← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.136

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.136 Arrest- Rolnummer: 136/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 629 - laatst gezien 2026-06-14 19:40 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikelen 2, 3, 5, 14 en 15 van de wet van 3 augustus 2016, in zoverre zij van toepassing zijn op het aanslagjaar 2016) - De tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7478 en de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7515 behoeven geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 201¹¹, 201¹² en 201¹³ van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals gewijzigd bij de artikelen 2, 3 en 5 van de wet van 3 augustus 2016 « tot invoering van een nieuwe jaarlijkse taks op de kredietinstellingen in de plaats van de bestaande jaarlijkse taksen, van de aftrekbeperkende maatregelen in de vennootschapsbelasting en van de bijdrage voor de financiële stabiliteit », en de artikelen 2, 3, 5, 14, 15 en 16 van de voormelde wet van 3 augustus 2016, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel en door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht - Jaarlijkse taks op de kredietinstellingen - Inwerkingtreding - Terugwerkende kracht Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 136/2022 van 27 oktober 2022 Rolnummers : 7478, 7504 en 7515 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 20111, 20112 en 20113 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals gewijzigd bij de artikelen 2, 3 en 5 van de wet van 3 augustus 2016 « tot invoering van een nieuwe jaarlijkse taks op de kredietinstellingen in de plaats van de bestaande jaarlijkse taksen, van de aftrekbeperkende maatregelen in de vennootschapsbelasting en van de bijdrage voor de financiële stabiliteit », en de artikelen 2, 3, 5, 14, 15 en 16 van de voormelde wet van 3 augustus 2016, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel en door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 25 november 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 december 2020, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende twee prejudiciële vragen gesteld, waarvan de tweede door het Hof bij beschikking van 27 januari 2021 werd geherformuleerd : « Schenden de artikelen 2, 3, 5, 14 en 16 van de wet van 3 augustus 2016 tot invoering van een nieuwe jaarlijkse taks op de kredietinstellingen de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel van niet-retroactiviteit van de wetten, alsook met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt op 11 augustus 2016, in werking zijn getreden op 21 augustus 2016 en het tarief van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen verhogen alsook de belastbare grondslag ervan uitbreiden tot het bedrag van de schulden tegenover cliënten op 31 december 2015 dat in het kader van de territoriale rapportering vermeld staat op lijn 229 in tabel 00.20 ‘ Schulden tegenover cliënten ’ (kolom 05, Totaal bedrag) van het Schema A, wat voor de 2 kredietinstellingen resulteert in een supplement van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen met betrekking tot het aanslagjaar 2016, dat opeisbaar werd op 1 januari 2016 ? »; « In zoverre de artikelen 2, 3, 5, 15 en 16 van de wet van 3 augustus 2016 tot invoering van een nieuwe jaarlijkse taks op de kredietinstellingen moeten worden geïnterpreteerd in die zin dat over de hoedanigheid van kredietinstelling voor het aanslagjaar 2016 wordt geoordeeld op de datum van inwerkingtreding van de wet (zijnde 21 augustus 2016) en niet op de datum van opeisbaarheid van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen (zijnde 1 januari 2016), schenden die artikelen de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in zoverre zij, enerzijds, een entiteit die het statuut van kredietinstelling heeft op de datum van opeisbaarheid van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen voor het aanslagjaar 2016 alsook op de datum van inwerkingtreding van die wet en, anderzijds, een entiteit die het statuut van kredietinstelling heeft op de datum van opeisbaarheid van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen voor het jaar 2016 en die dat statuut niet meer heeft op de datum van inwerkingtreding van de wet, aan verschillende taksen onderwerpen ? ». b. Bij vonnis van 8 januari 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 januari 2021, heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 201/11, 201/12 en 201/13 van het Wetboek Diverse Rechten en Taksen (zoals gewijzigd bij artikelen 2, 3 en 5 van de Wet van 3 augustus 2016), alsook de artikelen 14 en 15 van de Wet van 3 augustus 2016 tot invoering van een nieuwe jaarlijkse taks op de kredietinstellingen in de plaats van de bestaande jaarlijkse taksen, van de aftrekbeperkende maatregelen in de vennootschapsbelasting en van de bijdrage voor de financiële stabiliteit, het gelijkheidsbeginsel en de bescherming van het eigendomsrecht zoals opgenomen in de artikelen 10, 11, 16 en 172, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en met het beginsel van niet-retroactiviteit van de wet, in de mate dat deze bepalingen, die gepubliceerd werden op 11 augustus 2016 en in werking traden op 21 augustus 2016, de berekeningsbasis en het tarief van de bestaande en de eventueel reeds verschuldigde jaarlijkse taks op de kredietinstellingen wijzigen en zo een (bijkomend supplement aan) bankentaks opleggen dewelke wordt berekend op het bedrag van de schulden tegenover cliënten opgenomen op 31 december 2015 in de territoriale rapportering van kredietinstellingen, zijnde een feit of toestand die reeds definitief was geworden op het moment van de inwerkingtreding van de wet van 3 augustus 2016, en dewelke opeisbaar en verschuldigd werd ten name van deze kredietinstellingen op 1 januari 2016 ? ». c. Bij vonnis van 16 december 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 februari 2021, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende twee prejudiciële vragen gesteld, waarvan de tweede door het Hof bij beschikking van 3 maart 2021 werd geherformuleerd : « - Schenden de artikelen 2, 3, 5 en 14 van de wet van 3 augustus 2016 ‘ tot invoering van een nieuwe jaarlijkse taks op de kredietinstellingen in de plaats van de bestaande jaarlijkse taksen, van de aftrekbeperkende maatregelen in de vennootschapsbelasting en van de bijdrage voor de financiële stabiliteit ’, inzonderheid de voormelde artikelen 5 en 14, die op 21 augustus 2016 in werking zijn getreden, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de 3 rechten van de mens, met de beginselen van behoorlijke wetgeving, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het beginsel van niet-retroactiviteit van de wetten waarvan artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek een uiting is en het rechtszekerheidsbeginsel, in zoverre zij het tarief en de grondslag van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen, bedoeld in titel XI van het Wetboek diverse rechten en taksen, wijzigen met ingang van 1 januari 2016, terwijl de belastingplichtigen uiterlijk op 1 juli 2016 die jaarlijkse taks moesten betalen die ‘ opeisbaar ’ was op 1 januari 2016, zoals zij vóór de wijziging bij de wet van 3 augustus 2016 bestond ? - In zoverre de artikelen 2, 3, 5 en 14 van de wet van 3 augustus 2016 ‘ tot invoering van een nieuwe jaarlijkse taks op de kredietinstellingen in de plaats van de bestaande jaarlijkse taksen, van de aftrekbeperkende maatregelen in de vennootschapsbelasting en van de bijdrage voor de financiële stabiliteit ’ moeten worden geïnterpreteerd in die zin dat over de hoedanigheid van kredietinstelling voor het aanslagjaar 2016 wordt geoordeeld op de datum van inwerkingtreding van die wet (zijnde 21 augustus 2016) en niet op de datum van opeisbaarheid van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen (zijnde 1 januari 2016), schenden die artikelen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de beginselen van behoorlijke wetgeving, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het beginsel van niet-retroactiviteit van de wetten waarvan artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek een uiting is en het rechtszekerheidsbeginsel, doordat zij, enerzijds, een entiteit die het statuut van kredietinstelling heeft op de datum van opeisbaarheid van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen voor het aanslagjaar 2016 alsook op de datum van inwerkingtreding van die wet en, anderzijds, een entiteit die het statuut van kredietinstelling heeft op de datum van opeisbaarheid van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen voor het aanslagjaar 2016 en die dat statuut niet meer heeft op de datum van inwerkingtreding van dezelfde wet, aan verschillende taksen onderwerpen ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7478, 7504 en 7515 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de nv naar Spaans recht « Banco Bilbao Vizcaya Argentaria », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Komlosi, advocaat bij de balie te Brussel; - de nv naar Nederlands recht « F. Van Lanschot Bankiers », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Coudron, advocaat bij de balie te Brussel, en door Mr. D. Coveliers, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de vennootschap naar Luxemburgs recht « Quintet Private Bank (Europe) », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Docclo, advocaat bij de balie te Brussel; - de cva naar Frans recht « BNP Paribas Securities Services », de nv naar Frans recht « BNP Paribas » en de nv naar Belgisch recht « BNP Paribas Fortis », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie, Mr. F. Teichmann en Mr. F. Tulkens, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partijen in alle zaken); 4 - de vennootschap « X », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Vanhulle en Mr. W. Verhoeye, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij in de zaak nr. 7504); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Gillet, advocaat bij de balie van Waals-Brabant. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv naar Spaans recht « Banco Bilbao Vizcaya Argentaria »; - de nv naar Nederlands recht « F. Van Lanschot Bankiers »; - de vennootschap naar Luxemburgs recht « Quintet Private Bank (Europe) »; - de cva naar Frans recht « BNP Paribas Securities Services », de nv naar Frans recht « BNP Paribas » en de nv naar Belgisch recht « BNP Paribas Fortis ». Bij beschikking van 13 juli 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 augustus 2022 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof, bij beschikking van 22 augustus 2022, de dag van de terechtzitting bepaald op 21 september 2022. Op de openbare terechtzitting van 21 september 2022 : - zijn verschenen : . Mr. C. Coudron en Mr. M. Vekeman, advocaat bij de balie te Brussel, voor de nv naar Nederlands recht « F. Van Lanschot Bankiers »; . Mr. C. Docclo, voor de vennootschap naar Luxemburgs recht « Quintet Private Bank (Europe) »; . Mr. D. Garabedian, voor de cva naar Frans recht « BNP Paribas Securities Services », de nv naar Frans recht « BNP Paribas » en de nv naar Belgisch recht « BNP Paribas Fortis » (tussenkomende partijen in alle zaken); . Mr. W. Verhoeye, tevens loco Mr. H. Vanhulle, voor de vennootschap « X » (tussenkomende partij in de zaak nr. 7504); . Mr. A. Gillet, voor de Ministerraad; - hebben rechter T. Giet, verslaggever ter vervanging van emeritus rechter J.-P. Moerman, en rechter J. Moerman verslag uitgebracht; 5 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De eisende partijen voor de verwijzende rechtscolleges zijn kredietinstellingen die, voor het aanslagjaar 2016, de taks vastgelegd bij de wet van 3 augustus 2016 « tot invoering van een nieuwe jaarlijkse taks op de kredietinstellingen in de plaats van de bestaande jaarlijkse taksen, van de aftrekbeperkende maatregelen in de vennootschapsbelasting en van de bijdrage voor de financiële stabiliteit » (hierna : de wet van 3 augustus 2016) hebben betaald. Na de terugbetaling van die taks te hebben gevorderd en een weigering te hebben gekregen van de Belgische Staat, hebben zij ieder een rechtsvordering ingesteld tegen de Belgische Staat. Zij voeren aan dat, wat het aanslagjaar 2016 betreft, de wet van 3 augustus 2016 retroactief is en dat die retroactiviteit niet gerechtvaardigd is. De Belgische Staat betwist dat standpunt. De verwijzende rechtscolleges stellen bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de tussenkomende partijen A.1.1. De commanditaire vennootschap op aandelen naar Frans recht « BNP Paribas Securities Services », de naamloze vennootschap naar Frans recht « BNP Paribas » en de nv « BNP Paribas Fortis », tussenkomende partijen in de zaken nrs. 7478, 7504 en 7515, zetten uiteen dat zij elk een gerechtelijke procedure hebben ingesteld om te verkrijgen dat de Belgische Staat wordt veroordeeld tot terugbetaling van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen die zij voor het aanslagjaar 2016 hebben betaald krachtens de wet van 3 augustus 2016. Zij wijzen erop dat die drie zaken naar de rol zijn verwezen, in afwachting van het arrest van het Hof. A.1.2. De vennootschap « X », tussenkomende partij in de zaak nr. 7504, zet uiteen dat zij de terugbetaling vordert van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen betreffende het aanslagjaar 2016, in het kader van een hangende gerechtelijke procedure die naar de rol werd verwezen, in afwachting van het arrest van het Hof. A.1.3. Het belang van de tussenkomende partijen wordt niet betwist door de andere partijen. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 7478, de enige prejudiciële vraag in de zaak nr. 7504 en de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 7515 A.2.1. De Ministerraad zet uiteen dat de wet van 3 augustus 2016 een nieuwe jaarlijkse taks op de kredietinstellingen invoert die in de bestaande bepalingen van het Wetboek diverse rechten en taksen is opgenomen. Hij beklemtoont dat die nieuwe jaarlijkse taks de volgende taksen en bijdrage beoogt te vervangen : de abonnementstaks bepaald in de artikelen 161 en volgende van het Wetboek der successierechten, de vroegere jaarlijkse taks op de kredietinstellingen bepaald door het Wetboek diverse rechten en taksen, de bijdrage voor de financiële stabiliteit en, ten slotte, meerdere aftrekbeperkende maatregelen in de vennootschapsbelasting bepaald door het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Hij benadrukt dat de wet van 3 augustus 2016 geen bestaande taks wijzigt, maar een nieuwe taks invoert. Hij merkt op dat de wet van 3 augustus 2016 in het Belgisch Staatsblad van 11 augustus 2016 is bekendgemaakt en dat de artikelen 2 tot 9, 14 en 15 ervan in werking zijn getreden op 21 augustus 2016. De Ministerraad onderstreept dat de nieuwe jaarlijkse taks op de kredietinstellingen 6 opeisbaar is vanaf het aanslagjaar 2016 en dat, wat dat aanslagjaar betreft,

(1)de belastbare grondslag wordt gevormd door het bedrag van de schulden tegenover cliënten op 31 december 2015,
(2)de taks uiterlijk op 15 november 2016 moet worden betaald en
(3)het bedrag van de taks wordt verminderd met de bedragen van de abonnementstaks, van de vroegere jaarlijkse taks op de kredietinstellingen en van de bijdrage voor de financiële stabiliteit die de kredietinstelling reeds had betaald voor het jaar 2016 (die verrekening kan in voorkomend geval leiden tot een teruggave van het saldo). Bovendien beklemtoont de Ministerraad dat, in vergelijking met de abonnementstaks en met de vroegere jaarlijkse taks op de kredietinstellingen, de belastbare grondslag van de nieuwe taks weliswaar is verruimd, maar het globale belastingtarief geringer is. A.2.
  1. De Ministerraad doet gelden dat, in de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 7515, niet wordt uiteengezet in welk opzicht de vergeleken categorieën vergelijkbaar zouden zijn. Volgens hem heeft de prejudiciële vraag, in zoverre zij slaat op de vergelijking tussen de kredietinstellingen die onderworpen waren aan de vroegere jaarlijkse taks en zij die onderworpen zijn aan de nieuwe jaarlijkse taks, betrekking op niet- vergelijkbare categorieën. A.2.
  2. In hoofdorde doet de Ministerraad gelden dat de wet van 3 augustus 2016 niet retroactief is. Hij vergelijkt, enerzijds, de tariefverhoging van de abonnementstaks die bij het arrest van het Hof nr. 54/2015 van 7 mei 2015 als retroactief was beschouwd en, anderzijds, de nieuwe taks ingesteld door de wet van 3 augustus
  3. Ten eerste merkt hij op dat, wat de abonnementstaks betreft, enkel het tarief is verhoogd en dat die taks voor het overige niet is gewijzigd, terwijl de wet van 3 augustus 2016 een geheel nieuwe taks invoert. Ten tweede is hij van mening dat het niet van belang is dat de belastbare grondslag van de nieuwe taks die werd ingevoerd bij de wet van 3 augustus 2016, overeenkomsten vertoont met die van de abonnementstaks, aangezien de kwestie van de retroactiviteit niet slaat op het niveau van de belastbare grondslag. Ten derde stelt hij vast dat, in tegenstelling tot de bepaling die het voorwerp uitmaakte van het arrest van het Hof nr. 54/2015, de bepaling van de wet van 3 augustus 2016 die betrekking heeft op het belastingtarief, geen datum van inwerkingtreding preciseert. Met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie zet de Ministerraad vervolgens uiteen dat een fiscale bepaling, zonder terugwerkende kracht te hebben, een directe taks kan invoeren waarvan het belastbare tijdperk ingaat op 1 januari van het aanslagjaar gedurende hetwelk zij in werking treedt. Hij voegt eraan toe dat een taks die voor een bepaald aanslagjaar is gevestigd, kan steunen op een element dat is ontstaan in de loop van het voorafgaande aanslagjaar en dat nog steeds geldt in de loop van het aanslagjaar van de inwerkingtreding van de wet die die taks invoert. Hij preciseert dat, wat de directe belastingen betreft, de belastingschuld slechts definitief ontstaat op de datum van het afsluiten van het tijdperk waarvan de elementen de belastbare grondslag vormen. Te dezen stelt hij vast dat de belastbare grondslag wordt gevormd door de schulden tegenover cliënten op 31 december 2015 en dat dit bedrag noodzakelijkerwijs wordt overgedragen naar 1 januari
  4. Hij leidt daaruit af dat de belastbare materie ook wordt vastgesteld bij de opening van het aanslagjaar 2016, zodat de wet van 3 augustus 2016 niet retroactief is. Bovendien doet hij gelden dat de wetgever het wenselijk heeft geacht dat de kredietinstellingen bijdragen ten belope van een bedrag van 805 miljoen euro. Hij onderstreept dat, met de belastbare grondslag, de marktaandelen van de betrokken kredietinstellingen worden weergegeven, zodat de taks naar verhouding van de marktaandelen wordt verdeeld. Met verwijzing naar de arresten van het Hof nr. 32/2010 van 30 maart 2010 en nr. 114/2015 van 17 september 2015 is hij van oordeel dat een dergelijke repartitiebijdrage niet retroactief is. Bovendien doet de Ministerraad gelden dat de nieuwe taks die werd ingesteld bij de wet van 3 augustus 2016, noch een indirecte belasting, noch een directe belasting op het resultaat is, maar een directe belasting op een duurzame situatie, namelijk de hoedanigheid van kredietinstelling hebben. Volgens hem vormt de beoordeling van de hoedanigheid van kredietinstelling op een bepaald ogenblik in het jaar geen beletsel voor een kwalificatie als directe belasting. Hij voegt eraan toe dat inkohiering geen wezenlijk kenmerk is van een directe belasting. Volgens hem hebben directe belastingen op een duurzame situatie, in tegenstelling tot directe belastingen op het resultaat, waarvan het belastbaar feit pas kan worden beoordeeld op de datum van het afsluiten van het belastbare tijdperk, als kenmerk dat het belastbaar feit ervan mogelijk kan worden beoordeeld op verschillende data. Verder is hij van mening dat daaruit volgt dat, wat die laatste categorie van belastingen betreft, er geen sprake is van retroactiviteit wanneer een bestaande belastingschuld, zoals de vroegere taks op de kredietinstellingen, wordt vervangen door een nieuwe belastingschuld die op een identiek belastbaar feit betrekking heeft maar op een later tijdstip wordt vastgesteld. Met verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 32/2010 onderstreept de Ministerraad dat een fiscaalrechtelijke regel slechts retroactief is wanneer hij van toepassing is op feiten, handelingen en situaties die definitief waren op het ogenblik dat hij in werking is getreden. Volgens hem blijkt uit hetzelfde arrest dat het belastbaar feit bepalend is om te beoordelen of een nieuwe regeling betreffende een belasting op een duurzame situatie al dan niet retroactief is. Met verwijzing naar hetzelfde arrest en naar de rechtspraak van het Hof van 7 Cassatie is hij van oordeel dat de belastbare grondslag in dat verband niet bepalend is en dat een belasting op die manier kan worden berekend op basis van gegevens die tot een voorgaand jaar behoren. Volgens hem is het belastingtarief in dat verband evenmin bepalend. De Ministerraad stelt vast dat de wet van 3 augustus 2016 niet uitdrukkelijk de datum vermeldt waarop het belastbaar feit van de taks, namelijk het bezitten van de hoedanigheid van kredietinstelling, moet worden beoordeeld. Volgens hem moet het belastbaar feit normaal gezien beoordeeld worden op 1 januari van het aanslagjaar, maar, voor het aanslagjaar 2016, moet het beoordeeld worden op de datum van inwerkingtreding van de wet van 3 augustus 2016, namelijk op 21 augustus
  5. Volgens hem wordt dat niet in het geding gebracht door het gegeven dat artikel 20110 van het Wetboek diverse rechten en taksen, dat het belastbaar feit identificeert, niet werd gewijzigd door de wet van 3 augustus
  6. Hij preciseert dat het belastbaar feit niet noodzakelijk moet worden beoordeeld op hetzelfde tijdstip als de opeisbaarheid. Hij is van mening dat, overeenkomstig de volgorde waarin het Wetboek diverse rechten en taksen voorziet, artikel 20110 dient te worden onderzocht vóór artikel
  7. Hoewel aldus artikel 20113 bepaalt dat de nieuwe taks voor de eerste keer opeisbaar is op 1 januari 2016, is die opeisbaarheid volgens hem echter pas werkzaam na de vaststelling van het belastbaar feit op datum van 21 augustus
  8. De Ministerraad besluit hieruit dat de in het geding zijnde bepalingen niet retroactief zijn. A.2.
  9. In ondergeschikte orde, in de veronderstelling dat de in het geding zijnde bepalingen retroactief zijn, doet de Ministerraad gelden dat die retroactiviteit gerechtvaardigd is, gelet op de nagestreefde doelstellingen van algemeen belang. Zo onderstreept hij dat de wet van 3 augustus 2016 een doel van vereenvoudiging nastreeft, dat zij bijdraagt tot de tenuitvoerlegging van een algemene hervorming van de fiscaliteit, dat zij een budgettaire neutraliteit waarborgt, dat zij een hogere bijdrage van de bankinstellingen toelaat in een streven naar fiscale billijkheid en dat zij elke discontinuïteit in de belastinginning vermijdt. Hij voegt eraan toe dat het bepalen van het bedrag van de schulden tegenover cliënten bij de afsluiting van het jaar 2015 toelaat de taks toe te passen op een bedrag dat niet kan worden gemanipuleerd. Bovendien beklemtoont hij dat de banksector werd geraadpleegd tijdens de totstandkoming van de wet van 3 augustus 2016, zodat de nieuwe taks voorzienbaar was voor de kredietinstellingen. Daarnaast wijst hij erop dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen bezwaar heeft gemaakt en dat geen enkel beroep tot vernietiging werd ingesteld tegen de wet van 3 augustus
  10. Hij merkt op dat de in het geding zijnde bepalingen niet leiden tot een dubbele belasting en dat het nadeel verbonden aan de vermeende retroactiviteit louter betrekking zou kunnen hebben op het verschil tussen het bedrag van de nieuwe taks en dat van de vroegere taksen. Hij is van mening dat de vermeende retroactiviteit ook verantwoord is door de gelijktijdige afschaffing van drie vroegere taksen en een bijdrage en van aftrekbeperkende maatregelen in de vennootschapsbelasting. Ten slotte doet hij gelden dat de toepassing van de nieuwe taks vanaf 2016, enerzijds, een billijke verdeling mogelijk heeft gemaakt op grond van een criterium dat het marktaandeel van de kredietinstellingen weergeeft en, anderzijds, een onmiddellijke oplossing bood voor het vroegere onevenwicht dat bestond in een aanzienlijk hogere belastingheffing ten aanzien van spaarbanken dan ten aanzien van investeringsbanken. A.
  11. De naamloze vennootschap naar Spaans recht « Banco Bilbao Vizcaya Argentaria », eisende partij voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 7478, doet gelden dat de wet van 3 augustus 2016 retroactief is. Zij onderstreept dat artikel 5 van de wet van 3 augustus 2016 bepaalt dat de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen, berekend overeenkomstig die wet, opeisbaar is op 1 januari 2016, hetgeen noodzakelijkerwijs betekent dat de taks definitief en onvoorwaardelijk verschuldigd is op die datum. Zij is bijgevolg van mening dat het niet mogelijk is ervan uit te gaan dat de hoedanigheid van belastingschuldige zou moeten worden beoordeeld op de datum van inwerkingtreding van de wet van 3 augustus 2016 (te weten 21 augustus 2016), aangezien een belasting niet opeisbaar kan zijn wanneer er geen belastingschuldige is. Volgens haar is de wet van 3 augustus 2016 van toepassing op de personen die de hoedanigheid van kredietinstelling hebben op 1 januari 2016, zodat die wet retroactief is. Zij is van mening dat haar situatie met betrekking tot de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen onherroepelijk was vastgesteld, volgens de bepalingen die destijds van kracht waren, op datum van 1 januari
  12. Zij brengt daarnaast in herinnering dat zij die taks had betaald vóór de vervaldatum van 1 juli
  13. Volgens haar was de wetgever zich bewust van het retroactieve karakter van de wet van 3 augustus 2016, aangezien hij heeft bepaald dat de taks, zoals zij bij die wet werd gewijzigd, uiterlijk op 15 november 2016 en niet op 1 juli 2016 moet worden betaald. Volgens haar heeft de wet van 3 augustus 2016 de belastbare grondslag (vastgesteld op 31 december 2015) en het belastingtarief met terugwerkende kracht gewijzigd. Zij beklemtoont ten slotte dat er geen doel van algemeen belang is dat de retroactiviteit van de wet van 3 augustus 2016 absoluut noodzakelijk maakt. Zij is in dat verband van mening dat de wil van de wetgever om manipulatie van de belastbare grondslag te vermijden voor het aanslagjaar 2016, geen doel van algemeen belang is en afbreuk doet aan het beginsel van rechtszekerheid. Zij wijst overigens op de overeenkomsten tussen de voorliggende zaak en de zaken met betrekking tot de abonnementstaks die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van het Hof nrs. 1/2015 en 54/2015 :
(1)de 8 jaarlijkse taks op de kredietinstellingen en de abonnementstaks werken volgens een soortgelijk mechanisme,
(2)net zoals te dezen was, op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wijzigingswetten betreffende de abonnementstaks, de belastbare grondslag van de taks reeds vastgesteld, was de taks reeds opeisbaar en moest zij reeds zijn betaald, en
(3)in beide gevallen was de wetgever zich bewust van de retroactiviteit. Bovendien doet zij gelden dat de wet van 3 augustus 2016 geen nieuwe taks invoert, maar een bestaande taks wijzigt. Zij voegt eraan toe dat de retroactiviteit des te meer onaanvaardbaar zou zijn indien er sprake zou zijn van een nieuwe taks. Daarnaast onderstreept zij dat de gemachtigde van de Regering, die wordt geciteerd in het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, heeft aangegeven dat de in het geding zijnde taks een indirecte belasting is. Volgens haar is de wet van 3 augustus 2016 in ieder geval retroactief. Ten slotte is zij van oordeel dat het arrest van het Hof nr. 32/2010, dat betrekking had op de repartiebijdrage ten laste van de kernexploitanten, te dezen niet relevant is. Ten eerste merkt zij op dat de programmawet van 22 december 2008 geen enkele bepaling bevatte die erin voorzag dat die repartiebijdrage opeisbaar was op 1 januari 2008, terwijl de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen opeisbaar is op 1 januari
  1. Ten tweede wijst zij erop dat het totaalbedrag van de repartitiebijdrage ten laste van de kernexploitanten was vastgesteld in de wettekst zelf en dat het aan het Hof voorgelegde middel betrekking had op de retroactiviteit van de verdeelsleutel en geen verband hield met de belastbare grondslag. Volgens haar is zulks te dezen niet het geval, aangezien het bedrag van 805 miljoen euro niet is vastgesteld in de wet van 3 augustus 2016, maar louter een begrotingsdoelstelling vormt. A.
  2. De naamloze vennootschap naar Nederlands recht « F. Van Lanschot Bankiers », eisende partij voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 7504, zet uiteen dat de wet van 3 augustus 2016 de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen heeft gewijzigd door de belastbare grondslag te verruimen en het belastingtarief te verhogen. Daar de andere bepalingen betreffende die taks ongewijzigd blijven, gaat het volgens haar niet om een nieuwe taks. Zij legt vervolgens de nadruk op de overeenkomsten tussen de bij de wet van 3 augustus 2016 doorgevoerde verhoging van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen en de verhoging van de abonnementstaks die het voorwerp had uitgemaakt van het arrest van het Hof nr. 54/2015 :
(1)beide taksen zijn van toepassing op dezelfde kredietinstellingen,
(2)beide taksen zijn jaarlijks,
(3)beide taksen zijn gelijk aan een percentage van het bedrag van bepaalde schulden van de kredietinstelling, die moeten worden vastgesteld op 31 december van het voorgaande jaar,
(4)in beide gevallen gaat het om een wijziging van een bestaande taks en niet om de invoering van een nieuwe taks,
(5)in beide gevallen zijn de oorspronkelijk taks en de supplementaire taks opeisbaar op 1 januari, zijnde meerdere maanden vóór de bekendmaking en de inwerkingtreding van de in het geding zijnde wijzigingswet,
(6)in beide gevallen gaat het om een verhoging a posteriori van een reeds verschuldigde en betaalde taks en
(7)in beide gevallen is de wetgever zich bewust van de retroactiviteit. Zij leidt daaruit af dat de conclusie van het arrest van het Hof nr. 54/2015 te dezen moet worden overgenomen. Daarnaast betwist zij de relevantie van de argumentatie van de Ministerraad volgens welke de wet van 3 augustus 2016 zou leiden tot een daling van het totale belastingtarief, aangezien zij, wat haar betreft, in 2016 heeft geleid tot een belastingsupplement. Bovendien doet zij gelden dat het supplement op de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen, ingesteld bij de wet van 3 augustus 2016, van toepassing is op feiten die reeds definitief waren, aangezien de belastbare grondslag wordt gevormd door de schulden tegenover cliënten op datum van 31 december 2015 en de belastingschuldigen de personen zijn die op diezelfde datum de hoedanigheid van kredietinstelling hebben. Volgens haar laat de algemene structuur van de wet van 3 augustus 2016 niet toe die datum van 31 december 2015 gelijk te stellen met 1 januari 2016, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert. Zij is overigens van mening dat het feit dat het belastingsupplement opeisbaar is op 1 januari 2016, betekent dat dit supplement verschuldigd en opeisbaar is op een datum die voorafgaat aan de bekendmaking van de wet die er de wettelijke grondslag van vormt. Zij besluit hieruit dat de in het geding zijnde bepalingen retroactief zijn. Zij onderstreept overigens dat, hoewel de banksector vooraf werd geraadpleegd over denkpistes voor een eventuele hervorming van de bankentaksen, het niet de banksector is die over de hervorming heeft beslist, en de banken waren niet ervan op de hoogte dat een belastingsupplement met terugwerkende kracht zou worden ingevoerd. Bovendien stelt zij vast dat de gemachtigde van de Regering heeft bevestigd dat de in het geding zijnde taks een indirecte belasting is. Zij is van mening dat die kwalificatie wordt bevestigd door het ontbreken van een inkohiering en door het feit dat het op een bepaald tijdstip is, namelijk op 31 december 2015, dat moet worden beoordeeld of de in het geding zijnde taks verschuldigd is. Volgens haar is de cruciale vraag evenwel niet of de taks direct dan wel indirect is, maar wanneer het belastbaar feit voltrokken is. Op grond van het arrest van het Hof nr. 54/2015 betwist zij het standpunt dat de hoedanigheid van kredietinstelling zou moeten worden beoordeeld op de datum van inwerkingtreding van de wet van 3 augustus 2016. Zij voegt eraan toe dat dit standpunt wordt 9 tegengesproken door het feit dat artikel 20110 van het Wetboek diverse rechten en taksen, dat het personele toepassingsgebied van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen omschrijft, niet werd gewijzigd door de wet van 3 augustus 2016. Zij beklemtoont vervolgens dat de wet van 3 augustus 2016 verschilt van de programmawet van 22 december 2008, die een repartitiebijdrage instelde ten laste van de kernexploitanten en die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof nr. 32/2010 :
(1)terwijl de programmawet van 22 december 2008 een nieuwe heffing invoerde, wijzigt de wet van 3 augustus 2016 een bestaande taks en
(2)in tegenstelling tot de programmawet van 22 december 2008 bevat de wet van 3 augustus 2016 een bepaling die uitdrukkelijk een datum van opeisbaarheid vaststelt (zijnde 1 januari 2016). Zij voegt eraan toe dat die bepaling zonder voorwerp zou zijn indien het standpunt van de Ministerraad zou worden gevolgd, namelijk dat de opeisbaarheid pas op 21 augustus 2016 uitwerking zou hebben. Zij onderstreept dat, logischerwijs, het belastbaar feit van een taks zich nooit kan voordoen na de datum van opeisbaarheid van die taks. Volgens haar moeten het belastbaar feit en het personele toepassingsgebied van de taks te dezen worden beoordeeld op datum van 31 december
  1. Zij doet overigens gelden dat, zelfs indien men een parallel zou trekken met de directe belastingen, de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen pas zou kunnen worden gewijzigd, voor het aanslagjaar 2016, op 31 december
  2. Bovendien voert zij aan dat de arresten van het Hof van Cassatie van 26 september 2002 en van 16 mei 2014 te dezen niet relevant zijn omdat die arresten betrekking hadden op nieuwe gemeentebelastingen, de feiten verschillend waren en die belastingen pas op het ogenblik van de inkohiering opeisbaar werden. Zij voert vervolgens aan dat de retroactiviteit van de in het geding zijnde bepalingen niet absoluut noodzakelijk is voor het bereiken van een doel van algemeen belang. Volgens haar vormt louter de wil van de wetgever om de belastbare grondslag vast te stellen voor het aanslagjaar 2016 zodat die niet meer kan worden gemanipuleerd, geen verantwoording voor de retroactiviteit, omdat anders een cirkelredenering wordt gevolgd. Volgens haar is de onmogelijkheid, voor de kredietinstellingen, om hun activiteiten te reorganiseren teneinde hun belastingdruk te verminderen immers geen verantwoording voor de retroactiviteit, maar is zij het gevolg ervan. Zij merkt overigens op dat de belastbare grondslag van de in het geding zijnde taks wordt gevormd door de schulden tegenover cliënten, zodat zij niet gemakkelijk zou kunnen worden gereorganiseerd. Bovendien is zij van mening dat noch het doel van vereenvoudiging, noch de opheffing van drie vroegere taksen en een vroegere bijdrage de retroactiviteit rechtvaardigen, temeer daar die laatste reeds opeisbaar waren en reeds waren betaald bij de invoering van de supplementaire taks. Zij doet gelden dat de wetgever tot doel had de banksector zwaarder te belasten en is van mening dat begrotingsdoelstellingen niet volstaan om de retroactiviteit te verantwoorden. Volgens haar heeft het doel bestaande in een evenwichtigere verdeling onder de kredietinstellingen betrekking op de nieuwe berekeningswijze van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen, maar vormt het geen verantwoording voor de retroactiviteit. Zij voegt eraan toe dat de ontstentenis van opmerkingen vanwege de afdeling wetgeving van de Raad van State niet doorslaggevend is. Ten slotte stelt zij dat de FOD Financiën oorspronkelijk van oordeel was dat de wet van 3 augustus 2016 ongrondwettig was, aangezien hij een terugbetaling had toegekend in het kader van de eerste drie vorderingen tot terugbetaling die door andere kredietinstellingen waren ingesteld. A.
  3. De vennootschap naar Luxemburgs recht « Quintet Private Bank (Europe) », die aangeeft dat zij de nv « Puilaetco Dewaay Private Bankers », eisende partij voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 7515, is opgevolgd, doet gelden dat de Ministerraad, met zijn lezing, de draagwijdte van de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 7515 vervormt. Zij zet uiteen dat de schending van een grondrecht steeds de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie met zich meebrengt en dat het in dat opzicht aangewezen is de categorie van de personen van wie dat grondrecht geschonden zou zijn, te vergelijken met de categorie van de personen voor wie dat grondrecht gewaarborgd is. Zij onderstreept dat, te dezen, de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voortvloeit uit de retroactiviteit van de in het geding zijnde bepalingen. Vervolgens stelt zij vast dat, vóór de inwerkingtreding van de wet van 3 augustus 2016, de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen opeisbaar was op 1 januari 2016, dat het bedrag van de taks dus vaststond op die datum en dat de taks uiterlijk op 1 juli 2016 moest worden betaald. Zij leidt hieruit af dat, voor het aanslagjaar 2016, de situatie van de kredietinstellingen definitief vaststond op 1 januari 2016 of, ten laatste, op 1 juli
  4. Zij stelt vast dat, door de inwerkingtreding van de wet van 3 augustus 2016, het bedrag van de taks opnieuw is vastgesteld op 1 januari
  5. Zij leidt hieruit af dat de wet van 3 augustus 2016 retroactief is en zij onderstreept de overeenkomsten met de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van het Hof nr. 54/
  6. Vervolgens doet zij gelden dat de wet van 3 augustus 2016 de bestaande taks op de kredietinstellingen niet vervangt, maar dat zij de belastbare grondslag en het belastingtarief ervan wijzigt. Zij stelt vast dat de wet van 3 augustus 2016 artikel 20110 van het Wetboek diverse rechten en taksen, dat de kredietinstellingen als belastingschuldigen aanwijst, niet heeft gewijzigd, zodat die bepaling reeds van kracht was vóór 21 augustus
  7. Zij voegt eraan toe dat de wet van 3 augustus 2016 niet uitdrukkelijk zou hebben gepreciseerd dat de taks opeisbaar is op 1 januari 2016 indien de 10 wetgever had geoordeeld dat die opeisbaarheid naar een latere datum zou worden verschoven. Zij verduidelijkt dat haar kritiek geen betrekking heeft op het feit dat de belastbare grondslag voor het aanslagjaar 2016 wordt vastgesteld op basis van de situatie op 31 december 2015, maar op het feit dat de wet van 3 augustus 2016 terugkomt op een situatie die uiterlijk op 1 juli 2016 definitief was. Zij is van mening dat uit het arrest van het Hof nr. 32/2010 en uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt dat een wet, zonder retroactief te zijn, het bedrag van een nieuwe taks kan vaststellen aan de hand van cijfers uit een reeds verstreken periode, op voorwaarde dat het belastbare feit geen situatie is die definitief voltrokken is vóór de inwerkingtreding van de wet. Volgens haar is te dezen niet aan die voorwaarde voldaan. Wat overigens de arresten van het Hof nrs. 32/2010 en 114/2015, met betrekking tot de repartitiebijdrage ten laste van de kernexploitanten, betreft, is zij van mening dat de kwalificatie van repartitiebijdrage niet doorslaggevend was en onderstreept zij dat er, in die zaken, geen dergelijke taks was die reeds voor hetzelfde jaar was betaald vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet. Zij doet ten slotte gelden dat de retroactiviteit van de in het geding zijnde bepalingen niet absoluut noodzakelijk is voor het bereiken van een doel van algemeen belang. Volgens haar hebben de verantwoordingen die vervat zijn in de parlementaire voorbereiding betrekking op de wijziging van de belastbare grondslag en van het tarief van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen, en niet op de retroactiviteit van die wijziging. Volgens haar biedt het feit dat de in het geding zijnde bepalingen passen in het kader van de verlichting van de belastingdruk op arbeid, geen verantwoording voor de retroactiviteit ervan. Zij voegt eraan toe dat, indien die bepalingen niet retroactief zouden zijn geweest, dat voor de overheidsfinanciën geen ernstig tekort zou hebben ingehouden. Wat betreft het doel van vereenvoudiging van de fiscaliteit voor de banken, is zij mening dat het de retroactiviteit van de in het geding zijnde bepalingen niet kan verantwoorden, terwijl de andere bij de wet van 3 augustus 2016 aangebrachte wijzigingen niet retroactief zijn. Zij voert overigens aan dat de retroactiviteit niet gerechtvaardigd is door het feit dat de toepassing van de in het geding zijnde bepalingen voor sommige banken mogelijk aanleiding heeft kunnen geven tot een terugbetaling van belasting. Ten slotte beklemtoont zij dat niets erop wijst dat de financiële sector zich akkoord zou hebben verklaard met de retroactiviteit van de in het geding zijnde bepalingen. A.
  8. De commanditaire vennootschap op aandelen naar Frans recht « BNP Paribas Securities Services », de naamloze vennootschap naar Frans recht « BNP Paribas » en de nv « BNP Paribas Fortis » doen gelden dat, wat het aanslagjaar 2016 betreft, de wet van 3 augustus 2016 van toepassing is op een situatie die definitief voltrokken was op het ogenblik van de bekendmaking ervan, aangezien
(1)de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen opeisbaar was geworden op 1 januari 2016 en had moeten zijn betaald tegen 1 juli 2016, en
(2)de wet van 3 augustus 2016 het bedrag van de schulden tegenover cliënten op 31 december 2015 belast. Zij besluiten hieruit dat de in het geding zijnde bepalingen retroactief zijn. Vervolgens onderstrepen zij dat in de parlementaire voorbereiding niet wordt aangetoond dat de retroactiviteit absoluut noodzakelijk is voor het bereiken van een doel van algemeen belang. Volgens haar wordt met de overweging dat de belastbare grondslag niet meer kan worden gemanipuleerd omdat het bedrag ervan reeds vaststaat, louter het gevolg van de retroactiviteit beschreven, zonder dat deze evenwel erdoor wordt verantwoord. A.
  1. De vennootschap « X » brengt eerst in herinnering dat het beginsel van de niet-retroactiviteit vastligt in de rechtspraak van het Hof en in die van het Hof van Cassatie. Zij onderstreept eveneens dat de retroactiviteit van een fiscale bepaling afbreuk doet aan het recht op het ongestoord genot van eigendom, dat wordt gewaarborgd door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens. Zij doet vervolgens gelden dat de enige vraag die moet worden gesteld om te bepalen of een wet een belasting invoert met terugwerkende kracht, de vraag is of die wet van toepassing is op feiten, handelingen en situaties die definitief waren voltrokken op het ogenblik dat zij werd bekendgemaakt. Volgens haar is het theoretische onderscheid tussen indirecte belastingen, directe belastingen op het resultaat en directe belastingen op een duurzame situatie, op zich niet relevant. Te dezen voert zij aan dat, wat het aanslagjaar 2016 betreft, de wet van 3 augustus 2016 van toepassing is op een situatie die reeds definitief was op het ogenblik dat zij werd bekendgemaakt, aangezien zij het bedrag van de schulden tegenover cliënten op 31 december 2015 belast, en de taks opeisbaar is op 1 januari
  2. Volgens haar wordt het retroactieve karakter van de wet van 3 augustus 2016 bevestigd door de gelijkenis met de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof nr. 54/2015, temeer daar het te dezen niet alleen gaat om een verhoging van het belastingtarief, maar ook om de invoering van een nieuwe belastbare grondslag. Zij doet daarnaast gelden dat, wat het aanslagjaar 2016 betreft, de wet van 3 augustus 2016 retroactief is, ongeacht de theoretische kwalificatie van de in het geding zijnde taks :
(1)indien het gaat om een indirecte belasting, doet het belastbaar feit zich voor op de datum van opeisbaarheid, zijnde 1 januari 2016,
(2)indien het gaat om een directe belasting op het resultaat, doet het belastbaar feit zich voor aan het einde van de referentieperiode, zijnde op 31 december 2015 en
(3)indien het gaat om een directe belasting op een duurzame situatie, dient het belastbaar feit, in dat geval de hoedanigheid van kredietinstelling hebben in de zin van 11 artikel 20110 van het Wetboek diverse rechten en taksen, te worden beoordeeld op 1 januari 2016, aangezien een beoordeling op 1 januari het principe is voor dat soort belastingen, artikel 20110 van het Wetboek diverse rechten en taksen niet werd gewijzigd door de wet van 3 augustus 2016 en de datum van opeisbaarheid 1 januari 2016 is. Zij onderstreept overigens dat de overgangsbepalingen in de wet van 3 augustus 2016 aantonen dat de wetgever zich bewust was van de retroactiviteit, net zoals dat het geval was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof nr. 54/
  1. Bovendien is het volgens haar mogelijk dat, voor het aanslagjaar 2016, sommige kredietinstellingen de belasting bepaald door de wet van 3 augustus 2016 met terugwerkende kracht verschuldigd zijn, terwijl zij niet de abonnementstaks, noch de vroegere jaarlijkse taks op de kredietinstellingen, noch de bijdrage voor de financiële stabiliteit verschuldigd waren en hun situatie ten aanzien van die vroegere taksen en die vroegere bijdrage definitief was geworden op 1 januari
  2. Volgens haar is het arrest van het Hof nr. 32/2010 te dezen niet pertinent. Zij oordeelt dat de wet van 3 augustus 2016 geen nieuwe taks instelt, maar de bestaande jaarlijkse taks op de kredietinstellingen wijzigt. Zij onderstreept dat de wet van 3 augustus 2016 geen nieuw belastbaar feit heeft ingevoerd, het belastbaar feit dat is vastgesteld in artikel 20110 van het Wetboek diverse rechten en taksen niet heeft gewijzigd en het tijdstip waarop dat belastbaar feit moet worden beoordeeld niet heeft gewijzigd. Zij benadrukt dat het arrest van het Hof nr. 54/2015 pertinent is omdat, in die zaak, het belastbaar feit was behouden en het belastingtarief met terugwerkende kracht was gewijzigd en omdat, te dezen, het belastbaar feit ook is behouden en het belastingtarief en de belastbare grondslag zijn gewijzigd. Zij doet vervolgens gelden dat, in de veronderstelling dat de wet van 3 augustus 2016 een nieuwe taks instelt, de in het geding zijnde bepalingen toch retroactief zijn. Zij betwist de redenering van de Ministerraad volgens welke de opeisbaarheid van de in het geding zijnde taks pas uitwerking zou hebben gehad op de datum van inwerkingtreding van de wet van 3 augustus 2016, namelijk 21 augustus
  3. Volgens haar gaat die redenering in tegen de duidelijke tekst van de wet, die uitdrukkelijk bepaalt dat de taks opeisbaar is op 1 januari 2016, en komt zij erop neer dat elke schending van het beginsel van niet-retroactiviteit in fiscale zaken de facto onmogelijk wordt gemaakt. Volgens haar impliceert het feit dat de taks opeisbaar is op 1 januari 2016, dat de belastingschuld uiterlijk op die datum wordt vastgesteld. Zij onderstreept dat een belastingschuld echter pas kan ontstaan wanneer een situatie definitief is. Daaruit volgt volgens haar dat de wet van 3 augustus 2016 van toepassing is op een situatie die uiterlijk op 1 januari 2016 definitief is geworden, en dat die wet dus retroactief is. Zij merkt ten slotte op dat de wetgever de retroactiviteit van de wet van 3 augustus 2016 niet verantwoordt, wat logisch is omdat de wetgever van mening is dat die wet niet retroactief is. Volgens haar wordt niet aangetoond dat de retroactiviteit absoluut noodzakelijk is voor het bereiken van een doel van algemeen belang. Nog volgens haar wordt evenmin aangetoond dat de retroactiviteit gerechtvaardigd is in het licht van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij voegt eraan toe dat uit de rechtspraak van het Hof en uit die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat louter budgettaire doelstellingen in principe niet volstaan om retroactiviteit te verantwoorden. Volgens haar hebben de doelstellingen van vereenvoudiging, van beperking van de stimulansen voor delokalisatie, van een fiscale verschuiving van de spaarbanken naar de grote banken en het doel om meer rekening te houden met het marktaandeel betrekking op de invoering van de in het geding zijnde taks, en niet op de retroactiviteit ervan. Zij voegt eraan toe dat de gelijktijdige afschaffing van andere taksen en een andere bijdrage de retroactiviteit niet rechtvaardigt. Volgens haar zou een niet-retroactiviteit geen afbreuk hebben gedaan aan de continuïteit van de belastinginning. Zij is van oordeel dat het feit dat de belastbare grondslag niet meer kan worden gemanipuleerd, een gevolg is van, en geen verantwoording voor de retroactiviteit. Volgens haar betekent het feit dat de banksector zou zijn geraadpleegd, noch dat de retroactiviteit met die sector is besproken, noch dat zulke gesprekken de retroactiviteit kunnen rechtvaardigen. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7478 en de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7515 A.
  4. De Ministerraad doet gelden dat, noch uit de formulering van de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7478 en van de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7515, noch uit de motivering van de verwijzingsbeslissingen blijkt in welk opzicht de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet geschonden zouden kunnen zijn. Volgens hem zijn die prejudiciële vragen dus niet ontvankelijk. Hij onderstreept overigens dat het begrip « kredietinstelling » niet werd gewijzigd door de wet van 3 augustus
  5. Ten slotte merkt hij op, met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof, dat, wat de toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft, het niet pertinent is de situatie onder de vroegere wetgeving en de situatie onder de nieuwe wetgeving met elkaar te vergelijken. 12 A.
  6. De naamloze vennootschap naar Spaans recht « Banco Bilbao Vizcaya Argentaria » beklemtoont dat, in de interpretatie die de Belgische Staat aan de wet van 3 augustus 2016 geeft, twee kredietinstellingen die die hoedanigheid hebben op 1 januari 2016 en die, voor het aanslagjaar 2016, onderworpen zijn aan de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen die opeisbaar is op 1 januari 2016, aan verschillende taksen onderworpen zijn naargelang zij al dan niet de hoedanigheid van kredietinstelling hebben op 21 augustus
  7. Volgens haar wordt dat verschil in behandeling geenszins verantwoord. A.
  8. De vennootschap naar Luxemburgs recht « Quintet Private Bank (Europe) » merkt vooraf op dat de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7515 berust op de interpretatie dat de hoedanigheid van kredietinstelling voor het aanslagjaar 2016 zou moeten worden beoordeeld op de datum van inwerkingtreding van de wet van 3 augustus 2016, zijnde 21 augustus
  9. Volgens haar kan die interpretatie, die voor het verwijzende rechtscollege door de minister van Financiën werd gesteund, niet worden gevolgd, aangezien zij berust op de verkeerde stelling dat artikel 20110 van het Wetboek diverse rechten en taksen in werking zou zijn getreden op 21 augustus
  10. Nog steeds volgens haar heeft de prejudiciële vraag betrekking op de gevolgen van die interpretatie voor het jaar 2016, en niet op de vergelijking tussen de toepassing, op verschillende tijdstippen, van de vroegere wetgeving of van de nieuwe wetgeving. Zij voegt eraan toe dat de door de Ministerraad aangebrachte rechtspraak geen verband houdt met de prejudiciële vraag. Zij stelt vast dat, in de interpretatie die in de prejudiciële vraag wordt beoogd, twee entiteiten die in de loop van het jaar 2016 kredietinstellingen zijn, verschillend worden belast voor het aanslagjaar 2016, zonder dat voor dat verschil in behandeling enige rechtvaardiging bestaat. Zij onderstreept ten slotte dat, in de interpretatie dat de hoedanigheid van kredietinstelling moet worden beoordeeld op 1 januari 2016, de wet van 3 augustus 2016 niet leidt tot zulk een verschil in behandeling, maar retroactief is. A.
  11. De commanditaire vennootschap op aandelen naar Frans recht « BNP Paribas Securities Services », de naamloze vennootschap naar Frans recht « BNP Paribas » en de nv « BNP Paribas Fortis » zien niet in wat het in het geding zijnde verschil in behandeling zou kunnen verantwoorden in het licht van het doel en de gevolgen van de nieuwe taks. Zij stellen vast dat de parlementaire voorbereiding daarover niets vermeldt. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.
  12. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 2, 3, 5, 14, 15 en 16 van de wet van 3 augustus 2016 « tot invoering van een nieuwe jaarlijkse taks op de kredietinstellingen in de plaats van de bestaande jaarlijkse taksen, van de aftrekbeperkende maatregelen in de vennootschapsbelasting en van de bijdrage voor de financiële stabiliteit » (hierna : de wet van 3 augustus 2016). B.
  13. Het algemene opzet van het ontwerp dat ten grondslag ligt aan de wet van 3 augustus 2016, kan als volgt worden samengevat : « Dit wetsontwerp beoogt de invoering van een nieuwe jaarlijkse taks op de kredietinstellingen in het Wetboek diverse rechten en taksen ter vervanging van de bestaande jaarlijkse taksen, de aftrekbeperkende maatregelen in de vennootschapsbelasting en de bijdrage voor de financiële stabiliteit. Deze vereenvoudiging dient plaats te vinden in een budgettair neutraal kader zodat de taks vanaf 2016 wordt begrensd tot het niveau van 805 miljoen euro. 13 Als heffingsgrondslag voor de eengemaakte taks werd geopteerd voor het gemiddeld bedrag van de schulden van de kredietinstelling tegenover cliënten vanaf
  14. Het heffingspercentage van de nieuwe taks wordt bepaald in functie van een beoogde jaarlijkse opbrengst van 805 miljoen euro. Er worden overgangsmaatregelen genomen in die zin dat de kredietinstellingen de reeds voor 2016 betaalde ‘ oude ’ taksen en de voor dat jaar betaalde bijdrage voor het fonds voor de financiële stabiliteit in mindering mogen brengen van het in 2016 het te betalen bedrag aan nieuwe taks » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1950/001, p. 3). Zoals blijkt uit de memorie van toelichting, heeft de wetgever, voor de kredietinstellingen, een eengemaakte taks willen invoeren ter vervanging van de jaarlijkse taks bepaald in boek IIbis van het Wetboek der successierechten, de jaarlijkse taks bepaald in de artikelen 20110 en volgende van het Wetboek diverse rechten en taksen, verschillende aftrekbeperkende maatregelen in de vennootschapsbelasting en de bijdrage voor de financiële stabiliteit (ibid., pp. 4-5). B.3.
  15. De jaarlijkse taks op de kredietinstellingen, zoals zij volgt uit de wet van 3 augustus 2016, wordt vastgesteld op basis van de jaarlijkse taks die reeds was vastgelegd bij de artikelen 20110 en volgende van het Wetboek diverse rechten en taksen. B.3.
  16. De wet van 3 augustus 2016 wijzigt niet artikel 20110 van het Wetboek diverse rechten en taksen, dat de aan de taks onderworpen kredietinstellingen identificeert. B.3.
  17. Artikel 2 van de wet van 3 augustus 2016 vervangt artikel 20111 van het Wetboek diverse rechten en taksen, dat de belastbare grondslag bepaalt, door de volgende bepaling : « Art.
  18. Een kredietinstelling bedoeld in artikel 20110 is de taks verschuldigd op het gemiddeld bedrag van haar schulden tegenover cliënten in het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het gemiddeld bedrag van de schulden van de kredietinstelling tegenover cliënten verstaan het rekenkundig gemiddelde van de bedragen die op het einde van iedere maand van het bedoelde jaar overeenkomstig de voorschriften van de Nationale Bank van België in het kader van de territoriale rapportering moeten worden vermeld op lijn 229 in tabel 00.20 ‘ Schulden tegenover cliënten ’ (kolom 05, Totaal bedrag) van het Schema A ». B.3.
  19. Artikel 3 van de wet van 3 augustus 2016 wijzigt artikel 20112 van het Wetboek diverse rechten en taksen, dat het belastingtarief vaststelt : 14 « In artikel 20112 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012 en vervangen bij de wet van 30 juli 2013, worden de woorden ‘ op 0,0435 pct. ’ vervangen door de woorden ‘ op 0,13231 pct. ’ ». B.3.
  20. Artikel 5 van de wet van 3 augustus 2016 wijzigt artikel 20113 van het Wetboek diverse rechten en taksen, dat de datum waarop de taks opeisbaar is en de datum waarop zij betaald moest zijn, vaststelt : « In artikel 20113 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt het jaartal ‘ 2012 ’ vervangen door het jaartal ‘ 2016 ’; 2° in het tweede lid worden de woorden ‘ en voor de eerste keer op 1 juli 2012 ’ geschrapt ». Ingevolge die wijziging bepaalt artikel 20113 van het Wetboek diverse rechten en taksen : « De taks is opeisbaar op 1 januari van elk jaar en voor de eerste keer op 1 januari
  21. Hij moet betaald zijn uiterlijk op 1 juli van elk jaar. Wanneer de taks niet binnen de voorgeschreven termijn werd betaald, is de wettelijke intrest, volgens het percentage in burgerlijke zaken, van rechtswege verschuldigd met ingang van de dag waarop de betaling had moeten geschieden. Voor de berekening van de intrest wordt elke fractie van een maand gerekend als een volle maand ». B.3.6.
  22. De artikelen 14 en 15 van de wet van 3 augustus 2016 stellen de overgangsbepalingen vast die gelden voor het aanslagjaar
  23. B.3.6.
  24. Artikel 14 van de wet van 3 augustus 2016 wijkt af, voor het aanslagjaar 2016, van de bepaling die de belastbare grondslag vastlegt en van de bepaling die de datum vaststelt waarop de taks moet zijn betaald. Artikel 14 bepaalt : « Voor het aanslagjaar 2016 is een kredietinstelling bedoeld in artikel 20110 van het Wetboek diverse rechten en taksen, in afwijking van artikel 20111 van hetzelfde Wetboek, zoals vervangen bij artikel 2 van deze wet, de taks verschuldigd op het bedrag dat op 31 december 2015 overeenkomstig de voorschriften van de Nationale Bank van België in het kader van de territoriale rapportering moet worden vermeld op lijn 229 in tabel 00.20 ‘ Schulden tegenover cliënten ’ (kolom 05, Totaal bedrag) van het Schema A. In afwijking van artikel 20113 van 15 hetzelfde Wetboek zoals gewijzigd bij artikel 5 van deze wet, moet de voor het aanslagjaar 2016 verschuldigde taks betaald worden uiterlijk op 15 november 2016 ». In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat ten grondslag ligt aan de wet van 3 augustus 2016, werd dat artikel als volgt toegelicht : « Artikel 14 regelt de overgang van de periode van de naast elkaar bestaande taksen en bijdrage naar die van de eengemaakte taks op kruissnelheid. Voor het overgangsjaar 2016 zullen de schulden tegenover cliënten op 31 december 2015 de heffingsgrondslag van de eengemaakte taks vormen. De taks zal moeten betaald worden ten laatste op 15 november 2016 » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1950/001, pp. 8-9). B.3.6.
  25. Artikel 15 van de wet van 3 augustus 2016 schrijft voor dat, voor het aanslagjaar 2016, het bedrag van de in het geding zijnde taks wordt verminderd
(1)met het bedrag van de jaarlijkse taks bepaald in boek IIbis van het Wetboek der successierechten dat de kredietinstelling reeds heeft betaald voor het aanslagjaar 2016,
(2)met het bedrag van de jaarlijkse taks bepaald in de artikelen 20110 en volgende van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals die bestonden vóór de inwerkingtreding van de wet van 3 augustus 2016, dat de kredietinstelling reeds heeft betaald voor het aanslagjaar 2016 en
(3)met het bedrag van de bijdrage voor de financiële stabiliteit dat de kredietinstelling reeds in 2016 heeft betaald. Artikel 15 bepaalt : « De voor het aanslagjaar 2016 betaalde bedragen aan jaarlijkse taksen op de kredietinstellingen in het Wetboek der Successierechten en het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ze bestonden voor de inwerkingtreding van deze wet, worden in mindering gebracht van het bedrag dat in het aanslagjaar 2016 moet worden betaald bij toepassing van deze wet. Van dat bedrag wordt eveneens in mindering gebracht de voor 2016 betaalde bijdrage voor de financiële stabiliteit, bedoeld in de wet van 28 december 2011 tot invoering van een bijdrage voor de financiële stabiliteit en tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van de financiële stabiliteit, voor wat betreft de bescherming van de deposito's, de levensverzekeringen en het kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen, en tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten ». In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat ten grondslag ligt aan de wet van 3 augustus 2016, werd dat artikel als volgt toegelicht : 16 « Voor het aanslagjaar 2016 moeten de banken de bestaande jaarlijkse taksen op de kredietinstellingen nog betalen. De betreffende schuldtitel bestond immers al voor de datum waarop dit wetsontwerp wet zal worden. Idem dito voor de bijdrage financiële stabiliteit. Om te vermijden dat de banken in 2016 per slot van rekening tweemaal de ‘ bankentaks ’ betalen, is voorzien dat zij van het in 2016 te betalen bedrag aan nieuwe taks op de kredietinstellingen in mindering mogen brengen : 1° de voor 2016 reeds betaalde ‘ oude ’ taksen op de kredietinstellingen en 2° de voor hetzelfde jaar betaalde bijdrage voor het fonds voor de financiële stabiliteit. Deze verrekening kan aanleiding geven tot een teruggave van het saldo indien de reeds betaalde ‘ oude taksen ’ en de bijdragen voor het jaar 2016 in voorkomend geval meer zouden bedragen dan de nieuwe taks op de kredietinstellingen. De bijdrage voor de financiële stabiliteit voor het jaar 2016 blijft door de vrijgestelde kredietinstellingen verschuldigd en komt niet voor teruggave in aanmerking. In die zin is er dus geen verschillende behandeling van de op grond van artikel 20112/1 van het Wetboek diverse rechten en taksen vrijgestelde kredietinstellingen » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54- 1950/001, p. 9). B.3.
  1. Artikel 16 van de wet van 3 augustus 2016 bepaalt : « De artikelen 10 tot 13 treden in werking vanaf aanslagjaar 2017 ». Bij ontstentenis van een andersluidende bepaling zijn de andere artikelen van de wet van 3 augustus 2016 in werking getreden tien dagen na de bekendmaking van die wet in het Belgisch Staatsblad van 11 augustus 2016, namelijk op 21 augustus 2016, krachtens artikel 4, tweede lid, van de wet van 31 mei 1961 « betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen ». Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 7478, de enige prejudiciële vraag in de zaak nr. 7504 en de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 7515 B.
  2. De eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 7478, de enige prejudiciële vraag in de zaak nr. 7504 en de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 7515 hebben betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (zaken nrs. 7478, 7504 en 7515) en met de artikelen 16 en 172 van de Grondwet 17 (zaken nrs. 7478 en 7504), in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met verschillende beginselen, waaronder het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten. Het Hof onderzoekt die prejudiciële vragen samen. B.
  3. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vragen en uit de motivering van de verwijzingsbeslissingen blijkt dat de prejudiciële vragen enkel betrekking hebben op het aanslagjaar
  4. Het Hof beperkt bijgevolg zijn onderzoek tot dat aanslagjaar. B.
  5. Alleen de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 7478 heeft betrekking op artikel 16 van de wet van 3 augustus
  6. Noch uit de bewoordingen van die prejudiciële vraag, noch uit de motivering van de verwijzingsbeslissing kan worden begrepen in welk opzicht die bepaling onbestaanbaar zou kunnen zijn met de in de prejudiciële vraag beoogde referentienormen. De eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 7478 is niet ontvankelijk in zoverre zij betrekking heeft op artikel 16 van de wet van 3 augustus
  7. B.
  8. Het Hof onderzoekt eerst de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten. B.
  9. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden. B.
  10. De niet-retroactiviteit van de wetten is een waarborg die tot doel heeft rechtsonzekerheid te voorkomen. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende de gevolgen van een bepaalde handeling in redelijke 18 mate kan voorzien op het ogenblik dat die handeling wordt gesteld. De terugwerkende kracht is enkel verantwoord indien die absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. B.
  11. Wanneer het Hof wordt gevraagd of een wetskrachtige bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met een algemeen rechtsbeginsel dat een grondrecht waarborgt, moet de categorie van personen van wie dat grondrecht zou zijn geschonden, worden vergeleken met de categorie van personen voor wie dat grondrecht is gewaarborgd. Te dezen dient bijgevolg de categorie van personen van wie het grondrecht zou zijn geschonden dat wordt gewaarborgd door het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, te worden vergeleken met de categorie van personen voor wie dat grondrecht wel is gewaarborgd. B.
  12. Het Hof onderzoekt in de eerste plaats of de in het geding zijnde bepalingen retroactief zijn. B.
  13. Een fiscaalrechtelijke regel is slechts retroactief wanneer hij van toepassing is op feiten, handelingen en situaties die definitief waren voltrokken op het ogenblik dat hij in werking is getreden. B.
  14. Uit artikel 5 van de wet van 3 augustus 2016 blijkt dat, voor het aanslagjaar 2016, de in het geding zijnde taks opeisbaar is op 1 januari
  15. Daaruit volgt noodzakelijkerwijs dat het belastbaar feit uiterlijk op die datum definitief voltrokken is. Het is dus niet mogelijk de stelling van de Ministerraad te volgen, luidens welke, voor het aanslagjaar 2016, het belastbaar feit zou moeten worden beoordeeld op de datum van inwerkingtreding van de wet van 3 augustus 2016, namelijk 21 augustus
  16. Bijgevolg dient te worden vastgesteld, zonder dat moet worden onderzocht of de in het geding zijnde taks een nieuwe taks of de wijziging van een bestaande taks is en zonder dat moet worden bepaald of de in het geding zijnde taks een directe belasting of een indirecte belasting is, dat de situaties waarop de in het geding zijnde bepalingen van toepassing zijn, definitief voltrokken waren op uiterlijk 1 januari
  17. De in het geding zijnde bepalingen zijn bijgevolg 19 van toepassing op situaties die definitief voltrokken waren op het ogenblik van de inwerkingtreding van die bepalingen. De in het geding zijnde bepalingen zijn dus retroactief. B.
  18. Het Hof onderzoekt thans of de retroactiviteit van de in het geding zijnde bepalingen absoluut noodzakelijk is voor het bereiken van een doel van algemeen belang. B.
  19. De memorie van toelichting bij het ontwerp dat ten grondslag ligt aan de wet van 3 augustus 2016 vermeldt : « Na de sector gehoord te hebben, heeft de regering uit verschillende opties gekozen voor de schulden tegenover cliënten als heffingsgrondslag voor de eengemaakte taks. Deze heffingsgrondslag is weliswaar niet gelinkt aan het risicoprofiel van de financiële instellingen maar heeft in vergelijking met de andere opties die werden onderzocht de volgende voordelen : - incentive voor delokalisatie wordt beperkt; - deze heffingsgrondslag realiseert de gewenste taks shift zonder extreme verschuivingen; de bijdragen weerspiegelen het ‘ marktaandeel ’ van elke betalende instelling » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1950/001, p. 6). In de geïntegreerde impactanalyse gaf de minister van Financiën aan dat het « [de] bedoeling is enerzijds een vereenvoudiging van de bankentaksen door te voeren en anderzijds een recurrente jaarlijkse opbrengst van 805 miljoen euro voor de Schatkist te realiseren » (ibid., p. 15). Hij verduidelijkte ook dat « de eenmaking van de bankentaksen gepaard gaat met een globale bijdrageverhoging van de banksector met 55 miljoen euro » (ibid., p. 17). Tijdens de bespreking in de commissie zette de minister van Financiën voorts uiteen : « De nieuwe taks wordt berekend op basis van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen. Uit de verschillende mogelijkheden heeft de regering na overleg met de sector ervoor gekozen om de schulden tegenover cliënten als belastbare basis voor de unieke taks te nemen. Het is inderdaad zo dat deze belastbare basis geen rekening houdt met het risicoprofiel van de financiële instellingen. In vergelijking met de andere mogelijkheden biedt ze echter wel de volgende voordelen : - de incentive voor delokalisatie wordt beperkt; - deze heffingsgrondslag realiseert de gewenste taxshift in het voordeel van de spaarbanken. Na de hervorming zullen de grootbanken 69,9 % van het totaal aan bankentaksen bijdragen (het betreft het totaal van de nieuwe bankentaks, alsook de DGS [(Depositogarantiestelsel)] en SRF [(Single Resolution Fund) bijdrage)], de spaarbanken 21,6 % en de bijkantoren van buitenlandse banken 8,5 %. Voor de spaarbanken betekent dit een relatieve daling van 24,9 % naar 21,6 % en een nominale daling van 22,6 miljoen euro, ondanks 20 de stijging van de globale factuur voor de banksector in 2016 » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1950/002, p. 4). Wat betreft de overgangsbepaling vervat in artikel 14 van de wet van 3 augustus 2016, wees de gemachtigde van de Regering de afdeling wetgeving van de Raad van State erop dat de bedoeling van die bepaling is, voor het aanslagjaar 2016, de belastbare grondslag vast te stellen op een tijdstip – zijnde 31 december 2015 – waarop het bedrag ervan vaststaat en niet meer vatbaar is voor manipulatie (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1950/001, pp. 30-31). B.
  20. Het algemeen belang kan vereisen dat een door de wetgever noodzakelijk geachte fiscale maatregel met terugwerkende kracht uitwerking heeft waardoor het voor de belastingplichtigen onmogelijk wordt om door anticiperend gedrag de beoogde gevolgen van de maatregel te verminderen. Uit de in B.2 en in B.15 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wet van 3 augustus 2016 tot doel heeft
(1)verscheidene taksen en een bijdrage die ten laste zijn van de banksector te vervangen door een eengemaakte taks, met het oog op een vereenvoudiging,
(2)een recurrente fiscale opbrengst van 805 miljoen euro te genereren, wat neerkomt op een algemene bijdrageverhoging voor de banksector met 55 miljoen euro, en
(3)de belastbare grondslag zodanig te bepalen dat zij het « marktaandeel » van elke kredietinstelling weerspiegelt, niet aanzet tot delocalisatie en een fiscale verschuiving (tax shift) doorvoert in het voordeel van de spaarbanken. Bovenop die doelstellingen voegt de Ministerraad in zijn memories eraan toe dat de wet van 3 augustus 2016 eveneens ertoe strekt de continuïteit van de belastinginning te waarborgen. Noch uit de parlementaire voorbereiding, noch uit de memories van de Ministerraad blijkt evenwel waarom het, voor het bereiken van die doelstellingen, onontbeerlijk is om aan de in het geding zijnde bepalingen terugwerkende kracht te verlenen. B.
  1. Uit hetgeen voorafgaat, volgt dat de retroactiviteit van de in het geding zijnde bepalingen niet verantwoord is. 21 B.
  2. In zoverre zij van toepassing zijn op het aanslagjaar 2016, zijn de artikelen 2, 3, 5, 14 en 15 van de wet van 3 augustus 2016 niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten. De toetsing van de in het geding zijnde bepalingen aan de andere in de prejudiciële vragen beoogde referentienormen kan niet tot een ruimere vaststelling van ongrondwettigheid leiden. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7478 en de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7515 B.
  3. De tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7478 en de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7515 hebben betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet (zaak nr. 7478) en met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met verschillende beginselen (zaak nr. 7515), in de interpretatie volgens welke de hoedanigheid van kredietinstelling voor het aanslagjaar 2016 moet worden beoordeeld op de datum van inwerkingtreding van de wet van 3 augustus 2016, zijnde 21 augustus
  4. B.
  5. Uit hetgeen in B.13 is vermeld, blijkt dat de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen waarop die prejudiciële vragen berusten, kennelijk onjuist is. De tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7478 en de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7515 behoeven dan ook geen antwoord. 22 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In zoverre zij van toepassing zijn op het aanslagjaar 2016, schenden de artikelen 2, 3, 5, 14 en 15 van de wet van 3 augustus 2016 « tot invoering van een nieuwe jaarlijkse taks op de kredietinstellingen in de plaats van de bestaande jaarlijkse taksen, van de aftrekbeperkende maatregelen in de vennootschapsbelasting en van de bijdrage voor de financiële stabiliteit » de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten. - De tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7478 en de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 7515 behoeven geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 oktober
  6. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.136 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.130 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.162 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.163 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.