← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.138

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.138 Arrest- Rolnummer: 138/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 843 - laatst gezien 2026-06-18 23:36 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging : 1. artikel 201/4, zesde lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 17 februari 2021 2. in artikel 21 van de wet van 17 februari 2021 de woorden « met uitzondering van artikelen 15 en 16 die enkel aangaande de jaarlijkse taks op de effectenrekeningen uitwerking hebben met ingang van 30 oktober 2020 » - Verwerping van de beroepen voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 17 februari 2021 « houdende de invoering van een jaarlijkse taks op de effectenrekeningen », ingesteld door de beroepsvereniging « Assuralia » en anderen, door de nv « Groep Brussel Lambert » en de nv « Sagerpar », door de nv « Portus », door de vzw « Vlaamse Federatie van Beleggers » en anderen, door Laurent Donnay de Casteau, door de vzw « Liga van belastingplichtigen » en door de bv « NXMH ». Fiscaal recht - Taks op de effectenrekeningen - 1. Belastbare materie - 2. Vrijstelling - Gemiddelde waarde - 3. Vrijstelling van effectenrekeningen die worden aangehouden door financiële instellingen en instellingen voor collectieve belegging - 4. Niet-tegenstelbaarheid aan de administratie van bepaalde verrichtingen inzake effectenrekeningen - 5. Dubbele belasting - 6. Informatieverplichting van de Belgische tussenpersonen en verplichtingen van de titularissen - 7. Vrijheid van dienstverlening en vrij verkeer van kapitaal - 8. Verbod op het innen van indirecte belastingen op de inbreng van kapitaal in een vennootschap Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 138/2022 van 27 oktober 2022 Rolnummers : 7623, 7625, 7627, 7628, 7629, 7630 en 7631 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 17 februari 2021 « houdende de invoering van een jaarlijkse taks op de effectenrekeningen », ingesteld door de beroepsvereniging « Assuralia » en anderen, door de nv « Groep Brussel Lambert » en de nv « Sagerpar », door de nv « Portus », door de vzw « Vlaamse Federatie van Beleggers » en anderen, door Laurent Donnay de Casteau, door de vzw « Liga van belastingplichtigen » en door de bv « NXMH ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 augustus 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 augustus 2021, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 4 van de wet van 17 februari 2021 « houdende de invoering van een jaarlijkse taks op de effectenrekeningen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 februari 2021) door de beroepsvereniging « Assuralia », de nv « Argenta Assuranties », de nv « AG Insurance » en de nv « Allianz Benelux », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Berger, advocaat bij de balie van Antwerpen, en door Mr. B. Martens en Mr. P. Hinnekens, advocaten bij de balie te Brussel. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 augustus 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 augustus 2021, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4 en 16 van dezelfde wet door de nv « Groep Brussel Lambert » en de nv « Sagerpar », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Paquot en Mr. P. Maufort, advocaten bij de balie te Brussel. 2 c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 augustus 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 augustus 2021, heeft de nv « Portus », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Visschers en Mr. F. Smet, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4, 15, 16 en 21 van dezelfde wet. d. Bij vier verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 23 en 24 augustus 2021 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 25 en 26 augustus 2021, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet, respectievelijk door de vzw « Vlaamse Federatie van Beleggers », Luc Braeckmans, Jozef Moerenhout, Brigitte Broekaert en Herman Roelens, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Coveliers, Mr. Y. Cools en Mr. E. Vandingenen, advocaten bij de balie van Antwerpen, en door Mr. B. De Cock, advocaat bij de balie te Gent, door Laurent Donnay de Casteau, door de vzw « Liga van belastingplichtigen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Afschrift, advocaat bij de balie van Antwerpen, en door Mr. S. Chatzigiannis, advocaat bij de balie te Brussel, en door de bv « NXMH », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Vanhulle, Mr. L. Swartenbroux, Mr. C. Borgers en Mr. W. Verhoeye, advocaten bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7623, 7625, 7627, 7628, 7629, 7630 en 7631 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Haelterman en Mr. M. Wuyts, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 20 april 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 4 mei 2022 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge de verzoeken van meerdere verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 4 mei 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 15 juni 2022. Op de openbare terechtzitting van 15 juni 2022 : - zijn verschenen : . Mr. P. Berger, Mr. P. Hinnekens en Mr. T. Lebedeva, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. B. Martens, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7623; . Mr. B. Paquot, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7625; . Mr. S. Vanthienen, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. A. Visschers, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7627; . Mr. D. Coveliers en Mr. Y. Cools, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7628; 3 . Laurent Donnay de Casteau, in eigen persoon (verzoekende partij in de zaak nr. 7629); . Mr. W. Verhoeye, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7631; . Mr. A. Haelterman en Mr. M. Wuyts, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten gronde Wat betreft de middelen in de zaak nr. 7623, het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7628 en het vierde middel in de zaak nr. 7629 A.1.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7623 vorderen de vernietiging van de woorden « zonder dat een derde, andere dan een in dit lid geviseerde instelling, vennootschap of entiteit, over enig rechtstreeks of onrechtstreeks vorderingsrecht beschikt verbonden aan de waarde van de aangehouden effectenrekening », zoals ingevoerd in artikel 201/4, vierde lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen, bij artikel 4 van de wet van 17 februari 2021 « houdende de invoering van een jaarlijkse taks op de effectenrekeningen » (hierna : de bestreden wet). Zij leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 170 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden zinsnede niet strookt met wat de vice-eersteminister heeft verklaard bij de eerste lezing van het wetsontwerp dat aan de basis van de bestreden wet ligt. In essentie voeren de verzoekende partijen aan dat uit de bestreden bepaling niet met zekerheid kan worden afgeleid of de vrijstelling van de bestreden taks ook geldt voor de effectenrekeningen aangehouden door verzekeringsinstellingen in het kader van een met een verzekeringnemer afgesloten tak 23- levensverzekeringsproduct. A.1.2. De Ministerraad antwoordt dat het middel onontvankelijk is in zoverre het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de toepassing van de bestreden bepalingen op concrete feitlelijke elementen, namelijk de kenmerken van een tak 23-levensverzekeringsproduct. Voor het overige is de bestreden zinssnede zeer precies geformuleerd en heeft zij een duidelijk omschreven oogmerk. Verzekeringsondernemingen genieten de vrijstelling voor de effectenrekeningen die aan de vereisten voldoen. De vereiste dat de vrijstelling enkel geldt wanneer geen derde, andere dan een in dit lid geviseerde instelling, vennootschap of entiteit, over enig rechtstreeks of onrechtstreeks vorderingsrecht beschikt, verbonden aan de waarde van de aangehouden effectenrekening, wordt verantwoord door het feit dat het, zonder die vereiste, zeer eenvoudig zou zijn om de taks te vermijden. A.2.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7623 leiden een tweede middel af uit de schending, door artikel 4 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat die bepaling een onverantwoord verschil in behandeling invoert tussen verzekeringsondernemingen enerzijds en kredietinstellingen, instellingen voor collectieve beleggingen, pensioeninstellingen en -fondsen en particuliere beleggers anderzijds. Daarnaast doet die bepaling eveneens een onverantwoord verschil in behandeling ontstaan tussen verzekeringsondernemingen onderling en tussen binnenlandse en buitenlandse verzekeringsondernemers. Telkens is het aangeklaagde verschil in behandeling volgens de verzoekende partijen terug te voeren naar de 4 toepassing van de bestreden taks op de effectenrekeningen aangehouden door verzekeringsinstellingen in het kader van een met een verzekeringnemer afgesloten tak 23-levensverzekeringsproduct. A.2.2. De Ministerraad antwoordt dat de bestreden zinssnede op identieke wijze van toepassing is op de door de verzoekende partijen vermelde categorieën van instellingen. Hij wijst erop dat naar gelang van de aard van de instelling, verschillende juridische constructies mogelijk zijn die ertoe leiden dat de vrijstelling niet geldt. Voor het overige voert hij aan dat onvoldoende blijkt uit het verzoekschrift op welke wijze de bestreden zinssnede aan de basis zou liggen van de verschillen in behandeling die door de verzoekende partijen worden aangehaald. Tot slot merkt de Ministerraad op dat zonder de bestreden zinssnede er een nog gunstiger fiscaal stelsel zou ontstaan voor tak 23-levensverzekeringsproducten ten opzichte van andere vormen van effectenbeleggingen waar effectenrekeningen aan te pas komen. A.3.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7623 leiden een derde middel af uit de schending, door artikel 4 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat die bepaling een verschil in behandeling doet ontstaan tussen belastingplichtigen die rechtstreeks een effectenrekening aanhouden bij een kredietinstelling en de belastingplichtigen die een tak 23-levensverzekeringsproduct aanhouden bij een verzekeringsonderneming. A.3.2. De Ministerraad voert aan dat dit middel in essentie dezelfde argumenten herhaalt als het tweede middel, maar dan vanuit het standpunt van de uiteindelijke belegger. Ook zonder een tak 23- levensverzekeringsproduct geldt voor alle houders van effecten op effectenrekeningen dat de taks wordt toegepast rekening houdend met de waarde van de rekening in haar geheel. De Ministerraad merkt op dat er beduidende fiscale verschillen bestaan tussen de belastbare directe belegging middels een effectenrekening en de belegging middels een tak 23-levensverzekeringsproduct, die volledig is vrijgesteld in de personenbelasting. A.4.1. Het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7628 is afgeleid uit de schending, door artikel 201/4, vierde lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoerd bij artikel 4 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. De verzoekende partijen klagen aan dat er een onverantwoorde discriminatie ontstaat tussen vrijgestelde en niet-vrijgestelde entiteiten, doordat slechts limitatief opgesomde financiële instellingen niet aan de taks onderworpen zijn, terwijl nog andere financiële instellingen of entiteiten effectenrekeningen als werkinstrumenten aanhouden, zoals beleggingsclubs of vennootschappen die fungeren als zogenaamde intragroepsbanken. A.4.2. De Ministerraad antwoordt dat de limitatieve lijst van betrokken instellingen een categorie van instellingen viseert die, gezien hun bijzondere rol en functie voor de normale werking van het financiële stelsel, elk aan een specifieke reglementering zijn onderworpen. De uitsluiting van voor eigen rekening aangehouden effectenrekeningen van de betrokken financiële instellingen houdt essentieel verband met de noodzaak de normale werking van het financiële systeem niet te ontwrichten door de invoering van een nieuwe taks die in veel andere landen niet bestaat. A.5.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 7629 leidt een vierde middel af uit de schending, door artikel 4 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat volgens haar effectenrekeningen die worden gebruikt voor het beheer van tak 23-levensverzekeringen, uitgesloten zijn van de bestreden taks. Volgens haar is daarvoor geen redelijke verantwoording. Het vijfde middel in de zaak nr. 7630 sluit aan bij de middelen van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7623 en heeft betrekking op de toepassing van de effectentaks op effectenrekeningen die worden gebruikt door financiële instellingen voor het beheer van tak 23- levensverzekeringsproducten. A.5.2. De Ministerraad verwijst naar zijn antwoorden op de middelen in de zaak nr. 7623. Wat betreft de eerste drie middelen in de zaak nr. 7625, het eerste middel in de zaak nr. 7627, het derde middel in de zaak nr. 7628, het zesde en zevende middel in de zaak nr. 7629, het zevende middel in de zaak nr. 7630 en het vierde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7631 A.6.1. Het eerste middel in de zaak nr. 7625 is afgeleid uit de schending, door artikel 201/4, zesde lid, van het Wetboek diverse rechten ten taksen, zoals ingevoerd bij artikel 4 van de bestreden wet, van artikel 170 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de rechtszekerheid en al dan niet in samenhag gelezen met het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd in de artikelen 16 en 17 van de Grondwet en in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en met het fiscaal gelijkheidsbeginsel. 5 Zij klagen aan dat de al dan niet weerlegbare vermoedens van fiscaal misbruik ertoe leiden dat wezenlijk verschillende situaties identiek worden behandeld zonder redelijke verantwoording. Door de tegenstrijdigheden tussen enerzijds de parlementaire voorbereiding en anderzijds de tekst van de wet, is het volgens de verzoekende partijen onmogelijk te bepalen wanneer de specifieke antimisbruikbepalingen en de daaruit volgende niet- tegenstelbaarheid al dan niet weerlegbaar zijn. Het wettigheidsbeginsel is volgens de verzoekende partijen geschonden doordat enerzijds wordt benadrukt dat het gaat om een abonnementstaks op het houden van een effectenrekening, maar dat anderzijds, via de antimisbruikbepalingen, bedragen worden opgenomen in de berekening van de belastbare grondslag die niet op een effectenrekening staan. In werkelijkheid breiden de antimisbruikbepalingen bijgevolg de belastbare materie uit. Tot slot klagen zij aan dat niet is bepaald hoe de niet- tegenstelbare acties worden omgerekend en dat evenmin in een specifieke referentieperiode is voorzien. De effectentaks voldoet bijgevolg niet aan de vereisten van het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken. De verzoekende partijen verwijzen naar het arrest van het Hof nr. 141/2013 van 30 oktober 2013 en naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, waarin werd opgemerkt dat een antimisbruikbepaling moeilijk verenigbaar is met een belasting die enkel een budgettair doel nastreeft. Bijgevolg is ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 202 van het Wetboek diverse rechten en taksen ongrondwettig. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7625 vragen het Hof uitdrukkelijk te bevestigen dat de bestreden bepalingen zo moeten worden geïnterpreteerd dat enkel acties die erop gericht zijn de taks te vermijden en tegelijk hetzelfde investeringsdoel nastreven, als misbruik kunnen worden beschouwd. A.6.2. Het tweede middel in de zaak nr. 7625 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16 en 17 van de Grondwet, van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mensen en van artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, maar bevat in essentie dezelfde argumenten als het eerste middel van dezelfde verzoekende partijen. De verzoekende partijen vragen dat het Hof uitdrukkelijk bevestigt dat de algemene antimisbruikbepaling zo moet worden geïnterpreteerd dat enkel acties die erop gericht zijn de taks te vermijden en tegelijk hetzelfde investeringsdoel nastreven, als misbruik kunnen worden beschouwd. A.6.3. Het derde middel in de zaak nr. 7625, alsook het eerste middel in de zaak nr. 7627, het derde middel in de zaak nr. 7628, het zesde middel in de zaak nr. 7629, het zevende middel in de zaak nr. 7630 en het vierde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7631 lopen gelijk met de eerste twee middelen in de zaak nr. 7625. In haar zevende middel klaagt de verzoekende partij in de zaak nr. 7629 bijkomend aan dat zowel de acties van de tussenpersoon als die van de titularis als misbruik kunnen worden gekwalificeerd, waardoor die laatste de gevolgen zou kunnen dragen van acties die hijzelf niet heeft ondernomen. A.6.4. De Ministerraad voert aan dat de eerste twee middelen in de zaak nr. 7625 enkel bedoeld zijn om het Hof ertoe te brengen een bepaalde interpretatie van de betrokken bepalingen te bevestigen. De Ministerraad benadrukt dat hij akkoord gaat met de door de verzoekende partijen voorgestelde interpretaties. De Ministerraad stelt bijkomend dat in het geval van de twee constructies waarop de specifieke antimisbruikbepaling betrekking heeft, een fiscale fictie noodzakelijk is om al te evidente en in nagenoeg alle gevallen louter fiscaal geïnspireerde verrichtingen als niet tegenstelbaar aan de belastingadministratie te beschouwen. Wat betreft de zuivere splitsingen van effectenrekeningen aangehouden bij dezelfde financiële instelling, kunnen motieven, andere dan loutere belastingbesparing, niet of nauwelijks aan de orde zijn. Volgens de Ministerraad blijkt ook uit de verzoekschriften dat er geen voorbeelden voorhanden zijn van mogelijke valabele alternatieve motieven. Hij benadrukt dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat wordt aanvaard dat situaties waarbij de splitsing van een effectenrekening uitdrukking geeft aan gewijzigde onderliggende vermogenssituaties, niet worden getroffen door de onweerlegbare niet-tegenstelbaarheid. De Ministerraad merkt op dat dit eventueel kan worden verduidelijkt in de vorm van een grondwetsconforme interpretatie. Wat betreft de omzettingen in effecten op naam, is het volgens de Ministerraad eveneens duidelijk dat die louter fiscaal geïnspireerd zijn. De alternatieven die in de verschillende verzoekschriften worden gesuggereerd, kunnen niet opwegen tegen de klaarblijkelijke fiscale motieven van dergelijke omzettingen. Praktische vragen worden voldoende beantwoord in de parlementaire voorbereiding. Wat betreft het tweede en het derde middel in de zaak nr. 7627 A.7.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 7627 leidt een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 201/4, laatste lid, en 202 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoerd bij de bestreden 6 wet, van de artikelen 10, 11 en 179 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Burgerlijk Wetboek, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het wettigheids- en het voorzienbaarheidsbeginsel. Volgens haar wordt de terugwerkende kracht van de antimisbruikbepalingen niet verantwoord op grond van bijzondere omstandigheden. Zij verwijst naar de rechtspraak van het Hof om aan te tonen dat het algemeen belang of de nood om ontwijking te vermijden, onvoldoende zijn om een retroactieve werking te verantwoorden. De voorafgaande publicatie van een waarschuwing in het Belgisch Staatsblad volstaat niet om de gevolgen te compenseren, des te meer nu er tegenstrijdigheden zijn tussen die publicatie en de uiteindelijke regeling. Het derde middel in de zaak nr. 7627 sluit daarbij aan en is afgeleid uit de schending, door artikel 201/4, laatste lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoerd bij artikel 4 van de bestreden wet, van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het fiscaal wettigheidsbeginsel, doordat de antimisbruikbepaling ook wordt toegepast op een periode waarin er geen wettelijke basis bestond om de toenmalige verrichtingen belastbaar te stellen. A.7.2. De Ministerraad antwoordt dat het feit dat verrichtingen van na 30 oktober 2020 niet-tegenstelbaar zijn, niet tot gevolg heeft dat er een belastbare basis of materie wordt gecreëerd met betrekking tot de periode waarover die bepalingen terugwerken. Het terugwerkend effect is beperkt tot het feit dat bij de latere toepassing van de taks met de specifieke voorafgaande verrichtingen geen rekening wordt gehouden indien die niet tegenstelbaar blijken te zijn. Die terugwerkende kracht is noodzakelijk om voorafgaand ontwijkingsgedrag tegen te gaan. Het bericht in het Belgisch Staatsblad van 4 november 2020 zorgde ervoor dat de betrokkenen vanaf die datum over duidelijke en volledige informatie konden beschikken. Eventueel zou het Hof de terugwerkende kracht tot die datum kunnen beperken. In ondergeschikte orde zou de gegrondheid van dat middel slechts tot de vernietiging van de terugwerkende kracht kunnen leiden. Wat betreft de eerste twee middelen in de zaak nr. 7628, het eerste middel in de zaak nr. 7629, het tweede middel in de zaak nr. 7630 en het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7631 A.8.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7628 leiden een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 3 tot 21 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Zij voeren aan dat de wetgever geen louter budgettair doel nastreeft, maar dat uit de drempel van 1 miljoen alsook uit verschillende elementen in de parlementaire voorbereiding en de context van de regeling moet worden afgeleid dat de wetgever belastingplichtigen met een mindere financiële draagkracht wou sparen. Wanneer met die doelstelling rekening wordt gehouden, moet volgens de verzoekende partijen worden vastgesteld dat er een onverantwoorde discriminatie ontstaat tussen belastingplichtigen met hetzelfde vermogen, naargelang dit op een effectenrekening staat of niet. In ondergeschikte orde leiden de verzoekende partijen in de zaak nr. 7628 een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 3 tot 21 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. In het eerste onderdeel voeren zij aan dat de bestreden regeling een onverantwoorde discriminatie invoert tussen effectenrekeningen die al dan niet de grens van 1 miljoen euro bereiken. Zelfs indien de louter budgettaire doelstelling zou worden aanvaard, dan nog is die grens volgens de verzoekende partijen arbitrair. Het eerste middel in de zaak nr. 7629, het tweede middel in de zaak nr. 7630 en het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7631, sluiten aan bij die middelen. A.8.2. Volgens de Ministerraad kon de wetgever, gezien zijn beleidsvrijheid bij het bepalen van de belastbare materie, ervoor kiezen een abonnementstaks op het houden van een effectenrekening invoeren. Die doelstelling blijkt uit de duidelijke tekst van de wet. De argumenten van de verzoekende partijen komen neer op speculatie en losse beweringen van derden die niet aan de basis van een grondwettelijk onderzoek van goedgekeurde wetteksten kunnen liggen. Het feit dat in bepaalde specifieke omstandigheden rekening wordt gehouden met de hoedanigheid van de titularis van een rekening, is geen indicatie dat naar het ruimer vermogen of enige persoonsgebonden draagkracht wordt verwezen. Wat betreft de drempel van 1 miljoen voert de Ministerraad aan dat die wordt verantwoord door verschillende doelstellingen. De drempel wordt verantwoord door de nood aan efficiëntie wat betreft de vaststelling, berekening en inning van de belastingen. Daarnaast is het voor lagere bedragen eenvoudiger om alternatieven voor het aanhouden van effectenrekeningen te vinden. De Ministerraad merkt op dat de drempel ook in de financiële wereld relevant en logisch wordt geacht. 7 In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat indien het Hof zou oordelen dat de voetvrijstelling ongrondwettig is, dit enkel tot de vernietiging kan leiden van artikel 4 van de bestreden wet, in zoverre die bepaling in artikel 201/4, derde lid, die drempel invoert. Daarnaast verzoekt de Ministerraad om, indien het Hof de drempel ongrondwettig zou achten, de wetgever een redelijke termijn te verschaffen om de betrokken bepaling in grondwetsconforme zin aan te passen. Wat betreft het derde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7628, het tweede onderdeel van het eerste middel en het vierde middel in de zaak nr. 7630 en het tweede, derde, vijfde en zesde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7631 A.9.1. In een derde onderdeel van hun tweede middel klagen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7628 een discriminatie aan tussen de houders van effectenrekeningen en de houders van spaarrekeningen of zichtrekeningen, terwijl al die rekeningen een medium zijn voor geldmiddelen. Het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7630 sluit hierbij aan en is afgeleid uit de schending, door artikel 3 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat aandelen op naam die niet op een effectenrekening worden gehouden niet worden belast. Het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7631 is eveneens afgeleid uit het verschil in behandeling tussen investeerders naar gelang van de wijze waarop zij hun beleggingen aanhouden, doordat enkel investeerders die beleggen in instrumenten die op effectenrekeningen worden gehouden, worden belast. Noch de formele doelstelling om een abonnementstaks in te voeren, noch de veronderstelde doelstelling om grote vermogens te belasten, verantwoorden volgens de verzoekende partij dat verschil in behandeling. De rechtvaardiging om bepaalde financiële instrumenten in het kader van de antimisbruikregeling alsnog aan de taks te onderwerpen omdat zij eenzelfde beleggingsobjectief nastreven, geldt immers net zo goed wanneer er nooit sprake was van een effectenrekening. In het derde onderdeel van haar eerste middel klaagt de verzoekende partij in de zaak nr. 7631 aan dat de bestreden wet een ongerechtvaardigd verschil in behandeling doet ontstaan tussen verschillende categorieën van ondernemingen die eigen aandelen inkopen. In het vijfde onderdeel van haar eerste middel klaagt de verzoekende partij in de zaak nr. 7631 aan dat beursgenoteerde ondernemingen en hun investeerders verschillend worden behandeld dan niet-beursgenoteerde ondernemingen en hun investeerders, omdat de bestreden wet tot gevolg heeft dat het voor beursgenoteerde ondernemingen duurder is om financiering te verkrijgen. Het zesde onderdeel is gericht tegen het verschil in behandeling tussen titularissen van effectenrekeningen die al dan niet in mede- eigendom worden aangehouden. A.9.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 7630 leidt een vierde middel af uit de schending, door artikel 9 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat er onverantwoorde discriminaties worden gecreëerd tussen titularissen van effectenrekeningen naargelang zij al dan niet de enige titularis zijn, naargelang zij al dan niet vrijwillig medetitularis zijn, naar gelang van hun aandeel in de effectenrekening en naargelang zij één of meerdere effectenrekeningen aanhouden. A.9.3. De Ministerraad antwoordt dat de wetgever, gezien zijn beleidsvrijheid bij het bepalen van de belastbare materie, ervoor kon kiezen een abonnementstaks op het houden van een effectenrekening in te voeren. De verschillen die door de verzoekende partijen worden aangekaart, zijn het logische gevolg van een systeem waarbij het houden van een effectenrekening wordt belast, ongeacht de hoedanigheid van de titularis of de omvang van diens vermogen. Wat betreft het vierde middel in de zaak nr. 7628 en het derde middel in de zaak nr. 7630 A.10.1. Het vierde middel in de zaak nr. 7628, is afgeleid uit de schending van het beginsel non bis in idem, in samenhang gelezen met het gelijkheidsbeginsel zoals gewaarborgd bij de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de jaarlijkse taks tot vergoeding der successierechten, zoals geregeld in de artikelen 147 tot 160bis van het Wetboek der successierechten, ook de waarden op effectenrekeningen viseert. Daardoor treffen beide belastingen eenzelfde belastingplichtige met een overeenstemmende belastbare materie. De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat de berekeningswijze van de taks hetzelfde effect heeft in sommige gevallen wanneer een effectenrekening wordt gesloten en een nieuwe wordt geopend. 8 De verzoekende partij in de zaak nr. 7630 leidt een derde middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet en van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij klaagt aan dat niet in een maatregel voorzien is die verhindert dat een titularis die tijdens een referentieperiode een effectenrekening sluit en een andere opent, dubbel belast wordt indien beide rekeningen de drempel overschrijden. Dit maakt niet alleen een schending uit van het eigendomsrecht, maar ook van artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, doordat het een ontradend effect heeft. A.10.2. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het vierde middel in de zaak nr. 7628 wat betreft de aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien niet wordt uiteengezet hoe een schending van het beginsel non bis in idem tot een discriminatie zou leiden. Voor het overige is er geen reden waarom een bijzondere abonnementstaks op het medium effectenrekening niet wettelijk combineerbaar zou zijn met het feit dat bepaalde rechtspersonen zijn onderworpen aan de taks ter vergoeding van de successierechten. De aard en de strekking van de bestreden taks zijn volstrekt verschillend van de algemene jaarlijkse brutovermogensbelasting die de taks ter vergoeding van de successierechten uitmaakt. De betrokken entiteiten betalen bijvoorbeeld ook jaarlijks onroerende voorheffing als zij eigenaar zijn van onroerende goederen, terwijl die ook worden meegerekend in de belastbare basis voor de toepassing voor de jaarlijkse taks ter vergoeding van de successierechten. Wat betreft de door de verzoekende partijen beschreven situatie waarbij één effectenrekening wordt afgesloten en een andere wordt geopend, is geen sprake van een dubbele belasting, maar is het logisch dat de heffing op het houden van een effectenrekening wordt toegepast op beide effectenrekeningen, aangezien er twee effectenrekeningen werden aangehouden, hoewel gespreid in de tijd. A.10.3. De verzoekende partij in de zaak nr. 7630 leidt een derde middel af uit een schending, door de artikelen 3 en 11 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, van artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en van het proportionaliteitsbeginsel. Zij klaagt eveneens aan dat het sluiten en opnieuw openen van een effectenrekening met dezelfde financiële instrumenten binnen één referentieperiode leidt tot de heffing van een dubbele taks op de effectenrekeningen. A.10.4. De Ministerraad verwijst naar zijn antwoorden op het vierde middel in de zaak nr. 7628. Wat betreft het vijfde en zesde middel in de zaak nr. 7628 en het derde middel in de zaak nr. 7631 A.11.1. Het vijfde middel in de zaak nr. 7628 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 56 en 65 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De verzoekende partijen klagen aan dat de bestreden taks ertoe leidt dat Belgische tussenpersonen eerder zullen worden gekozen voor het openen van een effectenrekening dan buitenlandse tussenpersonen. Een inwoner die een effectenrekening aanhoudt bij een buitenlandse kredietinstelling, moet immers in principe zelf instaan voor de individuele aangifte en betaling van de taks, tenzij de buitenlandse kredietinstelling een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten aanstellen. Dit laatste werd bovendien bemoeilijkt doordat de uitvoeringsbepalingen die deze aanstelling moeten regelen laattijdig zijn ingevoerd. De verzoekende partijen vragen aan het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie : « Schendt artikel 201/9/1 WDRT iuncto artikel 201/9 WDRT het vrij verkeer van diensten in de zin van artikel 56, lid 1 VWEU en artikel 36 van de Overeenkomst van 2 mei 1992 betreffende de Europese Economische Ruimte en het vrij verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63 VWEU en artikel 40 van de Overeenkomst van 2 mei 1992 betreffende de Europese Economische Ruimte, in de mate waarin het voor de niet in België gevestigde of opgerichte tussenpersonen, gevestigd in de Europese Economische Ruimte, noodzakelijk is een vanwege de minister van Financiën in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen, die zich hoofdelijk jegens de Belgische Staat verbindt tot betaling van de taks en tot uitvoering van alle verplichtingen waartoe de tussenpersoon gehouden is, opdat zij zelf zouden kunnen overgaan tot aangifte en betaling van de taks en op die wijze te vermijden dat de titularis van de effectenrekening zelf moet overgaan tot aangifte en betaling van de taks, in het bijzonder gelet op het feit dat de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot deze aanstelling laattijdig zijn uitgevoerd ? » en 9 « Schendt artikel 201/9/1WDRT iuncto artikel 201/9 WDRT het vrij verkeer van diensten in de zin van artikel 56, lid 1 VWEU en artikel 36 van de Overeenkomst van 2 mei 1992 betreffende de Europese Economische Ruimte en het vrij verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63 VWEU en artikel 40 van de Overeenkomst van 2 mei 1992 betreffende de Europese Economische Ruimte, in de mate waarin aan de niet in België gevestigde of opgerichte tussenpersonen, gevestigd in de Europese Economische Ruimte, die geen aansprakelijke vertegenwoordiger (kunnen) aanstellen, niet zelf tot aangifte en betaling van de taks voor hun klanten kunnen overgaan zodat de klanten dit zelf moeten doen, zodat ingezeten titularissen van een effectenrekening ervan kunnen worden weerhouden een effectenrekening te openen of te behouden bij een tussenpersoon gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, in het bijzonder gelet op het feit dat de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot deze aanstelling laattijdig zijn uitgevoerd ? ». A.11.2. De Ministerraad antwoordt dat het logisch is dat de Belgische belastingadministratie niet over dezelfde contact- en controlemogelijkheden beschikt met betrekking tot buitenlandse tussenpersonen. Die tussenpersonen kunnen echter, behalve het mechanisme waarbij zij een beroep doen op een aansprakelijke vertegenwoordiger, ervoor kiezen ten behoeve van de titularis van een bij hem aangehouden effectenrekening, over te gaan tot de indiening van de aangifte en de betaling van de taks, op basis van een eenvoudig mandaat. Er wordt bijgevolg geen enkele belemmering ingevoerd wat betreft de vrije dienstverlening. Bijgevolg is er evenmin aanleiding tot het stellen van enige prejudiciële vraag. Ondergeschikt is het volgens de Ministerraad verantwoord dat enkel Belgische tussenpersonen verplicht kunnen worden tot bevrijdende inhouding, aangezien de doeltreffendheid van de inning en controles moet worden gewaarborgd. Dit geldt ook voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van de titularissen die belastingontwijking tegengaat. De Ministerraad voert aan dat die regeling zeer soortgelijk is aan die van de taks op de beursverrichtingen, die de controle van het Hof van Justitie en van het Grondwettelijk Hof heeft doorstaan. A.12.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7628 leiden een zesde middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008 « betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal » (hierna : de richtlijn 2008/7/EG). Zij verwijzen daarbij naar de rechtspraak van het Hof van Justitie. Zij vragen het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen : « Schendt de taks op de effectenrekeningen zoals deze is voorzien in de artikelen 201/3 WDRT tot en met artikel 201/9/5 WDRT, artikel 5, lid 2 van Richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, in de mate waarin de taks op de effectenrekeningen de facto wordt geheven op de uitgifte zelf van het effect aangezien de inschrijving van een effect op een effectenrekening een integrerend deel uitmaakt van een globale verrichting voor het bijeenbrengen van kapitaal ? ». De verzoekende partij in de zaak nr. 7631 leidt een derde middel af uit de schending, door de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5, lid 2, a), van de richtlijn 2008/7/EG, in zoverre de bestreden taks wordt geheven op nieuwe financiële instrumenten die worden uitgegeven hetzij bij de oprichting van ene vennootschap, hetzij bij een latere kapitaalsverhoging. A.12.2. De Ministerraad verwijst naar de parlementaire voorbereiding, waarin wordt gesteld dat de bestreden taks geenszins valt onder artikel 5, lid 2, a), van de richtlijn 2008/7/EG. Er wordt geen taks geheven op het inbrengen van kapitaal of andere feiten gelinkt aan een inbreng in of uitgifte van effecten van kapitaalvennootschappen, maar enkel op het aanhouden van een effectenrekening. De taks heeft evenmin dezelfde kenmerken als een kapitaalrecht of een zegelrecht. Er is namelijk geen enkele handeling zoals het inbrengen van kapitaal of de uitgifte van effecten vereist voor de toepassing van de bestreden taks. De verwijzingen naar de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn niet pertinent. Wat betreft het tweede middel in de zaak nr. 7629 A.13.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 7629 leidt een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 7 en 9 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 22, 170 en 172 van de Grondwet. Zij klaagt aan dat wanneer een effectenrekening meerdere titularissen heeft, die titularissen op grond van artikel 201/9, derde lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoerd bij de bestreden wet, elk solidair gehouden zijn tot de betaling van de taks en eventuele boetes, terwijl op grond van artikel 201/9, eerste lid, de tussenpersoon instaat 10 voor de betaling en voor eventuele boetes wanneer er slechts één titularis is. Zij voert aan dat er ook verschillen in behandeling zijn naargelang medetitularissen al dan niet rijksinwoner zijn. Tot slot klaagt zij aan dat de tussenpersonen volgens de parlementaire voorbereiding de titularissen moeten informeren over de identiteit van hun medetitularissen. A.13.2. De Ministerraad merkt op dat het middel onduidelijk is en overigens gebaseerd lijkt te zijn op een verkeerde lezing van de wet. De verschillen in behandeling waarnaar wordt verwezen, zijn onbestaande. Wat betreft het derde middel in de zaak nr. 7629 en het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7630 A.14.1. Het derde middel in de zaak nr. 7629 is afgeleid uit de schending, door artikel 201/3, 4°, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoerd bij artikel 3 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. De verzoekende partij klaagt aan dat de definitie van « belastbare financiële instrumenten » tot gevolg heeft dat ook geldmiddelen worden meegerekend bij de berekening van de belastbare grondslag. Of die al dan niet op de effectenrekening worden gehouden, is echter voornamelijk afhankelijk van technische keuzes van de kredietinstellingen en niet van de titularis. Bovendien kunnen die technische keuzes niet altijd worden aangepast, omdat het risico bestaat dat zij onder de antimisbruikbepalingen zouden vallen. Het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7630 sluit hierbij aan. De verzoekende partij klaagt aan dat geldmiddelen verschillend worden behandeld naargelang zij al dan niet op een effectenrekening worden gehouden. Ook tussen effectenrekeningen en gewone rekeningen ontstaat zo een discriminatie. Doordat de bestreden taks in werkelijkheid geen abonnementstaks is, maar bedoeld is om grote vermogens te belasten, zijn die verschillen in behandeling volgens haar niet redelijk verantwoord. A.14.2. Volgens de Ministerraad worden geldmiddelen bij de belastbare grondslag gerekend wanneer zij worden aangehouden op effectenrekeningen, maar is het duidelijk dat het aanhouden van dergelijke geldmiddelen niet de essentie uitmaakt van de werking van effectenrekeningen. Wat betreft het vijfde middel in de zaak nr. 7629 A.15.1. Het vijfde middel in de zaak nr. 7629 is afgeleid uit de schending, door artikel 12 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de belastingplichtigen onderworpen zijn aan verschillende aangiftetermijnen. A.15.2. De Ministerraad antwoordt dat dezelfde termijn geldt voor alle titularissen van effectenrekeningen bij niet-Belgische tussenpersonen. Er valt moeilijk in te zien hoe er sprake zou kunnen zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Wat betreft het derde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7360 A.16.1. Het derde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7360 is afgeleid uit de schending, door artikel 3 van de bestreden wet, van artikel 170 van de Grondwet en het wettigheidsbeginsel, doordat het begrip « belastbaar », zoals gebruikt in artikel 201/3, 4°, van het Wetboek diverse rechten en taksen, onduidelijk zou zijn en verwarring zou doen ontstaan over de vraag of de effectenrekening, dan wel de financiële instrumenten die erop gehouden worden, de belastbare materie zijn. A.16.2. Volgens de Ministerraad bestaat in werkelijkheid geen onduidelijkheid; deze wordt door de verzoekende partij zelf gecreëerd door een selectieve lezing van de betrokken bepaling. Wat betreft het achtste middel in de zaak nr. 7630 A.17.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 7630 leidt een achtste middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10, 11, 16, 170 en 172 van de Grondwet, van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, doordat bij de berekening van de drempelwaarde van 1 miljoen en 11 van de belastinggrondslag, ook de bedragen worden meegerekend die behoren tot het vermogen van buitenlandse medetitularissen, dat op grond van dubbelbelastingverdragen niet belastbaar is. Daardoor zouden enkel de Belgische medetitularissen moeten instaan voor de taks, die nochtans ook berekend wordt op grond van het deel van de buitenlandse medetitularissen. In hetzelfde middel klaagt de verzoekende partij aan dat een buitenlandse titularis verschillend wordt behandeld, naargelang hij alleen, dan wel samen met Belgische medetitularissen een effectenrekening aanhoudt. In het eerste geval zal de bestreden taks, op grond van een eventueel dubbelbelastingverdrag, niet verschuldigd zijn, terwijl dit wel zo is in het tweede geval. A.17.2. De Ministerraad antwoordt dat het feit dat, enerzijds, sommige titularissen, op grond van een specifiek dubbelbelastingverdrag, de bestreden taks niet moeten betalen en dat, anderzijds, de effectenrekeningen waarvan zij samen met Belgen titularis zijn, wel aan de taks onderworpen zijn, het gevolg is van de specifieke toepassing van de betrokken dubbelbelastingverdragen. Het gaat bijgevolg over concrete vragen die in voorkomend geval door een bodemrechter moeten worden beantwoord. A.17.3. In het tweede onderdeel van het achtste middel klaagt de verzoekende partijen in de zaak nr. 7630 aan dat de oprichters van een juridische constructie verschillend worden behandeld, naar gelang van de inhoud van de eventuele dubbelbelastingverdragen die België sloot met landen die in die constructie betrokken zijn. A.17.4. De Ministerraad antwoordt dat dit het logische gevolg is van het feit dat de verdragen die worden afgesloten met verschillende landen niet identiek zijn. Wat betreft het tweede middel in de zaak nr. 7631 A.18.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 7631 leidt een tweede middel af uit de schending, door de bestreden wet, van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, doordat zij een voordeel toekent aan ondernemingen waarvan de aandelen niet kunnen worden aangehouden op een effectenrekening. A.18.2. Volgens de Ministerraad is dat middel onontvankelijk omdat geen schending wordt aangevoerd van een norm waaraan het Hof rechtstreeks vermag te toetsen. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat er geen sprake is van staatsteun. Ten aanzien van de eventuele toepassing van artikel 8, in fine, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof A.19.1. De Ministerraad vraagt, in ondergeschikte orde, dat indien het Hof zou oordelen dat de bestreden wet geheel of gedeeltelijk moet worden vernietigd, toepassing wordt gemaakt van artikel 8, in fine, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. De volledige en retroactieve vernietiging van de bestreden taks zou verregaande gevolgen hebben op budgettair vlak voor de federale overheid en zou leiden tot verregaande onzekerheid en moeilijkheden wat betreft de teruggave van reeds geinde heffingen. Hij wijst op de bijzondere budgettaire inspanningen die de federale overheid moet doen in het kader van de COVID-pandemie en op de relatief beperkte individuele budgettaire impact van de taks voor de betrokken personen en entiteiten. Indien het Hof slechts bepaalde middelen gegrond zou bevinden, verzoekt de Ministerraad daarnaast om een eventuele vernietiging te beperken tot de specifieke bepalingen waarop de betrokken middelen betrekking hebben. A.19.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7628 stellen dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die de handhaving van de gevolgen van eventuele vernietigde bepalingen zouden verantwoorden. Zij wijzen erop dat uit de parlementaire voorbereiding duidelijk blijkt dat de wetgever wist dat de grondwettigheid van de regeling in het geding zou worden gebracht en dat het risico reëel was dat de regeling zou worden vernietigd. De verzoekende partij in de zaak nr. 7629 voegt daaraan toe dat het relatief eenvoudige systeem van aangiftes ertoe leidt dat ook de terugbetaling in het geval van een vernietiging eenvoudig zal zijn. In hun memories van antwoord sluiten de verzoekende partijen in de andere zaken zich hierbij aan. 12 -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.1. De wet van 17 februari 2021 « houdende de invoering van een jaarlijkse taks op de effectenrekeningen » (hierna : de bestreden wet) strekt tot de invoering van een jaarlijkse taks op de effectenrekeningen, die wordt opgenomen in een nieuwe titel X van boek II van het Wetboek diverse rechten en taksen. Die jaarlijkse taks op de effectenrekeningen wordt geheven op het aanhouden van een effectenrekening, zowel door inwoners als door niet-inwoners. Het tarief bedraagt 0,15 % van de gemiddelde waarde van alle financiële instrumenten die tussen 1 oktober en 30 september van het erop volgende jaar worden aangehouden op een effectenrekening. Er geldt evenwel een vrijstelling indien die gemiddelde waarde niet meer bedraagt dan 1 000 000 euro. B.1.2. Artikel 201/3 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de bestreden wet, bevat een aantal definities : « Voor de toepassing van deze titel, wordt verstaan onder : 1° inwoners :

  1. a)de in artikel 2, § 1, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde rijksinwoners;
  2. b)de in artikel 2, § 1, 5°, b, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vennootschappen;
  3. c)de in artikel 220 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde rechtspersonen; 2° niet-inwoners : de in artikel 227 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde belastingplichtigen; 3° effectenrekening : een rekening waarop financiële instrumenten mogen worden gecrediteerd of gedebiteerd, ongeacht of deze effectenrekening wordt aangehouden in onverdeelde eigendom, of in gesplitste eigendom, en die :
  4. a)wat de inwoners betreft, wordt aangehouden bij een tussenpersoon, ongeacht waar de tussenpersoon opgericht of gevestigd is;
  5. b)wat de niet-inwoners betreft, wordt aangehouden bij een Belgische tussenpersoon, uitgezonderd het onder
  6. c)bedoelde geval; 13
  7. c)wat de in artikel 229 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde Belgische inrichtingen van niet-inwoners betreft, deel uitmaakt van het bedrijfsvermogen van die inrichting en aangehouden wordt bij een tussenpersoon, ongeacht waar de tussenpersoon opgericht of gevestigd is; 4° belastbare financiële instrumenten : alle financiële instrumenten, zoals onder meer die bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, en geldmiddelen, die worden aangehouden op een effectenrekening; 5° referentieperiode : een periode van twaalf opeenvolgende maanden die aanvangt op 1 oktober en eindigt op 30 september van het volgende jaar, of, in voorkomend geval, op het moment :
  8. a)dat de effectenrekening wordt afgesloten; of
  9. b)waarop de enige of laatste titularis inwoner wordt van een Staat waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft afgesloten en waarbij dat verdrag tot gevolg heeft dat de heffingsbevoegdheid voor het vermogen op de effectenrekening toekomt aan de andere Staat;
  10. c)waarop de effectenrekening niet langer deel uitmaakt van het bedrijfsvermogen van een in artikel 229 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde Belgische inrichting van een niet-inwoner, indien dit ertoe leidt dat België ten gevolge van een dubbelbelastingverdrag niet langer bevoegd is om het vermogen op de effectenrekening te belasten;
  11. d)waarop de rekening niet langer voldoet aan de definitie bedoeld in de bepaling onder 3°; 6° tussenpersoon : de Nationale Bank van België, de Europese Centrale Bank en de buitenlandse centrale banken die soortgelijke functies uitoefenen, een centrale effectenbewaarinstelling bedoeld in artikel 198/1, § 6, 12°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, een kredietinstelling of een beursvennootschap bedoeld in artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, en de beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, die krachtens nationaal recht toegelaten worden om financiële instrumenten voor rekening van de klanten aan te houden; 7° Belgische tussenpersoon : een tussenpersoon die opgericht is naar Belgisch recht evenals een tussenpersoon die gevestigd is in België. De niet in België gevestigde tussenpersonen die een vertegenwoordiger hebben aangesteld bedoeld in artikel 201/9/1, worden voor de toepassing van deze titel gelijkgesteld met een Belgische tussenpersoon; 8° titularis : de houder(
  12. s)van de effectenrekening, met inbegrip van de oprichter(
  13. s)van juridische constructies, dochterconstructies, moederconstructies en ketenconstructies in het kader waarvan de rekening wordt aangehouden; 14 9° oprichter : de persoon die als oprichter van een juridische constructie wordt beschouwd in toepassing van artikel 2, § 1, 14°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992; 10° juridische constructie, dochterconstructie, moederconstructie en ketenconstructie : de constructies, waar ook gevestigd, die als juridische constructie, dochterconstructie, moederconstructie en ketenconstructie worden beschouwd in toepassing van respectievelijk artikel 2, § 1, 13°, 13°/2, 13°/3 en 13°/4, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992; 11° belastingschuldige : naargelang het geval, de Belgische tussenpersoon, de aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in artikel 201/9/1 of de titularis ». B.1.3. Artikel 201/4 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de bestreden wet, regelt de belastbare materie, de belastbare grondslag, de vrijstelling indien de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten niet meer bedraagt dan 1 000 000 euro, alsook de vrijstelling voor effectenrekeningen die uitsluitend voor eigen rekening worden aangehouden door een aantal financiële instellingen en door instellingen voor collectieve beleggingen. Artikel 201/4, zesde lid, bepaalt dat het splitsen van een effectenrekening in meerdere effectenrekeningen aangehouden bij dezelfde tussenpersoon en de omzetting van belastbare financiële instrumenten, aangehouden op een effectenrekening, naar financiële instrumenten op naam, gesteld vanaf 30 oktober 2020, niet tegenstelbaar zijn aan de belastingadministratie : « Er wordt een jaarlijkse taks geheven op de effectenrekeningen. De belastbare grondslag is de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten tijdens de referentieperiode. De taks is slechts verschuldigd indien deze gemiddelde waarde meer bedraagt dan 1 000 000 euro. De taks is niet verschuldigd wat betreft de effectenrekeningen die, zonder dat een derde, andere dan een in dit lid geviseerde instelling, vennootschap of entiteit, over enig rechtstreeks of onrechtstreeks vorderingsrecht beschikt verbonden aan de waarde van de aangehouden effectenrekening, worden aangehouden door : 1° de Nationale Bank van België, de Europese Centrale Bank en de buitenlandse centrale banken die soortgelijke functies uitoefenen, en de in artikel 198/1, § 6, 1° tot en met 12°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde financiële instellingen; 2° een beursvennootschap bedoeld in artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen; 15 3° in artikel 2, § 1, 13°/1, eerste lid, a tot c, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde instellingen en entiteiten, met uitsluiting van de in artikel 2, § 1, 13°/1, tweede en derde lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde instellingen, entiteiten en compartimenten. De taks is eveneens niet verschuldigd wat betreft de effectenrekeningen die : 1° rechtstreeks of onrechtstreeks, en uitsluitend voor eigen rekening, worden aangehouden door niet-inwoners die deze effectenrekeningen niet aanwenden binnen een in artikel 229 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde Belgische inrichting waarover zij beschikken, bij een centrale effectenbewaarinstelling bedoeld in artikel 198/1, § 6, 12°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, of bij een depositobank vergund door de Nationale Bank van België in toepassing van artikel 36/26/1, § 6, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België; 2° voor rekening van derden worden aangehouden door de tussenpersonen, als dekking voor financiële instrumenten die zijn ingeschreven op effectenrekeningen in hun boeken of als dekking voor rechten gehouden door een instelling, vennootschap of entiteit bedoeld in het vierde lid, bij een andere tussenpersoon of bij een centrale effectenbewaarinstelling bedoeld in artikel 2, eerste lid, punt 1, van de Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012. Voor de toepassing van dit artikel zijn niet tegenstelbaar aan de belastingadministratie, de verrichtingen gesteld vanaf 30 oktober 2020 die bestaan in : 1° het splitsen van een effectenrekening in meerdere effectenrekeningen aangehouden bij dezelfde tussenpersoon; 2° de omzetting van belastbare financiële instrumenten, aangehouden op een effectenrekening, naar financiële instrumenten op naam ». B.1.4. Naast de antimisbruikregeling van artikel 201/4, zesde lid, die twee specifieke verrichtingen op onweerlegbare wijze niet-tegenstelbaar maakt ten aanzien van de belastingadministratie, voeren de artikelen 15 en 16 van de bestreden wet ook een « algemene » antimisbruikbepaling in. Artikel 202 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij artikel 16 van de bestreden wet, bepaalt : « Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie belast met de vestiging of de inning en de invordering van de taksen gevestigd door Boek II door vermoedens of door andere in artikel 2061 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik. 16 Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingschuldige of de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt : 1° een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van toepassing op een belasting bepaald in dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of 2° een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van toepassing op een belasting bepaald in dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft. Het komt aan de belastingschuldige of de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Indien de belastingschuldige of de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden ». B.1.5. Artikel 201/5, zoals ingevoegd bij artikel 5 van de bestreden wet, bepaalt hoe de gemiddelde waarde wordt berekend van de belastbare financiële instrumenten die gedurende de referentieperiode worden aangehouden op de effectenrekening : « Tijdens de referentieperiode zijn de referentietijdstippen 31 december, 31 maart, 30 juni en 30 september. De belastbare grondslag is de som van de waarden van de belastbare financiële instrumenten op de referentietijdstippen, gedeeld door het aantal van die tijdstippen. In geval van de opening of de sluiting van een effectenrekening gedurende de referentieperiode worden de referentietijdstippen bedoeld in het eerste lid waarop de rekening bestond in aanmerking genomen voor de berekening van de belastbare grondslag ». De taks is verschuldigd op de eerste dag die volgt op het einde van de referentieperiode (artikel 201/8, zoals ingevoegd bij artikel 8 van de bestreden wet). Het tarief van 0,15 % wordt beperkt tot 10 % van het verschil tussen de belastbare grondslag en het drempelbedrag van 1 000 000 euro (artikel 201/6, tweede lid, zoals ingevoegd bij artikel 6 van de bestreden wet). B.1.6. Wanneer de tussenpersonen in België gevestigd of opgericht zijn, bezorgen zij de titularissen na afloop van de referentieperiode een overzicht met gegevens over de verschuldigde taks, de betrokken effectenrekening en de identiteit van de titularis of titularissen 17 (artikel 201/7 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij artikel 7 van de bestreden wet) en gaan ze over tot inhouding, aangifte en betaling van de taks (artikelen 201/9, § 1, en 201/9/2, § 1, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij de artikelen 9 en 11 van de bestreden wet). Indien de Belgische tussenpersoon niet overgaat tot inhouding, aangifte en betaling van de taks, staat de titularis zelf in voor de elektronische aangifte en de betaling, en op hoofdelijke wijze indien er meerdere titularissen zijn van eenzelfde effectenrekening (artikelen 201/9, § 2, en 201/9/3, §§ 1 en 2, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij de artikelen 9 en 12 van de bestreden wet). Niet in België gevestigde of opgerichte tussenpersonen kunnen een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen voor de aangifte en de betaling van de taks (artikel 201/9/1 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij artikel 10 van de bestreden wet). Er zijn geldboeten voor ontbrekende, laattijdige, onnauwkeurige of onvolledige aangiften of voor ontbrekende of laattijdige betalingen (artikelen 201/9/2, § 2, en 201/9/3, § 3, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij de artikelen 11 en 12 van de bestreden wet). De fiscale administratie kan elke nodige inlichting vragen aan de titularis en er is een geldboete voor ontbrekende of foutieve mededelingen (artikel 201/9/5 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij artikel 14 van de bestreden wet). B.1.7. De bestreden wet is in werking getreden op 26 februari 2021, de dag die volgt op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van de antimisbruikbepalingen die uitwerking hebben met ingang van 30 oktober 2020. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van verschillende middelen, bij gebrek aan uiteenzetting. B.2.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. 18 Het Hof onderzoekt de middelen in zoverre zij aan de voormelde vereisten voldoen. Ten gronde B.3. De grieven van de verzoekende partijen betreffen de volgende elementen : I. de doelstelling van de bestreden wet (eerste middel in de zaak nr. 7628 en eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7630) (B.4.1-B.6); II. de keuze van de belastbare materie (derde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7628, tweede onderdeel van het eerste middel en vierde middel in de zaak nr. 7630, tweede, derde, vijfde en zesde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7631, derde middel in de zaak nr. 7629, eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7630, derde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7630) (B.7.1-B.12); III. de vrijstelling indien de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten ingeschreven op de effectenrekeningen tijdens de referentieperiode niet meer bedraagt dan 1 000 000 euro (eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7628, eerste middel in de zaak nr. 7629, eerste en tweede onderdeel van het tweede middel in zaak nr. 7630, eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7631) (B.13-B.15); IV. de vrijstelling van effectenrekeningen die worden aangehouden door bepaalde financiële instellingen en instellingen voor collectieve belegging (eerste, tweede en derde middel in de zaak nr. 7623, vijfde middel in de zaak nr. 7630, tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7628, vierde middel in de zaak nr. 7629) (B.16.1-B.20); V. de niet-tegenstelbaarheid aan de administratie van bepaalde verrichtingen inzake effectenrekeningen (eerste, tweede en derde middel in de zaak nr. 7625, eerste, tweede en derde middel in de zaak nr. 7627, derde middel in de zaak nr. 7628, zesde en zevende middel in de zaak nr. 7629, zevende middel in de zaak nr. 7630, vierde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7631) (B.21.1-B.39); 19 VI. het beginsel non bis in idem in fiscale zaken (vierde middel in de zaak nr. 7628, derde middel in de zaak nr. 7630) (B.40.1-B.42); VII. de informatieverplichting van de Belgische tussenpersonen en de verplichtingen van de titularissen van effectenrekeningen (tweede middel in de zaak nr. 7629) (B.44-B.48); VIII. de termijn voor de aangifte en betaling van de bestreden taks (vijfde middel in de zaak nr. 7629) (B.49-B.51); IX. de mogelijke toepassing van internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting (eerste en tweede onderdeel van het achtste middel in de zaak nr. 7630) (B.52.1-B.53.4.2); X. de vrijheid van dienstverlening en het vrij verkeer van kapitaal (vijfde en zesde middel in de zaak nr. 7628, derde middel in de zaak nr. 7631) (B.54-B.62); XI. het verbod op indirecte belastingen op de inbreng van kapitaal in een vennootschap (zesde middel in de zaak nr. 7628, derde middel in de zaak nr. 7631) (B.63-B.68); XII. de regels inzake staatssteun (tweede middel in de zaak nr. 7631) (B.69-B.71). I. Wat betreft de doelstelling van de bestreden wet B.4.1. Het eerste middel in de zaak nr. 7628 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, door de artikelen 3 tot 21 van de bestreden wet. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat de bij de bestreden wet ingevoerde jaarlijkse taks op de effectenrekeningen niet enkel een budgettaire doelstelling nastreeft, maar in werkelijkheid veeleer een vermogensbelasting uitmaakt. In het licht daarvan klagen de verzoekende partijen aan dat de bestreden wet een ongerechtvaardigd verschil in belasting instelt tussen personen met een vermogen van meer dan 1 000 000 euro dat wordt aangehouden op een effectenrekening, en personen met een vermogen van meer dan 1 000 000 euro dat niet wordt aangehouden op een effectenrekening. Terwijl de eerste categorie van personen is 20 onderworpen aan de bestreden taks, dient de tweede categorie van personen geen vergelijkbare vermogensbelasting te betalen. Het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7630 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, door artikel 4 van de bestreden wet, in zoverre het artikel 201/4, derde lid, in het Wetboek diverse rechten en taksen invoegt. De verzoekende partij klaagt in essentie aan dat de in die bepaling voorgeschreven drempel van 1 000 000 euro niet pertinent en onevenredig is in het licht van de doelstelling van de wetgever om een vermogensbelasting in te voeren. B.4.2. Verscheidene andere verzoekende partijen voeren eveneens aan dat de wetgever met het aannemen van de bestreden wet in werkelijkheid nog steeds dezelfde doelstelling nastreeft als met de wet van 7 februari 2018 « houdende invoering van een taks op de effectenrekeningen » (hierna : de wet van 7 februari 2018), namelijk te komen tot een meer rechtvaardig fiscaal beleid door middel van een belasting die verschuldigd is door de grotere vermogens. Zij verwijzen daarbij naar de context waarin de bestreden nieuwe taks werd ingevoerd, verklaringen in het Parlement tijdens de behandeling van het ontwerp dat tot de bestreden wet heeft geleid, alsook de gelijkenissen tussen de nieuwe en de vernietigde taks. B.5.1. In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat aan de basis ligt van de bestreden wet, wordt de doelstelling van de wet als volgt weergegeven : « Deze wet voert een jaarlijkse taks op de effectenrekeningen in. Deze nieuwe taks is een abonnementstaks, waarvan er meerdere zijn opgenomen in het Wetboek diverse rechten en taksen (hierna WDRT). Het betreft een indirecte taks die wordt getypeerd door een efficiënte en eenvoudige inning. De taks heeft een louter budgettair doel en beoogt een zichtbare bijdrage te leveren aan de instandhouding van de sociale zekerheid die in cruciale tijden de bevolking van ons land heeft beschermd op vlak van gezondheid en inkomen. Deze jaarlijkse taks op de effectenrekeningen is niet te verwarren met de door het Grondwettelijk Hof vernietigde taks op de effectenrekeningen (arrest nr. 138/2019 van 17 oktober 2019). Het is niet de bedoeling om die vernietigde taks te remediëren in functie van het voormelde arrest, maar wel om een nieuwe taks in te voeren op basis van een nieuwe set principes. De nieuwe taks is een jaarlijkse belasting op het aanhouden van een effectenrekening, en heeft als heffingsgrondslag de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten 21 die worden aangehouden op die effectenrekening. Er wordt dus gekozen om een taks in te voeren op een medium dat dient om financiële instrumenten te beheren en te centraliseren, namelijk de effectenrekening. De doelstelling van de wettelijke bepalingen die deze nieuwe taks invoeren, bestaat er bijgevolg in dat de taks op het medium ‘ effectenrekening ’ efficiënt kan worden geheven louter en alleen in functie van de waarde van de effectenrekening » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1708/001, p. 4). B.5.2. De afdeling wetgeving van de Raad van State wees in haar advies op onduidelijkheden met betrekking tot de doelstellingen van de wetgever : « In de memorie van toelichting wordt uiteengezet dat de jaarlijkse taks op de effectenrekeningen niet mag worden verward met de door het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 138/2019 vernietigde taks op de effectenrekeningen en dat het ‘ niet de bedoeling [is] om die vernietigde taks te remediëren in functie van het voormelde arrest, maar wel om een nieuwe taks in te voeren op basis van een nieuwe set principes ’. De door het Grondwettelijk Hof vernietigde regeling inzake de taks op de effectenrekeningen had, naast een budgettair rendement, tot doelstelling om de grotere vermogens te belasten, met het oog op een meer rechtvaardig fiscaal beleid. Deze tweede doelstelling werd in arrest nr. 138/2019 van het Grondwettelijk Hof als een legitieme doelstelling bestempeld, maar verscheidene ongelijke behandelingen die in de regeling vervat waren, werden door het Hof strijdig bevonden met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel, namelijk : - de uitsluiting van de bestreden taks van de afgeleide financiële producten, de thesauriebewijzen, de depositobewijzen en de vastgoedcertificaten; - de uitsluiting van de bestreden taks van financiële instrumenten die niet op een effectenrekening zijn ingeschreven, in het bijzonder aandelen op naam; - de uitsluiting van de bestreden taks voor bepaalde titularissen die in werkelijkheid beschikken over een aandeel in de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten van 500 000 euro of meer, terwijl de natuurlijke personen die hun effectenrekeningen niet in onverdeeldheid houden wel aan die taks worden onderworpen wanneer de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten 500 000 euro of meer bedraagt. De nieuw ontworpen jaarlijkse taks op de effectenrekeningen wordt bestempeld als een ‘ abonnementstaks ’ en een ‘ indirecte taks ’ die enkel betrekking heeft op ‘ een medium dat dient om financiële instrumenten te beheren en te centraliseren, namelijk de effectenrekening ’ en waarbij de ‘ efficiënte en eenvoudige inning ’ voorop staat. Op het eerste gezicht wordt de doelstelling om de grotere vermogens te belasten dan ook verlaten en heeft de taks enkel nog een budgettair oogmerk. Toch komen in de memorie van toelichting nog allusies voor op andere doelstellingen, die de vraag doen rijzen of daadwerkelijk enkel een budgettaire doelstelling wordt beoogd. Zo wordt gewezen op de ruime beoordelingsbevoegdheid van de wetgever in fiscale aangelegenheden, niet alleen om inkomsten te verwerven, maar ook ‘ om sturend en corrigerend 22 op te treden en op die manier het sociale en economische beleid vorm te geven ’. De bestemming van de opbrengst van de taks voor de financiering van de sociale zekerheid strookt weliswaar met de voormelde budgettaire doelstelling, maar in de memorie van toelichting wordt daarbij vermeld dat ‘ [d]e taks (…) op die manier de zichtbare bijdrage [wordt] van de personen die de grootste draagkracht hebben, aan de instandhouding van de sociale zekerheid die in cruciale tijden de bevolking van ons land beschermd heeft op vlak van gezondheid en inkomen ’ (cursivering toegevoegd) » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1708/001, pp. 45-46). De gemachtigden van de Regering reageerden op die opmerking als volgt : « De taks heeft inderdaad een louter budgettair doel en beoogt een significante bijdrage te leveren aan de instandhouding van de sociale zekerheid die in cruciale tijden de bevolking van ons land heeft beschermd op vlak van gezondheid en inkomen. Daarbij aansluitend en zoals vermeld in de memorie van toelichting heeft de regering bij de uitwerking van de modaliteiten van de nieuwe taks tot doel een taks in te voeren die efficiënt is en zoveel mogelijk geautomatiseerd kan worden geïnd. De passage waarin de regering haar beleidsvrijheid benadrukt kan, indien gewenst, uit de memorie van toelichting worden verwijderd om elke mogelijke verwarring ter zake te vermijden. Het ene lijkt ons nochtans niet tegenstrijdig met het andere. In de betrokken passage wordt enkel benadrukt dat er een grote mate van beleidsvrijheid en beoordelingsbevoegdheid bestaat in fiscale zaken. Met andere woorden, de keuze van belastbaar object is een beleidskeuze die aan de regering en het Parlement toekomt in functie van de door hen vastgestelde sociaal-economische politiek, en die er in casu toe leidt dat de keuze wordt gemaakt om ‘ effectenrekeningen ’ als dusdanig aan een abonnementstaks te onderwerpen » (ibid., pp. 46-47). B.5.3. De vaststelling dat een bepaalde verantwoording niet in de parlementaire voorbereiding is vermeld, sluit niet uit dat aan een maatregel een doelstelling van algemeen belang ten grondslag ligt die het eruit voortvloeiende verschil in behandeling in redelijkheid kan verantwoorden (zie onder andere arrest nr. 160/2010 van 22 december 2010, B.10). Het is bijgevolg niet uitgesloten dat doelstellingen die niet in de parlementaire voorbereiding worden vermeld, mee in overweging worden genomen bij de beoordeling van de grondwettigheid van bestreden bepalingen. In dit geval wordt echter zowel in de parlementaire voorbereiding als in de memories van de Ministerraad uitdrukkelijk ontkend dat nog een andere doelstelling wordt nagestreefd. B.5.4. Het Hof beperkt zijn toetsing tot de budgettaire doelstelling die de wetgever in deze context uitdrukkelijk aanvoert. 23 B.6. Aangezien ze berusten op een verkeerd uitgangspunt, zijn het eerste middel in de zaak nr. 7628 en het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7630 niet gegrond. II. Wat betreft de keuze van de belastbare materie B.7.1. Het derde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7628, het tweede onderdeel van het eerste middel en het vierde middel in de zaak nr. 7630 en het tweede, derde, vijfde en zesde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7631 zijn onder andere afgeleid uit de schending, door artikel 201/4 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. In essentie voeren de verzoekende partijen in die zaken aan dat enkel financiële instrumenten die op een effectenrekening zijn ingeschreven onder het toepassingsgebied van de bestreden taks vallen, wat met zich meebrengt dat zij buiten dat toepassingsgebied vallen wanneer zij op een andere wijze worden aangehouden. B.7.2. Het derde middel in de zaak nr. 7629 en het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7630 zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, door artikel 201/3, 4°, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de bestreden wet. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat de opname van liquide geldmiddelen die worden aangehouden op een effectenrekening bij de berekening van de gemiddelde waarde van die rekening een schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel, nu liquide geldmiddelen die op een andere bankrekening worden aangehouden niet aan de bestreden taks worden onderworpen. B.7.3. Het derde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7630 is afgeleid uit de schending van artikel 170 van de Grondwet, door artikel 201/3, 4°, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de bestreden wet. De verzoekende partij klaagt aan dat de bestreden bepaling op onvoldoende voorzienbare wijze de belastbare materie van de bestreden taks uiteenzet. B.8.1. Uit de artikelen 170, § 1, en 172, tweede lid, van de Grondwet kan worden afgeleid dat geen enkele belasting kan worden geheven en dat geen enkele vrijstelling van belasting kan worden verleend zonder instemming van de belastingplichtigen, uitgedrukt door hun 24 vertegenwoordigers. Daaruit volgt dat de fiscale aangelegenheid een bevoegdheid is die te dezen door de Grondwet aan de wet wordt voorbehouden en dat elke delegatie die betrekking heeft op het bepalen van een van de essentiële elementen van de belasting in beginsel ongrondwettig is. De voormelde grondwetsbepalingen gaan evenwel niet zover dat ze de bevoegde wetgever ertoe zouden verplichten elk aspect van een belasting of van een vrijstelling zelf te regelen. Een aan een andere overheid verleende bevoegdheid is niet in strijd met het wettigheidsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de bevoegde wetgever zijn vastgesteld. Tot de essentiële elementen van de belasting behoren de aanwijzing van de belastingplichtigen, de belastbare materie, de heffingsgrondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingvrijstellingen. B.8.2. In dit geval wordt de bestreden bepalingen niet verweten dat zij ten onrechte een delegatie aan een andere overheid zouden verlenen, maar dat zij geen nauwkeurige, ondubbelzinnige en duidelijke criteria bevatten aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt waarin de belastbare materie en de belastbare grondslag van de bestreden taks bestaat. Het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken waarborgt dat iedere rechtsonderhorige met een minimaal niveau van voorzienbaarheid kan bepalen of hij aan een belasting is onderworpen. B.9.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden. B.9.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende 25 beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.9.3. Artikel 172, eerste lid, van de Grondwet vormt, in fiscale aangelegenheden, een bijzondere toepassing van het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.10. Het komt de wetgever toe de belastbare materie en de grondslag van de belasting vast te stellen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Fiscale maatregelen maken immers een wezenlijk onderdeel uit van het sociaaleconomische beleid. Zij zorgen niet alleen voor een substantieel deel van de inkomsten die de verwezenlijking van dat beleid mogelijk moeten maken, maar zij laten de wetgever ook toe om sturend en corrigerend op te treden en op die manier het sociale en economische beleid vorm te geven. De maatschappelijke keuzen die bij het inzamelen en het inzetten van middelen moeten worden gemaakt, behoren derhalve tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever. Het Hof vermag een dergelijke beleidskeuze, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij kennelijk onredelijk zouden zijn. B.11.1. De belastbare materie is het element dat aanleiding geeft tot de belasting, de situatie die of het feit dat leidt tot het verschuldigd zijn van de belasting. De belastbare materie onderscheidt zich van de belastbare grondslag (« de heffingsgrondslag »), die de basis is waarop de belasting wordt berekend. Inzake de jaarlijkse taks op de effectenrekeningen blijkt uit de tekst van de wet op voldoende duidelijke wijze dat de belastbare materie het aanhouden van een effectenrekening is en de heffingsgrondslag betrekking heeft op de waarde van alle belastbare financiële instrumenten aangehouden op die effectenrekening. B.11.2. De wetgever heeft ervoor gekozen « een taks in te voeren op een medium dat dient om financiële instrumenten te beheren en te centraliseren, namelijk de effectenrekening » (Parl. 26 St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1708/001, p. 4). De specifieke keuze voor het aanhouden van een effectenrekening als belastbare materie wordt als volgt verantwoord : « Bij de uitwerking van de modaliteiten van de nieuwe taks heeft de regering tot doel een taks in te voeren die efficiënt is en zoveel mogelijk geautomatiseerd kan worden geïnd. In het licht van die doelstelling zijn de effectenrekeningen een geschikt voorwerp om te belasten, aangezien deze rekeningen minstens drie grote voordelen kennen : 1° zij zijn eenvoudig traceerbaar bij de financiële instellingen die reeds onderworpen zijn aan een stringente financiële wetgeving; 2° de actuele waarde van het belegde vermogen is op elk ogenblik gekend; 3° hierdoor kunnen die financiële instellingen als spilfiguur dienen voor de inning, aangifte en betaling van de taks » (ibid., p. 5). Rekening houdend met de vermelde voordelen, kan de wetgever niet worden verweten dat hij geen uniforme regeling voor alle beleggingsvormen heeft uitgewerkt (zie ook het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State bij het voorontwerp van wet dat tot de bestreden wet heeft geleid (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1708/001, pp. 58-59)). In haar advies over het voorontwerp van wet dat tot de bestreden wet heeft geleid, merkte de afdeling wetgeving van de Raad van State nog het volgende op : « De belastbare grondslag van de jaarlijkse taks op de effectenrekening is de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten tijdens de referentieperiode. In het ontworpen artikel 201/3, 2°, WDRT (artikel 3 van het voorontwerp) wordt de term ‘ belastbare financiële instrumenten ’ enkel gedefinieerd als ‘ alle financiële instrumenten die worden aangehouden op een [lees : de] effectenrekening ’. De vraag rijst dan ook onder meer of geldsaldo’s op een effectenrekening beschouwd moeten worden als een belastbaar financieel instrument. De gemachtigden antwoordden daarop als volgt : ‘ De taks viseert de effectenrekeningen als dusdanig, ongeacht de aard van de financiële instrumenten, waaronder de tegoeden worden begrepen, die er op staan. De memorie van toelichting is op dat vlak duidelijk : “ Dat wil zeggen dat niet enkel aandelen, obligaties en dergelijke in aanmerking komen, maar ook afgeleide producten zoals turbo’s, speeders en trackers, en het geldsaldo ”. Bijgevolg wordt voor de vaststelling van de belastbare grondslag rekening gehouden met het gehele bedrag zonder enig onderscheid, met inbegrip van eventuele tijdelijke cash bedragen die op de effectenrekening worden aangehouden. Indien daarentegen de politiek van de titularis van de effectenrekening er in bestaat dat elke cash opbrengst van verkopen dadelijk op een 27 zichtrekening wordt gestort, zal een effectenrekening wellicht geen of weinig cash middelen bevatten. Indien de Raad van State meent dat de wettekst in die zin meer duidelijkheid behoeft, kan worden ingestemd met volgende tekstaanpassing : “ 2° belastbare instrumenten : alle financiële instrumenten en geldmiddelen die worden aangehouden op een effectenrekening ”. ’ Met die aanpassing kan worden ingestemd. De vraag rijst evenwel of niet beter een niet- exhaustieve opsomming wordt weergegeven in de ontworpen definitie van financiële instrumenten die eronder vallen (bijvoorbeeld met de toevoeging : , ‘ zoals onder meer (…) ’) » (ibid., pp. 67-68). B.11.3. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het verschil in behandeling tussen de titularissen van financiële instrumenten en het verschil in belasting van liquide geldmiddelen, naargelang die al dan niet worden aangehouden op effectenrekeningen, rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever in fiscale zaken beschikt, op een objectieve en redelijke wijze zijn verantwoord. B.12. Het derde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7628, het derde middel in de zaak nr. 7629, het eerste onderdeel van het eerste middel, het tweede onderdeel van het eerste middel, het derde onderdeel van het tweede middel en het vierde middel in de zaak nr. 7630, en het tweede, derde, vijfde en zesde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7631 zijn niet gegrond. III. Wat betreft de vrijstelling indien de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten ingeschreven op de effectenrekeningen tijdens de referentieperiode niet meer bedraagt dan 1 000 000 euro B.13. Het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7628, het eerste middel in de zaak nr. 7629, het eerste en tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7630 en het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7631 zijn onder andere afgeleid uit de schending, door artikel 201/4, derde lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden taks slechts verschuldigd is indien de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten ingeschreven op de effectenrekeningen tijdens de referentieperiode meer bedraagt dan 1 000 000 euro. 28 De verzoekende partijen in die zaken voeren onder andere aan dat de bestreden bepaling ertoe leidt dat een titularis die als enige een effectenrekening aanhoudt waarvan de belastbare grondslag de drempel van 1 000 000 euro net niet bereikt, niet aan de taks wordt onderworpen, terwijl verschillende titularissen die samen een effectenrekening aanhouden waarvan de waarde dat bedrag wel overschrijdt, wel worden belast, zelfs indien hun respectief aandeel in die waarde kleiner is dan de waarde van de effectenrekening van de titularis in de eerste categorie. B.14.1. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om, wanneer hij een belasting heft, de vrijstellingen en de modaliteiten daarvan te bepalen. De wetgever kan evenwel, zonder het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te schenden, geen vrijstellingen of verminderingen van belasting verlenen aan sommige belastingplichtigen en ze weigeren aan anderen die met hen vergelijkbaar zijn, indien dat verschil in behandeling niet objectief en redelijk verantwoord is. B.14.2. Zoals reeds is vermeld, benadrukt de wetgever dat de bestreden taks niet bedoeld is om voornamelijk de hogere vermogens te belasten. Bijgevolg kan de bestreden bepaling niet worden beoordeeld in het licht van een dergelijke doelstelling. Door de afdeling wetgeving van de Raad van State ondervraagd over de doelstellingen die dan wel worden nagestreefd met de keuze voor een drempelbedrag van 1 000 000 euro, antwoordde de gemachtigde van de Regering : « Beneden een bepaald bedrag aan vermogen aangehouden op een effectenrekening is het onttrekken van het belegd vermogen aan de effectenrekening met het oog op de aanwending ervan in andere beleggingsvormen zeer eenvoudig mogelijk. Een vastgoedinvestering, of een spaar- of termijndeposito vormen in dat geval zeer realistische alternatieven die het mogelijk maken de facto aan de heffing van de taks te ontsnappen. Fiscaal-technisch blijkt dus dat voor deze beperktere bedragen de belastbare basis dermate elastisch is dat de heffingsefficiëntie er onder lijdt en dat een te grote gedragsbeïnvloeding zich aandient. Boven het drempelbedrag wordt het veel moeilijker door een loutere heroriëntering van de beleggingsvorm aan de taks te ontsnappen omdat dit reeds een investering in een geheel vastgoed patrimonium met verschillende onroerende goederen, zou impliceren, en ook omdat voor deze grotere bedragen de bankinstellingen thans een negatieve rente aanrekenen zodat ook dat alternatief minder realistisch wordt. Er werden technisch twee mogelijkheden in overweging genomen : de invoering van een 0 %-tarief voor het eerste miljoen euro van de belastbare grondslag of een drempelbedrag voor dat eerste miljoen euro. Uiteindelijk werd de voorkeur gegeven aan die tweede mogelijkheid omwille van de eenvoud. 29 (…) Het drempelbedrag beoogt een evenwicht te vinden tussen de begrotings- en efficiëntiedoelstelling van de maatregel enerzijds en de mogelijke verantwoording van het onderscheid (…) anderzijds » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1708/001, p. 48). Uit die verklaringen, alsook uit andere verklaringen in het kader van de overige parlementaire voorbereiding en de memories van de Ministerraad, blijkt dat de keuze van de wetgever voor het invoeren van een drempel van 1 000 000 euro, is gebaseerd op de overweging dat het onder dat bedrag eenvoudiger is om alternatieve beleggingsopties te vinden om aan de taks te ontsnappen. Bijkomend zou de opbrengst van de taks onder dat bedrag niet in verhouding zijn met de administratieve lasten die verbonden zijn aan de inning ervan. B.14.3. Met betrekking tot de aangevoerde « elasticiteit » van beleggingen onder het drempelbedrag van 1 000 000 euro, rees volgens de afdeling wetgeving van de Raad van State de vraag waarom alternatieve beleggingsmogelijkheden elastisch zouden zijn voor bedragen tot 1 000 000 euro, terwijl die zo goed als afwezig zouden zijn voor bedragen vanaf 1 000 000 euro (ibid., pp. 49-50). B.14.4. Het bepalen van een drempelbedrag valt evenwel binnen de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever. De belastingwetgever kan geen rekening houden met de bijzonderheden van elk gegeven geval. Meer bepaald moet hij gebruik kunnen maken van categorieën die, noodzakelijkerwijs, de verscheidenheid van toestanden slechts met een zekere graad van benadering opvangen, waarbij de keuze voor een drempelbedrag ertoe noopt ergens een grens te trekken. B.14.5. In het licht van de budgettaire doelstelling die de wetgever nastreeft met de invoering van een abonnementstaks op het aanhouden van een effectenrekening, inzonderheid rekening houdend met de beoogde opbrengst van de taks en het gehanteerde tarief, is het niet kennelijk onredelijk dat het bedrag van de drempelwaarde wordt vastgelegd op 1 000 000 euro. B.15. Het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7628, het eerste middel in de zaak nr. 7629, het eerste en tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7630 en het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7631 zijn niet gegrond. 30 IV. Wat betreft de vrijstelling van effectenrekeningen die worden aangehouden door bepaalde financiële instellingen en instellingen voor collectieve belegging B.16.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7623 vorderen de vernietiging in artikel 201/4, vierde lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij de bestreden wet, van de woorden « zonder dat een derde, andere dan een in dit lid geviseerde instelling, vennootschap of entiteit, over enig rechtstreeks of onrechtstreeks vorderingsrecht beschikt verbonden aan de waarde van de aangehouden effectenrekening ». Hun eerste middel is afgeleid uit de schending van het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken, vervat in artikel 170 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden zinsnede de in artikel 201/4, vierde lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen vervatte vrijstelling van de bestreden taks onvoldoende precies en duidelijk maakt. Hun tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden zinsnede een ongerechtvaardigd verschil in behandeling zou invoeren tussen verzekeringsondernemingen, enerzijds, en de in artikel 201/4, vierde lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen opgesomde instellingen, entiteiten en vennootschappen, en particuliere beleggers, anderzijds, alsook tussen verzekeringsondernemingen onderling, en tussen Belgische en buitenlandse verzekeringsondernemingen. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat de vrijstelling van de bestreden taks niet geldt voor de effectenrekeningen die door verzekeringsondernemingen worden aangehouden in het kader van een met een verzekeringnemer afgesloten tak 23-levensverzekeringsproduct, terwijl het gaat om effectenrekeningen die door die instellingen als werkinstrumenten worden gebruikt. B.16.2. Het derde middel in de zaak nr. 7623 en het vijfde middel in de zaak nr. 7630 zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de bestreden wet, en in het bijzonder artikel 4, dat een artikel 201/4, vierde lid, in het Wetboek diverse rechten en taksen invoegt, een verschil in behandeling creëert tussen beleggers die rechtstreeks een effectenrekening aanhouden bij een kredietinstelling en beleggers die een tak 23- levensverzekering aanhouden bij een verzekeringsonderneming. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat terwijl de eerste categorie van personen slechts wordt onderworpen aan de bestreden taks wanneer de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op hun effectenrekening de drempel van 1 000 000 euro overschrijdt, de tweede categorie van personen 31 aan de taks wordt onderworpen wanneer de gemiddelde waarde van de effectenrekening die de betrokken verzekeringsonderneming als werkinstrument gebruikt de drempel van 1 000 000 euro overschrijdt, ongeacht de waarde van hun vorderingsrecht ten aanzien van die verzekeringsonderneming. B.16.3. Het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7628 en het vierde middel in de zaak nr. 7629 zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, door artikel 201/4 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de bestreden wet. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat de bestreden bepaling een discriminatie creëert tussen de entiteiten die worden vrijgesteld van de bestreden taks, en de entiteiten die niet worden vrijgesteld van de bestreden taks. B.17.1. Zoals is vermeld in B.1.3, voorziet artikel 201/4, vierde lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de bestreden wet, in een vrijstelling van de jaarlijkse taks op de effectenrekeningen voor de erin opgesomde effectenrekeningen. Zo worden onder meer de effectenrekeningen die worden aangehouden door de Nationale Bank van België, de Europese Centrale Bank en de buitenlandse centrale banken die soortgelijke functies uitoefenen, de in artikel 198/1, § 6, 1° tot 12°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992) bedoelde financiële instellingen en de instellingen voor collectieve belegging vrijgesteld van de bestreden taks. B.17.2. De uitsluiting van de effectenrekeningen die worden aangehouden door de in artikel 201/4, vierde lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen opgesomde entiteiten, wordt in de memorie van toelichting bij het ontwerp van de bestreden wet verantwoord door het feit dat die instellingen, vennootschappen en entiteiten een belangrijke rol spelen in het functioneren van het financieel stelsel en dat de betrokken effectenrekeningen worden aangehouden als werkinstrumenten : « Niettegenstaande het voorgaande worden de effectenrekeningen die, uitsluitend voor eigen rekening, worden aangehouden door financiële ondernemingen, niet aan de taks onderworpen. Dit sluit de effectenrekeningen uit die de technische werkinstrumenten zijn van de betrokken instellingen, vennootschappen en entiteiten met het oog op de activiteit die zij uitoefenen. Daarentegen zijn effectenrekeningen die worden gebruikt om thesauriebeleggingen of vermogen van derden (andere dan die instellingen, vennootschappen en entiteiten) aan te houden, niet uitgesloten van het toepassingsgebied van de taks. Bijgevolg is de taks niet van toepassing op effectenrekeningen die uitsluitend voor eigen rekening worden aangehouden 32 door de Nationale Bank van België, de Europese Centrale Bank en de buitenlandse centrale banken die soortgelijke functies uitoefenen, evenals deze aangehouden door de gekende lijst van financiële ondernemingen, waaronder vervat de kredietinstellingen, de verzekeringsondernemingen, de beleggingsondernemingen, de beursvennootschappen, de pensioeninstellingen, enz. Voor de toepassing van deze taks wordt hierbij verwezen naar de exhaustieve lijst ter zake opgenomen in artikel 198/1, § 6, 1° tot en met 12°, van het WIB92, waaraan de beursvennootschappen bedoeld in artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen worden toegevoegd. […] De uitsluiting inzake pensioeninstellingen verwijst zowel naar de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen (cf. artikel 198/1, § 6, 7°, WIB92), als op een functionele wijze naar alle instellingen of entiteiten die pensioenregelingen uitvoeren of de beleggingen van die regelingen beheren (cf. artikel 198/1, § 6, 8°, WIB92), zoals de pensioeninstellingen waaraan werkgevers de uitvoering van pensioentoezeggingen moeten toevertrouwen. In de uitzonderlijke gevallen waarin een werkgever die verplichting niet heeft, zoals bijvoorbeeld wat betreft publiekrechtelijke entiteiten, zal de uitsluiting betrekking hebben op de door deze entiteiten in het kader van de pensioenregeling aangehouden effectenrekeningen. Met andere woorden, effectenrekeningen aangehouden in het kader van de noodzakelijke belegging van tegoeden van ‘ tweede pijler ’-pensioentoezeggingen worden niet aan de taks onderworpen. De effectenrekeningen die worden aangehouden door de in artikel 2, § 1, 13°/1, a tot en met c, van het WIB92 geviseerde instellingen voor collectieve belegging, worden evenzeer uitgesloten. De reden hiertoe is dat de aandelen of certificaten van deze instellingen zelf een beleggingsobject uitmaken, die gebruikelijker wijze aangehouden worden op effectenrekeningen die zelf wel onder het toepassingsgebied van de taks vallen. ‘ Gebruikelijker wijze ’ slaat op het feit dat de vermelde aandelen of certificaten in principe worden geplaatst op effectenrekeningen, maar dat die financiële instrumenten ook onder een andere vorm kunnen worden gehouden, wat in de praktijk niet gebruikelijk is. Deze vaststelling leidt tot een duidelijk en objectief onderscheid met effectenrekeningen aangehouden in het kader van een Tak 23- verzekeringsovereenkomst waar de rechten van de belegger de vorm aannemen van begunstigde van een verzekeringsovereenkomst en bijgevolg nooit op een effectenrekening worden aangehouden. Hierbij wordt tevens expliciet verwezen naar de uitsluiting van deze lijst van de zogenaamd ‘ fonds dédiés ’ waarvan de rechten door één, of enkele met elkaar verbonden personen worden aangehouden, waarbij deze inschatting desgevallend moet worden gemaakt per afzonderlijk ‘ compartiment ’ van een betreffende instelling. Beleggingsfondsen zijn geen gewone onverdeeldheden. De deelnemers hebben geen vordering met betrekking tot de waarde van een effectenrekening, doch wettelijk en reglementair omschreven rechten die gelijkaardig zijn aan deze van aandeelhouders, zodat het fonds dusdanig reglementair geautonomiseerd is dat de effectenrekeningen voor eigen rekening van het fondsvermogen worden aangehouden. Immers, krachtens de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, hebben de deelnemers enkel recht op een coupon en op uittreding uit het fonds op basis van de berekende inventariswaarde, zodat het fondsvermogen wettelijk geautonomiseerd is. Indien er geïndividualiseerde fondsen zouden zijn waarbij deze kenmerken niet aan de orde zijn, dan is de taks wel van toepassing want daarvoor geldt krachtens de tekst van de wet de uitsluiting niet. Dit past volledig in de logica van de taks : het zijn de fondsdeelbewijzen die door de titularis op een effectenrekening worden aangehouden, en een cascade aan heffingen is vermeden. 33 […] Aldus blijft de heffing neutraal wat betreft het zich in de internationale financiële wereld ontwikkelde geheel van cascades van effectenrekeningen waarbij de effecten door beleggers aangehouden op hun effectenrekening bij de bank, zelf voorkomen op de door de bank bij een (al dan niet) centrale effectenbewaarinstelling aangehouden rekening, die voor diverse effecten dan weer zelf het aanhouden van deze effecten die ze niet zelf in ‘ bewaring ’ heeft, waarborgt via haar eigen effectenrekening bij de daadwerkelijke ‘ bewaarnemer ’ van de effecten. Deze benadering is conform het doel en de strekking van de in de wet voorziene uitsluitingen voor professioneel noodzakelijk interveniërende entiteiten : de normale werking van het financiële systeem wordt niet getroffen dankzij de noodzakelijke uitsluiting van de in de wet opgesomde instellingen, tenzij in de mate deze zouden worden aangewend in een opzet dat toelaat een economische gerechtigdheid op (de waarde van) een effectenrekening te organiseren middels een juridisch recht dat zelf geen effectenrekening zou uitmaken. Met andere woorden, de tekst van het wetsontwerp strekt ertoe eindeloze dubbeltellingen te voorkomen en de deelneming van ons land aan het professioneel uitgebouwde internationale stelsel van effectenverrichtingen te vrijwaren, en dit op een wijze die juridische omvorming van een indirect aangehouden effectenrekening wel viseert » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1708/001, pp. 13-16). Tijdens het debat in de bevoegde commissie stelde de vice-eersteminister en minister van Financiën voorts : « De enige effectenrekeningen die worden uitgesloten van het toepassingsgebied van de taks zijn de effectenrekeningen die door financiële ondernemingen worden aangehouden als technisch werkinstrument. Die uitsluiting is nodig om de normale werking van het financiële systeem te vrijwaren. Verder gelden twee aanvullende specifieke uitsluitingen in de financiële sfeer. Die uitsluitingen zijn nodig om de deelneming van België aan het professioneel uitgebouwde internationale stelsel van effectenverrichtingen te vrijwaren » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1708/003, p. 4). In haar advies over het voorontwerp van wet dat tot de bestreden wet heeft geleid, merkte de afdeling wetgeving van de Raad van State, in het licht van een toelichting door de gemachtigden van de Regering, over de voormelde vrijstellingen het volgende op : « Er zijn ook andere ondernemingen die een effectenrekening aanhouden in het kader van de eigen beroepswerkzaamheid, zowel om speculatieve doeleinden als om bepaalde participaties binnen hun activiteitensector te verwerven of uit te breiden, maar die wel onderworpen blijven aan de taks. De gemachtigden verstrekten de volgende verantwoording voor die verschillende behandeling : ‘ In het licht van de opmerkingen van de Raad van State van 11 oktober 2017 omtrent het onderscheid tussen natuurlijke personen en rechtspersonen is ervoor geopteerd om in het 34 voorliggende ontwerp geen enkel onderscheid te maken in functie van de juridische hoedanigheid van de titularis van de effectenrekening, zonder dat dergelijk onderscheid redelijkerwijs kan worden verantwoord. Vanuit dat perspectief wordt enkel voorzien in een uitsluiting van de taks voor de effectenrekeningen die, uitsluitend voor eigen rekening, worden aanhouden door financiële instellingen. Het aanhouden van effectenrekeningen betreft immers één van de kerntaken van de financiële sector. In dat opzicht onderscheiden ondernemingen in die sector zich van alle andere ondernemingen. Mocht JTER ook worden toegepast op die activiteiten, dan zou die sector onevenredig worden getroffen door de taks. Daarenboven mag niet uit het oog worden verloren dat reeds een hele reeks verschillend taksen van het Wetboek diverse rechten en taksen specifiek van toepassing is op die ondernemingen. Vanuit dat perspectief kan een onderscheid, waarbij dat onderscheid dan ook nog eens is beperkt tot effectenrekeningen die, uitsluitend voor eigen rekening, worden gehouden door financiële instellingen, [worden] gerechtvaardigd. Daarnaast is het van belang te onderstrepen dat de uitgesloten financiële instellingen ook een centrale rol spelen wat betreft effectenrekeningen aangehouden door hun klanten. Zij verschaffen de beleggers toegang tot financiële instrumenten aangehouden op een effectenrekening, door in een “ rug-aan-rug ” situatie zelf de financiële instrumenten aankocht door de klant, te gaan voorzien voor de klant, door de aangekochte financiële instrumenten op de eigen, al dan niet omnibus rekening, te gaan aanhouden bij een andere financiële instelling die als bewaarnemer optreedt, zoals Euroclear of een andere effectenbewaarnemingsinstelling. Deze cascade aan effectenrekeningen is essentieel voor de normale werking, ook internationaal, van de financiële markten, en kan niet leiden tot een cascade aan heffingen. Aldus zullen beleggers ook veelal hun aandelen in een collectieve beleggingsinstelling aanhouden via een, aan de taks onderworpen, effectenrekening, zodat dezelfde logica geldt voor wat betreft de effectenrekeningen aangehouden door deze collectieve beleggingsinstellingen voor eigen rekening. Om alle verwarring ter zake te vermijden kan worden ingestemd met een aanpassing van de memorie van toelichting waarbij de bewoordingen “ Niettegenstaande het voorgaande worden de effectenrekeningen die een rechtspersoon aanhoudt in het kader van de eigen beroepswerkzaamheid, niet aan de taks onderworpen. ” wordt vervangen door de bewoordingen “ Niettegenstaande het voorgaande worden de effectenrekeningen die, uitsluitend voor eigen rekening, worden aanhouden door financiële instellingen, niet aan de taks onderworpen. ” ’ Met die verantwoording en met de voorgestelde aanpassing kan worden ingestemd » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1708/001, pp. 55-56). B.17.3. Artikel 201/4, vierde lid, van het Wetboek diverse rechten en taksen sluit de toepassing van de vrijstelling van de bestreden taks uit voor de effectenrekeningen waarop een derde, andere dan een vrijgestelde instelling, vennootschap of entiteit, over enig rechtstreeks of onrechtstreeks vorderingsrecht beschikt. Die vereiste werd door de wetgever toegevoegd om te vermijden dat een niet-uitgesloten natuurlijke persoon, rechtspersoon of entiteit het optreden van die instellingen, vennootschappen en entiteiten zou misbruiken om aan de bestreden taks te ontsnappen. 35 De memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat aan de basis ligt van de bestreden wet stelt daarover het volgende : « De uitsluiting uit het toepassingsgebied geldt enkel voor zover de effectenrekening uitsluitend voor eigen rekening wordt aangehouden, d.w.z. zonder dat een derde, andere dan een in artikel 201/4, vierde lid, geviseerde instelling, vennootschap of entiteit over enig rechtstreeks of onrechtstreeks vorderingsrecht beschikt verbonden aan de waarde van de aangehouden effectenrekening. Dit impliceert, bijvoorbeeld, dat effectenportefeuilles die worden aangehouden door verzekeringsinstellingen in het kader van met een verzekeringnemer afgesloten zgn. Tak 23-verzekeringen, wel onder de toepassing van de taks vallen, aangezien het aanhouden van een portefeuille middels een Tak 23-verzekering en een er achter liggende effectenrekening een volledig substituut uitmaakt voor een direct aangehouden effectenrekening. […] De vereiste dat de uitgesloten instellingen, vennootschappen en entiteiten de effectenrekeningen voor eigen rekening aanhouden strekt er toe te vermijden dat door de tussenplaatsing van één van deze uitgesloten instellingen, vennootschappen of entiteiten, het aanhouden door een niet uitgesloten natuurlijke persoon, rechtspersoon of entiteit van een effectenrekening zou worden omgevormd in een ander type van recht dat ontsnapt aan de toepassing van de taks. Dit is met name het geval indien via een uitgesloten instelling, vennootschap of entiteit economische rechten op een effectenrekening gehouden worden onder de vorm van een louter vorderingsrecht, rechten van een begunstigde van een verzekering (cfr. wat zich kan voordoen in het kader van tak 23 verzekeringen), enz. Indien daarentegen een natuurlijke persoon, rechtspersoon of entiteit die niet is uitgesloten van de taks rechten heeft op een door een uitgesloten entiteit aangehouden rekening, maar deze aanhoudt onder de vorm van een effectenrekening die aan de taks is onderworpen, is een dergelijke situatie niet aan de orde. In dit geval beoogt de tekst dan ook een cascade van heffingen te vermijden, en zich te richten op de uiteindelijk door de persoon of entiteit bij een uitgesloten entiteit aangehouden effectenrekening » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1708/001, pp. 13-16). B.17.4. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever zich ervan bewust was dat effectenrekeningen die door verzekeringsondernemingen als werkinstrument worden gebruikt in het kader van de tak 23-levensverzekeringsproducten, door de in B.17.3 vermelde vereiste waarschijnlijk ook zouden worden onderworpen aan de bestreden taks : « Wat de fiscaal gestimuleerde pensioenopbouw in de derde pijler betreft, moet een onderscheid worden gemaakt tussen zogenaamde pensioenspaarfondsen en pensioenspaarverzekeringen : 36 - wat de pensioenspaarfondsen betreft, is er geen taks van toepassing op de effectenrekeningen die worden aangehouden door de fondsen, en ook niet op de pensioenspaarrekeningen waarop de rechten van deelneming in dergelijke fondsen worden aangehouden omdat die nooit meer dan 1 miljoen euro zullen bedragen; - wat de pensioenspaarverzekeringen betreft, is er geen taks van toepassing op de verzekeringsproducten omdat die niet worden aangehouden op effectenrekeningen. In hoofde van de verzekeringsondernemingen moet echter een onderscheid worden gemaakt tussen : • een pensioenspaarverzekering tak 21 : er is geen taks van toepassing op de effectenrekeningen die worden aangehouden door verzekeringsondernemingen in het kader van tak 21-producten, omdat die effectenrekeningen uitsluitend voor eigen rekening worden aangehouden. De verzekeringnemer heeft immers slechts recht op een vast jaarlijks rendement; • een pensioenspaarverzekering tak 23 : er is wel taks van toepassing op de effectenrekeningen die worden aangehouden door verzekeringsondernemingen in het kader van tak 23-producten, omdat die effectenrekeningen niet uitsluitend voor eigen rekening worden aangehouden. De verzekeringnemer heeft immers recht op een rendement in functie van de door de verzekeringsonderneming gerealiseerde beleggingen. Het fiscaal voordeel dat in het kader van de personenbelasting aan dergelijke pensioenspaarverzekeringen wordt verleend, heeft dus niet tot gevolg dat effectenrekeningen die in dat kader, voor rekening van derden, worden aangehouden door verzekeringsondernemingen, buiten het toepassingsgebied van de taks zouden vallen. Merk dus op dat pensioenspaarproducten in geen enkel geval worden onderworpen aan de taks. Enkel de effectenrekeningen die worden aangehouden door verzekeringsondernemingen in het kader van tak 23-producten, andere dan diegene die worden aangehouden in het kader van ‘ eerste pijler ’- en ‘ tweede pijler ’- pensioentoezeggingen, worden onderworpen aan de taks. De mate waarin de taks zal worden doorgerekend door de verzekeringsondernemingen aan de verzekeringsnemers is een contractuele aangelegenheid tussen betrokken partijen, waar het voorliggend wetsontwerp op geen enkele manier in tussenkomt. Hetzelfde geldt overigens voor alle belastingen ten laste van verzekeringsondernemingen. Het is dus niet aan de wetgever om te voorzien in een bijkomende drempel van 1 miljoen euro op het niveau van de betrokken verzekeringsproducten. In dat geval zou immers fundamenteel afbreuk worden gedaan aan de belastbare materie van de taks, id est een taks op effectenrekeningen, ongeacht de achterliggende eigendomsverhoudingen. De Raad van State heeft in randnummer 13.3 van zijn advies bevestigd dat met de verantwoording van de regering voor deze behandeling kan worden ingestemd. De voorgaande vaststelling ligt in het verlengde van de basisgedachte onderliggend aan de uitwerking van de taks waarbij enkel en alleen het medium ‘ effectenrekening ’ wordt geviseerd. Buiten het stelsel van de cascade van effectenrekeningen, zoals de vice- eersteminister reeds heeft toegelicht, zijn alle effectenrekeningen die worden aangehouden door een financiële onderneming voor rekening van derden, wat met name meestal voorkomt in het kader van tak 23-verzekeringen, onderworpen aan de taks, tenzij die derde zelf een uitgesloten instelling, vennootschap of entiteit betreft » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1708/003, pp. 11-12). 37 B.17.5. In haar advies bij het voorontwerp dat tot de bestreden wet heeft geleid, merkte de afdeling wetgeving van de Raad van State over de toepassing van de bestreden taks op de effectenrekeningen die door verzekeringsondernemingen worden aangehouden in het kader van tak 23-levensverzekeringsproducten het volgende op : « Nog in de memorie van toelichting wordt uiteengezet dat ‘ effectenportefeuilles die worden aangehouden door verzekeringsinstellingen in het kader van met een verzekeringnemer afgesloten zgn. Tak 23-verzekeringen, wel onder de toepassing van de taks vallen, aangezien het aanhouden van een portefeuille middels een Tak 23-verzekering en een er achter liggende effectenrekening een volledig substituut uitmaakt voor een direct aangehouden effectenrekening ’. Aangezien de drempel van 1 miljoen euro beoordeeld moet worden op het niveau van de verzekeringsinstelling die de effectenrekening aanhoudt en niet op het niveau van de verzekeringnemer, ook als hij bijvoorbeeld slechts 10 000 euro belegt in een tak 23- verzekering, zal, wanneer de verzekeringsinstelling die taks economisch verrekent in de voorwaarden voor die verzekering, ook de betrokken belegger de gevolgen van de taks ondergaan. De gemachtigden bevestigden dit : ‘ In geval van verzekeringsproducten is het inderdaad zo dat de verzekeringnemer niet betrokken wordt bij de heffing van de taks omdat die verzekeringsproducten niet worden aangehouden op een effectenrekening en de verzekeringnemer enkel over vorderingsrechten beschikt verbonden aan de waarde van de aangehouden effectenrekening, maar mogelijks wel de verzekeringsinstelling die in het kader van dit (en/of andere) verzekeringsproduct(en), de onderliggende financiële instrumenten aanhoudt op een effectenrekening, weliswaar in eigen naam maar voor rekening van de verzekeringsnemers. Gelet op het feit dat de taks het aanhouden van een effectenrekening viseert, en wat betreft de vaststelling van de belastbare grondslag de drempel moet worden beoordeeld op het niveau van de effectenrekening, zal de taks op dat niveau worden toegepast zoals bij elke andere effectenrekening. De mate waarin de taks zal worden doorgerekend door de verzekeringsinstelling aan de verzekeringsnemer is een contractuele aangelegenheid tussen betrokken partijen. Dat laatste geldt voor alle belastingen geheven in hoofde van verzekeringsinstellingen. ’ Met die verantwoording, die in de lijn ligt van de door de gemachtigden verduidelijkte doelstelling van de belasting, kan worden ingestemd » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1708/001, pp. 57-58). B.18.1. Zoals is vermeld in B.8.1, vloeit uit de artikelen 170, § 1, en 172, tweede lid, van de Grondwet voort dat de fiscale aangelegenheid een bevoegdheid is die door de Grondwet aan de wet wordt voorbehouden. Een aan een andere overheid verleende bevoegdheid is niet in strijd met het wettigheidsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de bevoegde wetgever zijn vastgesteld. 38 Tot de essentiële elementen van de belasting behoren de aanwijzing van de belastingplichtigen, de belastbare materie, de heffingsgrondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingvrijstellingen. B.18.2. In dit geval wordt de bestreden bepaling niet verweten dat zij ten onrechte een delegatie aan een andere overheid zou verlenen, maar dat zij de erin opgenomen vrijstelling van de bestreden taks, in het bijzonder wat betreft de effectenrekeningen die door verzekeringsondernemingen worden aangehouden in het kader van tak 23- levensverzekeringsproducten, onvoldoende precies en duidelijk omschrijft. Zoals is v

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.