id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.125 Arrest- Rolnummer: 125/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 493 - laatst gezien 2026-06-14 19:40 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over artikel 220 van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid », zoals gewijzigd bij de wet van 19 april 2014, en artikel 5 van het Strafwetboek, zoals gewijzigd bij artikel 188 van de voormelde wet van 15 mei 2007 en vóór de vervanging ervan bij de wet van 11 juli 2018, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Civiele veiligheid - Strafrechtelijke immuniteit van de hulpverleningszones - Hulpverleningszone georganiseerd in de vorm van een intercommunale - Vrijstelling van strafvervolging na de feiten Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 125/2022 van 13 oktober 2022 Rolnummer : 7602 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 220 van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid », zoals gewijzigd bij de wet van 19 april 2014, en artikel 5 van het Strafwetboek, zoals gewijzigd bij artikel 188 van de voormelde wet van 15 mei 2007 en vóór de vervanging ervan bij de wet van 11 juli 2018, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 20 mei 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 juni 2021, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schenden artikel 220 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, dat bepaalt dat de brandweerdiensten op 1 januari 2015 in de hulpverleningszones worden geïntegreerd, en artikel 188 van dezelfde wet, dat artikel 5 van het Strafwetboek wijzigt, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 11 juli 2018, en dat erin voorziet dat de hulpverleningszones strafrechtelijke immuniteit genieten, artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre [strafrechtelijke immuniteit] wordt verleend aan een hulpverleningszone die, op het ogenblik van het plegen van de strafbare feiten, strafrechtelijk aansprakelijk kon worden gesteld, waarbij zij, door de werking van een tussenliggende wet, van vervolging wordt vrijgesteld, zodat het strafgerecht, ten koste van de voorzienbaarheid van de strafprocedure die de burgerlijke partijen gerechtigd waren te verwachten, onbevoegd wordt gemaakt om kennis te nemen van die vorderingen, die door de onderzoeksgerechten niet voor een vonnisgerecht zouden kunnen zijn gebracht ? In geval van een ontkennend antwoord : 2 Schenden artikel 220 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, dat bepaalt dat de brandweerdiensten op 1 januari 2015 in de hulpverleningszones worden geïntegreerd, en artikel 188 van dezelfde wet, dat artikel 5 van het Strafwetboek wijzigt, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 11 juli 2018, en dat erin voorziet dat de hulpverleningszones strafrechtelijke immuniteit genieten, artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15 van het Verdrag van New York, indien zij in die zin worden geïnterpreteerd dat zij het strafgerecht waarbij de burgerlijke rechtsvorderingen aanhangig zijn gemaakt die zijn ingesteld vóór de inwerkingtreding van de strafrechtelijke immuniteit die aan een hulpverleningszone is verleend, de mogelijkheid bieden niet zijn bevoegdheid te verliezen, wegens de verwijzing door de onderzoeksgerechten, om kennis te nemen van die vorderingen, die zijn ingesteld op een ogenblik dat de beklaagde publiekrechtelijke rechtspersoon geen strafrechtelijke immuniteit genoot maar die later zal genieten, door de werking van de wet, aangezien de hulpverleningszone georganiseerd is in de vorm van een intercommunale ? ». Memories zijn ingediend door : - Guy Storms, Viviane Michiels en Valérie Storms, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Buisseret, Mr. I. Slaets en Mr. J.-P. Hordies, advocaten bij de balie te Brussel; - de cvba « Liège Zone 2, Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs - Service régional d’incendie », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Bourtembourg, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson, advocaat bij de balie te Brussel. Guy Storms, Viviane Michiels en Valérie Storms hebben ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 8 juni 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 23 juni 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 22 juni 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 13 juli
- Op de openbare terechtzitting van 13 juli 2022 : - zijn verschenen : . Mr. T. Michel, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. N. Buisseret, Mr. I. Slaets en Mr. J.-P. Hordies, voor Guy Storms, Viviane Michiels en Valérie Storms; 3 . Mr. J. Bourtembourg, voor de cvba « Liège Zone 2, Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs - Service régional d’incendie »; . Mr. F. Matthis, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. B. Renson, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 23 januari 2010 wordt een gasgeur waargenomen in het gebouw gelegen op nummer 18 van de rue Léopold te Luik. De gewestelijke brandweerdienst van de stad Luik, de politie van Luik en de « Association liégeoise du gaz » komen ter plaatse. Een veiligheidsperimeter wordt ingesteld en de brandweerlieden inspecteren de appartementen. De perimeter wordt vervolgens opgeheven omdat er geen gevaar is. In het interventieverslag wordt melding gemaakt van een vals alarm. Op 27 januari 2010 ontploft dat gebouw na een gaslek, met de dood van veertien personen tot gevolg en waardoor het gebouw volledig tot puin wordt herleid en het aanpalende gebouw, gelegen op nummer 20 van de rue Léopold, wordt vernietigd. Bij een vonnis van 15 oktober 2020 oordeelt de correctionele rechtbank Luik, afdeling Luik, dat er op 23 januari 2010 in het gebouw gelegen op nummer 18 van de rue Léopold effectief een gaslek is geweest en dat de ter plaatse gekomen hulpdiensten een beoordelingsfout hebben gemaakt. De aansprakelijkheid van de eigenaar van het gebouw staat ook vast. Bijgevolg verklaart de correctionele rechtbank Luik, afdeling Luik, de tenlasteleggingen tegen de eigenaar van het gebouw en de cvba « Liège Zone 2, Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs – Service régional d’incendie » (hierna : de « Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs ») bewezen en veroordeelt zij , burgerrechtelijk, die eigenaar en de voormelde intercommunale hoofdelijk tot de betaling van een schadevergoeding aan de verschillende slachtoffers van de gasontploffing. Bij het Hof van Beroep te Luik zijn verscheidene hogere beroepen aanhangig die tegen het vonnis van 15 oktober 2020 zijn ingesteld. De cvba « Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs » betoogt dat haar vervolging niet ontvankelijk is, aangezien artikel 5 van het Strafwetboek, vóór de wijziging ervan bij de wet van 11 juli 2018 « tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft » (hierna : de wet van 11 juli 2018), haar een strafrechtelijke immuniteit verleende in haar hoedanigheid van hulpverleningszone. Het Hof van Beroep te Luik stelt vast dat de cvba « Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs » op het ogenblik van de feiten geen strafrechtelijke immuniteit krachtens artikel 5 van het Strafwetboek genoot. Het stelt daarenboven vast dat, krachtens artikel 220 van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid » (hierna : de wet van 15 mei 2007), gewijzigd bij de wet van 19 april 2014 « tot vaststelling van bepaalde aspecten van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid », de brandweerdiensten op 1 januari 2015 in de hulpverleningszones zijn geïntegreerd. Het Hof van Beroep te Luik besluit daaruit dat de cvba « Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs » een hulpverleningszone is die de vorm van een intercommunale heeft aangenomen. Bijgevolg genoot de cvba « Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs » vanaf 1 januari 2015 als hulpverleningszone de strafrechtelijke immuniteit waarin is voorzien bij artikel 5 van het Strafwetboek, zoals het is gewijzigd bij de wet van 15 mei
- Na de wijziging van artikel 5 van het Strafwetboek bij de wet van 11 juli 2018 kunnen de hulpverleningszones evenwel voortaan strafrechtelijk verantwoordelijk gesteld worden. Bijgevolg heeft de 4 cvba « Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs » tussen 1 januari 2015 en 30 juli 2018 een strafrechtelijke immuniteit genoten. Volgens het Hof van Beroep te Luik moet, indien verscheidene wetgevingen elkaar opvolgen tussen het plegen van de feiten en de dag waarop die worden berecht, op de beklaagde de meest gunstige wet worden toegepast, overeenkomstig artikel 2 van het Strafwetboek, artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Het Hof van Beroep te Luik stelt daarenboven vast dat uit artikel 12, tweede lid, van de Grondwet voortvloeit dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag vertoont, kan uitmaken of dat gedrag strafbaar is alsook de mogelijkerwijs op te lopen straf kan kennen. Het beginsel van voorzienbaarheid is niet alleen van toepassing op het strafrecht sensu stricto maar ook op de hele strafrechtspleging. Volgens het Hof van Beroep te Luik moet dat beginsel ook worden toegepast op de slachtoffers aan wie wordt toegestaan deel te nemen aan het strafproces om schadevergoeding te verkrijgen voor hun nadeel dat in oorzakelijk verband staat met een bewezen verklaard misdrijf. Het Hof van Beroep stelt zich vragen over de verenigbaarheid, met artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met diverse bepalingen van het internationaal verdragsrecht, van de strafrechtelijke immuniteit die na het plegen van de feiten aan de cvba « Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs » is verleend bij de in het geding zijnde bepalingen, immuniteit die haar onttrekt aan de bevoegdheid van de strafrechter, in zoverre, ten aanzien van de burgerlijke partijen, afbreuk zou worden gedaan aan het beginsel van de voorzienbaarheid van de strafrechtspleging. Bijgevolg houdt het de uitspraak aan, zowel over het strafrechtelijk gedeelte als over het burgerrechtelijk gedeelte, wat de cvba « Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs » betreft, en stelt het de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.
- Volgens drie burgerlijke partijen voor de verwijzende rechter komt het beginsel van de retroactiviteit van de lichtere straffen voort uit de idee dat, wanneer de wetgever zijn opvatting met betrekking tot het strafbare karakter van bepaalde feiten wijzigt door, voor dezelfde feiten, te voorzien in een lichtere straf, de noodzaak om de strengere oude straffen toe te passen verdwijnt. Te dezen is het de wil van de wetgever, die sinds 1999 constant blijkt, de publiekrechtelijke rechtspersonen te onderwerpen aan de regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de privaatrechtelijke rechtspersonen. Trouwens, de strafrechtelijke immuniteit waarop de cvba « Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs » zich beroept, bestond slechts van 1 januari 2015 tot 27 juli
- Bijgevolg kan zij het beginsel van de retroactiviteit van de lichtere straffen niet rechtsgeldig aanvoeren. De voormelde burgerlijke partijen betogen daarenboven dat het beginsel van wettigheid van de straffen en van voorzienbaarheid ervan, waarbij wordt voorzien in bepaalde waarborgen ten gunste van de beklaagde, ook in die zin teleologisch moet worden geïnterpreteerd dat daarbij rekening wordt gehouden met de rechten van de burgerlijke partijen. In zijn rechtspraak heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens trouwens erkend dat de waarborgen waarin is voorzien bij artikel 6 van het gelijknamige verdrag, ten goede kwamen aan de burgerlijke partijen, teneinde de rechten van de slachtoffers en de plaats die hun toekomt in het strafproces te vrijwaren, zodat ervan dient te worden uitgegaan dat de burgerlijke partijen ook de begunstigden zijn van het beginsel van voorzienbaarheid en wettigheid van de straffen. Bijgevolg kan artikel 12, tweede lid, van de Grondwet niet dienen als grondslag om het beginsel van de retroactiviteit van de lichtste straf toe te passen, aangezien de wetgever ter gelegenheid van de wijziging van de artikelen 5 en 7bis van het Strafwetboek zijn wil te kennen heeft gegeven om te voorzien in de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de publiekrechtelijke rechtspersonen. Tot slot zou het, volgens de voormelde burgerlijke partijen, op moreel vlak voor hen catastrofaal zijn dat hun, wegens de regels over de toepassing van de strafwet in de tijd, de mogelijkheid zou worden ontzegd om vergoeding te verkrijgen voor de geleden nadelen, te meer daar de strafrechtelijke immuniteit waarop de cvba « Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs » zich beroept, niet in verhouding staat tot het door die partijen beleefde drama en de strafrechtelijke gevolgen ervan voor die intercommunale. 5 A.2.
- De cvba « Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs » gaat ervan uit dat krachtens artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek op de beklaagde de meest gunstige wet moet worden toegepast, zodat, indien de strafwet is opgeheven op het ogenblik dat de bodemrechter uitspraak moet doen, de beklaagde het voordeel van die opheffing moet genieten. Indien drie wetgevingen elkaar opvolgen en indien tussen de eerste en de derde de wetgever de strafwet opheft of een straf bepaalt die lager is dan die waarin is voorzien bij de twee andere wetten, dient de beklaagde daarvan het voordeel te genieten. Het Hof van Cassatie van Frankrijk oordeelt in dat perspectief dat wanneer een misdrijf is gepleegd onder de gelding van een eerste wet, waarvan de bepalingen vervolgens zijn opgeheven, hetgeen tot gevolg heeft haar niet-toepasselijk te maken op de feiten, waarbij die tweede wet zelf vervangen wordt door een derde welke die feiten opnieuw bestraft, het beginsel van de niet-retroactiviteit van de strafwet impliceert dat die niet langer kunnen worden vervolgd. A.2.
- Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, bestaat er, volgens de cvba « Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs », geen beginsel van voorzienbaarheid van de strafrechtspleging ten voordele van de burgerlijke partijen krachtens hetwelk zij zouden kunnen verwachten dat het misdrijf dat wordt bestraft op het ogenblik waarop de feiten worden gepleegd, het voorwerp kan uitmaken van een veroordeling, zelfs indien de feiten niet langer worden bestraft na een wijziging van de strafwet. Het beginsel van voorzienbaarheid komt slechts ten goede aan diegene die een daad pleegt die strafrechtelijk kan worden gekwalificeerd. Daarenboven kunnen de burgerlijke partijen hun klachten richten aan de natuurlijke personen die sinds het plegen van de feiten niet hebben opgehouden strafrechtelijk verantwoordelijk te zijn. Zij kunnen de strafrechtelijke verantwoordelijkheid in het geding brengen van de natuurlijke personen die, binnen de cvba « Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs », een misdrijf zouden hebben gepleegd, waarbij de strafrechtelijke immuniteit van die laatste daarvoor geen hinderpaal vormt. A.2.
- Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, betoogt de cvba « Intercommunale d’Incendie de Liège et Environs » dat het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet van toepassing is ongeacht de fase van het strafproces waarin de mildere strafwet van kracht wordt. De verplichting de mildere strafwet terugwerkende kracht te verlenen blijft bestaan zolang de vervolging niet heeft geleid tot een definitieve veroordelende beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan. Bovendien gaat het, wat het geschil voor de verwijzende rechter betreft, niet erom het strafrechtelijke karakter van een gedraging te schrappen, maar een rechtspersoon strafrechtelijke immuniteit te verlenen zonder dat de feiten hun strafbare karakter verliezen ten aanzien van de natuurlijke personen die hen zouden hebben gepleegd, zodat de toepassing van de retroactiviteit van de mildere strafwet geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt ten aanzien van de burgerlijke partijen in deze zaak. A.3.
- Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, betoogt de Ministerraad dat het beginsel van voorzienbaarheid van de strafrechtspleging, waarin is voorzien bij artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, niet van toepassing is op de slachtoffers aan wie wordt toegestaan deel te nemen aan het strafproces teneinde een schadevergoeding te bekomen voor hun schade. Daarenboven kunnen zij niet voorbijgaan aan artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek en aan het erin verankerde beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet, noch aan het bijkomstige karakter van de burgerlijke rechtsvordering die voor de strafrechter wordt gebracht en de gevolgen die eruit voortvloeien. Daarenboven was de retroactieve toepassing van de aan de hulpverleningszones toegekende strafrechtelijke immuniteit voor de slachtoffers voorzienbaar, aangezien in die immuniteit is voorzien bij artikel 188 van de wet van 15 mei 2007, bekendgemaakt op 31 juli
- Bovendien doet die retroactieve toepassing geen afbreuk aan het recht op toegang tot een rechter dat is gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat de slachtoffers de mogelijkheid biedt de vergoeding te vorderen van het nadeel dat zij hebben geleden, wanneer de vervolging inderdaad rechtsgeldig is ingesteld en wanneer de burgerlijkepartijstelling of de rechtstreekse dagvaarding tijdig is gebeurd, belet de uitdoving van de latere strafvordering de beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering door het strafgerecht niet. Zelfs in de hypothese dat de strafrechter niet langer uitspraak zou kunnen doen over de burgerlijke rechtsvordering wegens de strafrechtelijke immuniteit die is verankerd bij een tussenliggende wet ten voordele van bepaalde vervolgde beklaagden, kunnen de burgerlijke partijen hun burgerlijke eisen doen gelden tegen de andere beklaagden die niet het voordeel van een dergelijke immuniteit genieten. Tot slot kunnen de slachtoffers vrij kiezen om hun vordering tot vergoeding voor de burgerlijke rechter dan wel voor de strafrechter te brengen. In die laatste hypothese aanvaarden zij het bijkomstige karakter van de burgerlijke rechtsvordering en onderwerpen zij zich aan het gezag van gewijsde van de beslissing die is genomen over de strafvordering, zodat de burgerlijke partij die de voorkeur geeft aan de strafrechtelijke weg, zich niet kan beroepen op een schending van artikel 6 van 6 het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien zij de zaak aanhangig kon maken bij de burgerlijke rechter. A.3.
- Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, betoogt de Ministerraad dat uit artikel 12, tweede lid, van de Grondwet en uit artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering volgt dat wanneer vervolging is ingesteld en wanneer de burgerlijkepartijstelling of de rechtstreekse dagvaarding tijdig is gebeurd, de latere uitdoving van de strafvordering, het slachtoffer niet belet zijn burgerlijke rechtsvordering voort te zetten voor de strafrechter bij wie die vordering reeds aanhangig is gemaakt. De strafrechtelijke immuniteit waarin is voorzien bij de wet van 15 mei 2007 brengt niet de burgerrechtelijke immuniteit met zich mee, zodat niets eraan in de weg staat dat de strafrechter bij wie de burgerlijke rechtsvordering rechtsgeldig aanhangig is gemaakt, bevoegd blijft om kennis te nemen van die vordering, voor zover hij zich alleen uitspreekt volgens de rechtsregels van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid. Wanneer hij alleen uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering, spreekt de strafrechter zich immers niet uit over de strafrechtelijke schuld van de beklaagde. - B- B.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 220 van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid » (hierna : de wet van 15 mei 2007), zoals gewijzigd bij de wet van 19 april 2014 « tot vaststelling van bepaalde aspecten van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid » (hierna : de wet van 19 april 2014), en op artikel 5 van het Strafwetboek, zoals gewijzigd bij artikel 188 van de wet van 15 mei 2007, vóór de vervanging ervan bij de wet van 11 juli 2018 « tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft », (hierna : de wet van 11 juli 2018). B.2.
- Artikel 220 van de wet van 15 mei 2007, zoals gewijzigd bij de wet van 19 april 2014, bepaalt : « §
- De brandweerdiensten worden op 1 januari 2015 in de hulpverleningszones geïntegreerd. Voor de prezones die de mogelijkheid bedoeld in artikel 68, § 2, derde lid, benutten, vindt de integratie van de brandweerdiensten in de hulpverleningszone plaats op een door de raad van de prezone vastgestelde datum en ten laatste op 1 januari
- In het geval bedoeld in het tweede lid wordt het bedrag van de bijkomende federale dotaties toegekend naar rata van het aantal maanden dat de brandweerdiensten geïntegreerd werden in de hulpverleningszones. 7 §
- In afwijking van § 1, kan de pre-zoneraad, door een bij absolute meerderheid aangenomen beslissing, vragen dat de brandweerdiensten die aanwezig zijn op zijn grondgebied geïntegreerd worden in een hulpverleningszone wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° het territoriale ambtsgebied van de zone is vastgesteld, overeenkomstig artikel 14; 2° de federale dotatie werd bepaald, overeenkomstig artikel
- De Koning stelt de overgang van de prezone naar de hulpverleningszone vast. In dat geval zijn de bepalingen van deze wet betreffende de hulpverleningszones van toepassing op de zone, zodra de officiële verklaring opgesteld is, met uitzondering van artikel 67, tweede lid. §
- In afwijking van § 2, bij gebrek aan een absolute meerderheid maar op de vraag van een of meerdere gemeenten die op de dag van de aanvraag meer dan 50 % van de bevolking ingeschreven in het bevolkingsregister vertegenwoordigen, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de overgang van de prezone naar hulpverleningszone vaststellen. §
- In de gevallen bedoeld in §§ 2 en 3, wordt het gemeentelijk personeel gedetacheerd naar of ter beschikking gesteld van de hulpverleningszone overeenkomstig artikel 206/1 ». Artikel 5 van het Strafwetboek, zoals gewijzigd bij artikel 188 van de wet van 15 mei 2007, vóór de vervanging ervan bij de wet van 11 juli 2018, bepaalt : « Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd. Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld. Met rechtspersonen worden gelijkgesteld : 1° tijdelijke verenigingen en verenigingen bij wijze van deelneming; 2° vennootschappen bedoeld in artikel 2, derde lid van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, alsook handelsvennootschappen in oprichting; 3° burgerlijke vennootschappen die niet de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen. Voor de toepassing van dit artikel kunnen niet als strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon worden beschouwd : de federale staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de 8 meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ». B.2.
- Artikel 220 van de wet van 15 mei 2007, aldus vervangen bij de wet van 19 april 2014, is in werking getreden tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad op 23 juli
- Het heeft tot gevolg dat op 1 januari 2015 de brandweerdiensten in de hulpverleningszones worden geïntegreerd. Artikel 188 van de wet van 15 mei 2007, dat artikel 5 van het Strafwetboek heeft gewijzigd door de woorden « de hulpverleningszones » in te voegen in het vierde lid ervan, is in werking getreden op 1 januari 2015 door de werking van het koninklijk besluit van 4 augustus 2014 « tot bepaling van de modaliteiten van de uitvoering door de provincie van opdrachten ten gunste van de hulpverleningszone en tot wijziging van diverse koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid » (artikel 11, § 1, 1°). Bijgevolg genoten die diensten, als hulpverleningszones, vanaf die datum het voordeel van een strafrechtelijke immuniteit krachtens artikel 5 van het Strafwetboek, zoals gewijzigd bij artikel 188 van de wet van 15 mei 2007 en vóór de wijziging ervan bij de wet van 11 juli
- B.
- Na de wijziging ervan bij de wet van 11 juli 2018 bepaalt artikel 5 van het Strafwetboek : « Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor de misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd. Met rechtspersonen worden gelijkgesteld : 1° tijdelijke handelsvennootschappen en stille handelsvennootschappen; 2° vennootschappen bedoeld in artikel 2, § 4, tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen, alsook handelsvennootschappen in oprichting; 3° burgerlijke vennootschappen die niet de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen. De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen sluit die van de natuurlijke personen, die daders zijn van dezelfde feiten of eraan hebben deelgenomen, niet uit ». 9 Sinds de inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2018 genieten de publiekrechtelijke rechtspersonen, met inbegrip van de hulpverleningszones, niet langer het voordeel van een strafrechtelijke immuniteit. Krachtens artikel 7bis, derde lid, van het Strafwetboek is evenwel de enige straf die op die personen kan worden toegepast de eenvoudige schuldigverklaring, met uitsluiting van elke andere straf. B.4.
- Uit de motivering van het verwijzingsarrest blijkt dat de feiten die aan de oorsprong liggen van de prejudiciële vragen, een als intercommunale opgerichte hulpverleningszone betreffen die strafrechtelijk wordt vervolgd en die op het ogenblik van de feiten, die aan de oorsprong liggen van de vervolging, strafrechtelijk verantwoordelijk kon worden gesteld maar die, krachtens de in het geding zijnde bepalingen, later, tussen 1 januari 2015 en de inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2018, het voordeel van een strafrechtelijke immuniteit heeft genoten. Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat in die hypothese, krachtens artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek, aan de hulpverleningszone het voordeel van de meest gunstige strafwet zou moeten worden gegeven, namelijk die welke haar een strafrechtelijke immuniteit verleent, zelfs indien de wetgever, bij de wet van 11 juli 2018, beslist heeft « terug te komen op zijn aanvankelijke intentie ». B.4.
- De burgerlijke partijen voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat de prejudiciële vragen op een verkeerde lezing van de wetgeving berusten, aangezien het beginsel van de retroactiviteit van de gunstigere strafwet te dezen niet moet worden toegepast . B.4.
- Het staat in de regel aan de verwijzende rechter om de bepalingen die hij van toepassing acht te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen, wat te dezen niet het geval is. Het Hof onderzoekt bijgevolg die bepalingen in de door de verwijzende rechter voorgelegde interpretatie. B.5.
- Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de verenigbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij een strafrechtelijke immuniteit verlenen aan een hulpverleningszone die georganiseerd is in de vorm van een intercommunale, waarbij zij het strafgerecht onbevoegd maken om kennis te 10 nemen van de strafvordering, terwijl op het ogenblik van het plegen van de feiten, die intercommunale niet het voordeel van een dergelijke immuniteit genoot, zodat de in het geding zijnde bepalingen afbreuk zouden doen aan het beginsel van de voorzienbaarheid van de strafrechtspleging waarop de burgerlijke partijen rechtens aanspraak zouden mogen maken. Daarenboven stelt de verwijzende rechter aan het Hof ook een vraag over de verenigbaarheid van die bepalingen met artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre zij het strafgerecht waarbij vóór de inwerkingtreding van de voormelde strafrechtelijke immuniteit rechtsgeldig burgerlijke vorderingen zijn ingesteld de mogelijkheid bieden van die vorderingen kennis te nemen na die inwerkingtreding. B.5.
- Gelet op hun samenhang, onderzoekt het Hof de prejudiciële vragen samen. B.
- Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt dat « niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». De in die bepaling geformuleerde beginselen van wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging waarborgen elke burger dat tegen hem enkel een opsporingsonderzoek, een gerechtelijk onderzoek en een vervolging kunnen worden ingesteld volgens een bij de wet vastgestelde procedure waarvan hij vóór de aanwending ervan kennis kan nemen. Die beginselen zijn dus van toepassing op de hele strafrechtspleging. B.
- De bewoordingen van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet beogen de strafrechtelijk vervolgde persoon. Bijgevolg komt het daarin geformuleerde beginsel van voorzienbaarheid van de strafrechtspleging slechts ten goede aan de persoon die ervan verdacht wordt een misdrijf te hebben gepleegd, en niet aan de burgerlijke partij bij het strafproces, die het slachtoffer van het misdrijf is. Zulks is ook het geval voor de waarborgen in strafrechtelijke aangelegenheden die zijn geformuleerd in de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en voor artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De burgerlijke rechtsvordering die eventueel door het slachtoffer van het misdrijf wordt ingesteld bij de strafrechter, valt onder de in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten 11 van de mens geformuleerde waarborgen in burgerlijke aangelegenheden. Te dezen kan evenwel niet worden aangenomen dat die waarborgen een draagwijdte hebben die analoog is aan die van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. B.8.
- Uit het voorgaande vloeit voort dat het in artikel 12, tweede lid, van de Grondwet geformuleerde beginsel van voorzienbaarheid van de strafrechtspleging niet door de burgerlijke partij kan worden aangevoerd om van het strafgerecht de toepassing te verkrijgen van een strengere vroegere strafwet op de persoon die ervan verdacht wordt een misdrijf te hebben gepleegd, wanneer de strafrechter van oordeel is dat die krachtens artikel 2 van het Strafwetboek het voordeel moet genieten van de toepassing van de gunstigere strafwet. Zulks is met name het geval wanneer de wetgever, nadat de feiten werden gepleegd, voorziet in een strafrechtelijke immuniteit ten voordele van een categorie van personen, zoals het geval is in het geschil voor het verwijzende rechtscollege. De omstandigheid dat de verdachte persoon een publiekrechtelijke rechtspersoon is, kan niets aan die vaststelling wijzigen. B.8.
- Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet staat niet eraan in de weg dat het strafgerecht zijn bevoegdheid behoudt om uitspraak te doen over de burgerlijke rechtsvorderingen die door de burgerlijke partijen zijn ingesteld tegen de rechtspersonen die later het voordeel van de strafrechtelijke immuniteit genieten waarin is voorzien bij de in het geding zijnde bepalingen, wanneer die vorderingen rechtsgeldig zijn ingesteld vóór de inwerkingtreding van die strafrechtelijke immuniteit . Die bevoegdheid van het strafgerecht doet evenmin afbreuk aan het beginsel van de voorzienbaarheid van de strafrechtspleging voor de persoon die ervan verdacht wordt een misdrijf te hebben gepleegd, aangezien de immuniteit waarin is voorzien bij de in het geding zijnde bepalingen strikt strafrechtelijk is en niet de burgerlijke rechtsvorderingen betreft, zodat de door die bepalingen beoogde personen nooit hebben opgehouden burgerrechtelijk verantwoordelijk te zijn . 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 220 van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid », zoals gewijzigd bij de wet van 19 april 2014, en artikel 5 van het Strafwetboek, zoals gewijzigd bij artikel 188 van de voormelde wet van 15 mei 2007, vóór de vervanging ervan bij de wet van 11 juli 2018, schenden niet artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 13 oktober
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div