← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.142

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.142 Arrest- Rolnummer: 142/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-21 Raadplegingen: 940 - laatst gezien 2026-06-19 03:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel XX.58, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Economisch recht - Continuïteit van de ondernemingen - Procedure van gerechtelijke reorganisatie - Gevolgen van de beslissing tot reorganisatie - Boedelschulden - Schuldvorderingen van de fiscale administraties - btw Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 142/2022 van 10 november 2022 Rolnummer : 7512 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel XX.58, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, S. de Bethune en W. Verrijdt, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 3 februari 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 februari 2021, heeft de Ondernemingsrechtbank te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «

  1. Is artikel XX.58, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een identieke behandeling voorbehoudt : - enerzijds, aan de schuldeiser-medecontractant van de onderneming in moeilijkheden, wiens schuldvordering contractueel van aard is en beantwoordt aan prestaties die ten aanzien van die onderneming zijn uitgevoerd tijdens de periode van gerechtelijke reorganisatie, en - anderzijds, aan de Belgische Staat, die houder is van een schuldvordering inzake het debetsaldo van de rekening-courant waarop de aftrek en de belastingen die verschuldigd zijn inzake belasting over de toegevoegde waarde (btw) zijn geregistreerd op naam van de onderneming, terwijl : 2 - indien die twee categorieën van schuldvorderingen ontstaan zijn tijdens de periode van gerechtelijke reorganisatie, de schuldvordering van contractuele oorsprong veronderstelt dat een overeenkomst die loopt op het ogenblik van het openen van de procedure wordt gesloten, behouden of voortgezet en dat, bijgevolg, vrijwillig een risico wordt genomen en er een verband is met het door de wetgever nagestreefde doel van continuïteit van de onderneming, terwijl : . de Belgische Staat geen handels- of contractuele relatie heeft met de onderneming, en . de schuldvordering op grond van het saldo van de BTW-rekening-courant uiteindelijk haar oorsprong vindt in handelingen die door de onderneming zijn uitgevoerd, en niet in prestaties die voor de onderneming zijn verricht, en . de Belgische Staat (de belastingadministratie) louter wegens de toepassing van de wet houder is van de bovenvermelde schuldvordering, zonder enige intentionaliteit vanwege de Belgische Staat; en terwijl : - het begrip ʽ boedelschuld ʼ een uitzondering is op het gemeenrechtelijke beginsel van gelijkheid van alle schuldeisers, en strikt moet worden geïnterpreteerd ? »; «
  2. Is artikel XX.58, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een identieke behandeling voorbehoudt : - enerzijds, aan de schuldeiser-medecontractant (= contractuele schuldeiser) van de onderneming in moeilijkheden, wiens schuldvordering beantwoordt aan prestaties die ten aanzien van die onderneming zijn uitgevoerd tijdens de periode van gerechtelijke reorganisatie, en - anderzijds, aan de Belgische Staat, die houder is van een schuldvordering inzake bedrijfsvoorheffing, terwijl : - indien die twee categorieën van schuldvorderingen ontstaan zijn tijdens de periode van gerechtelijke reorganisatie, de schuldvordering van contractuele oorsprong veronderstelt dat een overeenkomst die loopt op het ogenblik van het openen van de procedure wordt gesloten, behouden of voortgezet en dat, bijgevolg, vrijwillig een risico wordt genomen en er een verband is met het door de wetgever nagestreefde doel van continuïteit van de onderneming, terwijl : . de Belgische Staat geen handels- of contractuele relatie heeft met de onderneming en dus geen prestaties heeft uitgevoerd ten aanzien van de onderneming, en . de Belgische Staat (de belastingadministratie) louter wegens de toepassing van de wet houder is van de bovenvermelde schuldvordering, zonder enige intentionaliteit vanwege de Belgische Staat; en terwijl : 3 - het begrip ʽ boedelschuld ʼ een uitzondering is op het gemeenrechtelijke beginsel van gelijkheid van alle schuldeisers, en strikt moet worden geïnterpreteerd ? ». Memories zijn ingediend door : - Mr. François Minon, handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de nv « Royal Selys »; - de nv « BNP Paribas Fortis », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Cavenaile, advocaat bij de balie Luik-Hoei; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Fekenne, advocaat bij de balie Luik-Hoei. Memories van antwoord zijn ingediend door : - Mr. François Minon, handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de nv « Royal Selys », bijgestaan door Mr. Y. Godfroid, advocaat bij de balie Luik-Hoei; - de nv « BNP Paribas Fortis ». Bij beschikking van 13 juli 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 augustus 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 1 augustus 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De nv « Royal Selys » komt in financiële moeilijkheden die haar ertoe brengen te verzoeken om de opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht van de onderneming. Op 15 juli 2019 willigt de Ondernemingsrechtbank te Luik, afdeling Luik, dat verzoek in. De gerechtelijke mandatarissen stellen voor de handelszaak en de onroerende goederen van de nv « Royal Selys » over te dragen. Op 26 september 2019 wordt dat voorstel door de Ondernemingsrechtbank te Luik gehomologeerd,. 4 Op 18 november 2019 gaat een notaris, ter uitvoering van dat vonnis, over tot de verkoop van de onroerende goederen en stelt hij een proces-verbaal van rangregeling op. Het bedrag van de verkoop dient meer bepaald om de schuld van de nv « Royal Selys » tegenover de nv « BNP Paribas Fortis », die de grootste particuliere schuldeiser is, af te lossen. Diezelfde dag wordt de nv « Royal Selys » failliet verklaard bij een vonnis van de Ondernemingsrechtbank te Luik. Op 11 december 2019 dient de Belgische Staat, voor de Ondernemingsrechtbank te Luik, een verweerschrift in tegen het door de notaris opgestelde proces-verbaal van rangregeling. De vordering van de Belgische Staat strekt ertoe te doen erkennen dat de schulden inzake belasting over de toegevoegde waarde (hierna : btw) en bedrijfsvoorheffing boedelschulden zijn in de zin van artikel XX.58 van het Wetboek van economisch recht. De Belgische Staat is bijgevolg van mening dat het bedrag van de verkoop had moeten dienen om hem te betalen. De Ondernemingsrechtbank te Luik is van oordeel dat zij moet bepalen of er een rangconflict is tussen de Belgische Staat en de nv « BNP Paribas Fortis ». De Ondernemingsrechtbank te Luik dient bijgevolg na te gaan of de Belgische Staat zich kan beroepen op artikel XX.58 van het Wetboek van economisch recht. Zij merkt op dat, in tegenstelling tot de andere schuldeisers van de boedel, de Belgische Staat over schuldvorderingen inzake btw en bedrijfsvoorheffing beschikt door de toepassing van de wet, en niet omdat hij ervoor zou hebben gekozen om zijn contractuele betrekkingen voort te zetten met de onderneming die het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke reorganisatie. Op verzoek van de nv « BNP Paribas Fortis » stelt zij bijgevolg aan het Hof de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.1.
  3. De curator brengt in herinnering dat artikel XX.58 van het Wetboek van economisch recht beantwoordt aan het doel van de wetgever dat erin bestaat de onderneming in reorganisatie de mogelijkheid te bieden om haar economische activiteit met haar handelspartners voort te zetten. De in het geding zijnde bepaling heeft bijgevolg tot doel de contractuele betrekkingen van de onderneming te vrijwaren gedurende de opschorting. De curator doet, ter ondersteuning van zijn standpunt, gelden dat in het wetsontwerp dat heeft geleid tot artikel XX.58 van het Wetboek van economisch recht was bepaald dat de schulden met betrekking tot de fiscale en sociaalrechtelijke heffingen geen boedelschulden zouden zijn. Het is ingevolge een amendement dat die bepaling werd gewijzigd om ook die schulden te beogen. De curator is van mening dat, aangezien die wijziging niet wordt verantwoord in de parlementaire voorbereiding, de toevoeging van de ontkenning de betekenis van de bepaling in haar geheel genomen niet aantast. Daaruit volgt dat enkel de schuldvorderingen die beantwoorden aan prestaties ten aanzien van de schuldenaar die door zijn medecontractant zijn uitgevoerd tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie, betrokken zijn. Uitgesloten zijn dus alle belastingen die geen verband houden met een contractuele prestatie, zoals bijvoorbeeld de onroerende voorheffing of de btw. A.1.
  4. Volgens de curator kan de btw-schuldvordering waarover de Belgische Staat beschikt niet worden beschouwd als een boedelschuld in de zin van artikel XX.58 van het Wetboek van economisch recht, aangezien zij niet voortvloeit uit een contractuele betrekking. De curator verwijst naar de redenering van procureur-generaal Henkes bij het Hof van Cassatie in diens conclusie gewezen op het arrest van 17 september 2020 (C.18.0423.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200917.1F.2), alsook naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 47/2017 van 27 april
  5. Een btw-plichtige wordt immers beschouwd als een belastingheffer, zodat hij de btw op de facturen die hij aan zijn klanten uitschrijft verschuldigd is terwijl hij de btw op de facturen van zijn leveranciers aftrekt. De curator voert aan dat artikel XX.58 van het Wetboek van economisch recht uitsluitend de schuldvorderingen van de leveranciers die beantwoorden aan prestaties die ten gunste van de onderneming in gerechtelijke reorganisatie worden uitgevoerd, en niet de schuldvorderingen van die onderneming ten aanzien van haar klanten, beschermt. 5 A.1.
  6. De curator is daarentegen van mening dat de schuldvordering inzake bedrijfsvoorheffing die is ontstaan tijdens de periode van opschorting tussen 15 juli 2019 en 30 september 2019, kan worden beschouwd als een boedelschuld. Het komt evenwel de Belgische Staat toe aan te tonen dat de prestaties van de werknemers, van wie de arbeidsovereenkomsten ten grondslag liggen aan de schuldvordering inzake bedrijfsvoorheffing, ertoe hebben bijgedragen de hypotheek op het overgedragen onroerend goed te behouden, iets waarin hij te dezen niet slaagt. De curator voert aan dat de bedrijfsvoorheffing een deel van het loon van de werknemer vormt, en dat krachtens de artikelen 2, 3bis en 23 van de wet van 12 april 1965 « betreffende de bescherming van het loon der werknemers » (hierna : de wet van 12 april 1965), die het loon definiëren als het loon waarop een werknemer recht heeft vooraleer de door de fiscale en sociale wetgeving vastgelegde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Hij is van mening dat het Grondwettelijk Hof, bij zijn arrest nr. 50/2016 van 24 maart 2016, heeft bevestigd dat de bedrijfsvoorheffing een bestanddeel van het loon van de werknemer is. Hij zet daarnaast uiteen dat artikel XX.153 van het Wetboek van economisch recht uitdrukkelijk verwijst naar artikel 2 van de wet van 12 april
  7. Volgens hem is de schuld inzake bedrijfsvoorheffing verschuldigd wegens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Hij oordeelt dat het verwijzende rechtscollege zich vergist in de draagwijdte van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 47/2017 van 27 april 2017 en ten onrechte de lering van het arrest van het Hof van Cassatie van 17 september 2020 terzijde schuift. Volgens hem blijkt uit dat arrest dat de schuldvordering inzake bedrijfsvoorheffing beantwoordt aan arbeidsprestaties die in het kader van een arbeidsovereenkomst worden geleverd aan de onderneming in reorganisatie, hetgeen impliceert dat die schuldvordering binnen het toepassingsgebied valt van artikel 37, eerste lid, van de wet van 31 januari 2009 « betreffende de continuïteit van de ondernemingen » (hierna : de wet van 31 januari 2009), dat is vervangen door artikel XX.58 van het Wetboek van economisch recht. A.2.
  8. De nv « BNP Paribas Fortis » is van mening dat, in tegenstelling tot hetgeen de curator aanvoert, artikel XX.58, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht een algemene draagwijdte heeft en niet uitsluitend de fiscale en sociaalrechtelijke schulden beoogt die de tegenprestatie vormen van prestaties verricht ten gunste van de schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie. Zij doet gelden dat het in ieder geval niet aan het Grondwettelijk Hof toekomt zich uit te spreken over de gegrondheid van de door het verwijzende rechtscollege gekozen interpretatie van artikel XX.58, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht. A.2.
  9. Zij zet uiteen dat de bedrijfsvoorheffing geen voorschot is op de door de werknemer definitief verschuldigde belasting, maar een persoonlijke schuld van de werkgever ten opzichte van de Schatkist (Cass., 1 juni 2012, F.10.0038.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120601.2), die automatisch ontstaat uit de toepassing van de wet. De werknemer is bijgevolg niet de schuld inzake bedrijfsvoorheffing verschuldigd. De niet-inhouding en niet-betaling, door de werkgever, van de schuld inzake bedrijfsvoorheffing heeft niet tot gevolg dat de last van de fiscale schuld op de werknemer wordt afgewenteld. Volgens de nv « BNP Paribas Fortis » is de schuld inzake bedrijfsvoorheffing, zelfs indien zij verband houdt met de arbeidsrelatie, niet de tegenprestatie ervan. Zij herinnert eraan dat elke situatie van samenloop tot de toepassing van het beginsel van gelijkheid tussen de schuldeisers leidt, dat impliceert dat het netto-actief evenredig wordt verdeeld, behoudens de wettelijk bepaalde voorrechten en redenen van voorrang. Dat beginsel is van openbare orde. Door de schulden aangegaan ten aanzien van de medecontractanten van de schuldenaar, die zijn ontstaan gedurende de periode van gerechtelijke reorganisatie, gelijk te stellen met schulden aangegaan door de curator, poogt de wetgever het vertrouwen in stand te houden van de medecontractanten van de onderneming zonder wie een voortzetting van de activiteit onmogelijk zou zijn. De nv « BNP Paribas Fortis » merkt op dat er geen enkele reden is om aan de Belgische Staat een voorkeursbehandeling te geven teneinde een betaling van de schuld inzake bedrijfsvoorheffing te waarborgen, aangezien die in geen enkel opzicht ertoe bijdraagt het doel inzake vrijwaring van de activiteit van de onderneming te verwezenlijken. Zij is van mening dat het Grondwettelijk Hof die analyse heeft bevestigd in zijn voormelde arrest nr. 47/
  10. Zij doet gelden dat niets in de parlementaire voorbereiding de gunstige behandeling van fiscale schuldvorderingen kan verantwoorden. Integendeel, die gunstige behandeling heeft tot gevolg dat de kans op invordering van het verschuldigde bedrag door de medecontractanten van de schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie, vermindert. Dat geldt des te meer omdat het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat, wanneer de activa ontoereikend zijn om alle boedelschulden aan te zuiveren, de verdeling moet gebeuren met inachtneming van de hypotheekwet, en niet op evenredige wijze tussen de verschillende schuldeisers van de boedel (Cass., 6 30 oktober 2015, C.15.0051.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151030.2). Daaruit volgt dat voorrang wordt verleend aan de institutionele schuldeisers, waaronder de Belgische Staat die houder is van een schuldvordering inzake bedrijfsvoorheffing waarvan de terugbetaling wordt gewaarborgd door het algemene voorrecht op de roerende en onroerende goederen bedoeld in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in samenhang gelezen met artikel 19, 4°ter, en laatste lid, van de hypotheekwet. Volgens de nv « BNP Paribas Fortis » zullen, in die omstandigheden, de medecontractanten van de onderneming in gerechtelijke reorganisatie niet langer aanvaarden om de contractuele verhouding in stand te houden of om nieuwe overeenkomsten te sluiten, tenzij hun schuldvordering contant wordt betaald, wat rechtstreeks ingaat tegen het doel dat door de wetgever wordt nagestreefd. De nv « BNP Paribas Fortis » is bovendien van mening dat het statuut van belastingheffer niet rechtvaardigt dat aan de Belgische Staat dezelfde waarborgen worden geboden als aan de medecontractanten van de onderneming in gerechtelijke reorganisatie, aangezien de Belgische Staat werd beschouwd als louter een gewone schuldeiser van wie de schuldvordering kan worden verminderd. A.2.
  11. De nv « BNP Paribas Fortis » voert aan dat de voorgaande overwegingen a fortiori gelden voor de btw-schuldvordering. De btw is een belasting op de omzet van de btw-plichtige. Zij ontstaat uit een automatische toepassing van de fiscale wet. De nv « BNP Paribas Fortis » herinnert eraan dat de btw-plichtige, die een leverancier van goederen of diensten is, de btw heft voor rekening van de Schatkist, maar slechts het verschil tussen de btw gefactureerd aan zijn medecontractant en de btw die hij zelf eerder zou hebben betaald, door de aankoop van goederen en diensten bij zijn eigen leveranciers, dient terug te betalen. Volgens het Hof van Cassatie is de btw « uiteindelijk slechts het resultaat van transacties die door die schuldenaar zijn verricht, maar niet van prestaties die voor hem zijn geleverd [eigen vertaling] » (Cass., 17 september 2020, C.18.0423.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200917.1F.2). De schuldvordering van de btw-administratie houdt bijgevolg niet op enigerlei wijze verband met prestaties die ten gunste van de onderneming in gerechtelijke reorganisatie zijn verricht. Zij maakt daarentegen deel uit van de prijs die door de btw-plichtige aan zijn eigen cliënteel wordt gefactureerd. De nv « BNP Paribas Fortis » doet gelden dat de redenering van het voormelde arrest nr. 47/2017 naar analogie moet worden toegepast, waarbij het Grondwettelijk Hof de gelijkstelling van de btw-schuldvordering met de schuldvordering van een medecontractant van de onderneming in gerechtelijke reorganisatie heeft veroordeeld in het licht van de wettelijke oorsprong van de btw en het automatische karakter ervan waardoor het niet gerechtvaardigd is aan de Belgische Staat dezelfde waarborgen te verlenen als aan de leveranciers van goederen en diensten van wie de medewerking onontbeerlijk is voor de voortzetting van de activiteit van de onderneming. De parlementaire voorbereiding van artikel XX.58 van het Wetboek van economisch recht biedt evenmin een verantwoording voor die voorkeursbehandeling van de btw-schuldvordering, in het bijzonder in zoverre de Belgische Staat reeds beschikt over een algemeen voorrecht op de roerende en onroerende goederen bij om onvoldoende activa om het geheel van de boedelschulden aan te zuiveren, en over een aansprakelijkheidsvordering tegen de vroegere bestuurders die de institutionele schulden onrechtmatig hebben doen oplopen. A.
  12. De Ministerraad is van mening dat de twee prejudiciële vragen samen moeten worden onderzocht. De Ministerraad brengt in herinnering dat het doel van de procedure van gerechtelijke reorganisatie erin bestaat, onder toezicht van de rechter, de continuïteit van de onderneming in moeilijkheden of van haar activiteiten te vrijwaren. Hij is van mening dat, in zijn voormelde arrest nr. 47/2017, dat betrekking heeft op artikel 37 van de wet van 31 januari 2009, het Hof vermocht te oordelen dat de wetgever beoogde « de nodige zekerheid te bieden aan de medecontractanten van de onderneming in moeilijkheden, teneinde hen ertoe aan te moedigen contractuele betrekkingen met die onderneming te onderhouden », zodat de interpretatie volgens welke de btw en de bedrijfsvoorheffing geen boedelschuld kunnen vormen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Hij doet evenwel gelden dat artikel XX.58 van het Wetboek van economisch recht de kwalificatie van boedelschuld heeft uitgebreid tot de fiscale en sociaalrechtelijke heffingen, bijdragen of schulden in hoofdsom. Volgens de Ministerraad vormt dat vermoeden slechts een tegenwicht voor de gunstige positie van de andere schuldeisers, die meer bepaald voor zichzelf contractuele waarborgen kunnen regelen, zich kunnen beroepen op de exceptie van niet-uitvoering of kunnen proberen een vrijwillige betaling van de schuldvorderingen in de opschorting te verkrijgen. 7 Hij voert aan dat fiscale en sociaalrechtelijke schuldeisers, bij de loutere onwil van de schuldenaar om zijn fiscale en sociaalrechtelijke schulden die na de opschorting zijn ontstaan te betalen, schuldeisers van de onderneming in gerechtelijke reorganisatie kunnen worden. Een particuliere of publieke, al dan niet contractuele schuldeiser die houder is van een nieuwe schuldvordering, die als zodanig niet aan de opschorting onderworpen is, kan de nodige maatregelen nemen om die schuldvordering te innen via maatregelen van gedwongen tenuitvoerlegging. Volgens de Ministerraad zullen die maatregelen, in de in wezen delicate situatie van een onderneming in gerechtelijke reorganisatie, meer dan waarschijnlijk tot gevolg hebben dat het einde wordt aangekondigd van de procedure van gerechtelijke reorganisatie. De Ministerraad is van mening dat artikel XX.58 van het Wetboek van economisch recht de voortzetting van de activiteiten, die nieuwe schulden kan doen ontstaan, en de mogelijkheid voor alle schuldeisers om onmiddellijk de betaling te eisen van de schulden die mogelijk voortvloeien uit de voorzetting van de activiteiten, met elkaar verzoent. Hij doet gelden dat, indien de fiscale schulden niet binnen het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepaling zouden vallen, de belastingontvanger ertoe zou worden aangezet geen uitstel van betaling te verlenen aan de onderneming in gerechtelijke reorganisatie, zodat het doel van de wetgever niet zou worden bereikt. Volgens hem wilde de wetgever de publieke schuldeisers en de particuliere schuldeisers op identieke wijze behandelen. Ten slotte zet hij uiteen dat het doel dat wordt nagestreefd met een belasting en met sociale bijdragen even lovenswaardig is als de instandhouding van handelsbetrekkingen. Hij herinnert in dat verband eraan dat het Hof heeft geoordeeld dat, « aangezien de opbrengst van de belasting wordt aangewend voor overheidsuitgaven die gericht zijn op het algemeen belang, moet worden aangenomen dat de procedure van invordering mag afwijken van de regels van het gemeen recht, voor zover die afwijking bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet » (arrest nr. 51/99 van 5 mei 1999, B.4). -B- B.1.
  13. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van de wetgeving inzake de gerechtelijke reorganisatie. Die wetgeving strekt « tot het behouden, onder toezicht van de rechter, van de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de activa of van de activiteiten van de onderneming », door aan de schuldenaar een opschorting toe te kennen (artikel XX.39, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht). Een opschorting is « het door de rechtbank aan de schuldenaar toegekend moratorium teneinde een gerechtelijke reorganisatie door een minnelijk akkoord of door een collectief akkoord of door overdracht onder gerechtelijk gezag te realiseren » (artikel I.22, 20°, van hetzelfde Wetboek). Tijdens de duur van de opschorting is de schuldenaar beschermd tegen uitvoeringsmaatregelen door de schuldeisers « in de opschorting » (artikel XX.50, eerste lid, van hetzelfde Wetboek). Dat zijn de schuldeisers die beschikken over een schuldvordering « ontstaan voor het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent of die uit het verzoekschrift of gerechtelijke beslissing genomen in het kader van de procedure volgen » (artikel I.22, 11°, van hetzelfde Wetboek). 8 B.1.
  14. Het Hof wordt ondervraagd over artikel XX.58 van het Wetboek van economisch recht, dat bepaalt : « In de mate dat de schuldvorderingen ten aanzien van de schuldenaar beantwoorden aan prestaties uitgevoerd tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie door zijn medecontractant, en ongeacht of zij voortvloeien uit nieuwe verbintenissen van de schuldenaar of uit overeenkomsten die lopen op het ogenblik van het openen van de procedure, worden zij beschouwd als boedelschulden in een navolgende vereffening of faillissement of in de verdeling bedoeld in artikel XX.91 bij overdracht onder gerechtelijk gezag, voor zover er een nauwe band bestaat tussen de beëindiging van de gerechtelijke reorganisatieprocedure en die procedure. Fiscale of sociaalrechtelijke heffingen, bijdragen of schulden in hoofdsom ook worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als beantwoordend aan prestaties uitgevoerd door een medecontractant. De accessoria van fiscale of sociaalrechtelijke heffingen, bijdragen of schulden ontstaan tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie worden niet beschouwd als boedelschulden in een navolgende vereffening of faillissement. In voorkomend geval worden de contractuele, wettelijke of gerechtelijke vergoedingen, waarvan de schuldeiser de betaling eist op grond van de beëindiging of niet-uitvoering van de overeenkomst, pro rata opgedeeld in verhouding tot het verband dat zij vertonen met de aan het openen van de procedure van gerechtelijke reorganisatie voorafgaande of erop volgende periode. De betaling ervan wordt slechts afgenomen bij voorrang van de opbrengst van de tegelde gemaakte goederen waarop een zakelijk recht is gevestigd, voor zover die prestaties bijgedragen hebben tot het behoud van de zekerheid of de eigendom ». B.1.
  15. De opschorting in het kader van een gerechtelijke reorganisatie doet geen samenloop ontstaan. Er ontstaat dus geen boedel waarin de vorderingen van de schuldeisers worden ingebracht. De in het geding zijnde bepaling regelt de gevolgen van de opschorting voor een navolgende procedure. Uit het eerste lid van die bepaling vloeit voort dat schuldvorderingen die beantwoorden aan prestaties uitgevoerd tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een medecontractant als boedelschulden worden beschouwd in een navolgende procedure van vereffening, faillissement of verdeling bij overdracht onder gerechtelijk gezag. Boedelschulden zijn niet onderworpen aan de regeling inzake samenloop. Daaruit volgt dat zij in principe bij voorrang op de schulden in de boedel worden betaald. 9 De prejudiciële vraag heeft inzonderheid betrekking op het tweede lid van de in het geding zijnde bepaling, dat de schuldvorderingen van fiscale of sociaalrechtelijke heffingen, bijdragen of schulden in hoofdsom die zijn ontstaan tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie, zo beschouwt dat ze beantwoorden aan prestaties uitgevoerd door een medecontractant en deze dus als boedelschulden kwalificeert. B.2.
  16. De in het geding zijnde bepaling vervangt artikel 37 van de wet van 31 januari 2009 « betreffende de continuïteit van de ondernemingen » (hierna : de wet van 31 januari 2009). In de vroegere versie bepaalde dat artikel : « In de mate dat de schuldvorderingen ten aanzien van de schuldenaar beantwoorden aan prestaties uitgevoerd tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie door zijn medecontractant, en ongeacht of zij voortvloeien uit nieuwe verbintenissen van de schuldenaar of uit overeenkomsten die lopen op het ogenblik van het openen van de procedure, worden zij beschouwd als boedelschulden in een navolgende vereffening of faillissement tijdens de periode van reorganisatie of na het beëindigen ervan, in zoverre er een nauwe band bestaat tussen de beëindiging van de procedure en die collectieve procedure. In voorkomend geval worden de contractuele, wettelijke of gerechtelijke vergoedingen, waarvan de schuldeiser de betaling eist op grond van de beëindiging of niet-uitvoering van de overeenkomst, pro rata opgedeeld in verhouding tot het verband dat zij vertonen met de aan het openen van de procedure voorafgaande of erop volgende periode. De betaling ervan wordt slechts afgenomen bij voorrang van de opbrengst van de tegeldegemaakte goederen waarop een zakelijk recht is gevestigd, voor zover die prestaties bijgedragen hebben tot het behoud van de zekerheid of de eigendom ». B.2.
  17. Die bepaling had met name tot doel de continuïteit van de onderneming te bevorderen door het vertrouwen van de contractanten van de schuldenaar te waarborgen, teneinde te vermijden dat zij contante betaling van hun schuldvorderingen zouden eisen (Parl. St., Kamer, 2007, DOC 52-0160/001, pp. 22-23). B.3.
  18. De wet van 31 januari 2009 werd opgeheven bij artikel 71 van de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht ». 10 B.3.
  19. In het wetsontwerp dat bij de Kamer werd ingediend, voorzag de bepaling die heeft geleid tot artikel XX.58, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht erin dat « fiscale of sociaalrechtelijke heffingen, bijdragen of schulden van welke aard ook […] voor de toepassing van dit artikel niet [worden] beschouwd als beantwoordend aan prestaties uitgevoerd door een medecontractant » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/001, p. 360). B.3.
  20. In de toelichting bij de ontworpen bepaling wordt uiteengezet : « De vraag is gerezen hoe de nieuwe vorderingen moesten worden behandeld. Het sterk statuut van de schuldeisers die verder gecontracteerd hebben met de schuldenaar heeft aanleiding gegeven tot discussies tussen de gewone schuldeisers en de openbare besturen (RSZ en fiscus) over de vraag of deze openbare instellingen wel moesten beschouwd worden als boedelschuldeisers in een navolgend faillissement wanneer de schuldenaar tijdens de opschorting nog personeel had tewerkgesteld (aldus een RSZ-schuld creërend) of goederen en diensten geleverd had (met de mogelijkheid van een BTW-schuld). Het ontwerp stelt voor in navolging van het Cassatie-arrest van 27 maart 2015, dat de accessoria van de hoofdvorderingen aan RSZ en BTW of BV, niet kunnen genieten van het bijzonder statuut dat geldt voor contractanten van de schuldenaar. Het zijn alleen de zuiver contractuele prestaties die van een bijzonder statuut zullen genieten bij een navolgende samenloop, met name het voorrecht bedoeld in de artikelen 17 en 19, 1°, van de wet van 16 december
  21. Hierbij valt nog op te merken dat zowel de RSZ als de fiscale administratie over een separatistenvordering beschikken tegen de bestuurders op grond van hun aansprakelijkheid, wat een bijzonder sterke uitgangspositie biedt. Het gaat om artikel 37 van de WCO » (ibid., pp. 69-70). B.3.
  22. Ingevolge een amendement werd het woord « niet », tussen de woorden « artikel » en « beschouwd », uit de in het geding zijnde bepaling geschrapt. De verantwoording van dat amendement luidt : « Fiscale of sociaalrechtelijke heffingen, bijdragen of schulden van welke aard ook ontstaan tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie worden eveneens als boedelschulden in een navolgende vereffening of faillissement beschouwd. De accessoria zoals bijvoorbeeld de intresten op de hoofdsom van fiscale of sociaalrechtelijke heffingen, bijdragen of schulden van welke aard ook ontstaan tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie worden niet als boedelschulden in een navolgende vereffening of faillissement beschouwd » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/006, p. 65). 11 Tijdens de bespreking in de commissie hebben de auteurs van het amendement die verantwoording herhaald (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/008, p. 17). B.
  23. In de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel XX.58, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het dezelfde behandeling voorbehoudt, enerzijds, aan de schuldeiser van de onderneming in gerechtelijke reorganisatie, wiens schuldvordering contractueel van aard is en beantwoordt aan prestaties die ten aanzien van die onderneming zijn verricht tijdens de periode van gerechtelijke reorganisatie, en, anderzijds, aan de Belgische Staat, die houder is van een schuldvordering inzake het debetsaldo van de rekening-courant waarop de aftrek en de belastingen die verschuldigd zijn inzake belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw) zijn geregistreerd op naam van de onderneming. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel XX.58, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het dezelfde behandeling voorbehoudt aan, enerzijds, de schuldeiser van de onderneming in gerechtelijke reorganisatie, wiens schuldvordering contractueel van aard is en beantwoordt aan prestaties die ten aanzien van die onderneming zijn verricht, tijdens de periode van gerechtelijke reorganisatie, en, anderzijds, aan de Belgische Staat, die houder is van een schuldvordering inzake bedrijfsvoorheffing. Het Hof onderzoekt beide prejudiciële vragen samen. B.
  24. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat 12 dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  25. De schuldvordering van de btw-administratie vindt haar oorsprong in artikel 2 van het BTW-Wetboek, dat bepaalt dat de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting zijn onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden. Krachtens de artikelen 17 en 22 van hetzelfde Wetboek is die belasting verschuldigd, voor de leveringen van goederen, over het gefactureerde bedrag, op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt, en voor diensten op het tijdstip waarop zij worden verricht. B.
  26. De bedrijfsvoorheffing is een voorschot op de belasting, dat wordt afgehouden aan de bron, dat wordt geïnd gedurende het jaar zelf waarin de inkomsten worden ontvangen en dat wordt berekend op inkomsten die een zekere stabiliteit vertonen. De bedrijfsvoorheffing, een wijze van vervroegde inning van de personenbelasting die op de beroepsinkomsten van de werknemers zal worden ingekohierd, vormt een autonome fiscale schuldvordering waarvan de betaling door de werkgever van de belastingplichtige moet worden verricht. Hoewel de bedrijfsvoorheffing deel uitmaakt van het loon van de werknemer in de zin van artikel 2 van de wet van 12 april 1965, kan die laatste, behoudens een andersluidend beding, niet de betaling van dat bedrag vorderen ten aanzien van zijn werkgever of, in geval van een faillissement, van de gezamenlijke schuldeisers, aangezien dat bedrag verschuldigd is aan de belastingadministratie (Cass., 23 november 1992, Arr. Cass., 1991-1992, V., nr. 746). B.
  27. Bij zijn arrest nr. 47/2017 van 27 april 2017 heeft het Hof voor recht gezegd dat het in B.2.1 vermelde artikel 37, eerste lid, van de wet van 31 januari 2009, in die zin geïnterpreteerd dat de schuldvordering van de btw-administratie die beantwoordt aan prestaties uitgevoerd ten aanzien van de schuldenaar in de periode van gerechtelijke reorganisatie, geen boedelschuld kan uitmaken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Tegelijk was het Hof van oordeel dat « een verschil in behandeling onder de schuldvorderingen van de belastingadministratie » niet redelijk verantwoord is en dat artikel 37, eerste lid, in die zin geïnterpreteerd dat de schuld inzake bedrijfsvoorheffing een boedelschuld kan uitmaken, bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Dezelfde bepaling, in die zin 13 geïnterpreteerd dat de schuld inzake bedrijfsvoorheffing geen boedelschuld kan uitmaken, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. B.
  28. Uit de tekst van de in het geding zijnde bepaling, evenals uit de parlementaire voorbereiding ervan, blijkt dat de wetgever in 2017, anders dan in 2009 het geval was, uitdrukkelijk ervoor heeft gekozen om alle fiscale schulden ontstaan tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie als boedelschulden te beschouwen in een navolgende procedure van vereffening, faillissement of verdeling bij overdracht onder gerechtelijk gezag. De Ministerraad merkt op dat de in het geding zijnde bepaling toelaat de zwakkere positie van de Staat te compenseren tegenover de andere schuldeisers, die voor zichzelf contractuele waarborgen kunnen regelen, zich kunnen beroepen op de exceptie van niet-uitvoering of kunnen proberen vrijwillige betalingen te verkrijgen. Bovendien zou de belastingontvanger, indien de in het geding zijnde bepaling niet was aangenomen, ertoe kunnen worden aangezet geen uitstel van betaling te verlenen aan de onderneming in gerechtelijke reorganisatie. B.
  29. Rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever in sociaaleconomische aangelegenheden beschikt, is zijn keuze om de fiscale schulden ontstaan tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie als boedelschulden te beschouwen in een navolgende procedure van vereffening, faillissement of verdeling bij overdracht onder gerechtelijk gezag, niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel XX.58, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 10 november
  30. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.142 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120601.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151030.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200917.1F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.