← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.165

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.165 Arrest- Rolnummer: 165/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-12-27 Raadplegingen: 1022 - laatst gezien 2026-06-19 05:47 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche

  1. Geen schending
  2. De tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 112 en 114 van de Nieuwe gemeentewet (Brussels Hoofdstedelijk Gewest) en de artikelen L1133-1 en L1133-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, respectievelijk gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel en door de Rechtbank van eerste aanleg Luxemburg, afdeling Marche-en-Famenne. Publiek recht - Lokale besturen - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Waals Gewest - Gemeenten - Reglementen en verordeningen - Bekendmaking - Aanplakking - Aantekening - Machtiging aan de Koning Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 165/2022 van 15 december 2022 Rolnummers : 7576 en 7610 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 112 en 114 van de Nieuwe Gemeentewet (Brussels Hoofdstedelijk Gewest) en de artikelen L1133-1 en L1133-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, respectievelijk gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel en door de Rechtbank van eerste aanleg Luxemburg, afdeling Marche-en-Famenne. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 28 april 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 mei 2021, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « - Schenden de artikelen 112 en 114 van de Nieuwe Gemeentewet, in de interpretatie volgens welke uit die bepalingen zou kunnen worden afgeleid dat de enige toelaatbare wijze van bewijsvoering voor de bekendmaking van een gemeentelijk reglement de aantekening is in het speciale register dat door de gemeentesecretaris wordt bijgehouden, en volgens welke zij de Koning zouden hebben gemachtigd om te bepalen dat, opdat zij zou gelden als bewijs voor de bekendmaking van een gemeentelijk reglement, de aantekening in een register dat speciaal wordt bijgehouden om de bekendmaking en de datum van bekendmaking van gemeentelijke reglementen en verordeningen door middel van aanplakking vast te stellen moet worden gedaan op de eerste dag van de aanplakking, of om vormvoorschriften te bepalen, voor dat register en die aantekening, betreffende onder meer het tijdstip van de aantekening, die zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid van de bekendmaking zelf of op straffe van nietigheid of niet-tegenstelbaarheid van het reglement, de artikelen 10, 11, 33, 170, 172 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 105, 108, 159, 162 en 190 van de Grondwet 2 en met de beginselen van wettigheid en rechtszekerheid, in zoverre zij zowel de gemeentelijke overheid in haar hoedanigheid van auteur van zulk een reglement als alle personen die aan zulk een reglement kunnen worden onderworpen, met inbegrip van de gemeentelijke overheid zelf, de waarborg ontzeggen van het optreden van een beraadslagende wetgevende vergadering, te weten de wetgever zoals is bepaald in artikel 190 van de Grondwet, voor het bepalen van de essentiële elementen met betrekking tot de bekendmaking van wetten, besluiten en verordeningen alsook de vorm van de bekendmaking ervan, met inbegrip van het bewijs van die bekendmaking, en bijgevolg voor het bepalen van een essentieel element met betrekking tot het verbindende karakter van wetten, besluiten en verordeningen en, in het geval van een gemeentelijk belastingreglement, met betrekking tot de hoedanigheid van belastingschuldige, terwijl aan de auteurs van de andere types van normen (wetten, besluiten of verordeningen van algemeen of provinciaal bestuur), bedoeld in artikel 190 van de Grondwet, en aan alle personen die aan zulke normen kunnen worden onderworpen, die waarborg niet wordt ontzegd ? - Schenden de artikelen 112 en 114 van de Nieuwe Gemeentewet, geïnterpreteerd in dezelfde zin, de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het evenredigheidsbeginsel, in zoverre zij een onverantwoord verschil in behandeling opleggen tussen een gemeente die een reglement heeft aangenomen en bekendgemaakt waarvan de bekendmaking door middel van aanplakking is vastgesteld door een aantekening in een speciaal daartoe bijgehouden register, in de vorm en binnen de termijn die zijn vastgesteld bij een uitvoeringsbesluit van die wetsbepalingen, en een gemeente die een reglement heeft aangenomen en bekendgemaakt waarvan de bekendmaking door middel van aanplakking is vastgesteld door een aantekening in een speciaal daartoe bijgehouden register, waarbij de vorm en de termijn die zijn vastgesteld bij een uitvoeringsbesluit van die wetsbepalingen niet strikt in acht zijn genomen ? - Schenden de artikelen 112 en 114 van de Nieuwe Gemeentewet, geïnterpreteerd in die zin dat de aantekening in het register van de bekendmakingen waarin het tweede lid van artikel 114 van de Nieuwe Gemeentewet voorziet de enige toelaatbare wijze van bewijsvoering is voor de bekendmaking van een gemeentelijk reglement alsook een wezenlijke voorwaarde van de bekendmakingsprocedure, die is vastgelegd op straffe van niet-tegenstelbaarheid en niet-toepasselijkheid van het gemeentelijk reglement, de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 190 ervan, in zoverre, in tegenstelling tot de wetskrachtige normen en reglementaire bestuurshandelingen die door andere overheden worden aangenomen, het feit of de gemeentelijke reglementen bindende kracht krijgen niet alleen afhangt van de bekendmaking ervan (in casu door middel van aanplakking) maar ook van de vermelding van die bekendmaking in het register van de bekendmakingen van de reglementen en verordeningen van de gemeentelijke overheden, met inachtneming bovendien van de vormvoorwaarden die zijn voorgeschreven bij het reglementair besluit dat is aangenomen ter uitvoering van het voormelde artikel 114, waaronder de voorwaarde dat de aantekening in het register is gedaan op de eerste dag van de bekendmaking van het reglement ? ». b. Bij vonnis van 9 juni 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 juni 2021, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Luxemburg, afdeling Marche-en-Famenne, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
  3. Schenden de artikelen L1133-1 en L1133-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, in de interpretatie volgens welke uit die bepalingen zou kunnen worden afgeleid dat de enige toelaatbare wijze van bewijsvoering voor de 3 bekendmaking van een gemeentelijk reglement de aantekening is in het speciale register dat door de gemeentesecretaris wordt bijgehouden, en volgens welke zij de Koning zouden hebben gemachtigd om te bepalen dat, opdat zij zou gelden als bewijs voor de bekendmaking van een gemeentelijk reglement, de aantekening in een register dat speciaal wordt bijgehouden om de bekendmaking en de datum van bekendmaking van gemeentelijke reglementen en verordeningen door middel van aanplakking vast te stellen moet worden gedaan op de eerste dag van de aanplakking, of om vormvoorschriften te bepalen, voor dat register en die aantekening, betreffende onder meer het tijdstip van de aantekening, die zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid van de bekendmaking zelf of op straffe van nietigheid of niet- tegenstelbaarheid van het reglement, de artikelen 10, 11, 33, 170, 172 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 105, 108, 159, 162 en 190 van de Grondwet en met de beginselen van wettigheid en rechtszekerheid, in zoverre zij zowel de gemeentelijke overheid in haar hoedanigheid van auteur van zulk een reglement als alle personen die aan zulk een reglement kunnen worden onderworpen, met inbegrip van de gemeentelijke overheid zelf, de waarborg ontzeggen van het optreden van een beraadslagende wetgevende vergadering, te weten de wetgever zoals is bepaald in artikel 190 van de Grondwet, voor het bepalen van de essentiële elementen met betrekking tot de bekendmaking van wetten, besluiten en verordeningen alsook de vorm van de bekendmaking ervan, met inbegrip van het bewijs van die bekendmaking, en bijgevolg voor het bepalen van een essentieel element met betrekking tot het verbindende karakter van wetten, besluiten en verordeningen en, in het geval van een gemeentelijk belastingreglement, met betrekking tot de hoedanigheid van belastingschuldige, terwijl aan de auteurs van de andere types van normen (wetten, besluiten of verordeningen van algemeen of provinciaal bestuur), bedoeld in artikel 190 van de Grondwet, en aan alle personen die aan zulke normen kunnen worden onderworpen, die waarborg niet wordt ontzegd ?
  4. Schenden de artikelen L1133-1 en L1133-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, geïnterpreteerd in dezelfde zin, de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het evenredigheidsbeginsel, in zoverre zij een onverantwoord verschil in behandeling opleggen tussen een gemeente die een reglement heeft aangenomen en bekendgemaakt waarvan de bekendmaking door middel van aanplakking is vastgesteld door een aantekening in een speciaal daartoe bijgehouden register, in de vorm en binnen de termijn die zijn vastgesteld bij een uitvoeringsbesluit van die wetsbepalingen, en een gemeente die een reglement heeft aangenomen en bekendgemaakt waarvan de bekendmaking door middel van aanplakking is vastgesteld door een aantekening in een speciaal daartoe bijgehouden register, waarbij de vorm en de termijn die zijn vastgesteld bij een uitvoeringsbesluit van die wetsbepalingen niet strikt in acht zijn genomen ?
  5. Schenden de artikelen L1133-1 en L1133-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, geïnterpreteerd in die zin dat de aantekening in het register van de bekendmakingen waarin het tweede lid van het voormelde artikel L1133-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie voorziet de enige toelaatbare wijze van bewijsvoering is voor de bekendmaking van een gemeentelijk reglement alsook een wezenlijke voorwaarde van de bekendmakingsprocedure, die is vastgelegd op straffe van niet-tegenstelbaarheid en niet-toepasselijkheid van het gemeentelijk reglement, de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 190 ervan, in zoverre, in tegenstelling tot de wetskrachtige normen en reglementaire bestuurshandelingen die door andere overheden worden aangenomen, het feit of de gemeentelijke reglementen bindende kracht krijgen niet alleen afhangt van de bekendmaking ervan (in casu door middel van aanplakking) maar ook van de vermelding van die bekendmaking in het register van de bekendmakingen van de reglementen en verordeningen van de gemeentelijke overheden, met 4 inachtneming bovendien van de vormvoorwaarden die zijn voorgeschreven bij het reglementair besluit dat is aangenomen ter uitvoering van artikel L1133-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, waaronder de voorwaarde dat de aantekening in het register is gedaan op de eerste dag van de bekendmaking van het reglement ?
  6. Schenden de artikelen L1133-1 en L1133-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, geïnterpreteerd in die zin dat de aantekening in het register van de bekendmakingen waarin het tweede lid van artikel L1133-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie voorziet de enige toelaatbare wijze van bewijsvoering is voor de bekendmaking van een gemeentelijk reglement alsook een wezenlijke voorwaarde van de bekendmakingsprocedure, die is vastgelegd op straffe van niet-tegenstelbaarheid en niet-toepasselijkheid van het gemeentelijk reglement, en in die zin dat het feit of de gemeentelijke reglementen bindende kracht krijgen niet alleen afhangt van de bekendmaking ervan (in casu door middel van aanplakking) maar ook van de vermelding van die bekendmaking in het register van de bekendmakingen van de reglementen en verordeningen van de gemeentelijke overheden, met inachtneming bovendien van de vormvoorwaarden die zijn voorgeschreven bij het reglementair besluit dat is aangenomen ter uitvoering van artikel L1133-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, waaronder de voorwaarde dat de aantekening in het register is gedaan op de eerste dag van de bekendmaking van het reglement, terwijl de artikelen L2213-2 en L2213-3 van hetzelfde Wetboek, in de interpretatie ervan die werd aangenomen na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 12 november 2020, bepalen dat de provinciale reglementen en verordeningen verbindend worden de achtste dag na die van de opneming in het provinciaal Bulletin en zulks ofschoon het verschil in behandeling tussen de wijze van bekendmaking van de gemeentelijke reglementen en verordeningen en de wijze van bekendmaking van de provinciale reglementen en verordeningen op een objectief criterium berust, namelijk dat, ook al zijn beiden territoriale politieke entiteiten die door de Grondwet zijn bekleed met autonome verantwoordelijkheden, uit die autonomie, uit de verscheidenheid wat betreft de omvang van hun territoriale bevoegdheid en uit de verscheidenheid van hun bevoegdheden toch volgt dat de decreetgever, voor hun respectieve reglementen en verordeningen, in verschillende wijzen van bekendmaking kon voorzien, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en met het evenredigheidsbeginsel ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7576 en 7610 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de gemeente Schaarbeek (vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Fortemps en Mr. C. Molitor, advocaten bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 7576); - de nv « JCDecaux Street Furniture Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Cambier, Mr. A. Paternostre en Mr. A. Mercier, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij in de zaak nr. 7576); - de stad Charleroi (vertegenwoordigd door haar gemeentecollege), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Molitor en Mr. N. Fortemps (tussenkomende partij in de zaak nr. 7576); 5 - de stad Bergen (vertegenwoordigd door haar gemeentecollege), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Molitor en Mr. N. Fortemps (tussenkomende partij in de zaak nr. 7576); - de nv « Orange Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. X. Thiebaut, Mr. S. Lemmens en Mr. G. Dejalle, advocaten bij de balie Luik-Hoei (tussenkomende partij in beide zaken); - de nv « Telenet Group », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Champagne, Mr. E. Esterzon en Mr. C. De Jonghe, advocaten bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 7610 en, als tussenkomende partij, in de zaak nr. 7576); - de stad Bastenaken (vertegenwoordigd door haar gemeentecollege), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. de Bueger, Mr. G. Rolland en Mr. S. Jacques, advocaten bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 7610); - de nv van publiek recht « Proximus », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Lombaert en Mr. S. Adriaenssen, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij in de zaak nr. 7610); - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Van De Gejuchte, advocaat bij de balie te Brussel (in beide zaken); - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Hendrickx, advocaat bij de balie te Brussel (in beide zaken). Memories van antwoord zijn ingediend door : - de gemeente Schaarbeek; - de nv « JCDecaux Street Furniture Belgium »; - de stad Charleroi; - de stad Bergen; - de nv « Orange Belgium » (in beide zaken); - de nv « Telenet Group » (in de zaak nr. 7610); - de stad Bastenaken; - de nv van publiek recht « Proximus »; - de Waalse Regering (in de zaak nr. 7610). Bij beschikking van 21 september 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de 6 kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 oktober 2022 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge de verzoeken van verschillende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 12 oktober 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 9 november
  7. Op de openbare terechtzitting van 9 november 2022 : - zijn verschenen : . Mr. C. Molitor, tevens loco Mr. N. Fortemps, voor de gemeente Schaarbeek, de stad Charleroi en de stad Bergen; . Mr. A. Mercier, tevens loco Mr. B. Cambier en Mr. A. Paternostre, voor de nv « JCDecaux Street Furniture Belgium »; . Mr. X. Thiebaut, voor de nv « Orange Belgium »; . Mr. S. Champagne en Mr. C. De Jonghe, voor de nv « Telenet Group »; . Mr. G. Rolland en Mr. L. Depré, advocaat bij de balie te Brussel, voor de stad Bastenaken; . Mr. B. Lombaert, voor de nv van publiek recht « Proximus »; . Mr. F. Van De Gejuchte, voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering; . Mr. G. Weisgerber, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. B. Hendrickx, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de zaak nr. 7576 betwist de verzoekende partij voor de verwijzende rechter een belasting die werd ingekohierd door de gemeente Schaarbeek. De in het geding zijnde belasting steunt op een gemeentelijk belastingreglement dat op 23 oktober 2013 werd aangenomen voor de belastingjaren 2014 tot 2018, en heeft betrekking op onbebouwde terreinen gelegen langs een openbare weg met voldoende voorzieningen. Na een intern beroep te hebben ingesteld bij de gemeente Schaarbeek, dat ontvankelijk maar ongegrond werd verklaard, stelt de partij die de in het geding zijnde belasting verschuldigd is een beroep in bij de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, de verwijzende rechter. Die laatste stelt vast dat het gemeentelijk belastingreglement van 23 oktober 2013 werd aangeplakt op 25 oktober maar werd aangetekend in het gemeentelijk register op 7 26 november van hetzelfde jaar, zijnde met een maand vertraging ten opzichte van de termijn van één dag bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 « betreffende de aantekeningen in het register voor de bekendmaking van de reglementen en verordeningen van de gemeenteoverheden ». Rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Cassatie dat de aantekening binnen de voorgeschreven termijn beschouwt als een substantiële voorwaarde voor de tegenstelbaarheid van een gemeentelijk reglement, stelt de verwijzende rechter de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. In de zaak nr. 7610 neemt de stad Bastenaken op 27 november 2009 een belastingreglement aan betreffende pylonen en masten. De belasting wordt ingekohierd voor de nv « Telenet ». Die vennootschap dient een bezwaarschrift in bij de Rechtbank van eerste aanleg Luxemburg, afdeling Marche-en-Famenne, de verwijzende rechter, om de vernietiging van de belasting en de teruggave van de betaalde sommen te vorderen. De nv « Telenet » voert meer bepaald aan dat moet worden vastgesteld dat het in het geding zijnde belastingreglement onwettig is omdat de aantekening ervan in het register plaatsvond op 18 januari 2010, zijnde meer dan één dag na de bekendmaking ervan op 12 januari van hetzelfde jaar. Vanuit de vaststelling dat de discrepantie tussen de datum van de aantekening en die van de bekendmaking een substantiële onregelmatigheid vormt in het licht van de rechtspraak van het Hof van Cassatie en dat er een rechtspraak van de Raad van State bestaat in tegengestelde zin, stelt de verwijzende rechter de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. De eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag zijn vergelijkbaar en betreffen zowel de artikelen 112 en 114 van de Nieuwe Gemeentewet als de artikelen L1133-1 en L1133-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie. De vierde prejudiciële vraag is eigen aan de zaak nr. 7610 en betreft uitsluitend de artikelen L1133-1 en L1133-2 van het voormelde Wetboek. III. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de tussenkomende partijen A.
  8. De nv « JCDecaux », de nv « Orange » en de nv « Proximus » hebben elk een memorie van tussenkomst neergelegd. Zij doen gelden dat zij rechtsonderhorigen zijn die bij de hoven en rechtbanken verschillende beroepen tegen soortgelijke gemeentebelastingen hebben ingediend en dat de antwoorden op de prejudiciële vragen met betrekking tot de in het geding zijnde normen hen bijgevolg rechtstreeks en persoonlijk zullen raken. De nv « Proximus » doet eveneens gelden dat zij betrokken is in een geschil waarin aan het Hof een soortgelijke prejudiciële vraag is gesteld, in de zaak nr.
  9. A.
  10. De steden Charleroi en Bergen voeren aan dat zij bij andere rechtbanken partij zijn in analoge procedures die betrekking hebben op de kwestie van de tegenstelbaarheid van belastingreglementen wegens de discrepantie tussen de datum van bekendmaking en de datum van aantekening in het register. De antwoorden op de prejudiciële vragen met betrekking tot de in het geding zijnde normen zullen hen dus rechtstreeks en persoonlijk raken. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.3.
  11. In hoofdorde voert de nv « JCDecaux » aan dat het Hof niet bevoegd is om de prejudiciële vraag te beantwoorden omdat zij in werkelijkheid betrekking heeft op het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 « betreffende de aantekeningen in het register voor de bekendmaking van de reglementen en verordeningen van de gemeenteoverheden » (hierna : het koninklijk besluit van 14 oktober 1991). A.3.
  12. In ondergeschikte orde is de nv « JCDecaux » van mening dat de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met de in de prejudiciële vraag beoogde bepalingen van de Grondwet. Zij brengt in herinnering dat het koninklijk besluit van 12 november 1849 « qui prescrit la marche à suivre pour constater la publication des règlements de police communale [vrij vertaald : betreffende de procedure die moet worden gevolgd om de bekendmaking van gemeentelijke politiereglementen vast te stellen] » (hierna : het koninklijk besluit van 12 november 1849) het doel van de Koning, namelijk een bewijsmiddel met vaste datum invoeren voor de 8 bekendmaking van gemeentereglementen, reeds duidelijk maakte. Het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 « betreffende de aantekeningen in het register voor de bekendmaking van de reglementen en verordeningen van de gemeenteoverheden » (hierna : het koninklijk besluit van 14 oktober 1991) is vrijwel identiek aan het besluit van
  13. Gezien die continuïteit kan niet worden beweerd dat de wettelijke machtiging het bestaande systeem van aantekening niet dekt. Overigens, ook al is de Gemeentewet in 1989 de Nieuwe Gemeentewet geworden, werden de in het geding zijnde artikelen 112 en 114 ervan niet gewijzigd. De regionalisering heeft evenmin een fundamenteel verschil gemaakt. Aangezien de gemeentelijke regels niet worden bekendgemaakt in een officieel publicatieblad maar uitsluitend binnen de gemeente worden aangepakt, is de nv « JCDecaux » van mening dat het op inherente wijze tot de rechtsstaat behoort dat die aanplakking op zekere en authentieke wijze kan worden vastgesteld. Die essentiële voorwaarde rechtvaardigt dat men de gemeente ertoe verplicht van dag tot dag een speciaal register bij te houden, zoals de in het geding zijnde bepalingen hebben gedaan en zoals de Koning heeft gepreciseerd in zijn besluiten van 1849 en
  14. A.3.
  15. De nv « JCDecaux » voert aan dat de wettelijke machtiging de toegelaten grenzen niet overschrijdt. De Koning beschikt steeds over de algemene bevoegdheid om uitvoeringsmaatregelen te nemen voor normen aangenomen in eender welke aangelegenheid, met inbegrip van de voorbehouden aangelegenheden, krachtens artikel 108 van de Grondwet. De bekendmaking van normen maakt in elk geval geen deel uit van die voorbehouden aangelegenheden, aangezien artikel 190 van de Grondwet door de rechtsleer doorgaans niet bij de aan de wet voorbehouden aangelegenheden wordt genoemd. De wetgever vermocht bijgevolg de Koning ter zake te machtigen, overeenkomstig artikel 105 van de Grondwet, wat is gebeurd. Het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 regelt enkel de nadere regels voor het consigneren van de aantekeningen in het register van de bekendmakingen. Het gaat dus louter om een uitvoerende maatregel die enkel de vorm van dat register bepaalt. A.4.
  16. De nv « Telenet » herinnert eraan dat artikel 108 van de Grondwet geen enkele machtiging vereist. Wat artikel 105 van de Grondwet betreft, is er geen enkel probleem voor de niet-voorbehouden aangelegenheden, en is het Hof overigens niet bevoegd om de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende macht en de uitvoerende macht in die aangelegenheden te toetsen. De enige voorwaarde die door het Hof aan de wetgever is opgelegd, is dat hij zich niet van zijn bevoegdheden mag ontdoen in aangelegenheden waarin een norm hem verplicht om op te treden. In die aangelegenheden dient de machtiging voldoende nauwkeurig te zijn en moet de wetgever de essentiële elementen hebben vastgelegd. A.4.
  17. Wat de wettigheid van de belasting betreft, onderstreept de nv « Telenet » dat, luidens de rechtspraak van het Hof, een delegatie voor het bepalen van een van de essentiële elementen van een belasting in principe ongrondwettig is. De wil bestaat erin te vermijden dat de uitvoerende macht zelf belastingen heft. Volgens het Hof zijn die essentiële elementen beperkt tot de aanwijzing van de belastingplichtigen, de belastbare materie en de heffingsgrondslag, de aanslagvoet of het bedrag en tot de eventuele vrijstellingen en verminderingen. Niets belet dus dat de wet wordt aangevuld met reglementaire teksten die de secundaire of aanvullende elementen van de belasting vaststellen. A.4.
  18. Wat de wettigheid van de bekendmaking van normen betreft, onderstreept de nv « Telenet » dat artikel 190 van de Grondwet ertoe strekt een grondslag te bieden voor het vermoeden van kennis van de rechtsregels. Het geeft concreet vorm aan de manier waarop overheden algemene normen bindend kunnen maken. De nv « Telenet » wijst in dat stadium met nadruk op het fundamentele verschil tussen essentiële elementen – ongeacht of het gaat om belastingen dan wel om de bekendmaking van normen – en substantiële vormvereisten. Het Hof van Cassatie heeft immers geoordeeld dat artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 maatregelen oplegde die als substantiële vormvereisten moesten worden beschouwd. Onder die term wordt verstaan de vormvereisten die dermate belangrijk zijn dat kan worden verantwoord dat de niet-inachtneming ervan de betrokken akte ongeldig maakt. De rechtsleer onderstreept bovendien dat een substantiële vormvereiste ertoe strekt de rechten en/of de belangen van de burgers te waarborgen. Dat begrip dient te worden onderscheiden van dat van essentieel element. Louter het feit dat een vormvoorschrift ertoe strekt een ander belang dan dat van de auteur van de akte te beschermen, en in dat opzicht een substantieel vormvoorschrift is, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat het een essentieel element bepaalt van de aangelegenheid waartoe het behoort. In dat geval is het Hof niet gebonden door de opvatting van het « essentieel element » die voorkomt in de prejudiciële vraag. A.4.
  19. Volgens de nv « Telenet » zijn de in het geding zijnde bepalingen niet strijdig met artikel 190 van de Grondwet omdat zij de concrete nadere regels voor de bekendmaking van normen vastleggen, maar ook het bewijsmiddel daarvan, namelijk de aantekening in het register. Alleen de vorm van de aantekening in dat register wordt gedelegeerd aan de uitvoerende macht, die niet van de Grondwet kan afwijken door enkel die delegatie. Die 9 maatregel gaat bijgevolg de algemene uitvoeringsbevoegdheid niet te buiten, des te meer omdat de aantekening geen betrekking heeft op de vorm van de bekendmaking van gemeentereglementen maar enkel op het bewijs ervan, dat geen deel uitmaakt van de aan de wet voorbehouden aangelegenheden. Zelfs indien die aantekening wel deel ervan zou uitmaken, dient te worden vastgesteld dat de wetgever de essentiële elementen ervan daadwerkelijk in de tekst van de in het geding zijnde bepalingen heeft vastgelegd. De in het geding zijnde bepalingen zijn evenmin strijdig met de artikelen 170 en 172 van de Grondwet. De verleende machtiging geeft de betrokken Regeringen niet de bevoegdheid om een akte aan te nemen die bestemd is om de vaststelling van de belasting te beïnvloeden, omdat de aantekening slechts van bewijskrachtig belang is. Daarnaast onderstreept de nv « Telenet » dat louter het feit dat sommige van die vormvereisten worden ingevoerd in het belang van de belastingplichtigen en dus, in dat opzicht, kunnen worden beschouwd als substantiële vormvereisten, niet volstaat om ze om te buigen tot essentiële elementen van de belasting. A.
  20. De nv « Orange » benadrukt in de eerste plaats dat de vorm van de bekendmaking, in de zin van artikel 190 van de Grondwet, wel degelijk is bepaald door de in het geding zijnde bepalingen omdat het gaat om een aanplakking. Artikel 190 van de Grondwet heeft daarentegen niets van doen met de kwestie van het bewijs van de bekendmaking. De toewijzing van een bevoegdheid aan de Koning, of aan een gewestregering, om dat bewijs vast te stellen, is dus in overeenstemming met artikel 105 van de Grondwet. De nv « Orange » brengt in herinnering dat de Raad van State, in zijn advies over het koninklijk besluit van 14 oktober 1991, niets daarop aan te merken had. Indien dat wel het geval zou zijn geweest, gaat het niet om een essentieel element vermits die machtiging enkel de vorm van het register betreft. Er is evenmin een schending van het beginsel van wettigheid van de belasting omdat de in het geding zijnde bepalingen geen afbreuk doen aan de fiscale autonomie van de gemeenten, die vrij blijven om de door hen gewenste belastingreglementen aan te nemen. Bovendien is de nv « Orange » van mening dat het Hof niet bevoegd is om het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 als zodanig te toetsen. A.6.
  21. In hoofdorde voert de nv « Proximus » aan dat alle gestelde prejudiciële vragen onontvankelijk zijn omdat zij in werkelijkheid betrekking hebben op het koninklijk besluit van 14 oktober
  22. De in de geschillen voor de verwijzende rechters geschonden regels zijn die van het voormelde besluit, en niet die van de in het geding zijnde bepalingen. De nv « Proximus » antwoordt slechts subsidiair op de prejudiciële vragen. A.6.
  23. De nv « Proximus » herinnert eraan dat de aantekening slechts het bewijsmiddel van de bekendmaking van gemeentereglementen is. Zij dient dus te worden onderscheiden van de inwerkingtreding, alsook van de tegenstelbaarheid van die reglementen. In die zin berust de prejudiciële vraag op een verkeerd uitgangspunt. De in de in het geding zijnde bepalingen vervatte machtiging aan de uitvoerende macht betreft enkel het bewijs van de bekendmaking, dat geen aan de wet voorbehouden aangelegenheid is. Bijgevolg kan het noch om artikel 190 van de Grondwet, noch om de artikelen 170 en 172 van de Grondwet gaan. Het Hof spreekt zich in principe niet uit over de verdeling van de bevoegdheden tussen de wetgever en de uitvoerende macht in de aangelegenheden die niet aan de wet voorbehouden zijn. In elk geval stelt de nv « Proximus » dat de machtiging voldoende nauwkeurig is en slechts betrekking heeft op formele detailkwesties, zodat zij niet onevenredig of onredelijk is. A.
  24. De Waalse Regering brengt eerst in herinnering dat het doel dat de wetgever nastreeft inzake bekendmaking van gemeentereglementen, administratieve vereenvoudiging is. Weliswaar kan niet worden betwist dat de wetgever van het register een bewijsmiddel heeft willen maken voor de bekendmaking door aanplakking. Daarentegen blijkt niet dat hij aan de Koning de bevoegdheid heeft willen toewijzen om de termijn vast te stellen waarbinnen die aantekening moest gebeuren, noch a fortiori om aan de niet-inachtneming van die vormvereiste een dermate drastische sanctie als de niet-tegenstelbaarheid van het reglement te verbinden. In de huidige interpretatie van het Hof van Cassatie kan een schending van die substantiële vormvereiste immers nooit worden geregulariseerd. Niet alleen is een dergelijk gevolg strijdig met de wil van de wetgever, maar de tegenstelbaarheid van tal van gemeentereglementen die reeds lang worden toegepast zou op die grond in de toekomst kunnen worden betwist, waardoor de rechtszekerheid in het gedrang komt. Om die redenen dienen de prejudiciële vragen bevestigend te worden beantwoord. Naast het feit dat zij essentiële elementen regelen in de voorbehouden aangelegenheden, met name de bekendmaking van normen en de belastingen, hebben de in het geding zijnde maatregelen onevenredige gevolgen voor de betrokken gemeenten. De in het geding zijnde bepalingen kunnen evenwel ook een andere interpretatie krijgen dan die van het Hof van Cassatie, die overigens die van de procureur-generaal bij dat rechtscollege is, alsook die van de Raad van State 10 en van een aanzienlijk deel van de rechtsleer. Geïnterpreteerd in die zin dat de termijn voor de aantekening een ordetermijn is, zijn de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar met de Grondwet. A.
  25. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering wijst in eerste instantie erop dat de in het geding zijnde bepalingen de uitvoerende macht ertoe machtigen de vorm van de aantekening te bepalen. Volgens het Hof van Cassatie dient die machtiging te worden geïnterpreteerd in die zin dat zij de aantekening voorschrijft als enig toelaatbaar bewijsmiddel voor de bekendmaking door aanplakking. Een dergelijke interpretatie werd echter niet steeds aangenomen omdat een arrest van hetzelfde Hof van 2003 het tegendeel aangaf. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering moet alles wat behoort tot de bekendmaking van officiële teksten, met inbegrip van de gemeentelijke, door de bevoegde wetgever worden bepaald. De bekendmaking is een essentiële voorwaarde voor de bindende kracht van officiële teksten. Indien een delegatie aan de uitvoerende macht mogelijk is, mag zij geen betrekking hebben op essentiële elementen. In de huidige stand van de rechtspraak van het Hof van Cassatie is de aantekening echter een voorwaarde voor de tegenstelbaarheid van het betrokken reglement, en dus voor de bindende kracht ervan. De aantekening is bijgevolg onlosmakelijk verbonden met de bekendmaking, zodat de in het geding zijnde bepalingen, in die nieuwe interpretatie, moeten worden beschouwd als onbestaanbaar met de Grondwet. Er is evenwel een andere interpretatie mogelijk, waarin de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepalingen zou worden gevrijwaard. Het gaat om die welke de overhand had in 2003, vóór de ommekeer in de rechtspraak van het Hof van Cassatie. A.9.
  26. De gemeenten Schaarbeek, Charleroi en Bergen herinneren in de eerste plaats eraan dat, decennialang, een meerderheid van de rechtsleer en de rechtspraak van oordeel was dat het bewijs van de bekendmaking door aanplakking met alle wettelijke middelen kon worden geleverd, waarbij het register enkel tot gevolg had dat aan de erin gemaakte vaststellingen een authentieke waarde werd toegekend. Op dezelfde wijze werd een niet- achtneming van de verplichting tot aantekening op de dag van de aanplakking niet beschouwd als een substantiële onregelmatigheid, maar als een lichte onregelmatigheid. De drie gemeenten wijzen erop dat het Hof van Cassatie zich dus verrassend genoeg almaar strenger heeft betoond wat die voorwaarden betreft, en zelfs recent zo ver is gegaan dat het aan de onregelmatigheid van de aantekening, en ook aan de discrepantie tussen de twee datums, de niet-tegenstelbaarheid zonder meer van het gemeentereglement heeft verbonden. A.9.
  27. De gemeenten Schaarbeek, Charleroi en Bergen stellen vervolgens dat, in de recente interpretatie van het Hof van Cassatie, de in het geding zijnde bepalingen aan de uitvoerende macht de mogelijkheid hebben gedelegeerd om maatregelen aan te nemen die zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid van de gemeentelijke belastingreglementen. Die vereisten beïnvloeden dus de aanwijzing zelf van de belastingplichtigen. Het komt echter de wetgever, en enkel de wetgever toe die essentiële elementen van zowel de belasting als de bekendmaking van de gemeentereglementen te bepalen. Men kan redelijkerwijs niet stellen dat de tegenstelbaarheid van een norm geen essentieel element is. Een dergelijke interpretatie ontzegt bijgevolg de gemeenten, in hun hoedanigheid van auteur van belastingreglementen, alsook de belastingplichtigen, de waarborg van een optreden van de wetgever. De prejudiciële vraag dient om die redenen bevestigend te worden beantwoord. Niettemin is een andere interpretatie mogelijk, waarin de grondwettigheid zou worden gevrijwaard, namelijk door de in het geding zijnde bepalingen niet te interpreteren in die zin dat zij de Koning toestaan om een essentiële voorwaarde van de belasting of van de bekendmaking van gemeentereglementen te bepalen. De machtiging dient enkel betrekking te hebben op de vorm van het register in strikte zin. A.
  28. De stad Bastenaken brengt allereerst in herinnering dat er een essentieel verschil bestaat tussen de bindende kracht en de uitvoerbare kracht van een gemeentereglement. Zij voert vervolgens aan dat de belasting een voorbehouden aangelegenheid is, die kan worden gedelegeerd zolang de wetgever de essentiële elementen ervan bepaalt. Tot die essentiële elementen behoort onbetwistbaar het bewijs van de bekendmaking van een gemeentelijk belastingreglement omdat het verband houdt met het bindend karakter van de fiscale norm en met de hoedanigheid van belastingplichtige. Te dezen machtigen de in het geding zijnde bepalingen de uitvoerende macht om de wijze te bepalen waarop de aantekening in het register moet gebeuren. In die zin legt artikel 3 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 de machtiging gewoon ten uitvoer. Dat geldt niet voor artikel 2 van hetzelfde besluit, dat de machtiging kennelijk te buiten gaat doordat het substantiële vormvereisten invoert voor de bekendmaking van gemeentelijke normen. Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen in principe alleen de maatregelen die geen enkele weerslag hebben op de schuld van de belastingplichtige, aan de Koning worden gedelegeerd. De stad Bastenaken stelt echter vast dat de datum van de aantekening wordt geïnterpreteerd als een element dat onlosmakelijk verbonden is met de tegenstelbaarheid van gemeentelijke belastingreglementen. Die datum heeft dus een weerslag op de schuld van de belastingplichtige. Een gemeentereglement heeft bindende kracht zodra het wordt bekendgemaakt overeenkomstig de wet, en het staat niet aan de Koning die bekendmaking 11 afhankelijk te stellen van het vervullen van een andere voorwaarde. De prejudiciële vraag dient dus bevestigend te worden beantwoord vermits de in het geding zijnde bepalingen de belastingplichtigen de waarborg ontzeggen van het optreden van een beraadslagende wetgevende vergadering. A.
  29. In haar memorie van antwoord betwist de nv « Orange » de lezing die de stad Bastenaken, de Waalse Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering maken van het begrip « essentieel element », dat is ontleend aan artikel 190 van de Grondwet. Die bepaling behoudt aan de wetgever de bevoegdheid voor om de vorm van de bekendmaking te bepalen. Die bekendmaking wordt daadwerkelijk bepaald door de in het geding zijnde bepalingen, daar zij voorzien in een aanplakking. Het bewijs van de bekendmaking wordt echter niet aan de wetgever toevertrouwd door artikel 190 van de Grondwet. A.12.
  30. In haar memorie van antwoord betwist de nv « JCDecaux » het argument dat de wetgever de aantekening nooit als enig bewijsmiddel heeft willen invoeren, en dat alleen het Hof van Cassatie verantwoordelijk is voor die interpretatie. De geschiedenis toont het tegendeel aan omdat, sinds de XIXde eeuw, de wetgever het koninklijk besluit van 12 november 1849, dat precies tot doel had van de aantekening een exclusief bewijsmiddel te maken, wilde bekrachtigen. De gemeenten Schaarbeek, Charleroi en Bergen lijken zich dat overigens zelf te herinneren, aangezien zij verklaren dat de wetgever het systeem wilde moderniseren « zonder iets te veranderen aan de vroegere situatie wat het bijhouden van het register betreft ». A.12.
  31. De nv « JCDecaux » benadrukt vervolgens dat artikel 190 van de Grondwet geen deel uitmaakt van de aan de wet voorbehouden aangelegenheden. Indien dat wel het geval zou zijn, is het bewijs van de bekendmaking dat niet. In elk geval is de machtiging waarin de in het geding zijnde bepalingen voorzien voldoende nauwkeurig omdat zij enkel het bepalen van de vorm van het register beoogt. Voorts wijst de nv « JCDecaux » erop dat, sinds de overdracht van de bevoegdheid betreffende de bekendmaking van lokale normen aan de gewesten, geen enkel gewest, ook niet het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in het bijzonder, de oorspronkelijk vastgelegde regeling van aantekening ooit ter discussie heeft gesteld. Het zou misplaatst zijn indien hun Regeringen thans het tegenovergestelde trachten te beweren. A.
  32. In haar memorie van antwoord is de nv « Proximus » van mening dat de regels voor aanplakking volledig zijn vastgelegd bij de in het geding zijnde bepalingen en dat het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 daaraan niets wijzigt. De aantekening is uitsluitend een bewijsmiddel dat verschilt van de vormvereisten van de openbaarheid. Bovendien heeft de kwestie van de wettigheid in fiscale zaken niets van doen met de in het geding zijnde wetsbepalingen. A.14.
  33. In haar memorie van antwoord stelt de nv « Telenet » dat de machtiging vervat in de in het geding zijnde bepalingen geen betrekking heeft op de bekendmaking, noch op het bewijs van de bekendmaking, maar enkel op de vormvereisten van het register. De vorm van het register is echter geen element op grond waarvan kan worden bepaald of een gegeven situatie al dan niet belastbaar is. Hij heeft evenmin invloed op de belasting. Kort gesteld gaat het uitsluitend om procedurele maatregelen gestalte wordt gegeven aan de wil van de wetgever, namelijk erin voorzien dat op betrouwbare en onomstotelijke wijze wordt aangetoond dat de bekendmaking werkelijk heeft plaatsgevonden. Die maatregelen zijn er in het belang van de burgers en zijn daardoor dus substantieel, hetgeen niet mag worden verward met het begrip « essentiële elementen » van de bekendmaking van gemeentelijke normen, die door de in het geding zijnde bepalingen worden vastgesteld. A.14.
  34. De nv « Telenet » merkt vervolgens op dat de verschillende tussenkomende partijen, waaronder de stad Bastenaken, de delegatie aan de uitvoerende macht verwarren met de manier waarop die laatste ervan gebruik maakt. Het Hof is niet bevoegd om kennis te nemen van de laatste, waarvan de toetsing toekomt aan de Raad van State of aan de gewone rechtscolleges. Louter het feit dat die partijen een verzoenende interpretatie vragen, bewijst overigens dat het echte voorwerp van de prejudiciële vraag wel degelijk het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 is. Die verzoenende interpretatie is te dezen onmogelijk omdat zij het Hof zou verplichten om de reikwijdte van zijn saisine te overschrijden. A.
  35. In haar memorie van antwoord onderstreept de stad Bastenaken dat de enige mogelijke interpretatie van de rechtspraak van het Hof van Cassatie is dat de uitvoerende macht is gemachtigd om regels te bepalen die zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid van de bekendmaking zelf of op straffe van nietigheid of van niet- tegenstelbaarheid van het reglement. Elke andere lezing zou kunstmatig zijn. A.
  36. In haar memorie van antwoord benadrukt de Waalse Regering dat de termijn van één dag steeds is beschouwd als een ordetermijn, tot aan de recente arresten van het Hof van Cassatie. De machtiging werd dus nooit bedacht om de uitvoerende macht de mogelijkheid te bieden om een vaste termijn te bepalen. De Waalse 12 Regering zou overigens het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 zeker hebben gewijzigd indien de rechtspraak van het Hof van Cassatie voordien reeds in die zin was vastgelegd. A.17.
  37. In hun memories van antwoord betwisten de gemeenten Schaarbeek, Charleroi en Bergen de argumentatie van de nv « Orange » en de nv « Telenet » met betrekking tot de bekendmaking en het bewijs van de bekendmaking van gemeentelijke normen. Het register van de gemeente heeft immers niets te maken met de bekendmaking omdat het niet door de burgers wordt geraadpleegd. Raadpleging is evenwel het eerste doel van de openbaarheid van de normen. In de praktijk worden de aantekeningen niet dagelijks verricht maar naarmate de teksten worden aangenomen, meer bepaald op het einde van het jaar wat de belastingreglementen betreft. De gemeenten Schaarbeek, Charleroi en Bergen zien bijgevolg niet in op welke wijze de aantekening de rechtszekerheid waarborgt omdat zij niet het bewijs levert van de regelmatigheid van de bekendmaking maar enkel dat van het feit dat ze werd gedaan en van de datum ervan. Zij zien evenmin waarin het risico van misbruik bestaat wanneer de aantekening niet op de eerste dag gebeurt. Dat zou erop neerkomen dat een niet-inachtneming van de letter van het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 een vervalsing zou uitmaken. De gemeenten Schaarbeek, Charleroi en Bergen zijn overigens van mening dat de tegenstelling tussen openbaarheid en bewijs van de openbaarheid kunstmatig is vermits aan een gemeentelijke regel, die in geen enkel opzicht tegenstelbaar is, ipso facto elk gevolg en dus elke bindende kracht die nochtans, zoals de tussenkomende partijen zelf erkennen, verbonden is aan de bekendmaking van normen, worden ontzegd. A.17.
  38. De gemeenten Schaarbeek, Charleroi en Bergen doen gelden dat, in de praktijk, en zeker sinds de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie, de conclusie die zich opdringt is dat de aantekening alles bepaalt. Zonder haar blijft de bekendmaking immers dode letter. Het is moeilijk, onder die voorwaarden, staande te houden dat het niet gaat om een essentieel element van de bekendmaking van normen. Ten slotte zou het doel van rechtszekerheid perfect kunnen worden bereikt met een systeem dat de aantekening niet zou aanduiden in strikte vormen zoals het enige bewijsmiddel voor de verwezenlijking van de enige vormvereiste die telt, namelijk de bekendmaking door aanplakking. Het is heel goed denkbaar dat wordt bepaald dat een vermelding in het register het geprivilegieerde bewijsmiddel vormt en dat tegelijkertijd ook het bewijs met alle wettelijke middelen wordt toegestaan. A.17.
  39. In antwoord op de nv « JCDecaux » verduidelijken de gemeenten Schaarbeek, Charleroi en Bergen dat de prejudiciële vragen enkel betrekking hebben op de in het geding zijnde bepalingen, die van wettelijke aard zijn, in een bepaalde interpretatie, hetgeen volledig in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof betreffende zijn bevoegdheid. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.
  40. De nv « JCDecaux » herinnert eraan dat die prejudiciële vraag, net zoals de derde prejudiciële vraag, op het uitgangspunt steunt dat alleen de wetgever gemachtigd zou zijn om de wijze van bekendmaking van wetten te bepalen, omdat het om een voorbehouden aangelegenheid gaat. Zoals de nv « JCDecaux » heeft uiteengezet in antwoord op de eerste prejudiciële vraag, is dat uitgangspunt echter verkeerd. De tweede en de derde prejudiciële vraag dienen dus ontkennend te worden beantwoord. Indien de aangelegenheid wel voorbehouden zou zijn, zou het de Koning niet noodzakelijk verboden zijn om op te treden, zoals de nv « JCDecaux » reeds heeft aangevoerd. Wat betreft de eventuele discriminatie die werd beklemtoond in de tweede en de derde prejudiciële vraag, is de nv « JCDecaux » van mening dat het criterium van onderscheid tussen de gemeenten en de andere entiteiten objectief is omdat het te maken heeft met het aantal personen dat door hun normen wordt beoogd, en dat veel beperkter is voor de gemeenten. Aanplakking en aantekening zijn dus gerechtvaardigd ten opzichte van het doel een onbetwistbaar bewijsmiddel in te voeren om een einde te maken aan de rechtsonzekerheid. Ten slotte kan in geen enkel opzicht worden geconcludeerd dat een dergelijke maatregel onevenredig zou zijn. A.
  41. De nv « Telenet » voert aan dat de prejudiciële vraag geen betrekking kan hebben op het adequate karakter van het koninklijk besluit van 14 oktober
  42. Bovendien kan de mogelijkheid voor het Hof tot herformulering niet ertoe leiden dat de inhoud van de prejudiciële vraag wordt gewijzigd. De nv « Telenet » is van mening dat de twee in de prejudiciële vraag vergeleken situaties niet voortvloeien uit de in het geding zijnde bepalingen. De prejudiciële vraag steunt bijgevolg op een kennelijk verkeerd uitgangspunt en dient onontvankelijk te worden verklaard of, zo niet op dezelfde wijze te worden beantwoord als de eerste prejudiciële vraag. A.
  43. De nv « Orange » voert aan dat de in het geding zijnde bepalingen geen enkel verschil in behandeling tussen gemeenten doorvoeren. Hoogstens volgt het voorgelegde verschil in behandeling niet uit de tekst van die 13 bepalingen, maar uit het al dan niet in acht nemen, door de betrokken gemeenten, van het koninklijk besluit van 14 oktober
  44. De vraag dient bijgevolg onontvankelijk te worden verklaard. Voorts wijst de nv « Orange » erop dat de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie tot een grotere rechtsonzekerheid leidt. A.
  45. De nv « Proximus » is van mening dat de prejudiciële vraag, zoals zij wordt gesteld, niet toelaat een verschil in behandeling tussen twee onderscheiden categorieën van personen te identificeren, en dus onontvankelijk moet worden verklaard. A.
  46. De Waalse Regering verwijst naar haar argumentatie met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag. A.
  47. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van mening dat het verschil in behandeling op een objectief criterium steunt, namelijk de inachtneming van alle bepalingen van het koninklijk besluit van 14 oktober
  48. Niettemin is het gevolg, zijnde de niet-tegenstelbaarheid van het reglement, onevenredig voor een gemeente die niet alle bepalingen strikt zou hebben nageleefd, vermits het bewijs aan de hand van alle wettelijke middelen niet toegelaten is. Dat verschil in behandeling is bijgevolg kennelijk ongerechtvaardigd. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering brengt niettemin in herinnering dat er, zoals voor de eerste prejudiciële vraag, een grondwetsconforme interpretatie bestaat. A.
  49. De gemeenten Schaarbeek, Charleroi en Bergen zijn van mening dat het Hof van Cassatie nooit de redenen heeft geëxpliciteerd waarom het enige bewijs van de bekendmaking door aanplakking een aantekening zou zijn. Zij herinneren eraan dat de betrokken arresten werden gewezen op tegenstrijdige conclusies van de procureur-generaal, en dat niets in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepalingen toelaat een dergelijke conclusie te trekken. Volgens de rechtspraak die dateert van vóór 2015, had de aantekening geen ander doel dan de gemeente in staat te stellen om het onweerlegbare bewijs van de bekendmaking te leveren. Er kunnen echter andere bewijsmiddelen worden overwogen, zoals een aanplakbrief ondertekend door de burgemeester en medeondertekend door de directeur-generaal, een handgeschreven lijst van de gemeentelijke aanplakkingsdienst, een aanplakkingscertificaat of een bewijs van het online plaatsen. Daarmee rekening houdend is de sanctie van niet-tegenstelbaarheid, verbonden aan een gewone niet-strikte inachtneming van de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 oktober 1991, kennelijk onevenredig en heeft zij een niet-verwaarloosbaar effect op de financiën van de betrokken gemeenten. Daarnaast onderstrepen de gemeenten Schaarbeek, Charleroi en Bergen de paradox in de rechtspraak van het Hof van Cassatie met betrekking tot de discrepantie tussen de datum van bekendmaking en de datum van aantekening. Aan de gemeenten werd immers steeds aanbevolen om de aanplakking gedurende minstens vijf dagen te behouden, met het oog op een behoorlijke voorlichting van de inwoners. Een strikte inachtneming van de termijn van één dag is echter strijdig met die goede praktijk. A.
  50. De stad Bastenaken is van mening dat de vergeleken gemeenten zich in situaties bevinden die voldoende vergelijkbaar zijn wat de tegenstelbaarheid van hun belastingreglementen betreft. Het doel van de aantekening is de gemeente in staat te stellen het onweerlegbare bewijs van de bekendmaking te leveren. De rechtspraak van het Hof van Cassatie stemt evenwel niet overeen met dat doel. Er zijn andere bewijsmiddelen in geval van kleinere onregelmatigheden, wat door het Hof van Cassatie overigens werd erkend vóór
  51. De stad Bastenaken voert aan dat de gevolgen van een niet-inachtneming van het koninklijk besluit kennelijk onevenredig zijn omdat zij tot de nietigheid van de belasting leidt. Men vraagt zich af welke de echte grief of het echte nadeel van de belastingplichtige in werkelijkheid kan zijn, terwijl er geen twijfel bestaat over de bekendmaking van het belastingreglement. Bovendien is een aantekening binnen de dag volgend op de aanplakking niet pertinent omdat zij niet bewijst dat het reglement wel degelijk minimaal één dag is aangeplakt, zodat zij zelfs geen zekere datum kan garanderen. De stad Bastenaken onderstreept ten slotte de praktische problemen die zijn verbonden aan de verplichting om op de eerste dag over te gaan tot aantekening, omdat zulks veronderstelt dat de burgemeester en de directeur-generaal permanent aanwezig zijn. Om al die redenen dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. A.
  52. In haar memorie van antwoord houdt de nv « Orange » staande dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is omdat de in het geding zijnde bepalingen geen enkel verschil in behandeling als zodanig doorvoeren. Bovendien, en in antwoord op het argument van de stad Bastenaken, doet de nv « Orange » opmerken dat de aantekening in het register niet noodzakelijk een permanente aanwezigheid van de burgemeester en de directeur-generaal impliceert omdat zowel de ene als de andere een delegatie van handtekeningbevoegdheid kunnen regelen met toepassing van de ad hoc-wetgeving. A.
  53. In haar memorie van antwoord doet de nv « JCDecaux » gelden dat de vormvereiste van aantekening, gelet op de eenvoud van de formule die is vastgelegd bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1991, niet kan worden beschouwd als zijnde buitensporig of onoverkomelijk voor de gemeenten. Zij is bovendien, in 14 tegenstelling tot hetgeen werd aangevoerd, het enige bewijs dat werkelijk doeltreffend is. Louter het overleggen van de aanplakbrief kan immers niet volstaan omdat het niet bewijst dat hij werd aangeplakt. De handgeschreven lijst van de aanplakkingsdienst is niet bestand tegen rectificatie achteraf. Hetzelfde geldt voor het aanplakkingscertificaat. Ten slotte volstaat een onlinepublicatie evenmin want het is de aanplakking die moet worden bewezen. Voorts is het advies van bepaalde auteurs uit de rechtsleer om de aanplakking gedurende vijf dagen te behouden, in casu niet pertinent omdat, enerzijds, dat advies niet voortvloeit uit de wet en, anderzijds, niets de gemeenten belet om over te gaan tot een dagelijkse aantekening in het register. A.
  54. In haar memorie van antwoord is de nv « Telenet » van mening dat het Hof niet vermag te beoordelen wat opportuun of wenselijk is. De vraag is niet welke de best mogelijke manier is om de aanplakking en de datum van de aanplakking te bewijzen, maar of het huidige systeem al dan niet onontbeerlijk is voor de integriteit van het register en voor het bewijs van de bekendmaking. De nv « Telenet » verbaast zich overigens over de argumenten die zijn afgeleid uit de praktische problemen van de aantekening. Ten eerste is het niet ingewikkeld om een dubbele ondertekening te verkrijgen. Ten tweede worden belastingreglementen in principe en gewoonlijk slechts één keer per jaar aangenomen. Ten derde is de procedure die moet worden gevolgd voor de aantekening duidelijk en ondubbelzinnig. In werkelijkheid voeren, volgens de nv « Telenet », de gemeenten die het besluit van 14 oktober 1991 niet in acht hebben genomen, nooit een geldige reden aan voor hun gebrek aan zorgvuldigheid. Het blijft in elk geval mogelijk over te gaan tot een tweede aanplakking gevolgd door een aantekening op de eerste dag, teneinde de situatie te regelen. Er dient dus te worden vastgesteld dat, in de overgrote meerderheid van de gevallen, het systeem geen problemen veroorzaakt, met uitzondering van enkele gemeenten die slecht georganiseerd zijn. De nv « Telenet » merkt ten slotte op dat in Vlaanderen dat soort geschillen niet bestaat terwijl het systeem van aantekening in hoge mate vergelijkbaar is. Volgens de nv « Telenet » is hetgeen de gemeenten echt willen, de aanplakking van hun belastingreglementen kunnen aantonen met bewijzen die automatisch worden geleverd. Door een dergelijk standpunt worden de in het geding zijnde bepalingen niet alleen uitgehold, maar het omzeilt duidelijk de wil van de wetgever. Een bevestigend antwoord op de prejudiciële vragen zou als niet-verwaarloosbaar gevolg hebben dat aan de burgers een bescherming tegen willekeur vanwege de lokale besturen wordt ontzegd. A.
  55. In haar memorie van antwoord erkent de Waalse Regering dat de in het geding zijnde bepalingen niet zelf twee onderscheiden categorieën van gemeenten creëren. Niettemin leidt de interpretatie van het Hof van Cassatie wel degelijk tot een verschillende behandeling van de beoogde categorieën. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag A.
  56. De nv « JCDecaux » verwijst naar haar argumentatie met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag. A.
  57. De nv « Telenet » is in de eerste plaats van mening dat de prejudiciële vraag de wijze van bekendmaking als zodanig, namelijk de aanplakking, niet in het geding brengt, maar wel het feit dat die wijze van bekendmaking een bijkomende stap vereist, namelijk de aantekening. Zij merkt eveneens vooraf op dat het Hof niet gebonden is door de in de prejudiciële vraag vermelde woorden « wezenlijke voorwaarde van de bekendmakingsprocedure ». De nv « Telenet » voert aan dat het opgeworpen verschil in behandeling voldoende gerechtvaardigd is. Het criterium van onderscheid is in de eerste plaats objectief, wat overigens reeds door het Hof werd erkend. De maatregel is vervolgens pertinent. De aanplakking kan immers worden verklaard door de omstandigheid dat de wetgever heeft geoordeeld dat het niet noodzakelijk was om de inhoud van gemeentelijke regels integraal en onmiddellijk ter kennis te brengen van het publiek. De aantekening is slechts het bewijsmiddel van die aanplakking, en is absoluut noodzakelijk omdat een aanplakking van nature tijdelijk en vergankelijk is. Het verschil in behandeling is overigens evenredig omdat met een aanplakking het al te stringente formalisme van de bekendmaking in een officieel publicatieblad wordt vermeden en zij tegelijkertijd de burgers een doeltreffende waarborg van informatie biedt. De aantekening kan gemakkelijk worden verricht door de gemeentelijke overheden, en er bestaat geen enkele rechtsonzekerheid of onevenredige logheid die daaruit zou voortvloeien. Het feit dat de niet-inachtneming van bepaalde vormvereisten tot niet-tegenstelbaarheid van het reglement leidt, doet daaraan geen afbreuk. Ten slotte is het niet onredelijk dat een versterkt en van het gemeen recht afwijkend bewijsmiddel moet voldoen aan de wettelijke vorm. 15 A.
  58. De nv « Orange » betwist allereerst de in de prejudiciële vraag vermelde termen « wezenlijke voorwaarde ». Zij verwijst voor het overige naar haar argumentatie betreffende de eerste en de tweede prejudiciële vraag. A.
  59. De nv « Proximus » onderstreept dat het Hof reeds op een soortgelijke prejudiciële vraag heeft geantwoord bij zijn arrest nr. 67/2001 van 17 mei
  60. In ieder geval heeft het Hof ook erkend dat het verschil tussen de overheden op een objectief criterium was gegrond. Te dezen impliceert een aanplakking, voor de gemeenten, noodzakelijkerwijs een bijzonder bewijsmiddel, dat perfect wordt gewaarborgd door de aantekening. A.
  61. De Waalse Regering verwijst naar haar argumentatie betreffende de eerste prejudiciële vraag. A.
  62. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering erkent dat gemeentelijke overheden niet ertoe kunnen worden verplicht om ten aanzien van hun reglementen en verordeningen voor een openbaarheid te zorgen die vergelijkbaar is met die welke is vastgelegd voor de bepalingen die op alle inwoners betrekking hebben, en dat krachtens de rechtspraak van het Hof, de wetgever op die manier een onderscheid mag maken tussen de provincies en de gemeenten. Dat betekent evenwel niet dat hij de gemeenten aanzienlijk strenger mag behandelen. Aldus brengt het verschil in behandeling in vergelijking met de andere overheden onevenredige gevolgen met zich mee voor de gemeenten omdat zij onderworpen zijn aan een abrupte niet-tegenstelbaarheid van hun reglementen bij de minste afwijking van de bij het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 voorgeschreven regels. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering onderstreept niettemin opnieuw dat er een interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen bestaat die verenigbaar is met de Grondwet. A.36.
  63. De gemeenten Schaarbeek, Charleroi en Bergen zijn van mening dat er een verschil in behandeling is tussen de gemeenten en de andere overheden bedoeld in artikel 190 van de Grondwet. Voor de laatstgenoemden hangt het feit of normen bindende kracht krijgen enkel af van het vervullen van de vormvereiste van bekendmaking, terwijl de gemeenten aan een bijkomende modaliteit, te weten de aantekening in het register, zijn onderworpen. De gemeenten Schaarbeek, Charleroi en Bergen herinneren echter eraan dat er een significant verschil is tussen de begrippen « uitvoerbare kracht » en « bindende kracht ». De eerstgenoemde wordt verkregen vanaf de ondertekening door de Koning, de minister, de burgemeester of vanaf de goedkeuring door de gemeenteraad, terwijl bindende kracht voortvloeit uit de enkele bekendmaking van de norm. A.36.
  64. Het verschil in behandeling bestaat tussen categorieën die voldoende vergelijkbaar zijn in het licht van de normen die de genoemde overheden aannemen. Het berust niet op een objectief criterium. De situatie is op dat punt verschillend van die welke ten grondslag lag aan het arrest nr. 146/2020 van 12 november 2020 vermits, daar waar de wijze van bekendmaking anders kan worden geregeld rekening houdend met het beoogde publiek, dat niet geldt voor het krijgen van bindende kracht. De gemeenten Schaarbeek, Charleroi en Bergen erkennen dat het legitieme doel van dat verschil in behandeling erin bestaat de openbaarheid van normen onbetwistbaar te maken, maar verklaren niettemin dat de vormvereiste van de aantekening als enig bewijsmiddel onevenredig is, des te meer omdat zij enkel voortvloeit uit de rechtspraak. De gemeenten worden dus duidelijk benadeeld. Dat legitieme doel zou immers heel goed met andere wettelijke middelen kunnen worden bereikt. A.
  65. Voor de stad Bastenaken zijn de beoogde categorieën vergelijkbaar omdat elk van de overheden normen met algemene draagwijdte aanneemt. Het verschil in behandeling betreft het krijgen van bindende kracht door die normen, die verschilt naar gelang van de overheid die ze aanneemt. Aan de gemeenten wordt een bijkomende voorwaarde opgelegd, namelijk de inachtneming van het koninklijk besluit van 14 oktober
  66. Voor een dergelijk verschil in behandeling bestaat geen enkele verantwoording. De stad Bastenaken verwijst in dat verband naar haar argumentatie betreffende de tweede prejudiciële vraag. A.
  67. In haar memorie van antwoord is de nv « JCDecaux » van mening dat het arrest van het Hof nr. 146/2020 te dezen perfect kan worden overgenomen. Louter de mogelijkheid dat er voor de gemeenten aanzienlijke gevolgen zijn wanneer zij de vormvereisten niet in acht nemen, kan op zich de maatregelen niet onevenredig maken. Wanneer een handeling zware gevolgen kan hebben, zou zij des te zorgvuldiger moeten worden verricht. A.
  68. In haar memorie van antwoord brengt de Waalse Regering in herinnering dat het niet het verschil in bekendmakingsmodaliteiten tussen overheden is dat wordt bekritiseerd, maar het feit dat men de gemeenten een drastische beperking oplegt van de mogelijkheden om te bewijzen dat de bekendmaking door aanplakking heeft plaatsgevonden in de vereiste vormen, en terwijl de andere overheden niet een dergelijke beperking ondergaan. Het Grondwettelijk Hof heeft precies geoordeeld dat de regels op dat gebied soepeler mochten zijn voor de gemeenten. De interpretatie van het Hof van Cassatie verzwaart echter aanzienlijk de verplichtingen die op die 16 gemeenten wegen, wat overigens in strijd is met de sinds lang gewenste administratieve vereenvoudiging voor dat bevoegdheidsniveau. Ten aanzien van de vierde prejudiciële vraag A.
  69. De nv « Telenet » verwijst naar haar argumentatie met betrekking tot de derde prejudiciële vraag. A.
  70. Om te beginnen betwist de nv « Orange » de in de prejudiciële vraag vermelde kwalificatie, als « wezenlijke voorwaarde », van de bekendmakingsprocedure omdat die voorwaarde, namelijk de aantekening, in werkelijkheid enkel het bewijs van de bekendmaking, en niet de bekendmaking zelf betreft. De nv « Orange » voert vervolgens aan dat het verschil in behandeling kan beantwoorden aan een objectief criterium, namelijk dat verschillende, meer bepaald territoriale situaties worden gedekt. De vormvereiste van de aantekening, die enkel van toepassing is op de gemeenten, brengt grote rechtsonzekerheid met zich mee voor zowel de burgers als de gemeenten. Zij maakt de openbaarheid van reglementen onbetwistbaar en waarborgt het onveranderlijke karakter ervan. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het verschil in behandeling voldoende evenredig is met het beoogde doel. A.
  71. De nv « Proximus » is in eerste instantie van mening dat er geen debat meer mogelijk is over het objectief criterium omdat het door het Hof werd erkend bij het arrest nr. 146/
  72. De nv « Proximus » voert vervolgens aan dat de combinatie van aanplakking en aantekening in het gemeentelijk register pertinent is ten opzichte van het legitieme doel om aan burgers en belastingplichtigen strikte waarborgen te bieden. Zij is eveneens pertinent in het licht van de bekommernis om te zorgen voor een blijvend bewijs van de aanplakking en van de datum van aanplakking. Zij is ten slotte evenredig omdat zij de gemeenten kennelijk geen onredelijke inspanningen oplegt. Voorts kan de kwestie van de discrepantie tussen de datum van aanplakking en de datum van aantekening niet door het Hof worden onderzocht omdat zij uitsluitend verband houdt met het koninklijk besluit van 14 oktober
  73. A.
  74. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering onderstreept dat het Hof heeft aangenomen dat de wijze van bekendmaking verschilt tussen gemeenten en provincies. Dat impliceert echter niet dat het gerechtvaardigd is dat aan het tijdstip van de aantekening een substantieel karakter wordt toegekend. Zulk een bijkomende voorwaarde is kennelijk onevenredig. A.
  75. Ook al erkent de stad Bastenaken dat het Hof in een arrest van 2020 heeft aanvaard dat de wijzen van bekendmaking kunnen verschillen tussen provincies en gemeenten, toch is de kwestie te dezen heel anders. Het aangewende middel, namelijk de aantekening volgens strikte modaliteiten als voorwaarde van de bewijslevering van de bekendmaking, is immers niet adequaat, noch noodzakelijk voor het nagestreefde doel. A.
  76. In haar memorie van antwoord is de nv « Orange » van mening dat het onredelijk zou zijn de bekendmaking in een officieel publicatieblad of bulletin op te leggen voor regels waarvan het algemeen belang beperkt is. A.
  77. In haar memorie van antwoord is de Waalse Regering van oordeel dat het de machtiging is om een vaste termijn van één dag vast te stellen voor de aantekening, die wordt bekritiseerd. De wetgever heeft echter de uitvoerende macht niet ertoe gemachtigd zulk een termijn voor de bekendmaking in het Bulletin provincial vast te stellen voor dat bevoegdheidsniveau op straffe van niet-tegenstelbaarheid. Het verschil in behandeling is bijgevolg duidelijk en niet gerechtvaardigd. A.
  78. In haar memorie van antwoord verklaart de stad Bastenaken dat het niet zozeer gaat om de aanplakking of aantekening, als wel om de aan de uitvoerende macht toegekende machtiging. De niet-inachtneming van een termijn die is vastgesteld door de uitvoerende macht, heeft kennelijk onevenredige gevolgen. Er dient absoluut te worden gekozen voor een verzoenende interpretatie waarbij de termijn van één dag wordt omgezet naar een ordetermijn. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen A.
  79. De nv « Orange » verzoekt het Hof in ondergeschikte orde de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen te handhaven indien zij als ongrondwettig zouden worden beschouwd, omwille van de rechtszekerheid. Het is in dat geval aangewezen de betrokken wetgevers een termijn van drie jaar te geven, vanaf de bekendmaking 17 van het arrest van het Hof in het Belgisch Staatsblad, teneinde voor de gemeentelijke normen een nieuw systeem van bekendmaking aan te nemen. De nv « Proximus » sluit zich aan bij dat verzoek van de nv « Orange ». De nv « Telenet » doet hetzelfde verzoek op basis van het feit dat een bevestigend antwoord op de prejudiciële vragen als niet-verwaarloosbaar gevolg zou hebben dat burgers een bescherming tegen willekeur vanwege de lokale besturen wordt ontnomen. A.
  80. De stad Bastenaken voert aan dat de handhaving van de gevolgen in werkelijkheid strijdig zou zijn met het beginsel van rechtszekerheid omdat de rechtspraak, decennialang, de termijn van één dag als een ordetermijn heeft geïnterpreteerd. De handhaving van de gevolgen zou overigens ertoe leiden dat de niet-betaling van de verschuldigde belastingen wordt gelegitimeerd. Ten slotte zou een nieuwe bewijsregeling niet noodzakelijk zijn in geval van bevestigende antwoorden omdat het wettelijke kader voldoende nauwkeurig is. A.
  81. Volgens de Waalse Regering zijn het vennootschappen die aan de belasting willen ontsnappen, die een handhaving van de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen vragen. Die handhaving is in strijd met het algemeen belang. Zij dient geenszins de rechtszekerheid, aangezien het het Hof van Cassatie is dat de rechtsonzekerheid op dat gebied heeft gecreëerd. Voorts is geen enkele wetswijziging vereist indien het Hof kiest voor de oplossing van de conforme interpretatie, zodat een handhaving van de gevolgen geen enkele zin heeft. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.
  82. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de aangelegenheid van de officiële bekendmaking van de gemeentelijke reglementen en verordeningen, in het bijzonder van de belastingreglementen. Die aangelegenheid werd aan de gewesten overgedragen bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 « houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen ». De samengevoegde zaken betreffen de wetgevingen die van toepassing zijn op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en op het Waalse Gewest. Gezien de gelijkenis van de in het geding zijnde bepalingen, onderzoekt het Hof de prejudiciële vragen samen. B.2.
  83. De artikelen 112 en 114 van de Nieuwe Gemeentewet, zoals zij van toepassing zijn in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, bepalen : « Art.
  84. De reglementen en verordeningen van de gemeenteraad, van het college van burgemeester en schepenen en van de burgemeester worden door laatstgenoemde bekendgemaakt door middel van een aanplakbrief en door plaatsing op de website van de gemeente. De aanplakbrieven en de website van de gemeente, bedoeld in het eerste lid, vermelden het onderwerp van het reglement of de verordening, de datum van de beslissing waarbij het reglement of de verordening werd aangenomen, de beslissing van de toezichthoudende 18 overheid alsmede de plaats of plaatsen waar de tekst van het reglement of de verordening ter inzage ligt van het publiek. Op de website wordt het reglement of de verordening in zijn geheel bekendgemaakt. De burgemeester kan de akten bedoeld in het eerste lid ook bekendmaken via de pers. De bekendmaking van een reglement of verordening op de website van de gemeente en, in voorkomend geval, via de pers, vermeldt de datum van bekendmaking via affichering. Vanaf hun goedkeuring door de gemeenteraad, worden volgende documenten bekendgemaakt op de website van de gemeente: de gemeentelijke ontwikkelingsplannen, de gemeentelijke bestemmingsplannen, de jaarlijkse begroting, het driejaarlijks plan en de rekeningen. Indien de gemeenteraad beslist een gemeentelijk informatieblad op papier of in elektronisch formaat te verspreiden waarin de leden van het college mededelingen kunnen doen met betrekking tot de uitoefening van hun ambt, wordt in elke uitgave van dat blad ruimte voorbehouden om de democratische politieke lijsten of fracties die vertegenwoordigd zijn in de gemeenteraad, maar geen deel uitmaken van de gemeentelijke meerderheid, de mogelijkheid te bieden zich uit te drukken. De toepassingsmodaliteiten van deze bepaling moeten vastgelegd worden in het huishoudelijk reglement van de gemeenteraad of in een aparte gemeentelijke verordening. Een commissie samengesteld uit één vertegenwoordiger van elke democratische politieke fractie die in de gemeenteraad is vertegenwoordigd, zal belast zijn met het jaarlijks indienen van een verslag betreffende de naleving van deze bepaling ». « Art.
  85. De reglementen en verordeningen bedoeld in artikel 112 zijn verbindend de vijfde dag volgend op de dag van bekendmaking door aanplakbrief, behalve wanneer zij het anders bepalen. De bekendmaking en de datum van bekendmaking van deze reglementen en verordeningen via affichering moeten blijken uit de aantekening in een speciaal daartoe gehouden register op de bij besluit van de Regering bepaalde wijze. De bekendmaking van deze reglementen en verordeningen door het online plaatsen op de website van de gemeente of, in voorkomend geval, via de pers heeft geen invloed op de inwerkingtreding ervan ». B.2.
  86. De artikelen L1133-1 en L1133-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie bepalen : « Art. L1133-
  87. De reglementen en verordeningen van de gemeenteraad, het gemeentecollege en de burgemeester worden bekendgemaakt bij aanplakking, waarin het onderwerp van het reglement of de verordening worden aangegeven, evenals de datum van de beslissing waarbij de goedkeuring ervan geschiedde, en, in voorkomend geval, de beslissing van de toezichthoudende overheid. Op de aanplakking wordt eveneens melding gemaakt van de plaatsen waar de tekst van het reglement of de verordening door het publiek kan worden ingezien. 19 Art. L1133-
  88. De reglementen en verordeningen bedoeld in artikel L1133-1 zijn bindend de vijfde dag volgend op de bekendmaking ervan door middel van aanplakking, tenzij andersluidend. Van de bekendmaking en van de datum van bekendmaking van de reglementen en besluiten moet blijken door aantekening in een speciaal daartoe gehouden register, in de bij regeringsbesluit bepaalde vorm ». B.3.
  89. Artikel 190 van de Grondwet bepaalt : « Geen wet, geen besluit of verordening van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur is verbindend dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald ». B.3.
  90. De bekendmaking van de gemeentelijke reglementen en verordeningen door middel van een aanplakking strekt ertoe uitvoering te geven aan het in artikel 190 van de Grondwet gewaarborgde recht voor de rechtsonderhorige om te allen tijde kennis te kunnen nemen van die officiële teksten alvorens die hem kunnen worden tegengeworpen. Bovendien is dat recht inherent aan de rechtstaat omdat het die kennisneming is die iedereen in staat stelt zich naar die teksten te gedragen. Teneinde dat recht te waarborgen, dient de bevoegde wetgever erover te waken dat de wijze van toegang tot die informatie aangepast is aan de ontwikkeling van de maatschappij en van de technologie. De gedateerde en ondertekende aantekening van de bekendmaking in een register beoogt de bekendmaking van het reglement met zekerheid vast te stellen. B.3.
  91. De verwijzende rechtscolleges ondervragen het Hof evenwel niet over de grondwettigheid van de techniek van aanplakking op zich. De prejudiciële vragen hebben enkel betrekking op de grondwettigheid van de draagwijdte van de machtiging die de in het geding zijnde bepalingen aan de uitvoerende macht verlenen om de wijze te bepalen waarop de bekendmaking door aanplakking van gemeentelijke reglementen en verordeningen dient te worden aangetekend in een speciaal daartoe gehouden register. B.
  92. De regeringen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en van het Waalse Gewest hebben geen uitvoeringsmaatregel genomen ingevolge de regionalisering van de in B.1 vermelde bevoegdheid. Bijgevolg is het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 « betreffende de aantekeningen in het register voor de bekendmaking van de reglementen en verordeningen 20 van de gemeenteoverheden » (hierna : het koninklijk besluit van 14 oktober 1991) van toepassing, dat bepaalt : « Artikel
  93. De bekendmaking en de datum van bekendmaking van de reglementen en verordeningen bedoeld in artikel 112 van de nieuwe gemeentewet moeten blijken uit de aantekening in een speciaal door de gemeentesecretaris daartoe gehouden register. Art.
  94. De aantekening in het register geschiedt op de eerste dag van de bekendmaking van het reglement of van de verordening. De aantekeningen worden genummerd in de volgorde van de opeenvolgende bekendmakingen. Art.
  95. De gedateerde en door de burgemeester en de gemeentesecretaris ondertekende aantekening wordt op de volgende wijze vastgesteld : ‘ Nr … De burgemeester van de gemeente (of van de stad) … provincie …, bevestigt dat het reglement (of de verordening) van de gemeenteraad (of van het college van burgemeester en schepenen) (of van de burgemeester), gedateerd …, met als onderwerp …, bekendgemaakt werd, overeenkomstig artikel 112 van de nieuwe gemeentewet op … Te …, … (datum) De Secretaris, De Burgemeester, ’ […] ». Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag Wat de ontvankelijkheid van de vraag betreft B.
  96. De nv « JC Decaux » en de nv « Orange » doen gelden dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft in zoverre de bedoelde niet-tegenstelbaarheid van een belastingreglement niet voortvloeit uit de in het geding zijnde bepalingen. Zij zou uitsluitend volgen uit het koninklijk besluit van 14 oktober 1991, dat van toepassing is in de voor de verwijzende rechtscolleges hangende zaken. B.
  97. Het Hof is niet bevoegd om te antwoorden op een prejudiciële vraag met betrekking tot een bepaling van een koninklijk besluit, die, bij gebreke van bekrachtiging bij wet, geen wetskrachtige norm is. Het vermag zich evenmin uit te spreken over de uiteenlopende 21 interpretaties van een koninklijk besluit die voortvloeien uit de jurisprudentiële toepassingen van dat laatste. Ten slotte is het Hof niet bevoegd om de uitvoeringsbepalingen van een wetskrachtige norm te beoordelen. B.
  98. Krachtens artikel 114 van de Nieuwe Gemeentewet, in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, en artikel L1133-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, in het Waalse Gewest, vermag de uitvoerende macht de vorm te bepalen van de aantekening in het register waarin de bekendmaking en de datum van bekendmaking van gemeentelijke reglementen en verordeningen worden vastgesteld. Die bepalingen verlenen dus een machtiging aan de Waalse en de Brusselse Regering, en voorzien daarbij reeds niettemin in het bestaan van het register en dat de bekendmaking en de datum van de bekendmaking van de gemeentelijke reglementen en verordeningen moeten blijken uit een aantekening. B.
  99. Uit de verwijzingsbeslissingen volgt dat, op dat punt, het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van de voormelde bepalingen in zoverre zij de uitvoerende macht ertoe machtigen om vormvoorschriften voor de aantekening in het register te bepalen die zijn voorgeschreven op straffe van niet-tegenstelbaarheid van de gemeentelijke reglementen en verordeningen. In die interpretatie vloeit de in de prejudiciële vraag beschreven grief voort uit de in het geding zijnde bepalingen. B.
  100. De exceptie wordt verworpen. Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepalingen uitsluitend in zoverre zij een wettelijke machtiging aan de uitvoerende macht verlenen, en houdt geen rekening met de inhoud van het koninklijk besluit van 14 oktober
  101. Wat de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen betreft B.
  102. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10, 11, 33, 170, 172 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 105, 108, 159, 162 en 190 van de Grondwet, in de interpretatie dat zij, enerzijds, als enige toelaatbare bewijs van de bekendmaking van een gemeentelijk reglement, de aantekening in een speciaal register vastleggen en, anderzijds, de uitvoerende macht toestaan om te bepalen dat de aantekening gebeurt op de eerste dag van de aanplakking, om een 22 vormvereiste in te voeren op straffe van nietigheid van de bekendmaking of van het gemeentelijk reglement en om een vormvereiste in te voeren op straffe van niet- tegenstelbaarheid van het gemeentelijk reglement. B.
  103. Het komt in de regel aan de verwijzende rechter toe om de bepalingen die hij toepast te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling. B.12.
  104. Wat betreft het vastleggen van de aantekening in het speciaal register, als exclusief bewijs van de bekendmaking van een gemeentelijk reglement, heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat « het enige toelaatbare bewijs van de bekendmaking van een gemeenteverordening of –reglement bestaat in de aantekening in het speciaal register » (Cass., 21 mei 2015, F.14.0098.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150521.15 en 21 mei 2015, F.13.0158.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150521.14). Het is dus niet manifest onjuist de in het geding zijnde bepalingen in die zin te interpreteren. B.12.
  105. Wat betreft de bepaling dat de aantekening moet gebeuren op de eerste dag van de aanplakking, is het niet manifest onjuist ervan uit te gaan dat de in het geding zijnde wettelijke machtiging in die zin kan worden geïnterpreteerd dat zij zulks omvat. B.12.
  106. Over de invoering van een vormvereiste op straffe van nietigheid van de bekendmaking of van het gemeentelijk reglement, oordeelde het Hof van Cassatie : « Uit de combinatie van al die bepalingen volgt dat uit het verbindend karakter van de akten bedoeld in artikel 112 van de Nieuwe Gemeentewet en in artikel L1133-1 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie enkel volgt dat die reglementen en verordeningen worden bekendgemaakt door aanplakking enkel volgt uit het feit dat die reglementen en verordeningen worden bekendgemaakt door aanplakking] en dat, daarentegen, de aantekening van die akten in het register bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 betreffende de aantekeningen in het register voor de bekendmaking van de reglementen en verordeningen van de gemeenteoverheden enkel betrekking heeft op het bewijs van de bekendmaking, waarbij die aantekening en de inschrijving van die akten in het […] register […] geen voorwaarde is voor het verbindend karakter van die akten » (Cass., 21 mei 2015, F.13.0158.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150521.14). Uit de voormelde rechtspraak blijkt, enerzijds, dat het verbindend karakter van de gemeentelijke verordeningen en reglementen volledig wordt geregeld door de in het geding zijnde bepalingen buiten de machtiging aan de uitvoerende macht om en, anderzijds, dat de 23 bewijsregeling van de bekendmaking van de gemeentelijke reglementen en verordeningen geen enkele weerslag heeft op de geldigheid ervan. Het is bijgevolg manifest onjuist de in het geding zijnde bepalingen, wanneer zij betrekking hebben op de aantekening, te interpreteren in die zin dat zij de nietigheid van de bekendmaking of de nietigheid van het reglement beogen. B.12.
  107. Ten slotte met betrekking tot de invoering van een vormvereiste op straffe van niet-tegenstelbaarheid van het gemeentelijk reglement kunnen de in het geding zijnde bepalingen redelijkerwijze in die zin worden geïnterpreteerd dat zij de mogelijkheid daartoe omvatten. B.
  108. Bijgevolg onderzoekt het Hof de prejudiciële vraag slechts in zoverre zij berust op een interpretatie die niet manifest onjuist is. Wat het antwoord op de eerste prejudiciële vraag betreft B.
  109. Het Hof onderzoekt eerst de kwestie van de aantekening in het speciaal register als enig toelaatbaar bewijs van de bekendmaking van een gemeentelijk reglement, en vervolgens de kwestie van de machtiging aan de uitvoerende macht. Aantekening in het speciaal register als enig toelaatbaar bewijs van de bekendmaking van een gemeentelijk reglement B.
  110. Geïnterpreteerd in die zin dat de aantekening in het register het enige bewijsmiddel is voor de bekendmaking van een gemeentelijk reglement, beogen de in het geding zijnde bepalingen niet de organisatie en de werking van het bestuur maar de bescherming van de bestuurde, en van de belastingplichtige in het kader van een belastingreglement. Op die manier kan het in artikel 190 van de Grondwet beoogde algemene doel worden versterkt. B.
  111. Rekening houdend met de bijzondere aard van de aanplakking, waarvan de vaststelling concreet gezien minder gemakkelijk is dan die van de bekendmaking in een officieel publicatieblad, en waarvoor het risico op aantasting aanzienlijker is, vermocht de wetgever te oordelen dat het pertinent was om in één unieke en exclusieve bewijsregeling te 24 voorzien, die volkomen helder is, namelijk het overleggen van een aantekening in een specifiek register. B.
  112. Bovendien ziet het Hof geen enkele praktische moeilijkheid welke die bewijsregeling onevenredig zou maken met het nagestreefde doel. Dat geldt des te meer omdat het bewijs van de bekendmaking van een norm niet samenvalt met de geldigheid van die norm. B.
  113. Ten slotte, in tegenstelling tot hetgeen sommige partijen voorhouden, leidt louter de omstandigheid dat bepaalde rechtscolleges vermochten te oordelen dat andere bewijsmiddelen eigenlijk niet werden uitgesloten door de in het geding zijnde bepalingen, ipso facto niet tot de ongrondwettigheid van die bepalingen. Het Hof onderzoekt ze immers in de in B.10 vermelde interpretatie van de verwijzende rechtscolleges. B.
  114. In zoverre zij de aantekening in het register tot enig bewijsmiddel van de bekendmaking van een gemeentelijk reglement maken, zijn de in het geding zijnde bepalingen niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 190 van de Grondwet. Machtiging aan de uitvoerende macht B.
  115. In zoverre zij betrekking hebben op de bekendmaking van normen in de ruime zin, betreffen de in het geding zijnde bepalingen een aangelegenheid die artikel 190 van de Grondwet aan de wetgever voorbehoudt. Die grondwetsbepaling belet evenwel niet dat wat de vorm van de bekendmaking betreft, een machtiging wordt verleend aan de uitvoerende macht, voor zover die machtiging voldoende nauwkeurig wordt omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgevende macht zijn vastgesteld. B.
  116. In dat geval heeft de machtiging, volgens de artikelen 114 van de Nieuwe Gemeentewet en L1133-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, geen betrekking op de wijze van bekendmaking door aanplakking als zodanig, maar wel op de manier waarop het bewijs van die aanplakking moet worden geleverd. 25 B.
  117. Aangezien de federale wetgever respectievelijk de Waalse decreetgever hebben bepaald dat de wijze van bekendmaking een aanplakking dient te zijn en dat het bewijs ervan moet worden geleverd aan de hand van een aantekening in een speciaal daartoe gehouden register, hebben zij de essentiële elementen van de vorm van de bekendmaking zelf geregeld. De delegaties hebben slechts betrekking op de vorm van de aantekening in dat register. B.
  118. In tegenstelling tot hetgeen sommige partijen aanvoeren, en overeenkomstig hetgeen in B.12.3 is vermeld, heeft de vorm van de aantekening in het register geen enkel gevolg voor de regelmatigheid van een gemeentelijke norm die door aanplakking is bekendgemaakt. De mogelijke niet-tegenstelbaarheid van het reglement waarvan de bekendmaking niet werd vastgesteld met inachtneming van de bepalingen die zijn aangenomen krachtens de machtiging aan de uitvoerende macht, dient te worden beschouwd als een gevolg van het gebrek aan bewijs van de bekendmaking, en mag niet worden verward met de nietigheid van de akte. Bovendien volgt die niet-tegenstelbaarheid hoofdzakelijk uit de in het geding zijnde bepalingen, die de aantekening vastleggen als het enige bewijs van de bekendmaking van gemeentelijke reglementen en verordeningen, en niet uit de machtiging of uit de reglementaire bepalingen. Om de redenen vermeld in B.15 tot B.19 is die exclusiviteit op het gebied van bewijslevering niet onbestaanbaar met de Grondwet. Bijgevolg heeft de aan de uitvoerende macht verleende machtiging geen kennelijk onevenredige gevolgen. B.
  119. Uit het voorgaande volgt dat de wetgevers de essentiële elementen hebben bepaald van de maatregelen waarvan zij de uitvoering delegeren aan de uitvoerende macht, en dat die machtigingen bijgevolg niet strijdig zijn met het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 190 van de Grondwet. B.
  120. Het Hof wordt eveneens ondervraagd over de bestaanbaarheid van de machtiging die is vervat in de in het geding zijnde bepalingen, wanneer die machtiging de gemeentelijke belastingreglementen beoogt, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 170 van de Grondwet. B.
  121. Artikel 170, § 4, van de Grondwet, bepaalt : « Geen last of belasting kan door de agglomeratie, de federatie van gemeenten en de gemeente worden ingevoerd dan door een beslissing van hun raad. 26 De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt ». B.
  122. De fiscale aangelegenheid is een bevoegdheid die door de Grondwet aan de wet wordt voorbehouden, waarbij het aan de wetgever staat de essentiële elementen ervan vast te stellen. Tot de essentiële elementen van de belasting behoren de aanwijzing van de belastingplichtigen, de belastbare materie, de heffingsgrondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingvrijstellingen. B.
  123. De machtiging die is vervat in de in het geding zijnde bepalingen biedt geenszins de mogelijkheid dat een gemeentelijk belastingreglement wordt aangenomen door een andere overheid dan de gemeenteraad. B.
  124. Bovendien maakt de vorm van de aantekening in het register van de bekendmaking van gemeentelijke belastingreglementen, ook al kan hij gevolgen hebben voor het bewijs van de bekendmaking en voor de tegenstelbaarheid van die reglementen, geen deel uit van de in B.27 vermelde essentiële elementen van de belasting. B.
  125. Bijgevolg zijn de in het geding zijnde bepalingen niet strijdig met het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 170 van de Grondwet. B.
  126. Het onderzoek van de in het geding zijnde bepalingen in het licht van de artikelen 33, 105, 108, 159, 162, 172 en 191 van de Grondwet, waarvan noch de verwijzende rechters, noch de partijen uiteenzetten in welk opzicht zij geschonden zouden zijn, leidt niet tot een andere conclusie. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
  127. Die vraag aan het Hof betreft het verschil in behandeling dat door de in het geding zijnde bepalingen zou worden gecreëerd tussen, enerzijds, de gemeenten die het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 in acht nemen en, anderzijds, die welke dat koninklijk besluit niet in acht nemen. 27 B.
  128. Het voormelde verschil in behandeling volgt niet uit de tekst van de in het geding zijnde bepalingen, die aan alle betrokken gemeenten dezelfde verplichtingen opleggen, maar uit het feit of bepaalde gemeenten het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 al dan niet in acht nemen. Bijgevolg valt de prejudiciële vraag niet onder de bevoegdheid van het Hof. B.
  129. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag B.
  130. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met, onder meer, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 190 van de Grondwet, in zoverre zij het feit of gemeentelijke reglementen en verordeningen bindende kracht krijgen, doen afhangen van de bekendmaking ervan door aanplakking maar ook van de aantekening in het register, terwijl de akten van de andere overheden bindende kracht krijgen door enkel een bekendmaking. B.36.
  131. Het uitgangspunt van de prejudiciële vraag is dat een gemeentelijke norm bindende kracht krijgt door de combinatie van twee voorwaarden, namelijk de eigenlijke bekendmaking en de aantekening, terwijl de andere normen, die in een officieel publicatieblad worden bekendgemaakt, geen enkele andere formaliteit veronderstellen. B.36.
  132. Volgens de artikel 114 van de Nieuwe Gemeentewet en artikel L1133-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie krijgen gemeentelijke reglementen en verordeningen uitsluitend bindende kracht via een bekendmaking door aanplakking, namelijk op de vijfde dag volgend op de dag van bekendmaking op die wijze. Er is geen enkele andere voorwaarde vereist. De aantekening in het speciaal daartoe gehouden register vormt het bewijsmiddel van die aanplakking, met name voor een rechtbank. Volgens de in B.12.3 vermelde rechtspraak van het Hof van Cassatie leidt een niet-inachtneming van de regels betreffende de vorm van de aantekening in het register tot het ontbreken van enig bewijs van de aanplakking en, bijgevolg, tot de niet-tegenstelbaarheid van het gemeentelijk reglement. 28 De bekendmaking in een officieel publicatieblad is, op dezelfde wijze, de enige voorwaarde voor de bindende kracht van normen die op die wijze zijn bekendgemaakt. Louter de omstandigheid dat het bestaan van de bekendmaking in het officieel publicatieblad gemakkelijker kan worden bewezen, betekent niet dat dit soort bekendmaking aan geen enkele bewijsregeling onderworpen is. B.36.
  133. In zoverre zij ervan uitgaat dat de bindende kracht van gemeentelijke reglementen en verordeningen, in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en in het Waalse Gewest, afhangt van een dubbele voorwaarde van bekendmaking en aantekening, gaat de prejudiciële vraag uit van een verkeerde premisse. Het verschil in behandeling dat erin wordt beschreven, is bijgevolg onbestaande. B.
  134. De derde prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Ten aanzien van de vierde prejudiciële vraag B.
  135. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 190 van de Grondwet, in zoverre zij het feit of gemeentelijke reglementen en verordeningen bindende kracht krijgen doen afhangen van de bekendmaking ervan door aanplakking maar ook van de aantekening in het register, terwijl de akten van de provinciale overheden bindende kracht krijgen door enkel een bekendmaking in het Bulletin provincial. B.
  136. Om de redenen die zijn vermeld in B.36.1 tot B.36.3, gaat de prejudiciële vraag uit van een verkeerd uitgangspunt. Het verschil in behandeling dat erin wordt beschreven, is bijgevolg onbestaande. B.
  137. De vierde prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 29 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
  138. De artikelen 112 en 114 van de Nieuwe Gemeentewet en de artikelen L1133-1 en L1133-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 170 en 190 van de Grondwet.
  139. De tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 december
  140. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.165 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150521.14 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150521.15 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.058 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.