id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.143 Arrest- Rolnummer: 143/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-21 Raadplegingen: 1105 - laatst gezien 2026-06-18 19:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Terugzending van de zaak naar de verwijzende rechter Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », zoals vervangen bij artikel 10 van de wet van 6 maart 2018 « ter verbetering van de verkeersveiligheid », gesteld door de Politierechtbank Luik, afdeling Luik. Strafrecht - Politie over het wegverkeer - Alcoholopname en dronkenschap - Rijden onder alcoholische invloed - Grenswaarden - Alcoholslot Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 143/2022 van 10 november 2022 Rolnummer : 7546 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », zoals vervangen bij artikel 10 van de wet van 6 maart 2018 « ter verbetering van de verkeersveiligheid », gesteld door de Politierechtbank Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, D. Pieters, E. Bribosia en W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 17 maart 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 maart 2021, heeft de Politierechtbank Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
- Schendt artikel 37/1 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals gewijzigd bij artikel 10 van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 maart 2018, dat de rechter in bepaalde omstandigheden toestaat en in andere omstandigheden verplicht om de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder te beperken, voor een periode van één jaar tot drie jaar, of levenslang, tot motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot en om hem de naleving op te leggen van de voorwaarden van het omkaderingsprogramma dat erop betrekking heeft, artikel 23 van de Grondwet in zoverre aan de personen wier persoonlijk voertuig ook noodzakelijk is voor de uitoefening van hun beroep (zelfstandige, handelsvertegenwoordiger, al dan niet zelfstandige makelaars) maar die niet over voldoende financiële middelen beschikken om het hoofd te bieden aan de kosten van het plaatsen van een alcoholslot, de uitoefening van hun beroepsactiviteit de facto wordt ontzegd, in tegenstelling tot bemiddelde personen ? 2
- Schendt artikel 37/1 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals gewijzigd bij artikel 10 van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 maart 2018, dat de rechter in bepaalde omstandigheden toestaat en in andere omstandigheden verplicht om de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder te beperken, voor een periode van één jaar tot drie jaar, of levenslang, tot motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot en om hem de naleving op te leggen van de voorwaarden van het omkaderingsprogramma dat erop betrekking heeft, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 42 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, in zoverre de personen die ongeschikt tot sturen worden bevonden en op wie de in artikel 42 van de voormelde wet bedoelde veiligheidsmaatregel van toepassing is, zich in een gunstigere situatie bevinden dan de personen die zich in staat van herhaling bevinden maar wier alcoholverslaving niet is bewezen, zodat de norm van artikel 37/1 onevenredig lijkt ten opzichte van het nagestreefde doel ?
- Schendt artikel 37/1 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals gewijzigd bij artikel 10 van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 maart 2018, dat de rechter in bepaalde omstandigheden toestaat en in andere gevallen verplicht om de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder te beperken, voor een periode van één jaar tot drie jaar, of levenslang, tot motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot en om hem de naleving op te leggen van de voorwaarden van het omkaderingsprogramma dat erop betrekking heeft, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 12 van de Grondwet, met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre aan de rechtzoekende elke personalisering van de straf wordt ontzegd door het voormelde artikel 37/1 aan te merken als een veiligheidsmaatregel ? ». Memories zijn ingediend door : - de procureur des Konings bij de Politierechtbank Luik; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. C. Caillet, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 13 juli 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 augustus 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 1 augustus 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil G.L. wordt vervolgd omdat hij op 24 november 2018, op een openbare plaats, een motorvoertuig bestuurde, terwijl zijn ademanalyse de aanwezigheid van een alcoholconcentratie van 0,69 mg/l heeft aangetoond. Uit de speekselanalyse is bovendien de aanwezigheid gebleken van minstens een van de volgende stoffen : THC, amfetamine, MDMA, MDEA, MBDB, morfine, cocaïne of benzoylecgonine. Die feiten werden gepleegd binnen een termijn van drie jaar na een vonnis van 20 januari 2016 van de Politierechtbank Henegouwen, afdeling Charleroi, luidens hetwelk G.L. reeds werd veroordeeld omdat hij op 16 mei 2015 met een alcoholgehalte van 0,90 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht met een motorvoertuig reed. Wegens de herhaling is het openbaar ministerie van oordeel dat de verwijzende rechter, krachtens artikel 37/1, § 1, derde lid, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », ertoe is gehouden de geldigheid van het rijbewijs van G.L. te beperken tot de motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot. Alvorens uitspraak te doen, heeft de verwijzende rechter aan het Hof de drie hiervoor weergegeven prejudiciële vragen gesteld. III. In rechte -A- A.1.
- Volgens het openbaar ministerie blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 maart 2018 « ter verbetering van de verkeersveiligheid » dat de veroordeling tot het plaatsen van een alcoholslot geen straf is maar een preventiemaatregel. Hetzelfde geldt voor de examens en onderzoeken tot herstel in het recht tot sturen, bedoeld in artikel 38, § 3, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de Wegverkeerswet), en voor het verval van het recht tot sturen om geestelijke of lichamelijke redenen, bedoeld in artikel 42 van dezelfde wet, die twee maatregelen zijn waarover het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat het veiligheidsmaatregelen betreft. A.1.
- Het openbaar ministerie is bovendien van oordeel dat de verplichte installatie van een alcoholslot van nature een veiligheidsmaatregel is, in het bijzonder wegens de manier van functioneren ervan en de follow-up van de veroordeelde die zij inhoudt. Veiligheidsmaatregelen strekken tot preventie en niet tot bestraffing. Het is de bedoeling de betrokkene te « neutraliseren » en hem vervolgens « weer aan te passen ». Het argument dat de verplichting om een alcoholslot te installeren de situatie van de beklaagde verergert, volstaat niet om die maatregel te kwalificeren als een « straf ». Hoewel de maatregel weliswaar kosten met zich meebrengt voor de veroordeelde, leidt hij niet tot een verbod om een motorvoertuig te besturen, temeer daar die kosten kunnen worden afgetrokken van de strafrechtelijke geldboete. A.1.
- Op grond van de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria waardoor een veiligheidsmaatregel kan worden onderscheiden van een strafrechtelijke straf, voert het openbaar ministerie ook aan dat het alcoholslot een veiligheidsmaatregel is en geen straf. Het betreft meer bepaald een specifieke veiligheidsmaatregel die enkel verband houdt met het misdrijf rijden onder invloed van alcohol. A.1.
- Volgens het openbaar ministerie kan de redenering die het Hof in het arrest nr. 76/2017 van 15 juni 2017 heeft gevolgd in verband met de verplichting om te slagen voor examens om het herstel in het recht tot sturen te verkrijgen na een verval, mutatis mutandis worden toegepast op het alcoholslot. Het Hof van Cassatie heeft trouwens geoordeeld dat de installatie van een alcoholslot een preventieve veiligheidsmaatregel uitmaakt, en geen straf. A.1.
- Het openbaar ministerie preciseert dat, indien de maatregel gepaard zou gaan met uitstel, zulks een echte hinderpaal zou creëren voor de uitvoeringsdiensten van het parket, in het bijzonder in het geval waarin het uitstel zou worden herroepen. 4 A.1.
- Het openbaar ministerie preciseert eveneens dat een veiligheidsmaatregel en een strafrechtelijke straf niet met elkaar kunnen worden vergeleken. Hoe dan ook wordt het evenredigheidsbeginsel in acht genomen. De kosten voor het plaatsen van een alcoholslot, die de kosten van de installatie, het onderhoud en de waarborg van het toestel, maar ook van de begeleiding en de follow-up van de veroordeelde omvatten, kunnen immers worden afgetrokken van de geldboete. Bovendien kan de rechter de maatregel beperken tot een of meerdere categorieën van rijbewijzen. A.1.
- Het openbaar ministerie merkt op dat de overtreder niet beweert dat hij zich in een van de situaties bevindt die in de eerste en in de tweede prejudiciële vraag worden vermeld. De beklaagde verzoekt evenmin om uitstel te kunnen genieten. Het antwoord op die vragen is dus zonder belang voor het geschil dat hangende is voor de verwijzende rechter. A.1.
- Het openbaar ministerie doet gelden dat de situatie van personen die ongeschikt zijn tot sturen, in de zin van artikel 42 van de Wegverkeerswet, en die van personen in staat van herhaling, in de zin van de artikelen 36 en 37/1, derde lid, van dezelfde wet, niet vergelijkbaar zijn. Een ongeschiktheid tot sturen verhindert dat enig motorvoertuig wordt bestuurd, terwijl het plaatsen van een alcoholslot het sturen niet verbiedt maar het afbakent. A.1.
- Het openbaar ministerie voert aan dat de eerste prejudiciële vraag niet relevant is. Artikel 23 van de Grondwet verleent geen subjectieve rechten, maar bevat enkel een standstill-verplichting. De in het geding zijnde bepaling belemmert de rechten bedoeld in artikel 23 van de Grondwet niet, aangezien zij het sturen afbakent zonder het te verbieden. A.1.
- Volgens het openbaar ministerie is de tweede prejudiciële vraag evenmin relevant. Er bestaat immers geen verschil in behandeling tussen personen die op grond van artikel 42 van de Wegverkeerswet ongeschikt tot sturen zijn verklaard en die welke worden veroordeeld tot het plaatsen van een alcoholslot. Iemand kan in andere situaties dan die waarin er een alcoholverslaving is, ongeschikt tot sturen worden verklaard. Het plaatsen van een alcoholslot strekt echter enkel ertoe het rijden onder invloed van alcohol tegen te gaan, ongeacht of er al dan niet een verslaving is. Ten slotte, gesteld dat de situaties vergelijkbaar zijn, bestaat er een objectieve reden die een verschil in behandeling verantwoordt, namelijk de staat van herhaling. A.1.
- Wat de derde prejudiciële vraag betreft, voert het openbaar ministerie aan dat zij evenmin relevant is. Het is niet mogelijk een veiligheidsmaatregel te personaliseren, tenzij die maatregel wordt uitgehold. Voor het overige verhindert de verplichte installatie van een alcoholslot niet elke personalisering van de modaliteiten van de maatregel, aangezien de rechter die kan beperken tot een of meerdere categorieën van rijbewijzen. Daarenboven kan de rechter de geldboete verminderen en de duur van de maatregel vaststellen tussen één jaar tot drie jaar. Het beginsel van gelijke behandeling is dus niet geschonden. A.1.
- Het openbaar ministerie besluit dat de drie prejudiciële vragen niet relevant zijn, dat zij zonder voorwerp zijn voor de oplossing van het geschil dat hangende is voor de verwijzende rechter en, in ondergeschikte orde, dat zij ontkennend dienen te worden beantwoord. A.2.
- Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voert de Ministerraad in hoofdorde aan dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord, in zoverre zij aan artikel 23 van de Grondwet een draagwijdte geeft die het niet heeft. In die bepaling wordt geen subjectief recht vastgelegd op het hebben, het behouden of het uitoefenen van een betrekking, of nog een subjectief recht op het beschikken over een voertuig. De beperking van de geldigheid van het rijbewijs vormt dus geen beperking van het door artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet gewaarborgde recht op arbeid. In ondergeschikte orde kan de redenering die het Hof in het arrest nr. 202/2019 van 12 december 2019 heeft gevolgd, worden overgenomen met betrekking tot het onderhavige geval. In dat arrest heeft het Hof aanvaard dat de plaatsing van een alcoholslot kan worden bevolen, ook voor het voertuig dat de veroordeelde beroepsmatig gebruikt. Het feit dat sommige mensen niet over de financiële middelen beschikken om hun voertuig uit te rusten met een alcoholslot, brengt de grondwettigheid van de betwiste maatregel niet in het geding. De wetgever kan immers niet met elke bijzondere situatie rekening houden. Bovendien heeft hij aan de rechter de mogelijkheid toegekend om de kosten van de installatie en het gebruik van een alcoholslot en van het omkaderingsprogramma af te trekken van de strafrechtelijke geldboete. A.2.2.
- Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, merkt de Ministerraad op dat het Hof wordt verzocht om, enerzijds, de situatie van een persoon die lichamelijk of geestelijk ongeschikt tot het besturen van een voertuig 5 werd bevonden, met dien verstande dat het einde van het verval van het recht tot sturen afhangt van het bewijs dat de betrokkene niet meer ongeschikt is tot sturen, te vergelijken met, anderzijds, de situatie van een overtreder in staat van herhaling ten aanzien van wie een maatregel is genomen tot beperking van de geldigheid van zijn rijbewijs, zonder dat de overtreder kan verzoeken om die maatregel vervroegd te beëindigen. A.2.2.
- In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat die situaties onvoldoende vergelijkbaar zijn. Het verval van het recht tot sturen wegens de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van de overtreder sluit immers uit dat gelijktijdig een alcoholslot wordt opgelegd. Het zijn dus twee alternatieve veiligheidsmaatregelen. Derhalve wordt de persoon, in het ene geval, van zijn recht tot sturen vervallen verklaard wegens een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, terwijl de recidivist, in het andere geval, enkel een beperking van de geldigheid van zijn rijbewijs opgelegd krijgt. A.2.2.
- In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, met name de al dan niet geestelijke of lichamelijke ongeschiktheid om een motorvoertuig te besturen. Daarenboven wordt met het opleggen van een alcoholslot een legitiem doel nagestreefd, namelijk de verbetering van de verkeersveiligheid. Het verschil in behandeling brengt geen onevenredige gevolgen met zich mee. Allereerst wordt de persoon ten aanzien van wie de in het geding zijnde maatregel wordt genomen, niet van zijn recht tot sturen vervallen verklaard. Het is louter de bedoeling om de geldigheid van zijn rijbewijs te beperken tot enkel die voertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot. Vervolgens maakt het feit dat sommige overtreders niet over de financiële middelen beschikken om een alcoholslot te plaatsen, de maatregel niet onevenredig, temeer daar de kosten die voortvloeien uit de plaatsing en het gebruik van dat systeem, kunnen worden afgetrokken van het bedrag van de strafrechtelijke geldboete. Daarenboven wordt het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid uitgesproken voor een onbepaalde duur en kan het enkel worden beëindigd indien het bewijs wordt geleverd dat de betrokkene niet meer ongeschikt is tot sturen. Hoewel het verzoek tot herstel kan worden ingediend na minstens zes maanden vanaf de uitspraak van het veroordelend vonnis, wordt het herstel op dat ogenblik niet verkregen. Het vindt evenmin automatisch plaats. Bovendien is het niet onevenredig om enkel de personen ten aanzien van wie de in artikel 42 van de Wegverkeerswet bedoelde vervalmaatregel werd genomen, in staat te stellen te verzoeken om hun herstel in hun recht tot sturen, aangezien die maatregel niet enkel van toepassing is op personen die hebben gereden in staat van alcoholopname wegens een verslaving. Ten slotte zou de mogelijkheid om te verzoeken dat de aanwezigheid van een alcoholslot in het voertuig vervroegd wordt beëindigd, tot gevolg kunnen hebben dat die maatregel zijn veiligheidsdoel zou voorbijschieten. Studies hebben immers aangetoond dat het alcoholslot herhaling inzake alcoholmisbruik tot 95 % kan verminderen tijdens de periode waarin dat toestel verplicht wordt gebruikt. Ten slotte beschikt de wetgever, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, over een ruime beoordelingsmarge met betrekking tot het verhogen van de verkeersveiligheid. A.2.2.
- De Ministerraad besluit dat de tweede prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.2.3.
- De Ministerraad is in hoofdorde van mening dat de derde prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. In het verwijzingsvonnis wordt immers niet aangegeven in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling discriminerend zou zijn en worden de te vergelijken categorieën van personen niet geïdentificeerd. Het vermeldt evenmin in welk opzicht de kwalificatie van de in het geding zijnde maatregel als veiligheidsmaatregel een schending van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens met zich zou meebrengen. A.2.3.
- In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad vast dat de verwijzende rechter de kwalificatie, als « veiligheidsmaatregel », van het beperken van de geldigheid van het rijbewijs tot enkel die motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot bekritiseert en van oordeel is dat het integendeel een straf betreft. In een arrest van 3 maart 2021 heeft het Hof van Cassatie evenwel reeds aanvaard dat de maatregel als « veiligheidsmaatregel » wordt gekwalificeerd. De omzendbrief nr. 8/2012 van 21 juni 2012 van het College van procureurs-generaal gaat in dezelfde richting. A.2.3.
- Het begrip « straf » in de zin van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft weliswaar een autonome draagwijdte. Te dezen beantwoordt het beperken van de geldigheid van het rijbewijs tot de voertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, echter aan de in de rechtspraak vastgestelde criteria om niet als een straf van strafrechtelijke aard te worden gekwalificeerd. 6 Ten eerste is het Hof van Cassatie immers van oordeel dat de maatregel tot beperking van de geldigheid van het rijbewijs tot de voertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, een veiligheidsmaatregel en geen straf uitmaakt. Ten tweede wordt in de parlementaire voorbereiding aangegeven dat het doel van de maatregel geen bestraffend maar een preventief doel is. Het gaat erom « het rijden onder invloed van alcohol » te voorkomen. Ten derde heeft het Hof reeds geoordeeld dat de verplichting om te slagen voor examens teneinde te waarborgen dat een persoon wiens recht tot sturen vervallen is verklaard, over de vereiste bekwaamheden en kwalificaties beschikt om zich opnieuw op de openbare weg te begeven, geen strafrechtelijke straf is. Die redenering moet worden toegepast op de maatregel die in het geding is. Ten vierde, zoals de advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie beklemtoont, is het feit dat de beperking van de geldigheid van het rijbewijs door de veroordeelde wordt ervaren als een straf, niet doorslaggevend. Ten vijfde is het plaatsen van een alcoholslot geen maatregel die kan worden opgelegd aan personen die verslaafd zijn aan alcohol. Het is veeleer bedoeld om te worden toegepast op personen die een gedrag van « sociaal alcoholgebruik » vertonen. Bijgevolg brengt het feit dat de beklaagde te dezen geruststellende bloedanalyses voorlegt, de relevantie van de maatregel niet in het geding. Bovendien kan het feit dat artikel 38, § 6, van de Wegverkeerswet voorziet in het slagen voor examens om het individu te herstellen in het recht tot sturen ingevolge een verval, de kwalificatie van het alcoholslot als een veiligheidsmaatregel evenmin in het geding brengen. Die maatregelen zijn cumulatief van toepassing in geval van herhaling. Ten zesde bepaalt de verordening (EU) 2019/2144 dat alle nieuwe voertuigen vanaf 6 juli 2022 moeten zijn uitgerust met diverse veiligheidsfunctionaliteiten, waaronder een interface die de installatie van een alcoholslot vergemakkelijkt. Die verordening is echter niet bedoeld om straffen op te leggen, maar veiligheidsmaatregelen. Ten zevende wordt in de omzendbrief nr. 8/2012 van 21 juni 2012 van het College van procureurs-generaal bevestigd dat het alcoholslot geen strafuitvoeringsmodaliteit maar een veiligheidsmaatregel is. A.2.3.
- De Ministerraad merkt eveneens op dat het feit dat maatregelen tot personalisering van een straf niet kunnen worden toegepast op het plaatsen van een alcoholslot, voortvloeit uit het toepassingsgebied van de wet van 29 juni 1964 « betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie ». Het Hof is evenwel van oordeel dat een prejudiciële vraag geen antwoord behoeft wanneer het verschil in behandeling dat erin ter sprake wordt gebracht, niet zijn oorsprong vindt in de bepalingen die het voorwerp van de vraag uitmaken. De derde prejudiciële vraag behoeft dus geen antwoord. A.2.3.
- In uiterst ondergeschikte orde merkt de Ministerraad op dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de maatregel tot verlenging van de intrekking van het rijbewijs een veiligheidsmaatregel vormt en dat de bepalingen van de wet van 29 juni 1964 « betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie » bijgevolg niet erop kunnen worden toegepast. De veiligheidsmaatregel zou immers zijn doel kunnen voorbijschieten indien dergelijke bepalingen van toepassing waren. Dezelfde redenering moet hier worden gevolgd. Ten slotte voorziet de wet in de mogelijkheid voor de rechter om de maatregel van het alcoholslot aan te passen, hetgeen het evenredige karakter van de maatregel versterkt. De derde prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. -B- B.1.
- Artikel 37/1 van de wet « betreffende de politie over het wegverkeer », gecoördineerd op 16 maart 1968 (hierna : de wet van 16 maart 1968), zoals vervangen bij de wet van 6 maart 2018 « ter verbetering van de verkeersveiligheid » (hierna : de wet van 6 maart 2018), bepaalt : 7 « §
- In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 34, § 2, artikel 35 in geval van dronkenschap of van artikel 36, kan de rechter, indien hij geen definitief verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreekt of geen toepassing maakt van artikel 42, voor een periode van ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar of levenslang, de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, op voorwaarde dat de overtreder als bestuurder voldoet aan de voorwaarden van het in artikel 61quinquies, § 3, bedoelde omkaderingsprogramma. In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 34, § 2, indien de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,78 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 1,8 gram per liter bloed aangeeft, beperkt de rechter de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot volgens dezelfde modaliteiten als bedoeld in het eerste lid. Indien de rechter evenwel verkiest om deze sanctie niet op te leggen, motiveert hij dit uitdrukkelijk. In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 36, indien het gaat om een bestraffing na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2 indien de ademanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 gram per liter bloed aangeeft, beperkt de rechter de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot volgens dezelfde modaliteiten als bedoeld in het eerste lid, onverminderd de bepaling van artikel 38, §
- §
- Evenwel kan de rechter, indien hij zijn beslissing motiveert, een of meerdere voertuigcategorieën aanduiden overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 26, waarvoor hij de geldigheid van het rijbewijs niet beperkt overeenkomstig §
- De beperkte geldigheid moet wel ten minste betrekking hebben op de voertuigcategorie waarmee de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot toepassing van § 1 werd begaan. §
- De rechter kan de geldboete verminderen met de volledige of gedeeltelijke kosten van de installatie en het gebruik van een alcoholslot in een voertuig evenals de kosten van het omkaderingsprogramma, zonder dat ze minder dan één euro mag bedragen. §
- Met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met een geldboete van 500 euro tot 2 000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een periode die ten minste even lang is als de periode waarin de geldigheid van het rijbewijs werd beperkt, wordt gestraft hij die is veroordeeld wegens overtreding van dit artikel en een motorvoertuig bestuurt waarvoor een rijbewijs vereist is en dat niet uitgerust is met het opgelegde alcoholslot, of die als bestuurder niet voldoet aan de voorwaarden van het omkaderingsprogramma ». B.1.
- Het alcoholslot is een « inrichting die het starten van een motorvoertuig verhindert, tenzij de bestuurder een ademtest aflegt met als meetresultaat een alcoholconcentratie beneden de ingestelde drempel » (artikel 2.1 van bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 26 november 2010 « betreffende de technische specificaties van de alcoholsloten bedoeld in artikel 61sexies 8 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer »). Krachtens artikel 61quinquies, § 2, van de wet van 16 maart 1968 is die drempel thans ingesteld op 0,09 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht (hierna : mg/l UAL). B.1.
- De maatregel tot plaatsing van een alcoholslot is geconcipieerd als een beperking van de geldigheid van het rijbewijs : het rijbewijs van de veroordeelde persoon is slechts geldig voor voertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot. B.1.
- Sedert de inwerkingtreding van de wet van 6 maart 2018 is de politierechtbank verplicht om de plaatsing van een alcoholslot op te leggen in geval van een zeer hoge alcoholopname door de bestuurder (artikel 37/1, § 1, tweede lid) en in geval van ernstige herhaling (artikel 37/1, § 1, derde lid). Krachtens artikel 37/1, § 1, tweede lid, van de wet van 16 maart 1968 moet de politierechtbank de overtreder een alcoholslot opleggen indien een ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,78 mg/l UAL meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 1,8 gram per liter bloed (hierna : promille) aangeeft, tenzij zij uitdrukkelijk motiveert waarom geen alcoholslot wordt opgelegd. Krachtens artikel 37/1, § 1, derde lid, van de wet van 16 maart 1968 moet de politierechtbank de overtreder steeds een alcoholslot opleggen indien hij zich in staat van herhaling bevindt in de zin van artikel 36 van dezelfde wet en de ademanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 mg/l UAL meet of de bloedanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 promille aangeeft. In dat geval heeft de politierechtbank niet de mogelijkheid om geen alcoholslot op te leggen. B.
- Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de beklaagde voor de verwijzende rechter zich in staat van herhaling bevindt omdat hij, op een openbare plaats, een motorvoertuig heeft bestuurd in staat van hoge alcoholopname. De eerste feiten werden gepleegd op 16 maart 2015 en hebben aanleiding gegeven tot een veroordeling bij een vonnis van 20 januari 2016 van de Politierechtbank Henegouwen, afdeling Charleroi. De tweede feiten, die herhaling uitmaken, werden gepleegd op 24 november
- 9 Wegens de staat van herhaling is het openbaar ministerie van oordeel dat de verwijzende rechter, krachtens artikel 37/1, § 1, derde lid, van de wet van 16 maart 1968, verplicht is om de geldigheid van het rijbewijs van de beklaagde te beperken tot de motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot. B.
- De inwerkingtreding van artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968, zoals vervangen bij de wet van 6 maart 2018, werd vastgesteld op 1 juli 2018 (artikel 26, eerste lid, van de wet van 6 maart 2018). Artikel 26, tweede lid, van de wet van 6 maart 2018 bepaalt : « Artikel 37/1, § 1, van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, zoals vervangen bij artikel 10, geldt enkel voor de feiten gepleegd na de inwerkingtreding ervan ». In de memorie van toelichting wordt vermeld : « Voor redenen van rechtszekerheid wordt bovendien bepaald dat de nieuwe bepalingen inzake het alcoholslot (artikel 37/1, § 1) enkel van toepassing zijn op feiten begaan na de inwerkingtreding van de wet. In geval van recidive moeten beide feiten gepleegd zijn na de inwerkingtreding van de wet » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2868/001, p. 32). B.4.
- Zoals het Hof heeft aangegeven bij zijn arrest nr. 16/2022 van 3 februari 2022, heeft het Hof van Cassatie reeds verscheidene malen geoordeeld dat, teneinde het beginsel van de niet-retroactiviteit van de strengere strafwet in acht te nemen, de wet die een zwaardere straf bepaalt in geval van herhaling, van toepassing moet zijn op het ogenblik dat het nieuwe misdrijf wordt gepleegd, maar het niet vereist is dat het eerdere misdrijf, dat de grondslag van de herhaling uitmaakt, ook na de inwerkingtreding van de wet werd gepleegd (Cass., 10 januari 2018, P.17.0661.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180110.2; 27 maart 2018, P.17.1061.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180327.3). B.4.
- In recente rechtspraak, na de datum van de verwijzingsbeslissing, heeft het Hof van Cassatie echter geoordeeld dat volgens de wil van de wetgever artikel 37/1, § 1, derde lid, van de wet van 16 maart 1968 slechts kan worden toegepast als ook de feiten die aanleiding hebben gegeven tot een vonnis dat de grondslag vormt voor de herhaling, na de inwerkingtreding van de wet werden gepleegd. 10 Na de datum van de uitspraak van de verwijzingsbeslissing heeft het Hof van Cassatie bij arresten van 13 april 2021 (P.21.0025.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.5) en van 8 juni 2021 (P.21.0371.N) geoordeeld : «
- Uit de wetsgeschiedenis van deze bepalingen volgt integendeel dat volgens de wil van de wetgever artikel 37/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet slechts kan worden toegepast indien zowel de feiten voorwerp van de nieuwe vervolging als de feiten die aanleiding hebben gegeven tot een vonnis dat de grondslag vormt voor de herhaling als bedoeld door artikel 36 Wegverkeerswet werden gepleegd na 30 juni
- De wetgever verwees voor die keuze naar de vereiste van rechtszekerheid en de tijd die nodig is voor de omkaderingsinstelling, de dienstencentra en de magistratuur om zich voor te bereiden op deze ingrijpende wijziging van de alcoholslotwetgeving » (Cass., 13 april 2021, P.21.0025.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.5). In het verlengde van die rechtspraak heeft het Hof van Cassatie bij een arrest van 23 februari 2022 (P.21.1638.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220223.2F.5) geoordeeld : « Krachtens artikel 26 van de wet van 6 maart 2018 is de voormelde bepaling [lees : artikel 37/1, § 1, derde lid, van de wet van 16 maart 1968] in werking getreden op 1 juli 2018 en geldt zij enkel voor de feiten gepleegd na die datum. Opdat artikel 37/1, § 1, derde lid, in de nieuwe versie ervan, toepassing kan vinden, is dus niet alleen vereist dat de feiten inzake alcoholopname waarover moet worden geoordeeld, werden gepleegd na 1 juli 2018, maar ook dat de feiten die zijn bedoeld in het vonnis dat als grondslag voor de herhaling dient, dateren van na die datum. De feiten die zijn bedoeld in het op 9 november 2018 gewezen vonnis dat als grondslag dient voor de omstandigheid van herhaling die is omschreven in artikel 36, eerste lid, van de voormelde wet, werden gepleegd op 22 maart
- Bijgevolg hebben de rechters in hoger beroep hun beslissing om de in artikel 37/1, § 1, derde lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer bedoelde veiligheidsmaatregel toe te passen niet verantwoord naar recht » (eigen vertaling). B.
- In de versie vóór de vervanging ervan bij de wet van 6 maart 2018 wordt bij artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968, zoals ingevoegd bij de wet van 12 juli 2009 « tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 » en zoals gewijzigd bij de wet van 9 maart 2014 « tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen en van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen », de rechter niet ertoe verplicht een alcoholslot op te leggen. 11 In die versie bepaalde artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 : « In geval van een veroordeling wegens overtreding van de artikelen 34, § 2, 35 of 36 kan de rechter, indien hij geen definitief verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreekt, voor een minimale periode van één jaar tot ten hoogste vijf jaar of voorgoed, de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder beperken tot motorvoertuigen die uitgerust zijn met een alcoholslot op voorwaarde dat deze als bestuurder voldoet aan de voorwaarden van het in artikel 61quinquies, § 3 bedoelde omkaderingsprogramma. De rechter kan de geldboete verminderen met de volledige of gedeeltelijke kosten van de installatie en het gebruik van een alcoholslot in een voertuig evenals de kosten van het omkaderingsprogramma, zonder dat ze minder dan één euro mag bedragen. Met een gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en met een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een periode van één jaar tot ten hoogste vijf jaar of voorgoed, wordt gestraft hij die is veroordeeld wegens overtreding van het eerste lid en een motorvoertuig bestuurt dat niet uitgerust is met een alcoholslot, of die als bestuurder niet voldoet aan de voorwaarden van het omkaderingsprogramma ». B.
- Rekening houdend met de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie en met het feit dat de eerste feiten die door de beklaagde in het geschil dat hangende is voor de verwijzende rechter zijn gepleegd, zich hebben voorgedaan vóór de inwerkingtreding van artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968, zoals vervangen bij de wet van 6 maart 2018, zodat die bepaling niet van toepassing is op het geschil dat aanhangig is gemaakt bij de verwijzende rechter, staat het aan de verwijzende rechter te beoordelen of een antwoord op de prejudiciële vragen nog noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil. De zaak dient dus te worden teruggezonden naar de verwijzende rechter. 12 Om die redenen, het Hof zendt de zaak terug naar de verwijzende rechter. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 10 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.143 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180110.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180327.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220223.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div