← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.144

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 november 2022 ECLI n

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 358, § 1, 3°,

§ 2

, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Aanslagtermijn - Strafvordering die uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven - Seponering - Ontstentenis van aanslagtermijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 144/2022 van 10 november 2022 Rolnummer : 7573 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 358, § 1, 3°,

§ 2

, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul

L. Lavrysen,

de rechters T. Giet, J. Moerman, Y. Kherbache, E. Bribosia

W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag

rechtspleging Bij vonnis van 22 april 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 mei 2021, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 358, § 1, 3°,

§ 2

, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10, 11

172 van de Grondwet in zoverre, wanneer een rechtsvordering wordt ingesteld

het voorwerp uitmaakt van een beslissing die niet meer vatbaar is voor verzet of hoger beroep, de aanslagtermijn van twaalf maanden een aanvang neemt, terwijl, indien

zolang het strafdossier is geseponeerd, geen

kele aanslagtermijn een aanvang neemt ? ». Memories zijn ingediend door : - Henri Stassens, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. H. Michel, advocaat bij de balie te Charleroi; - de Ministerraad, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. D. Heurion, advocaat bij de balie te Charleroi. 2 De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 21 september 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet, ter vervanging van emeritus rechter J.-P. Moerman,

J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord,

dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 oktober 2022

de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen

kel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 12 oktober 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten

de rechtspleging in het bodemgeschil In 2010 opent de procureur des Konings te Charleroi een opsporingsonderzoek tegen de eiser voor het verwijzende rechtscollege, onderzoek dat later wordt geseponeerd. In april 2011

in mei 2014 krijgt de belastingadministratie de toestemming om dat gerechtelijk dossier te raadplegen. Volgens de belastingadministratie blijkt uit de rechtsvordering dat in de vijf jaren vóór 2010 belastbare inkomsten niet werden aangegeven. Op 9 december 2014 verstuurt de belastingadministratie, op grond van artikel 358, § 1, 3°,

§ 2

, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), een bericht van wijziging met betrekking tot de aanslagjaren 2005 tot 2007 (inkomstenjaren 2004 tot 2006) aan de eiser

de eiseres voor het verwijzende rechtscollege, die ten tijde van de betwiste aanslagjaren gehuwd waren. Na de inkohiering van de betwiste aanvullende belastingen dienen de eiser

de eiseres voor het verwijzende rechtscollege ieder een bezwaarschrift in. Na de verwerping van hun respectief bezwaarschrift door de belastingadministratie stellen zij een vordering in voor het verwijzende rechtscollege teneinde met name de betwiste aanvullende belastingen te vernietigen. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat artikel 358, § 1, 3°, van het WIB 1992 erin voorziet dat een aanvullende belasting kan worden gevestigd wanneer uit een rechtsvordering blijkt dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in een van de vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld. Het onderstreept dat artikel 358, § 2, 2°, van het WIB 1992 bepaalt dat die aanvullende belasting moet worden gevestigd binnen twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop de beslissing over de rechtsvordering niet meer vatbaar is voor verzet of hoger beroep. Het stelt vast dat het bericht van wijziging van 9 december 2014 aangeeft dat de termijn van twaalf maanden geen aanvang heeft genomen

dat de aanvullende belasting kan worden gevestigd zodra uit de rechtsvordering het bestaan van niet-aangegeven inkomsten blijkt, nog vóór de termijn van twaalf maanden aanvang heeft genomen. Volgens het verwijzende rechtscollege is die interpretatie die de belastingadministratie aan artikel 358, § 2, 2°, van het WIB 1992 geeft, in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Het wijst meer bepaald op het arrest van het Hof van Cassatie van 23 februari 2018, waaruit blijkt dat,

erzijds, de strafvordering die is ingesteld door het openbaar ministerie wanneer het een strafrechtelijk opsporingsonderzoek opent, een rechtsvordering is in de zin van artikel 358, § 1, 3°, van het WIB 1992

, anderzijds, de seponering geen « beslissing over de rechtsvordering » in de zin van artikel 358, § 2, 2°, van het WIB 1992 is. Het verwijzende rechtscollege stelt derhalve de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.1. De eiser voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat, als artikel 358, § 1, 3°,

§ 2

, 2°, van het WIB 1992 van toepassing is op de in de prejudiciële vraag beoogde hypothese, dat artikel niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11

172 van de Grondwet. Hij onderstreept dat een strafrechtelijk opsporingsonderzoek een 3 rechtsvordering is in de zin van artikel 358, § 1, 3°, van het WIB 1992, maar dat een seponering geen jurisdictionele handeling is. Volgens hem is artikel 358, § 1, 3°, van het WIB 1992 bijgevolg te dezen van toepassing, zonder evenwel dat de termijn waarin artikel 358, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek voorziet, een aanvang heeft genomen. Hij leidt hieruit af dat de belastingadministratie zou beschikken over een onbepaalde termijn om de aanvullende belasting te vestigen

dat de inkohiering zou afhangen van de goede wil van die administratie. Hij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 149/2015 van 22 oktober 2015

onderstreept dat die twee gevolgen niet kunnen worden aanvaard. Hij voert aan dat de in het geding zijnde bepaling de belastingplichtigen op wie een rechtsvordering betrekking heeft, verschillend behandelt naargelang die rechtsvordering al dan niet het voorwerp uitmaakt van een definitieve jurisdictionele beslissing. Volgens hem zijn de twee categorieën van belastingplichtigen kennelijk vergelijkbaar, daar het gaat om belastingplichtigen wier fiscale situatie wordt onderzocht door de belastingadministratie naar aanleiding van een rechtsvordering. Hij merkt op dat alleen de tweede categorie van belastingplichtigen zich bevindt in een situatie waarin de termijn van twaalf maanden geen aanvang neemt. A.1.2. De eiser voor het verwijzende rechtscollege onderstreept vervolgens dat een wetsbepaling zo moeten worden geïnterpreteerd dat de toepassing ervan de grondwettelijke beginselen in acht neemt. Volgens hem moet de belastingadministratie, wanneer uit een rechtsvordering blijkt dat inkomsten niet werden aangegeven in een van de vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld

wanneer uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de in het geding zijnde termijn nooit een aanvang zal nemen, de aanvullende belasting inkohieren binnen twaalf maanden na het ogenblik waarop zij heeft kennisgenomen van de inhoud van het gerechtelijk dossier

ervan in kennis is gesteld dat dat dossier wordt geseponeerd. Volgens hem is, in een dergelijke situatie, artikel 358, § 1, 4°,

§ 2, 3°, van het WIB 1992 van toepassing.

Hij voert aan dat die interpretatie aansluit bij de lering van het arrest van het Hof van Cassatie van 23 februari 2018. Hij merkt op dat het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de seponeringsbeslissing, doordat zij wordt meegedeeld aan de belastingadministratie met de toestemming om kennis te nemen van het dossier, geen beslissing vormt waarbij de administratie kennis krijgt van bewijskrachtige gegevens in de zin van artikel 358, § 1, 4°,

§ 2, 3°, van het WIB 1992.

Hieruit vloeit volgens hem voort dat het Hof van Cassatie niet op algemene wijze heeft uitgesloten dat dat artikel van toepassing kan zijn op de hypothese van een seponering. Volgens hem heeft het Hof van Cassatie het in het geding zijnde onderdeel van het middel verworpen omdat uit dat onderdeel niet bleek op welke datum de administratie kennis had gekregen van de bewijskrachtige gegevens, namelijk de datum waarop het gerechtelijk dossier is geraadpleegd. Volgens hem heeft, te dezen, de termijn van twaalf maanden bedoeld in artikel 358, § 2, 3°, van het WIB 1992 een aanvang genomen uiterlijk op 9 december 2014, daar de belastingadministratie op die datum het strafrechtelijk dossier had geraadpleegd

kennis ervan had genomen dat het was geseponeerd, waardoor artikel 358, § 1, 3°,

§ 2, 2°, van het WIB 1992 niet van toepassing was.

Hij besluit dat, als artikel 358, § 1, 3°,

§ 2

, 2°, van het WIB 1992 niet van toepassing is in de in de prejudiciële vraag beoogde hypothese, dat artikel bestaanbaar is met de artikelen 10, 11

172 van de Grondwet. A.2.1. De Ministerraad onderstreept allereerst dat de tenuitvoerlegging van artikel 358, § 1, 3°, van het WIB 1992 vereist dat aan drie voorwaarden is voldaan :

(1)er is een rechtsvordering ingesteld,
(2)uit die rechtsvordering blijkt dat belastbare inkomsten niet zijn aangegeven
(3)er is niet voldaan aan de aangifteplicht in de loop van de vijf jaren vóór het instellen van de rechtsvordering. Hij onderstreept dat de in het geding zijnde bepaling nauw is verbonden met,

erzijds, het recht voor de belastingadministratie om het gerechtelijk dossier te raadplegen mits de procureur-generaal bij het hof van beroep daarmee vooraf instemt

, anderzijds, de verplichting voor het parket om de belastingadministratie in te lichten over het bestaan van strafrechtelijke zaken waaruit na onderzoek aanwijzingen van fraude blijken. A.2.2. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag berust op een onjuiste premisse. Volgens hem voorziet artikel 358, § 1, 3°,

§ 2

, 2°, van het WIB 1992 niet in een « aanslagtermijn van twaalf maanden » die aanvang zou nemen wanneer de rechtsvordering het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke beslissing die niet meer vatbaar is voor verzet of hoger beroep. Hij onderstreept dat uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt dat de termijn van twaalf maanden bedoeld in artikel 358, § 2, van het WIB 1992 de uiterste termijn is waarbinnen de administratie de belasting kan inkohieren, zodat die kan worden ingekohierd zelfs voordat die termijn een aanvang heeft genomen. Volgens hem neemt de aanslagtermijn, in de twee situaties die in de prejudiciële vraag met elkaar worden vergeleken, een aanvang wanneer de rechtsvordering wordt ingesteld. Hij besluit hieruit dat het in het geding zijnde verschil in behandeling onbestaande is. A.2.

  1. In de veronderstelling dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op het feit dat de termijn van twaalf maanden bepaald in artikel 358, § 2, 2°, van het WIB 1992 een aanvang neemt wanneer de rechtsvordering het voorwerp uitmaakt van een beslissing die niet meer vatbaar is voor verzet of hoger beroep, terwijl die termijn geen aanvang neemt in geval van een seponering, voert de Ministerraad aan dat de twee in de prejudiciële vraag beoogde 4 situaties niet vergelijkbaar zijn. Allereerst herinnert hij eraan dat het openen van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek een rechtsvordering is in de zin van artikel 358, § 1, 3°, van het WIB
  2. Vervolgens zet hij uiteen dat een seponering een voorlopige administratieve maatregel is zonder een jurisdictioneel karakter die de strafvordering niet doet vervallen. Hij onderstreept dat, zolang de strafvordering niet is vervallen, de seponeringsbeslissing ambtshalve kan worden herzien door de procureur des Konings, op verzoek van de procureur-generaal bij het hof van beroep of op positief bevel van de minister van Justitie. Hij voert aan dat de seponering de termijn van twaalf maanden bepaald in artikel 358, § 2, 2°, van het WIB 1992 bijgevolg niet doet ingaan

verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof van Cassatie van 23 februari 2018. De Ministerraad voert vervolgens aan dat het in het geding zijnde verschil in behandeling in elk geval berust op een objectief criterium

redelijk verantwoord is. In het licht van het nagestreefde doel dat erin bestaat belastingfraude te bestrijden, vermocht de wetgever volgens hem rechtmatig ervan uit te gaan dat het noodzakelijk was dat de termijn van twaalf maanden pas een aanvang neemt op het ogenblik dat de rechtsvordering definitief is gesloten, daar niet-aangegeven belastbare inkomsten kunnen blijken tot het sluiten ervan. In dat verband verwijst hij naar het arrest van het Hof nr. 214/2004 van 21 december 2004, alsook naar de conclusies van de eerste advocaat-generaal die voorafgaan aan het arrest van het Hof van Cassatie van 23 februari 2018. Ten slotte voert de Ministerraad aan dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet onevenredig is. Allereerst zet hij uiteen dat het kader van de toepassingsvoorwaarden van artikel 358, § 1, 3°,

§ 2, 2°, van het WIB 1992 perfect is vastgelegd :

(1)de herziening moet zich beperken tot de gegevens die blijken uit de rechtsvordering,
(2)die gegevens moeten volstaan om de belasting te vestigen, zonder dat de administratie aanvullende onderzoekshandelingen kan stellen
(3)de belastingplichtige kan altijd het tegenbewijs leveren. Ten tweede onderstreept hij dat de strafvordering niet onbeperkt is in de tijd, daar zij wordt afgesloten door een gerechtelijke beslissing of een grond van verval (overlijden van de beklaagde, verjaring,

z.). Ten derde hangt het aanvangspunt van de termijn van twaalf maanden niet af van de goede wil van de administratie, maar van externe factoren waaraan de administratie gebonden is. Volgens hem beschikt de administratie niet over een onbeperkte duur om de belasting te vestigen op basis van de elementen vervat in het gerechtelijk dossier. De Ministerraad geeft de voorkeur aan een interpretatie die in overeenstemming is met de grondwettelijke vereisten volgens welke de termijn van twaalf maanden een aanvang neemt ofwel op het ogenblik dat de beslissing over de rechtsvordering definitief wordt, ofwel, in de hypothese van een seponering, op het ogenblik dat de strafvordering vervalt wegens een van de gronden opgesomd in de artikelen 21

22 van het Wetboek van strafvordering. Volgens hem zijn de in het geding zijnde bepalingen in die interpretatie verenigbaar met de artikelen 10

11 van de Grondwet, daar een volledige gerechtelijke procedure voor de rechtbanken soms lang kan duren, terwijl de strafvordering met betrekking tot een fiscaal misdrijf verjaart vijf jaar na de laatste stuitende handeling. Ten slotte betwist de Ministerraad de interpretatie die de eiser voor het verwijzende rechtscollege geeft aan het arrest van het Hof van Cassatie van 23 februari 2018. Allereerst merkt hij op dat de in het geding zijnde bepaling niet erin voorziet dat de termijn van twaalf maanden een aanvang neemt op het ogenblik dat kennis wordt genomen van de gegevens die blijken uit de rechtsvordering. Ten tweede onderstreept hij dat de in het geding zijnde bepaling erin voorziet dat de aanslagperiode overeenstemt met de vijf jaren die voorafgaan aan het instellen van de rechtsvordering, terwijl artikel 358, § 1, 4°, van het WIB 1992 erin voorziet dat de aanslagperiode overeenstemt met de vijf jaren die voorafgaan aan het jaar waarin de administratie kennis heeft gekregen van de bewijskrachtige gegevens. Ten derde zet hij uiteen dat de in het geding zijnde bepaling

artikel 358, § 1, 4°, van het WIB 1992 niet op dezelfde wijze zijn opgesteld

verschillen op het vlak van de kwaliteit van de gegevens waaruit de niet-aangegeven inkomsten blijken, aangezien de tweede bepaling het bestaan van bewijskrachtige gegevens vereist. Ten vierde verwijst hij naar de conclusies van de eerste advocaat-generaal die voorafgaan aan het arrest van het Hof van Cassatie van 23 februari

  1. Ten vijfde onderstreept hij dat het verwijzende rechtscollege de prejudiciële vraag niet zou hebben gesteld indien het het standpunt van de eiser voor het verwijzende rechtscollege had gevolgd. -B- B.
  2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 358, § 1, 3°,

§ 2, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992).

Zoals zij van toepassing is in de zaak voor het verwijzende rechtscollege, luidt de in het geding zijnde bepaling : 5 « §

  1. De belasting of de aanvullende belasting mag worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde bepaalde termijn is verstreken ingeval : […] 3° een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld; […] §
  2. In de gevallen bedoeld in § 1, 1°, 3°

4°, moet de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd binnen de twaalf maanden te rekenen vanaf de datum : […] 2° waarop tegen de beslissing over de in § 1, 3°, genoemde rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend; […] ». B.2. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie is de strafvordering die door het openbaar ministerie wordt ingesteld wanneer dat laatste een strafrechtelijk opsporingsonderzoek opent, een rechtsvordering in de zin van artikel 358, § 1, 3°, van het WIB 1992 (Cass., 23 februari 2018, F.17.0078.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180223.1; 12 december 2014, F.13.0037.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141212.2; 9 juni 2005, F.03.0025.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050609.7; 7 november 2003, F.01.0083.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031107.3; 21 februari 2003, F.01.0011.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030221.3; 14 oktober 1987, Arr. Cass., 1987-1988, I, nr. 92). Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt eveneens dat artikel 358, § 2, 2°, van het WIB 1992 de uiterste datum vaststelt waarvóór de belasting of de aanvullende belasting moet worden gevestigd

dat het de administratie niet verbiedt om die te vestigen zodra uit de rechtsvordering blijkt dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven, zelfs vooraleer de termijn van twaalf maanden een aanvang heeft genomen (Cass., 1 oktober 2004, F.02.0009.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041001.4). Volgens de interpretatie die het Hof van Cassatie in zijn voormelde arrest van 23 februari 2018 heeft gegeven, vormt de seponering door het openbaar ministerie geen beslissing over de strafvordering in de zin van artikel 358, § 2, 2°, van het WIB 1992. B.3. Uit de formulering van de prejudiciële vraag

uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid na te gaan van de in 6 het geding zijnde bepaling met de artikelen 10, 11

172 van de Grondwet, in de interpretatie dat, in geval van seponering van de strafvordering die is ingesteld door het openen van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek, geen

kele termijn waarin de belasting of de aanvullende belasting moet worden gevestigd, een aanvang neemt. In die interpretatie wordt het Hof verzocht de belastingplichtigen wier fiscale situatie het voorwerp uitmaakt van een herziening met toepassing van de in het geding zijnde bepaling, met elkaar te vergelijken naargelang de rechtsvordering die heeft geleid tot die herziening het voorwerp uitmaakt van een beslissing die niet meer vatbaar is voor verzet of beroep, dan wel het voorwerp uitmaakt van een seponering. Terwijl de termijn van twaalf maanden waarin de belasting of de aanvullende belasting moet worden gevestigd, een aanvang neemt in het eerste geval, neemt, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, in het tweede geval geen

kele termijn een aanvang. Het Hof onderzoekt de prejudiciële vraag in die zin. B.4.1. De artikelen 10

11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie. Artikel 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in fiscale aangelegenheden. B.4.2. Het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust

het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel

de gevolgen van de betwiste maatregel

met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen

het beoogde doel. B.

  1. De in B.3 vermelde categorieën van belastingplichtigen zijn vergelijkbaar in het licht van de in het geding zijnde maatregel, daar het in beide gevallen gaat om belastingplichtigen wier fiscale situatie wordt herzien naar aanleiding van een rechtsvordering waaruit blijkt dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in een van de vijf jaren die voorafgaan aan het jaar waarin de vordering is ingesteld. 7 B.
  2. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het feit dat de rechtsvordering al dan niet het voorwerp uitmaakt van een beslissing die niet meer vatbaar is voor verzet of beroep. B.
  3. De in het geding zijnde bepaling, zoals zij van toepassing is in de zaak voor het verwijzende rechtscollege, vindt haar oorsprong in artikel 57 van de wet van 5 januari 1976 « betreffende de budgettaire voorstellen 1975-1976 ». Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de in het geding zijnde maatregel deel uitmaakt van een aantal maatregelen die ertoe strekken belastingfraude te bestrijden (Parl. St., Senaat, 1975-1976, nr. 742/2, p. 9). Gelet op het nagestreefde doel is het pertinent dat de uiterste termijn om de belasting of de aanvullende belasting te vestigen, pas aanvangt na afloop van de rechtsvordering, daar tot de beëindiging daarvan kan blijken dat er niet-aangegeven belastbare inkomsten zijn. B.
  4. In de interpretatie van het verwijzende rechtscollege heeft de in het geding zijnde bepaling evenwel onevenredige gevolgen, in zoverre het feit dat geen

kele termijn waarin de belasting of de aanvullende belasting moet worden gevestigd een aanvang neemt, de belastingplichtige wiens fiscale situatie wordt herzien wegens een rechtsvordering die wordt geseponeerd, voor onbepaalde tijd in het ongewisse laat. B.9. In de interpretatie dat, in geval van seponering van de strafvordering die is ingesteld door het openen van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek, geen

kele termijn waarin de belasting of de aanvullende belasting moet worden gevestigd, een aanvang neemt, is artikel 358, § 1, 3°,

§ 2

, 2°, van het WIB 1992 niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11

172 van de Grondwet. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 358, § 1, 3°,

§ 2

, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt de artikelen 10, 11

172 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Frans

het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 10 november 2022. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.144 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030221.3 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031107.3 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041001.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050609.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141212.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180223.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.