← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.160

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 december 2022 ECLI n

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 187, § 6, 1°,

§ 9

, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Strafrecht - Strafrechtspleging - Bij verstek gewezen vonnis - Verzet dat als gedaan wordt beschouwd - Gerecht in hoger beroep - Verzet dat als ongedaan wordt beschouwd in hoger beroep Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 160/2022 van 1 december 2022 Rolnummer : 7840 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 187, § 6, 1°,

§ 9

, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul

L. Lavrysen,

de rechters T. Giet, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne

S. de Bethune, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen

rechtspleging Bij arrest van 9 januari 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 juli 2022, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, geïnterpreteerd in die zin dat het het rechtscollege in hoger beroep, waarvan de saisine betrekking heeft op het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, verhindert zich uit te spreken over de grond van de zaak indien dat rechtscollege in hoger beroep van mening is dat de eerste rechter ten onrechte een verzet als gedaan heeft beschouwd, de artikelen 12, 13

14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6

7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het de legitieme verwachtingen dwarsboomt van de rechtzoekende wiens veroordeling op verzet werd herzien

die de op dat verzet genomen beslissing niet opnieuw in het geding wilde brengen ? Ontzegt artikel 187, § 6, 1 [lees : 1°],

§ 9

, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, met schending van de artikelen 12

13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

artikel 14 van het Internationaal Verdrag van New York inzake burgerrechten

politieke rechten, de beklaagde niet het daadwerkelijke karakter van de keuze voor het beroep dat hij heeft ingesteld tegen de bij verstek uitgesproken beslissing, aangezien, indien het rechtscollege in hoger beroep, op hoger beroep van de

ige openbare partij, het verzet als ongedaan beschouwt, die beslissing inhoudt dat het verstekvonnis volledige uitwerking heeft terwijl het, in eerste aanleg, 2 werd betwist door de beklaagde die zich heeft neergelegd bij het vonnis dat is uitgesproken op zijn als gedaan beschouwde verzet ? Brengt artikel 187, § 6, 1 [lees : 1°],

§ 9

, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, in het stadium van de berechting, geen discriminatie met zich mee die niet objectief verantwoord is tussen de beklaagde,

erzijds,

het openbaar ministerie, anderzijds, ondanks de verschillende belangen die zij verdedigen, aangezien de eerstgenoemde niet over een jurisdictioneel beroep beschikt met betrekking tot het als ongedaan beschouwde karakter van het verzet terwijl de laatstgenoemde wel over een jurisdictioneel beroep beschikt met betrekking tot het als gedaan beschouwde karakter van datzelfde verzet, met schending van de artikelen 10, 11, 12

13 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

artikel 14 van het Internationaal Verdrag van New York inzake burgerrechten

politieke rechten ? ». Op 18 augustus 2022 hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques

Y. Kherbache, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. De Ministerraad, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten

de rechtspleging in het bodemgeschil Bij het Hof van Beroep te Luik wordt door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de correctionele rechtbank Namen, afdeling Dinant, van 26 juli 2017. In dat vonnis heeft de correctionele rechtbank het verzet, dat door de beklaagde werd gedaan tegen het vonnis dat diezelfde Rechtbank bij verstek had gewezen op 6 juni 2017,

waarbij hij werd veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf, als gedaan beschouwd. In haar vonnis op verzet veroordeelt de correctionele rechtbank Namen, afdeling Dinant, de beklaagde tot een werkstraf van negentig uur. Voor het Hof van Beroep te Luik voert het openbaar ministerie aan dat het verzet eigenlijk als ongedaan diende te worden beschouwd. Bij zijn arrest van 9 januari 2019, dat op 22 juli 2022 ter griffie van het Hof is ingekomen, stelt het Hof van Beroep vast dat, indien het hoger beroep van het openbaar ministerie met betrekking tot het als gedaan beschouwde karakter van het verzet gegrond wordt verklaard, artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering de rechter in hoger beroep niet zal toelaten de grond van het geschil te onderzoeken. Nog steeds volgens diezelfde bepaling zal de rechter in hoger beroep echter over een dergelijke bevoegdheid beschikken indien het hoger beroep is gericht tegen de beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt. In het bodemgeschil heeft die regeling tot gevolg dat, indien het Hof van Beroep te Luik het hoger beroep van het openbaar ministerie gegrond verklaart,

het verzet bijgevolg als ongedaan beschouwt, de geïntimeerde partij zal worden veroordeeld tot de gevangenisstraf van acht jaar uitgesproken door de correctionele rechtbank Namen, afdeling Dinant, bij haar vonnis van 6 juni 2017, dat bij verstek is gewezen,

niet tot de werkstraf van negentig uur die door diezelfde correctionele rechtbank werd uitgesproken bij haar vonnis van 26 juli 2017, dat op verzet van de beklaagde werd gewezen. Het verwijzende rechtscollege stelt derhalve aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. 3 III. In rechte -A - A.

  1. De Ministerraad is van mening dat alleen de eerste prejudiciële vraag dient te worden onderzocht. Hij is van mening dat de draagwijdte ervan verschilt van die van de eerste prejudiciële vraag die ten grondslag ligt aan het arrest nr. 123/2019 van 26 september
  2. In de zaken die aanleiding hebben gegeven tot dat arrest, had het openbaar ministerie zijn hoger beroep immers beperkt tot de kwestie van het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, terwijl het hoger beroep te dezen niet alleen betrekking heeft op die kwestie, maar ook op de schuld

de strafmaat. Het verwijzende rechtscollege heeft weliswaar beslist de debatten te beperken tot de kwestie van het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, maar die beperking heeft niet tot gevolg dat de andere grieven die het openbaar ministerie in hoger beroep heeft geformuleerd, aan dat rechtscollege worden onttrokken. Het verwijzende rechtscollege dient zich bijgevolg nog uit te spreken over de grond van de zaak

wordt dus niet geconfronteerd met de omgekeerde situatie waarin artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering voorziet. De rechtspraak van het Hof van Cassatie gaat in die zin. Volgens de Ministerraad kan het verwijzende rechtscollege dus het hoger beroep van het openbaar ministerie over het als gedaan beschouwde karakter van het verzet gegrond verklaren

daarnaast uitspraak doen over de schuld

de strafmaat, grieven die het openbaar ministerie zelf beoogt. De lering van het arrest nr. 123/2019 laat overigens in elk geval het verwijzende rechtscollege toe het geschil ten gronde te beslechten

bovendien het verzet, voor het eerst in hoger beroep, als ongedaan te beschouwen. De eerste prejudiciële vraag

, bij wege van gevolgtrekking, de andere twee prejudiciële vragen zijn niet nuttig voor het oplossen van het geschil

behoeven geen antwoord. A.2. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de eerste prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord, om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in het arrest nr. 123/2019,

dat het derhalve niet noodzakelijk is de andere twee prejudiciële vragen te onderzoeken. -B - B.1. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering met de artikelen 12, 13

14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6

7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zo geïnterpreteerd dat het het rechtscollege in hoger beroep waarvan de saisine betrekking heeft op het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, belet zich uit te spreken over de grond van de zaak indien het van mening is dat de rechter in eerste aanleg dat verzet ten onrechte als gedaan heeft beschouwd, in zoverre het de legitieme verwachtingen van de beklaagde die geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het op verzet gewezen vonnis, dwarsboomt. B.

  1. Zoals het van toepassing is in de zaak die ten grondslag ligt aan het geschil voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt artikel 187 van het Wetboek van strafvordering : « §
  2. De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. 4 Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij die bij verstek veroordeeld is, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. Indien hij hiervan kennis heeft gekregen door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek of indien de lopende termijn van vijftien dagen nog niet verstreken was op het ogenblik van zijn aanhouding in het buitenland, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld. Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan hij die bij verstek veroordeeld is in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis. De burgerlijke partij

de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen alleen in verzet komen overeenkomstig de bepaling van het eerste lid. §

  1. Het verzet wordt betekend aan het openbaar ministerie, aan de andere vervolgende partij of aan de andere partijen in de zaak. Indien het verzet niet is betekend binnen een termijn van vijftien dagen na de betekening van het vonnis, kunnen de veroordelingen ten uitvoer gelegd worden; ingeval hoger beroep is ingesteld door de vervolgende partijen of door een van hen, kan de behandeling in hoger beroep voortgang vinden. §
  2. Het verzet brengt van rechtswege dagvaarding mee tegen de eerstkomende terechtzitting na het verstrijken van een termijn van vijftien dagen, of van drie dagen indien de eiser in verzet zich in hechtenis bevindt. §
  3. Ten gevolge van het verzet wordt de veroordeling voor niet bestaande gehouden, behoudens in de gevallen bedoeld in paragrafen 5 tot
  4. §
  5. Het verzet wordt inzonderheid onontvankelijk verklaard : 1° behoudens overmacht, indien het niet overeenkomstig de wettelijke vormen

termijnen is betekend; 2° indien het bestreden vonnis niet bij verstek is gewezen; 3° indien de eiser in verzet vooraf een ontvankelijk hoger beroep heeft ingesteld tegen dezelfde beslissing. § 6. Het verzet wordt als ongedaan beschouwd : 1° indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt

vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging, waarbij het 5 erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter; 2° indien de eiser in verzet nogmaals verstek laat gaan bij zijn verzet,

dat in alle gevallen, ongeacht de redenen voor de opeenvolgende verstekken

zelfs indien het verzet reeds ontvankelijk werd verklaard. §

  1. De partij die verzet heeft gedaan kan ervan afstand doen of dat beperken volgens de nadere regels inzake afstand of beperking in hoger beroep, verduidelijkt in artikel
  2. §
  3. De partij in verzet die zich een tweede keer laat vonnissen bij verstek, mag geen nieuw verzet meer aantekenen. §
  4. Tegen de beslissing die op verzet is gewezen staat hoger beroep open of, indien zij gewezen is in hoger beroep, cassatieberoep. Hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt, houdt in dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep, ook al is er geen hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis. §
  5. De door het verzet veroorzaakte kosten

uitgaven, met inbegrip van de kosten van uitgifte

van de betekening van het vonnis, blijven evenwel ten laste van de eiser in verzet, indien het verstek aan hem te wijten is ». B.

  1. Bij zijn arrest nr. 123/2019 van 26 september 2019 heeft het Hof voor recht gezegd : « B.
  2. Het Hof van Beroep te Luik interpreteert artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering in die zin dat het het gerecht in hoger beroep, waarvan de saisine beperkt is tot het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, verhindert zich uit te spreken over de grond van de zaak wanneer het het op verzet gewezen vonnis tenietdoet door het verzet als ongedaan te beschouwen. In die situatie verliest de bij verstek veroordeelde rechtzoekende die verzet had ingesteld

wiens situatie ten gronde werd verbeterd door het vonnis op verzet, het voordeel van dat vonnis ingevolge het als ongedaan beschouwde karakter van zijn verzet, dat voor de eerste keer is vastgesteld in hoger beroep. Bijgevolg kan zijn bij verstek uitgesproken veroordeling, die definitief is geworden ingevolge de beslissing in hoger beroep die beperkt is tot het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, niet meer worden voorgelegd aan een hoger rechtscollege. Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepaling in die interpretatie. […] B.5.3. Bij zijn arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 oordeelde het Hof dat, onder voorbehoud dat het op de wijze vermeld in B.39.2

B.39.3 van dat arrest werd geïnterpreteerd, artikel 187, § 6, van het Wetboek van strafvordering niet op onevenredige wijze afbreuk deed aan het recht van de beklaagde op toegang tot de rechter. Bij zijn arrest nr. 56/2018 van 17 mei 2018 voegde het Hof daaraan toe dat hetzelfde gold voor paragraaf 6, 1°, juncto paragraaf 9 van hetzelfde artikel, aangezien die twee bepalingen waarborgen, aan diegene die bij verstek is veroordeeld, ‘ dat hij de mogelijkheid behoudt om opnieuw te worden berecht

een nieuwe beslissing over de strafvordering te verkrijgen ’. 6 De prejudiciële vraag die aanleiding gaf tot het arrest nr. 56/2018 van het Hof, werd gesteld naar aanleiding van een strafzaak waarin de rechter in eerste aanleg, uitspraak doende op verzet, had geoordeeld dat de persoon die bij verstek was veroordeeld geen wettige reden van verschoning kon doen gelden ter rechtvaardiging van zijn verstek,

bijgevolg diens verzet ongedaan had verklaard. Het hoger beroep tegen die beslissing was ingesteld door de bij verstek veroordeelde persoon. Met toepassing van artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, werden zowel de beslissing waarbij het verzet ongedaan werd verklaard als de beslissing die bij verstek was gewezen aan het gerecht in hoger beroep voorgelegd, zodat het Hof kon vaststellen dat de bij verstek veroordeelde persoon, krachtens de in het geding zijnde bepaling, het voordeel van een dubbele aanleg genoot. B.6.1. In de gevallen die aanleiding gaven tot de voorliggende prejudiciële vragen werd de situatie van de bij verstek veroordeelde personen daarentegen verbeterd door de vonnissen die werden gewezen op verzet. In dat geval wordt de grond van de zaak niet automatisch aanhangig gemaakt bij het gerecht waarbij het hoger beroep, aangetekend door het openbaar ministerie

beperkt tot het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, is ingesteld, omdat de in het geding zijnde bepaling

kel betrekking heeft op het ‘ hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt ’. Daaruit volgt dat de beklaagde die zich in die situatie bevindt, zijn bij verstek uitgesproken veroordeling die definitief wordt ingevolge de beslissing in hoger beroep waarbij zijn verzet ongedaan wordt verklaard, niet kan laten voorleggen aan een andere rechter, noch op verzet, noch op hoger beroep. B.6.2. Een bij verstek veroordeelde beklaagde wiens verzet niet ongedaan is verklaard door de rechter bij wie het verzet werd ingesteld, verliest aldus de mogelijkheid om opnieuw te worden berecht

een nieuwe beslissing over de strafvordering te verkrijgen in geval van een hoger beroep van het openbaar ministerie dat beperkt is tot het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, in tegenstelling tot een bij verstek veroordeelde beklaagde wiens verzet ongedaan wordt verklaard door de rechter bij wie het verzet is ingesteld, die met toepassing van de in het geding zijnde bepaling de mogelijkheid behoudt om opnieuw te worden berecht

een nieuwe beslissing over de strafvordering te verkrijgen. B.7. Een dergelijk gevolg is niet bestaanbaar met het recht op toegang tot een rechter, dat is gewaarborgd bij artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op een dubbele aanleg in strafzaken, gewaarborgd bij artikel 2 van het Zevende Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

bij artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. B.8.

  1. De Ministerraad is van mening dat de beklaagde, om te vermijden dat hij zou terechtkomen in de door de verwijzingsbeslissing beschreven situatie, het hoger beroep van het openbaar ministerie had kunnen volgen. Er dient evenwel op te worden gewezen dat, wanneer hij een nieuwe beslissing op verzet heeft verkregen - beslissing die voor hem te dezen gunstig is -, de beklaagde geen grieven heeft in te brengen tegen die nieuwe beslissing. B.8.
  2. Overigens is de mogelijkheid om een cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van het gerecht in hoger beroep waarbij de op verzet gewezen beslissing wordt tenietgedaan om reden dat de beklaagde geen wettige reden van verschoning kon aanvoeren ter rechtvaardiging van zijn verstek, niet van die aard dat zij de betrokkene de mogelijkheid biedt om opnieuw te worden berecht

om een nieuwe beslissing over de strafvordering te 7 verkrijgen, aangezien het debat voor het Hof van Cassatie

kel betrekking kan hebben op het als gedaan of ongedaan beschouwde karakter van het verzet,

niet op de grond van de zaak. B.9.1. De schending van de in B.7 vermelde bepalingen vindt haar oorsprong in de omstandigheid dat het in het geding zijnde artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering,

kel de hypothese beoogt van een hoger beroep tegen de beslissing waarbij het verzet ongedaan wordt verklaard,

niet de omgekeerde hypothese van een hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als gedaan heeft beschouwd. In zoverre het niet bepaalt dat een hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als gedaan beschouwt, inhoudt dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep wanneer die laatste het verzet voor het eerst ongedaan verklaart in hoger beroep, is artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering niet bestaanbaar met artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Zevende Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. B.9.2. Aangezien de in B.9.1 gedane vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige

volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, staat het aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de schending van die normen. B.

  1. De eerste prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Bijgevolg dient de tweede prejudiciële vraag niet te worden onderzocht ». B.4.
  2. De Ministerraad voert aan dat de eerste prejudiciële vraag in de zaken die aanleiding hebben gegeven tot het arrest nr. 123/2019 betrekking heeft op een hypothese die verschilt van de hypothese die wordt beoogd in de eerste prejudiciële vraag die thans wordt onderzocht, aangezien, in die zaken, het verwijzende rechtscollege zich alleen moest uitspreken over het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, terwijl het te dezen zich ook nog moet uitspreken over de grond van de zaak, zodat de prejudiciële vragen niet nuttig zijn voor de oplossing van het geschil

geen antwoord behoeven. B.4.

  1. In de regel komt het de verwijzende rechter toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.4.
  2. Uit de motivering van het verwijzingsarrest blijkt dat de debatten alleen betrekking hebben op de kwestie van het als gedaan beschouwde karakter van het verzet

dat het Hof van Beroep te Luik de antwoorden op de gestelde prejudiciële vragen noodzakelijk heeft geacht 8 om die kwestie te beslechten. Daar dat arrest is gewezen op 9 januari 2019 heeft het verwijzende rechtscollege overigens in geen geval tijdig kunnen kennisnemen van het arrest van het Hof nr. 123/2019 van 26 september

  1. B.
  2. Om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in het arrest nr. 123/2019 is artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering niet bestaanbaar met artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. De andere prejudiciële vragen dienen bijgevolg niet te worden onderzocht. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre het niet bepaalt dat hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als gedaan beschouwt, inhoudt dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep wanneer die laatste het verzet voor het eerst in hoger beroep als ongedaan beschouwt, schendt artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. Aldus gewezen in het Frans

het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 1 december 2022. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.160 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.