id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.155 Arrest- Rolnummer: 155/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-12-05 Raadplegingen: 1187 - laatst gezien 2026-06-19 02:14 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van de beroepen (rekening houdend met wat is vermeld in B.125.3) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het Vlaamse decreet van 9 juli 2021 « houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen », ingesteld door de cv « De Gelukkige Haard », door Khadija Elhssika en anderen, door de cv « T'Heist Best » en anderen, door de cv « Gewestelijke Maatschappij voor de Kleine Landeigendom Het Volk » en anderen, door de vzw « Vereniging van Vlaamse Huisvestingsmaatschappijen » en door de cvba « Gewestelijke Maatschappij voor Volkshuisvesting » en anderen. Sociale huisvesting - Vlaams Gewest - Vervanging van sociale huisvestingsmaatschappijen en sociale verhuurkantoren door woonmaatschappijen - Bevoegdheidverdelende regels - Rechtsvorm - Aandeelhouderschap van publiekrechtelijke overheden en beperking van de rechten van private aandeelhouders - Aandeelhouderschap van de sociale huurders - Erkenningsvoorwaarden - Ontbinding Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 155/2022 van 24 november 2022 Rolnummers : 7674, 7675, 7695, 7750, 7771 en 7773 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het Vlaamse decreet van 9 juli 2021 « houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen », ingesteld door de cv « De Gelukkige Haard », door Khadija Elhssika en anderen, door de cv « T’Heist Best » en anderen, door de cv « Gewestelijke Maatschappij voor de Kleine Landeigendom Het Volk » en anderen, door de vzw « Vereniging van Vlaamse Huisvestingsmaatschappijen » en door de cvba « Gewestelijke Maatschappij voor Volkshuisvesting » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 16 november 2021 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 18 november 2021, zijn beroepen tot vernietiging van de artikelen 74, 79, 83, 105, 122, 124, 128, 205, 206 en 208 van het Vlaamse decreet van 9 juli 2021 « houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 september 2021) ingesteld respectievelijk door de cv « De Gelukkige Haard », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Judo, advocaat bij de balie te Brussel, en door Khadija Elhssika, Kelly Geeraerts, Jacqueline Van Eynde, Arlette Claeys, Carmen Don Porto Carero, Dieter Werkle, Etienne Ostin, Pascale Martin, Tamara Titanyan, Jacques Arntjen, Firas Majid, Katrien Devos, Chafia Benamor, François Gielis, Frans Haevermaet, André Inghelbrecht, Ivan De Gryse, Imilda Hek, Daniel Vanwalleghem, Claudia Piolon, Martine Eerebout, Dorine Derieuw, Redgy Jonckheere, Pierre Lingy, Redgy Seghers, Michèle Steurbaut, Anita De Cuyper, Patricia Deschumere, Inge Vermeire, Pascal Brys, Chris Cottyn, Carla Nisez, Marianne Maes, Roland Devos, Rita Hanna, Tamara Dalkhadova, Dennis Devriendt, Daniel Everaert, Nancy Aneca, William Desmadryl, Conny Van Den Kerchove, Myriam Everaert, Martine Bogaert, Gerard Logghe, Daniella Jonckheere, Paulette Desaeyer, Ivan Janssen, Lieve Fevery, Filip Baes, Dirk Dildick, Hendrik Tanghe, Chantal Meganck, Karel Neels, Virginia Van Looy, Chantal Roose, Cecile De Hamers, 2 Marleen Anthierens, Anja Van Londersele, Jean-Paul Parez, Gilbert Dekien, Monique Byt, André Cafmeyer, Freddy Dildick, Franky Bauwens, Patricia Dausselaere, Carine Crombez, Brigitte De Saedeleer, Annette Sotiau, Kaat Decoster, Heidi Leyne, Yvonne Vynck, Claudine Perreman, Ronny Mylle, Hilde Moerman, Ronny Noyelle, Ludwin Bernard, Tania Vanbavinckhove, Patrick Faidherbe, Lionel Knockaert, Nicole De Lauw, Ebrima Camara, Jean Pierre Bauwens, Irina Akentieva, Claudie Van Besien, John Belotte, Viktor Dets, Sandra Larrange, Alain Everaert, Daria Ustimenko, Said-Hassan Moesaev, Milana Umalatova, Odette Wauters, Quao Johnson, Edith Beauprez, Alphonsus Claessens, Anita Calluy, Willy Vermeersch, Jeannine Lebleu, Angiolino Maffessoni, Dorinda Goutsmit, Monica Stemgee, Shpresa Boshnjaku, Eldar Tchapchayev, Eric Ameye, Barbara Gevaert, Fernand Velthof, Xavier Thomas, Vera Vandecasteele, Werner Bertels, Marnix Gevaert, Etienne Dejonghe, Nicole Bouckquez, Marc Blontrock, Felix Pirard, Roger Rau, Eddy Vanheste, Nicole Muyle, Gilbert Knockaert, Inge Minne, Andrea Vandendriessche, Martine Meeschaert, Peter Van Nuffel, Laetitia Dieusaert, Guy Werbrouck, Francine Coppens, Nicole Provoost, Eduard Van Mael, Elisabeth Vermussche, Pierre Janssens, Eveline Brouckmeersch, Freddy Vandamme, Annick Vandamme, Sandra Vandamme, Marie-Claire Schmitt en Omer Delwiche, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Judo. Bij dezelfde verzoekschriften vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde decreetsbepalingen. Bij het arrest nr. 19/2022 van 3 februari 2022, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 juli 2022, heeft het Hof de vorderingen tot schorsing verworpen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 december 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 december 2021, is beroep tot vernietiging van de artikelen 104, 205 en 215 van hetzelfde decreet ingesteld door de cv « T’Heist Best », de welzijnsvereniging « Woonwinkel Knokke-Heist », de gemeente Knokke-Heist, Kurt Jodts, Emmanuel Desutter, Frank Naert en Guy Demeestere, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Ronse en Mr. T. Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde decreetsbepalingen. Bij het arrest nr. 37/2022 van 10 maart 2022, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 september 2022, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 februari 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 februari 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 74, 76, 77, 79, 83, 85, 87, 105, 122, 124, 128, 205, 206 en 209 van hetzelfde decreet door de cv « Gewestelijke Maatschappij voor de Kleine Landeigendom Het Volk », de cv « Volkshaard », de cv « Centrale voor Huisvesting », de nv « Volksvermogen », de vzw « De Kade », de vzw « Patrimo Midden-Vlaanderen », de vzw « Verbruikersbelangen Vlaamse Ardennen » en de vzw « Vrede en Broederliefde », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Peerens, Mr. H. De Wilde en Mr. S. De Somer, advocaten bij de balie te Brussel. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 maart 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 maart 2022, heeft de vzw « Vereniging van Vlaamse Huisvestingsmaatschappijen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Judo, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 124 en 205 van hetzelfde decreet. 3 e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 maart 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 maart 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 74, 76, 77, 79, 83, 86, 87, 105, 122, 124, 128, 205, 206 en 209 van hetzelfde decreet door de cv « Gewestelijke Maatschappij voor Volkshuisvesting », de cv « Providentia », Christine Vandeput, Alexis Calmeyn, de vzw « BVCV », Christiaan Vanmol, Dirk De Greef, Dorette Heymans, Francis Paesmans, Gerard Cobbaert, Guy Tordeur, Heidi Elpers, Jean Dooms, Julien Sergoigne, Leo Van Den Eynde, Marc Paesmans, Martin Schoukens, de vzw « Mater & Magistra », Rita Dedobbeleer, het Algemeen Christelijk Vakverbond Brussel, de feitelijke vereniging « Beweging.net Liedekerke », Marc Berghman, Guy Bonnewijn, Alfons De Potter, Jean Paul Olbrechts, Eric Schamp, Daan Vanderhulst, Ludovicus Van Roost, Eddy Van Den Eede, Ann Van Langenhof, Marc Leemans, Edward De Wit, Leon Brion, Armand Hermans, de vzw « De Bergen », Marc Bessems, de gemeente Wezembeek-Oppem en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Wezembeek-Oppem, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Judo. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7674, 7675, 7695, 7750, 7771 en 7773 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz, advocaat bij de balie te Brussel; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel, Mr. A. François, Mr. K. Caluwaert en Mr. C. Fornoville, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. De Vlaamse Regering heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 13 juli 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 augustus 2022 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge de verzoeken van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 21 september 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 12 oktober
- Op de openbare terechtzitting van 12 oktober 2022 : - zijn verschenen : . Mr. F. Judo, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7674, 7675, 7771 en 7773; . Mr. S. Ronse, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7695; . Mr. P. Peerens, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7750; 4 . Mr. E. Jacubowitz, voor de Ministerraad; . Mr. B. Martel, Mr. A. François en Mr. T. Coen, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben rechter J. Moerman en rechter T. Giet, verslaggever ter vervanging van emeritus rechter J.-P. Moerman, verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
- Bij sommige door de verzoekende partijen aangevoerde middelen werpt de Vlaamse Regering op dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het vereiste belang bij de gevorderde vernietiging van bepaalde met die middelen bestreden artikelen van het decreet van 9 juli 2021 « houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen » (hierna : het decreet van 9 juli 2021). Daarnaast werpt zij bij meerdere middelen op dat de verzoekende partijen niet tegen alle met die middelen bestreden bepalingen of onderdelen van die bepalingen grieven ontwikkelen en dat zij niet steeds uiteenzetten in welke zin die bepalingen of onderdelen van die bepalingen de in de desbetreffende middelen vermelde referentienormen schenden. Zij voert ten slotte aan dat de door de Ministerraad aangevoerde grieven niet ontvankelijk zijn, in zoverre ze zijn gericht tegen bepalingen die door de verzoekende partijen niet op een ontvankelijke wijze voor het Hof worden bestreden, en dat, in zoverre de verzoekende partijen in hun memories van antwoord nieuwe bezwaren toevoegen aan de in hun verzoekschriften aangevoerde middelen, die bezwaren niet ontvankelijk zijn. A.1.
- In het kader van hun argumentatie bij de aangevoerde middelen betwisten de verzoekende partijen de excepties van de Vlaamse Regering of melden zij dat zij zich gedragen naar de wijsheid van het Hof. Ten aanzien van de middelen Wat betreft de overeenstemming met de bevoegdheidverdelende regels A.
- Het tweede middel in de zaak nr. 7674, het vijfde middel in de zaak nr. 7675, het vierde middel in de zaak nr. 7750 en het eerste middel in de zaak nr. 7773 zijn afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels en meer bepaald uit de schending van de artikelen 6, § 1, VI, vijfde lid, 5°, en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), doordat de bestreden bepalingen van het federale vennootschapsrecht afwijken. Die middelen zijn, samen genomen, gericht tegen de artikelen 79, 83, 87, 105, 122, 124, 128 en 206 van het decreet van 9 juli 2021, evenals tegen de overgangsbepalingen die de stopzetting van de erkenning van de sociale huisvestingsmaatschappijen en de overgang naar woonmaatschappijen regelen. 5 A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7750 zetten uiteen dat artikel 4.39 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals vervangen bij artikel 79 van het decreet van 9 juli 2021, bepaalt dat de woonmaatschappijen de vorm aannemen van een besloten vennootschap en dat het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna : het WVV) erop van toepassing is, voor zover daarvan niet wordt afgeweken door of krachtens de Vlaamse Codex Wonen van
- De decreetgever geeft volgens hen aldus zelf aan dat hij op een aantal punten afwijkt van het federale kader gecreëerd voor de besloten vennootschappen. Zij merken bovendien op dat artikel 4.39/2 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals vervangen bij artikel 83 van het decreet van 9 juli 2021, de toepassing van artikel 5:102 van het WVV uitdrukkelijk uitsluit. De verzoekende partijen wijzen erop dat de Raad van State heeft opgemerkt dat voor de vormgeving van de nieuwe woonactoren op een aantal cruciale punten wordt afgeweken van de regels van het WVV en dat dit enkel mogelijk is wanneer is voldaan aan de voorwaarden verbonden aan de impliciete bevoegdheden. De verzoekende partijen verwijzen naar het arrest van het Hof nr. 105/2000 van 25 oktober 2000, waarbij met betrekking tot een regeling voor de Waalse openbare huisvestingsmaatschappijen werd geoordeeld dat voldaan was aan die voorwaarden. Zij menen evenwel dat de context waarin het Hof in dat arrest tot die toets is overgegaan, fundamenteel verschilt van de context van de voorliggende zaak, daar de Waalse openbare huisvestingsmaatschappijen in het arrest nr. 105/2000 werden gekwalificeerd als publiekrechtelijke rechtspersonen en daar de afwijkingen van het vennootschapsrecht die ter discussie stonden in dat arrest slechts principes bevestigden die de bestaande maatschappijen reeds in hun statuten hadden ingeschreven. Zij betwisten de stelling van de Vlaamse Regering dat de decreetgever niets anders heeft gedaan dan gebruikmaken van de vrijheid die de federale wetgever zou hebben verleend. Zij doen gelden dat wanneer de federale wetgever aan de vennootschappen, hun oprichters en hun organen bepaalde vrijheden toekent, het niet toekomt aan de decreetgever om daar onder het mom van erkenningsvoorwaarden aan te tornen. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7750 bekritiseren artikel 4.39/5 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals vervangen bij artikel 87 van het decreet van 9 juli 2021, doordat die bepaling, door erin te voorzien dat de private aandeelhouders één bestuurder kunnen voordragen, de samenstelling van de raad van bestuur van een vennootschap regelt. Zij menen dat daarmee wordt afgeweken van het federale vennootschapsrecht, dat weliswaar de principiële geldigheid van clausules van bindende voordracht aanvaardt, maar niet de geldigheid van clausules waarbij de benoemingen exclusief worden voorbehouden aan houders van welbepaalde categorieën van aandelen. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7750 bekritiseren ook de beperkingen op de uitkering van vermogensvoordelen aan aandeelhouders vervat in artikel 4.46/3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals vervangen bij artikel 105 van het decreet van 9 juli
- Zij zetten uiteen dat het een basisprincipe van het vennootschapsrecht is dat niemand kan worden uitgesloten van deelname in de winst. Zij verwijzen daarbij naar artikel 5:14 van het WVV. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7750 zijn van oordeel dat artikel 4.51 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals ingevoegd bij artikel 122 van het decreet van 9 juli 2021, evenmin in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels, doordat de Vlaamse Regering een mandataris ad hoc kan aanstellen die geheel of gedeeltelijk in de plaats treedt van het bestuursorgaan van de woonmaatschappij. Zij wijzen erop dat de federale regelingen betreffende het aanstellen van mandatarissen die in de plaats kunnen treden van het bestuursorgaan slechts in zeer uitzonderlijke situaties kunnen worden toegepast en bovendien het optreden van een rechter vereisen. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7750 bekritiseren artikel 4.53 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals vervangen bij artikel 124 van het decreet van 9 juli 2021, dat de gevolgen regelt van de intrekking van de erkenning van de woonmaatschappij. Zij zetten uiteen dat alle bevoegdheden om de woonmaatschappij te besturen en te verbinden na de intrekking van de erkenning worden toegewezen aan door de Vlaamse Regering aangestelde vereffenaars en dat de Vlaamse Regering bevoegd is om de wijze van vereffening vast te stellen, om de vereffenaars te machtigen tot het stellen van daden en om de vereffening af te sluiten. De verzoekende partijen menen dat aldus wordt ingegrepen in het bestuur van de vennootschap, waardoor aan de fundamenten van het federale vennootschapsrecht wordt geraakt. A.3.
- De in artikel 4.53/3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals vervangen bij artikel 128 van het decreet van 9 juli 2021, vervatte regeling betreffende het door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen in de rechten en verplichtingen treden van een sociaal verhuurkantoor met betrekking tot de afgesloten huurovereenkomsten tussen de verhuurder en het sociaal verhuurkantoor, is volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 7750 evenmin in overeenstemming met de bevoegdheidverdelende regels. Zij menen dat die bepaling afwijkt van artikel 2:49 van het WVV, dat bepaalt dat rechtspersonen handelen door middel van hun organen, en 6 van de artikelen 2:82 en 2:83 van dat Wetboek, die bepalen dat een door de algemene vergadering aangestelde vereffenaar instaat voor de vereffening. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7750 menen dat artikel 206, 3°, van het decreet van 9 juli 2021 evenmin in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels. Zij zetten uiteen dat dit artikel de stemrechten van de andere aandeelhouders dan het Vlaamse Gewest en de provincies, gemeenten en OCMW’s die in het werkingsgebied van de woonmaatschappij gelegen zijn, beperkt. Zij menen dat aldus wordt afgeweken van artikel 5:54 van het WVV, dat bepaalt dat beperkingen van stemrechten enkel mogelijk zijn als die beperkingen van toepassing zijn op alle aandeelhouders. Zij menen ook dat de bepaling afwijkt van de procedurele regels vervat in artikel 5:102 van het WVV. Zij bekritiseren ook artikel 206, 5°, van het decreet van 9 juli 2021, daar het erin geregelde voordrachtrecht niet voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden die overeenkomstig het federale vennootschapsrecht gelden voor een clausule van bindende voordracht. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7750 menen dat de bestreden bepalingen de toets aan artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet kunnen doorstaan, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden verbonden aan de impliciete bevoegdheden. Zij menen dat de door die bepalingen geregelde aangelegenheden zich niet lenen tot een gedifferentieerde regeling, dat de weerslag op de federale bevoegdheden niet marginaal is en dat de Vlaamse Regering evenmin aantoont dat die bepalingen noodzakelijk zijn om de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest uit te oefenen. A.4.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7674 en 7675 menen eveneens dat de bestreden bepalingen op meerdere punten afwijken van het vennootschapsrecht. Zij verwijzen daarbij naar de artikelen 79, 87, 105, 122 en 128 van het decreet van 9 juli 2021 en naar de in dat decreet opgenomen overgangsbepalingen die de stopzetting van de erkenning van de sociale huisvestingsmaatschappijen en de overgang naar woonmaatschappijen regelen. In hun memorie van antwoord zetten zij uiteen waarin de afwijking van het vennootschapsrecht zou bestaan. Zij beargumenteren hun standpunt op een gelijksoortige wijze als de verzoekende partijen in de zaak nr.
- A.4.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7674 en 7675 leiden uit het arrest van het Hof nr. 105/2000 van 25 oktober 2000 af dat bij de oprichting, met toepassing van artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, van een openbare instelling afhangend van het gewest die de vorm aanneemt van een handelsvennootschap, op grond van de eigen bevoegdheid van het gewest kan worden afgeweken van de federale vennootschapswetgeving, maar dat een dergelijke afwijking, wanneer het gaat om rechtspersonen die niet door het gewest zijn opgericht, slechts mogelijk is met toepassing van artikel 10 van de voormelde bijzondere wet (de impliciete bevoegdheden). Zij menen dat te dezen niet is voldaan aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de toepassing van de impliciete bevoegdheden. Zij wijzen erop dat de afdeling wetgeving van de Raad van State dit reeds heeft gesteld met betrekking tot de maatregel betreffende de aanstelling door de Vlaamse Regering van een mandataris ad hoc. A.5.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7773 menen dat artikel 87 van het decreet van 9 juli 2021, dat artikel 4.39/5 in de Vlaamse Codex Wonen van 2021 invoert, niet in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels. Zij voeren aan dat dit artikel de vrijheid waarover de vennoten en de aandeelhouders op basis van het federale vennootschapsrecht beschikken met betrekking tot het bepalen van de samenstelling van het bestuursorgaan van de vennootschap, op verschillende punten beperkt. Zij wijzen erop dat overeenkomstig het WVV de controle over de vennootschap dient te liggen bij de aandeelhouders en de vennoten, terwijl de bestreden bepaling die controle volgens hen toevertrouwt aan de Vlaamse Regering. Zij doen gelden dat het een algemeen beginsel van het federale vennootschapsrecht is dat de algemene vergadering van een vennootschap de vrije keuze heeft op het vlak van de benoeming van de bestuurders. Zij menen bovendien dat de regeling, in de bestreden bepaling, van de bezoldiging van de bestuurders afwijkt van artikel 2:50 van het WVV. A.5.
- Wat betreft artikel 105 van het decreet van 9 juli 2021, dat een artikel 4.46/3 in de Vlaamse Codex Wonen van 2021 invoert, zetten de verzoekende partijen in de zaak nr. 7773 uiteen dat het federale vennootschapsrecht bepaalt dat de vereffenaar, na aftrek van alle schulden, alle vermogensbestanddelen verdeelt onder de aandeelhouders of vennoten. Door strikte uitkeringsbeperkingen op te leggen aan de vereffenaar van een woonmaatschappij, wijkt de bestreden bepaling volgens hen af van het federale vennootschapsrecht. Zij doen gelden dat door de winstuitkering aan decretale voorwaarden te onderwerpen, de vrijheid die de algemene vergadering normalerwijze op dat punt heeft, wordt beperkt. 7 A.5.
- Met betrekking tot artikel 122 van het decreet van 9 juli 2021, dat artikel 4.51 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 vervangt, beargumenteren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7773 hun standpunt op een gelijksoortige wijze als de verzoekende partijen in de zaak nr.
- Zij voegen eraan toe de decreetgever zich niet kan beroepen op de arresten van het Hof nrs. 33/2007 en 64/2015, daar het Hof in die arresten niet heeft geoordeeld over de overeenstemming van wetskrachtige bepalingen met de bevoegdheidverdelende regels. A.5.
- Wat betreft artikel 128 van het decreet van 9 juli 2021, dat artikel 4.53/3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 vervangt, beargumenteren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7773 hun standpunt eveneens op een gelijksoortige wijze als de verzoekende partijen in de zaak nr.
- A.5.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7773 zijn van oordeel dat de bestreden bepalingen de toets aan artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet kunnen doorstaan. Zij menen dat de decreetgever er niet in slaagt afdoende aan te geven dat de uitoefening van de impliciete bevoegdheden te dezen slechts een marginale weerslag heeft op de federale aangelegenheid van het vennootschapsrecht. A.6.
- Het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7695 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 205, § 6, en 215 van het decreet van 9 juli 2021, van de artikelen 6, § 1, IV, 2°, en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus
- De verzoekende partijen betwisten dat, vanaf de intrekking van de erkenning van een sociaal verhuurkantoor, de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen van rechtswege in de rechten en verplichtingen van dat sociaal verhuurkantoor treedt die voortvloeien uit de overeenkomsten die gesloten zijn tussen het sociaal verhuurkantoor en de private verhuurders, zonder dat de private verhuurder daartoe zijn toestemming kan geven. Zij betwisten eveneens dat bij de totstandkoming van een woonmaatschappij, de sociale verhuurkantoren en sociale huisvestingsmaatschappijen de hoofdhuurovereenkomsten met private verhuurders overdragen aan de woonmaatschappij zonder schriftelijke en voorafgaande toestemming van de verhuurder. A.6.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7695 voeren aan dat de bestreden bepalingen de bevoegdheidverdelende regels schenden, in zoverre de decreetgever in verregaande mate intervenieert in het verbintenissenrecht, zijnde een residuaire federale bevoegdheid, zonder dat zulks noodzakelijk is. De bestreden bepalingen grijpen volgens hen in op een van de wezensbestanddelen van een verbintenis, zijnde de contractspartij : na het verlies van de erkenning door het sociaal verhuurkantoor of na oprichting van een woonmaatschappij, zal de private verhuurder die voorheen een verhuurovereenkomst had met het sociaal verhuurkantoor, van rechtswege de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen als contractspartij hebben, zonder dat hij daarvoor zijn toestemming kan geven. A.7.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat het tweede middel in de zaak nr. 7674 en het vijfde middel in de zaak nr. 7675 niet ontvankelijk zijn, bij gebrek aan uiteenzetting ervan. Zij meent dat uit de uiteenzetting van de middelen niet blijkt in welke opzicht elk van de bestreden bepalingen afbreuk zou doen aan de aangevoerde referentienormen. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de « overgangsbepalingen die de stopzetting van de erkenning van de sociale huisvestingsmaatschappijen en de overgang naar woonmaatschappijen regelen » niet in overeenstemming zijn met de bevoegdheidverdelende regels, is het volgens de Vlaamse Regering bovendien niet duidelijk welke overgangsbepalingen precies worden beoogd. Zij meent ook dat niet tegen alle in de middelen vermelde bepalingen grieven worden aangevoerd. A.7.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat ook het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7695 niet ontvankelijk is, bij gebrek aan uiteenzetting ervan. Zij meent bovendien dat de verzoekende partijen enkel grieven aanvoeren tegen het bestreden artikel 205, § 5, van het decreet van 9 juli
- A.7.
- Met betrekking tot het vierde middel in de zaak nr. 7750 meent de Vlaamse Regering dat het middel, bij gebrek aan uiteenzetting ervan, niet ontvankelijk is, in zoverre het is gericht tegen de artikelen 83 en 87 van het decreet van 9 juli 2021 en tegen andere onderdelen van het bij artikel 79 in de Vlaamse Codex Wonen van 2021 ingevoerde artikel 4.39 dan het eerste lid ervan, tegen andere onderdelen van het bij artikel 122 in de Vlaamse Codex Wonen van 2021 ingevoerde artikel 4.51 dan het 3° ervan, en tegen andere onderdelen van artikel 206 van het decreet van 9 juli 2021 dan het eerste lid, 3° en 5°, ervan. Zij doet bovendien gelden dat de bij artikel 83 van dat decreet ingevoerde regel enkel geldt voor nieuwe woonmaatschappijen, die geen voortzetting zijn van bestaande sociale huisvestingsmaatschappijen. Het bestreden artikel 83 is volgens haar aldus niet van toepassing op de verzoekende partijen in de zaak nr.
- A.7.
- De Vlaamse Regering meent dat het eerste middel in de zaak nr. 7773 niet ontvankelijk is, in zoverre het is gericht tegen andere onderdelen van artikel 4.51 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals vervangen 8 bij artikel 122 van het decreet van 9 juli 2021, dan 3° ervan, omdat tegen die andere onderdelen geen grieven worden aangevoerd. A.7.
- De verzoekende partijen betwisten de excepties van de Vlaamse Regering. Zij menen dat zij op voldoende duidelijk wijze hebben uiteengezet in welke zin de bestreden bepalingen de bevoegdheidverdelende regels schenden. Zij menen bovendien dat de Vlaamse Regering op geen enkele wijze werd belemmerd in haar recht zich te verdedigen, wat volgens hen blijkt uit de uitgebreide memories die de Vlaamse Regering heeft neergelegd. A.8.
- Ten gronde is de Vlaamse Regering in hoofdorde van oordeel dat de bestreden artikelen 79, 87, 105, 128 en 206, eerste lid, 3° en 5°, geen beroep op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vereisen. Zij meent dat die artikelen niet afwijken van het federale vennootschapsrecht en louter een invulling geven aan de vrijheid die de federale wetgever vennootschapsrechtelijk laat. Zij doet gelden dat de decreetgever in het kader van zijn bevoegdheid inzake huisvesting erkenningsvoorwaarden vermag vast te stellen en dat hij daarbij een nadere invulling vermag te geven aan de door de federale wetgever gelaten vrijheid op het vlak van de inrichting van vennootschappen. Zij merkt ook op dat de gewesten, overeenkomstig artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, bevoegd zijn voor de intergemeentelijke samenwerking. De Vlaamse Regering meent dat de decreetgever de vrijheid van de besloten vennootschappen om zichzelf te structureren niet heeft beperkt, daar hij enkel erkenningsvoorwaarden heeft aangenomen, waaraan de desbetreffende vennootschappen zich geheel vrijwillig kunnen onderwerpen. Zij betwist de stelling van de verzoekende partijen dat de decreetgever, door in artikel 4.39 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 te bepalen dat het WVV van toepassing is op de woonmaatschappijen voor zover daarvan niet wordt afgeweken, zelf toegeeft dat wordt afgeweken van het vennootschapsrecht. Zij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 105/2000 van 25 oktober 2000, dat handelde over een decreet van het Waalse Gewest waarin een gelijksoortige bepaling was opgenomen en waarbij het Hof niettemin heeft geoordeeld dat de Waalse decreetgever het federale bevoegdheidsdomein niet heeft betreden en geen beroep op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 moest doen. A.8.
- In ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van oordeel dat te dezen is voldaan aan de voorwaarden van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus
- De bestreden bepalingen zijn volgens haar noodzakelijk om de doelstellingen aangaande het woonbeleid en de doelstelling om de lokale besturen daarin een regierol toe te bedelen, te bereiken. Het federale vennootschapsrecht laat volgens haar een gedifferentieerde regeling toe, aangezien de flexibiliteit van de besloten vennootschap een speerpunt ervan is. De marginale weerslag van de bestreden bepalingen op het federale vennootschapsrecht blijkt volgens haar uit het feit dat het toepassingsgebied van die bepalingen beperkt is tot de woonmaatschappijen. De Vlaamse Regering verwijst ter zake naar het arrest van het Hof nr. 105/2000 van 25 oktober 2000 en meent dat uit dat arrest niet kan worden afgeleid dat de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtsaard van de woonmaatschappijen van enig belang zou zijn in het kader van de toets aan artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus
- Zij verwijst ook naar de arresten van het Hof nrs. 83/97 en 95/98, waarin met betrekking tot de toenmalige Brusselse openbare vastgoedmaatschappijen werd geoordeeld dat de weerslag op het vennootschapsrecht marginaal was, daar de bestreden bepalingen uitsluitend betrekking hadden op de openbare vastgoedmaatschappijen die in belangrijke mate met gelden van het Gewest functioneren. A.9.
- Met betrekking tot artikel 79 van het decreet van 9 juli 2021 doet de Vlaamse Regering gelden dat de decreetgever heeft gekozen voor de vorm van de besloten vennootschap omdat het statuut van sociale onderneming, sinds de inwerkingtreding van het WVV, is voorbehouden aan de coöperatieve vennootschap, omdat de coöperatieve vennootschap wegens het toezicht dat de Vlaamse overheid beoogde te organiseren niet de geschikte vennootschapsvorm uitmaakt voor de op te richten woonmaatschappijen en omdat de besloten vennootschap overeenkomstig het federale vennootschapsrecht veel flexibiliteit toelaat. Zij meent dat die flexibiliteit de decreetgever de mogelijkheid gaf om de regels die vroeger reeds golden voor de sociale huisvestingsmaatschappijen, via erkenningsvoorwaarden, van toepassing te verklaren op de woonmaatschappijen. Zij meent dat het federale vennootschapsrecht zich niet verzet tegen de bestreden bepaling. A.9.
- Met betrekking tot het bestreden artikel 87 zet de Vlaamse Regering uiteen dat de decreetgever met die bepaling invulling geeft aan de door de federale overheid uitdrukkelijk gelaten vrijheid om te bepalen hoe het bestuursorgaan in de besloten vennootschap wordt samengesteld en hoe het werkt. Zij verwijst daarbij naar de artikelen 5:70 en volgende van het WVV. Zij doet gelden dat de federale wetgever met artikel 1:14 van het WVV op geen enkele manier heeft willen bepalen wie binnen een vennootschap de controlebevoegdheid moet hebben en betwist de stelling van de verzoekende partijen dat de Vlaamse Regering via het bestreden artikel 87 controle 9 in de zin van artikel 1:14, § 1, van het WVV beoogt te verwerven. Zij meent dat de bestreden bepaling op geen enkele wijze afwijkt van artikel 2:50 van het WVV en wijst erop dat artikel 5:72 van het WVV een lex specialis vormt ten aanzien van dat artikel 2:
- Zij merkt op dat artikel 5:72 van het WVV bepaalt dat de bestuurders voor de uitoefening van hun mandaat worden bezoldigd, tenzij de statuten anders bepalen. Zij beklemtoont daarbij dat vennootschappen die als woonmaatschappij willen worden erkend, hun statuten steeds in overeenstemming moeten brengen met de erkenningsvoorwaarden. In zoverre de verzoekende partijen beweren dat de bestreden bepaling afwijkt van artikel 5:70 van het WVV, is de Vlaamse Regering van mening dat de bestreden bepaling slechts invulling geeft aan de vrijheid die de federale vennootschapswetgever heeft gelaten op het vlak van de samenstelling van het bestuursorgaan en de wijze waarop de leden ervan worden benoemd en ontslagen. Wat artikel 4:73, § 1, derde lid, van het WVV betreft, wijst de Vlaamse Regering erop dat het bestreden artikel 87 nergens bepaalt dat de volheid van bevoegdheid niet langer bij het bestuursorgaan zou liggen en dat de voormelde bepaling van het WVV een statutaire regeling volgens welke de bestuurders een collegiaal bestuursorgaan vormen, toelaat. In zoverre voor het bestreden artikel 87 een beroep op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vereist zou zijn, meent de Vlaamse Regering dat de door die bepaling ingevoerde regels noodzakelijk zijn om een waaier aan diverse bestuursmodellen, bevoegdheidsverdelingen en bestuursmodaliteiten binnen de woonmaatschappijen te vermijden en om de continuïteit van de bestaande praktijk binnen de sociale huisvestingsmaatschappijen te waarborgen. Zij meent dat die regels zich ook lenen tot een gedifferentieerde regeling, gelet op de flexibiliteit van het federale vennootschapsrecht, en dat de weerslag ervan op de federale bevoegdheden marginaal is. A.9.
- Het bestreden artikel 105 van het decreet van 9 juli 2021 vormt volgens de Vlaamse Regering eveneens een invulling van een door de federale overheid gelaten vrijheid. Zij meent dat die bepaling niet afwijkt van artikel 5:14 van het WVV, daar die bepaling geenszins inhoudt dat aan één of meer aandeelhouders winstdeelname zou worden ontzegd. De in die bepaling geregelde winstbeperking geldt volgens haar immers voor alle aandeelhouders. Uit dat artikel volgt volgens haar bovendien niet dat woonmaatschappijen nooit ofte nimmer winst zouden mogen uitkeren aan hun aandeelhouders. Zij wijst erop dat de bestreden regeling reeds was vervat in de vroegere regelgeving betreffende de sociale huisvestingsmaatschappijen en dat die regeling eveneens is opgenomen in de statuten van die maatschappijen. Zij verwijst naar de artikelen 1:1 en 2:8, § 2, 11°, van het WVV en leidt eruit af dat vennootschappen andere doelen dan winstuitkering mogen nastreven. De Vlaamse Regering doet gelden dat het gemene vennootschapsrecht niet vereist dat de algemene vergadering en de vereffenaar over een volledige vrijheid beschikken bij het bepalen van de wijze waarop zij de winst en het vereffeningssaldo wensen te bestemmen. De algemene vergadering en de vereffenaar zijn immers gebonden door de dwingende wettelijke bepalingen en door de bepalingen van de statuten van de vennootschap. Zij verwijst daarbij naar de artikelen 2:8, § 2, 8°, en 2:5, § 1, derde lid, van het WVV. Behalve de regel dat in een besloten vennootschap de aandeelhouders niet volledig kunnen worden uitgesloten van enige deelname in de winst of het vereffeningssaldo, kunnen de statuten volgens haar alle mogelijke uitkeringsbeperkingen bevatten. Zij verwijst ook naar artikel 2:87, § 1, van het WVV, waaruit volgens haar blijkt dat de bevoegdheden van de vereffenaar steeds worden bepaald door de vrijheid die de statuten hem bieden. Zij beklemtoont ten slotte dat de woonmaatschappijen de modelstatuten dienen aan te nemen die de Vlaamse Regering vaststelt en dat in die modelstatuten de bestreden uitkeringsbeperkingen zijn opgenomen. In zoverre voor het bestreden artikel 87 een beroep op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vereist zou zijn, is de Vlaamse Regering van oordeel dat de noodzakelijkheid van de ingevoerde regels volgt uit het streven van de decreetgever naar een invulling van de toegelaten flexibiliteit op een consistente wijze, die rekening houdt met de nood aan continuïteit van de huidige regeling en meer bepaald met het behoud van de huidige bescherming tegen verschillende vormen van winstuitkering die manifest strijdig zijn met de aard, de activiteiten en de financiering van de sociale huisvestings- en woonmaatschappijen. De noodzaak tot decretaal optreden volgt volgens haar meer concreet uit het feit dat onder het vroegere vennootschapsrecht de variant van de vennootschap met een sociaal oogmerk, die sociale huisvestingsmaatschappijen verplicht moesten aannemen, op zich al bepaalde garanties tegen al te verregaande winstuitkeringen bood. Zij wijst erop dat de wijziging van het vennootschapsrecht met zich mee heeft gebracht dat het niet langer mogelijk is een beroep te doen op die vennootschapsrechtelijke bescherming, zodat zij op een andere wijze moet worden ingebouwd. Zij meent dat de bij artikel 105 van het decreet van 9 juli 2021 ingevoerde regels zich ook lenen tot een gedifferentieerde regeling, gelet op de flexibiliteit van het federale vennootschapsrecht en gelet op het feit dat zij gebaseerd zijn op vennootschapsrechtelijke bepalingen die de vennootschappen met een sociaal oogmerk en de sociale ondernemingen regelen. 10 A.9.
- Met betrekking tot de artikelen 122 en 124 van het decreet van 9 juli 2021 is de Vlaamse Regering van oordeel dat de decreetgever de volledige bevoegdheid heeft tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de huisvesting en dat hij vennootschappen die voor een erkenning als woonmaatschappij hebben geopteerd, in het licht van hun betrokkenheid bij de uitvoering van het sociale woonbeleid, aan een specifieke toezichtsregeling vermag te onderwerpen. Zij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 116/2008 van 31 juli 2008 en leidt eruit af dat wanneer de decreetgever zijn bevoegdheden uitoefent en in het kader daarvan een regeling van toezicht op verenigingen uitvaardigt, hij het federale bevoegdheidsterrein niet betreedt. Zij meent dat de bestreden bepalingen perfect zijn te verantwoorden in het licht van de hoedanigheid van de woonmaatschappijen als bevoorrechte uitvoerders van het sociale woonbeleid en in het licht van de taken van algemeen belang waarmee zij worden belast. In zoverre voor de bestreden artikelen 122 en 124 een beroep op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vereist zou zijn, merkt de Vlaamse Regering op dat de maatregel betreffende het aanstellen van een mandataris ad hoc noodzakelijk is om de goede uitvoering van de taak van openbare dienst te waarborgen, om het grondwettelijk gewaarborgd recht op menswaardig wonen te verzekeren en om de sector te beschermen tegen misbruik en fraude. De aangelegenheid komt volgens haar in aanmerking voor een gedifferentieerde regeling, daar ook het federale vennootschapsrecht voorziet in regelingen om mandatarissen aan te stellen die in de plaats treden van het bestuursorgaan. Zij voegt eraan toe dat die regelingen niet steeds een optreden van de rechter vereisen. Zij wijst bovendien erop dat de vroegere decretale regeling reeds voorzag in een gelijksoortige maatregel. De maatregel heeft volgens haar slechts een marginale weerslag op de bevoegdheden van de federale overheid. Zij verwijst naar rechtspraak waarin het Hof zou hebben aanvaard, enerzijds, dat regels die enkel betrekking hebben op sociale huisvestingsmaatschappijen slechts een marginale weerslag hebben op de federale bevoegdheden en, anderzijds, dat de mogelijkheid om een mandataris ad hoc aan te stellen in structuren met de rechtsvorm van een privaatrechtelijke vennootschap die rechtstreeks of onrechtstreeks worden gefinancierd en gecontroleerd door een overheid, zich leent tot een gedifferentieerde regeling en een marginale weerslag heeft (arresten nrs. 105/2000 en 9/2020). De Vlaamse Regering wijst erop dat de met het bestreden artikel 124 ingevoerde regel teruggaat op vroegere regelgeving en meent dat ook die bepaling voldoet aan de voorwaarden van de impliciete bevoegdheden. A.9.
- Wat artikel 128 van het decreet van 9 juli 2021 betreft, valt volgens de Vlaamse Regering niet in te zien hoe die bepaling zou kunnen afwijken van het federale vennootschapsrecht, daar zij enkel regels bevat inzake de overdracht van overeenkomsten in het kader van de materie van de huisvesting. Zij is van oordeel dat de bevoegdheidstoewijzing, aan de gewesten, van de specifieke regels betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan (artikel 6, § 1, IV, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980) ruim moet worden opgevat en de mogelijkheid inhoudt om van het federale verbintenissenrecht af te wijken. Zij verwijst nog naar de verantwoording van de bestreden bepaling in de parlementaire voorbereiding. A.9.
- Met betrekking tot het bestreden artikel 206, eerste lid, 3°, wijst de Vlaamse Regering allereerst erop dat die bepaling een loutere overname is van vroegere regelgeving en dat die regeling ook is opgenomen in de statuten van de sociale huisvestingsmaatschappijen. Zij meent dat het beginsel « één aandeelhouder, één stem » sinds de inwerkingtreding van het WVV voor de besloten vennootschap van suppletief recht is, wat zou blijken uit artikel 5:42 van dat Wetboek. Wat het bestreden artikel 206, eerste lid, 5°, betreft, doet de Vlaamse Regering allereerst gelden dat de gemeenten en de OCMW’s, overeenkomstig artikel 4.39/2, § 2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, samen altijd over meer dan 50 % van het totale aantal stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen moeten beschikken, en dat die aandeelhouders volgens het gemene vennootschapsrecht bijgevolg in beginsel bevoegd zijn om, via hun meerderheidspositie in de algemene vergadering, alle leden van het bestuursorgaan te benoemen. De bestreden bepaling bewerkstelligt aldus volgens haar een decretale verankering voor de minderheidsaandeelhouders om in de statuten erin te voorzien dat er één bestuurder op hun voordracht zou worden benoemd. Zij meent daarnaast dat het federale vennootschapsrecht geenszins belet dat de voordrachten voor benoemingen zouden worden voorbehouden aan houders van welbepaalde categorieën van aandelen. Zij merkt op dat de principiële geldigheid van een clausule van bindende voordracht zowel door de rechtspraak als door de rechtsleer wordt aanvaard en dat te dezen aan de daaraan verbonden voorwaarden is voldaan. De bestreden bepaling voorziet enkel in een voordrachtrecht en raakt aldus volgens haar niet aan de bevoegdheid van de algemene vergadering om bestuurders te benoemen. In zoverre voor de bestreden bepaling een beroep op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vereist zou zijn, meent de Vlaamse Regering dat voldaan is aan de voorwaarden van de impliciete bevoegdheden. Zij verwijst daarbij naar de verantwoording vervat in de parlementaire voorbereiding. A.
- Met betrekking tot het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7695 is de Vlaamse Regering van oordeel dat de decreetgever, op grond van artikel 6, § 1, IV, 1° en 2°, van de bijzondere wet van 11 8 augustus 1980, wel degelijk bevoegd is om bij wijze van lex specialis specifieke regels aan te nemen inzake woninghuur, die kunnen afwijken van het algemene federale verbintenissenrecht. Zij verwijst daarbij naar de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet die in het kader van de Zesde Staatshervorming werd aangenomen en leidt eruit af dat de bevoegdheidstoewijzing aan de gewesten van de specifieke regels betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan bijzonder ruim is en de mogelijkheid inhoudt om van het federale verbintenissenrecht af te wijken. A.11.
- De Ministerraad is van oordeel dat de bestreden bepalingen niet in overeenstemming zijn met de bevoegdheidverdelende regels. Hij meent dat die bepalingen niet kunnen worden beschouwd als zijnde een invulling van de vrijheid die de federale wetgever heeft gelaten. Hij wijst onder meer erop dat de Vlaamse Regering volgens het bestreden artikel 122 verregaande sancties kan opleggen die enkel onderworpen zijn aan de door de Vlaamse Regering zelf bepaalde voorwaarden en procedures en dat de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen volgens het bestreden artikel 128 op eigen initiatief van rechtswege in de rechten en de verplichtingen van de woonmaatschappij kan treden. Hij is ook van oordeel dat het bestreden artikel 87 de Vlaamse Regering de bevoegdheid geeft om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van de bestuurders en op de oriëntatie van het beleid van de vennootschap. Hij wijst ten slotte op artikel 105 van het decreet van 9 juli 2021, dat volgens hem van het federale vennootschapsrecht afwijkt door te voorzien in uitkeringsbeperkingen bij de verdeling van de vermogensvoordelen in geval van vereffening. A.11.
- De Ministerraad is van oordeel dat de decreetgever niet aantoont dat de bestreden bepalingen noodzakelijk zijn in het kader van het beoogde woonbeleid en in het kader van de doelstelling om de lokale besturen een regierol toe te bedelen. De door de federale wetgever aan de besloten vennootschappen verleende vrijheid wordt volgens hem door de bestreden bepalingen beperkt, zonder dat het duidelijk is waarom die beperkingen noodzakelijk zijn. Hij meent dat de bestreden bepalingen een weerslag hebben op de federale bevoegdheden die niet als marginaal kan worden beschouwd. Hij doet gelden dat die bepalingen een groot aantal ondernemingen raken en het gezinsleven van zeer veel sociale huurders beïnvloeden. A.11.
- Het gegeven dat het federale vennootschapsrecht voorziet in procedures waarbij een bewindvoerder, een gerechtelijke mandataris of een mandataris ad hoc het bestuur van een vennootschap geheel dan wel gedeeltelijk overneemt, toont volgens de Ministerraad op geen enkele manier aan dat de bij het bestreden decreet ingevoerde maatregel betreffende de aanstelling van een mandataris ad hoc slechts een marginale weerslag heeft op de federale bevoegdheden. Doordat wordt afgeweken van de federale procedures, zijn de waarborgen die de federale wetgeving op dat vlak bevat immers niet van toepassing. A.
- Met betrekking tot de door de verzoekende partijen in de zaak nr. 7695 aangevoerde afwijking van het federale verbintenissenrecht, is de Ministerraad van oordeel dat de decreetgever binnen zijn bevoegdheden heeft gehandeld en dat er aldus geen sprake is van een schending van de bevoegdheidverdelende regels. Wat betreft het aannemen van de rechtsvorm van een besloten vennootschap A.
- Het vierde middel in de zaak nr. 7674, het vierde middel in de zaak nr. 7675 en het vijfde middel in de zaak nr. 7773 zijn gericht tegen artikel 79 van het decreet van 9 juli 2021 en zijn afgeleid uit de schending van de vrijheid van vereniging, zoals gewaarborgd door artikel 27 van de Grondwet, artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat de bestreden bepaling de woonmaatschappijen verplicht de rechtsvorm van een besloten vennootschap aan te nemen. A.
- De verzoekende partijen menen dat de bestreden maatregel de vrijheid van vereniging, en meer bepaald de eraan verbonden vrijheid om de interne organisatie van de vereniging te bepalen, schendt, doordat hij niet pertinent en niet evenredig is ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. Zij zetten uiteen dat in de memorie van toelichting bij het WVV weliswaar met betrekking tot de coöperatieve vennootschap wordt verwezen naar de zogenaamde ICA-beginselen (coöperatieve beginselen), maar dat die beginselen als dusdanig geen wettelijke basis hebben. Zij wijzen erop dat de decreetgever bij de verantwoording van de pertinentie uitdrukkelijk meer bewonersparticipatie, integratie en gelijke kansen van de bewoners naar voren heeft geschoven. Zij menen dat een dergelijke participatie en betrokkenheid van de sociale huurders niet in dezelfde mate mogelijk is in een besloten vennootschap als in een coöperatieve vennootschap. Hoewel de decreetgever de keuze voor de rechtsvorm van de besloten vennootschap ook heeft gemotiveerd met verwijzing naar de vereenvoudiging van het woonlandschap en het vermijden van het werken met twee vennootschapsvormen, menen zij dat het hanteren van verschillende vennootschapsvormen een vereenvoudiging van het woonlandschap niet in de weg staat. 12 A.
- De Vlaamse Regering meent dat de middelen slechts ontvankelijk zijn in zoverre ze zijn gericht tegen artikel 4.39, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals vervangen bij de bestreden bepaling, daar de verzoekende partijen enkel grieven aanvoeren tegen dat eerste lid. A.16.
- Ten gronde meent de Vlaamse Regering dat het opleggen van een bepaalde rechtsvorm aan de sociale woonactoren gerechtvaardigd is omdat die actoren de bevoorrechte uitvoerders zijn van het Vlaamse woonbeleid, en omdat zij belast zijn met de uitoefening van een openbare dienst. Zij doet gelden dat de bestreden bepaling de aandeelhouders van sociale huisvestingsmaatschappijen niet verhindert om andere rechtspersonen met andere maatschappelijke doelen op te richten en is van oordeel dat daaruit blijkt dat de vrijheid van vereniging niet is geschonden. A.16.
- De Vlaamse Regering zet uiteen dat de decreetgever heeft gekozen voor de vorm van de besloten vennootschap omdat het statuut van sociale onderneming, sinds de inwerkingtreding van het WVV, is voorbehouden aan de coöperatieve vennootschap, omdat de coöperatieve vennootschap, onder meer wegens het toezicht dat de Vlaamse overheid beoogde te organiseren, niet de geschikte vennootschapsvorm uitmaakt voor de op te richten woonmaatschappijen en omdat de besloten vennootschap overeenkomstig het federale vennootschapsrecht veel flexibiliteit toelaat. Zij betwist de stelling van de verzoekende partijen dat de ICA- beginselen geen rol spelen bij de kwalificatie van een onderneming als coöperatieve vennootschap en wijst erop dat een vennootschap die zich ten onrechte coöperatieve vennootschap noemt overeenkomstig het federale vennootschapsrecht gerechtelijk kan worden ontbonden. Zij wijst ook erop dat de sociale onderneming onderworpen is aan een erkenning door de Federale Overheidsdienst Economie, wat met zich mee zou brengen dat indien de decreetgever had gekozen voor de rechtsvorm van de sociale onderneming, de woonmaatschappijen door twee overheden dienen te worden erkend. De flexibiliteit van de besloten vennootschap maakt volgens haar een overstap van een oneigenlijke coöperatieve vennootschap naar een besloten vennootschap erg laagdrempelig. Zij merkt op dat een dergelijke overstap volgens het federale vennootschapsrecht in bepaalde gevallen zelfs van rechtswege gebeurt. Zij meent dat uit dit alles blijkt dat de bestreden bepaling pertinent en evenredig is ten aanzien van de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen. Wat betreft het aandeelhouderschap van publiekrechtelijke overheden en de beperking van de rechten van private aandeelhouders A.
- Het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7750 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 83 en 205 van het decreet van 9 juli 2021, van de vrijheid van ondernemen, zoals gewaarborgd door de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de vrijheid van vereniging, zoals gewaarborgd door artikel 27 van de Grondwet en artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en van het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd door artikel 16 van de Grondwet, doordat alleen bepaalde publiekrechtelijke overheden aandelen kunnen aanhouden van een woonmaatschappij. Het tweede middel in de zaak nr. 7750 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 83, 105, 205 en 206 van het decreet van 9 juli 2021, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de bestreden bepalingen zonder afdoende rechtvaardiging en zonder compensatie de rechten beperken van de private aandeelhouders van bestaande erkende sociale huisvestingsmaatschappijen die hun erkenning wensen te behouden door zich om te vormen naar een woonmaatschappij. Het vierde middel in de zaak nr. 7773 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 83 en 206, in samenhang gelezen met de artikelen 105 en 205, § 4, van het decreet van 9 juli 2021, van de vrijheid van vereniging, zoals gewaarborgd door artikel 27 van de Grondwet, artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in samenhang gelezen met het recht op eigendom, zoals gewaarborgd door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de bestreden bepalingen voorzien in een uitdovende regeling voor het private aandeelhouderschap in de woonmaatschappijen, met een inperking van de rechten die de private aandeelhouders kunnen laten gelden ten aanzien van de vennootschap. A.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7750 bekritiseren in het tweede onderdeel van hun eerste middel de door artikel 83 van het decreet van 9 juli 2021 ingevoerde regel volgens welke alleen het Vlaamse Gewest en de 13 provincies, gemeenten en OCMW’s die in het werkingsgebied van de woonmaatschappij liggen, aandelen kunnen aanhouden van een woonmaatschappij. Zij bekritiseren eveneens artikel 205, § 1, laatste lid, van dat decreet, naar luid waarvan vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet andere personen dan de provincies, de gemeenten en de OCMW’s geen aandelen kunnen verwerven van een sociale huisvestingsmaatschappij. Zij zetten uiteen dat het decreet enkel voor aandeelhouders die reeds vóór de datum van inwerkingtreding aandeelhouder waren van een sociale huisvestingsmaatschappij, voorziet in een mogelijkheid om aandeelhouder te blijven van een woonmaatschappij (artikel 206 van het decreet van 9 juli 2021). Zij zijn van oordeel dat de voormelde regeling een discriminerende beperking inhoudt van de vrijheid van ondernemen en van de vrijheid van vereniging, doordat een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen bepaalde publiekrechtelijke rechtspersonen en andere publiek- en privaatrechtelijke rechtspersonen. Zij menen dat dit verschil in behandeling niet kan worden verantwoord aan de hand van het gegeven dat de sector van de sociale huisvesting in ruime mate wordt gefinancierd via publieke middelen, daar de provincies, de gemeenten en de OCMW’s niet instaan voor de subsidiëring van de sector en daar het Vlaamse Gewest, dat wel instaat voor die subsidiëring, aan beperkingen wordt onderworpen bij het inschrijven op aandelen in een woonmaatschappij. Zij menen bovendien dat de sector ook in grote mate wordt gefinancierd via private middelen. Zij betwisten de in de parlementaire voorbereiding gegeven verantwoording gebaseerd op de bedoeling van de decreetgever om de regierol van het woonbeleid bij de lokale besturen te leggen. Zij menen dat er andere manieren bestaan om te waarborgen dat met lokale eigenheden rekening wordt gehouden in de besluitvorming van de betrokken vennootschappen. Bovendien heeft de decreetgever voorzien in ruime mogelijkheden voor de woonmaatschappijen om participaties te nemen in andere rechtspersonen, wat volgens hen op gespannen voet staat met de nagestreefde doelstelling betreffende het versterkt publiek aandeelhouderschap. A.19.
- In het kader van het tweede middel in de zaak nr. 7750 bekritiseren de verzoekende partijen het feit dat andere aandeelhouders dan het Vlaamse Gewest, de gemeenten, de provincies en de OCMW’s (hierna : de « andere aandeelhouders ») in bepaalde omstandigheden een mogelijkheid hebben om aandeelhouder te zijn van een erkende woonmaatschappij, zij het onder voorwaarden die ertoe leiden dat de waarde van hun aandeel nog nauwelijks te vergelijken is met de waarde ervan voordien. Zij wijzen erop dat de aandeelhouders weliswaar ervoor kunnen kiezen de betrokken vennootschap te verlaten, maar bekritiseren dat zij daarbij slechts recht hebben op de terugbetaling van hun inbreng in de vennootschap. A.19.
- De bestreden bepalingen schenden volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 7750 het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij menen dat de eigendomsbeperkingen die de bestreden bepalingen met zich meebrengen ernstig zijn, doordat maximaal met één tiende van het aantal aanwezige of vertegenwoordigde stemmen mag worden deelgenomen aan de algemene vergadering, en dit ongeacht het aantal aandelen waarover men beschikt, doordat de publieke aandeelhouders steeds het overgewicht hebben in de besluitvorming en doordat de statuten kunnen bepalen dat de « andere aandeelhouders » slechts één bestuurder kunnen voordragen. Op die manier wordt volgens hen afgeweken van het in het vennootschapsrecht geldende algemene principe van « één aandeelhouder, één stem » en wordt een verschil in behandeling in het leven geroepen dat niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.19.
- Indien het Hof van oordeel zou zijn dat de bestreden bepalingen noodzakelijk zijn om de nagestreefde doelstellingen te bereiken, dan blijft het volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 7750 nodig om te voorzien in een passende vergoeding. De terugbetaling aan de aandeelhouders van hun inbreng in de vennootschap vormt volgens hen geen vergoeding voor de bekritiseerde beperkingen van het eigendomsrecht, die in werkelijkheid erop neerkomen dat de aandeelhouders de kans verliezen om aandeelhouder te blijven met alle rechten die daarmee gepaard gaan krachtens het gemene vennootschapsrecht. A.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7773 voeren aan dat de keuze voor het publieke aandeelhouderschap en de inperking van de rechten van de private aandeelhouders leiden tot een strijdigheid met de vrijheid van vereniging, daar die maatregelen fundamenteel ingrijpen in de vrijheid van vennootschappen op het vlak van het bepalen van hun organisatie, structuur en bestuur, en tot een strijdigheid met het eigendomsrecht van de aandeelhouders, daar hun stemrechten in de algemene vergadering van de vennootschap sterk worden ingeperkt. Zij beargumenteren hun standpunt op een gelijksoortige wijze als de verzoekende partijen in de zaak nr.
- A.21.
- De Vlaamse Regering meent dat het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7750 enkel ontvankelijk zou kunnen zijn in zoverre het is gericht tegen artikel 4.39/2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals vervangen bij artikel 83 van het decreet van 9 juli 2021, en tegen artikel 205, § 1, laatste lid, van dat decreet, daar enkel tegen die bepalingen grieven worden aangevoerd. Bovendien meent zij dat de verzoekende partijen 14 geen belang hebben bij de vernietiging van artikel 4.39/2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, daar de in die bepaling vervatte regel enkel geldt voor nieuwe woonmaatschappijen die geen voortzetting zijn van bestaande sociale huisvestingsmaatschappijen. Het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7750 is volgens haar eveneens onontvankelijk, in zoverre het is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie, daar de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht dat beginsel zou zijn geschonden. A.21.
- Het tweede middel in de zaak nr. 7750 is volgens de Vlaamse Regering enkel ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen de artikelen 205, §§ 4 en 5, en 206, eerste lid, 3° en 4°, van het decreet van 9 juli
- Zij meent dat de verzoekende partijen geen grieven aanvoeren tegen de overige onderdelen van die artikelen en tegen de overige bestreden artikelen en dat zij geen belang hebben bij een vernietiging van artikel 4.39/2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, daar die bepaling enkel geldt voor nieuwe woonmaatschappijen. Zij meent ook dat het middel onontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting ervan, in zoverre het is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. A.21.
- Het vierde middel in de zaak nr. 7773 zou volgens de Vlaamse Regering slechts ontvankelijk kunnen zijn in zoverre het is gericht tegen het bij artikel 83 van het decreet van 9 juli 2021 ingevoerde artikel 4.39/2, § 1, eerste lid, en § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en tegen artikel 206, 1°, 3° en 4°, van het decreet van 9 juli
- Tegen de overige onderdelen van die artikelen voeren de verzoekende partijen volgens haar geen grieven aan. A.21.
- De verzoekende partijen betwisten de excepties van de Vlaamse Regering. Zij zijn van oordeel dat zij wel degelijk belang hebben om artikel 83 van het decreet van 9 juli 2021 te bestrijden, daar een vernietiging van de overgangsregeling vervat in het bestreden artikel 206 ertoe zou leiden dat het voor hen nog meer nadelige artikel 4.39/2 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 op hen van toepassing zou worden. Zij menen bovendien dat dit laatste artikel minstens gedeeltelijk van toepassing is op woonmaatschappijen die een voortzetting zijn van bestaande sociale huisvestingsmaatschappijen, wat volgens hen blijkt uit paragraaf 2 van dat artikel. Zij zijn bovendien van oordeel dat private aandeelhouders van een sociale huisvestingsmaatschappij belang hebben bij een bepaling die het private aandeelhouderschap van nieuwe woonmaatschappijen uitsluit. Zij voeren ook aan dat de verschillende onderdelen van de artikelen die zij bestrijden een onderlinge samenhang vertonen. A.22.
- Ten gronde wijst de Vlaamse Regering erop dat het Hof reeds heeft geoordeeld, meer bepaald bij zijn arrest nr. 64/2015 van 21 mei 2015, dat wanneer in een sociale huisvestingsmaatschappij een verschil in behandeling dient te worden ingevoerd tussen de private en de publieke aandeelhouders opdat de sociale huisvestingsmaatschappij een beleid voert dat strookt met het Vlaamse woonbeleid, dat verschil in behandeling redelijk te verantwoorden is en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet miskent. A.22.
- De Vlaamse Regering meent dat de bestreden bepalingen berusten op een zorgvuldige afweging van de verschillende belangen die het gewest in overweging moet nemen bij de uitvoering van het sociale woonbeleid. Zij meent dat uit die bepalingen blijkt dat de decreetgever niet alleen rekening heeft gehouden met de lokale besturen waarop de positieve verplichtingen rusten om het grondrecht op huisvesting te realiseren en met de sociale huurders als adressaten van het woonbeleid, maar ook met de bestaande sociale woonactoren en de aandeelhouders ervan. Met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding, merkt de Vlaamse Regering op dat de sociale huisvestingssector in hoofdzaak door de Vlaamse overheid wordt gefinancierd. Zij meent dat het Vlaamse Gewest, in de hoedanigheid van financier van de sociale huisvestingssector, ervoor mag kiezen de lokale besturen aan te wijzen als de prioritaire partners voor het vertalen van het Vlaamse woonbeleid naar het lokaal woonbeleid. Zij beklemtoont daarbij dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de decreetgever is geweest om een regierol toe te kennen aan de lokale besturen. A.22.
- De decreetgever was zich, volgens de Vlaamse Regering, terdege bewust van de weerslag van de hervorming op de bestaande sociale huisvestingsmaatschappijen en op de aandeelhouders ervan. Om die reden heeft hij volgens haar, gebruikmakend van de ruime beoordelingsvrijheid waarover hij beschikt, een overgangsregeling uitgewerkt die toelaat om die weerslag zoveel als mogelijk te beperken. Zij zet uiteen dat de regeling inhoudt dat de aandeelhouders de vrije keuze krijgen tussen meerdere opties :
(1)zij kunnen uit de vennootschap treden lastens het vennootschapsvermogen, waarbij de mogelijkheden om uit te treden door de decreetgever werden versterkt;
(2)zij kunnen als lid van de algemene vergadering mee beslissen om de sociale huisvestingsmaatschappij niet te laten erkennen als een woonmaatschappij en ook niet te laten opgaan in een woonmaatschappij, waarbij, in geval van ontbinding van de vennootschap, de aandeelhouders de nominale waarde van hun werkelijk gestorte en nog niet terugbetaalde inbreng terugbetaald krijgen; en
(3)zij kunnen gebruikmaken van de overgangsregeling die hen toelaat om na de herstructurering van de vennootschap aandeelhouder te blijven, zonder beperking in de tijd. Zij beklemtoont dat het voortbestaan van een sociale huisvestingsmaatschappij steeds afhankelijk is van een erkenning door de overheid 15 en leidt eruit af dat de aandeelhouders behoren te weten dat zij participeren in een vennootschap die aan een specifiek regelgevend kader is onderworpen. A.22.
- De in de bestreden bepalingen geregelde vergoeding van de aandeelhouders volgt volgens de Vlaamse Regering de regels van het gemeen recht, meer bepaald de regels die gelden voor de sociale onderneming. Zij is van oordeel dat er noch vanuit juridisch, noch vanuit beleidsmatig oogpunt een reden zou zijn om in de context van vennootschappen actief in het in overwegende mate publiek gefinancierde sociale woonbeleid in een gunstiger vergoedingsregel te voorzien. Zij meent dat de vergoeding aldus integraal is. Zij merkt op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State, in haar advies van 3 mei 2021, heeft geoordeeld dat de vergoedingsregeling in overeenstemming is met het eigendomsrecht. A.22.
- Met betrekking tot het bestreden artikel 206, eerste lid, 1°, volgens hetwelk de private aandeelhouders in beginsel geen extra aandelen kunnen verwerven of op een andere wijze hun stemvermogen kunnen uitbreiden, merkt de Vlaamse Regering op dat die bepaling de gunst van de overgangsregeling beperkt tot de personen die op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 9 juli 2021 aandeelhouder waren van een bestaande sociale huisvestingsmaatschappij en tot de omvang van hun op dat ogenblik bestaande aandelen- en stemrechtenpakket. Zij doet gelden dat, omdat in het kader van de omvorming tot een woonmaatschappij herstructureringsoperaties zullen plaatsvinden tussen sociale huisvestingsmaatschappijen waarbij de aandeelhouders tegen aandelen worden vergoed, de voormelde bepaling uitdrukkelijk toelaat dat de betrokken aandeelhouders hun participatie wel kunnen uitbreiden in het kader van een dergelijke operatie. Zij meent dat met die gunstregeling de weerslag van de hervorming op de bestaande participaties van de private aandeelhouders van sociale huisvestingsmaatschappijen wordt geminimaliseerd, zonder dat de rationaliserings- en democratiseringsdoelstellingen van de hervorming worden gehypothekeerd. Met betrekking tot de in het betreden artikel 206, eerste lid, 3°, vervatte beperking van het stemrecht, wijst zij er op dat die regeling reeds bestond in de voorheen bestaande decretale regels en dat die regeling eveneens is opgenomen in de statuten van de sociale huisvestingsmaatschappijen. De in artikel 206, eerste lid, 4°, vervatte regel is volgens haar noodzakelijk om de regierol van de gemeenten en de OCMW’s te waarborgen. De in artikel 206, eerste lid, 5°, vervatte regel beoogt volgens haar te verhinderen dat de beleidsdoelstellingen van de decreetgever zouden worden gehypothekeerd en beoogt meer bepaald te bewerkstelligen dat de regie over de woonmaatschappij effectief bij de lokale besturen ligt. Zij beklemtoont daarbij dat het gemene vennootschapsrecht geenszins belet dat het recht om bestuurders voor te dragen zou worden voorbehouden aan aandeelhouders met een bepaalde hoedanigheid. A.22.
- De Vlaamse Regering betwist de stelling van de verzoekende partijen dat de aandeelhouders zouden moeten worden gecompenseerd omdat hen attributen van het eigendomsrecht zouden worden afgenomen. Zij meent dat de bestreden bepalingen niet voorzien in een ontzetting uit het eigendomsrecht en hoogstens een regulering van dat recht bevatten, omdat de aandeelhouders niet worden verplicht om de vennootschap als woonmaatschappij te laten erkennen. Bij de toets aan het eigendomsrecht dient volgens haar daarom te worden nagegaan of de bestreden bepalingen een billijk evenwicht tot stand brengen tussen de vereisten van het algemeen belang en van de bescherming van het recht op eigendom. Zij meent dat bij de beoordeling van dat evenwicht rekening moet worden gehouden met de algehele regeling en meer bepaald met alle mogelijkheden die worden geboden aan de aandeelhouders. Zij beklemtoont nog dat wanneer een sociale huisvestingsmaatschappij wordt omgevormd tot een woonmaatschappij en de aandeelhouders beslissen om aandeelhouder te blijven, zij dit doen met volle kennis van hun rechten in het nieuwe erkenningskader. A.22.
- Indien het Hof van oordeel zou zijn dat het tweede middel in de zaak nr. 7750, in zoverre het is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, ontvankelijk zou zijn, meent de Vlaamse Regering dat enkel kan worden aangenomen dat de verzoekende partijen aanvoeren dat een eventuele schending van een grondrecht automatisch ook zou leiden tot een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Daar er te dezen geen schending voorligt van het eigendomsrecht, is dat beginsel volgens haar evenmin geschonden. Wat betreft het aandeelhouderschap van de sociale huurders A.
- Het eerste middel in de zaak nr. 7674 is gericht tegen de artikelen 83 en 208 van het decreet van 9 juli 2021 en is afgeleid uit de schending van de vrijheid van vereniging, zoals gewaarborgd door artikel 27 van de Grondwet, artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat de bestreden bepalingen de sociale huurders ontzetten uit het aandeelhouderschap van de sociale huisvestingsmaatschappijen, met inperking van de rechten die ze kunnen laten gelden ten aanzien van de vennootschap. 16 Het eerste middel in de zaak nr. 7675 is identiek aan het eerste middel in de zaak nr. 7674, zij het dat het eveneens is afgeleid uit de schending van het recht op eigendom, zoals gewaarborgd door artikel 16 van de Grondwet en door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.24.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat artikel 83 van het decreet van 9 juli 2021 in de Vlaamse Codex Wonen van 2021 een artikel 4.39/2 invoegt, naar luid waarvan alleen het Vlaamse Gewest en de provincies, gemeenten en OCMW’s die in het werkingsgebied van de woonmaatschappij liggen, aandelen kunnen houden van een woonmaatschappij. Zij vervolgen dat artikel 208 van het decreet van 9 juli 2021 bepaalt dat als een sociale huisvestingsmaatschappij heeft toegelaten dat sociale huurders inschreven op aandelen ter vervanging van de storting van een huurwaarborg, de betrokken aandeelhouders op de datum van de inwerkingtreding van het decreet geacht worden van rechtswege uit te treden met die aandelen, waarbij het scheidingsaandeel waarop de sociale huurder recht heeft van rechtswege wordt omgeboekt tot een huurwaarborg. A.24.
- De verzoekende partijen menen dat de bestreden bepalingen de vrijheid van vereniging schenden, doordat zij een privaat aandeelhouderschap in de woonmaatschappijen uitsluiten en in het bijzonder doordat zij de sociale huurders verhinderen om aandeelhouder te zijn. Uit de parlementaire voorbereiding leiden zij af dat de decreetgever met het publieke aandeelhouderschap heeft beoogd om het beleid en de strategie van de woonmaatschappijen beter af te stemmen op het beleid en de strategie van de lokale besturen. Zij menen evenwel dat de genomen maatregelen niet pertinent en niet evenredig zijn ten aanzien van die doelstelling. Zij menen dat die afstemming reeds wordt gewaarborgd, onder meer door het lokaal woonoverleg, dat plaatsvindt in de stedelijke Woonraad. Zij menen ook dat de decreetgever het pertinente karakter van de maatregelen niet op een coherente wijze heeft gemotiveerd, daar hij heeft voorzien in een minder verregaande maatregel voor de private aandeelhouders die geen sociale huurder zijn dan voor de private aandeelhouders die dat wel zijn. A.25.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7675 menen dat de bestreden bepalingen ook in strijd zijn met het recht op eigendom. De verplichting om aandelen over te dragen onder voorwaarden die de aandeelhouders niet zelf kunnen bepalen, kan volgens hen worden beschouwd als een eigendomsberoving in de zin van artikel 16 van de Grondwet en van artikel 1, eerste lid, tweede zin, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.25.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7675 doen gelden dat de bestreden maatregelen niet gepaard gaan met een billijke schadeloosstelling. Zij wijzen erop dat de huurders-aandeelhouders, volgens het bestreden artikel 208, recht hebben op een scheidingsaandeel dat niet moet worden uitbetaald, maar van rechtswege omgeboekt wordt tot een huurwaarborg. Uit de artikelen 105 en 205, § 4, van het decreet van 9 juli 2021 leiden zij af dat het scheidingsaandeel de nominale waarde van de werkelijk gestorte en nog niet terugbetaalde inbreng in het vermogen van de woonmaatschappij, zoals geboekt op het ogenblik van de inbreng, bedraagt. Zij menen dat het scheidingsaandeel aldus geen integraal herstel inhoudt van het geleden nadeel en geen billijke schadeloosstelling vormt. Zij verwijzen daarbij naar een advies van de Raad van State van 5 december
- Zij zijn bovendien van oordeel dat het toekennen van een scheidingsaandeel louter een financiële compensatie inhoudt, maar geen compensatie voor het verlies van het recht om deel te nemen aan de algemene vergadering van de vennootschap. A.
- Het tweede middel in de zaak nr. 7675 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat artikel 208 van het decreet van 9 juli 2021 een verschil in behandeling, dat niet redelijk is verantwoord, in het leven roept tussen private aandeelhouders, naargelang zij al dan niet sociale huurder zijn. A.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7675 zetten uiteen dat voor de private aandeelhouders die geen huurder zijn, niet is voorzien in een maatregel zoals vervat in artikel 208 van het decreet van 9 juli 2021, maar in een beperking van hun zeggenschap in de vennootschap. Zij zijn van oordeel dat het verschil in behandeling tussen de private aandeelhouders die geen huurder zijn en de private aandeelhouders die dat wel zijn, niet redelijk is verantwoord. Zij menen allereerst dat het verschil in behandeling niet op een objectief criterium berust, daar de decreetgever op geen enkele wijze heeft verduidelijkt waarom de private aandeelhouders die sociale huurder zijn niet langer aandeelhouder mogen zijn van een sociale huisvestingsmaatschappij, terwijl andere private aandeelhouders wel aandeelhouder mogen blijven. Zij menen daarnaast dat het verschil in behandeling niet pertinent en evenredig is ten aanzien van de nagestreefde doelstelling betreffende het afstemmen van het beleid en de strategie van de woonmaatschappijen op het beleid en de strategie van de lokale besturen. Zij beargumenteren hun standpunt op een gelijksoortige wijze als bij het eerste middel in de zaken nrs. 7674 en
- 17 A.28.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat het eerste middel in de zaak nr. 7674 en het eerste middel in de zaak nr. 7675 niet ontvankelijk zijn, in zoverre ze zijn gericht tegen artikel 83 van het decreet van 9 juli 2021, daar de verzoekende partijen geen grieven tegen die bepaling ontwikkelen en evenmin uiteenzetten in welke zin die bepaling de aangevoerde referentienormen zou schenden. Bovendien is de bij dat artikel in de Vlaamse Codex Wonen van 2021 ingevoerde bepaling volgens haar enkel van toepassing op nieuwe woonmaatschappijen die geen voortzetting zijn van bestaande sociale huisvestingsmaatschappijen. Wat artikel 208 van het decreet van 9 juli 2021 betreft, meent de Vlaamse Regering dat de verzoekende partijen enkel grieven ontwikkelen tegen het eerste lid van die bepaling. De middelen zijn aldus volgens haar enkel ontvankelijk in zoverre ze zijn gericht tegen artikel 208, eerste lid, van het decreet van 9 juli
- A.28.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7674 en 7675 betwisten dat zij in hun verzoekschriften geen grieven zouden hebben aangevoerd tegen artikel 83 van het decreet van 9 juli
- A.29.
- Uit de rechtspraak van het Hof leidt de Vlaamse Regering af dat de vrijheid van vereniging de overheid niet verbiedt om verenigingen die deelnemen aan de verwezenlijking van een opdracht van algemeen belang en die overheidssubsidies ontvangen, te onderwerpen aan werkings- en toezichtsmodaliteiten die verantwoord zijn wegens hun bijzondere verhouding met de uitoefening van de opdrachten van openbare dienst. A.29.
- Uit de parlementaire voorbereiding leidt de Vlaamse Regering af dat de decreetgever met artikel 208 van het decreet van 9 juli 2021 een einde heeft willen maken aan de onwettige praktijk van bepaalde sociale huisvestingsmaatschappijen om sociale huurders te laten inschrijven op aandelen ter vervanging van het betalen van een huurwaarborg. Zij verwijst daarbij naar artikel 6.26 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en naar artikel 6.61, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 september 2020 « tot uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 » en meent dat uit die artikelen blijkt dat het betalen van een huurwaarborg in de context van de sociale huisvesting decretaal is verplicht. Zij doet gelden dat het niet is toegelaten de verplichting om een huurwaarborg te betalen, te vervangen door het inschrijven op aandelen van een sociale huisvestingsmaatschappij, ook niet wanneer die aandelen vervolgens in pand worden gegeven. Wanneer een sociale huisvestingsmaatschappij de sociale huurders verplicht om aandelen te kopen van de vennootschap, is de praktijk volgens de Vlaamse Regering niet alleen in strijd met de decretale voorschriften betreffende de huurwaarborg, maar ook met die betreffende de voorwaarden waaraan kandidaat-huurders moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning. A.29.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat het door de decreetgever nagestreefde doel wettig is en dat de verzoekende partijen ten onrechte ervan uitgaan dat het nagestreefde doel betrekking heeft op het publieke aandeelhouderschap van de toekomstige woonmaatschappijen. Zij meent ook dat de bestreden bepaling pertinent en evenredig is ten aanzien van het doel een einde te maken aan een onwettige praktijk. A.
- Wat de aangevoerde schending van het eigendomsrecht betreft, zet de Vlaamse Regering uiteen dat de bestreden bepaling in essentie voorziet in een uittreding van rechtswege van een bijzondere categorie van aandeelhouders uit een vennootschap, tegen betaling van een decretaal vastgelegd scheidingsaandeel. Zij vervolgt dat de vastgestelde vergoedingsregeling de regels van het gemene vennootschapsrecht volgt en is van oordeel dat daardoor is voorzien in een integrale vergoeding van de betrokken aandeelhouders. Zij meent dat er ter zake geen onderscheid moet worden gemaakt tussen het eigendomsrecht van aandeelhouders die vrijwillig uit de vennootschap stappen en dat van aandeelhouders die dat niet vrijwillig doen. Zij wijst ten slotte nog op artikel 208, tweede lid, van het decreet van 9 juli 2021, dat volgens haar voorziet in een bijkomende compensatie voor de desbetreffende aandeelhouders. A.
- Indien het Hof van oordeel zou zijn dat het eerste middel in de zaak nr. 7674 ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen artikel 83 van het decreet van 9 juli 2021, meent zij dat het middel evenmin gegrond is. Zij beargumenteert haar standpunt op een gelijksoortige wijze als de verzoekende partijen in de zaak nr. 7750 bij het tweede onderdeel van hun eerste middel. A.32.
- Wat het tweede middel in de zaak nr. 7675 betreft, is de Vlaamse Regering in hoofdorde van oordeel dat de door de verzoekende partijen vermelde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. De decreetgever heeft volgens haar precies uit bezorgdheid voor de rechten van de bestaande private aandeelhouders in artikel 206 van het decreet van 9 juli 2021 een overgangsregeling uitgewerkt die niet in de tijd is beperkt en die het mogelijk maakt dat die aandeelhouders aandeelhouder blijven van een woonmaatschappij. Zij beklemtoont dat artikel 206 daarbij geen onderscheid maakt tussen private aandeelhouders, naargelang zij al dan niet sociale huurder zijn. Het bestreden artikel 208 maakt volgens haar een einde aan een bestaande onwettige toestand bij bepaalde sociale huisvestingsmaatschappijen, maar houdt als dusdanig geen verband met de vorming van de woonmaatschappijen. 18 Die bepaling beoogt volgens haar enkel de sociale huurders die hebben ingeschreven op aandelen ter vervanging van de storting van een huurwaarborg. Zij beklemtoont dat de sociale huurders die een huurwaarborg hebben gestort niet onder het bestreden artikel 208 vallen en dat de sociale huurders die meer aandelen zouden aanhouden dan de waarde van de huurwaarborg enkel onder die bepaling vallen voor de aandelen die gelden ter vervanging van de huurwaarborg. B.32.
- In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de betrokken categorieën van personen wel degelijk vergelijkbaar zouden zijn, is de Vlaamse Regering van oordeel dat het verschil in behandeling objectief en redelijk is verantwoord. Dat verschil in behandeling berust volgens haar op een objectief criterium, namelijk het al dan niet in het bezit zijn van aandelen ter vervanging van de storting van een huurwaarborg, en streeft een wettig doel na, meer bepaald het wegwerken van een onregelmatige situatie. De bestreden maatregel is volgens haar eveneens pertinent en evenredig ten aanzien van dat doel. Zij wijst nog op artikel 208, tweede lid, van het decreet van 9 juli 2021, dat een compenserende regeling invoert voor de betrokken aandeelhouders. Wat betreft de ontbinding van rechtswege van een vennootschap en de vergoeding van de aandeelhouders A.
- Het derde middel in de zaak nr. 7674 en het derde middel in de zaak nr. 7675 zijn gericht tegen de artikelen 74, 124 en 205 van het decreet van 9 juli 2021 en zijn afgeleid uit de schending van de vrijheid van vereniging, zoals gewaarborgd door artikel 27 van de Grondwet, artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat de bestreden bepalingen voorzien in een ontbinding van rechtswege van een sociale huisvestingsmaatschappij wanneer zij niet als woonmaatschappij wordt erkend op een welbepaalde datum en in een ontbinding van rechtswege van een woonmaatschappij wanneer haar erkenning wordt ingetrokken. Het eerste middel in de zaak nr. 7771 en het derde middel in de zaak nr. 7773 zijn inhoudelijk identiek aan de voormelde middelen, zij het dat zij uitsluitend zijn gericht tegen de artikelen 124 en 205 van het decreet van 9 juli
- Het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7695 is eveneens identiek aan de voormelde middelen, zij het dat het is gericht tegen de artikelen 104 en 205 van het decreet van 9 juli
- Het derde en het vierde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7750 zijn gericht tegen de artikelen 105, 124 en 205, § 5, van het decreet van 9 juli 2021 en betreffen eveneens – gedeeltelijk - de ontbinding van rechtswege van een sociale huisvestingmaatschappij. Het desbetreffende middel is afgeleid uit de schending van de vrijheid van ondernemen, zoals gewaarborgd door de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de vrijheid van vereniging, zoals gewaarborgd door artikel 27 van de Grondwet en artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en van het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd door artikel 16 van de Grondwet. A.34.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat sociale huisvestingsmaatschappijen die op 31 december 2022 niet erkend en evenmin tijdelijk erkend zijn als woonmaatschappij, volgens artikel 205, § 5, van het decreet van 9 juli 2021, van rechtswege hun erkenning verliezen vanaf 1 januari 2023 en dat de tijdelijk erkende woonmaatschappijen die op 30 juni 2023 niet erkend zijn eveneens van rechtswege hun tijdelijke erkenning verliezen. Zij wijzen erop dat de artikelen 74 en 124 van het decreet de erkenning als woonmaatschappij, de intrekking van de erkenning en de gevolgen ervan regelen. A.34.
- De verzoekende partijen menen dat de bestreden maatregelen de vrijheid van vereniging schenden, doordat zij niet pertinent en niet evenredig zijn ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen met betrekking tot de rationalisering van de sociale woonsector en het recht op een behoorlijke huisvesting. Zij zijn van oordeel dat minder verregaande maatregelen mogelijk zijn om de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen te bereiken. Met verwijzing naar een advies van de Raad van State van 26 maart 1997, doen zij gelden dat erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden niet erop mogen neerkomen dat regels worden vastgesteld die op ingrijpende wijze het bestaan, de organisatie en de werking van de betrokken rechtspersonen raken of die op een algemene wijze een administratief toezicht op die rechtspersonen organiseren. Een maatregel die erop neerkomt dat de intrekking van de erkenning van rechtswege de ontbinding van de sociale huisvestingsmaatschappij met zich meebrengt, kan volgens hen niet worden ingepast in een erkennings- en subsidiëringsregeling en is niet bestaanbaar met de vrijheid van vereniging. Met verwijzing naar een advies van de Raad van State van 5 december 2016, doen zij gelden dat een gedwongen fusie als sanctie voor het niet voldoen aan een erkenningsvoorwaarde niet evenredig is met de nagestreefde doelstelling betreffende een efficiënter sociaal woonbeleid. Zij merken op dat bij de beoordeling van de bestreden bepalingen rekening moet worden gehouden met de nieuwe context die het decreet van 9 juli 2021 heeft gecreëerd. Zij menen dat de onevenredigheid van de genomen maatregel ook volgt uit het feit dat de termijn 19 tussen de bekendmaking van de bestreden bepalingen en het ontbinden van een vennootschap onredelijk kort is. Zij doen gelden dat de periode waarover de sociale huisvestingsmaatschappijen en de sociale verhuurkantoren beschikken om te komen tot een samenvoeging tot één woonactor bijzonder kort is, gelet op de complexiteit van een dergelijke taak. A.34.
- De kritiek van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7695 is ook gericht tegen artikel 104 van het decreet van 9 juli
- Zij bekritiseren dat een bestaande woonactor krachtens de bestreden bepalingen slechts als woonmaatschappij erkend kan worden wanneer deze ten minste 1 000 sociale huurwoningen in beheer heeft en dat, indien de woonactor niet aan de erkenningsvoorwaarden voldoet tegen 31 december 2022, deze van rechtswege ontbonden wordt. A.35.
- Het derde middel in de zaak nr. 7695 is afgeleid uit de schending, door artikel 205, § 5, van het decreet van 9 juli 2021, van artikel 16 van de Grondwet en van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de bestreden norm bepaalt dat de aandeelhouders na de ontbinding van rechtswege van de sociale huisvestingsmaatschappij maximaal de nominale waarde van hun werkelijk gestorte inbreng ontvangen. Een dergelijke uitbetaling aan de aandeelhouders van maximaal de nominale waarde van hun aandelen, zou volgens de verzoekende partijen onmogelijk als een billijke vergoedingsregeling kunnen worden beschouwd, vermits wordt voorbijgegaan aan de reële waarde van de aandelen. Zij beargumenteren hun standpunt op een gelijksoortige wijze als de verzoekende partijen in de zaak nr. 7675 bij hun eerste middel. A.35.
- In het derde en vierde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7750, leveren de verzoekende partijen een kritiek die gelijksoortig is aan die welke is vervat in het derde middel in de zaak nr. 7695, zij het dat hun kritiek ook is gericht tegen de artikelen 105 en 124 van het decreet van 9 juli
- De omstandigheid dat de aandeelhouders bij de ontbinding, na de aanzuivering van het passief van de sociale huisvestingsmaatschappij of de woonmaatschappij, maximaal de nominale waarde van hun werkelijk gestorte en nog niet terugbetaalde inbreng in het vermogen van de sociale huisvestingsmaatschappij ontvangen en dat het vermogen dat daarna overblijft overgaat op één of meer door de Vlaamse Regering aangewezen woonmaatschappijen, is volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 7750 een vorm van eigendomsberoving die artikel 16 van de Grondwet schendt, daar dat artikel een integrale vergoeding vereist. A.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat de tegen artikel 205 van het decreet van 9 juli 2021 aangevoerde middelen slechts ontvankelijk zijn in zoverre zij paragraaf 5 van dat artikel betreffen, daar tegen de andere onderdelen van dat artikel geen grieven worden ontwikkeld. Uit de verzoekschriften in de zaken nrs. 7674 en 7675 kan volgens haar bovendien niet worden afgeleid dat de verzoekende partijen grieven aanvoeren tegen de artikelen 74 en 124 van het decreet van 9 juli
- Wat het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7750 betreft, meent zij dat dit onderdeel slechts ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen artikel 4.53, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals vervangen bij het bestreden artikel 124, en tegen artikel 205, § 5, van het decreet van 9 juli
- Zij is van oordeel dat de verzoekende partijen tegen de overige onderdelen van die artikelen geen grieven aanvoeren. A.37.
- Ten gronde merkt de Vlaamse Regering allereerst op dat de sanctie van de intrekking van de erkenning en het daaraan verbonden gevolg van de ontbinding van rechtswege niet nieuw is. Zij zet uiteen dat het decreet van 15 juli 1997 « houdende de Vlaamse Wooncode » reeds voorzag in de voormelde sanctie en dat die sanctie bij latere wijzigingen van de regelgeving werd behouden. Zij wijst erop dat de verzoekende partijen de betrokken bepalingen niet hebben bestreden bij het Hof en dat de inhoud ervan ook is opgenomen in de statuten van sommige verzoekende partijen. Zij meent dat de aangevoerde onzekerheid over het voortbestaan van de vennootschap aldus deel uitmaakt van het wezen van die vennootschappen. A.37.
- De Vlaamse Regering doet vervolgens gelden dat het advies van de Raad van State van 26 maart 1997, waar de verzoekende partijen naar verwijzen, onvoldoende rekening houdt met de bijzondere situatie van de sociale huisvestingsmaatschappijen. Met verwijzing naar het antwoord van de toenmalig bevoegde minister op het voormelde advies, doet zij gelden dat het erg moeilijk is om subsidies voor de bouw van sociale woningen terug te vorderen omdat de woningen ofwel inmiddels zijn verkocht ofwel zouden moeten worden verkocht. De Vlaamse Regering merkt op dat de Raad van State in latere adviezen geen bezwaren meer heeft geuit tegen de bestreden sanctie en in een advies van 5 december 2016 zelfs heeft verwezen naar die sanctie. Het advies van 16 december 2008, dat betrekking heeft op de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid, kan volgens haar niet zomaar worden doorgetrokken naar de bijzondere situatie van de sociale huisvestingsmaatschappijen en de woonmaatschappijen. Zij verwijst ook nog naar rechtspraak van het Hof waaruit zij afleidt dat het Hof reeds rekening heeft gehouden met de voormelde sanctie. 20 A.37.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat de bestreden maatregel de vrijheid van vereniging niet schendt. Zij meent dat de maatregel van ontbinding van rechtswege van de vennootschap noodzakelijk is om de continuïteit van de bestemming als sociaal woonpatrimonium van het vastgoed van de desbetreffende vennootschap te waarborgen en om te voorzien in een vorm van patrimoniumbescherming van het gesubsidieerde vastgoed. Zij beklemtoont dat de ontbinding van rechtswege en de daaropvolgende vereffening van de vennootschap noodzakelijk zijn teneinde toe te laten dat het door de overheid gesubsidieerde sociale woonpatrimonium verder kan worden ingezet voor het gewestelijke sociale huisvestingsbeleid. Zij wijst erop dat de sociale huisvestingsmaatschappij waarvan de erkenning wordt ingetrokken haar maatschappelijk doel niet meer kan verwezenlijken. A.37.
- In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de onevenredigheid van de genomen maatregel ook volgt uit het feit dat de termijn tussen de bekendmaking van de bestreden bepalingen en het ontbinden van een vennootschap onredelijk kort is, is de Vlaamse Regering van oordeel dat die grief geen verband houdt met de door de verzoekende partijen aangevoerde schending van de vrijheid van vereniging. Daarnaast meent zij dat de voormelde termijn niet onevenredig kort is, daar hij meer dan één jaar bedraagt. Zij wijst bovendien nog erop dat de decreetgever ook nog heeft voorzien in de mogelijkheid om, zo nodig, een tijdelijke erkenning aan te vragen. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7695, doet de Vlaamse Regering nog gelden dat aan de erkenningsvoorwaarde betreffende het in beheer hebben van ten minste 1 000 sociale huurwoningen pas dient te zijn voldaan op 1 januari
- Zij wijst bovendien erop dat die erkenningsvoorwaarde niet nieuw is. A.
- Wat betreft de regeling van de vergoeding van de aandeelhouders bij ontbinding van de vennootschap (derde middel in de zaak nr. 7695 en derde en vierde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7750), beargumenteert de Vlaamse Regering haar standpunt op een gelijksoortige wijze als bij het eerste middel in de zaak nr.
- Wat betreft het principe van één woonmaatschappij per werkingsgebied A.
- In het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7750, dat gericht is tegen de artikelen 74, 76 en 77 van het decreet van 9 juli 2021, bekritiseren de verzoekende partijen het principe van één erkende woonactor per werkingsgebied. Het eerste middel in de zaak nr. 7750 is afgeleid uit de schending van de vrijheid van ondernemen, zoals gewaarborgd door de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de vrijheid van vereniging, zoals gewaarborgd door artikel 27 van de Grondwet en artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en van het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd door artikel 16 van de Grondwet. A.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat de bestreden bepalingen, doordat zij met zich meebrengen dat woonactoren die thans actief zijn in een bepaald werkingsgebied verplicht zijn om te fusioneren of te splitsen willen zij hun activiteit als erkende woonactor in dat gebied kunnen voortzetten, in strijd zijn met de vrijheid van ondernemen en met de vrijheid van vereniging. De decreetgever kan volgens hen weliswaar voorzien in werkings- en toezichtsmodaliteiten voor vennootschappen die overheidssubsidies ontvangen, maar die regels mogen niet erop neerkomen dat op ingrijpende wijze aan het bestaan, de organisatie en de werking van de betrokken rechtspersonen wordt geraakt. Zij beklemtonen dat het te dezen niet gaat om publiekrechtelijke rechtspersonen, maar om vennootschappen, en dat de sociale huisvestingsmaatschappijen die niet wensen mee te stappen in het verhaal van splitsing en fusie, hun erkenning zullen verliezen en daarmee ook hun recht om verder te bestaan. A.41.
- De Vlaamse Regering meent dat het eerste onderdeel van het middel enkel ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de artikelen 4.37, tweede zin, en 4.38, § 2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals vervangen bij de bestreden artikelen 76 en 77, daar de verzoekende partijen enkel tegen die bepalingen grieven aanvoeren. A.41.
- De verzoekende partijen antwoorden dat zij de verplichte omvorming van woonactoren naar woonmaatschappijen en de beperking van één woonmaatschappij per werkingsgebied betwisten en dat de verschillende onderdelen van de bestreden artikelen onderling met elkaar samenhangen. A.42.
- Ten gronde is de Vlaamse Regering van oordeel dat de bestreden bepalingen de vrijheid van vereniging en de vrijheid van ondernemen niet schenden. Zij doet gelden dat de sociale huisvestingsmaatschappijen de 21 bevoorrechte uitvoerders van het Vlaamse woonbeleid zijn en dat zij belast zijn met de uitoefening van een openbare dienst. Zij meent, met verwijzing naar rechtspraak van het Hof, dat het aan de bevoegde overheid staat de meest geschikte weg te kiezen teneinde de opdrachten van openbare dienst te verwezenlijken waarmee ze is belast. Zij meent dat de decreetgever dan ook ten aanzien van de sociale huisvestingsmaatschappijen een kader kan bieden voor hun werking, en de nodige maatregelen mag nemen opdat zij een beleid voeren dat strookt met dat Vlaamse woonbeleid. De decreetgever kan dit volgens haar realiseren door middel van erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden, die kunnen veranderen naar gelang van de wisselende eisen van het algemeen belang. Zij verwijst naar de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet en wijst erop dat de noodzaak om de erkenningsvoorwaarden te wijzigen door de decreetgever uitvoerig werd gemotiveerd. De bestaande huisvestingsmaatschappijen hebben volgens haar de vrijheid om zich te reorganiseren, zodat zij voldoen aan de nieuwe erkenningsvoorwaarden, of om te beslissen tot de ontbinding van de vennootschap over te gaan overeenkomstig hun eigen statuten. De aandeelhouders worden volgens haar bovendien op geen enkele manier verhinderd om een nieuwe rechtspersoon op te richten die patrimonium kan verwerven en sociaal kan verhuren. A.42.
- De Vlaamse Regering meent dat het advies van de Raad van State waar de verzoekende partijen naar verwijzen en dat betrekking had op de inrichting van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, niet van overeenkomstige toepassing kan worden verklaard op de sociale huisvestingsmaatschappijen. Zij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 19/2022 van 3 februari 2022 en leidt eruit af dat het voortbestaan van een sociale huisvestingsmaatschappij steeds afhankelijk is van het behoud van de door de overheid verleende erkenning, zodat de erkenningsregels per definitie raken aan het voortbestaan van sociale huisvestingsmaatschappijen. Zij merkt op dat uit de statuten van de eerste en de tweede verzoekende partij blijkt dat de desbetreffende vennootschappen kunnen worden ontbonden als gevolg van een door de Vlaamse Regering opgelegde verplichting tot fusie en als gevolg van de intrekking van de erkenning. A.42.
- De Vlaamse Regering meent dat de decreetgever geen uitspraak doet over de wijze waarop de sociale huisvestingsmaatschappijen zich moeten conformeren aan de erkenningsvoorwaarden en dat het aan de sociale huisvestingsmaatschappijen zelf staat om dit in onderling overleg te organiseren. Zelfs indien er sprake zou zijn van een door de overheid opgelegde fusie of splitsing, vormt dit volgens haar niet noodzakelijk een schending van de vrijheid van vereniging. Zij verwijst daarbij naar het arrest van het Hof nr. 1/97 van 16 januari
- Wat betreft de aanstelling van een mandataris ad hoc A.
- Het vijfde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7750 is gericht tegen artikel 122 van het decreet van 9 juli 2021, dat in de Vlaamse Codex Wonen van 2021 een regel invoegt naar luid waarvan de Vlaamse Regering, als sanctie, een mandataris ad hoc kan aanstellen die geheel of gedeeltelijk in de plaats treedt van het bestuursorgaan van de woonmaatschappij en die door de woonmaatschappij zal worden vergoed voor de prestaties die in het kader van die opdracht worden verricht. Het eerste middel in de zaak nr. 7750 is afgeleid uit de schending van de vrijheid van ondernemen, zoals gewaarborgd door de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de vrijheid van vereniging, zoals gewaarborgd door artikel 27 van de Grondwet en artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en van het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd door artikel 16 van de Grondwet. A.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de bestreden bepaling de vrijheid van ondernemen en de vrijheid van vereniging schendt. Uit het gebruik van het woord « sanctie » leiden zij af dat de decreetgever de bedoeling heeft gehad om te voorzien in een straf. Zij menen dat zelfs wanneer de decreetgever de goede dienstverlening zou hebben willen verzekeren, er minder verregaande maatregelen denkbaar zijn. Zij verwijzen naar adviezen van de Raad van State, waaruit zij afleiden dat het aanstellen van een mandataris ad hoc sterk ingrijpt in het bestuur van een vennootschap, doordat die maatregel neerkomt op een indeplaatsstelling. Zij menen dat de maatregel aanleunt bij het hiërarchisch gezag en dat de vrijheid van vereniging en de vrijheid van ondernemen grenzen stellen aan het toezicht dat een overheid kan uitoefenen ten aanzien van privaatrechtelijke rechtspersonen. A.45.
- De Vlaamse Regering meent dat het vijfde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7750 enkel ontvankelijk zou kunnen zijn in zoverre het is gericht tegen artikel 4.51, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals vervangen bij artikel 122 van het decreet van 9 juli 2021, daar de verzoekende partijen enkel tegen dat onderdeel van het artikel grieven aanvoeren. Zij is bovendien van oordeel dat de eerste en de tweede verzoekende partij niet uitleggen op welke wijze zij zouden kunnen worden geraakt door de in artikel 4.51, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 vervatte regel. Zij meent dat de overige verzoekende partijen evenmin uitleggen op welke 22 wijze de aanstelling van een mandataris ad hoc zou raken aan hun vrijheid van vereniging, gelet op het feit dat die maatregel geen invloed heeft op hun mogelijkheid of bevoegdheid om hun aandelen te vervreemden dan wel om uit te treden uit de vennootschap. Zij leggen volgens haar evenmin uit hoe zij zouden worden geraakt in hun vrijheid van ondernemen. A.45.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de eerste en de tweede verzoekende partij, die sociale huisvestingsmaatschappijen zijn, zich, om hun voortbestaan te waarborgen, zullen moeten omvormen naar een woonmaatschappij, waarop de bestreden bepaling van toepassing zal zijn. Zij wijzen erop dat ook de verzoekende private aandeelhouders dan de gevolgen van de bestreden bepaling zullen ondergaan. A.
- Ten gronde merkt de Vlaamse Regering op dat de erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden voor de Vlaamse overheid het instrument vormen om het sociale woonbeleid in lijn te brengen met de wisselende eisen van het algemeen belang. Zij meent dat de eigenheid van de sociale huisvestingsmaatschappijen wel degelijk rechtvaardigt dat de erkenningsvoorwaarden raken aan het bestaan, de organisatie en de werking van die rechtspersonen en dat het Hof dat reeds heeft erkend. Voor zover er al sprake zou zijn van een inmenging in de vrijheid van vereniging of in de vrijheid van ondernemen, dient te worden vastgesteld dat de bekritiseerde maatregel bij decreet is ingevoerd, een wettig doel nastreeft en proportioneel is. Zij beklemtoont dat de bestreden maatregel niet de aard van een straf heeft, daar zij niet tot doel of tot gevolg heeft dat de schuld van de betrokken entiteit wordt vastgesteld. De maatregel heeft volgens haar tot doel de sector te beschermen tegen wanbeheer, misbruik en fraude. Zij meent dat uit het arrest nr. 9/2020 van 16 januari 2020 blijkt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de mogelijkheid om een mandataris ad hoc aan te stellen in een privaatrechtelijke vennootschap die rechtstreeks of onrechtstreeks worden gefinancierd en gecontroleerd door de overheid, gerechtvaardigd is. Zij wijst ten slotte erop dat de aanstelling van een mandataris ad hoc zonder voorafgaand optreden van de rechter een maatregel is die ook in andere regelgeving is opgenomen, onder meer voor krediet- en verzekeringsinstellingen. Wat betreft de overdracht van goederen aan een erkende woonmaatschappij A.
- Het derde middel in de zaak nr. 7750 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 77 en 209 van het decreet van 9 juli 2021, van de grondwettelijke waarborgen die gelden in geval van eigendomsberoving, geboden door artikel 16 van de Grondwet (in hoofdorde) en door het rechtszekerheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijke regelgeving (in ondergeschikte orde), doordat de sociale huisvestingsmaatschappijen, de sociale verhuurkantoren, het Vlaams Woningfonds en de woonmaatschappijen die in een bepaald werkingsgebied onroerende goederen hebben, maar niet erkend zijn als woonmaatschappij voor dat gebied, verplicht worden die goederen over te dragen aan de voor dat gebied erkende woonmaatschappij, zonder dat zij daarbij de garantie krijgen van een integrale vergoeding. A.48.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat het bestreden decreet voorziet in het principe dat een woonmaatschappij enkel actief mag zijn in het werkingsgebied waarvoor zij erkend is en in het licht daarvan bepalingen invoert volgens welke de woonmaatschappij alle rechten verwerft van de onroerende goederen die geschikt zijn voor de sociale huisvesting. Die bepalingen brengen volgens hen ook verplichtingen met zich mee om rechten op onroerende goederen af te staan. Zij wijzen erop dat de vergoeding die moet worden betaald door de woonmaatschappij die optreedt als overnemer van de rechten op een onroerend goed wordt geregeld in artikel 4.38, § 7, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals vervangen bij het bestreden artikel 77, zij het dat die bepaling slechts van toepassing is indien de overdracht niet kan plaatsvinden in aandelen en indien de partijen het niet eens geraken over de prijs voor de overdracht van de rechten. Volgens dat artikel 4.38, § 7, bedraagt de prijs de venale waarde van de rechten, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de sociale huisvestingsmaatschappijen respectievelijk woonmaatschappijen, waarop de leningen en subsidies die op geen enkel wijze hebben bijgedragen tot de marktwaarde van het betrokken onroerend goed in mindering worden gebracht. A.48.
- De kritiek van de verzoekende partijen is gericht tegen de in artikel 4.38, § 7, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 vervatte woorden « rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de sociale huisvestingsmaatschappijen respectievelijk woonmaatschappijen ». Zij menen dat het Hof bij zijn arrest nr. 33/2007 van 7 maart 2007 niet heeft geoordeeld dat de bijzondere kenmerken van de sociale huisvestingsmaatschappijen, indien zij optreden als eigenaars, zouden verantwoorden dat de venale waarde van het goed op een andere wijze zou worden berekend dan het geval zou zijn indien een particulier of een andere onderneming van zijn eigendom zou worden beroofd. De verzoekende partijen doen gelden dat het niet zo is dat goederen die aan sociale woonactoren toebehoren niet zouden kunnen worden verkocht op de particuliere markt. De verzoekende partijen menen dat door aan te geven dat de venale waarde van het goed eventueel zou kunnen worden gecorrigeerd door de bijzondere kenmerken van de woonmaatschappijen, artikel 16 van de Grondwet wordt geschonden. 23 A.48.
- In ondergeschikte orde en in zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de bestreden bepalingen artikel 16 van de Grondwet niet schenden, voeren de verzoekende partijen aan dat die bepalingen in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en met de beginselen van behoorlijke regelgeving, doordat de decreetgever heeft nagelaten te verduidelijken wat moet worden verstaan onder de bijzondere kenmerken van de sociale huisvestingsmaatschappijen of woonmaatschappijen. A.49.
- De Vlaamse Regering meent dat het middel enkel ontvankelijk is, in zoverre het is gericht tegen de in artikel 4.38, § 7, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals vervangen bij het bestreden artikel 77, vervatte woorden « rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de sociale huisvestingsmaatschappijen respectievelijk woonmaatschappijen » en tegen artikel 209, § 3, derde lid, van het decreet van 9 juli
- Zij meent dat de verzoekende partijen geen grieven aanvoeren tegen de overige onderdelen van de desbetreffende artikelen. Zij meent bovendien dat het tweede onderdeel van het middel niet ontvankelijk is omdat het Hof niet bevoegd is om decretale bepalingen rechtstreeks te toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Uit de formulering van dat onderdeel blijkt volgens haar duidelijk dat de schending van het rechtszekerheidsbeginsel apart van de schending van het eigendomsrecht wordt aangevoerd. A.49.
- De verzoekende partijen antwoorden dat het tweede onderdeel van het middel deel uitmaakt van dat middel, waarin de schending van artikel 16 van de Grondwet centraal staat. Zij wijzen erop dat het tweede onderdeel betrekking heeft op de onvoldoende rechtszekere basis van het recht op vergoeding, dat één van de voorwaarden voor onteigening in de zin van artikel 16 van de Grondwet vormt. A.50.
- Ten gronde leidt de Vlaamse Regering uit de rechtspraak van het Hof af dat een vergoeding gelijk aan de venale waarde van een onroerend goed kan worden beschouwd als een billijke schadeloosstelling in de zin van artikel 16 van de Grondwet en dat bij het bepalen van de venale waarde rekening moet worden gehouden met alle elementen die deze waarde beïnvloeden, in gunstige of ongunstige zin. Uit de rechtspraak van het Hof en uit de adviespraktijk van de Raad van State volgt volgens haar bovendien dat wanneer de persoon die van zijn eigendom wordt ontzet bijzondere kenmerken vertoont, die kenmerken in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling of aan het vereiste van de billijke schadeloosstelling is voldaan. Met de toevoeging van de zin volgens welke rekening moet worden gehouden met de bijzondere kenmerken van de sociale huisvestingsmaatschappijen en de woonmaatschappijen heeft de decreetgever volgens haar louter willen bevestigen dat de venale waarde van de over te dragen goederen die geschikt zijn voor de sociale huisvesting en die door de verwervende woonmaatschappij verder gebruikt zullen worden voor dat doel, niet dezelfde zal zijn als de venale waarde van een identiek of vergelijkbaar goed dat op de particuliere markt zou worden verhandeld. Zij meent dat bij het bepalen van de venale waarde de bestaande eigendomsbeperkingen op het goed, zoals de verplichting voor de koper om het goed voor sociale huisvesting te gebruiken, volgens haar in rekening moeten worden gebracht. A.50.
- De Vlaamse Regering beklemtoont dat de woonactoren hun bevoegdheden en rechten over hun – gesubsidieerd - patrimonium putten uit de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en dat hun met publieke middelen gesubsidieerde bestaan, werking en patrimoniumverwerving een rechtstreeks gevolg is van hun erkenning door de Vlaamse Regering als sociale huisvestingsmaatschappij of sociaal verhuurkantoor. Zij meent dat dit niet buiten beschouwing kan worden gelaten bij het beoordelen van de vraag welke schade een bestaande sociale woonactor precies lijdt in geval van een verplichte eigendomsoverdracht. Zij wijst erop dat de woonactoren een vennootschapsrechtelijk voorwerp hebben dat niet in hoofdzaak is gericht op winstmaximalisatie of vermogensuitbouw, maar op de zorg voor een voldoende aanbod van sociale huur- en koopwoningen. Dit heeft volgens haar tot gevolg dat het patrimonium niet vrij verhandelbaar is, maar in beginsel enkel inzetbaar is voor sociale huisvesting. Zij beklemtoont dat de bestreden bepaling dient te worden gelezen in samenhang met de paragrafen 4 en 5 van artikel 4.38, die voorzien in een verplichte overgang van rechten over onroerende goederen die geschikt zijn voor sociale huisvesting. Zij wijst ook erop dat bij het decreet van 29 april 2022 « tot wijziging van het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen, wat het moratorium op de verkoop van verhuurbare sociale huurwoningen en de vrijstelling van een oriënterend bodemonderzoek bij de verplichte overdracht van risicogronden door sociale woonactoren betreft » een tijdelijk moratorium werd ingesteld op de verkoop van verhuurbare sociale huurwoningen buiten de sociale huursector. Zij meent ten slotte dat de overdrachtsregeling die het Hof heeft beoordeeld bij zijn arrest nr. 33/2007 van 7 maart 2007 wezenlijk verschilt van de bestreden overdrachtsregeling. A.50.
- Indien het Hof van oordeel zou zijn dat het tweede onderdeel van het middel ontvankelijk is, is de Vlaamse Regering van oordeel dat de verzoekende partijen niet ernstig kunnen beweren dat zij niet op de hoogte zouden zijn van wat precies moet worden verstaan onder de bijzondere kenmerken van de sociale huisvestingsmaatschappijen. Het is volgens haar duidelijk dat die bijzondere kenmerken vervat liggen in de Vlaamse Codex Wonen van
- Zij wijst erop dat in de parlementaire voorbereiding uitgebreid werd ingegaan op de bedoelde 24 bijzondere kenmerken en dat ook het Hof, bij zijn arrest nr. 33/2007, die kenmerken heeft verduidelijkt. Dat de bestreden bepalingen niet op exhaustieve wijze bepalen wat moet worden verstaan onder de bijzondere kenmerken van de sociale huisvestingsmaatschappijen is volgens haar niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, daar de concrete invulling van die kenmerken pas aan de orde zal zijn bij het bepalen van de prijs in het kader van een individuele overdracht. Zij wijst erop dat de venale waarde in concreto zal worden bepaald door de commissarissen van de Vlaamse Belastingdienst die bevoegd zijn voor schattingen en dat de vastgestelde overdrachtsprijs nadien in rechte kan worden bestreden. Wat betreft de positie van de verhuurders op de private markt die geconfronteerd worden met de intrekking van de erkenning van het sociaal verhuurkantoor waarmee zij contracteren A.
- Het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7695 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 205, § 6, en 215 van het decreet van 9 juli 2021, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De bestreden bepalingen zouden, zonder redelijke verantwoording, een verschil in behandeling invoeren tussen, enerzijds, verhuurders op de private markt die geconfronteerd worden met de intrekking van de erkenning van het sociaal verhuurkantoor waarmee zij contracteren en die, zonder dat zij daartoe hun toestemming kunnen geven, moeten aanvaarden dat de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen in de plaats treedt van het sociaal verhuurkantoor en, anderzijds, de verhuurders op de private markt die geconfronteerd worden met de ontbinding of vereffening van een woonmaatschappij waarmee zij contracteren en die wel hun toestemming kunnen geven voor de overdracht van hun contract aan de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen. A.
- De Vlaamse Regering meent dat het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7695 niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen artikel 215 van het decreet van 9 juli 2021, daar de verzoekende partijen geen grieven aanvoeren tegen dat artikel. A.
- Ten gronde merkt de Vlaamse Regering op dat artikel 205, § 6, tweede lid, van het decreet van 9 juli 2021 een materiële vergissing bevat, die zal worden rechtgezet. Zij zet uiteen dat die materiële vergissing de verwijzing, in die bepaling, naar artikel 4.56 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 betreft. Zij doet daarbij gelden dat uit de parlementaire voorbereiding duidelijk blijkt dat de decreetgever de bedoeling heeft gehad om te verwijzen naar artikel 4.58 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 zoals van kracht vóór de datum van inwerkingtreding van het decreet van 9 juli
- Rekening houdend met de bedoeling van de decreetgever om te verwijzen naar artikel 4.58, is de Vla