← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.157

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.157 Arrest- Rolnummer: 157/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-12-12 Raadplegingen: 530 - laatst gezien 2026-06-14 19:40 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Brugge. Gerechtelijk recht - Bevoegdheid van de arbeidsrechtbank - Geschillen over de rechten ten aanzien van tegemoetkomingen aan personen met een handicap - Uitsluiting - Geschillen met betrekking tot de toekenning van een vergoeding aan de slachtoffers van thalidomide Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 157/2022 van 1 december 2022 Rolnummer : 7663 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 27 oktober 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 november 2021, heeft de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Brugge, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «

  1. a)Schendt artikel 582, 1° Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet wanneer het op die wijze wordt uitgelegd dat de arbeidsrechtbank niet bevoegd is voor geschillen met betrekking tot de wet van 5 mei 2019 betreffende de toekenning van een forfaitair bedrag aan de personen die lijden aan aangeboren misvormingen die het gevolg zijn van het innemen van geneesmiddelen met Thalidomide door de moeder tijdens de zwangerschap, en deze personen met een handicap zich ter beslechting van dit geschil dus moeten wenden tot de rechtbank van eerste aanleg, terwijl andere geschillen met betrekking tot tegemoetkomingen aan personen met een handicap, in het bijzonder deze op grond van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap wel tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren, en de personen met een handicap die een tegemoetkoming op grond van deze laatste wet aanvragen zich dus wel tot de arbeidsrechtbank kunnen wenden wanneer er hierover een geschil bestaat, met inbegrip van de erkenning van hun handicap zelf ?
  2. b)Schendt artikel 582, 1° Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet wanneer het op die wijze wordt uitgelegd dat de arbeidsrechtbank niet bevoegd is voor geschillen met 2 betrekking tot de wet van 5 mei 2019 betreffende de toekenning van een forfaitair bedrag aan de personen die lijden aan aangeboren misvormingen die het gevolg zijn van het innemen van geneesmiddelen met Thalidomide door de moeder tijdens de zwangerschap, en deze slachtoffers van niet-beroepsgerelateerde gezondheidsschade zich ter beslechting van dit geschil dus moeten wenden tot de rechtbank van eerste aanleg, terwijl andere slachtoffers van niet-beroepsgerelateerde gezondheidsschade die gerechtigd zijn op een bij wet geregelde vergoeding, zoals in het bijzonder slachtoffers van niet-beroepsgerelateerde gezondheidsschade ingevolge de blootstelling aan asbest, zich op grond van artikel 579, 6° Gerechtelijk Wetboek wel kunnen wenden tot de arbeidsrechtbank wanneer er hierover een geschil bestaat met het Asbestfonds ? ». Memories zijn ingediend door : - A.H., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. W. Stoop, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en de FOD Beleid en Ondersteuning, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Martens, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Pertry en Mr. F. Van Beirendonck, advocaten bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 21 september 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 oktober 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 12 oktober 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil A.H. heeft op 28 november 2019 een aanvraag ingediend bij de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna : de HZIV) om een vergoeding ten belope van 125 000 euro te verkrijgen op grond van de wet van 5 mei 2019 « betreffende de toekenning van een forfaitair bedrag aan de personen die lijden aan aangeboren misvormingen die het gevolg zijn van het innemen van geneesmiddelen met thalidomide door de moeder tijdens de zwangerschap » (hierna : de Thalidomidewet). Op 6 januari 2020 werd door de HZIV aan A.H. ter kennis gebracht dat de aanvraag werd afgewezen. 3 Vervolgens heeft A.H. bij de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Brugge, een vordering ingesteld tot vernietiging van de weigeringsbeslissing en tot het verkrijgen van een vergoeding ten belope van 125 000 euro op grond van de Thalidomidewet. Voor het verwijzende rechtscollege is er discussie gerezen over de materiële bevoegdheid van de arbeidsrechtbank om een vordering op grond van de Thalidomidewet te behandelen. De rechtbank van eerste aanleg beschikt over een voorwaardelijke volheid van bevoegdheid en neemt op grond van artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen. De materiële bevoegdheid van de arbeidsrechtbank is evenwel beperkt tot de geschillen die in het Gerechtelijk Wetboek worden opgesomd, zoals de geschillen over rechten met betrekking tot tegemoetkomingen aan personen met een handicap (artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek) of betwistingen over tegemoetkomingen van het Schadeloosstellingsfonds voor de asbestslachtoffers. De Thalidomidewet bepaalt niet uitdrukkelijk welk rechtscollege materieel bevoegd is om geschillen te behandelen die voortvloeien uit de toepassing van die wet. Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat een enge interpretatie van artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek (en dus van de bevoegdheid van de arbeidsgerechten), in de zin dat geschillen over de vergoedingen die uit de Thalidomidewet voortvloeien daar niet onder vallen en dus niet onder de bevoegdheid van de arbeidsgerechten ressorteren, mogelijkerwijs het gelijkheidsbeginsel schendt en dus een discriminatie met zich meebrengt. Het verwijzende rechtscollege vergelijkt in dat verband de situatie van slachtoffers van thalidomide met die van personen met een handicap en van asbestslachtoffers, wier geschillen over hun vergoedingen aan de arbeidsgerechten zijn toegewezen. Volgens het verwijzende rechtscollege zijn de slachtoffers van thalidomide als categorie van personen voldoende vergelijkbaar met, enerzijds, de categorie van personen met een handicap en, anderzijds, van slachtoffers van asbest. Volgens het verwijzende rechtscollege zijn er bovendien elementen om aan te nemen dat het voorgelegde verschil in behandeling, wat de bevoegdheid van de arbeidsgerechten betreft, niet redelijk is verantwoord. Het verwijzende rechtscollege merkt in dat verband op dat de arbeidsgerechten bijzondere waarborgen bieden die niet mogen worden ontzegd aan de slachtoffers van thalidomide. Die waarborgen betreffen onder meer de vertrouwdheid van de arbeidsgerechten met geschillen inzake personen met een handicap, de specifieke samenstelling van die rechtscolleges en een aantal procedurele bijzonderheden (de wijze van inleiding, de rol van arbeidsauditoraat, enz.). Het verwijzende rechtscollege acht het daarom aangewezen bovenvermelde prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen A.1. De HZIV en de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning (hierna : de FOD BOSA) menen in hoofdorde dat de prejudiciële vragen niet ontvankelijk zijn omdat ze niet nuttig of pertinent zijn om het geschil op te lossen. Zij stellen dat de Thalidomidewet niet heeft bepaald welke rechter materieel bevoegd is zodat er hoogstens sprake zou kunnen zijn van een leemte in de wet. Zij betogen dat er in het bodemgeschil geen sprake is van een discriminatie die via een prejudiciële vraag aan het Hof opgelost zou dienen te worden, maar enkel van een procedurele bevoegdheidskwestie. Die bevoegdheidsdiscussie dient volgens de hen te worden beslecht via een verwijzing naar de arrondissementsrechtbank. A.2. Volgens A.H. moet de exceptie van onontvankelijkheid worden afgewezen. Zij stelt dat noch artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, noch de Thalidomidewet uitdrukkelijk bepaalt welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen die worden ingesteld op grond van de Thalidomidewet. Zij betoogt dat artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek niet limitatief de betwistingen omschrijft die onder de 4 bevoegdheid van de arbeidsgerechten vallen. Een prejudiciële vraag aangaande de grondwettigheid van artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de materiële bevoegdheid van de arbeidsgerechten bepaalt, in de door het verwijzende rechtscollege gegeven interpretatie, is derhalve pertinent. Het Hof kan via een arrest de eventuele leemte in de wetgeving opvullen. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.3. A.H. is van oordeel dat de eerste prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Zij meent dat artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, in de interpretatie dat personen die een geschil hebben met betrekking tot een tegemoetkoming op grond van de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap » (hierna : de wet van 27 februari 1987) zich kunnen wenden tot de arbeidsrechtbank, terwijl slachtoffers van thalidomide die een geschil hebben met betrekking tot hun vergoeding, dit niet kunnen, een ongeoorloofd verschil in behandeling met zich meebrengt. Volgens A.H. berust dat verschil in behandeling tussen beide categorieën bovendien niet op een objectief criterium zodat er sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. A.H. meent dat enkel een interpretatie van artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek in de zin dat vorderingen inzake vergoedingen die uit de Thalidomidewet voortvloeien onder de materiële bevoegdheid van de arbeidsgerechten ressorteren, grondwetsconform is. A.4.1. De HZIV, de FOD BOSA en de Ministerraad stellen dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.4.2. De HZIV en de FOD BOSA betogen dat de personen met een handicap die als zodanig een tegemoetkoming verkrijgen niet vergelijkbaar zijn met de personen die het slachtoffer zijn van thalidomide. Zij erkennen dat de inname van geneesmiddelen met thalidomide door de moeder tijdens een zwangerschap een bron van handicap vormt, maar zij stellen dat beide categorieën niet vergelijkbaar zijn aangezien zij verschillende voordelen genieten. Tegemoetkomingen aan personen met een handicap zijn volgens hen sociale voordelen en geschillen hieromtrent vallen daarom onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank. De vergoeding die een slachtoffer van thalidomide kan verkrijgen op grond van de Thalidomidewet dient volgens de HZIV en de FOD BOSA daarentegen te worden gekwalificeerd als een onafhankelijk antwoord op de situatie van een specifieke categorie van personen. De vergoeding is bijgevolg vreemd aan de wetgevingen over tegemoetkomingen aan personen met een handicap. De Ministerraad stelt eveneens dat de vergoeding op grond van de Thalidomidewet niet vergelijkbaar is met de tegemoetkoming op grond van de wet van 27 februari 1987, gelet op hun verschillende aard, doelstelling en complexiteit. De vergoedingen die worden toegekend op grond van de Thalidomidewet zijn immers eenmalig en forfaitair, en kunnen volgens hem niet worden gekwalificeerd als sociale bijstand terwijl de tegemoetkomingen recurrent zijn. Die vergoedingen hebben een symbolisch doel, en worden niet zoals de tegemoetkomingen voor personen met een handicap geacht de bestaanszekerheid te waarborgen of het inkomen van betrokkenen te compenseren. Bovendien betreft de toekenning van vergoedingen op de grond van de Thalidomidewet een beperkt aantal personen en is het een tijdelijk systeem. Die verschillen tussen de vergoedingsregelingen verantwoorden ook de verschillen met betrekking tot de materiële bevoegdheid van de rechter om uitspraak te doen over geschillen inzake de respectieve regelingen. A.4.3. In ondergeschikte orde zijn de HZIV, de FOD BOSA en de Ministerraad van oordeel dat het verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording is. Het verschil in behandeling steunt volgens de Ministerraad op een objectief criterium, namelijk het type van vergoeding dat wordt gevorderd, meer bepaald de grond voor de vergoeding. Aangezien de in het geding zijnde vergoedingen voortvloeien uit verschillende wetgevingen kan objectief worden bepaald welke rechter bevoegd is. Hij wijst er vervolgens op dat de wetgever met de in het geding zijnde bepaling een legitiem doel beoogt. Dat doel bestaat erin de bevoegdheidsregels van het Gerechtelijk Wetboek op een coherente wijze toe te passen en een goede rechtsbedeling te waarborgen zonder in afwijkingen te voorzien die de logica zouden doorkruisen. Aangezien de vergoeding die uit de Thalidomidewet voortvloeit, geen kenmerken van een sociaal recht vertoont, is in het kader van geschillen over die vergoeding, de expertise van de arbeidsrechtbank niet nodig. Volgens de Ministerraad heeft de wetgever aldus een pertinente keuze gemaakt om de arbeidsgerechten niet bevoegd te maken ten aanzien van de geschillen die uit de Thalidomidewet voortvloeien, en derhalve te opteren voor de rechtbank van eerste aanleg als residuair bevoegde rechtbank. 5 Ten slotte stelt de Ministerraad dat de aangewende middelen en de gevolgen in een redelijke verhouding staan tot het doel, en dus dat het verschil in behandeling niet disproportioneel is. De verschillen, onder meer inzake doelstelling, tussen de vergoedingen die worden toegekend op grond van de Thalidomidewet, enerzijds, en de vergoedingen die worden toegekend op basis van de wet van 27 februari 1987, anderzijds, verantwoorden het aldus voorgelegde verschil in behandeling, wat de bevoegdheid van de arbeidsgerechten betreft. Dit kan volgens hem worden afgeleid uit het arrest van het Hof nr. 94/2009 van 4 juni 2009. Bovendien brengt dat verschil geen onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen met zich mee. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.5. A.H. is van oordeel dat de tweede prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat niet-beroepsgerelateerde slachtoffers van asbest zich kunnen wenden tot de arbeidsrechtbank terwijl slachtoffers van thalidomide dit niet kunnen, brengt een ongeoorloofd verschil in behandeling met zich mee. Volgens A.H. berust dat verschil in behandeling tussen beide categorieën bovendien niet op een objectief criterium. Zij stelt dat enkel een ruime interpretatie van artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, in de zin dat vorderingen met betrekking tot de vergoedingen die uit de Thalidomidewet voortvloeien, onder de bevoegdheid van de arbeidsgerechten vallen, grondwetsconform is. A.6.1. De HZIV, de FOD BOSA en de Ministerraad zijn van oordeel dat de tweede prejudiciële vraag eveneens ontkennend dient te worden beantwoord. A.6.2. De HZIV en de FOD BOSA betogen dat de niet-beroepsgerelateerde slachtoffers van asbest en de slachtoffers van thalidomide niet vergelijkbaar zijn. Zij stellen dat asbestose een maatschappelijk erkend geval van wijdverbreide gezondheidsschade betreft terwijl het aantal slachtoffers van thalidomide veel beperkter is. Een handicap door thalidomide is volgens hen overigens nooit beroepsgerelateerd in tegenstelling tot asbestose. De Ministerraad is ook van oordeel dat beide categorieën niet vergelijkbaar zijn, gelet op de oorzaak van de aandoening. Een aandoening die verband houdt met asbest kan veelal in verband worden gebracht met de uitoefening van een beroep, terwijl een aandoening door thalidomide aangeboren is en dus nooit beroepsgerelateerd is. Hij betoogt dat de wetgever het vervolgens opportuun mocht achten om eveneens geschillen die zijn ontstaan wegens niet-beroepsgerelateerde gezondheidsschade door blootstelling aan asbest toe te vertrouwen aan de arbeidsrechtbank, die reeds bevoegd was voor geschillen wegens beroepsgerelateerde gezondheidsschade ten gevolge van blootstelling aan asbest. Die keuze is volgens hem te verklaren door de expertise die de arbeidsrechtbank heeft opgebouwd in de materie van asbest. De arbeidsgerechten hebben geen enkele expertise inzake thalidomide. A.6.3. In ondergeschikte orde kan het verschil in behandeling volgens de Ministerraad worden gerechtvaardigd. Het verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, namelijk de gezondheidsschade wegens, enerzijds, thalidomide en, anderzijds, asbest. De in het geding zijnde bepaling beoogt een legitiem doel. Dat doel bestaat erin de bevoegdheidsregels van het Gerechtelijk Wetboek coherent toe te passen en een goede rechtsbedeling te waarborgen. Ten slotte stelt hij dat de aangewende middelen en de gevolgen in redelijke verhouding staan tot het doel, gelet op, enerzijds, de verschillen tussen de vergeleken categorieën en, anderzijds het belang om de eenheid van rechtspraak inzake geschillen over beroepsgerelateerde en niet-beroepsgerelateerde gezondheidsschade na blootstelling aan asbest te waarborgen. -B- B.1. De twee prejudiciële vragen betreffen artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de bevoegdheid van arbeidsrechtbank om kennis te nemen van bepaalde geschillen bepaalt. B.2. Artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : 6 « De arbeidsrechtbank neemt kennis : 1° van de geschillen over de rechten ten aanzien van tegemoetkomingen aan personen met een handicap alsmede van de betwistingen inzake medische onderzoeken uitgevoerd met het oog op de toekenning van sociale of fiscale voordelen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn afgeleid van een sociaal recht of van de sociale bijstand ». B.3.1. Voor het verwijzende rechtscollege is een vordering ingesteld met betrekking tot een geschil over een vergoeding die uit de wet van 5 mei 2019 « betreffende de toekenning van een forfaitair bedrag aan de personen die lijden aan aangeboren misvormingen die het gevolg zijn van het innemen van geneesmiddelen met thalidomide door de moeder tijdens de zwangerschap » (hierna : de Thalidomidewet) voortvloeit. Uit de wordingsgeschiedenis van de Thalidomidewet kan worden afgeleid dat de wetgever, geconfronteerd met een veroordeling van de Belgische Staat om een in 2010 door de overheid gemaakte belofte tot het oprichten van een slachtofferfonds uit te voeren, bij die wet beoogde om een forfaitaire vergoeding – naast de andere rechten waarop aanspraak kan worden gemaakt door slachtoffers - in te stellen als een vorm van rechtsherstel voor de schade van de slachtoffers van thalidomide (Softenon) die uit de rol van de overheid in de jaren ’60 voortvloeit (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54– 3622/001, pp. 4-6). De vordering voor de verwijzende rechter werd op grond van artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek ingesteld. Voor het verwijzende rechtscollege is discussie gerezen over de materiële bevoegdheid van de arbeidsrechtbank om krachtens artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, kennis te nemen van een vordering met betrekking tot een geschil over een vergoeding die voortvloeit uit de Thalidomidewet. De materiële bevoegdheid van de arbeidsrechtbank is beperkt tot de geschillen die in het Gerechtelijk Wetboek (artikelen 578 tot 583 van het Gerechtelijk Wetboek) of een bijzondere wet worden opgesomd. Zo is de arbeidsrechtbank op grond van artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek specifiek bevoegd om kennis te nemen van geschillen over de rechten betreffende tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Op grond van artikel 579, 6°, van hetzelfde Wetboek is de arbeidsrechtbank bevoegd om kennis te nemen « van de betwistingen in verband met de tegemoetkomingen van het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers, ingesteld bij de programmawet (I) van 27 december 2006 ». 7 De artikelen 578 tot 583 van het Gerechtelijk Wetboek vermelden niet expliciet de geschillen die uit de Thalidomidewet voortvloeien. De Thalidomidewet bepaalt evenmin uitdrukkelijk welk rechtscollege bevoegd is om kennis te nemen van de geschillen over de rechten die voortvloeien uit de toepassing van die wet zodat zij in beginsel onder de algemene, residuaire bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg zouden kunnen vallen (artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek). B.3.2. Volgens het verwijzende rechtscollege rijst, gelet op hetgeen in B.3.1 is vermeld over de bevoegdheidsdiscussie, de vraag of, in zoverre de arbeidsrechtbank niet bevoegd is om op grond van artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek kennis te nemen van een vordering inzake een geschil over een vergoeding die uit de Thalidomidewet voortvloeit, er sprake is van een discriminatie. Het verwijzende rechtscollege wenst in wezen te vernemen of artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, aldus begrepen, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het vergelijkt bij zijn twee voorgelegde prejudiciële vragen de situatie van een rechtzoekende voor de arbeidsrechtbank ten aanzien van geschillen inzake een vergoeding die uit de Thalidomidewet voortvloeit, met de situatie van een rechtzoekende voor de arbeidsrechtbank ten aanzien van geschillen over de rechten inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap (artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek) en van betwistingen in verband met de tegemoetkomingen van het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers (artikel 579, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek). Gelet op hun onderlinge samenhang onderzoekt het Hof beide vragen samen. B.4.1. Volgens de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna : de HZIV) en de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning (hierna : de FOD BOSA) zijn de prejudiciële vragen niet ontvankelijk omdat de vragen niet pertinent zijn om het geschil op te lossen. B.4.2. In de regel komt het aan het verwijzende rechtscollege toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vragen nuttig is om het geschil op te lossen. Alleen indien dit klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat zij geen antwoord behoeven. 8 B.4.3. Aangezien het antwoord op de prejudiciële vragen bepalend is voor de bevoegdheid van het verwijzende rechtscollege om kennis te nemen van het voor hem hangende geschil, is dat antwoord nuttig om het geschil op te lossen. De exceptie wordt verworpen. B.5. Met de eerste prejudiciële vraag wordt een vergelijking voorgelegd tussen, enerzijds, personen met een handicap die aanspraak maken op een forfaitaire vergoeding wegens hun aangeboren misvormingen die het gevolg zijn van het innemen van geneesmiddelen met thalidomide door de moeder tijdens de zwangerschap en die zich in het geval van een geschil moeten wenden tot de rechtbank van eerste aanleg en, anderzijds, personen met een handicap die aanspraak maken op een tegemoetkoming aan personen met een handicap en die zich in het geval van een geschil moeten wenden tot de arbeidsrechtbank (artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek). Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof een vergelijking voorgelegd tussen, enerzijds, personen met gezondheidsschade die aanspraak maken op een forfaitaire vergoeding voor slachtoffers van thalidomide en die zich in geval van een geschil moeten wenden tot de rechtbank van eerste aanleg en, anderzijds, personen met gezondheidsschade die aanspraak maken op een tegemoetkoming van het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers en die zich in geval van een geschil moeten wenden tot de arbeidsrechtbank (artikel 579, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek). B.6.1. De Ministerraad, de HZIV en de FOD BOSA voeren aan dat de personen die een geschil hebben met betrekking tot de vergoeding die uit de Thalidomidewet voortvloeit niet kunnen worden vergeleken met de andere in de prejudiciële vragen vermelde personen. B.6.2. Verschil en vergelijkbaarheid mogen evenwel niet met elkaar worden verward. Het feit dat de oorzaak, de aard, de kenmerken en de doelstelling van de tegemoetkoming of vergoeding die aan de grondslag liggen van de vergeleken geschillen, mogelijkerwijs kunnen verschillen, kan weliswaar een element zijn in de beoordeling van een verschil in behandeling, maar het kan op zich niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. 9 De exceptie wordt verworpen. B.7. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.8.1. Het recht op toegang tot de rechter omvat niet het recht op een rechter naar zijn keuze. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om te beslissen welke rechter het meest geschikt is om een bepaald soort van geschillen te beslechten. B.8.2. Misvormingen ten gevolge van de inname, door de moeder, van geneesmiddelen met thalidomide tijdens een zwangerschap, worden beschouwd als een handicap (dysmelie), en de slachtoffers van thalidomide dienen eveneens te worden beschouwd als personen met een handicap. Echter, krachtens de Thalidomidewet heeft de wetgever voorzien in een forfaitaire vergoeding zonder afbreuk te doen aan andere rechten (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3622/001, p. 4), ten behoeve van de slachtoffers van thalidomide of, in geval van vooroverlijden, van hun ouders (artikelen 2 en 3). Zoals is vermeld is B.3.1, is die forfaitaire vergoeding een vorm van wettelijk herstel van de schade die de slachtoffers van thalidomide hebben geleden en komt die maatregel van forfaitaire vergoeding bovenop de andere rechten waarop de slachtoffers aanspraak kunnen maken in hun hoedanigheid van persoon met een handicap, met inbegrip van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Het gegeven dat de in het geding forfaitaire vergoeding wordt betaald aan een slachtoffer van thalidomide betekent dus niet dat de vergoeding die voortvloeit uit de Thalidomidewet moet worden beschouwd als een tegemoetkoming aan een persoon met een handicap. Aldus, in tegenstelling tot de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, die periodiek worden betaald en ertoe strekken het inkomstenverlies ten gevolge van de handicap te compenseren, 10 beoogt de in het geding zijnde forfaitaire vergoeding, met de toekenning van een algemeen en uniek bedrag, de schade die voortvloeit uit thalidomide te herstellen, met een erkenning van de rol van de overheid in die schade. Een dergelijke vergoeding heeft niet dezelfde aard als een tegemoetkoming aan een persoon met een handicap. Het feit dat de arbeidsrechtbanken bijzondere waarborgen bieden, namelijk het feit dat die rechtbanken vertrouwd zijn met betwistingen omtrent de rechten inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap, de specifieke samenstelling van die rechtscolleges en de procedurele bijzonderheden, waaronder de wijze waarop de vordering voor de rechtbank wordt ingesteld (artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek) en de rol van het arbeidsauditoraat (artikel 766 van het Gerechtelijk Wetboek), laat niet toe ervan uit te gaan dat elke betwisting waarbij een persoon met een handicap betrokken zou zijn, zou moeten vallen onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank. B.8.3. De personen met gezondheidsproblemen die aanspraak maken op een tegemoetkoming van het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers en die, in geval van betwisting, een zaak aanhangig moeten maken bij de arbeidsrechtbank, hebben van hun kant te maken met gezondheidsschade die vaak beroepsgerelateerd is, veroorzaakt door producten die op de markt zijn gebracht en waarvan de schadelijke gevolgen voor de gezondheid achteraf zijn vastgesteld en de wetgever ertoe hebben gebracht te voorzien in specifieke financiële steun. Uit de artikelen 113 en volgende van de programmawet (I) van 27 december 2006 blijkt immers dat het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers, dat tot doel heeft een « vergoeding toe te kennen als schadeloosstelling voor de schade voortvloeiend uit een blootstelling aan asbest » (artikel 113), organiek is opgenomen in het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico’s (artikel 114). Het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers wordt met name gefinancierd door bijdragen gestort door de werkgevers (artikel 116). Die tegemoetkoming heeft de vorm van een maandelijkse forfaitaire rente (artikel 120) en is integraal cumuleerbaar met elke andere sociale uitkering die krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving wordt toegekend (artikel 121). In de parlementaire voorbereiding wordt aangegeven dat die tegemoetkoming « behoort tot de materies die van de sociale zekerheidsaangelegenheden deel uitmaken en anderzijds [dat] de maatregel […] de financiering [beoogt] langs de solidariteit van de schadeloosstelling van sommige schaden voortspruitend uit de blootstelling aan asbest » en « zowel de loontrekkenden als de zelfstandige werknemers, 11 de ambtenaren en de personen zonder sociaal statuut [beoogt] » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2773/001, p. 77). Een dergelijke tegemoetkoming heeft niet dezelfde aard als een forfaitaire vergoeding zoals bedoeld in de Thalidomidewet. B.8.4. Het enkele gegeven dat de wetgever de geschillen met betrekking tot de rechten van personen met een handicap (artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek) of met betrekking tot de rechten als gevolg van gezondheidsschade door blootstelling aan een product (artikel 579, 6°, van hetzelfde Wetboek) niet uitsluitend aan de arbeidsrechtbank heeft toevertrouwd, maar dat verschillende rechters daarvoor bevoegd zijn, doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokken personen. Overigens blijkt niet dat de procedurele context voor de rechtbank van eerste aanleg (de wijze van inleiding, de samenstelling van de rechtbank en de ontstentenis van een auditoraat of soortgelijk orgaan), gelet op de kostenregeling (zie de artikelen 1017 tot 1024 van het Gerechtelijk Wetboek) en rekening houdend met de mogelijkheden voor de rechtbank om zich te laten bijstaan door gerechtsdeskundigen, de betrokkenen een laagdrempelige toegang tot een rechter ontzegt. B.9. Uit het voorgaande vloeit voort dat de niet-toewijzing, aan de arbeidsrechtbanken, van vorderingen betreffende geschillen inzake de rechten van personen met een handicap die uit de Thalidomidewet voortvloeien, redelijk verantwoord is en geen afbreuk doet aan het recht van de rechtzoekenden om, met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, toegang te hebben tot een bevoegde rechter die op weloverwogen wijze kennis kan nemen van de geschillen met betrekking tot die aangelegenheid. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 1 december 2022. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.157 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.