id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.154 Arrest- Rolnummer: 154/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-12-05 Raadplegingen: 994 - laatst gezien 2026-06-19 09:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche
- Schending (artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 in zoverre het van toepassing is op de veroordelingen wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval)
- Schending (dezelfde bepaling, in zoverre zij automatisch leidt tot een beroepsverbod in geval van veroordelingen wegens inbreuken op de reglementering houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 « tot regeling van de private en bijzondere veiligheid », gesteld door de Raad van State. Publiek recht - Private veiligheid - Bewakingsagent - Beroepsverbod - Veroordeling tot een correctionele of criminele straf - Uitzondering voor de inbreuken op de wegverkeerswet - Uitsluiting -
- Veroordelingen wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval -
- Veroordelingen wegens inbreuken op de reglementering houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 154/2022 van 24 november 2022 Rolnummers : 7643, 7653 en 7704 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 « tot regeling van de private en bijzondere veiligheid », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, M. Pâques, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
- Bij arrest nr. 251.519 van 17 september 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 september 2021, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, vastgelegd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, eventueel in samenhang gelezen met het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid, zoals met name gewaarborgd bij de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden alsook met de algemene beginselen van niet-retroactiviteit van de strengste strafwet, non bis in idem en evenredigheid van de straf, zoals met name gewaarborgd bij de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3, 6 en 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsook bij artikel 4 van het Protocol nr. 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het, - wat de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie betreft (eventueel in samenhang gelezen met het evenredigheidsbeginsel en met artikel 23 van de Grondwet dat het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid waarborgt), op discriminerende wijze en zonder 2 rekening te houden met de elementen van de zaak (bijvoorbeeld het verband met de beoogde functie, de ernst van het misdrijf, het feit dat het misdrijf lang geleden is gepleegd, enz.) bepaalt dat de personen die op basis van het Strafwetboek zijn veroordeeld voor het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen ingevolge een verkeersongeval, niet voldoende betrouwbaar zouden zijn om toe te treden tot de functie van bewakingsagent en dus dat hun een identificatiekaart moet worden geweigerd, in tegenstelling tot de personen die zijn veroordeeld voor inbreuken op de reglementering betreffende de politie over het wegverkeer die zwaarder kunnen zijn en hun betrouwbaarheid meer kunnen aantasten, en dat zij op soortgelijke wijze moeten worden behandeld als de personen die zijn veroordeeld voor inbreuken die geen verband houden met de reglementering betreffende de politie over het wegverkeer maar die zwaarder zijn en hun betrouwbaarheid meer aantasten; - wat het evenredigheidsbeginsel betreft (eventueel in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet dat het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid waarborgt, en met de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie), op onweerlegbare wijze, zonder begrenzing in de tijd en zonder rekening te houden met de elementen van de zaak (bijvoorbeeld het verband met de beoogde functie, de ernst van het misdrijf, het feit dat het misdrijf lang geleden is gepleegd, enz.) bepaalt dat een persoon die is veroordeeld voor het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen ingevolge een verkeersongeval, niet voldoende betrouwbaar zou zijn om toe te treden tot de functie van bewakingsagent en dus dat de identificatiekaart moet worden geweigerd, zonder dat de wetgever aan de overheid de mogelijkheid biedt om te dezen enige beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen; - wat het beginsel van niet-retroactiviteit van de strengste strafwet betreft, bepaalt dat de identificatiekaart moet worden geweigerd, zelfs voor misdrijven die zijn gepleegd vóór de datum van inwerkingtreding van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private [en bijzondere] veiligheid, terwijl de versie van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid die van kracht was op het ogenblik dat de ten laste gelegde feiten werden gepleegd, niet voorzag in die mogelijkheid tot weigering wegens een veroordeling voor het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen ingevolge een verkeersongeval; - wat het beginsel non bis in idem betreft, bepaalt dat de identificatiekaart moet worden geweigerd terwijl, gezien de zwaarte van die beslissing, die laatste moet worden beschouwd als een sanctie die bijgevolg niet kan worden opgelegd aan de aanvrager van de identificatiekaart omdat hij reeds strafrechtelijk werd veroordeeld voor identieke feiten, zijnde voor het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen ingevolge een verkeersongeval meer dan zes jaar geleden; - wat het beginsel van evenredigheid van de straf betreft (eventueel in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet dat het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid waarborgt), bepaalt dat de identificatiekaart moet worden geweigerd, hetgeen op onweerlegbare wijze en zonder begrenzing in de tijd een onmogelijkheid impliceert om toe te treden tot de functie van bewakingsagent, ondanks het feit dat de aanvrager van de kaart enkel is veroordeeld voor het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen ingevolge een verkeersongeval ? ».
- Bij arrest nr. 251.786 van 7 oktober 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 oktober 2021, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : 3 « Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘ tot regeling van de private en bijzondere veiligheid ’ het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet uiteengezette gelijkheidsbeginsel doordat, enerzijds, die bepaling wel een uitzondering maakt voor veroordelingen wegens inbreuken op de wegverkeerswet maar niet voor veroordelingen wegens andere, door de politierechtbank gesanctioneerde tenlasteleggingen en, anderzijds, die bepaling geen onderscheid maakt tussen de veroordelingen wegens alle andere inbreuken dan de inbreuken op de wegverkeerswet en dus een veroordeling wegens een inbreuk op een tijdelijke maatregel om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken op exact dezelfde manier wordt behandeld als veroordelingen wegens andere inbreuken op de strafwet ? »; « Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘ tot regeling van de private en bijzondere veiligheid ’ het recht op arbeid en in het bijzonder het recht op vrije keuze van de beroepsarbeid zoals gewaarborgd door de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het iedereen die veroordeeld is geweest tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek of tot een gelijkaardige straf in het buitenland, met uitzondering van de inbreuken op de wegverkeerswet, automatisch de toegang ontzegt tot de beroepen bedoeld in artikel 60 van de voormelde wet van 2 oktober 2017 en in het bijzonder tot het beroep van bewakingsagent, zonder dat er ook maar enige beoordeling gebeurt van de aard en de ernst van de strafrechtelijke feiten, de context waarin ze plaatsvonden, de ouderdom, de herhaling, de impact van de strafrechtelijke feiten op het vereiste profiel voor de desbetreffende functie en de persoonlijkheid van de aanvrager van de identificatiekaart ? ».
- Bij arrest nr. 252.391 van 10 december 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 december 2021, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het, enerzijds, de personen die zijn veroordeeld tot enige correctionele of criminele straf in de zin van artikel 7 van het Strafwetboek, of tot een gelijkaardige straf in het buitenland, die automatisch worden uitgesloten van de uitoefening van het beroep van bewakingsagent, zonder dat er ook maar enige beoordeling gebeurt van onder meer de aard en de ernst van de strafrechtelijke feiten, de impact ervan op het vereiste profiel voor de desbetreffende functie, de context waarin zij plaatsvonden, de leeftijd, de herhaling en de persoonlijkheid van de aanvrager van de identificatiekaart, en, anderzijds, de personen die zijn veroordeeld wegens een inbreuk op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, die niet aan hetzelfde automatisme worden onderworpen en die bijgevolg enkel eventueel de toegang tot het beroep geweigerd zullen zien of van het beroep zullen worden uitgesloten indien de administratieve overheid op basis van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid van oordeel is dat niet of niet meer wordt beantwoord aan het in artikel 64 van dezelfde wet bepaalde ‘ profiel ’, verschillend behandelt ? »; « Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het, door een automatische uitsluiting van de uitoefening van het beroep van bewakingsagent, alle personen die zijn veroordeeld tot enige correctionele of criminele straf in de zin van artikel 7 van het Strafwetboek, of tot een gelijkaardige straf in het buitenland, op dezelfde wijze behandelt zonder onderscheid volgens onder meer de aard en de ernst van de strafrechtelijke feiten en de impact ervan op het vereiste profiel voor de desbetreffende functie ? ». 4 Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7643, 7653 en 7704 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - M.B., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Cools, advocaat bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 7643); - I.N., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sohier, advocaat bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 7704); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Butenaerts, Mr. S. Lefebvre en Mr. A. Hoedenaeken, advocaten bij de balie te Brussel (in alle zaken). Memories van antwoord zijn ingediend door : - M.B.; - de Ministerraad (in de zaken nrs. 7643 en 7704). Bij beschikking van 21 september 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 oktober 2022 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 12 oktober 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De drie samengevoegde zaken betreffen prejudiciële vragen met betrekking tot artikel 61 van de wet van 2 oktober 2017 « tot regeling van de private en bijzondere veiligheid » (hierna : de wet van 2 oktober 2017), dat de voorwaarden vastlegt waaraan de personen belast met de uitoefening van de activiteiten die binnen het toepassingsgebied van die wet vallen, moeten voldoen. In de zaak nr. 7643 vordert de verzoekende partij voor de Raad van State de nietigverklaring van een beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij haar de toekenning van de identificatiekaart voor de uitoefening van bewakingsactiviteiten wordt geweigerd. Die beslissing wordt gemotiveerd door de omstandigheid dat de verzoekende partij voor de Raad van State werd veroordeeld voor het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen, ten gevolge van een verkeersongeval. In de zaak nr. 7653 betwist de verzoekende partij voor de Raad van State de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij haar identificatiekaart voor de uitoefening van bewakingsactiviteiten wordt ingetrokken. 5 In de zaak nr. 7704 vordert de verzoekende partij voor de Raad van State de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij haar een verbod wordt opgelegd haar uitvoerende functie binnen een beveiligingsdienst of een bewakingsonderneming te blijven uitoefenen en waarbij haar identificatiekaart wordt ingetrokken. In die twee laatste zaken berust de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken op het feit dat de verzoekende partijen werden veroordeeld voor inbreuken op het samenscholingsverbod opgelegd bij artikel 5, 1°, van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 « houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken ». De verzoekende partij in de zaak nr. 7653 werd ook veroordeeld voor een inbreuk op het verbod om zich op de openbare weg en in openbare plaatsen te bevinden waarin is voorzien in artikel 8 van dat besluit. In de drie zaken stellen de verzoekende partijen voor om prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof. De Raad van State stelt de hiervoor aangehaalde prejudiciële vragen. In de verwijzingsbeslissingen merkt de Raad van State op dat meerdere prejudiciële vragen werden gesteld aan het Hof in het kader van de zaak nr.
- Inmiddels heeft het Hof zich over die vragen uitgesproken bij het arrest nr. 190/2021 van 23 december
- III. In rechte -A- A.1.
- In de zaak nr. 7643, wat het eerste deel van de prejudiciële vraag betreft, herinnert de verzoekende partij voor de Raad van State eraan dat de in het geding zijnde bepaling een vestigingsvoorwaarde instelt, met name dat men geen strafrechtelijke veroordeling mag hebben opgelopen, tenzij de veroordeling betrekking had op een inbreuk op de reglementering betreffende de politie over het wegverkeer. Zij doet gelden dat met de invoering van die uitzondering, de wetgever toelaat dat bewakingsagenten inbreuken mogen hebben gepleegd die worden gekenmerkt door een misdadig opzet of, op zijn minst, door een ernstige nalatigheid, zoals het vluchtmisdrijf of het dronken rijden, terwijl de veroordeling voor het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen ten gevolge van een verkeersongeval, in beginsel, onverenigbaar is met de uitoefening van het beroep van bewakingsagent. Zij voert aan dat de wetgever niet motiveert om welke reden een veroordeling voor het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen ten gevolge van een verkeersongeval de betrouwbaarheid van de persoon en zijn geschiktheid om gevaarlijke situaties te detecteren en die zo goed mogelijk te beheren, zou schaden, terwijl het plegen van ernstigere verkeersovertredingen niet die uitkomst zou hebben. Zij herinnert eraan dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt dat « hoewel het in dat kader begrijpelijk is dat [de steller van het voorontwerp] voor het merendeel van de uitgeoefende functies overweegt om de veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer niet in aanmerking te nemen, rijst daarbij evenwel de vraag of, enerzijds, dergelijke veroordelingen voor bepaalde functies toch niet verboden zouden moeten zijn […] en, anderzijds, of andere specifieke wetgevingen niet door de ontworpen bepaling zouden moeten worden uitgesloten omdat de aard van de inbreuken geen verband houdt met de uitgeoefende functies, tenzij, zoals thans het geval is, voorzien wordt in een positieve lijst van wetgeving waarvan de schending het verbod zou rechtvaardigen » (RvSt, advies nr. 60.619/2 van 25 januari 2017). A.1.
- De verzoekende partij voor de Raad van State doet ook gelden dat de minister van Binnenlandse Zaken geen beoordelingsbevoegdheid heeft die hem toelaat rekening te houden met het onvrijwillige karakter van het misdrijf, met het feit dat het niet ernstig is – te dezen werd het misdrijf van het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen bestraft met een geldboete van 50 euro waarvan 20 euro met uitstel –, met het feit dat de gevolgen ervan niet ernstig zijn, met het feit dat het lang geleden is, met de maatregelen die zij heeft genomen om te vermijden dat het misdrijf zich opnieuw voordoet, met de naleving van de voorwaarden van de veroordeling, 6 met de vergoeding van de slachtoffers, met het ontbreken van recidive, met het ontbreken van een verband tussen het misdrijf en de bewakingsactiviteit, met het feit dat zij binnen de voorwaarden valt om eerherstel te krijgen en met de omstandigheid dat de veroordeling niet op het uittreksel van het strafregister staat. Daaruit volgt, volgens haar, dat de in het geding zijnde bepaling een onweerlegbaar vermoeden instelt dat de aanvrager van de identificatiekaart onbetrouwbaar is ondanks de voormelde elementen, wat een schending is van het evenredigheidsbeginsel dat voortvloeit uit de in de prejudiciële vraag vermelde referentienormen, terwijl de wetgever zich op dat beginsel had gebaseerd om de veroordelingen wegens inbreuken op de reglementering betreffende de politie over het wegverkeer uit te sluiten uit het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepaling. Ter vergelijking benadrukt de verzoekende partij voor de Raad van State ook dat het, in de regel, de rechterlijke macht toekomt een beroepsverbod uit te spreken wanneer het misdrijf een verband heeft met de beoogde activiteit. Een dergelijk verbod heeft slechts uitwerking voor een beperkte duur. De verzoekende partij voor de Raad van State herinnert ook eraan dat een onderzoek moet worden gevoerd naar de aanvrager van de identificatiekaart, met name om te beoordelen of de in artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017 opgesomde beginselen worden nageleefd. A.
- In de zaak nr. 7704, wat de eerste prejudiciële vraag betreft, doet de verzoekende partij voor de Raad van State gelden dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 een discriminatie in het leven roept tussen de overtreders die door de politierechtbank zijn veroordeeld voor inbreuken op de reglementering betreffende de politie over het wegverkeer, enerzijds, en de overtreders die door de politierechtbank zijn veroordeeld voor een inbreuk op een andere norm, anderzijds, aangezien die bepaling niet rekening houdt met de ernst van de inbreuk en het verband dat die heeft met de functie van bewakingsagent. Zij herinnert eraan dat de uitzondering met betrekking tot de straffen die worden uitgesproken voor een inbreuk op de reglementering betreffende de politie over het wegverkeer wordt verantwoord door het feit dat dergelijke veroordelingen in het algemeen geen risico vormen voor de maatschappij in het kader van de uitoefening van activiteiten in de sector van de private veiligheid. De wetgever heeft geoordeeld dat indien niet in die uitzondering zou worden voorzien, de betrokkenen onevenredige gevolgen zouden dragen rekening houdend met de doelstelling van de wetgeving. De verzoekende partij voor de Raad van State is van oordeel dat het onbegrijpelijk is waarom het verantwoord zou zijn dat de minister van Binnenlandse Zaken zijn beoordelingsbevoegdheid behoudt met betrekking tot de mogelijkheid om de identificatiekaart van een bewakingsagent in te trekken wanneer de betrokkene door de politierechtbank werd veroordeeld voor een inbreuk op de reglementering betreffende de politie over het wegverkeer, terwijl zijn bevoegdheid aan banden wordt gelegd wanneer de betrokkene door diezelfde rechtbank werd veroordeeld voor lichtere misdrijven in vergelijking met misdaden of wanbedrijven. Zij verwijst naar het kritische advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State betreffende het ontwerp van artikel dat het voormelde artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 is geworden, alsook naar de verwijzingsbeslissing, waarin ernstige twijfel wordt uitgedrukt over de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepalingen. Zij merkt ook op dat het in het geding zijnde verschil in behandeling des te minder gerechtvaardigd is omdat inbreuken op de reglementering betreffende de politie over het wegverkeer zoals een snelheidsovertreding in de stad of een vluchtmisdrijf na een ernstig ongeval niet minder gevaarlijk zijn dan het feit thuis een bevriend koppel te hebben ontvangen. A.3.1.
- Met betrekking tot de verschillen in behandeling bedoeld in het eerste deel van de eerste prejudiciële vraag die wordt gesteld in de zaak nr. 7643 en in de eerste prejudiciële vraag die wordt gesteld in de zaak nr. 7653, doet de Ministerraad gelden dat noch de strafrechtelijke inbreuk inzake onopzettelijke slagen en verwondingen in het bijzonder – al dan niet gepleegd in het kader van een verkeersongeval –, noch de andere strafrechtelijke inbreuken dienen te worden beschouwd als een met een inbreuk op de wegverkeerswet soortgelijke inbreuk, zodat die twee categorieën van situaties niet te vergelijken zijn, en de prejudiciële vragen in die mate onontvankelijk zijn. A.3.1.
- In ondergeschikte orde, met betrekking tot de voormelde prejudiciële vragen, alsook tot de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 7704, doet de Ministerraad gelden dat de in het geding zijnde verschillen in 7 behandeling worden ingegeven door de zorg om de betrouwbaarheid te vrijwaren die men mag verwachten van de personen die in de private veiligheidssector werkzaam zijn, door de toenemende omvang van de maatschappelijke rol van de private veiligheidssector en door de uitbreiding van de bevoegdheden en opdrachten van de sector. Het gaat volgens hem om legitieme doelstellingen. De wetgever heeft vanaf het begin de bewakings- en beveiligingsactiviteiten willen onderwerpen aan strikte en beperkende regels, ervan uitgaande dat de handhaving van de openbare orde in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de overheid is. De omstandigheid dat een strafrechtelijke inbreuk ook een inbreuk kan vormen op de Wegverkeerswet, leidt niet tot een andere conclusie, aangezien een bepaalde gedraging of handeling een inbreuk kan uitmaken op verschillende strafrechtelijke bepalingen. De voormelde verschillen in behandeling steunen volgens de Ministerraad ook op een objectief criterium van onderscheid, namelijk de omstandigheid dat een persoon werd veroordeeld tot een criminele of correctionele straf wegens een inbreuk op de strafwetgeving, en niet louter wegens een inbreuk op de wet betreffende de politie over het wegverkeer. Hij is van oordeel dat het criterium van onderscheid niet objectief zou zijn indien zou worden geoordeeld dat een correctionele straf op zich de weigering van de toekenning van een identificatiekaart of de intrekking ervan niet meer zou kunnen rechtvaardigen, aangezien, in die hypothese, het noodzakelijk zou zijn een ruime beoordelingsbevoegdheid toe te kennen aan de bevoegde overheid. Ten slotte zijn volgens de Ministerraad de voormelde verschillen ook relevant ten aanzien van het hiervoor vermelde doel. Ze zijn niet kennelijk onevenredig, aangezien het niet onredelijk is ervan uit te gaan dat personen die werden veroordeeld tot een criminele of correctionele straf een groter gevaar betekenen dan personen die (uitsluitend) werden veroordeeld wegens een inbreuk op de verkeerswetgeving. A.3.1.
- De Ministerraad voert aan dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij voor de Raad van State in de zaak nr. 7643 doet gelden, de inbreuken op de reglementering betreffende de politie over het wegverkeer niet ernstiger zijn dan de inbreuk inzake de onopzettelijke slagen en verwondingen, aangezien niet in die eerste is voorzien in het Strafwetboek en aangezien die niet impliceren dat andermans lichamelijke integriteit werd aangetast. Het onopzettelijke karakter van de slagen en verwondingen brengt inderdaad met zich mee dat de dader ervan niet de intentie had die onmiddellijk te veroorzaken. Hij heeft evenwel blijk gegeven van een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid. Een dergelijke nalatigheid is volgens de Ministerraad onverenigbaar met de betrouwbaarheidsvereiste ten aanzien van bewakingsagenten. De Ministerraad doet gelden dat men in het verlengde van de redenering waarop de eerste prejudiciële vraag is gesteund, de vraag zou kunnen stellen hoe nog zou kunnen worden verantwoord dat een veroordeling voor onopzettelijke doding automatisch de weigering impliceert voor de aflevering van een identificatiekaart, terwijl onopzettelijke slagen en verwondingen dat niet meer zouden toelaten. De onopzettelijke doding onderscheidt zich immers voornamelijk van de onopzettelijke slagen en verwondingen door de ernst van de gevolgen van de nalatigheid en niet door de ernst van de nalatigheid op zich. A.3.1.
- De vrijwillige en bewuste niet-inachtneming van de maatregelen om de verspreiding van Covid-19 tegen te gaan leidt bovendien ertoe dat andermans leven in gevaar wordt gebracht, terwijl de bescherming van andermans fysieke integriteit centraal staat in de opdracht van de bewakingsagent. A.3.1.
- Bovendien, en meer in het algemeen, doet de Ministerraad gelden dat de huidige formulering van de in het geding zijnde bepaling meer rechtszekerheid biedt, aangezien de betrokkenen meteen kunnen weten of ze voldoen aan de voorwaarden om een identificatiekaart te verkrijgen. De Ministerraad voert ook aan dat het criterium van de ernst van de straf sinds 2004 door de wetgever werd uitgesloten omdat aan kandidaten die waren veroordeeld voor een misdrijf en aan wie geen gevangenisstraf maar een werkstraf of een geldboete werd opgelegd, de toekenning van de identificatiekaart niet kon worden geweigerd. De Ministerraad is van oordeel dat indien de wetgever zich opnieuw op dit criterium zou moeten baseren, de administratie met dezelfde moeilijkheden zou worden geconfronteerd. A.3.1.
- Het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State dat door de verzoekende partijen voor de Raad van State wordt aangehaald in de zaken nrs. 7643 en 7704, leidt niet tot een andere conclusie, aangezien het, volgens de Ministerraad, hetzelfde beginsel betreft van een uitzondering op de regel volgens welke elke correctionele of criminele veroordeling leidt tot de weigering of de intrekking van de identificatiekaart en niet tot de ontoepasselijkheid van die uitzondering op bepaalde veroordelingen. 8 Bovendien zet de Ministerraad uiteen dat de wetgever in antwoord op het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, eraan heeft herinnerd dat indien de uitgesproken straffen voor een inbreuk op de reglementering betreffende de politie over het wegverkeer waren beoogd in artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017, die bepaling onevenredige gevolgen met zich zou meebrengen. De wetgever heeft evenwel geoordeeld dat die redenering niet kon worden omgezet naar de veroordelingen voor andere types van misdrijven. A.3.
- De Ministerraad is van oordeel dat de gelijke behandeling bedoeld in de eerste prejudiciële vraag die is gesteld in de zaak nr. 7653 en in de tweede prejudiciële vraag die is gesteld in de zaak nr. 7704 berust op de premisse volgens welke artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 geen onderscheid maakt tussen de veroordelingen, behalve wat de veroordelingen betreft wegens inbreuk op de wet betreffende de politie over het wegverkeer en evenmin een onderscheid maakt wat de aard van de veroordeling betreft. Onder verwijzing naar hetgeen hij heeft betoogd met betrekking tot het verschil in behandeling bedoeld in de eerste prejudiciële vraag die is gesteld in de zaak nr. 7653 en in de eerste prejudiciële vraag die is gesteld in de zaak nr. 7704, acht de Ministerraad de gelijke behandeling van de veroordelingen, met uitzondering van de veroordelingen wegens inbreuk op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, in overeenstemming met de door de wetgever nagestreefde doelstelling om enkel aan betrouwbare bewakingsagenten die een onberispelijk gedrag kunnen aantonen, een identificatiekaart uit te reiken. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in A.3.1.2 werd vermeld, meent de Ministerraad dat de gelijke behandeling ingegeven is door legitieme doelstellingen. Die gelijke behandeling steunt volgens de Ministerraad eveneens op een objectief en legitiem criterium van onderscheid, namelijk de strafrechtelijke veroordeling tot een criminele of correctionele straf. Ten slotte is de in het geding zijnde bepaling pertinent en evenredig ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde legitieme doel, dat erin bestaat de betrouwbaarheid van de bewakingsagenten binnen de bewakingssector te vrijwaren. Niet alleen zou het voor de wetgever bijzonder moeilijk zijn om een onderscheid te maken tussen « lichtere » en « zwaardere » criminele en correctionele veroordelingen. Bovendien kunnen de nadelige gevolgen voor een individuele bewakingsagent die tot een « lichtere » criminele of correctionele straf werd veroordeeld, niet opwegen tegen de bijzondere en ernstige risico’s die kunnen voortvloeien uit het feit dat sommige veroordeelde bewakingsagenten tot de veiligheidssector worden toegelaten. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.
- Artikel 61 van de wet van 2 oktober 2017 « tot regeling van de private en bijzondere veiligheid » (hierna : de wet van 2 oktober 2017), zoals van toepassing in de zaken voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt : « De personen, bedoeld in artikel 60, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek of tot een gelijkaardige straf in het buitenland behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer; […] 9 6° beantwoorden aan het profiel, zoals bedoeld in artikel 64; […] 9° in de afgelopen drie jaar niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing waarbij werd vastgesteld dat zij aan de veiligheidsvoorwaarden, bedoeld onder 6°, niet voldeden; […] ». Artikel 60 van de wet van 2 oktober 2017 bepaalt : « Dit hoofdstuk is van toepassing op : 1° de personen die de werkelijke leiding hebben in een onderneming of een interne dienst; 2° de personen die zonder de werkelijke leiding te hebben in een onderneming, hetzij zitting hebben in de raad van bestuur van een onderneming, hetzij de controle uitvoeren over een onderneming in de zin van artikel 5 van het Wetboek van vennootschappen; 3° de personen belast met het uitoefenen van de activiteiten behorend tot het toepassingsgebied van deze wet, bedoeld onder hoofdstuk 2, afdeling 2; […] ». Artikel 3, onder hoofdstuk 2, afdeling 2, van de wet van 2 oktober 2017, omschrijft welke activiteiten als bewakingsactiviteiten moeten worden beschouwd. Artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017 bepaalt : « Het profiel van de personen, bedoeld in artikel 60, is gekenmerkt door : 1° respect voor de grondrechten en de rechten van de medeburgers; 2° integriteit, loyaliteit en discretie; 3° een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag van derden en het vermogen om zich daarbij te beheersen; 4° afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu; 5° respect voor de democratische waarden; 6° de afwezigheid van risico voor de inwendige of uitwendige veiligheid van de Staat of voor de openbare orde ». 10 B.1.
- Het in het geding zijnde artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 stelt aldus een beroepsverbod in - namelijk een verbod op het uitoefenen van bewakingsactiviteiten - voor personen die veroordeeld geweest zijn, zelfs met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek. B.1.
- Het voormelde beroepsverbod is niet nieuw. Het werd voor de eerste maal ingevoerd bij de artikelen 5, 1°, en 6, 1°, van de wet van 10 april 1990 « tot regeling van de private en bijzondere veiligheid » (hierna : de wet van 10 april 1990), voor zowel het leidinggevend (artikel 5, 1°) als het uitvoerend (artikel 6, 1°) personeel in de bewakingssector, en had betrekking op een zeer beperkt aantal misdrijven. Die regeling werd verkozen boven een regeling waarbij een voorwaarde van goed zedelijk gedrag en van het jaarlijks leveren van het bewijs daarvan zou zijn vereist, en zulks naar aanleiding van een opmerking van de Raad van State waarin wordt gesteld dat « het […] beter [zou] zijn te preciseren dat die personen, wegens misdrijven tegen goederen of gewelddaden tegen personen, niet veroordeeld mogen zijn tot een straf die een bepaalde strafmaat te boven gaat » (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 775-1, p. 52). Er werd dan ook beslist de opsomming van de misdrijven wegens welke de betrokkenen niet mogen zijn veroordeeld aan te vullen met een algemeen criterium van strafrechtelijke veroordeling tot een gevangenisstraf van zes maanden. Artikel 6, 1°, eerste lid, van de wet van 10 april 1990 bepaalde : « De personen die door een bewakingsonderneming of beveiligingsonderneming worden aangeworven, of voor hun rekening werken en de personen die ingezet worden bij de activiteiten van een interne bewakingsdienst, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° niet veroordeeld zijn, zelfs niet met uitstel, tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf of tot een lagere gevangenisstraf wegens diefstal, afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in geschriften, aanranding van de eerbaarheid, verkrachting of bij de artikelen 379 tot 386ter van het Strafwetboek bepaalde misdrijven ». B.1.
- Bij artikel 6 van de wet van 9 juni 1999 werd een 8° ingevoegd in artikel 6 van de wet van 10 april
- Uit de toepassing van die bepaling volgde dat de personen die waren veroordeeld tot een straf die niet werd beoogd in artikel 6, 1°, van de wet, net zoals die welke 11 geen veroordeling hadden opgelopen, moesten voldoen aan de moraliteitsvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor de uit te oefenen bewakingsactiviteiten, en geen feiten mochten hebben gepleegd die een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom afbreuk doen aan het vertrouwen in de betrokkene. De overheid beschikte over een beoordelingsbevoegdheid bij de toepassing van die voorwaarde (RvSt, 9 december 2009, nr. 198.730). De wetgever heeft artikel 6 gewijzigd om meermaals de lijst van de erin beoogde misdrijven aan te vullen. De wet van 7 mei 2004 « tot wijziging van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, de wet van 29 juli 1934 waarbij private milities verboden worden en de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective » (hierna : de wet van 7 mei 2004), heeft voor de eerste maal het misdrijf van opzettelijke slagen en verwondingen toegevoegd aan de lijst van misdrijven waarvoor de betrokkene geen correctionele veroordeling mag hebben opgelopen. Het beroepsverbod was namelijk van toepassing op personen die veroordeeld werden tot een gevangenisstraf van ten minste drie maanden wegens « opzettelijke slagen en verwondingen ». Daarnaast voerde die wet ook een differentiatie in ten aanzien van de personen die de werkelijke leiding hebben van een onderneming, dienst of instelling actief in de bewakingssector, door hen met name te onderwerpen aan strengere uitoefeningsvoorwaarden, waarop de in het geding zijnde bepaling geïnspireerd is. Artikel 5, 1°, van de wet van 10 april 1990, zoals gewijzigd bij artikel 7, 2°, van de wet van 7 mei 2004, voorzag erin dat die personen niet veroordeeld mochten zijn geweest, zelfs niet met uitstel, « tot enige correctionele of criminele straf, bestaande uit een geldboete, een werkstraf of een gevangenisstraf ». Dezelfde voorwaarden werden opgelegd aan de bewakingsagenten die belast zijn met het verrichten van vaststellingen, die tewerkgesteld zijn bij ondernemingen voor veiligheidsadvies of werken voor opleidingsinstellingen (artikel 6, 1°, tweede lid, van de wet van 10 april 1990, zoals gewijzigd bij artikel 8, 2°, van de wet van 7 mei 2004). Wat het leidinggevend personeel betreft, wordt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 mei 2004 uiteengezet : 12 « Het wordt essentieel geacht dat het leidinggevend personeel van de ondernemingen, diensten en instellingen, geviseerd door de wet uit betrouwbare personen bestaat. De strengere aanpak op dit vlak vormt een logische compensatie voor de bevoegdheidsuitbreiding die de wet voor de ondernemingen voorziet. Naarmate ze meer betrokken worden bij activiteiten die raken aan de openbare orde, de veiligheid en het behoeden van de vrijheden van de burgers, mag de maatschappij van het leidinggevend personeel verwachten dat ze geen correctionele of criminele veroordelingen tot een geldboete, werkstraf of gevangenisstraf hebben opgelopen. In de praktijk worden de personen die aan deze ‘ strengere ’ voorwaarden niet voldoen toch al geweerd, maar op basis van het niet voldoen aan de moraliteitsvoorwaarden. Dit behelst een zware en lange procedure en ondertussen bestaat er voor de betrokkenen onzekerheid omtrent hun situatie in relatie tot de voorgenomen beroepsuitoefening » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2328/001 en 50-2329/001, p. 25). De uitbreiding van die vereisten tot de bewakingsagenten die belast zijn met het verrichten van vaststellingen of die tewerkgesteld zijn bij ondernemingen voor veiligheidsadvies werd verantwoord door het feit dat die agenten mogelijk heel wat gevoelige informatie verkrijgen over het beveiligingsgebeuren bij de klant. Daarnaast heeft de wetgever geoordeeld dat van docenten van opleidingsinstellingen mag verwacht worden dat zij blijk geven van een voorbeeldig en derhalve onberispelijk gedrag (ibid., p. 27). Bij de wet van 1 maart 2007 « houdende diverse bepalingen (III) » (hierna : de wet van 1 maart 2007) werd ten aanzien van het uitvoerend personeel de minimumdrempel inzake het aantal maanden gevangenisstraf voor, onder meer, de veroordeling wegens opzettelijke slagen en verwondingen, opgeheven, en werd, ten aanzien van diezelfde categorie van personeelsleden, het aan die veroordeling gekoppelde beroepsverbod uitgebreid tot andere straffen, zoals een geldboete of een werkstraf. Bovendien werd, bij diezelfde wet, voor zowel het leidinggevend personeel als de drie categorieën van leden van het uitvoerend personeel die aan striktere uitoefeningsvoorwaarden onderworpen zijn, een uitzondering gemaakt door te bepalen dat het verbod om veroordeeld te zijn geweest tot enige correctionele of criminele straf, geen betrekking had op veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer. B.2.
- De wet van 2 oktober 2017 heeft de uitoefeningsvoorwaarde van de afwezigheid van veroordelingen dus opnieuw grondig gewijzigd, door thans voor alle personen die actief 13 zijn in de bewakingssector te bepalen dat zij hun activiteiten slechts mogen uitoefenen voor zover zij niet werden veroordeeld, zelfs met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek. B.2.
- De memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat de wet van 2 oktober 2017 is geworden, geeft wat die gelijktrekking betreft aan : « De wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid voorziet dus thans in striktere voorwaarden voor het leidinggevend personeel dan voor het uitvoerend personeel. Zo mag een leidinggevende niet de minste correctionele veroordeling hebben opgelopen, met uitzondering van de veroordelingen voor inbreuken op de verkeerswetgeving. Een uitvoerende mag op zijn beurt niet veroordeeld geweest zijn tot een zware straf (minstens zes maanden gevangenisstraf) of evenmin veroordeeld geweest zijn voor één van de inbreuken, die beperkt worden genoemd in de wet en door de wetgever als bijzonder zwaar worden beschouwd (diefstal, verboden wapendracht, …). In dit verband dient erop te worden gewezen dat er mettertijd verschillende wetswijzigingen noodzakelijk zijn geweest om deze lijst met inbreuken te actualiseren. In de praktijk wordt er evenwel in bijna alle gevallen vanuit gegaan dat een persoon die een niet in de wet bedoelde correctionele veroordeling heeft opgelopen, in elk geval niet voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden. De betrokkene wordt dus uiteindelijk de toegang tot de sector van de private en bijzondere veiligheid ontzegd, maar blijft gedurende de volledige duur van het onderzoek in het ongewisse over de veiligheidsvoorwaarden en de weigeringsprocedure. Om de juridische zekerheid te verhogen en de procedures administratief in te korten, wordt bijgevolg voorgesteld om dezelfde voorwaarde te voorzien voor het uitvoerend personeel als voor het leidinggevend personeel. De voorwaarde om geen veroordeling tot een criminele of correctionele straf te hebben opgelopen, zal derhalve van toepassing zijn op elke persoon die tewerkgesteld is in de sector van de private en bijzondere veiligheid. Rekening houdend met de bijzonderheden van de private veiligheidssector, de betrouwbaarheid die men mag verwachten van de personen die er werkzaam zijn, de toenemende omvang van de maatschappelijke rol van de private veiligheidssector en de uitbreiding van de bevoegdheden en opdrachten van de sector, is deze versterking van de toegangsvoorwaarden ten volle gerechtvaardigd. Bovendien dient te worden opgemerkt dat verschillende categorieën van uitvoerenden, zoals lesgevers en vaststellende ambtenaren, reeds onderworpen zijn aan dezelfde voorwaarde als de leidinggevenden in de huidige wet van 10 april
- Tot slot heeft elke persoon die veroordeeld geweest is, de mogelijkheid om, indien hij dit wenst, een aanvraag tot herstel in te dienen om te voldoen aan de voormelde voorwaarden » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2388/001, pp. 38-39). B.2.3.
- De wet van 2 oktober 2017 behoudt evenwel de uitzondering voor veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer, en breidt ze uit tot het uitvoerend personeel in de bewakingssector. De parlementaire voorbereiding vermeldt : 14 « De regering meent dat er echter moet worden voorzien in een uitzondering wat de veroordelingen voor inbreuken op de verkeerswetgeving betreft. In deze uitzondering is thans reeds voorzien voor leidinggevenden en deze werd ingevoerd in de wet van 10 april 1990 door artikel 139 van de wet houdende diverse bepalingen (III) van 1 maart 2007 (B.S., 14 maart 2007). De redenen waarom in deze uitzondering werd voorzien, worden uiteengezet in de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 1 maart 2007 : ‘ De wet stipuleert dat personen die in de private veiligheidssector willen werken, geen correctionele veroordelingen mogen hebben opgelopen. In de praktijk wordt de vice-eerste minister echter soms geconfronteerd met personen die een veroordeling hebben opgelopen tot correctionele geldboetes wegens inbreuken op de verkeerswetgeving. Volgens de huidige wet moet betrokkene de toegang tot de sector ontzegd worden, terwijl dergelijke veroordelingen doorgaans geen maatschappelijk risico vormen voor het uitoefenen van activiteiten in de private veiligheidssector. Het is dan ook nodig de wet op dit punt bij te sturen. ’ (Parl. doc., DOC 51-2788/010, p. 4, verslag van de Commissie Binnenlandse Zaken, algemene zaken en ambtenarenzaken). ‘ De recente verhoging van de verkeersboetes en de wetswijziging waardoor sommige zware inbreuken automatisch door de rechter worden behandeld, zonder mogelijkheid van minnelijke schikking, hebben tot gevolg dat personen die veroordeeld werden wegens sommige verkeersinbreuken niet langer een leidinggevende functie kunnen vervullen in een onderneming of dienst, actief in de private veiligheidssector. Dergelijke gevolgen zijn, rekening houdend met de doelstelling van de wetgeving, echter buiten proportie. Daarom acht de regering het noodzakelijk deze voorwaarde te versoepelen en een uitzondering te voorzien betreffende veroordelingen opgelopen ten gevolge van inbreuken op de verkeerswetgeving. ’ (Parl. Doc., DOC 51-2760/001, pp. 222–223). De redenen waarom in deze uitzondering voorzien werd, zijn nog steeds actueel. Daarom werd deze uitzondering opgenomen in dit wetsontwerp » (ibid., pp. 39-40). B.2.3.
- In haar advies nr. 60.619/2 over het ontworpen artikel dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 is geworden, twijfelt de afdeling wetgeving van de Raad van State aan de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling. Zij merkt in dat verband op : « Gelet op de bijzonderheden van de sector van de private veiligheid en op de betrouwbaarheid die redelijkerwijze verwacht mag worden van de personen die daarin werken, lijkt a priori aanvaard te kunnen worden dat alle personen uitgesloten worden op wier strafblad een veroordeling tot een correctionele straf staat. De rechtvaardiging van de uitzondering met betrekking tot de inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer, te weten dat het gaat om een uitzondering die reeds zou voorkomen in de wet van 10 april 1990, kan daarentegen als zodanig niet overtuigen. Het is immers van tweeën één : - ofwel maakt de steller van het voorontwerp geen onderscheid tussen de verschillende veroordelingen tot correctionele straffen, ervan uitgaande dat elke veroordeling tot een 15 correctionele straf - gelet op de ernst ervan - op zich duidt op een probleem ten aanzien van de vereiste betrouwbaarheid die in deze sector wordt verwacht; - ofwel is het de bedoeling van de steller van het voorontwerp om de omschrijving van de regelgeving die overtreden is in aanmerking te nemen; hoewel het in dat kader begrijpelijk is dat hij voor het merendeel van de uitgeoefende functies overweegt om de veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer niet in aanmerking te nemen, rijst daarbij evenwel de vraag of, enerzijds, dergelijke veroordelingen voor bepaalde functies toch niet verboden zouden moeten zijn (denk bijvoorbeeld aan de geldtransporteurs) en, anderzijds, of andere specifieke wetgevingen niet door de ontworpen bepaling zouden moeten worden uitgesloten omdat de aard van de inbreuken geen verband houdt met de uitgeoefende functies, tenzij, zoals thans het geval is, voorzien wordt in een positieve lijst van wetgeving waarvan de schending het verbod zou rechtvaardigen. De bepaling moet dienovereenkomstig herzien worden » (ibid., pp. 184-185). De Regering beantwoordde het advies als volgt : « [...] De Raad van State [vraagt] zich af of nog andere bijzondere wetgevingen ook niet uitgesloten zouden moeten worden, omdat de aard van de inbreuken geen verband houdt met de uitgeoefende functies. Er wordt echter niet voor deze optie gekozen, aangezien de redenen die de afwijking voor de inbreuken op de reglementering op de verkeersveiligheid rechtvaardigen [...], niet gelden voor de andere types inbreuken. De regering wenst de uitzonderingen op de regel zoveel mogelijk te beperken » (ibid., p. 40). B.2.
- Het beroepsverbod geldt voor een veroordeling, zelfs met uitstel, tot « enige » correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek, en dus ook voor een veroordeling wegens een inbreuk op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer in combinatie met een veroordeling tot een correctionele straf wegens een inbreuk op het Strafwetboek. Enkel de inbreuken die uitsluitend betrekking hebben op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer vallen onder de toepassing van de voormelde uitzondering. Tijdens de parlementaire voorbereiding werden vragen gesteld bij de evenredigheid van de ontworpen regeling met betrekking tot de toepassing ervan op veroordelingen wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval. Zo werd tijdens de bespreking van het wetsontwerp in de bevoegde Kamercommissie het volgende opgemerkt : 16 « [Een lid] wijst er in het licht van punt 1 [van het ontworpen artikel 61] op dat elke correctionele straf leidt tot een beroepsverbod voor de betrokken persoon. Dat uitgangspunt is logisch, doch ook een relatief beperkt verkeersongeval (bv. het niet verlenen van voorrang veroorzaakt een ongeval met letselschade) kan uitmonden in een correctionele veroordeling. Voor verkeersinbreuken wordt in de bepaling weliswaar een uitzondering gemaakt, doch niet in de combinatie met een correctionele straf. […] De bepaling van artikel 61, 1°, biedt het voordeel van de duidelijkheid, maar opent het risico op weinig rechtvaardige situaties in de praktijk » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2388/003, pp. 87-88). Dezelfde bekommernis werd door hetzelfde parlementslid geuit tijdens de hoorzitting met een aantal experten en vertegenwoordigers van belangenorganisaties : « Ook zou [het lid] de voorwaarden willen kennen waaraan de kandidaten voor een betrekking als bewakingsagent moeten voldoen. Artikel 61 van het wetsontwerp voorziet ter zake in een verstrenging van de eisen, aangezien de voorwaarden die vroeger alleen werden geëist van de personen die de werkelijke leiding hadden van een onderneming of een interne dienst, voortaan voor alle bewakingsagenten zouden gelden. Het lid vraagt zich af of deze verstrenging van de eisen niet voor moeilijkheden zal zorgen. Ze neemt als voorbeeld een verkeersongeval met lichtgewonden. Vaak leiden dergelijke zaken tot een correctionele vervolging, die kan uitmonden in een veroordeling, al dan niet met uitstel, tot een correctionele straf zoals beoogd in artikel 61, 1° van het wetsontwerp, waardoor de betrokkene niet als bewakingsagent kan worden aangeworven » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2388/005, p. 17). Die bekommernis heeft echter niet geleid tot een aanpassing van de ontworpen wetgeving. B.2.
- De personen die werkzaam zijn in de bewakingssector en die werden veroordeeld tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek, zullen hun aanvraag tot het verkrijgen of het hernieuwen van een identificatiekaart, die nodig is voor het uitoefenen van hun activiteiten, geweigerd zien worden (artikelen 76 en 77 van de wet van 2 oktober 2017) of hun identificatiekaart ingetrokken zien worden (artikel 85 van de voormelde wet). De minister van Binnenlandse Zaken beschikt ter zake over een gebonden bevoegdheid. Het beroepsverbod volgt derhalve automatisch uit de wet, zonder dat een onderzoek moet worden ingesteld naar de aard en de precieze toedracht van de strafrechtelijke feiten en de algemene ingesteldheid van de betrokkene (RvSt, 10 maart 2011, nr. 211.887; 26 januari 2012, nr. 217.555; 7 februari 2019, nr. 243.639). 17 B.2.
- Ingevolge het arrest van het Hof nr. 190/2021 van 23 december 2021 werd de in het geding zijnde bepaling gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 5 mei 2022 om een uitzondering te maken, niet alleen voor veroordelingen wegens inbreuken op de regelgeving betreffende de politie over het wegverkeer, maar ook voor veroordelingen wegens onopzettelijke slagen en verwondingen die het gevolg zijn van een verkeersongeval. Die wijziging is evenwel niet van toepassing op de voor de Raad van State hangende geschillen. Ten gronde Wat de zaak nr. 7643 betreft B.
- Uit de formulering van de prejudiciële vraag en uit de motieven van het verwijzingsarrest blijkt dat de voorliggende zaak betrekking heeft op een verkeersongeval waarbij een persoon die werkzaam is in de bewakingssector onvrijwillig lichamelijk letsel heeft veroorzaakt. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.
- De prejudiciële vraag die in de zaak nr. 7643 is gesteld, bestaat uit vijf delen. Het eerste deel van de prejudiciële vraag betreft de bestaanbaarheid van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het evenredigheidsbeginsel en met artikel 23 van de Grondwet, in zoverre, enerzijds, die bepaling wel een uitzondering maakt voor veroordelingen wegens inbreuken op de Wegverkeerswet maar niet voor veroordelingen wegens andere, vergelijkbare inbreuken, zoals de inbreuk op de strafwet wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval en, anderzijds, die bepaling geen onderscheid maakt tussen de veroordelingen wegens alle andere inbreuken dan de inbreuken op de Wegverkeerswet en dus een veroordeling wegens een inbreuk op de strafwet wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval op exact dezelfde manier behandelt als veroordelingen wegens andere inbreuken op de strafwet. 18 B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.
- Volgens de Ministerraad is een veroordeling wegens een strafrechtelijke inbreuk inzake onopzettelijke slagen en verwondingen, al dan niet gepleegd in het kader van een verkeersongeval, niet vergelijkbaar met een veroordeling wegens een zuivere inbreuk op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer. B.6.
- Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 190/2021 van 23 december 2021, zijn de door de verwijzende rechter vergeleken categorieën van veroordelingen vergelijkbaar, aangezien het in beide gevallen om inbreuken gaat die aanleiding kunnen geven tot vervolging en die een indicatie zouden kunnen geven van de betrouwbaarheid van de persoon die de inbreuk gepleegd heeft, en die dus in beginsel zouden kunnen worden vermeld in de lijst van veroordelingen die werd opgemaakt in artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober
- De vraag of een veroordeling wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval effectief een beroepsverbod kan rechtvaardigen, betreft de grond van de zaak, zodat de door de Ministerraad opgeworpen exceptie moet worden verworpen. B.
- Zoals is vermeld in B.2.2, strekt de uitbreiding, bij de in het geding zijnde bepaling, van de op de ontstentenis van veroordelingen gebaseerde toelatingsvoorwaarde tot al het personeel dat werkzaam is in de bewakingssector ertoe de betrouwbaarheid van de personen die in de private veiligheidssector werkzaam zijn te garanderen en te versterken, gelet op de bijzonderheden van de private veiligheidssector, de toenemende omvang van de 19 maatschappelijke rol van de private veiligheidssector en de uitbreiding van de bevoegdheden en opdrachten van de sector bij diezelfde wet van 2 oktober
- Die bepaling streeft aldus een wettig doel na. De wetgever had overigens dezelfde bekommernis van betrouwbaarheid wanneer hij artikel 6 van de wet van 10 april 1990 heeft gewijzigd om daarin meermaals de lijst van de erin beoogde misdrijven aan te vullen (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2328/001 en 50-2329/001, p. 25). B.
- De uitsluiting van een persoon van het beroep van bewakingsagent wanneer hij is veroordeeld wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval (artikelen 418 en 420, tweede lid, van het Strafwetboek), die op een objectief criterium berust, is pertinent ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling van betrouwbaarheid, aangezien zij tot gevolg heeft dat, in het geval dat dit verkeersongeval veroorzaakt wordt door een grove onzorgvuldigheid of nalatigheid, eigenschappen die een negatieve impact kunnen hebben op de betrouwbaarheid van een bewakingsagent, de betrokken persoon niet toegelaten wordt om de activiteit van bewakingsagent uit te oefenen. B.
- Het Hof dient evenwel nog te onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij een automatisch beroepsverbod instelt dat van toepassing is bij elke veroordeling wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval, evenredig is met het door de wetgever nagestreefde doel. B.
- Het misdrijf van onopzettelijke slagen en verwondingen veronderstelt een vrijwillige handeling van de dader, namelijk een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, maar anders dan bij het misdrijf van opzettelijke slagen en verwondingen, impliceert het de afwezigheid van het oogmerk om de andere persoon aan te randen (Cass., 25 november 2008, P.08.0881.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.2). Het bestaan van een zware fout is niet vereist. Het omvat de lichtste fout en slaat op alle vormen van fout, zoals onhandigheid, onvoorzichtigheid, onachtzaamheid, niet-naleving van reglementaire bepalingen, vermoeidheid of verstrooidheid. Elke fout, hoe licht ook, kan een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg in de zin van artikel 418 van het Strafwetboek opleveren. 20 B.
- Er kan niet ipso facto worden aangenomen dat het loutere feit dat een persoon door een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, hoe licht ook, een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij een persoon gewond werd, een negatief licht werpt op de ingesteldheid en de betrouwbaarheid die van de verzoeker worden verwacht om de functie van uitvoerend personeelslid in de bewakingssector uit te oefenen. B.
- De toepassing van het automatische beroepsverbod op elke veroordeling wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval, hoe licht ook en zelfs indien er geen concrete negatieve impact is op de betrouwbaarheid van de betrokkene, zonder dat een onderzoek moet worden ingesteld naar de aard en de precieze toedracht van de strafrechtelijke feiten en de algemene ingesteldheid van de betrokkene, gaat verder dan nodig is om de betrouwbaarheid van de bewakingssector en de integriteit van de burgers te verzekeren. De in de memorie van toelichting aangehaalde redenen inzake de toenemende omvang van de maatschappelijke rol van de private veiligheidssector en de uitbreiding van de bevoegdheden en opdrachten van de sector, verantwoorden dit evenmin. B.
- Overigens moet worden opgemerkt dat in de limitatieve lijst van misdrijven van artikel 6, 1°, van de wet van 10 april 1990, zoals gewijzigd bij de wet van 7 mei 2004 en de wet van 1 maart 2007, wel sprake was van opzettelijke slagen en verwondingen, maar niet van de artikelen 418 en 420 van het Strafwetboek over het onopzettelijk toebrengen van letsel. Blijkens de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat tot de wet van 1 maart 2007 heeft geleid, achtte de wetgever de vervanging van de voorwaarde van afwezigheid van een veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste drie maanden wegens opzettelijke slagen en verwondingen door de afwezigheid van enige veroordeling, zelfs met uitstel, wegens opzettelijke slagen en verwondingen verantwoord doordat « een dergelijke veroordeling wijst […] op het gewelddadige karakter van betrokkene, alsook op zijn onvermogen om op een niet gewelddadige manier conflictueuze situaties op te lossen » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/001, p. 225). Het wordt niet aannemelijk gemaakt waarom die beweegredenen zouden kunnen worden doorgetrokken naar veroordelingen wegens onopzettelijke slagen en verwondingen, die, zoals vermeld in B.10, gekenmerkt worden door de afwezigheid van het oogmerk om de andere persoon aan te randen. B.14.
- Het door de wetgever beoogde doel inzake het verzekeren van de betrouwbaarheid van de personen die actief zijn in de bewakingssector kan op een voor de wetgever even 21 doeltreffende maar voor de betrokken personen minder verregaande wijze worden bereikt door de betrouwbaarheid van een kandidaat die werd veroordeeld tot een correctionele straf, zelfs met uitstel, wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval te beoordelen in het licht van de in artikel 61, 6° en 9°, van de wet van 2 oktober 2017 opgenomen persoonsvoorwaarden. Zoals is vermeld in B.1, moeten, luidens artikel 61, 6°, van de voormelde wet, de personen belast met het uitoefenen van bewakingsactiviteiten « beantwoorden aan het profiel, zoals bedoeld in artikel 64 » van dezelfde wet, namelijk « 1° respect voor de grondrechten en de rechten van de medeburgers; 2° integriteit, loyaliteit en discretie; 3° een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag van derden en het vermogen om zich daarbij te beheersen ». B.14.
- De voormelde bepalingen, die voortbouwen op het reeds in de wet van 10 april 1990 ingevoerde moraliteitsonderzoek, verlenen aan de minister van Binnenlandse Zaken een ruime discretionaire appreciatievrijheid (RvSt, 12 april 2012, nr. 218.877; 30 juni 2011, nr. 214.293; 9 mei 2008, nr. 182.841). Volgens de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat tot de wet van 2 oktober 2017 heeft geleid, « [moet] het al dan niet voldoen aan het profiel […] geval per geval en proportioneel beoordeeld worden op basis van een geheel van beschikbare elementen » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2388/001, p. 41). De minister moet dus, in het licht van de concrete elementen van het dossier, nagaan of er een specifiek en rationeel verband bestaat tussen, enerzijds, de aard van de strafrechtelijke feiten in kwestie en de eventuele « afwijkingen » die ze aan het licht brengen en, anderzijds, tussen de vereiste betrouwbaarheid voor het uitoefenen van het beroep van bewakingsagent. B.14.
- De minister van Binnenlandse Zaken beschikt dus over de mogelijkheid om te oordelen dat een persoon die werd veroordeeld wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval, niet beantwoordt aan het profiel dat de wet van 2 oktober 2017 vereist voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten en dus niet de door de voormelde wet vereiste betrouwbaarheid heeft, in welk geval hij op die grond de aanvraag tot het verkrijgen of het hernieuwen van een identificatiekaart kan weigeren of kan beslissen om een identificatiekaart in te trekken. B.14.
- Indien de betrokkene reeds over een identificatiekaart beschikt en nadat werd vastgesteld dat de betrokkene gekend is voor feiten of handelingen die een tegenindicatie kunnen uitmaken van het profiel, kan tegen hem overigens eveneens een veiligheidsonderzoek, 22 zoals geregeld in de artikelen 65 tot 75 van de wet van 2 oktober 2017, worden ingesteld. Indien dat onderzoek uitmondt in een beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken waarin wordt vastgesteld dat de betrokkene niet langer voldoet aan het profiel, wordt de betrokkene gedurende drie jaar automatisch uitgesloten van de toelating tot het uitoefenen van bewakingsactiviteiten (artikel 61, 9°, van de wet van 2 oktober 2017). Ook langs deze weg kan dus een persoon die werd veroordeeld wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval, de toegang tot het beroep van bewakingsagent worden ontzegd. B.
- Uit het voorgaande volgt dat de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij van toepassing is op de veroordelingen wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval. B.
- Aangezien het Hof zijn onderzoek beperkt tot de hypothese van een verkeersongeval dat onopzettelijk werd veroorzaakt door een persoon die werkzaam is in de bewakingssector en dat lichamelijk letsel heeft veroorzaakt en rekening houdend met het bevestigende antwoord op het eerste deel van de prejudiciële vraag die in de zaak nr. 7643, dienen de andere delen van de prejudiciële vraag niet te worden beantwoord. Wat betreft de zaken nrs. 7653 en 7704 B.17.
- Het Hof onderzoekt de zaken nrs. 7653 en 7704 samen, aangezien zij beide betrekking hebben op inbreuken op de reglementering houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken. B.17.
- De voormelde reglementering werd met name aangenomen krachtens artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid » (hierna : de wet van 15 mei 2007). Artikel 187, eerste lid, van dezelfde wet bepaalt dat weigering of verzuim zich te gedragen naar de maatregelen die met toepassing van artikel 182 zijn bevolen, in vredestijd wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden, en met geldboete van 26 euro tot 500 euro, of met één van die straffen alleen. B.17.
- Uit de verwijzingsarresten blijkt dat de in het geding zijnde zaken respectievelijk betrekking hebben op de samenkomst van drie personen in een tuin en de samenkomst van vijf 23 personen in een woning. De verzoekende partijen voor de Raad van State zijn beiden veroordeeld wegens inbreuken op het samenscholingsverbod waarin de reglementering houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken voorziet. In de zaak nr. 7653 werd de verzoekende partij voor de Raad van State, die vrienden had bezocht, eveneens veroordeeld wegens een inbreuk op het verbod om zonder noodzaak te rijden op openbare wegen en plaatsen, waarin diezelfde reglementering voorziet. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothesen. B.
- De eerste prejudiciële vraag die in de zaak nr. 7653 is gesteld, heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat, enerzijds, die bepaling wel een uitzondering maakt voor veroordelingen wegens inbreuken op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, terwijl zij niet in zulk een uitzondering voorziet voor veroordelingen die door de politierechtbank zijn uitgesproken voor andere inbreuken en doordat, anderzijds, die bepaling geen onderscheid maakt tussen de veroordelingen wegens alle andere inbreuken dan de inbreuken op de wet betreffende de politie over het wegverkeer en dus een veroordeling wegens een inbreuk op een tijdelijke maatregel om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken op exact dezelfde manier behandelt als veroordelingen voor andere inbreuken op de strafwet. B.
- In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, zijn de door het verwijzende rechtscollege vergeleken categorieën van veroordelingen vergelijkbaar, in zoverre het in beide gevallen om inbreuken gaat die aanleiding kunnen geven tot vervolging en die een indicatie zouden kunnen geven van de betrouwbaarheid van de persoon die de inbreuk gepleegd heeft, en die dus in beginsel zouden kunnen worden opgenomen in de lijst van veroordelingen bedoeld in artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober
- B.
- Zoals in B.7 is vermeld, streeft de in het geding zijnde bepaling een legitiem doel na. B.
- Het is bovendien niet onredelijk ervan uit te gaan dat een veroordeling wegens een inbreuk op de reglementering houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken een negatieve impact heeft op de betrouwbaarheid van de 24 veroordeelde, zodat iemands uitsluiting van het beroep van bewakingsagent wanneer hij zulk een veroordeling heeft opgelopen, pertinent is in het licht van het doel dat door de wetgever wordt nagestreefd. B.
- Het Hof dient evenwel nog te onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij een automatisch beroepsverbod invoert dat geldt voor elke veroordeling wegens een inbreuk op de reglementering houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, evenredig is met het door de wetgever nagestreefde doel. B.
- Zoals in B.17.2 is vermeld, wordt bij artikel 187 van de wet van 15 mei 2007 een weigering of verzuim om zich te gedragen naar de maatregelen bevolen met toepassing van artikel 182 van dezelfde wet strafbaar gesteld. Opzet is niet vereist om op grond van artikel 187 van de wet van 15 mei 2007 strafbaar te zijn. Ook het uit onachtzaamheid niet-naleven van de bevolen maatregelen vormt een strafbare gedraging. Strafrechtelijke aansprakelijkheid kan dus voortvloeien uit een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid vanwege diegene die de inbreuk heeft begaan. De in het geding zijnde inbreuken op het samenscholingsverbod en op het rijverbod voor openbare wegen en plaatsen impliceren geen misdrijf tegen goederen of gewelddaden tegen personen. De gezondheid van personen kan weliswaar onrechtstreeks zijn aangetast wegens het gedrag van de verzoekende partijen voor de Raad van State, maar dat gedrag toont niet aan dat zij het oogmerk hadden om andere personen aan te randen aangezien de betrokken samenkomsten niet met dat doel werden georganiseerd. De in het geding zijnde inbreuken hebben betrekking op gedragingen die, wanneer zij plaatsvinden buiten de in artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 bedoelde « dreigende omstandigheden », tot het dagelijkse leven van de burgers behoren. Ze zijn niet van die aard dat ze een automatisch beroepsverbod rechtvaardigen dat reeds niet meer geldt voor inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer. De wetgever kan op rechtmatige wijze de uitzonderingen op een regel maximaal beperken. Echter, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State erop heeft gewezen in zijn voormelde advies nr. 60.619/2, moet hij, indien hij een onderscheid maakt, dat op niet- discriminerende wijze doen. 25 De veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer werden uitgesloten van het verbod veroordeeld te zijn geweest tot enige correctionele of criminele straf, teneinde voor de betrokkenen onevenredige gevolgen te vermijden, gelet op het doel van de wet van 2 oktober
- Hoewel de afdeling wetgeving van de Raad van State de aandacht van de wetgever heeft gevestigd op de noodzaak om te onderzoeken of andere bijzondere wetgevingen niet evenzeer moesten worden uitgesloten, laten de parlementaire voorbereiding en de memories van de Ministerraad niet toe te begrijpen om welke reden het automatische beroepsverbod dat wordt opgelegd aan personen die zijn veroordeeld wegens hun deelname aan een verboden samenkomst in een privéwoning of omdat zij op de openbare weg hebben gereden in overtreding van de reglementering houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, geen onevenredige gevolgen zou hebben rekening houdend met de doelstellingen van de wet. De in de memorie van toelichting aangehaalde redenen inzake de toenemende omvang van de maatschappelijke rol van de private veiligheidssector en de uitbreiding van de bevoegdheden en opdrachten van de sector, verantwoorden het automatische karakter van het beroepsverbod niet. B.
- Bovendien kan, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in B.14.1 tot B.14.4, het doel van de wetgever, namelijk de betrouwbaarheid garanderen van de personen die werkzaam zijn in de bewakingssector, even doeltreffend worden bereikt met middelen die voor de betrokkenen minder verregaand zijn. B.
- Uit het voorgaande volgt dat de toepassing van het automatische beroepsverbod bij elke veroordeling wegens een inbreuk op de reglementering houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, zelfs indien het een lichte inbreuk is en zelfs indien er geen concrete negatieve impact is op de betrouwbaarheid van de betrokkene, zonder dat een onderzoek moet worden ingesteld naar de aard en de precieze toedracht van de strafrechtelijke feiten en de algemene ingesteldheid van de betrokkene, verder gaat dan nodig is om de betrouwbaarheid van de bewakingssector en de integriteit van de burgers te verzekeren. B.
- De in het geding zijnde bepaling is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij automatisch leidt tot een beroepsverbod in geval van veroordelingen 26 wegens inbreuk op de reglementering houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken. B.
- Aangezien het Hof zijn onderzoek beperkt tot de hypothese van een veroordeling wegens deelname aan een verboden samenkomst in een woning of omdat men op de openbare weg heeft gereden, en rekening houdend met het feit dat de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 7653 bevestigend dient te worden beantwoord, dienen de andere prejudiciële vragen in de zaken nrs. 7653 en 7704 niet te worden beantwoord. 27 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
- Artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 « tot regeling van de private en bijzondere veiligheid » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het van toepassing is op de veroordelingen wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval.
- Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij automatisch leidt tot een beroepsverbod in geval van veroordelingen wegens inbreuken op de reglementering houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 24 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.154 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.2 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.052 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.341 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.