaart het Arbeidshof te Luik, afdeling Namen, het hoger beroep ontvankelijk en stelt het vast dat de betwiste beslissing is genomen overeenkomstig de toepasselijke wetgeving. Het stelt aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.1. De appellante voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat artikel 13 van het programmadecreet van 12 december 2014 « houdende verschillende maatregelen betreffende de begroting inzake natuurrampen, verkeersveiligheid, openbare werken, energie, huisvesting, leefmilieu, ruimtelijke ordening, dierenwelzijn, landbouw en fiscaliteit » (hierna : het programmadecreet van 12 december 2014) een belastingvermindering invoert voor de uitgaven die worden verricht met het oog op het verwerven of het behouden van de eigen woning (hierna : de vermindering voor eigen woning) in de personenbelasting, die niet wordt afgetrokken van het 4 gezamenlijk belastbaar inkomen, in tegenstelling tot de vroegere, federale, aftrek voor eigen en enige woning. Hieruit volgt dat het inkomen van de personen met een handicap die die aftrek thans niet meer genieten, fictief wordt verhoogd, waardoor sommigen onder hen niet langer voldoen aan de inkomensvoorwaarden die zijn vastgesteld om de inkomensvervangende tegemoetkoming te ontvangen, zoals de appellante voor het verwijzende rechtscollege, terwijl hun vermogenssituatie en hun werkelijke inkomen niet zijn geëvolueerd. Daar de appellante voor het verwijzende rechtscollege arbeidsongeschikt is, bestaat haar inkomen uitsluitend uit een vervangingsinkomen. Volgens haar moet het aanzienlijke karakter van de achteruitgang in de bescherming van haar sociale rechten eveneens worden benaderd in het licht van het feit dat een belastingvermindering nadelig is voor de belastingplichtigen die, zoals zij, weinig belastingen betalen, daar de betaalde belasting voldoende hoog moet zijn opdat die vermindering integraal wordt verrekend. Bovendien is het bedrag van de integratietegemoetkoming aanzienlijk verlaagd. Zij voert aan dat de federale overheidsdienst Financiën in een dienstnota van 11 september 2015 heeft bevestigd dat uit de omvorming van de belastingaftrek voor de eigen en enige woning in een belastingvermindering voortvloeit dat het belastbaar inkomen van de personen met een handicap is toegenomen met 20 %, terwijl hun werkelijk inkomen tegelijk slechts met 1,56 % is toegenomen. Volgens haar wordt in die nota de instructie gegeven om geen rekening te houden met die verhoging. A.1.2. De appellante voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat niet is aangetoond dat de betwiste maatregel een doelstelling van algemeen belang nastreeft die een aanzienlijke achteruitgang in de bescherming van de sociale rechten zou kunnen verantwoorden. Zij merkt op dat het betwiste decreet uitsluitend wordt gemotiveerd vanuit de dringende noodzakelijkheid die vereist is om te vragen dat de Raad van State advies uitbrengt binnen een ingekorte termijn. A.1.3. Zij is ook van mening dat de maatregel niet evenredig is, daar die de inkomensvervangende tegemoetkoming ontzegt aan personen met een handicap die zich reeds in een kwetsbare situatie bevinden en wier integratietegemoetkoming aanzienlijk verlaagd is. Zij herinnert eraan dat de werkelijke inkomsten van die personen niet zijn toegenomen. Zij wijst eveneens erop dat de gewestwetgever niet uiteenzet dat hij zou hebben onderzocht of de overdracht van de woonbonus aan de gewesten een weerslag had buiten het fiscaal domein. Evenmin lijkt de Waalse decreetgever de mogelijkheid te hebben overwogen om een maatregel te nemen die zou toelaten hetzelfde doel te bereiken maar waardoor de verworven rechten in mindere mate zouden worden aangetast. A.2.1. De Ministerraad gedraagt zich voor het antwoord op de eerste prejudiciële vraag naar de wijsheid van het Hof. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.3.1. De appellante voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de in het raam van de eerste prejudiciële vraag gegeven toelichting met betrekking tot de schending, door artikel 13 van het programmadecreet van 12 december 2014, van artikel 23 van de Grondwet, van toepassing is op de schending van de voormelde grondwetsbepaling door de in de tweede prejudiciële vraag beoogde bepalingen. A.3.2. Volgens de Ministerraad kan de eventuele schending van artikel 23 van de Grondwet niet voortvloeien uit de in de tweede prejudiciële vraag beoogde normen. Hij herinnert eraan dat uit de vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat, wanneer de wetgever aan de Koning de zorg overlaat om een wetsbepaling ten uitvoer te leggen, enerzijds, ervan moet worden uitgegaan dat de wetgever hiermee niet de bedoeling had Hem toe te staan de grondwetsbepalingen te schenden en, anderzijds, het niet aan het Hof staat na te gaan hoe de Koning de Hem aldus toegekende machtiging ten uitvoer legt. De Ministerraad stelt vast dat artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap » aan de Koning de bevoegdheid verleent om te bepalen wat moet worden begrepen onder « inkomen » in de zin van die bepaling en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald. De Koning is bovendien ertoe gemachtigd te bepalen dat sommige inkomsten of delen van het inkomen, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. 5 De Ministerraad voert aan dat die bepaling werd ten uitvoer gelegd door het koninklijk besluit van 6 juli 1987 « betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming » (hierna : het koninklijk besluit van 6 juli 1987). De bepalingen waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft, hebben daarentegen niet tot doel of tot gevolg de inkomsten te bepalen waarmee rekening wordt gehouden voor de berekening van de tegemoetkomingen voor de persoon met een handicap. Hieruit vloeit volgens hem voort dat de vermindering van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap die de appellante voor het verwijzende rechtscollege beweert te ondergaan, niet voortvloeit uit het feit dat, naar aanleiding van de zesde Staatshervorming, de belastingaftrekken die eerder op federaal niveau waren toegekend en voortaan ressorteren onder de bevoegdheid van de gewesten, werden omgevormd tot belastingverminderingen, maar wel uit de regels inzake de berekening van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap, zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 6 juli 1987. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en hun context B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de situatie van een begunstigde van een tegemoetkoming voor personen met een handicap, die doordat de fiscale aftrek voor de eigen en enige woning is vervangen door een belastingvermindering een lager bedrag aan tegemoetkoming ontvangt, wat aldus heeft geleid tot de verhoging van het belastbaar inkomen dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van een dergelijke tegemoetkoming. B.2.1. Artikel 5/5, § 4, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (hierna : de bijzondere wet van 16 januari 1989), dat deel uitmaakt van titel III/1 (« Gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting »), bepaalt : « De gewesten zijn exclusief bevoegd voor de belastingverminderingen en belastingkredieten met betrekking tot de volgende uitgaven : 1° uitgaven voor het verwerven of het behouden van de eigen woning; […] ». B.2.2. Luidens artikel 1quater van de bijzondere wet van 16 januari 1989 mogen de gewesten uitsluitend opcentiemen of belastingvermeerderingen heffen en kortingen, belastingverminderingen of belastingkredieten toestaan op de bij de bijzondere wet van 6 16 januari 1989 bedoelde belastingen onder de voorwaarden bepaald in artikel 5/1, § 1, eerste lid, van die bijzondere wet, dat bepaalt : « Op basis van de lokalisatie van de personenbelasting kunnen de gewesten : 1° opcentiemen heffen op een deel van de personenbelasting. Het deel van de personenbelasting waarop de opcentiemen worden geheven, is de gereduceerde belasting Staat; 2° kortingen toestaan en belastingverminderingen en belastingvermeerderingen toepassen op de in 1° bedoelde opcentiemen zonder dat daaruit een vermindering of een vermeerdering van de belastbare grondslag ontstaat ». B.2.3. Daarnaast bepaalt artikel 5/1, § 5, tweede lid, van dezelfde bijzondere wet : « Van het totale netto inkomen kunnen enkel de onderhoudsgelden worden afgetrokken binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zijn bepaald in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ». B.2.4. De artikelen 5/1 en 5/5 werden in de bijzondere wet van 16 januari 1989 ingevoegd bij de artikelen 7 en 11 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 2014) en zijn in werking getreden op 1 juli 2014. Ze zijn van toepassing sinds het aanslagjaar 2015 (artikel 82, § 2, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 2014). B.2.5. Uit de voorgaande bepalingen volgt dat de gewesten sedert 1 juli 2014 exclusief bevoegd zijn om belastingverminderingen en belastingkredieten met betrekking tot uitgaven voor het verwerven of het behouden van de eigen woning toe te kennen, zij het dat zij daarbij de belastbare grondslag niet mogen verminderen. Zij kunnen met betrekking tot die uitgaven derhalve enkel een belastingvermindering of belastingkrediet toekennen, maar geen belastingaftrek (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2974/001, pp. 14 en 18). Bovendien kan de federale overheid van haar kant niet langer belastingvoordelen invoeren in de vorm van een aftrek van het totale netto-inkomen, tenzij voor de onderhoudsgelden (artikel 5/1, § 5, tweede lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989; Parl. St., Kamer, 2012- 2013, DOC 53-2974/001, p. 18). 7 B.3.1. De bijzondere wetgever heeft evenwel willen vermijden dat de bevoegdheidsoverdracht naar de gewesten een juridische leemte met zich zou meebrengen totdat de gewesten wetgevend optreden in het kader van de uitoefening van hun nieuwe bevoegdheden. Daartoe bepaalt artikel 81quater, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989, ingevoegd bij artikel 75 van de bijzondere wet van 6 januari 2014, dat, vanaf het aanslagjaar 2015, de gewestelijke belastingverminderingen en –kredieten met betrekking tot de in het voormelde artikel 5/5, § 4, bedoelde uitgaven de verminderingen en kredieten zijn zoals ze zijn opgenomen in de op 30 juni 2014 van kracht zijnde fiscale wetgeving, tot wanneer de gewesten hun eigen regels hebben vastgesteld voor elke gewestelijke belastingvermindering of elk gewestelijk belastingkrediet. Die bestaande fiscale wetgeving betreft de artikelen 104, 9°, en 115 van het WIB 1992, die voorzien in het mechanisme van de aftrek voor de eigen en enige woning. B.3.2. Teneinde artikel 81quater, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 ten uitvoer te leggen, heeft de federale wetgever de voormelde aftrek vervangen door een belastingvermindering (artikelen 20, 2°, 22, 43 en 44 van de wet van 8 mei 2014 « tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ingevolge de invoering van de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting als bedoeld in titel III/1 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, tot wijziging van de regels op het stuk van de belasting van niet-inwoners en tot wijziging van de wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet » (hierna : de wet van 8 mei 2014)). Het mechanisme van de belastingvermindering is vervat in artikel 14537 van het WIB 1992, ingevoegd bij artikel 44 van de wet van 8 mei 2014. B.4. Bij artikel 13 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 12 december 2014 « houdende verschillende maatregelen betreffende de begroting inzake natuurrampen, verkeersveiligheid, openbare werken, energie, huisvesting, leefmilieu, ruimtelijke ordening, dierenwelzijn, landbouw en fiscaliteit » (hierna : het programmadecreet van 12 december 2014) heeft de decreetgever paragraaf 3 van artikel 14537 van het WIB 1992 vervangen teneinde de regels inzake de berekening van de belastingvermindering te wijzigen. 8 Die regels zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2016 (artikel 17 van het programmadecreet van 12 december 2014). B.5.1. Artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap » (hierna : de wet van 27 februari 1987) bepaalt : « § 1. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijdt. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder ‘ inkomen ‘ en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat sommige inkomsten of delen van het inkomen, onder de voorwaarden die hij bepaalt, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. […] ». B.5.2. Volgens de artikelen 1 en 2 van de wet van 27 februari 1987 kunnen personen met een handicap drie types van tegemoetkoming krijgen : de inkomensvervangende tegemoetkoming, die wordt toegekend aan de persoon met een handicap die 21 tot 65 jaar oud is en wiens lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd; de integratietegemoetkoming, die wordt toegekend aan de persoon met een handicap die 21 tot 65 jaar oud is en bij wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld; de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, die wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 65 jaar oud is en bij wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld. Bij de wet van 20 december 2020 « tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, houdende de aanpassing van het leeftijdscriterium van 21 naar 18 jaar » werd het leeftijdscriterium om aanspraak te maken op een tegemoetkoming verlaagd naar 18 jaar. Die wijziging is evenwel zonder invloed op de prejudiciële vragen. B.5.3. Artikel 6, § 1, eerste lid, van de wet van 27 februari 1987 bevat voor de inkomensvervangende tegemoetkoming drie categorieën van bedragen (A, B en C). Het tweede 9 lid van die bepaling machtigt de Koning om te bepalen welke personen tot die categorieën behoren. Paragraaf 2 van artikel 6 legt de bedragen vast van de integratietegemoetkoming, die variëren volgens de graad van zelfredzaamheid van de gerechtigde. B.5.4. Artikel 7, § 1, tweede lid, van de wet van 27 februari 1987 wordt ten uitvoer gelegd door artikel 8, § 1, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 « betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming » (hierna : het koninklijk besluit van 6 juli 1987), dat bepaalt : « Wat betreft de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming wordt onder inkomen verstaan, de inkomsten van de persoon met een handicap en de inkomsten van de persoon met wie hij een huishouden vormt. De jaarlijkse inkomsten van een jaar zijn de gezamenlijk en afzonderlijk belastbare inkomsten die in aanmerking worden genomen voor de aanslag inzake personenbelasting en aanvullende belastingen ». B.5.5. Ter uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, van de wet van 27 februari 1987 sluiten de artikelen 8, § 2, tot en met 9ter van het voormelde koninklijk besluit voor de berekening van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming verschillende inkomsten of delen van het inkomen uit van het belastbaar inkomen. Artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 bepaalt : « Voor het bepalen van de in § 1 bedoelde inkomsten wordt geen rekening gehouden met de uitkeringen en het aanvullend loon die de persoon met een handicap ontvangt wanneer hij een beroepsopleiding, omscholing of herscholing volgt die ten laste is van de overheid, een openbare dienst of een sociale zekerheidsinstelling ». Artikel 8bis van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 bepaalt : « § 1. In afwijking van artikel 8, wanneer een uitkering bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet wordt uitbetaald in de vorm van kapitalen of afkoopwaarden, wordt hun tegenwaarde in periodieke uitkering in aanmerking genomen, ongeacht ze al dan niet belastbaar is, ten belope van het bedrag van de lijfrente dat wordt verkregen uit de omzetting tegen het procent dat in onderstaande tabel is vermeld tegenover de volle leeftijd van de verkrijger op de datum van het feit dat heeft aanleiding gegeven tot de uitbetaling : […] 10 De verrekening gebeurt vanaf de ingangsdatum van het recht op de tegemoetkoming en er worden geen vrijstellingen op toegepast. In de gevallen waarin het vonnis of de minnelijke schikking het gedeelte van het kapitaal dat voor de vergoeding van de vermindering van het verdienvermogen en dat voor de vermindering van de zelfredzaamheid is bestemd, niet nader bepaalt, geschiedt de omzetting in lijfrente op 70 pct. van het kapitaal dat als vergoeding aan de aanvrager werd toegekend voor de vermindering van het verdienvermogen en op 30 pct. van het kapitaal dat als vergoeding aan de aanvrager wordt toegekend voor de vermindering van de zelfredzaamheid. § 2. In afwijking van artikel 8 wordt, als inkomen voor de berekening van de inkomensvervangende tegemoetkoming rekening gehouden met de gezinsbijslag uitbetaald ten gunste van de persoon met een handicap overeenkomstig artikel 27 van de wet en artikel 47bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders. Voor de toepassing van het vorige lid worden de prestaties in aanmerking genomen waarop de persoon met een handicap recht heeft op de uitwerkingsdatum van de aanvraag of van de nieuwe aanvraag om tegemoetkoming of op de eerste dag van de maand die volgt op het feit dat aanleiding geeft tot de ambtshalve herziening bedoeld in artikel 23, § 1 van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Met het oog op het aftrekken van het bedrag van de tegemoetkomingen worden de in het eerste lid bedoelde prestaties op jaarbasis berekend en er worden geen vrijstellingen op toegepast ». Artikel 8ter van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 bepaalt : « In afwijking van artikel 8, wanneer de persoon met een handicap over een inkomen beschikt zoals bedoeld in artikel 9ter, § 6, 1°, en in de omstandigheden beschreven in artikel 23, § 1bis, 1°, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap wordt het jaarlijks beroepsinkomen van de persoon met een handicap berekend als volgt : 1° wanneer het om een loontrekkende activiteit gaat :
- a)en er is een voltijdse arbeidsbetrekking : het dagloon zoals het kan worden afgeleid uit de DMFA-aangifte van het kwartaal waarbinnen de arbeidsprestaties een aanvang namen, vermenigvuldigd met het aantal dagen per week van het arbeidsstelsel en vermenigvuldigd met 52;
- b)en er is een deeltijdse arbeidsbetrekking : het uurloon zoals het kan worden afgeleid uit de DMFA-aangifte van het kwartaal waarbinnen de arbeidsprestaties een aanvang namen, vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal uren per week en vermenigvuldigd met 52. Het bekomen resultaat wordt vrijgesteld met een bedrag dat gelijk is aan 13,07 pct. van het berekende jaarinkomen. 11 Dit resultaat wordt vervolgens verminderd met een bedrag dat gelijk is aan de forfaitaire beroepskosten die fiscaal in aanmerking worden genomen tijdens het jaar -2 in de zin van de artikelen 8 en 9 van dit besluit. 2° wanneer het om een zelfstandige activiteit gaat : de persoon met een handicap verklaart op erewoord de bruto inkomsten omgerekend op jaarbasis. Dit bedrag wordt verminderd met de door hem verklaarde jaarlijkse beroepskosten ». Artikel 9 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 bepaalt : « § 1. Wanneer de inkomsten van het jaar -1 ten minste met 20 pct. verlaagd of verhoogd zijn ten opzichte van de inkomsten van het jaar -2,wordt rekening gehouden met de inkomsten van het jaar -1. Men verstaat onder ‘ jaar -1 ’ het eerste kalenderjaar voorafgaand aan : 1° de uitwerkingsdatum van de aanvraag of van de nieuwe aanvraag om tegemoetkoming in de gevallen waarin de beslissing op aanvraag wordt genomen; 2° de kalendermaand volgend op het feit dat aanleiding geeft tot de ambtshalve herziening bedoeld in artikel 23, § 1 van het koninklijk besluit van 23 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Er wordt echter geen rekening gehouden met de inkomsten van het jaar -1 wanneer de persoon met een handicap over een beroepsinkomen beschikt in de zin van artikel 8ter van dit besluit. § 2. Wanneer vaststaat dat een inkomen dat als basis heeft gediend voor het bepalen van het inkomen van het huishouden niet meer bestaat en door geen enkel ander inkomen werd vervangen, wordt het inkomen dat niet meer bestaat niet meer in aanmerking genomen om het recht op tegemoetkomingen te bepalen. § 3. Wanneer de gegevens inzake de burgerlijke staat, het huishouden van de persoon met een handicap, de samenstelling van het gezin, de kinderlast of de samenwoning, welke tot grondslag gediend hebben voor de bepaling van het bedrag van het inkomen, gewijzigd zijn, wordt rekening gehouden met de nieuwe toestand ». Artikel 9bis, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 bepaalt : « Voor de berekening van de inkomensvervangende tegemoetkoming wordt geen rekening gehouden met : 1° het gedeelte van het inkomen van de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt, dat niet meer bedraagt dan de helft van het bedrag dat overeenstemt met het bedrag van categorie A bedoeld in artikel 6, § 1, van de wet; 12 2° het inkomen verworven uit werkelijk gepresteerde arbeid door de persoon met een handicap wordt vrijgesteld : voor 50 pct. voor de schijf van 0 EUR tot 3551,77 EUR en voor 25 pct. voor de schijf van 3551,78 EUR tot 5327,65 EUR. Deze bedragen zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 van de consumptieprijzen (basis 1996 = 100); 3° het deel van de andere inkomsten dan die vermeld in 1° of 2°, dat geen 500,00 EUR per jaar overschrijdt. Dit bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 van de consumptieprijzen (basis 1996 = 100). […] ». Artikel 9ter van het koninklijk besluit van 6 juli 1987, zoals van toepassing voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt : « § 1. Voor de berekening van de integratietegemoetkoming worden bepaalde gedeelten van het overeenkomstig de artikelen 8 en 9 bepaalde inkomen vrijgesteld onder de in de volgende paragrafen vermelde voorwaarden. § 2. Van het inkomen van de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt wordt vrijgesteld, de eerste 28.619,73 EUR, alsook de helft van het gedeelte dat meer bedraagt dan dit bedrag. § 3. Van het arbeidsinkomen worden de eerste 16.354,13 EUR vrijgesteld, alsook de helft van het arbeidsinkomen dat meer bedraagt dan 16.354,13 EUR. § 4. Van het vervangingsinkomen wordt vrijgesteld : 1° indien de genoten arbeidsvrijstelling niet meer bedraagt dan 14.017,83 EUR, de eerste 2.335,97 EUR; 2° indien de genoten arbeidsvrijstelling meer bedraagt dan 14.017,83 EUR : het gedeelte dat niet meer bedraagt dan het verschil tussen 2.335,97 EUR en het gedeelte van de genoten arbeidsvrijstelling dat meer bedraagt dan 14.017,83 EUR. § 5. Van het andere inkomen wordt vrijgesteld : het gedeelte dat niet meer bedraagt dan het verschil tussen de categorievrijstelling, enerzijds, en de som van de genoten arbeidsvrijstelling en de genoten vrijstelling op het vervangingsinkomen, anderzijds. § 6. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder : 1° arbeidsinkomen : het inkomen van de persoon met een handicap voortkomend uit werkelijk door hemzelf gepresteerde arbeid; 2° vervangingsinkomen : het geheel van de sociale uitkeringen die de persoon met een handicap ontvangt op grond van de reglementeringen inzake ziekte en invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, rust- en overlevingspensioenen, inkomensgarantie voor ouderen en gewaarborgd inkomen voor bejaarden; 13 3° arbeidsvrijstelling : de vrijstelling bedoeld in paragraaf 3; 4° vrijstelling op het vervangingsinkomen : de vrijstelling bedoeld in paragraaf 4; 4°bis andere inkomen : het niet vrijgesteld vervangingsinkomen overeenkomstig § 4, en de andere niet in punten 1° en 2° bedoelde belastbare inkomsten; 5° categorievrijstelling : een bedrag dat afhankelijk is van de categorie waartoe de persoon op basis van artikel 4 zou kunnen behoren of behoort en dat overeenstemt met de bedragen van de overeenstemmende categorieën van de inkomensvervangende tegemoetkoming vermeld in artikel 6, § 1, van de wet van 27 februari 1987. § 7. De bedragen bedoeld in de paragrafen 2 tot en met 4 zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 der consumptieprijzen (basis 1996 = 100) overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 […] ». Ten gronde Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.6. De eerste prejudiciële vraag peilt naar de bestaanbaarheid van artikel 13 van het programmadecreet van 12 december 2014 met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, in zoverre die bepaling, door de aftrek voor de eigen en enige woning te hebben vervangen door een belastingvermindering, ertoe heeft geleid dat het gezamenlijk belastbaar inkomen dat in aanmerking wordt genomen om te bepalen of de belastingplichtige tegemoetkomingen voor personen met een handicap kan genieten, werd verhoogd. B.7. Uit hetgeen is vermeld in B.2 tot en met B.4, volgt evenwel dat de vervanging van de fiscale aftrek voor de eigen en enige woning door een belastingvermindering het gevolg is van de artikelen 20, 2°, 22, 43 en 44 van de wet van 8 mei 2014. Artikel 13 van het programmadecreet van 12 december 2014 wijzigt uitsluitend de regels inzake de berekening van de belastingvermindering. De eerste prejudiciële vraag berust derhalve op een verkeerde premisse, zodat zij geen antwoord behoeft. 14 Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.8. De tweede prejudiciële vraag peilt naar de bestaanbaarheid van artikel 7 van de wet van 27 februari 1987, van de artikelen 5/1, § 1, eerste lid, 2°, en 5/5, § 4, 1°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 en van de artikelen 20, 2°, 22, 43 en 44 van de wet van 8 mei 2014 met artikel 23 van de Grondwet, in zoverre die bepalingen door de fiscale aftrek voor de eigen en enige woning te hebben vervangen door een belastingvermindering, ertoe zou hebben geleid dat het bedrag van het gezamenlijk belastbaar inkomen dat in aanmerking wordt genomen om te bepalen of de belastingplichtige tegemoetkomingen voor personen met een handicap kan genieten, werd verhoogd. B.9. Volgens de Ministerraad vloeit de eventuele schending van artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet niet voort uit de in de tweede prejudiciële vraag beoogde normen, maar uit de regels inzake de berekening van de inkomsten die in aanmerking komen voor de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, die zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 6 juli 1987. B.10. De belastingvermindering moet worden onderscheiden van de belastingaftrek. Met die laatste wordt een bedrag afgetrokken van de inkomsten die de belastbare grondslag van de belasting vormen. Zij heeft dus tot gevolg het bedrag van de belastbare inkomsten van de belastingplichtige te verminderen, terwijl, met de belastingvermindering, een bedrag rechtstreeks in mindering wordt gebracht op het bedrag van de belasting die de belastingplichtige verschuldigd is. De vervanging van een aftrekbare uitgave door een belastingvermindering leidt derhalve tot een verhoging van het belastbaar inkomen. Aangezien dat fiscaal belastbaar inkomen wordt gebruikt om te bepalen of een persoon aanspraak maakt op een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming en er geen vrijstelling kan worden toegepast om de effecten van de vervanging van de fiscale aftrek te neutraliseren, kan dat leiden tot een verhoging van het inkomen dat in aanmerking wordt genomen om te bepalen of de belastingplichtige tegemoetkomingen voor personen met een handicap kan genieten. Zoals werd vermeld in B.1, heeft die vervanging voor de appellante voor het verwijzende rechtscollege tot gevolg gehad dat zij thans een lager bedrag aan tegemoetkoming ontvangt. 15 B.11. Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. B.12.1. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege en de personen met een handicap die zich in dezelfde situatie bevinden, verliezen het recht op het ontvangen van inkomensvervangende tegemoetkomingen om reden van de verhoging van het bedrag dat in aanmerking wordt genomen als belastbare inkomsten, verhoging die voortvloeit uit de vervanging van de aftrek voor de eigen en enige woning door een belastingvermindering, terwijl hun werkelijke inkomsten niet zijn toegenomen en hun uitgaven voor het verwerven of behouden van hun eigen woning niet zijn afgenomen Aangezien die personen arbeidsongeschikt zijn, zijn de vervangende inkomsten die zij ontvangen, in de regel hun enige inkomsten. B.12.2. Hieruit vloeit voort dat het aan hen voorheen geboden beschermingsniveau inzake sociale grondrechten aanzienlijk werd verminderd, zonder dat blijkt welke redenen die verband houden met het algemeen belang zulks zouden verantwoorden. B.12.3. Bijgevolg zijn de artikelen 20, 2°, 22, 43 en 44 van de wet van 8 mei 2014 niet bestaanbaar met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, doch uitsluitend in zoverre die bepalingen niet gepaard gaan met een gelijktijdige wijziging van de wet- of regelgeving betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap die een dergelijke aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau vermijdt. 16 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 20, 2°, 22, 43 en 44 van de wet van 8 mei 2014 « tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ingevolge de invoering van de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting als bedoeld in titel III/1 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, tot wijziging van de regels op het stuk van de belasting van niet-inwoners en tot wijziging van de wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet » schenden artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, doch uitsluitend in zoverre die bepalingen niet gepaard gaan met een gelijktijdige wijziging van de wet- of regelgeving betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, die een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau vermijdt. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 13 oktober 2022. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.123 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div