id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.141 Arrest- Rolnummer: 141/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 680 - laatst gezien 2026-06-14 19:40 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van de vordering tot schorsing Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vordering tot schorsing van de artikelen 3 en 6 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 23 juni 2022 « tot wijziging van het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (invoeging van de artikelen 37/1 en 52/1 in het decreet van 18 januari 2018), ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone ». Jeugdrecht - Franse Gemeenschap - Beschermingsmaatregelen die behoren tot de bevoegdheid van de jeugdrechtbank - Dringende noodzakelijkheid - Beslissing om het kind tijdelijk buiten zijn leefomgeving te huisvesten - Bevoegdheid van het openbaar ministerie Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 141/2022 van 27 oktober 2022 Rolnummer : 7846 In zake : de vordering tot schorsing van de artikelen 3 en 6 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 23 juni 2022 « tot wijziging van het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (invoeging van de artikelen 37/1 en 52/1 in het decreet van 18 januari 2018), ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 augustus 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 augustus 2022, heeft de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Fierens, advocaat bij de balie te Brussel, een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen 3 en 6 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 23 juni 2022 « tot wijziging van het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (invoeging van de artikelen 37/1 en 52/1 in het decreet van 18 januari 2018), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 juli 2022. Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van dezelfde decreetsbepalingen. Bij beschikking van 22 augustus 2022 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 21 september 2022, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 12 september 2022 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de 2 verzoekende partij over te zenden, alsook aan de griffie van het Hof via mail op het adres « griffie@const-court.be ». Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door : - de vzw « Association Syndicale des Magistrats », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Fierens; - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Mareschal, advocaat bij de balie te Brussel. Op de openbare terechtzitting van 21 september 2022 : - zijn verschenen : . Mr. J. Fierens, voor de verzoekende partij en voor de vzw « Association Syndicale des Magistrats »; . Mr. M. Mareschal, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang om in rechte te treden A.1.1. De verzoekende partij doet gelden dat de ordes van de balies voor het Hof in rechte kunnen treden om het collectieve belang van de rechtzoekenden te verdedigen wanneer die vordering verband houdt met de opdracht en de rol van de advocaat voor wat betreft de behartiging van de belangen van de rechtzoekende. Te dezen bieden de bestreden bepalingen het openbaar ministerie de mogelijkheid te besluiten tot de verwijdering van een kind uit zijn leefomgeving, hetgeen een ernstige inmenging in de fundamentele rechten van het kind en zijn gezin vormt. Zij organiseren ook een « pseudoberoep » dat het optreden van een advocaat kan impliceren. De verzoekende partij beschikt dan ook over een voldoende belang om voor het Hof in rechte te treden. Ten aanzien van het belang van de vzw « Association Syndicale des Magistrats » om tussen te komen A.1.2. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » betoogt dat haar belang om tussen te komen voortvloeit uit haar maatschappelijk doel, dat is gedefinieerd in artikel 3 van haar statuten. 3 Ten aanzien van het eerste middel A.2. Na de context waarin de bestreden bepalingen werden aangenomen te hebben uiteengezet, leidt de verzoekende partij een eerste middel af uit de schending van artikel 13 van de Grondwet, dat het recht op toegang tot de rechter waarborgt. De bestreden bepalingen hebben tot gevolg rechtzoekenden tegen hun wil af te trekken van de rechter die de wet hen toekent. Tot de maatregel van verwijdering uit de leefomgeving, die een zeer ernstige inmenging vormt in het recht op de eerbiediging van het privéleven, kan slechts worden besloten door een rechter, in het kader van een procedure op tegenspraak. Het feit dat de rechterlijke macht de meest geschikte hoeder van inachtneming van de rechten van de verdediging is door de decreetgever steeds als een evidentie gezien. De bestreden bepalingen komen frontaal in botsing met dat beginsel, dat is opgenomen in artikel 1, 9°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (hierna : het Jeugdwetboek). Hoewel het openbaar ministerie een orgaan is van de rechterlijke macht, zijn tot slot de leden ervan geen rechters en zijn hun beslissingen geen beslissingen van een rechterlijke instantie in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » verwijst naar de argumentatie van de verzoekende partij. A.4.1. De Franse Gemeenschapsregering betoogt dat de bestreden bepalingen, ten aanzien van het recht op toegang tot de rechter, relevant en redelijk evenredig zijn met het doel dat zij nastreven. A.4.2. Ten eerste is de nagestreefde doelstelling gewettigd. De bestreden bepalingen laten toe het beginsel van dejudicialisering toe te passen gedurende de sluitingsuren van de diensten voor hulpverlening aan de jeugd (SAJ) en voor jeugdbescherming (SPJ). Het beginsel van dejudicialisering ligt ten grondslag aan het beleid inzake hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming in de Franse Gemeenschap en strekt ertoe het optreden van de gerechtelijke sfeer zoveel als mogelijk te beperken in situaties waarin gezinnen te kampen hebben met moeilijkheden van sociale aard. Concreet strekt dat beginsel ertoe, enerzijds, te vermijden dat een dossier wordt gejudicialiseerd en, anderzijds, te proberen een dossier uit de gerechtelijke sfeer te doen halen dat zich er al bevindt. Teneinde dat principe te verwezenlijken heeft het Jeugdwetboek aan de adviseur belangrijke prerogatieven toegekend. De analyse van de verschillende maatregelen die de adviseur kan nemen, bevestigt dat het gerechtelijk optreden ondergeschikt moet blijven aan het sociaal optreden. Ook de directeur voor jeugdbescherming werkt ten gunste van de dejudicialisering door middel van verscheidene mechanismen. Het is echter gebleken dat de dringende situaties waarin een jongere is blootgesteld aan een ernstig gevaar waarbij de verwijdering uit zijn leefomgeving vereist is en die zich voordoen buiten de openingsuren van de SAJ en de SPJ noodzakelijkerwijs gejudicialiseerd zijn. In dat opzicht heeft de decreetgever gemeend dat het onbillijk was dat om reden van overwegingen die losstaan van de moeilijkheden van de jongeren, het beginsel van dejudicialisering slechts van toepassing is tijdens de openingsuren van de diensten voor hulpverlening aan de jeugd en voor jeugdbescherming. Hij heeft bijgevolg de bestreden bepalingen aangenomen om de toepassing van het beginsel van dejudicialisering te waarborgen zelfs tijdens de sluitingsuren van de diensten. A.4.3.1. Ten tweede zijn de bestreden bepalingen relevant en redelijk evenredig. Allereerst beschikt de Franse Gemeenschap bij de uitoefening van haar bevoegdheid inzake hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming over de volheid van bevoegdheid. De decreetgever heeft zich aldus geïnspireerd op de Duitstalige Gemeenschap om aan het openbaar ministerie een bevoegdheid toe te wijzen inzake hulpverlening aan de jeugd. Vervolgens bieden de bestreden bepalingen het openbaar ministerie de mogelijkheid een zeer voorlopige maatregel tot bescherming te nemen en tegelijkertijd te verzekeren dat een opdrachtgever van de Gemeenschap vanaf de eerste uren van de eerste werkdag die volgt op de maatregel tot verwijdering van de jongere zal instaan voor de voortgangscontrole. Wat meer is, de aan het openbaar ministerie opgelegde voorwaarden zijn strikt : er moet een dringende noodzakelijkheid zijn, de lichamelijke of psychische integriteit van het kind moet rechtstreeks zijn blootgesteld aan een ernstig gevaar, en de beslissing tot verwijdering kan slechts worden genomen buiten de openingsuren van de diensten of wanneer de adviseur of de directeur niet bereikbaar zijn gedurende die uren. Die voorwaarden zijn relevant ten aanzien van de nagestreefde doelstelling, aangezien het openbaar ministerie niet langer gedwongen is alle situaties systematisch te judicialiseren wegens de onbeschikbaarheid van de opdrachtgevers van de Gemeenschap. Daarbij komt dat de duur van de maatregel tot verwijdering uiterst kort is. 4 De eerste werkdag, vóór het einde van de maatregel, zal de opdrachtgever van de Gemeenschap de jongere en zijn gezin moeten ontmoeten om na te gaan of over de opgelegde maatregel een akkoord kan worden bereikt. Zo ja zal de opdrachtgever voorts instaan voor de voortgangscontrole van het dossier en zal de judicialisering zijn vermeden. Zo niet zal hij het openbaar ministerie onmiddellijk ervan op de hoogte moeten brengen opdat het de zaak aanhangig maakt bij de jeugdrechtbank uiterlijk de eerste werkdag die volgt op de maatregel tot plaatsing van het kind. A.4.3.2. De Franse Gemeenschapsregering voegt eraan toe dat de afdeling wetgeving van de Raad van State de grondwettigheid van de bestreden maatregel heeft erkend, en tegelijkertijd heeft onderstreept dat een jurisdictionele toetsing a posteriori zou moeten worden ingesteld, waarin de decreetgever heeft voorzien. Naast dat beroep a posteriori, kan de zaak daarenboven bij de jeugdrechtbank aanhangig worden gemaakt bij dringende noodzakelijkheid, op grond van de artikelen 37, § 1, en 52, tweede lid, van het Jeugdwetboek, bij gebrek aan akkoord vanwege de jongere en zijn ouders over de maatregel tot bescherming, en uiterlijk aan het eind van de eerste werkdag die volgt op de maatregel. A.4.4. De Franse Gemeenschapsregering besluit dat het middel niet ernstig is. Ten aanzien van het tweede middel A.5.1. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. A.5.2.. De verzoekende partij preciseert dat zij de situatie van de personen van wie het kind door het openbaar ministerie is geplaatst, vergelijkt met de situatie van de personen van wie het kind door de jeugdrechtbank is geplaatst. Daarenboven vergelijkt de verzoekende partij in beide gevallen de situatie van het betrokken kind. In haar advies heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State erop gewezen dat « een afwijking van de vereiste van het voorafgaand optreden van een onafhankelijke rechter slechts uitzonderlijk kan zijn en moet worden verantwoord door redenen die eigen zijn aan de feiten die dienen te worden voorkomen ». Het door de bestreden bepalingen veroorzaakte verschil in behandeling berust echter op het loutere feit dat de beslissing tot plaatsing moet worden genomen buiten de openingsuren van de administratie of dat het onmogelijk is bepaalde ambtenaren te bereiken. Het gaat dus niet om redenen die eigen zijn aan de feiten die de plaatsing van een kind door het openbaar ministerie en niet door de jeugdrechtbank verantwoorden. Het verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord. A.6. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » verwijst naar de argumentatie van de verzoekende partij. A.7.1. Volgens de Franse Gemeenschapsregering is de verzoekende partij ten onrechte van mening dat de bestreden bepalingen een discriminerend verschil in behandeling zouden doen ontstaan. In werkelijkheid bestaat er zelfs geen verschil in behandeling tussen, enerzijds, jongeren van wie de lichamelijke of psychische integriteit thans rechtstreeks is blootgesteld aan een ernstig gevaar en die zijn geplaatst bij een beslissing van het openbaar ministerie en, anderzijds, dezelfde jongeren die geplaatst zijn bij een beslissing van de rechter, naargelang de beslissing tot plaatsing genomen is tijdens of buiten de openingsuren van de diensten, of op een ogenblik waarop de adviseur of de directeur al dan niet bereikbaar is. Zelfs buiten de openingsuren van de SAJ of de SPJ of zelfs wanneer de adviseur of de directeur niet bereikbaar is, kan het openbaar ministerie de zaak aanhangig maken bij de jeugdrechtbank, op grond van de artikelen 37 of 52 van het Jeugdwetboek, opdat zij een voorlopige maatregel tot plaatsing beveelt. Zo blijft het openbaar ministerie, wanneer die diensten onbeschikbaar zijn, vrij om een keuze te maken tussen : (
- i)geen beslissing nemen en de jongere en zijn gezin terugsturen naar de bevoegde dienst van de Gemeenschap gedurende de openingsuren ervan; (
- ii)de zaak voorleggen aan de jeugdrechtbank op grond van de artikelen 37 of 52 van het Jeugdwetboek; of (iii) een voorlopige maatregel tot verwijdering nemen op grond van de bestreden bepalingen. A.7.2. De Franse Gemeenschapsregering stelt vast dat de bestreden bepalingen precies ten doel hebben een einde te maken aan een verschil in behandeling, namelijk dat tussen jongeren in gevaar die de dejudicialisering kunnen genieten en diegenen die ze niet kunnen genieten alleen om de enkele reden dat de bevoegde administratieve diensten gesloten of onbereikbaar zijn. 5 A.7.3. De Franse Gemeenschapsregering besluit dat het middel niet ernstig is. Ten aanzien van het derde middel A.8.1. De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending van artikel 22bis, tweede lid, van de Grondwet en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 9, lid 2, en 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, met het algemeen rechtsbeginsel van de tegenspraak en de rechten van de verdediging, en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.8.2. In een eerste onderdeel wijst de verzoekende partij erop dat artikel 22bis, tweede lid, van de Grondwet en artikel 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind aan elk kind het recht waarborgen zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens omvat een « eerlijk proces » het fundamentele recht op het contradictoire karakter van de procedure, dat in België het statuut van een algemeen rechtsbeginsel heeft. Het doel om de procedure te bespoedigen kan niet verantwoorden dat het fundamentele recht op een procedure op tegenspraak wordt geschonden. Daarenboven waarborgen de bestreden bepalingen niet dat het beginsel van de tegenspraak op zijn minst zal worden verzekerd door het horen van het kind indien het een leeftijd heeft bereikt waarop het de vereiste maturiteit heeft. De bij de maatregel betrokken meerderjarige personen worden evenmin gehoord. A.8.3. De verzoekende partij doet gelden dat de ontstentenis van een tegensprekelijk debat eveneens tot gevolg heeft dat de bewijslast wordt omgekeerd ingeval beroep wordt ingesteld tegen de beslissing tot plaatsing. In dat geval staat het immers aan diegenen die het beroep instellen om aan te tonen dat de maatregel niet geboden was. Het staat echter in beginsel aan het openbaar ministerie om aan te tonen dat de omstandigheden de plaatsing van het kind vereisen. De bij de maatregel stuiten personen stuiten dus op het voldongen feit, los van het feit dat de zaak later bij de adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd of bij de jeugdrechter terugkomt. A.8.4. In een tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat bij de bestreden bepalingen geen enkele andere waarborg met betrekking tot een eerlijk proces in acht wordt genomen. Zo wordt in geen enkele toegang tot het dossier voorzien. Het optreden van een advocaat is niet geregeld. Er bestaat geen enkele verplichting tot motivering van de beslissing, noch enig recht van de partijen om conclusie te nemen. Er is geen nadere regel voor de kennisgeving van de beslissing bepaald. Het bestaan van een beroep, de termijn en de nadere regels ervan worden niet aan de betrokkenen medegedeeld. A.9. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » verwijst naar de argumentatie van de verzoekende partij. A.10.1. De Franse Gemeenschapsregering onderstreept dat de wetgever, die zich wilde conformeren aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, een beroep heeft ingesteld tegen de beslissingen van het openbaar ministerie die zijn genomen op grond van de bestreden bepalingen. Daarenboven, hoewel de Franse Gemeenschap inzake hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming volheid van bevoegdheid geniet, is zij niet ertoe gemachtigd inbreuk te maken op de residuaire bevoegdheden van de federale overheid. De aangelegenheid justitie is een dergelijke residuaire bevoegdheid en de organisatie van het openbaar ministerie en de regels die het beheersen maken deel uit van die aangelegenheid. Zo is de Franse Gemeenschap ertoe gerechtigd een bevoegdheid toe te wijzen aan het openbaar ministerie, maar zij kan niet de voor die autoriteit ingestelde procedure regelen. De procedureregels voor de rechterlijke instanties in jeugdaangelegenheden worden geregeld bij de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » (hierna : de wet van 8 april 1965). A.10.2. De Franse Gemeenschapsregering besluit dat beide onderdelen van het middel niet ernstig zijn. Ten aanzien van het vierde middel A.11. De verzoekende partij leidt een vierde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 144 van de Grondwet, luidens hetwelk geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren. De geschillen bedoeld in de artikelen 144 en 145 van de Grondwet betreffen « twistpunten ». Indien een kind of de persoon die het onder zijn hoede heeft zijn toestemming ten aanzien van de maatregel tot plaatsing van het kind niet heeft gegeven, is er echter een 6 « twistpunt » en een « geschil over de burgerlijke rechten ». Een dergelijk geschil moet worden beslecht door een rechtbank. In geval van toepassing van de bestreden bepalingen zal zulks echter niet het geval zijn. Daarenboven is het discriminerend voor de geschillen van sommigen het openbaar ministerie en niet een rechtbank bevoegd is. A.12. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » verwijst naar de argumentatie van de verzoekende partij. A.13.1. De Franse Gemeenschapsregering zet uiteen dat de bestreden bepalingen de betrokken gezinnen niet het recht ontzeggen om een zaak aanhangig te maken bij de rechtbanken. Enerzijds, bij gebrek aan akkoord van de jongere en zijn ouders over de maatregel tot bescherming na de ontmoeting met de opdrachtgever van de Gemeenschap op de eerste werkdag die volgt op de beslissing tot verwijdering, zal de opdrachtgever om de saisine van de jeugdrechtbank kunnen verzoeken op grond van de artikelen 37 en 52 van het Jeugdwetboek. De situatie zal dan met spoed door de rechtbank worden onderzocht en de jurisdictionele toetsing a posteriori zal dan kunnen worden uitgeoefend. Anderzijds, wijzen de bestreden bepalingen aan de jeugdrechtbank de bevoegdheid toe om kennis te nemen van de beroepen tegen de beslissingen die door het openbaar ministerie zijn genomen op grond van de bestreden bepalingen. Bijgevolg ontzeggen de bestreden bepalingen de jongeren en hun ouders niet het recht om hun betwistingen aan de gewone rechter voor te leggen. Het verschil in behandeling bestaat niet. A.13.2. De Franse Gemeenschapsregering besluit dat het middel niet ernstig is. Ten aanzien van het vijfde middel A.14.1. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het plaatsen van een kind via een dwingende beslissing vormt een ernstige inmenging in het recht op de eerbiediging van het privéleven. Artikel 13 van het voormelde Verdrag verankert het recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie. A.14.2. Hoewel de jeugdrechtbank kennisneemt van de geschillen met betrekking tot de door het openbaar ministerie getroffen maatregel tot verwijdering uit de leefomgeving, is dat beroep niet doeltreffend. Niet alleen is geen enkele nadere regel voor de kennisgeving van de beslissing bepaald en worden het bestaan van dat beroep, de termijn en de nadere regels ervan niet aan de betrokkenen medegedeeld, maar ook wordt het kind niet verplicht bijgestaan door een advocaat op het ogenblik dat het openbaar ministerie de beslissing neemt. Hoewel het Jeugdwetboek voorziet in de mogelijkheid om een beroep in te stellen voor het kind dat ten minste twaalf jaar oud is, bijgestaan door een van ambtswege toegekende advocaat, in voorkomend geval, « op aanvraag van de adviseur », is te dezen bovendien net tot de plaatsing van het kind beslist omdat de adviseur niet bereikbaar is. Het beroep van het kind dat ten minste twaalf jaar oud is, is dus niet doeltreffend. Bovendien is de aanwijzing van een voogd ad hoc vóór het uitoefenen van het beroep niet denkbaar, gelet op de in de tijd beperkte gevolgen van de beslissing van het openbaar ministerie. De meerderjarige personen op wie de maatregel betrekking heeft, kunnen evenmin het beroep in werking stellen, vooral indien de dag van de beslissing geen werkdag is. In de veronderstelling dat een beroep ondanks alles wordt ingesteld, zou de jeugdrechtbank noodzakelijkerwijs, gelet op de termijnen van de burgerlijke rechtspleging, uitspraak doen op een ogenblik waarop het beroep zonder voorwerp zou zijn geworden. Tot slot, zoals hieronder vermeld, stuiten de personen op wie de maatregel tot plaatsing betrekking heeft op het voldongen feit en heeft de ontstentenis van een tegensprekelijk debat tot gevolg dat de bewijslast wordt omgekeerd. A.15. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » verwijst naar de argumentatie van de verzoekende partij. A.16.1. De Franse Gemeenschapsregering betoogt dat het middel niet ontvankelijk is, aangezien de verzoekende partij, afgezien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, geen enkele grondwets- of verdragsbepaling aanvoert in combinatie met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 7 Het voormelde artikel 13 heeft echter geen autonome werking en de schending van dat artikel kan slechts worden aangevoerd wanneer blijkt dat een van de bij het Verdrag gewaarborgde rechten is geschonden. A.16.2. De Franse Gemeenschapsregering doet in ondergeschikte orde gelden dat de Franse Gemeenschap niet de bevoegdheid heeft om de procedure te organiseren die van toepassing is op het beroep tegen de beslissing van het openbaar ministerie. De grondslag van de aangelegenheid bevindt zich in de wet van 8 april 1965. Daarenboven toont de verzoekende partij niet aan dat de bestreden bepalingen ongrondwettig zijn, maar wijst zij veeleer op een lacune in de wetgeving die de schorsing en de vernietiging van de bestreden bepalingen echter niet kan verantwoorden. Zij zou de federale wetgever veeleer bevelen die aangelegenheid te regelen. A.16.3. Volgens de Franse Gemeenschapsregering is het middel niet ernstig. Ten aanzien van het zesde middel A.17.1. De verzoekende partij leidt een zesde middel af uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, alsook uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 7 en 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat, voor een ouder en zijn kind, het feit samen te zijn een fundamenteel element van het gezinsleven vormt. Het recht op de eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de kinderen kan echter het voorwerp uitmaken van inmengingen vanwege de overheid, indien bepaalde voorwaarden in acht worden genomen. Bovendien moeten de rechtscolleges op gedetailleerde wijze de redenen uiteenzetten waarom er teneinde het kind te beschermen geen oplossingen bestonden die minder afbreuk doen aan de rechten van het gezin. De ouders moeten hun argumenten kunnen doen gelden. A.17.2. In een eerste onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de plaatsing van een kind door het openbaar ministerie en niet door de jeugdrechter, zonder motivering en zonder het horen van de betrokken personen, om de enige reden dat de beslissing wordt genomen buiten de kantooruren, een onevenredige inmenging in het recht op de eerbiediging van het gezinsleven vormt. A.17.3. In een tweede onderdeel onderstreept de verzoekende partij dat de decreetgever, door de bestreden bepalingen aan te nemen, gepoogd heeft een einde te maken aan een bestaande discriminatie die erin bestond de personen die de hulpverlening aan de jeugd genieten verschillend te behandelen naar gelang van de openingsuren van de administratie. Hun situatie wordt enkel door gerechtelijke instanties geregeld buiten de openingsuren van de administratie, terwijl de personen die gedurende die openingsuren het voordeel van de hulpverlening aan de jeugd genieten, een dejudicialisering kunnen genieten. Het openbaar ministerie is echter een gerechtelijke instantie zodat de bestreden bepalingen de vermeende discriminatie niet corrigeren. Ze zijn dan ook onevenredig. A.17.4. In een derde onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de bestreden bepalingen nutteloos zijn omdat de zaak dringend, op om het even welk ogenblik, kan worden voorgelegd aan een jeugdrechter die dienst heeft. Die rechter kan meteen een beslissing tot plaatsing nemen. Het gaat bovendien om een gespecialiseerde magistraat, hetgeen niet noodzakelijk het geval is voor het lid van het parket dat dienst heeft. In geval van absolute noodzakelijkheid zou het openbaar ministerie de zaak, zowel overdag als ’s nachts, ook kunnen voorleggen aan de voorzitter van de familierechtbank. A.17.5. In een vierde onderdeel erkent de verzoekende partij dat de « pretoriaanse maatregelen », dat wil zeggen de door het openbaar ministerie genomen maatregelen tot plaatsing van een kind, in de feiten bestaan, zonder wettelijke grondslag. Die maatregelen leiden in bepaalde gevallen ertoe dat kinderen in goede gezondheid in een ziekenhuis worden geplaatst, soms gedurende weken. Die praktijk is echter onwettig, vaak ondoeltreffend, en zelfs in strijd met het belang van het kind. Afgezien daarvan is zij onverantwoord omdat het openbaar ministerie de procedures van dringende saisine van een rechtbank kan aanwenden. De inmenging in de in het middel beoogde rechten is onevenredig. A.17.6.1. In een vijfde onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de door de decreetgever aangevoerde verantwoording, namelijk « de dejudicialisering », niet relevant is. Integendeel, de bestreden bepalingen zijn in tegenspraak met het beginsel van dejudicialisering en het beginsel van subsidiariteit van de gedwongen hulpverlening ten opzichte van de vrijwillige hulpverlening, omdat zij precies het beroep op dwang impliceren en omdat niet om de toestemming van de betrokkenen wordt verzocht. Zodra er dwang is, kan de beslissing echter 8 enkel van de rechtbanken afhangen. De procedure waarin is voorzien bij de bestreden bepalingen maakt het niet mogelijk een beroep te doen op sociale maatregelen en een gerechtelijke procedure te vermijden, maar geeft buitensporige bevoegdheden aan het openbaar ministerie, dat, zonder een rechtbank te vormen, een orgaan van de rechterlijke macht is. De vergelijking die door de afdeling wetgeving van de Raad van State wordt gemaakt tussen, enerzijds, de bevoegdheden die aan de procureur des Konings zijn gegeven inzake tijdelijk huisverbod en, anderzijds, die welke hem bij de bestreden bepalingen zijn gegeven, is slechts gedeeltelijk relevant. In geval van huisverbod raakt de bevoegdheid van de procureur des Konings uitsluitend aan de rechten van meerderjarige personen en is zij niet alleen afhankelijk van de sluitingsuren van de administratie. Bovendien was aanvankelijk geen enkele rechtbank bevoegd om het huisverbod uit te spreken. A.17.6.2. De verzoekende partij betoogt dat de dejudicialisering niet mag betekenen dat de bescherming van de fundamentele vrijheden enkel nog zou afhangen van de administratie. De dejudicialisering verantwoordt evenmin dat de waarborg van de fundamentele rechten wat betreft de hulpverlening en de jeugdbescherming geleidelijk aan verloren gaat. A.17.7. In een zesde onderdeel doet de verzoekende partij gelden dat de bestreden bepalingen het openbaar ministerie de mogelijkheid bieden een kind uit zijn leefomgeving te verwijderen zonder vooraf te hebben vastgesteld dat de betrokken personen weigeren of nalaten de vrijwillige hulpverlening in werking te stellen of zonder dat de in artikel 23 van het Jeugdwetboek beoogde personen hun toestemming voor de maatregel geven. Het gaat echter om een voorwaarde voor de plaatsing van een kind waartoe door de rechtbank wordt besloten. A.18. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » doet, met betrekking tot het derde onderdeel van het zesde middel, gelden dat de bestreden bepalingen nutteloos en onevenredig zijn want, met toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Jeugdwetboek, kan, in spoedeisende gevallen, een onderzoeksrechter voorlopige maatregelen treffen overeenkomstig de artikelen 101 tot 105 van hetzelfde Wetboek. A.19.1. De Franse Gemeenschapsregering gaat, na de rechtspraak van het Hof en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in herinnering te hebben gebracht, ervan uit dat de bestreden bepalingen een beperking omvatten die verantwoord en evenredig is met het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, in zoverre zij een procedure instellen die, in haar geheel, een billijk evenwicht tot stand brengt tussen de verschillende in het geding zijnde belangen. A.19.2. Meer precies is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat het eerste onderdeel van het middel op een slecht begrip van de bestreden bepalingen berust. Immers, de keuze van het openbaar ministerie om een beslissing te nemen tot voorlopige plaatsing van een jongere op grond van de bestreden bepalingen of de zaak aanhangig te maken bij de jeugdrechtbank op grond van de artikelen 37 of 52 van het Jeugdwetboek, hangt niet af van de vraag of de beslissing genomen wordt buiten de openingsuren van de diensten dan wel of de opdrachtgevers van de Gemeenschap onbereikbaar zijn. De keuze waarvoor het openbaar ministerie staat, is verschillend in beide gevallen maar het openbaar ministerie beschikt steeds over de mogelijkheid de zaak dringend aanhangig te maken bij de jeugdrechtbank. Immers, zelfs indien de opdrachtgevers van de Gemeenschap niet kunnen worden bereikt, kan het openbaar ministerie ofwel zelf een maatregel nemen tot voorlopige verwijdering ofwel de zaak dringend aanhangig maken bij de jeugdrechtbank. Die beslissing van het openbaar ministerie wordt genomen rekening houdend met verschillende elementen, waaronder de ernst van het gevaar waaraan de jongere is blootgesteld en of er al dan niet medewerking van de ouders is. Tijdens de openingsuren van de diensten of wanneer de opdrachtgevers van de Gemeenschap bereikbaar zijn, mag het openbaar ministerie geen voorlopige maatregel van verwijdering nemen. Het heeft dan twee opties : ofwel verwijst het het gezin naar de bevoegde dienst van de Gemeenschap, ofwel maakt het de zaak aanhangig bij de jeugdrechtbank met inachtneming van de artikelen 37 en 52 van het Jeugdwetboek. Bijgevolg is het eerste onderdeel niet ernstig. A.19.3. Ten aanzien van het tweede onderdeel zet de Franse Gemeenschapsregering uiteen dat een dejudicialisering niet betekent dat er geen enkel optreden is van de gerechtelijke sfeer maar veeleer dat het optreden van de rechterlijke macht beperkt is tot hetgeen strikt noodzakelijk is om het ruimst mogelijke optreden van de sociale overheden van de Gemeenschap mogelijk te maken. Het belang van de in het geding gebrachte plaatsingsmaatregel is gelegen in de uiterst korte duur ervan en in de noodzakelijke voortgangscontrole door de opdrachtgevers van de Gemeenschap vanaf de eerste werkdag die volgt op de plaatsingsmaatregel. De ingestelde regeling is dus relevant en evenredig met het nagestreefde wettige doel, zodat het tweede onderdeel niet ernstig is. 9 A.19.4. In verband met het derde onderdeel antwoordt de Franse Gemeenschapsregering dat de bestreden bepalingen niet nutteloos zijn. Immers, het doel van de maatregel bestaat erin de gespecialiseerde sociale hulpverlening de mogelijkheid te bieden haar rol te spelen zelfs in dringende situaties. De zaak moet slechts aan de rechter worden voorgelegd in geval van mislukking van de genoemde sociale hulpverlening. De bestreden bepalingen strekken ertoe de systematische saisine van de jeugdrechtbank in geval van onbeschikbaarheid van de opdrachtgevers van de Gemeenschap te vermijden. Het onderdeel is dus niet ernstig. A.19.5. De Franse Gemeenschapsregering repliceert, ten aanzien van het vierde onderdeel, dat de bestreden bepalingen een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven inhouden die niet onevenredig is. De plaatsing van kinderen in het ziekenhuis is weliswaar problematisch, maar ze staan los van de in het geding zijnde pretoriaanse maatregelen, omdat die plaatsingen worden bevolen door een rechter en bij gebrek aan plaatsen in een andere instelling. Vervolgens hebben de bestreden bepalingen ten doel een einde te maken aan een bestaande onwettigheid. Thans hebben de jongeren en hun gezinnen geen enkel recht. Er kan de bestreden bepalingen dus niet worden verweten dat zij de aangelegenheid regelen. Derhalve is het vierde onderdeel niet ernstig. A.19.6.1. Ten aanzien van het vijfde onderdeel antwoordt de Franse Gemeenschapsregering dat niets de decreetgever verbiedt een dwingende beslissingsbevoegdheid toe te wijzen aan een andere actor dan de rechter, te dezen het openbaar ministerie. De bevoegdheid die aan dat laatste is toegekend is niet buitensporig, aangezien (
- i)zij beperkt is door strikte voorwaarden, (
- ii)het openbaar ministerie een gesprek moet hebben gehad met de opdrachtgever van de Gemeenschap met wachtdienst, (iii) de duur van de maatregelen uiterst kort is, (
- iv)de opdrachtgever van de Gemeenschap het dossier overneemt vanaf de eerste werkdag, (
- v)de dringende saisine van de jeugdrechter mogelijk blijft vóór het einde van de maatregel wanneer geen enkel akkoord is kunnen worden bereikt met het gezin van de jongere, en (
- vi)een beroep a posteriori openstaat bij de jeugdrechtbank. A.19.6.2. De Franse Gemeenschapsregering preciseert bovendien dat de verzoekende partij ten onrechte stelt dat de bestreden bepalingen het niet zouden mogelijk maken een beroep te doen op sociale maatregelen en een gerechtelijke procedure te vermijden. Integendeel, de nieuwe regeling heeft ten doel de opdrachtgever van de Gemeenschap de mogelijkheid te bieden met het openbaar ministerie te spreken in het kader van de wachtdienst en het gezin te ontmoeten vanaf de eerste werkdag die volgt op de beslissing van het openbaar ministerie. Het onderdeel is dus niet ernstig. A.20. Ten aanzien van het zesde onderdeel van het middel wijst de Franse Gemeenschapsregering erop dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij betoogt, het subsidiariteitsbeginsel wordt versterkt. Enerzijds is het optreden van de adviseurs en directeurs met wachtdienst het dat van een sociale gemeenschapsoverheid zelfs vóór het openbaar ministerie een beslissing tot verwijdering neemt of het overweegt de zaak voor te leggen aan de rechtbank. Anderzijds kan dankzij het optreden van de opdrachtgever van de Gemeenschap vanaf de eerste werkdag in sommige situaties een optreden van de jeugdrechtbank worden vermeden. Het onderdeel is niet ernstig. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.21.1. De verzoekende partij doet gelden dat de bestreden bepalingen, die van kracht worden op 1 oktober 2022, tot gevolg hebben dat bij afloop van de plaatsing ingevolge de beslissing van het openbaar ministerie, de zaak aanhangig wordt gemaakt ofwel bij de adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd, ofwel bij de jeugdrechtbank. In beide gevallen, echter, worden de betrokken personen en het kind voor het voldongen feit geplaatst. Het zal hen, indien zij de maatregel betwisten, toekomen aan te tonen dat de omstandigheden niet de plaatsing van het kind vereisten, hetgeen een omkering van de bewijslast is. Noch de vernietiging van de bestreden bepalingen, noch vorderingen tot compensatie zullen de gevolgen van die anticonstitutionele verzwakking van de procedurele positie van die personen kunnen herstellen. De plaatsing van het kind kan ernstige gevolgen hebben indien zij wordt verlengd, in de hypothese dat daartoe niet zou zijn besloten door een rechter. A.21.2. De verzoekende partij voert aan dat de beslissing tot verwijdering van een kind uit zijn leefomgeving bij beslissing van het openbaar ministerie vaak het optreden van de politie zal vereisen, hetgeen traumatiserend kan zijn voor het kind. Noch de vernietiging van de bestreden bepalingen, noch enige latere compensatie zullen het mogelijk maken die gevolgen te herstellen. A.22. De Franse Gemeenschapsregering doet gelden dat er geen risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is. Immers, de pretoriaanse maatregelen waarvan de bestreden bepalingen de legalisatie beogen, bestaan sinds lang en behoren tot de courante praktijk van sommige parketten. De in het geding zijnde bepalingen hebben de verdienste die maatregelen te legaliseren en tegelijkertijd aan het gebruik ervan strikte voorwaarden op te leggen 10 en de geldigheidsduur ervan tot het strikte minimum te beperken. De schorsing van de bestreden bepalingen zou de huidige situatie van rechteloosheid enkel verlengen. A.23. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » sluit zich aan bij de argumentatie van de verzoekende partij. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging en de schorsing van de artikelen 3 en 6 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 23 juni 2022 « tot wijziging van het decreet van 18 januari 2018 houdende het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (hierna : het decreet van 23 juni 2022). B.2. Het decreet van 23 juni 2022 heeft een dubbel doel : - enerzijds, voert het een wachtdienst in voor adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd en voor directeurs voor jeugdbescherming (artikelen 1 en 5 van het decreet van 23 juni 2022); - anderzijds, verschaft het een wettelijke basis aan de beslissingen van het openbaar ministerie die ertoe strekken bij dringende noodzakelijkheid een kind buiten zijn leefomgeving te doen huisvesten, wanneer een ernstig gevaar de lichamelijke en psychische integriteit van het kind onmiddellijk en rechtstreeks bedreigt, werkelijk en zulks buiten de openingsuren van de diensten voor hulpverlening aan de jeugd en voor jeugdbescherming, of indien de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd of de directeur voor jeugdbescherming niet kunnen worden bereikt tijdens die uren (bestreden artikelen 3 en 6 van het decreet van 23 juni 2022). B.3.1. Het bestreden artikel 3 van het decreet van 23 juni 2022 voegt in het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (hierna : het Jeugdwetboek) een artikel 37/1 in dat bepaalt : « § 1. Bij dringende noodzakelijkheid, wanneer een ernstig gevaar thans de lichamelijke en psychische integriteit van het kind rechtstreeks en buiten de openingsuren van de diensten voor hulpverlening aan de jeugd [bedreigt] of als de adviseur niet kan worden bereikt tijdens 11 de betrokken uren, kan het Openbaar Ministerie de maatregel bedoeld in artikel 51, eerste lid, 2° nemen. De maatregel eindigt uiterlijk aan het einde van de eerste werkdag volgend op het ogenblik waarop de maatregel genomen is. § 2. De jeugdrechtbank neemt kennis van de betwistingen met betrekking tot de maatregel bedoeld in paragraaf 1 genomen door het Openbaar Ministerie en die hem voorgelegd werden door de personen bedoeld in artikel 36, eerste lid ». B.3.2. Het bestreden artikel 6 van het decreet van 23 juni 2022 voegt in het Jeugdwetboek een artikel 52/1 in dat bepaalt : « § 1. Bij dringende noodzakelijkheid, wanneer een ernstig gevaar thans de lichamelijke en psychische integriteit van het kind rechtsreeks en buiten de openingsuren van de diensten voor jeugdbescherming bedreigt of als de directeur niet kan worden bereikt tijdens de betrokken uren, kan het Openbaar Ministerie de maatregel bedoeld in artikel 51, eerste lid, 2° nemen. De maatregel eindigt uiterlijk aan het einde van de eerste werkdag volgend op het ogenblik waarop de maatregel genomen is. § 2. De jeugdrechtbank neemt kennis van de betwistingen met betrekking tot de maatregel bedoeld in paragraaf 1 genomen door het Openbaar Ministerie en die hem voorgelegd werden door de personen bedoeld in artikel 54, eerste lid ». B.3.3.1. Bij de « maatregel bedoeld in artikel 51, eerste lid, 2° » van het Jeugdwetboek, waarnaar de bij de bestreden bepalingen ingevoegde artikelen 37/1 en 52/1 van het Wetboek verwijzen, wordt de beslissing beoogd « in uitzonderlijke omstandigheden […] dat het kind [tijdelijk] buiten zijn leefomgeving zal worden gehuisvest met het oog op zijn opvoeding of […] zijn behandeling ». B.3.3.2. Een beroep tegen die maatregel kan bij de jeugdrechtbank worden ingesteld door de « personen bedoeld in artikel 36, eerste lid » en door de « personen bedoeld in artikel 54, eerste lid » van het Jeugdwetboek. Het gaat om
(1)de personen die het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen,
(2)de personen die het kind in rechte of in feite huisvesten,
(3)de personen die het recht hebben persoonlijk contact met het kind te onderhouden,
(4)het kind dat ten minste veertien jaar oud is,
(5)het kind dat ten minste twaalf jaar oud is, bijgestaan door een advocaat die, in voorkomend geval, van ambtswege wordt aangesteld op aanvraag van de adviseur, en
(6)het kind dat minder dan twaalf jaar oud is of zijn ad hoc-voogd indien de personen die het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen, de personen die het kind in rechte of in feite huisvesten of de personen die het recht hebben persoonlijk contact met het kind te onderhouden, de zaak niet aan de rechtbank voorleggen. 12 B.3.
- De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Een nieuw artikel 37/1 wordt ingevoegd teneinde de pretoriaanse maatregel te legaliseren. Een terugkerende praktijk van het openbaar ministerie inzake hulpverlening aan de jeugd bestaat erin in bepaalde omstandigheden een maatregel te nemen van huisvesting buiten de leefomgeving voor een periode van zeer korte duur, wanneer verondersteld wordt dat het kind onmiddellijk en rechtstreeks is blootgesteld aan een ernstig gevaar, en dat in afwachting van het optreden van de adviseur. Die praktijk is zeer frequent in sommige gerechtelijke arrondissementen, ’s avonds, op feestdagen en in weekends, waarbij de adviseur over het algemeen het beheer van de situatie opnieuw opneemt vanaf de eerstvolgende werkdag. Daardoor kan in bepaalde situaties verschijning voor de jeugdrechtbank worden vermeden en kunnen die situaties beheerd blijven in het kader van de vrijwillige hulpverlening » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 397/1, p. 8). B.4.
- De artikelen 1 en 5 van het decreet van 23 juni 2022 stellen een wachtdienst in voor de adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd en voor de directeurs voor jeugdbescherming. B.4.
- De adviseur voor hulpverlening aan de jeugd is een administratieve overheid die onder het hiërarchische gezag van de leidende ambtenaar van de bevoegde administratie van de Franse Gemeenschap staat. Hij of zij leidt de dienst voor hulpverlening aan de jeugd en moet zijn of haar bevoegdheden inzake individuele hulpverlening in volle onafhankelijkheid uitoefenen. Er is een adviseur in elke afdeling van de rechtbank van eerste aanleg of in elk arrondissement dat niet uit afdelingen bestaat (artikelen 2, 5°, 8°, 12° en 17°, 16 en 17 van het Jeugdwetboek). De directeur voor jeugdbescherming is een administratieve overheid, die onder het hiërarchische gezag van de leidende ambtenaar van de bevoegde administratie van de Franse Gemeenschap staat. Er is een directeur in elke afdeling van de rechtbank van eerste aanleg of in elk gerechtelijk arrondissement dat niet uit afdelingen is samengesteld, om de dienst voor jeugdbescherming te leiden. Hij of zij dient zijn of haar bevoegdheden inzake individuele bescherming in volle onafhankelijkheid uit te oefenen (artikelen 2, 5°, 10°, 12° en 17°, 18 en 19 van het Jeugdwetboek). B.4.3.
- De wachtdienst wordt gecoördineerd per zone en wordt georganiseerd volgens de door de Regering vastgelegde nadere regels. 13 De opdracht van de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd en van de directeur voor jeugdbescherming tijdens de wachtdienst bestaat erin het openbaar ministerie te informeren over het feit of het al dan niet opportuun is om met spoed over te gaan tot verwijdering van het betrokken kind uit de leefomgeving, - wanneer het openbaar ministerie overweegt de artikelen 37 of 37/1 van het Jeugdwetboek toe te passen in het kader van de hulpverlening aan de jeugd (artikel 35, § 5, van het Jeugdwetboek, zoals het is aangevuld bij artikel 1 van het decreet van 23 juni 2022); of - wanneer het openbaar ministerie van plan is de artikelen 52 en 52/1 van hetzelfde Wetboek toe te passen in het kader van de jeugdbescherming (artikel 53, § 6, van het Jeugdwetboek, zoals het is ingevoegd bij artikel 5 van het decreet van 23 juni 2022). B.4.3.
- De artikelen 37 en 52 van het Jeugdwetboek, waarnaar wordt verwezen, betreffen de saisine door het openbaar ministerie van de jeugdrechtbank die bij dringende noodzakelijkheid kan beslissen dat het kind tijdelijk buiten zijn leefomgeving zal worden gehuisvest voor een duur die 30 dagen niet mag overschrijden, wanneer de lichamelijke of psychische integriteit van het kind onmiddellijk en rechtstreeks is blootgesteld aan een ernstig gevaar en bij ontstentenis van toestemming van de personen bedoeld in artikel 23 van het Jeugdwetboek, dat wil zeggen van het kind dat ten minste veertien jaar oud is, van het kind dat ten minste twaalf jaar oud is, bijgestaan door een van ambtswege aangestelde advocaat, in voorkomend geval, op aanvraag van de adviseur, en van de personen die het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen. B.4.3.
- De artikelen 37/1 en 52/1 van het Jeugdwetboek, waarnaar wordt verwezen, zoals ingevoegd in het Jeugdwetboek bij de bestreden bepalingen, betreffen de mogelijkheid voor het openbaar ministerie om te beslissen dat het kind in gevaar tijdelijk buiten zijn leefomgeving zal worden gehuisvest bij dringende noodzakelijkheid en buiten de openingsuren van de diensten voor hulpverlening aan de jeugd en voor jeugdbescherming of wanneer het onmogelijk is de adviseur of de directeur tijdens die openingsuren te bereiken. B.4.
- In verband met de wachtdienst wordt in de parlementaire voorbereiding vermeld : 14 « Een proefproject van wachtdienst van de adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd en van de directeurs voor jeugdbescherming is van 4 oktober 2019 tot 31 mei 2020 in de gerechtelijke arrondissementen Luik en Luxemburg uitgeprobeerd. Het toen toegepaste mechanisme wordt beschreven in de omzendbrief van 1 augustus 2019 over het experimenteren met een systeem van wachtdienst van de adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd en van de directeurs voor jeugdbescherming, geüpdatet op 23 september
- Dat proefproject heeft bevestigd dat het opportuun was een systeem van wachtdienst uit te breiden tot alle gerechtelijke arrondissementen, waarbij eenieder de meerwaarde ervan kon erkennen, zowel in de rangen van de opdrachtgevers van de hulpverlening aan de jeugd en van de jeugdbescherming, als in die van het openbaar ministerie. Dat project heeft het immers mogelijk gemaakt de aflossingen tussen de adviseurs en directeurs en de leden van het parket te versterken, en tegelijkertijd de erkenning van de wederzijdse bevoegdheden te bevorderen. Insgelijks heeft het ingevoerde systeem in bepaalde gevallen het mogelijk gemaakt de noodsituaties te zien aankomen, waarbij de verschillende opdrachtgevers de adviseur of de directeur met wachtdienst verwittigen welke dossiers een verhoogd risico op verslechtering tijdens het weekend vertonen. Dankzij een dergelijke anticipatie kan de opdrachtgever met wachtdienst over de nuttige elementen beschikken wanneer de noodsituatie zich voordoet. Het proefproject heeft aangetoond dat het optreden van de opdrachtgevers van de Gemeenschap en dat van het openbaar ministerie beter op elkaar dienden te worden afgestemd. Aangezien dat laatste de eerste interveniënt is bij een crisissituatie en een situatie van gevaar, is de pretoriaanse maatregel immers een essentieel element van de wachtdienstregeling gebleken. […] […] voor de langere periodes van de weekends of de feestdagen tijdens welke de opdrachtgever van de Gemeenschap niet kan worden bereikt, is het verstandig gebleken dat het openbaar ministerie kan steunen op de psychosociale expertise en de bijzondere competenties die aan de adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd en aan de directeurs voor jeugdbescherming worden toegekend. Bijgevolg voorziet het wachtdienstsysteem zoals het is uitgedacht in een nauwe samenwerking tussen het openbaar ministerie en de opdrachtgevers van de hulpverlening aan de jeugd en van de jeugdbescherming opdat de beste oplossing kan worden gevonden bij een noodgeval. […] Bij het wachtdienstsysteem zoals het is uitgedacht wordt aldus gezocht naar een evenwicht : het systeem consolideert gedurende de periodes van sluiting van de diensten van de Franse Gemeenschap het in het decreet van 18 januari 2018 verankerde beginsel van dejudicialisering, en tegelijkertijd waarborgt het het openbaar ministerie een substantiële hulp bij de besluitvorming via het doorgeven van informatie, beoordelingselementen en richtsnoeren. Daarenboven heeft het proefproject inzake wachtdienst getoond dat het systeem het mogelijk maakt saisines van de jeugdrechter te vermijden, hetgeen op middellange of langere termijn een vermindering mogelijk maakt van het aantal procedures die door het openbaar ministerie moeten worden gevolgd » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 397/1, pp. 3-5). In de commissie heeft de minister gepreciseerd : 15 « Het model van wachtdienst stelt tijdens de weekends en de feestdagen alsook op vrijdagavond telefonische permanenties van de opdrachtgevers van de Gemeenschap in. De opdrachtgevers kunnen worden gecontacteerd door de procureurs. Meer dan eenvoudige uitwisselingsmomenten gaat het werkelijk erom het vervolg te organiseren van de tenlasteneming van de betrokken situatie. Dat model biedt de onderhandelde hulpverlening de mogelijkheid haar rol ten volle te vervullen en de gerechtigden de competenties te bieden van de opdrachtgevers, die gewend zijn om met jongeren in gevaar te werken. Het opzetten van een snelle overname door de opdrachtgevers waarborgt ook dat de jongeren en de gezinnen het voordeel van een onmiddellijke tenlasteneming genieten. De invoering van dat model van wachtdiensten is een essentiële etappe in de inwerkingstelling van een vollediger systeem van wachtdiensten dat idealiter de organisatie van een fysiek model van opdrachtgevers, vergezeld van leden van de sociale en administratieve afdelingen, zou moeten beogen. Een dergelijk model vereist evenwel aanzienlijke budgettaire en menselijke middelen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 397/2, pp. 4-5). B.5.
- Door de invoering van het systeem van wachtdienst van de adviseurs voor de hulpverlening aan de jeugd en van de directeurs voor jeugdbescherming, gecombineerd met de legalisering van de praktijk krachtens welke een kind in gevaar in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid door het openbaar ministerie wordt geplaatst voor een zeer beperkte duur, probeert de decreetgever het principe te waarborgen van dejudicialisering van de hulpverlening aan de jeugd en van de jeugdbescherming, buiten de openingsuren van de bevoegde administratieve diensten of in geval van onbereikbaarheid van die diensten (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 397/1, pp. 1, 3, 5 en 6). Het principe van de dejudicialisering, dat het optreden van de Franse Gemeenschap in haar beleid van hulpverlening aan de jeugd en van jeugdbescherming leidt, is opgenomen in artikel 1, 7°, van het Jeugdwetboek, dat bepaalt dat « hulpverlening en bescherming worden georganiseerd in het kader van dejudicialisering en subsidiariteit van verplichte hulpverlening tegenover vrijwillige hulpverlening ». Dat principe is bedoeld om aansluiting te vinden bij het principe, uitgedrukt in artikel 1, 9°, van hetzelfde Wetboek, volgens hetwelk « elke beschermingsmaatregel ten aanzien van een kind in gevaar […] door de Franse Gemeenschap in het kader van een gerechtelijke beslissing [wordt] uitgevoerd ». B.5.
- Daarenboven heeft de decreetgever, met het decreet van 23 juni 2022 getracht « de bestaande ongelijkheden tussen soortgelijke feitelijke situaties te verminderen » en aldus te 16 waarborgen dat de beginselen van gelijke behandeling en « niet-judicialisering van de jongeren » in acht worden genomen (ibid., pp. 5-6). Concreet wenst de decreetgever dat alle kinderen in gevaar worden behandeld met inachtneming van het principe van dejudicialisering, en zulks ongeacht of de situatie van gevaar zich voordoet op een ogenblik dat de bevoegde administratieve diensten open, gesloten dan wel onbereikbaar zijn. B.5.
- In de commissie heeft de minister gepreciseerd : « Het decreet van 18 januari 2018 houdende het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming versterkt die principes en in hoofdzaak de primauteit van preventie en het principe van dejudicialisering. De instanties belast met de dejudicialisering, met name de adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd en de directeurs voor jeugdbescherming, werken echter volgens administratieve roosters, dat wil zeggen van maandag tot vrijdag, overdag. Die situatie doet ongelijke behandelingen ontstaan omdat de begunstigden van de hulpverlening, jongeren en gezinnen, hun situatie uitsluitend buiten die periodes behandeld zien door de gerechtelijke instanties terwijl de adviseurs en de directeurs niet bereikbaar zijn. De situaties die, door hun ernst en hun dringende karakter, het niet mogelijk maken op de opening van de diensten voor hulpverlening aan de jeugd en van de diensten voor jeugdbescherming te wachten, werden immers en worden thans nog altijd beheerd door de verschillende parketten en jeugdrechtbanken. De kwestie van de invoering van een systeem van wachtdienst van de opdrachtgevers van de Gemeenschap staat sinds talrijke jaren centraal want het vacuüm van het optreden van de opdrachtgevers van de Gemeenschap tijdens weekends en feestdagen doet ongelijkheden ontstaan in de tenlasteneming van de jongeren en de gezinnen. […] Tot slot maakt de legalisering en de organisatie van de beslissingen tot verwijdering uit het gezinsmilieu die door de procureurs worden genomen, pretoriaanse maatregelen genoemd, het mogelijk een juridisch vacuüm op te vullen met betrekking tot de maatregelen die thans reeds door hen worden genomen. De uitwisseling tussen de procureur en de opdrachtgever terwijl de kwestie van de verwijdering van een kind uit zijn gezinsmilieu rijst en de garantie dat de opdrachtgever van de Gemeenschap vanaf de eerste werkdag die volgt op de door de procureur genomen maatregel de situatie opnieuw in handen neemt, versterken de gelijke behandeling ten gunste van de jongeren en de gezinnen terwijl ze tegelijkertijd ook het principe van dejudicialisering versterken » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 397/2, p. 5). 17 Ten aanzien van het belang om in rechte te treden B.
- Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van het beroep reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden nagegaan. B.7.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.7.
- Artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, eerste en tweede lid, bepaalt : « De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone hebben, elk voor de balies die er deel van uitmaken, de taak te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van hun leden en zijn bevoegd voor de juridische bijstand, de stage, de beroepsopleiding van de advocaten-stagiairs en de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken. Ze nemen initiatieven en maatregelen die nuttig zijn voor de opleiding, de tuchtrechtelijke regels en de loyauteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende ». B.7.
- De Ordes van de balies zijn publiekrechtelijke beroepscorporaties die bij wet zijn opgericht en die op verplichte wijze al diegenen die het beroep van advocaat uitoefenen groeperen. De Ordes van de balies kunnen, behoudens de gevallen waarin zij hun persoonlijk belang verdedigen, slechts in rechte treden binnen de opdracht die de wetgever hun heeft toevertrouwd. Aldus kunnen zij in de eerste plaats in rechte treden wanneer zij de beroepsbelangen van hun leden verdedigen of wanneer de uitoefening van het beroep van advocaat in het geding is. Volgens artikel 495, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de Ordes ook initiatieven en maatregelen nemen « die nuttig zijn [...] voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende ». 18 B.7.
- Uit artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 87 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, blijkt dat de Ordes van de balies slechts als verzoekende of als tussenkomende partij voor het Hof in rechte kunnen treden ter verdediging van het collectieve belang van de rechtzoekenden in zoverre dit verbonden is met de taak en de rol van de advocaat bij de behartiging van de belangen van de rechtzoekende. Maatregelen die geen enkele weerslag hebben op het recht op toegang tot de rechter, op de rechtsbedeling of op de bijstand die advocaten aan hun cliënten kunnen verlenen, ongeacht of dat gebeurt tijdens een administratief beroep, via een minnelijke schikking of via een geschil dat wordt voorgelegd aan de gewone of administratieve rechtscolleges, vallen bijgevolg buiten het bereik van artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 87 van de bijzondere wet van 6 januari
- B.8.
- De bestreden bepalingen verschaffen een wettelijke grondslag aan de praktijk van het openbaar ministerie die erin bestaat een kind tijdelijk buiten zijn leefomgeving te doen huisvesten, bij dringende noodzakelijkheid en in geval van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor het kind, op een ogenblik dat de diensten voor hulpverlening aan de jeugd en voor jeugdbescherming gesloten of onbereikbaar zijn. Zij voorzien ook in een gerechtelijk beroep tegen die maatregelen tot plaatsing van het kind. B.8.
- In zoverre de bestreden bepalingen een weerslag hebben op het recht op toegang tot de rechter, met name tot de jeugdrechtbank, op de rechtsbedeling en op de bijstand die de advocaten aan hun cliënten kunnen verstrekken, in dit geval aan de kinderen die het voorwerp uitmaken van de plaatsingsmaatregel of aan elke andere persoon die betrokken is bij de plaatsingsmaatregel, met name in het kader van het beroep dat is ingesteld bij de bestreden bepalingen, doet de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » blijken van een belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen. Ten aanzien van de vordering tot schorsing B.
- Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : 19 - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.10.
- Een schorsing door het Hof moet kunnen voorkomen dat voor de verzoekende partij door de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm een ernstig nadeel zou ontstaan dat bij een eventuele vernietiging niet of nog moeilijk zou kunnen worden hersteld. B.10.
- Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst en de moeilijk te herstellen aard ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen. B.
- Enerzijds doet de verzoekende partij gelden dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen, waarvan de inwerkingtreding bepaald is op 1 oktober 2022, tot gevolg zal hebben dat de personen die betrokken zijn bij een op grond van de bestreden bepalingen genomen maatregel tot huisvesting van een kind, in hoofdzaak het kind en zijn naasten, in een zwakke procedurele positie worden geplaatst. Die personen zouden immers niet worden gehoord vóór het nemen van een dergelijke maatregel. Indien zij de maatregel naderhand wensen te betwisten, zou het hun daarenboven toekomen te bewijzen dat de feitelijke 20 omstandigheden de plaatsing van het kind niet noodzakelijk maakten. Dat zou een omkering van de bewijslast zijn. Anderzijds doet de verzoekende partij gelden dat de verwijdering van een kind uit zijn leefomgeving bij beslissing van het openbaar ministerie vaak het optreden van de politie vereist, hetgeen voor het kind en zijn naasten een traumatiserend karakter kan hebben. B.12.
- Een rechtspersoon die beginselen verdedigt of die een collectief belang beschermt mag niet worden verward met de natuurlijke personen die in hun persoonlijke situatie worden geraakt en op wie die beginselen of dat belang betrekking hebben. Aangezien enkel de fysieke personen de door de verzoekende partij ter staving van de vordering tot schorsing aangevoerde nadelen kunnen ondergaan, is het nadeel dat de verzoekende partij zelf zou kunnen ondervinden, een louter moreel nadeel dat voortvloeit uit de aanneming van wetsbepalingen die in strijd zijn met de beginselen waarvan de verdediging haar maatschappelijk doel vormt. Dat nadeel is niet moeilijk te herstellen, vermits het in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen zou verdwijnen. B.12.
- Aangezien een van de voorwaarden opdat het Hof tot een schorsing zou kunnen besluiten niet is vervuld, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. 21 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 oktober
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.141 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.153 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div