id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.151 Arrest- Rolnummer: 151/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-28 Raadplegingen: 493 - laatst gezien 2026-06-14 19:40 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 20110, 20111 en 20112 van het Wetboek diverse rechten en taksen, gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht - Jaarlijkse taks op de kredietinstellingen - Vrijstelling - Depositobank Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 151/2022 van 17 november 2022 Rolnummer : 7714 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 20110, 20111 en 20112 van het Wetboek diverse rechten en taksen, gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 19 november 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 december 2021, heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 201/10, 201/11 en 201/12 van het Wetboek Diverse Rechten en Taksen, in voorkomend geval aangepast of ingevoerd door de Wet van 3 augustus 2016 tot invoering van een nieuwe Jaarlijkse Taks op de Kredietinstellingen, het gelijkheidsbeginsel voorzien in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, daar waar uit de parlementaire voorbereidingen duidelijk blijkt dat het de bedoeling is van de wetgever om financiële instellingen die optreden als dienstenverstrekker in de financiële sector (en die niet of slechts in heel beperkte mate klassieke bankenactiviteiten uitoefenen) niet te onderwerpen aan de Jaarlijkse Taks, maar waarbij daarentegen de vrijstelling voorzien in artikel 201/12/1 beperkt is tot kredietinstellingen die in België erkend zijn als ‘ vereffeningsinstelling en ’ of ‘ met vereffeningsinstelling en gelijkgestelde instellingen ’, terwijl een Belgisch bijkantoor van een in de E.U. gevestigde financiële instelling wél wordt onderworpen aan de jaarlijkse taks zonder in aanmerking te komen voor de vrijstelling, hoewel zij zowel in de feiten als op basis van haar erkenning (in casu in een andere EU-staat) en haar statuten ook louter optreedt als dienstenverstrekker in de financiële sector (en niet of slechts in heel beperkte mate klassieke bankenactiviteiten uitoefent) ? ». 2 Memories zijn ingediend door : - de vennootschap naar Frans recht « CACEIS Bank SA », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Coudron en Mr. M. Vekeman, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. I. Bollingh, advocaat bij de balie te Brussel. De vennootschap naar Frans recht « CACEIS Bank SA » heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 21 september 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en T. Giet, ter vervanging van emeritus rechter J.-P. Moerman, te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 oktober 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 12 oktober 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Voor de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel vordert de vennootschap naar Frans recht « CACEIS Bank SA » de terugbetaling van de door haar betaalde bedragen in het kader van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen voor de aanslagjaren 2017 en
- Zij voert aan dat zij recht had en heeft op een vrijstelling van die taks. Zij doet daarbij gelden dat het feit dat die vrijstelling beperkt is tot met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen die een vergunning hebben van de Nationale Bank van België, ongrondwettig is. Daarop stelt de Rechtbank de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A– A.
- De vennootschap naar Frans recht « CACEIS Bank SA », verzoekende partij in het geding voor de verwijzende rechter, voert aan dat de vereiste van een bijkomende vergunning van de Nationale Bank van België ongrondwettig is. De wetgever had volgens haar de bedoeling om banken die geen klassieke bankenactiviteit uitoefenen, maar veeleer als dienstverstrekker in de financiële sector optreden, niet aan de taks te onderwerpen. Door echter de toepassing van de vrijstelling te beperken tot met vereffeningsinstellingen gelijkstelde instellingen, heeft de wetgever ten onrechte de vrijstelling beperkt tot een aantal specifieke te identificeren spelers. Die zijn de rechtstreekse concurrenten van de verzoekende partij in het geding voor de verwijzende rechter, en worden volgens haar bijgevolg bevoordeeld. Zij voert aan dat haar erkenning in Frankrijk als depositobank voldoende zou moeten zijn, en dat het niet redelijk verantwoord is om bijkomend te eisen dat zij een vergunning verkrijgt van de Nationale Bank van België, hoewel zij daarvoor in aanmerking komt. 3 A.
- De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is, aangezien de verzoekende partij op geen enkele wijze aantoont dat haar een vergunning werd geweigerd, noch dat zij er zelfs maar één heeft aangevraagd. Dit terwijl duidelijk blijkt uit de combinatie van artikel 20112/1 van het Wetboek diverse rechten en taksen met artikel 36/26/1, § 6, van de wet van 22 februari 1998 « tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België » en met artikel 36 van het koninklijk besluit van 26 september 2005 « houdende het statuut van de vereffeningsinstellingen en de met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen », dat zij hiervoor, net zozeer als de concurrenten waarnaar zij steeds verwijst, in aanmerking komt. Ten gronde stelt de Ministerraad dat de verzoekende partij niet kan worden vergeleken met andere instellingen die wel over de vereiste vergunning beschikken, net omdat zij niet vergund is. Zelfs indien zij vergelijkbaar zouden zijn, is de keuze voor het vergunningensysteem redelijk verantwoord, om te vermijden dat per kredietinstelling telkens opnieuw moet worden nagegaan in welke mate haar activiteiten of vergunning al dan niet voldoende beperkt is tot bepaalde activiteiten of cliënten. Bovendien wordt bij het materieel toepassingsgebied van de taks reeds rekening gehouden met de mogelijkheid dat instellingen verschillende activiteiten ontwikkelen. Dit blijkt ook uit de situatie van de verzoekende partij in het geding voor de verwijzende rechter. Bijgevolg is er geen sprake van onevenredige gevolgen. -B- B.
- Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, van artikel 20112/1 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 3 augustus 2016 « tot invoering van een nieuwe jaarlijkse taks op de kredietinstellingen in de plaats van de bestaande jaarlijkse taksen, van de aftrekbeperkende maatregelen in de vennootschapsbelasting en van de bijdrage voor de financiële stabiliteit » doordat een Belgisch bijkantoor van een in de Europese Unie gevestigde financiële instelling onderworpen wordt aan de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen, zonder in aanmerking te komen voor de in die bepaling vervatte vrijstellingen. B.2.
- Artikel 20112/1, van het Wetboek diverse rechten en taksen, zoals ingevoerd bij artikel 4 van de voormelde wet van 3 augustus 2016 en vóór de wijziging ervan bij artikel 102 van de wet van 27 juni 2021 « houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten », bepaalt : « De jaarlijkse taks is niet van toepassing op de vennootschappen die door de Koning zijn erkend als centrale depositaris voor financiële instrumenten in de zin van het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten, of die een vergunning hebben als met vereffeningsinstelling gelijkgestelde instelling overeenkomstig artikel 36/26, § 7, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organieke statuut van de Nationale Bank van België ». 4 B.2.
- Artikel 36/26/1, § 6, van de wet van 22 februari 1998 « tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België », vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 juli 2022, bepaalt : « Voor de toepassing van deze paragraaf worden beschouwd als depositobanken de in België gevestigde kredietinstellingen waarvan het bedrijf uitsluitend bestaat in het verstrekken van diensten van bewaarneming van financiële instrumenten, het aanhouden van financiële- instrumentenrekeningen, de afwikkeling van financiële instrumenten en daarmee verband houdende niet-bancaire diensten, naast de activiteiten bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, wanneer die activiteiten een nevendienst vormen van of verband houden met de voornoemde diensten. De in het eerste lid bedoelde depositobanken dienen een vergunning te verkrijgen van de Bank, op advies van de FSMA. De Bank is belast met het prudentieel toezicht op die instellingen. Op advies van de Bank en de FSMA regelt de Koning inzonderheid, op zowel geconsolideerde als niet-geconsolideerde basis, de voorwaarden en de procedure voor de vergunningverlening aan en de handhaving van de vergunning van deze instellingen door de Bank, met inbegrip van de reikwijdte van het advies van de FSMA en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan door de personen die de effectieve leiding waarnemen, en de personen die een belangrijke deelneming bezitten. De Bank kan een depositobank toestaan andere dan de in het eerste lid bedoelde diensten te verstrekken en bepaalt de voorwaarden waaronder die toestemming wordt verleend ». B.2.
- Artikel 36 van het koninklijk besluit van 26 september 2005 « houdende het statuut van de vereffeningsinstellingen en de met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen » bepaalt : « Hoofdstukken II tot V zijn van toepassing op met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen die zijn opgericht als bijkantoren in België van buitenlandse instellingen. De in het eerste lid bedoelde instellingen dienen bovendien aan te tonen dat aan de volgende voorwaarden is voldaan : 1° zij zijn in hun Staat van herkomst onderworpen aan een toezichtsregeling die door de FSMA toereikend wordt gevonden; 2° de mogelijkheden tot informatie-uitwisseling tussen de FSMA en de bevoegde overheden of andere relevante instanties van de Staat onder wiens recht de instelling ressorteert, vormen geen beletsel voor een passend toezicht in de zin van dit besluit ». B.
- Uit voormelde bepalingen blijkt dat de verzoekende partij in het geding ten gronde wel degelijk in aanmerking komt voor de in artikel 20112/1 vermelde vrijstelling. Dit blijkt eveneens uit de memories van die partij, waarin zij uitdrukkelijk verklaart dat zij voldoet aan 5 de voorwaarden om een vergunning als depositobank, en bijgevolg de daarop steunende vrijstelling, te verkrijgen. De prejudiciële vraag berust op een verkeerd uitgangspunt en behoeft bijgevolg geen antwoord. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.151 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div