← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.159

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.159 Arrest- Rolnummer: 159/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-12-12 Raadplegingen: 821 - laatst gezien 2026-06-19 01:33 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 435, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, in zoverre het een gerecht waarnaar het Hof van Cassatie, na een vernietiging van een eerder gewezen rechterlijke beslissing, een zaak verwijst, ertoe verplicht zich te voegen naar het arrest van het Hof van Cassatie, wat het beslechte rechtspunt betreft, wanneer het van oordeel is dat het rechtsoordeel van het Hof van Cassatie in strijd is met het recht van de Europese Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in een arrest dat dateert van na het arrest van het Hof van Cassatie) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 435, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Strafvordering - Hof van Cassatie - Vernietiging door het Hof en verwijzing - Gevolgen - Verplichting voor het gerecht om zich te voegen naar het arrest van het Hof van Cassatie betreffende het door dat Hof beslechte rechtspunt - Verbod om zich aan te passen aan de evolutie in rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie die dateert van na het arrest van het Hof van Cassatie Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 159/2022 van 1 december 2022 Rolnummer : 7734 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 435, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 11 januari 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 januari 2022, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «

  1. Schendt artikel 435, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd door art. 161 van de Wet van 06.07.2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet, (met name de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet) én artikel 6.1 E.V.R.M., in zoverre deze bepaling het gerecht waarnaar de zaak na vernietiging wordt verwezen, verplicht om zich te voegen naar het arrest van het Hof van Cassatie en derhalve verbiedt om zich aan te passen aan de evolutie in rechtsleer en rechtspraak van datzelfde Hof of gezaghebbende rechtscolleges zoals het Grondwettelijk Hof en het Hof van Justitie terwijl een rechtbank die uitspraak doet in een naar de feiten identieke zaak niet gebonden is door de rechtspraak van het Hof van Cassatie ?
  2. Schendt artikel 435, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd door art. 161 van de Wet van 06.07.2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk 2 procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet, (met name de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet) én artikel 6.1 E.V.R.M., in zoverre deze bepaling het gerecht waarnaar de zaak na vernietiging wordt verwezen, verplicht om zich te voegen naar het arrest van het Hof van Cassatie betreffende het door dat Hof beslechte rechtspunt terwijl artikel 7 van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof de nationale rechters eveneens bindt aan de uitleg welke voortvloeit uit de door het Hof gedane uitspraak ? ». Memories zijn ingediend door : - F.V., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Arnou, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel. F.V. heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 12 oktober 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en K. Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 26 oktober 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 26 oktober 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil F.V. ontvangt op 14 december 2012 een nieuw Belgisch rijbewijs na aangifte van het verlies van zijn vorig rijbewijs. Na te zijn verhuisd naar Nederland ontvangt hij op 18 juni 2015, in ruil voor zijn Belgisch rijbewijs, een Nederlands rijbewijs. Het Belgisch rijbewijs dat hij in Nederland inlevert heeft volgens de Nederlandse diensten hetzelfde serienummer als het rijbewijs dat hij op 14 december 2012 als verloren heeft aangegeven. Bij vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 28 oktober 2016 wordt F.V. veroordeeld tot de straf van het verval van het recht motorvoertuigen te besturen voor een termijn van drie maanden, waarbij het herstel van het recht tot sturen afhankelijk wordt gemaakt van het slagen voor examens en van het ondergaan van een medisch en psychologisch onderzoek. Die straf wordt opgelegd wegens het besturen van een voertuig op 6 december 2015 zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. Bij vonnis van 29 september 2014 was F.V. immers al veroordeeld tot de straf van het verval van het recht motorvoertuigen te besturen, waarbij hij de bij dat vonnis opgelegde onderzoeken voor het herstel van dat recht op 6 december 2015 nog niet met goed gevolg had ondergaan. De politierechtbank West-Vlaanderen oordeelt dat het in Nederland uitgereikte rijbewijs niet als een geldig rijbewijs kan worden beschouwd, maar acht het niet bewezen dat F.V. op 14 december 2012 valselijk heeft verklaard dat hij zijn rijbewijs was verloren. 3 Bij vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 30 juni 2017 wordt het vonnis van de politierechtbank van 28 oktober 2016 bevestigd. Na tegen het vonnis van 30 juni 2017 een cassatieberoep te hebben ingesteld, vernietigt het Hof van Cassatie dat vonnis bij een arrest van 11 september 2018 (P.17.0839.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.1) en verwijst het de zaak voor een nieuwe beoordeling naar de Rechtbank van eerste aanleg Oost- Vlaanderen. Het Hof van Cassatie oordeelt dat de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen aan de Belgische wetgeving een uitlegging heeft gegeven die niet verenigbaar is met de richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 « betreffende het rijbewijs » (hierna : de richtlijn 2006/126/EG), zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 26 april 2012 in zake Wolfgang Hofmann (C-419/10). Bij tussenvonnis van 19 november 2019 stelt de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, enkele prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de draagwijdte van de richtlijn 2006/126/EG. Nadat de Rechtbank door het Hof van Justitie werd gewezen op het arrest van 28 oktober 2020 in zake Kreis Heinsberg (C-112/19), wordt het verzoek tot prejudiciële beslissing ingetrokken. De Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, meent dat het voormelde arrest van het Hof van Cassatie « mogelijks » strijdig is met het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 oktober
  3. Zij stelt echter vast dat het gerecht waarnaar het Hof van Cassatie een zaak verwijst na vernietiging van een rechterlijke beslissing, volgens artikel 435, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, zich moet voegen naar het arrest van het Hof van Cassatie betreffende het door dat Hof beslechte rechtspunt. Zij acht het vervolgens aangewezen bovenvermelde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.1.
  4. Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vragen niet ontvankelijk zijn, in zoverre zij betrekking hebben op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met artikel 13 van de Grondwet en met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij meent dat noch uit de prejudiciële vragen, noch uit de verwijzingsbeslissing blijkt in welke zin de in het geding zijnde bepaling de voormelde referentienormen zou schenden. A.1.
  5. De Ministerraad meent dat de tweede prejudiciële vraag niet ontvankelijk is, omdat ze niet duidelijk is en omdat ze vreemd is aan het geschil dat hangende is voor de verwijzende rechter. Met betrekking tot de beweerde onduidelijkheid van de tweede prejudiciële vraag, doet de Ministerraad gelden dat die vraag lijkt uit te gaan van de situatie waarin een rechtscollege wordt geconfronteerd met tegenstrijdige verplichtingen die voortvloeien uit tegenstrijdige rechtspraak. Hij vervolgt dat de verwijzende rechter verwijst naar, enerzijds, de bindende kracht die uitgaat van een arrest van het Hof van Cassatie en, anderzijds, « het gezag dat aan de arresten van het Hof van Justitie door bovenvermeld art. 7 van het Verdrag van 31 maart 1965 verbonden is ». Hij wijst erop dat de verwijzende rechter de bindende kracht van de arresten van het Hof van Justitie verbindt aan het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, terwijl het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Benelux-Gerechtshof onderscheiden rechtscolleges zijn. Hij meent dat het aldus niet mogelijk is te achterhalen of de verwijzende rechter verwijst naar het gezag van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dan wel naar het gezag van de rechtspraak van het Benelux-Gerechtshof. Bovendien meent hij dat de tweede prejudiciële vraag geen enkel verschil in behandeling vermeldt en louter wijst op het bestaan van twee verplichtingen. In zoverre de tweede prejudiciële vraag zou dienen te worden geïnterpreteerd in die zin dat wordt verwezen naar de verplichtingen die voor een rechter voortvloeien uit het statuut van het Benelux-Gerechtshof, meent de Ministerraad dat die vraag niet ontvankelijk is daar het antwoord erop kennelijk niet nuttig is voor de beslechting van het geschil dat hangende is voor de verwijzende rechter. Het Benelux-recht is immers volgens hem vreemd aan dat geschil. In zoverre de tweede prejudiciële vraag zou moeten worden geïnterpreteerd in die zin dat wordt verwezen naar de verplichtingen die voor een rechter voortvloeien uit het recht van de Europese Unie, meent hij dat het antwoord op die vraag evenmin nuttig is voor de beslechting van het geschil dat hangende is voor de 4 verwijzende rechter, aangezien er geen arrest van het Hof van Justitie voorhanden is dat bindend zou zijn voor de verwijzende rechter. A.2.
  6. Indien het Hof van oordeel zou zijn dat de eerste prejudiciële vraag ontvankelijk is, meent de Ministerraad dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord, omdat het in die vraag vermelde verschil in behandeling redelijk is verantwoord. A.2.
  7. De Ministerraad zet uiteen dat de wetgever met de in het geding zijnde bepaling gevolg heeft gegeven aan een kritiek die reeds lang in de rechtsleer werd geuit over de manier waarop de cassatieprocedure voorheen was geregeld en dat hij met die bepaling diverse wettige doelstellingen heeft nagestreefd. Die doelstellingen houden volgens hem verband met een gevoelde nood aan een snellere beëindiging van geschillen, met de rechtszekerheid van de procespartijen, met de noodzaak om binnen een redelijke termijn uitspraak te doen, met het beperken van de proceskosten en met het beëindigen van een verschil in behandeling tussen een verweerder in cassatie, die na cassatie nog de gelegenheid kreeg om zijn standpunt in rechte opnieuw te doen beoordelen, en een verzoeker in cassatie, die bij afwijzing van zijn cassatieberoep niet over die mogelijkheid beschikte. Hij wijst bovendien erop dat de regel volgens welke een arrest van het Hof van Cassatie pas bindend was na een tweede cassatie over hetzelfde middel, reeds verschillende uitzonderingen kende in de voorheen bestaande regeling en dat slechts in een zeer beperkt aantal landen een regel geldt volgens welke een arrest van het Hof van Cassatie pas bindend is na een tweede cassatie. De Ministerraad vervolgt dat voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een gelijksoortige regel geldt als die welke is vervat in de in het geding zijnde bepaling wanneer zij optreedt als cassatierechter. Hij doet ook gelden dat wanneer het Grondwettelijk Hof een prejudicieel arrest uitspreekt, het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet zich moet voegen naar het arrest van het Hof. A.2.
  8. De Ministerraad meent dat de situatie die zich aandient voor de verwijzende rechter, namelijk de ontwikkeling van nieuwe rechtspraak door het Hof van Justitie van de Europese Unie, zich ook kon voordoen onder de vroegere regelgeving, waarbij het rechtscollege op verwijzing gebonden was door de door het Hof van Cassatie beslechte rechtspunten na een tweede cassatie. Hij wijst erop dat er in België geen systeem van bindende precedenten bestaat, zodat enkel het rechtscollege op verwijzing gebonden is door het door het Hof van Cassatie beslechte rechtspunt en de andere rechtscolleges vrij een ander standpunt kunnen innemen. A.2.
  9. Wat het recht op toegang tot de rechter betreft, meent de Ministerraad dat de verwijzende rechter in essentie een vergelijking maakt tussen, enerzijds, een rechtzoekende voor een rechtscollege waarnaar het Hof van Cassatie een zaak heeft verwezen, die wordt geconfronteerd met het feit dat dat rechtscollege zich dient te voegen naar de door het Hof van Cassatie beslechte rechtspunten en, anderzijds, een rechtzoekende in een andere, feitelijk analoge zaak die niet met de bindende kracht van een dergelijk arrest wordt geconfronteerd. Hij meent dat dat verschil in behandeling berust op een objectief criterium en pertinent is ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. Hij doet daarbij gelden dat de wetgever, zonder een systeem van precedentenwerking in te voeren, het gezag van het betrokken arrest van het Hof van Cassatie niet had kunnen uitbreiden naar andere rechtscolleges toe. Het is aldus volgens hem volkomen logisch dat de bindende kracht van een arrest van het Hof van Cassatie beperkt blijft tot de rechtscolleges die in de desbetreffende zaak oordelen. Het verschil in behandeling heeft volgens hem geen onevenredige gevolgen, daar het onvermijdelijk is dat, wat de uitlegging van de in een zaak toe te passen rechtsregels betreft, op een bepaald ogenblik het laatste woord wordt uitgesproken. Hij wijst erop dat het steeds denkbaar is dat, nadat een rechtscollege het laatste woord heeft uitgesproken, nieuwe evoluties in de rechtspraak tot ontwikkeling komen die, mochten zij eerder tot ontwikkeling zijn gekomen, de oplossing van bepaalde geschillen hadden kunnen beïnvloeden. Hij meent echter dat de rechtszekerheid zich ertegen zou verzetten dat steeds ruimte moet worden gelaten om die evoluties te incorporeren in geschillen waarin het laatste woord op het stuk van de uitlegging van het toepasselijke recht reeds is uitgesproken. Hij doet daarbij gelden dat in het Belgische systeem van de cassatieprocedure de rechtsregel op basis waarvan het geschil moet worden opgelost, definitief wordt geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie en dat de omstandigheid dat nog een nieuwe beslissing moet worden genomen door het rechtscollege op verwijzing louter het gevolg is van de cassatietechniek die wordt toegepast en die op haar beurt het gevolg is van het verbod voor het Hof van Cassatie om de grond van de zaak te beoordelen. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leidt hij bovendien af dat een van de fundamentele aspecten van de rechtsstaat het beginsel van rechtszekerheid is, dat onder andere vereist dat wanneer de rechtscolleges een kwestie definitief hebben beslecht, hun beoordeling niet opnieuw in het geding zou mogen worden gebracht, behoudens wanneer daartoe genoodzaakt wordt door substantiële en dwingende 5 omstandigheden. Op basis daarvan kan het recht op toegang tot de rechter volgens hem redelijkerwijze niet zo worden begrepen dat het zich zou verzetten tegen een vorm van finale geschillenbeslechting op basis van een cassatieprocedure met verwijzing. A.2.
  10. Louter ten overvloede doet de Ministerraad gelden dat de richtlijn 2006/126/EG, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 28 oktober 2020 in zake Kreis Heinsberg, zich niet verzet tegen een toepassing van de Belgische wetgeving zoals uitgelegd door het Hof van Cassatie in het arrest van 11 september 2018, omdat het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat een lidstaat op grond van die richtlijn kan weigeren om een rijbewijs te erkennen dat is ingewisseld, op grond van het feit dat die lidstaat voorafgaand aan die inwisseling de rijbevoegdheid van de houder van het rijbewijs had ingetrokken. Hij meent dat het Hof van Justitie aldus niet heeft geoordeeld dat die lidstaat daartoe verplicht is. Hij wijst bovendien erop dat de toepassing van het recht van de Europese Unie, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie, te dezen alleen maar de rechten van de beklaagde voor de verwijzende rechter zou kunnen beperken. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie leidt hij af dat de verwijzende rechter de in het geding zijnde bepaling, op grond van het recht van de Europese Unie, enkel buiten toepassing zou kunnen laten wanneer overwegingen van rechtszekerheid en het goede verloop van de procedure de toepassing ervan niet kunnen verantwoorden. Hij meent dat de in geding zijnde bepaling precies is ingegeven door overwegingen van rechtszekerheid en van het goede verloop van de procedures. A.
  11. Indien het Hof van oordeel zou zijn dat de tweede prejudiciële vraag ontvankelijk is, meent de Ministerraad dat die vraag dient te worden begrepen in die zin dat de verwijzende rechter de verenigbaarheid in het geding brengt, met het recht op toegang tot de rechter, van het bestaan van tegenstrijdige verplichtingen van een rechtscollege. Met verwijzing naar zijn argumentatie bij de eerste prejudiciële vraag stelt hij evenwel vast dat de voormelde situatie zich niet voordoet voor de verwijzende rechter. Om die reden neemt hij aan dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het recht op toegang tot de rechter, in zoverre die bepaling zich ertegen zou verzetten dat het recht van de Europese Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, zou worden toegepast. Met verwijzing naar zijn argumentatie bij de eerste prejudiciële vraag, meent hij dat die vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.
  12. F.V., beklaagde voor de verwijzende rechter, is van oordeel dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven, daar het antwoord op die vragen niet dienend is voor de oplossing van het geschil dat hangende is voor de verwijzende rechter. Hij meent dat de uitgangspunten van die rechter op drie punten verkeerd zijn. Ten eerste is hij van oordeel dat de verwijzende rechter ten onrechte ervan uitgaat dat er een tegenstrijdigheid is tussen het arrest van het Hof van Cassatie van 11 september 2018 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan 28 oktober 2020 en dat de feiten die ten grondslag liggen van die arresten dezelfde zijn. Hij beklemtoont dat het in het arrest van het Hof van Justitie ging over een verval van het recht tot sturen van bepaalde duur, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat een lidstaat, op grond van artikel 11, lid 4, tweede alinea, van de richtlijn 2006/126/EG, kan weigeren om een rijbewijs te erkennen dat met toepassing van artikel 11, lid 1, van die richtlijn is ingewisseld, op basis van het feit dat die lidstaat voorafgaand aan die inwisseling de rijbevoegdheid van de houder van dat rijbewijs heeft ingetrokken. Hij wijst erop dat het Hof van Justitie eveneens heeft geoordeeld dat een lidstaat zich niet op het voormelde artikel 11, lid 4, tweede alinea, kan beroepen om voor onbepaalde duur te weigeren de geldigheid van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen. Hij meent dat de Belgische regeling waarbij een persoon pas in zijn recht tot sturen wordt hersteld na het slagen voor bepaalde examens of onderzoeken, erop neerkomt dat voor onbepaalde duur wordt geweigerd de geldigheid van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen. Hij verwijst daarbij naar de conclusie van de advocaat- generaal bij het voormelde arrest van het Hof van Cassatie. Ten tweede meent F.V. dat, indien zou moeten worden aanvaard dat er een tegenstrijdigheid is tussen de rechtspraak van het Hof van Cassatie en die van het Hof van Justitie van de Europese Unie, reeds lange tijd is aanvaard dat de regels van het recht van de Europese Unie primeren op die van het nationaal recht en dat een nationale rechter in dat geval het strijdige nationaal recht buiten toepassing dient te laten. Ten derde meent F.V. dat de prejudiciële vragen niet kunnen leiden tot een bevestigend antwoord, in zoverre zij peilen naar de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met artikel 13 van de Grondwet en met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Die referentienormen beschermen volgens hem immers de burger tegen het willekeurig optreden van de overheid en kunnen volgens hem aldus niet worden aangewend tegen de belangen van de burger in. Hij beklemtoont dat het beantwoorden van de prejudiciële vragen niet kan leiden tot een verbetering van zijn juridische positie voor de verwijzende rechter. 6 A.5.
  13. Indien het Hof van oordeel zou zijn dat de eerste prejudiciële vraag een antwoord behoeft, meent F.V. dat de erin vermelde categorieën niet vergelijkbaar zijn, daar het in de ene situatie gaat over een rechtscollege dat wordt geconfronteerd met een arrest van het Hof van Cassatie dat werd gewezen over een rechtsvraag en een feitenconstellatie die identiek zijn aan die waarover dat rechtscollege zelf moet oordelen, terwijl dat in de andere situatie niet het geval is. Bovendien hebben de procespartijen in de ene situatie tegenspraak kunnen voeren in de procedure bij het Hof van Cassatie, terwijl dat in de andere situatie niet het geval is. A.5.
  14. Indien zou moeten worden aanvaard dat de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën wel degelijk vergelijkbaar zijn, meent F.V. dat het verschil in behandeling redelijk is verantwoord. Hij beargumenteert zijn standpunt op een soortgelijke wijze als de Ministerraad. A.
  15. Met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag, meent F.V. dat die vraag niet duidelijk is en dat, in zoverre die vraag zou zijn gebaseerd op een vergelijking tussen de bindende kracht van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van die van het Benelux-Gerechtshof, er geen sprake is van een verschil in behandeling. A.
  16. Wat artikel 13 van de Grondwet en artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens betreft, doet F.V. nog gelden dat hij in de hem betreffende procedures op geen enkele wijze werd afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent. -B- B.1.
  17. Artikel 435 van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « In geval van vernietiging verwijst het Hof van Cassatie, indien daartoe aanleiding is, de zaak, hetzij naar een gerecht van dezelfde rang als het gerecht dat de vernietigde beslissing heeft gewezen, hetzij naar hetzelfde gerecht, anders samengesteld. Dat gerecht voegt zich naar het arrest van het Hof van Cassatie betreffende het door dat Hof beslechte rechtspunt. Tegen de beslissing van dat gerecht wordt geen voorziening in cassatie toegelaten in zoverre deze beslissing overeenstemt met het vernietigingsarrest. Wanneer de vernietiging evenwel enkel het arrest van het hof van assisen betreft in zoverre dit uitspraak doet over de burgerlijke belangen, wordt de zaak verwezen naar een rechtbank van eerste aanleg. De rechters die eerder kennis genomen hebben van de zaak kunnen geen kennis nemen van deze verwijzing. Indien de beslissing vernietigd wordt op grond van onbevoegdheid, verwijst het Hof van Cassatie de zaak naar de rechters die ervan moeten kennisnemen ». B.1.
  18. De prejudiciële vragen hebben betrekking op het tweede lid van die bepaling, dat werd ingevoegd bij artikel 161 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie ». 7 De parlementaire voorbereiding van die wet vermeldt : « In zijn installatierede, uitgesproken op 27 januari 2017, heeft de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, de heer Dirk Thijs, op zeer omstandige en overtuigende wijze een lans gebroken voor een verdere, wettelijke optimalisering van de procedure voor het Hof van Cassatie, wat hij overigens al op 17 januari 2017 op even overtuigende wijze had aangekondigd in de commissie voor de Justitie, ter gelegenheid van de hoorzitting over het jaarverslag van het Hof van Cassatie. Het gaat meer bepaald om, enerzijds de invoering van de mogelijkheid voor het Hof het bestreden vonnis te vernietigen zonder verwijzing naar een feitenrechter indien er ‘ in de zaak zelf ’ niets meer te beslissen valt, anderzijds de veralgemening van de onmiddellijke binding van de arresten van het Hof van Cassatie, dus de uitsluiting van de mogelijkheid, na verwijzing, van een tweede cassatievoorziening op grond van hetzelfde middel, waarover dan door het Hof van Cassatie in ‘ verenigde kamers ’ uitspraak moet worden gedaan. Het past tegemoet te komen aan deze voorstellen, die overigens beantwoorden aan wat al geruime tijd in de rechtsleer wordt verdedigd (zie de talrijke verwijzingen in de aangehaalde installatierede), waarvan het eerste in sommige gevallen al wordt toegepast in de rechtspraak van het Hof, zij het zonder uitdrukkelijke tekst die dit toestaat en waarvan het tweede de algemene regel is inzake geschillen van bestuur (zie o.a. art. 1110, vierde lid, Ger. W.; art. 15 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State) » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54- 2259/003, pp. 37-38). B.1.
  19. De wetgever heeft met de in het geding zijnde bepaling aldus een einde willen maken aan de voorheen aan een vernietigingsarrest van het Hof van Cassatie verbonden gevolgen die inhielden dat zulk een arrest, wat het door het Hof beslechte rechtspunt betreft, in beginsel pas bindend was voor het gerecht waarnaar de zaak wordt verwezen na een tweede vernietiging op basis van dezelfde gronden. De in het geding zijnde bepaling, die onder meer is ingegeven door proceseconomische redenen, brengt met zich mee dat het gerecht waarnaar de zaak door het Hof van Cassatie wordt verwezen zich in beginsel onmiddellijk moet voegen naar het arrest van het Hof van Cassatie, wat betreft het door dat Hof beslechte rechtspunt. B.
  20. Rekening houdend met de motivering van de verwijzingsbeslissing, wordt het Hof gevraagd of artikel 435, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat die bepaling het gerecht waarnaar een zaak na een vernietiging door het Hof van Cassatie wordt verwezen, verplicht om zich te voegen naar het arrest van het Hof van Cassatie « en derhalve verbiedt om zich aan te passen » aan evoluties in de rechtspraak van « gezaghebbende rechtscolleges » zoals het Hof van Cassatie, het Grondwettelijk Hof en het Hof van Justitie van de Europese Unie, « terwijl een [andere] 8 rechtbank die uitspraak doet in een naar de feiten identieke zaak niet gebonden is door de rechtspraak van het Hof van Cassatie » (eerste prejudiciële vraag) en « terwijl artikel 7 van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof de nationale rechters eveneens bindt aan de uitleg welke voortvloeit uit de door het Hof gedane uitspraak » (tweede prejudiciële vraag). B.
  21. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof van Cassatie bij een arrest van 11 september 2018 (P.17.0839.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.1), na een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg West- Vlaanderen, afdeling Brugge, van 30 juni 2017 te hebben vernietigd, de desbetreffende zaak heeft verwezen naar de verwijzende rechter. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter van oordeel is dat het voormelde arrest van het Hof van Cassatie « mogelijks » in strijd is met een later gewezen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, meer bepaald het arrest van 28 oktober 2020 in zake Kreis Heinsberg (C- 112/19). B.
  22. De Ministerraad en F.V. voeren aan dat de prejudiciële vragen, minstens gedeeltelijk, onontvankelijk zijn. Zij doen gelden, ten eerste, dat de tweede prejudiciële vraag vreemd is aan het geschil dat hangende is voor de verwijzende rechter en bovendien onduidelijk is, ten tweede, dat het niet duidelijk is in welke zin de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar zou zijn met artikel 13 van de Grondwet en met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en, ten derde, dat er geen sprake zou zijn van een tegenstrijdigheid tussen het arrest van het Hof van Cassatie van 11 september 2018 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 oktober
  23. B.
  24. In de regel komt het de verwijzende rechter toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.6.
  25. In zoverre de tweede prejudiciële vraag gebaseerd is op verplichtingen die voor een gerecht voortvloeien uit artikel 7 van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, is die vraag vreemd aan het geschil dat hangende is voor de verwijzende rechter. Zoals is vermeld in B.3, zijn de prejudiciële vragen ingegeven door de vaststelling, door de verwijzende rechter, dat er « mogelijks » een tegenstrijdigheid bestaat tussen een arrest van het Hof van Cassatie en een arrest van het Hof van Justitie van de 9 Europese Unie. Artikel 7 van het voormelde Verdrag van 31 maart 1965 regelt het gezag verbonden aan de arresten van het Benelux-Gerechtshof en heeft aldus geen betrekking op het gezag verbonden aan de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Daar de tweede prejudiciële vraag vreemd is aan het geschil dat hangende is voor de verwijzende rechter, is het antwoord op die vraag klaarblijkelijk niet nuttig voor het oplossen van het bij die rechter hangende geschil. B.6.
  26. De tweede prejudiciële vraag is niet ontvankelijk. B.
  27. In zoverre in de eerste prejudiciële vraag sprake is van een verbod voor de rechter « om zich aan te passen aan de evolutie in de rechtsleer en rechtspraak van [het Hof van Cassatie] of gezaghebbende rechtscolleges zoals het Grondwettelijk Hof en het Hof van Justitie », dient te worden vastgesteld dat die vraag eveneens, zij het gedeeltelijk, vreemd is aan het geschil dat hangende is voor de verwijzende rechter. Daar de prejudiciële vraag is ingegeven door de vaststelling dat er « mogelijks » een tegenstrijdigheid bestaat tussen een arrest van het Hof van Cassatie en een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, is die vraag, wat het erin omschreven verbod betreft, niet ontvankelijk in zoverre dat verbod slaat op evoluties in de rechtspraak van het Hof van Cassatie en van het Grondwettelijk Hof of in de rechtsleer. B.
  28. In zoverre de in het geding zijnde bepaling, door te bepalen dat het gerecht waarnaar het Hof van Cassatie een zaak verwijst zich moet voegen naar het arrest van dat Hof wat het beslechte rechtspunt betreft, een procespartij zou verhinderen om zich met betrekking tot dat rechtspunt ter verdediging van haar rechten en belangen te beroepen op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie die dateert van na het arrest van het Hof van Cassatie, raakt die bepaling aan het recht op toegang tot de rechter en aan het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In tegenstelling tot wat de Ministerraad en F.V. beweren, is de eerste prejudiciële vraag voldoende duidelijk in zoverre zij peilt naar de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met die referentienormen. Uit de door die partijen bij het Hof ingediende memories blijkt overigens dat zij ter zake een dienstig verweer hebben kunnen voeren. B.
  29. De bewering van de Ministerraad en van F.V. dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de in B.3 vermelde arresten van het Hof van Cassatie en van het Hof van Justitie van de 10 Europese Unie, kan op zich niet leiden tot een vaststelling van niet-ontvankelijkheid van de eerste prejudiciële vraag. Het staat immers niet aan het Hof om te dezen te beoordelen of er al dan niet sprake is van een tegenstrijdigheid tussen die arresten. B.
  30. Rekening houdend met het voorgaande, dient het Hof te onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat die bepaling « het gerecht waarnaar de zaak na vernietiging wordt verwezen, verplicht om zich te voegen naar het arrest van het Hof van Cassatie en derhalve verbiedt om zich aan te passen aan de evolutie in […] rechtspraak van […] het Hof van Justitie terwijl een rechtbank die uitspraak doet in een naar de feiten identieke zaak niet gebonden is door de rechtspraak van het Hof van Cassatie ». B.11.
  31. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.11.
  32. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.12.
  33. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ». Het recht op toegang tot de rechter zou inhoudsloos zijn indien niet voldaan is aan het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, bij artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en 11 politieke rechten en bij een algemeen rechtsbeginsel. Bijgevolg dienen bij een toetsing aan artikel 13 van de Grondwet die waarborgen te worden betrokken. B.12.
  34. Het recht op toegang tot de rechter, zoals het onder meer is gewaarborgd bij artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is niet absoluut en kan worden onderworpen aan beperkingen, onder meer wat de ontvankelijkheidsvoorwaarden van een beroep betreft, voor zover dergelijke beperkingen de essentie van dat recht niet aantasten en voor zover zij in een evenredige verhouding staan met een legitieme doelstelling. Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden indien de regeling ervan niet langer de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient, maar veeleer een soort barrière vormt die de rechtsonderhorige verhindert dat zijn geschil ten gronde door de bevoegde rechter wordt beoordeeld (EHRM, 27 juli 2006, Efstathiou e.a. t. Griekenland, § 24; 24 februari 2009, L’Erablière ASBL t. België, § 35). B.13.
  35. In de interpretatie van de verwijzende rechter, roept de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling in het leven tussen procespartijen, naargelang het gerecht waarvoor de procespartijen verschijnen, al dan niet uitspraak moet doen nadat het Hof van Cassatie, na een vernietiging van een eerder gewezen rechterlijke beslissing, een zaak heeft verwezen naar dat gerecht. Terwijl de procespartijen voor een gerecht dat uitspraak moet doen nadat het Hof van Cassatie een zaak heeft verwezen naar dat gerecht, zich ter verdediging van hun rechten en belangen niet zinvol kunnen beroepen op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat ingaat tegen het arrest van het Hof van Cassatie waarbij de zaak werd verwezen naar dat gerecht en dat dateert van na dat arrest van het Hof van Cassatie, kunnen de procespartijen voor een gerecht dat uitspraak moet doen in een zaak die niet door het Hof van Cassatie naar dat gerecht werd verwezen, zich ter verdediging van hun rechten en belangen wel zinvol beroepen op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie die ingaat tegen de rechtspraak van het Hof van Cassatie. B.13.
  36. Het voormelde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, meer bepaald het al dan niet aanwezig zijn van de omstandigheid dat het desbetreffende gerecht uitspraak moet doen nadat het Hof van Cassatie, na een vernietiging van een eerder gewezen rechterlijke beslissing, de zaak heeft verwezen naar dat gerecht. 12 B.
  37. Met de in het geding zijnde bepaling heeft de wetgever beoogd het rechtszekerheidsbeginsel, dat zich ertegen verzet dat een geschil tot in het oneindige wordt voortgezet, te waarborgen, zonder afbreuk te doen aan het in artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek vervatte beginsel volgens welk de rechters in de zaken die aan hun oordeel onderworpen zijn, geen uitspraak doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking. De wetgever beoogde aldus te beletten dat de partij die in een proces in het ongelijk wordt gesteld, de regelmatigheid van de rechterlijke beslissingen waarbij zij wordt afgewezen, tot in het oneindige zou blijven betwisten, zonder daarbij een precedentenrechtspraak in het leven te roepen. De nagestreefde doelstellingen zijn wettig. B.
  38. De in het geding zijnde bepaling is pertinent ten aanzien van de voormelde doelstellingen. Een gerecht is immers slechts gebonden door een door het Hof van Cassatie beslecht rechtspunt na een vernietiging, door dat Hof, van een eerder gewezen rechterlijke beslissing in een welbepaalde zaak en na verwijzing van die zaak naar dat gerecht. Daar het Hof van Cassatie geen uitspraak doet bij wege van algemene en als regel geldende beschikking, zijn andere gerechten, ook wanneer zij uitspraak doen in een zaak die feitelijk gelijksoortig is aan een zaak waarover het Hof van Cassatie heeft geoordeeld, niet gebonden door de beslissingen van dat Hof. B.16.
  39. Een arrest waarmee het Hof van Cassatie, na vernietiging van een rechterlijke beslissing, een zaak verwijst naar een ander gerecht, heeft, wat het beslechte rechtspunt betreft, een bijzonder gezag ten aanzien van dat gerecht. Het aan een dergelijk arrest verbonden gezag houdt in dat het betrokken rechtspunt moet worden geacht definitief te zijn beslecht en dat de beslissing van het Hof van Cassatie ter zake aldus in beginsel niet meer door het desbetreffende gerecht in het geding kan worden gebracht in de desbetreffende zaak. B.16.
  40. Gelet op het feit dat het rechtszekerheidsbeginsel gebiedt dat geschillen op een bepaald ogenblik definitief worden beëindigd, heeft de in het geding zijnde bepaling, doordat zij erin voorziet dat het gerecht waarnaar het Hof van Cassatie een zaak verwijst, gebonden is door het definitief door dat Hof beslechte rechtspunt, in beginsel geen onevenredige gevolgen. B.16.
  41. Niettemin kan het gerecht waarnaar het Hof van Cassatie een zaak verwijst, worden geconfronteerd met bijzondere omstandigheden, zoals uit de Grondwet of uit internationale verdragen voortvloeiende verplichtingen die conflicteren met de uit de in het 13 geding zijnde bepaling voortvloeiende verplichting, waarbij die bepaling, in de interpretatie dat dat gerecht in geen enkele omstandigheid kan afwijken van het oordeel van het Hof van Cassatie, onevenredige gevolgen kan hebben ten aanzien van de ermee nagestreefde doelstelling. In dat opzicht heeft het Hof bij zijn arrest nr. 108/2022 van 15 september 2022 geoordeeld : « B.
  42. Op grond van artikel 435, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering dient het gerecht waarnaar het Hof van Cassatie na een vernietigingsarrest een zaak verwijst, zich te voegen naar dat arrest betreffende het door dat Hof beslechte rechtspunt. Die wettelijke verplichting ontslaat dat rechtscollege echter niet van de in artikel 26, § 2, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde verplichting om, bij vermeende schending door een wetskrachtige norm van een norm waaraan het Hof vermag te toetsen, een prejudiciële vraag tot het Hof te richten. Het komt het verwijzende rechtscollege toe om, rekening houdend met de door het Hof van Cassatie eraan verleende interpretatie, de in het geding zijnde bepaling aan de beoordeling van het Grondwettelijk Hof voor te leggen en zich vervolgens naar het arrest van het Grondwettelijk Hof te voegen. Er anders over beslissen zou de effectiviteit van de grondwettigheidstoetsing van wetskrachtige normen in het gedrang brengen ». B.16.
  43. Gelet op wat is vermeld in B.7, dient het Hof in de voorliggende zaak uitsluitend te onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling, in de interpretatie dat een gerecht waarnaar het Hof van Cassatie een zaak verwijst, zich ook moet voegen naar het arrest van dat Hof, wat het beslechte rechtspunt betreft, wanneer het van oordeel is dat het rechtsoordeel van het Hof van Cassatie in strijd is met het recht van de Europese Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in een arrest dat dateert van na het arrest van het Hof van Cassatie, gevolgen heeft die onevenredig zijn ten aanzien van de nagestreefde doelstelling betreffende het waarborgen van de rechtszekerheid. B.17.
  44. Te dezen dient rekening te worden gehouden met de beginselen van de voorrang en van de volle werking van het recht van de Europese Unie. B.17.
  45. Bij een arrest van 5 oktober 2010 heeft de grote kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak gedaan over een prejudiciële vraag waarmee de verwijzende rechter wenste te vernemen « of het recht van de Unie zich ertegen verzet dat een nationale rechterlijke instantie die uitspraak moet doen in een zaak die naar haar is verwezen door een in hoger beroep aangezochte hogere rechterlijke instantie, naar nationaal procesrecht gebonden is 14 aan het rechtsoordeel van die hogere rechterlijke instantie indien zij, gelet op de uitlegging die zij aan het Hof heeft gevraagd, meent dat bedoeld rechtsoordeel in strijd is met het recht van de Unie » (HvJ, grote kamer, 5 oktober 2010, C-173/09, Georgi Ivanov Elchinov, punt 24). De grote kamer van het Hof van Justitie heeft geoordeeld : «
  46. In dat verband dient er in de eerste plaats aan te worden herinnerd dat het bestaan van een nationale procedureregel zoals van toepassing in het hoofdgeding, niet afdoet aan de bevoegdheid van de niet in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instanties om het Hof prejudiciële vragen te stellen wanneer zij, zoals in casu, twijfels koesteren over de uitlegging van het recht van de Unie.
  47. Volgens vaste rechtspraak kent artikel 267 VWEU aan de nationale rechterlijke instanties immers de meest uitgebreide bevoegdheid toe zich tot het Hof te wenden indien zij menen dat een bij hen aanhangig geding vragen over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie opwerpt waarover ter beslechting van het hun voorgelegde geschil moet worden beslist (zie in die zin arresten van 16 januari 1974, Rheinmühlen- Düsseldorf, 166/73, Jurispr. blz. 33, punt 3; 27 juni 1991, Mecanarte, C-348/89, Jurispr. blz. I-3277, punt 44; 10 juli 1997, Palmisani, C-261/95, Jurispr. blz. I-4025, punt 20; 16 december 2008, Cartesio, C-210/06, Jurispr. blz. I-9641, punt 88, en 22 juni 2010, Melki en Abdeli, C-188/10 en C-189/10, Jurispr. blz. I-5667, punt 41). De nationale rechterlijke instanties mogen die bevoegdheid overigens uitoefenen op elk tijdstip in de procedure dat zij daarvoor geschikt achten (zie in die zin arrest Melki en Abdeli, reeds aangehaald, punten 52 en 57).
  48. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat een regel van nationaal recht op grond waarvan rechterlijke instanties die niet in laatste aanleg uitspraak doen zijn gebonden door het rechtsoordeel van de hogere rechterlijke instanties, eerstgenoemde instanties niet de bevoegdheid ontneemt, het Hof vragen voor te leggen over de uitlegging van het recht van de Unie waar bedoeld oordeel betrekking op heeft. Volgens het Hof moet het de niet in laatste aanleg uitspraak doende rechter immers vrijstaan zich met zijn vragen tot het Hof te wenden indien hij meent dat het rechtsoordeel van de hogere rechter hem tot een met het recht van de Unie strijdig vonnis zou kunnen brengen (zie in die zin arresten Rheinmühlen-Düsseldorf, reeds aangehaald, punten 4 en 5, en Cartesio, reeds aangehaald, punt 94; arrest van 9 maart 2010, ERG e.a., C-378/08, Jurispr. blz. I-1919, punt 32, en arrest Melki en Abdeli, reeds aangehaald, punt 42).
  49. Overigens dient te worden benadrukt dat de mogelijkheid die de nationale rechter krachtens artikel 267, tweede alinea, VWEU heeft om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken alvorens, in voorkomend geval, met het recht van de Unie strijdige aanwijzingen van een hogere rechter buiten beschouwing te laten, geenszins een verplichting kan zijn (zie in die zin arrest van 19 januari 2010, Kücükdeveci, C-555/07, Jurispr. blz. I-365, punten 54 en 55).
  50. In de tweede plaats is het van belang eraan te herinneren dat volgens vaste rechtspraak een prejudicieel arrest van het Hof bindend is voor de nationale rechter bij de beslechting van het hoofdgeding, wat de uitlegging of de geldigheid van de betrokken handelingen van 15 instellingen van de Unie betreft (zie onder meer arresten van 24 juni 1969, Milch-, Fett- und Eierkontor, 29/68, Jurispr. blz. 165, punt 3, en 3 februari 1977, Benedetti, 52/76, Jurispr. blz. 163, punt 26; beschikking van 5 maart 1986, Wünsche, 69/85, Jurispr. blz. 947, punt 13, en arrest van 14 december 2000, Fazenda Pública, C-446/98, Jurispr. blz. I-11435, punt 49).
  51. Uit een en ander volgt dat de nationale rechter die gebruik heeft gemaakt van de hem door artikel 267, tweede alinea, VWEU geboden mogelijkheid, voor de beslechting van het hoofdgeding gebonden is aan de door het Hof gegeven uitlegging van de betrokken bepalingen en dat hij in voorkomend geval het oordeel van de hogere rechter naast zich neer moet leggen indien hij, gelet op die uitlegging, meent dat dit oordeel in strijd is met het recht van de Unie.
  52. Bovendien zij benadrukt dat blijkens vaste rechtspraak de nationale rechter, die in het kader van zijn bevoegdheid belast is met de toepassing van de bepalingen van het recht van de Unie, zorg moet dragen voor de volle werking van die bepalingen, en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige nationale bepaling, in casu dus de in punt 22 van het onderhavige arrest vermelde nationale procedureregel, buiten toepassing moet laten zonder dat hij eerst de intrekking hiervan bij wet of enige andere constitutionele procedure heeft te vragen of af te wachten (zie in die zin arresten van 9 maart 1978, Simmenthal, 106/77, Jurispr. blz. 629, punt 24, en 19 november 2009, Filipiak, C-314/08, Jurispr. blz. I-11049, punt 81).
  53. In het licht van het voorgaande dient op de derde vraag te worden geantwoord dat het recht van de Unie zich ertegen verzet dat een nationale rechterlijke instantie die uitspraak moet doen in een zaak die naar haar is verwezen door een in hoger beroep aangezochte hogere rechterlijke instantie, naar nationaal procesrecht gebonden is aan het rechtsoordeel van die hogere rechterlijke instantie indien zij, gelet op de uitlegging die zij het Hof heeft gevraagd, meent dat bedoeld rechtsoordeel in strijd is met het recht van de Unie » (ibid., punten 25-32). B.17.
  54. Daaruit blijkt dat het recht van de Europese Unie zich verzet tegen een wetsbepaling die met zich meebrengt dat een rechterlijke instantie die uitspraak moet doen in een zaak die naar haar is verwezen door een hogere rechterlijke instantie, gebonden is aan het rechtsoordeel van die hogere rechterlijke instantie, indien de rechterlijke instantie waarnaar de zaak na cassatie is verwezen, al dan niet na het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, meent dat dat rechtsoordeel in strijd is met het recht van de Unie. B.18.
  55. In zoverre de in het geding zijnde bepaling een gerecht waarnaar het Hof van Cassatie een zaak verwijst na een vernietiging van een eerder gewezen rechterlijke beslissing, verplicht zich te voegen naar het arrest van het Hof van Cassatie, wat het beslechte rechtspunt betreft, wanneer dat gerecht van oordeel is dat het rechtsoordeel van het Hof van Cassatie in strijd is met het recht van de Europese Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in een arrest dat dateert van na het arrest van het Hof van Cassatie, heeft die bepaling onevenredige gevolgen. Dat gerecht wordt immers verhinderd om voorrang te 16 verlenen aan het recht van de Europese Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in een arrest dat dateert van na het arrest van het Hof van Cassatie, en de procespartijen voor dat gerecht kunnen zich ter verdediging van hun rechten en belangen niet zinvol beroepen op zulk een arrest van het Hof van Justitie. B.18.
  56. De in het geding zijnde bepaling is niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, maar enkel in zoverre zij niet erin voorziet dat, wanneer een gerecht wordt geconfronteerd met een evolutie in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie die zich voordoet na het wijzen van het arrest van het Hof van Cassatie, dat gerecht, op grond van de beginselen van de voorrang en van de volle werking van het recht van de Europese Unie, dat recht integraal kan toepassen, en dat tegen de door dat gerecht gewezen beslissing, in zoverre die beslissing niet overeenstemt met het vernietigingsarrest van het Hof van Cassatie, een tweede voorziening in cassatie openstaat. B.18.
  57. Aangezien de in B.18.2 gedane vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, staat het aan het verwijzende rechtscollege, in afwachting van het optreden van de wetgever, een einde te maken aan de schending van die normen, door, in voorkomend geval, het arrest van het Hof van Cassatie met betrekking tot het door dat Hof beslechte rechtspunt te weren indien het van oordeel is dat het daartoe verplicht is om de beginselen van de voorrang en de effectiviteit van het recht van de Europese Unie in acht te nemen. 17 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 435, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het een gerecht waarnaar het Hof van Cassatie, na een vernietiging van een eerder gewezen rechterlijke beslissing, een zaak verwijst, ertoe verplicht zich te voegen naar het arrest van het Hof van Cassatie, wat het beslechte rechtspunt betreft, wanneer het van oordeel is dat het rechtsoordeel van het Hof van Cassatie in strijd is met het recht van de Europese Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in een arrest dat dateert van na het arrest van het Hof van Cassatie. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 1 december
  58. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.159 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250530.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.