← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.152

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.152 Arrest- Rolnummer: 152/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-28 Raadplegingen: 636 - laatst gezien 2026-06-15 08:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 530 van het Wetboek van vennootschappen, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Vennootschapsrecht - Naamloze vennootschap - Faillissement - Faillissement met ontoereikend actief - Persoonlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders, gewezen bestuurders en feitelijke bestuurders - Voorwaarden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 152/2022 van 17 november 2022 Rolnummer : 7735 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 530 van het Wetboek van vennootschappen, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, S. de Bethune en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 22 december 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 januari 2022, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 530 van het Wetboek van vennootschappen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet voorziet in een uitsluiting van aansprakelijkheid voor de bestuurders van gefailleerde naamloze vennootschappen die, over de drie boekjaren voorafgaand aan het faillissement, een gemiddelde omzet van minder dan 620 000 euro, exclusief btw, hebben verwezenlijkt, en waarvan het totaal van de balans bij het einde van het laatste boekjaar niet hoger was dan 370 000 euro, terwijl die uitsluiting wel ten goede komt aan de zaakvoerders of bestuurders van gefailleerde besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en gefailleerde coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarvan de gemiddelde omzet van de laatste drie boekjaren voorafgaand aan het faillissement en het totaal van de balans bij het einde van het laatste boekjaar de voormelde drempelwaarden niet hebben overschreden, overeenkomstig de artikelen 265 en 409 van het oud Wetboek van vennootschappen ? ». Memories zijn ingediend door : - Anders Myllerup, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Rulkin, advocaat bij de balie te Brussel; 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 21 september 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 oktober 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 12 oktober 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 13 december 2010 verklaart de Rechtbank van Koophandel te Nijvel een naamloze vennootschap failliet. Bij dagvaarding van 13 juni 2012 stelt een schuldeiser van die vennootschap voor diezelfde Rechtbank een vordering tot aanzuivering van het passief in tegen twee bestuurders op grond van artikel 530 van het Wetboek van vennootschappen teneinde hen te veroordelen tot de betaling van 20 406,44 euro, naast de gerechtelijke intresten en de onkosten. Op 16 juli 2012 stelt de curator een vrijwillige tussenkomst in en vordert hij de terugbetaling van 353 485 euro, hetgeen overeenstemt met het volledige passief van de vennootschap, naast de gerechtelijke intresten sinds de datum van het vonnis van faillietverklaring. Op 25 maart 2014 neemt de Rechtbank van Koophandel te Nijvel de aansprakelijkheid van de betrokken bestuurders in aanmerking op grond van artikel 530 van het Wetboek van vennootschappen en veroordeelt hen hoofdelijk ertoe aan de voormelde schuldeiser 20 406,44 euro te betalen als hoofdschade en 2 565,39 euro als gerechtelijke intresten en aan de curator 353 485 euro in hoofdsom en 35 000 euro onkosten en honoraria, onder aftrek van het bedrag dat in hoofdsom is toegekend aan de schuldeiser, te verhogen met de gerechtelijke intresten. Bij een verzoekschrift van 30 juni 2014 stellen de bestuurders bij het Hof van Beroep te Brussel hoger beroep in tegen dat vonnis. De voormelde schuldeiser en de curator stellen incidenteel beroep in. Op 2 april 2021 geeft de raadsman van een van de bestuurders kennis van diens overlijden, hetgeen een stuiting van de rechtspleging ten aanzien van de overleden bestuurder met zich meebrengt. Bij een arrest van 22 december 2021 stelt het Hof van Beroep te Brussel vast dat de wetgeving die van toepassing is op het geschil dat het dient te beslechten het Wetboek van vennootschappen is. Het oordeelt dat de voorwaarden voor de toepassing van artikel 530 van het Wetboek van vennootschappen, dat voorziet in de aansprakelijkheid van de bestuurder voor een kennelijk grove fout en die heeft bijgedragen tot het faillissement in geval van faillissement met ontoereikend actief, te dezen zijn vervuld. Het stelt vast dat, in tegenstelling tot hetgeen artikel 265, § 1, van het Wetboek van vennootschappen bepaalt wat betreft de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en in tegenstelling tot wat artikel 409, § 1, van het Wetboek van vennootschappen bepaalt wat betreft de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, artikel 530 van het Wetboek van vennootschappen in het geval van de naamloze vennootschappen niet voorziet in een uitzondering op de aansprakelijkheid van de bestuurder wegens kennelijk grove fout wanneer de gefailleerde vennootschap, over de drie boekjaren voorafgaand aan het faillissement, een gemiddelde omzet van minder dan 620 000 euro, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, heeft verwezenlijkt en wanneer het totaal van de balans bij het einde van het laatste boekjaar niet hoger was dan 370 000 euro. De betrokken naamloze vennootschap vervult die voorwaarden van omzet en totaal van de balans bepaald bij de artikelen 265 en 409 van het Wetboek van vennootschappen. Derhalve stelt het Hof van Beroep te Brussel, op verzoek van de betrokken bestuurder, maar afwijkend van de voorgestelde formulering, aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.1.

  1. De bestuurder van de in het geding zijnde gefailleerde vennootschap, die een van de appellanten voor de verwijzende rechter is, betoogt dat de artikelen 265 en 409 van het Wetboek van vennootschappen, wat betreft de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, voorzien in een uitsluiting van de aansprakelijkheid van de bestuurders en de zaakvoerders op grond van economische criteria die verbonden zijn met de door de betrokken vennootschap daadwerkelijk ontplooide activiteiten, die geen betrekking hebben op de vorm van die vennootschap. Het gaat evenmin om juridische of financiële criteria die verbonden zijn met de oprichting van de vennootschap zoals het bedrag van het aanvankelijk maatschappelijk kapitaal, het aantal aandeelhouders of nog de overdraagbaarheid van de effecten. Volgens de appellante voor de verwijzende rechter wordt in de prejudiciële vraag dus niet verzocht de naamloze vennootschappen, enerzijds, en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, anderzijds, met elkaar te vergelijken maar veeleer om de « kleine » naamloze vennootschappen, enerzijds, en de « kleine » besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en de « kleine » coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, anderzijds, met elkaar te vergelijken. A.1.
  2. Volgens de voormelde appellante is dat verschil in behandeling gegrond op een objectief criterium, namelijk de maatschappelijke vorm van de vennootschap, maar is het niet redelijk verantwoord. Uit de parlementaire voorbereiding van de bepaling, die aan de oorsprong ligt van artikel 265 van het Wetboek van vennootschappen, blijkt immers dat de uitzondering inzake aansprakelijkheid met betrekking tot de « kleine » besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid ertoe strekt de jonge ondernemers niet te ontmoedigen. Die regel is vervolgens zonder verdere verantwoording uitgebreid naar de « kleine » coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. Volgens de voormelde appellante is het in de in het geding zijnde bepaling in aanmerking genomen criterium van onderscheid niet relevant om de door de wetgever nagestreefde doelstelling te verwezenlijken, aangezien er ook « kleine » naamloze vennootschappen bestaan die aan de in de artikelen 265 en 409 van het Wetboek van vennootschappen vastgelegde economische criteria voldoen. Jonge ondernemers kunnen immers probleemloos beslissen een naamloze vennootschap op te richten, temeer daar op het ogenblik van de oprichting van de in het geding zijnde gefailleerde vennootschap het benodigde minimaal maatschappelijk kapitaal om een naamloze vennootschap op te richten 1 250 000 Belgische frank bedroeg, dat wil zeggen nauwelijks meer dan dat voor een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, dat 750 000 frank bedroeg. Bovendien is geen enkele leeftijdsvoorwaarde vastgelegd om een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid op te richten en is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid mettertijd een relatief open vennootschap geworden, op soortgelijke wijze als de naamloze vennootschap. De voormelde appellante merkt voorts op dat de economische criteria van 620 000 euro omzet en 370 000 euro balanstotaal, waarin is voorzien bij de artikelen 409 en 530 van het Wetboek van vennootschappen, niet zijn verbonden noch evenredig zijn met het voornaamste onderscheidende element van de vormen van vennootschappen, namelijk het bedrag van het minimaal maatschappelijk kapitaal. Volgens de parlementaire voorbereiding van de bepaling die aan de oorsprong ligt van artikel 265 van het Wetboek van vennootschappen, werden die economische criteria vastgelegd om te vermijden dat een te groot aantal kleine ondernemingen door de wet wordt beoogd. Bijgevolg hadden die criteria kunnen worden toegepast op de « kleine » naamloze vennootschappen. Tot slot wordt, volgens de voormelde appellante, op het ogenblik van de oprichting van een vennootschap en van de keuze van de maatschappelijke vorm, door de oprichters geen rekening gehouden met het in het geding zijnde verschil in behandeling, aangezien in de vergelijkingstabellen niet ernaar wordt verwezen. A.1.
  3. Volgens de voormelde appellante veroorzaakt het in het geding zijnde verschil in behandeling onevenredige gevolgen, aangezien de zaakvoerders van de « kleine » besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en de bestuurders van de « kleine » coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid volledig zijn vrijgesteld van hun aansprakelijkheid, in de hypothese van een faillissement met ontoereikend actief, in geval van kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement, in tegenstelling tot de bestuurders van de « kleine » naamloze vennootschappen, die in die hypothese aansprakelijk zijn zonder dat bij de wet in enig maximumbedrag is voorzien. 4 A.1.
  4. De voormelde appellante merkt daarenboven op dat sommige bepalingen van het Wetboek van vennootschappen van toepassing zijn op de « kleine » vennootschappen, los van hun rechtsvorm, met name artikel 93 van het Wetboek van vennootschappen, dat voorziet in de mogelijkheid om de jaarrekening op te maken volgens het verkorte schema, en artikel 94, § 1, 1°, van het Wetboek van vennootschappen, dat voorziet in de mogelijkheid om geen schriftelijk jaarverslag op te maken. In andere hypotheses met betrekking tot de aansprakelijkheid van de oprichters of de bestuurders geldt eenzelfde regeling voor de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en de naamloze vennootschappen, met name wat betreft de aansprakelijkheid van de oprichters wegens een klaarblijkelijk ontoereikend maatschappelijk kapitaal en wat betreft de alarmbelprocedure. A.1.
  5. Tot slot doet de voormelde appellante opmerken dat artikel XX.225 van het Wetboek van economisch recht, in geval van een vordering tot aanzuivering van het passief, voortaan voorziet in een uitsluiting van de aansprakelijkheid voor de bestuurders, ongeacht de vorm van de vennootschap. Bijgevolg is, sinds de inwerkingtreding van het Wetboek van economisch recht, de situatie van de bestuurders van de « kleine » naamloze vennootschappen identiek aan de situatie van de bestuurders van de « kleine » coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, hetgeen het niet-relevante karakter van het in het geding zijnde verschil in behandeling bevestigt. A.2.
  6. Volgens de Ministerraad berust het in het geding zijnde verschil in behandeling op de vorm van de vennootschap, hetgeen een objectief criterium is. De verschillende vormen van vennootschappen vertonen talrijke kenmerken die hen onderscheiden en die de keuze van de oprichters ten voordele van deze of gene vorm leiden. Bijgevolg komt het in het geding zijnde verschil in behandeling voort uit een vrije en weloverwogen keuze vanwege de oprichters van de vennootschap. Door te voorzien in verschillende vormen van vennootschappen met verschillende kenmerken, biedt de wetgever de ondernemer verschillende mogelijkheden om zijn activiteiten juridisch te structureren. Het staat derhalve aan die laatste de regeling te kiezen die hem het best lijkt te passen bij zijn persoonlijke situatie, door alle juridische consequenties die aan die keuze verbonden zijn, inclusief, in voorkomend geval, die waarin is voorzien bij de in het geding zijnde bepaling, in overweging te nemen. A.2.
  7. Daarenboven betoogt de Ministerraad dat de omstandigheid dat het in het geding zijnde verschil in behandeling is opgeheven bij artikel XX.225 van het Wetboek van economisch recht niet relevant is. Die bepaling was immers niet van kracht op het ogenblik van de feiten die aan de oorsprong liggen van het geschil dat hangende is voor de verwijzende rechter en is derhalve niet van toepassing op dat geschil. Daarenboven past artikel XX.225 van het Wetboek van economisch recht in een nieuw kader dat conceptueel zeer verschillend is van het Wetboek van vennootschappen, aangezien het tegelijkertijd de ondernemingen en de vennootschappen beoogt en aangezien het in het geding zijnde verschil in behandeling vormen van vennootschappen betreft die niet langer bestaan in het kader van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, dat het Wetboek van vennootschappen heeft vervangen. -B- B.
  8. Artikel 530, § 1, van het Wetboek van vennootschappen, zoals het van toepassing is in de zaak voor de verwijzende rechter, bepaalt : « Indien bij faillissement van de vennootschap de schulden de baten overtreffen, kunnen bestuurders of gewezen bestuurders, alsmede alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad, persoonlijk en al dan niet hoofdelijk aansprakelijk worden verklaard voor het geheel of een deel van de schulden van de vennootschap tot het beloop van het tekort, indien komt vast te staan dat een door hen begane, kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement. Zowel de curators als de benadeelde schuldeisers kunnen een rechtsvordering instellen. De benadeelde schuldeiser die een rechtsvordering instelt, brengt de curator hiervan op de hoogte. 5 In het laatste geval is het bedrag toegekend door de rechter beperkt tot het nadeel [geleden] door de schuldeisers die de vordering hebben ingesteld. Dat bedrag komt uitsluitend aan hen toe, ongeacht enige vordering vanwege de curators in het belang van de boedel van de schuldeisers. […] ». B.2.
  9. Artikel 530, § 1, van het Wetboek van vennootschappen is van toepassing op de naamloze vennootschappen. Het gaat terug op artikel 63ter van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen en werd in die wetten ingevoegd bij artikel 91 van de wet van 4 augustus 1978 « tot economische heroriëntering » (hierna : de wet van 4 augustus 1978). De wetgever beoogde de situatie van de schuldeisers bij faillissement te verbeteren en de aansprakelijkheid van bestuurders ten opzichte van de schuldeisers te verzwaren in geval van faillissement met ontoereikend actief. B.2.
  10. Opdat die bijzondere aansprakelijkheid van bestuurders in geval van faillissement kan worden aangevoerd, moet aan de volgende cumulatieve voorwaarden zijn voldaan : het faillissement van de vennootschap is uitgesproken; het actief van de vennootschap is ontoereikend om de schuldeisers te voldoen; de vordering wordt ingeleid tegen een bestuurder, gewezen bestuurder of feitelijke bestuurder van een vennootschap; die personen hebben een kennelijk grove fout begaan waarmee de wetgever « het exceptioneel karakter van die fout [wilde] beklemtonen » (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 415-2, p. 150); die fout heeft bijgedragen tot het faillissement, waarbij het voldoende is dat de grove fout mede de oorzaak van het faillissement is. B.
  11. Wat de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid betreft, bepaalt artikel 265, § 1, van het Wetboek van vennootschappen, zoals het van toepassing was ten tijde van het faillissement dat aanleiding heeft gegeven tot de zaak voor de verwijzende rechter : « Indien bij faillissement van de vennootschap de schulden de baten overtreffen, kunnen zaakvoerders of gewezen zaakvoerders, alsmede alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad, persoonlijk en al dan niet hoofdelijk aansprakelijk worden verklaard voor het geheel of een deel van de schulden van de vennootschap ten belope van het tekort, indien komt vast te staan dat een door hen begane, kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement. Het eerste lid is evenwel niet van toepassing wanneer de gefailleerde vennootschap over de drie boekjaren voor het faillissement een gemiddelde omzet van minder dan 620 000 EUR, 6 buiten de belasting over de toegevoegde waarde, heeft verwezenlijkt, en wanneer het totaal van de balans bij het einde van het laatste boekjaar niet hoger was dan 370 000 EUR. Zowel de curators als de benadeelde schuldeisers kunnen de rechtsvordering instellen. De benadeelde schuldeiser die een rechtsvordering instelt, brengt de curator hiervan op de hoogte. In het laatste geval is het bedrag toegekend door de rechter beperkt tot het nadeel [geleden] door de schuldeisers die de vordering hebben ingesteld. Dat bedrag komt uitsluitend aan hen toe, ongeacht enige vordering vanwege de curators in het belang van de boedel van de schuldeisers. […] ». B.
  12. Artikel 265, § 1, van het Wetboek van vennootschappen gaat terug op artikel 133bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen en werd in die wetten ingevoegd bij artikel 94 van de wet van 4 augustus
  13. Het ontwerp dat aan de oorsprong ligt van die bepaling voorzag, voor de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, in dezelfde aansprakelijkheidsregeling in geval van faillissement met ontoereikend actief als die welke van toepassing is op de naamloze vennootschappen. De uitzondering, zoals bedoeld bij artikel 265, § 1, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen, is voortgekomen uit een amendement dat door de Regering is ingediend met het doel « de nieuwe en vooral jonge zelfstandigen niet te ontmoedigen bij de aanvang van hun zelfstandig beroep » (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 415-2, p. 153) en ervoor « [te waken] dat een groot aantal kleine ondernemingen niet onder de wet vallen » (ibid., p. 154). B.
  14. Wat de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid betreft, bepaalt artikel 409, § 1, van het Wetboek van vennootschappen, zoals het van toepassing was in de tijd van het faillissement dat aanleiding heeft gegeven tot de zaak voor de verwijzende rechter : « Indien bij faillissement van de vennootschap de schulden de baten overtreffen, kunnen bestuurders of gewezen bestuurders, alsmede alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad, persoonlijk en al dan niet hoofdelijk aansprakelijk worden verklaard voor het geheel of een deel van de schulden van de vennootschap tot het beloop van het tekort, indien komt vast te staan dat een door hen begane, kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement. Het eerste lid is evenwel niet van toepassing wanneer de gefailleerde vennootschap over de drie boekjaren voor het faillissement een gemiddelde omzet van minder dan 620 000 EUR, buiten de belasting over de toegevoegde waarde, heeft verwezenlijkt, en wanneer het totaal van de balans bij het einde van het laatste boekjaar niet hoger was dan 370 000 EUR. 7 Zowel de curators als de benadeelde schuldeisers kunnen de rechtsvordering instellen. De benadeelde schuldeiser die een rechtsvordering instelt, brengt de curator hiervan op de hoogte. In het laatste geval is het bedrag toegekend door de rechter beperkt tot het nadeel geleden door de schuldeisers die de vordering hebben ingesteld. Dat bedrag komt uitsluitend aan hen toe, ongeacht enige vordering vanwege de curators in het belang van de boedel van de schuldeisers. […] ». B.6.
  15. Artikel 409, § 1, van het Wetboek van vennootschappen voorziet voor de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid in dezelfde regeling inzake aansprakelijkheid in geval van faillissement met ontoereikend actief als die welke van toepassing is op de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid krachtens artikel 265, § 1, van het Wetboek van vennootschappen. B.6.
  16. De uitzondering inzake aansprakelijkheid waarin is voorzien bij artikel 409, § 1, tweede lid, gaat terug op artikel 158 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, zoals het is gewijzigd bij de wet van 13 april 1995 « tot wijziging van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935 » (hierna : de wet van 13 april 1995), die het voormelde artikel 133bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen van toepassing maakt op de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 april 1995 wordt gepreciseerd dat de wetgever de regeling inzake aansprakelijkheid in geval van faillissement met ontoereikend actief van de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid in lijn heeft willen brengen met die van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid om de reden dat « CV’s beter worden vergeleken met BVBA’s dan met NV’s » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 1005/3, p. 3). B.
  17. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 530 van het Wetboek van vennootschappen, in zoverre het een verschil in behandeling creëert tussen, enerzijds, de bestuurders, gewezen bestuurders en feitelijke bestuurders van een naamloze vennootschap zoals bedoeld in die bepaling en, anderzijds, de zaakvoerders, gewezen zaakvoerders en feitelijke zaakvoerders van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 265 van het Wetboek van vennootschappen alsook de bestuurders, gewezen bestuurders en feitelijke bestuurders van een coöperatieve vennootschap met beperkte 8 aansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 409 van het Wetboek van vennootschappen. Volgens de verwijzende rechter voorziet artikel 530 van het Wetboek van vennootschappen niet in een uitzondering op de aansprakelijkheid die het instelt in de hypothese van een naamloze vennootschap die, over de drie boekjaren voorafgaand aan het faillissement, een gemiddelde omzet van minder dan 620 000 euro, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, heeft verwezenlijkt, en wanneer het totaal van de balans bij het einde van het laatste boekjaar niet hoger was dan 370 000 euro. Een dergelijke uitzondering is echter, krachtens artikel 265 van het Wetboek van vennootschappen, wel ingesteld voor wat betreft de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en, krachtens artikel 409 van het Wetboek van vennootschappen, voor wat betreft de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. B.8.
  18. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.8.
  19. In tegenstelling tot hetgeen de appellante voor de verwijzende rechter beweert, vormt de omstandigheid dat de wetgever artikel 530 van het Wetboek van vennootschappen inmiddels heeft opgeheven naar aanleiding van de aanneming van artikel XX.225 van het Wetboek van economisch recht, om voortaan te voorzien in een uitzondering op de regeling inzake aansprakelijkheid van de personen die erin worden beoogd in geval van faillissement met ontoereikend actief ten gunste van alle ondernemingen die voldoen aan bepaalde economische en boekhoudkundige criteria, met inbegrip van de naamloze vennootschappen, niet het bewijs van het discriminerende karakter van de vroegere wetgeving. Het feit dat de wetgever die regel verkieslijk achtte boven de vroegere, toont niet aan dat de vroegere bepaling die voor de hangende geschillen van toepassing blijft, strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 9 B.
  20. Het in B.7 bedoelde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, zijnde de rechtsvorm van de vennootschap. B.10.
  21. Uit de in B.4 en B.6.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever geen uitzondering wenste in te stellen op de regeling inzake aansprakelijkheid van de bestuurders, gewezen bestuurders en feitelijke bestuurders in geval van faillissement van een naamloze vennootschap met ontoereikend actief. Omgekeerd heeft hij uitdrukkelijk voorzien in een dergelijke uitzondering ten voordele van de zaakvoerders, gewezen zaakvoerders en feitelijke zaakvoerders van besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid die aan bepaalde economische criteria voldoen, teneinde het creëren van kleine en middelgrote ondernemingen niet te ontmoedigen door het oprichten van die vorm van vennootschap. Bij de wet van 13 april 1995 heeft de wetgever die uitzondering uitgebreid tot het geval van de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid om de reden dat hun rechtsregeling meer gelijkenis vertoont met die van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid dan met die van de naamloze vennootschappen. B.10.
  22. De naamloze vennootschap onderscheidt zich in verscheidene opzichten van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en van de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Het bedrag van het minimale maatschappelijk kapitaal bedraagt met name 18 550 euro voor de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (artikel 390 van het Wetboek van vennootschappen) en, in principe, voor de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (artikel 214 van het Wetboek van vennootschappen), terwijl het 62 500 euro bedraagt voor de naamloze vennootschappen (artikel 439 van het Wetboek van vennootschappen). Bovendien bedraagt het minimumbedrag van het maatschappelijk kapitaal dat moet worden gestort op het ogenblik van de oprichting van de vennootschap 6 200 euro voor de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (artikel 397 van het Wetboek van vennootschappen) en, in principe, voor de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (artikel 223 van het Wetboek van vennootschappen), terwijl het 62 500 euro bedraagt voor de naamloze vennootschappen (artikel 448 van het Wetboek van vennootschappen). Daarenboven zijn de effecten van een naamloze vennootschap in principe vrij overdraagbaar (artikel 504 van het Wetboek van vennootschappen), in tegenstelling tot die van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (artikel 249 en volgende van het Wetboek van vennootschappen) en die van 10 de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (artikel 364 en volgende van het Wetboek van vennootschappen), hetgeen haar met name de mogelijkheid biedt op de beursmarkt te worden genoteerd. B.10.
  23. Bijgevolg vormt de naamloze vennootschap a priori een rechtsvorm die bijzonder geschikt is voor ondernemingen van grote omvang, terwijl de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid meer passend zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 april 1995 wordt dienaangaande gepreciseerd : « De rechtsvorm van de naamloze vennootschap is bij uitstek bestemd voor ondernemingen met een bepaalde omvang. Die vennootschapsvorm werd voor zodanige ondernemingen bedacht aangezien hij in wezen is opgevat als een mechanisme dat het openbaar aantrekken van spaargelden mogelijk maakt, zodat aanzienlijke kapitalen bijeen kunnen worden gebracht. Dit was trouwens ook de zienswijze van de wetgever van 1873 » (Parl. St., Senaat, 1993-1994, nr. 1086/2, p. 35). Het in B.9 aangehaalde criterium van onderscheid is dan ook relevant ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling. B.
  24. Voorts staat het aan het Hof na te gaan of artikel 530 van het Wetboek van vennootschappen geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt. B.12.
  25. De keuze voor deze of gene juridische vennootschapsvorm wordt in beginsel vrij gemaakt, rekening houdend met, inzonderheid, de verschillende regelingen die de wetgever aan die vormen heeft willen verbinden. B.12.
  26. Op straffe van nietigheid worden de naamloze vennootschap, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid opgericht bij authentieke akten (artikel 66 van het Wetboek van vennootschappen). De wetgever heeft dus het optreden willen opleggen van een notaris, die een rol van raadgever vervult ten aanzien van de oprichters bij hun keuze voor deze of gene rechtsvorm van vennootschap en die onderworpen is aan een verplichting tot onpartijdigheid. Laatstgenoemden worden bijgevolg op de hoogte gebracht van de draagwijdte van hun keuze en de gevolgen ervan, met name op het vlak van de aansprakelijkheid van de bestuurders in geval van faillissement. 11 B.13.
  27. Zoals in B.2.1 is vermeld, heeft de wetgever het systeem van aansprakelijkheid waarin is voorzien bij de in het geding zijnde bepaling opgevat als een mechanisme ter bescherming van de schuldeisers van de naamloze vennootschap in geval van faillissement met ontoereikend actief. In die hypothese kan het in het geding brengen van de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder, gewezen bestuurder of feitelijke bestuurder het enige middel vormen om de schuldeisers te voldoen. B.13.
  28. Die aansprakelijkheid vereist evenwel de cumulatieve toepassing van strikte voorwaarden, met name een fout met een uitzonderlijk karakter. Daarenboven komt de beoordeling of aan die voorwaarden is voldaan toe aan de bevoegde rechter, zodat de wetgever aan de betrokken bestuurders, gewezen bestuurders en feitelijke bestuurders de toegang tot een rechter met volle rechtsmacht heeft gewaarborgd. B.
  29. Artikel 530, § 1, van het Wetboek van vennootschappen is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 530 van het Wetboek van vennootschappen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 november
  30. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.152 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.