id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.166 Arrest- Rolnummer: 166/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-12-27 Raadplegingen: 691 - laatst gezien 2026-06-19 04:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Geen schending (artikel 23 van de wet van 15 juni 1935) - De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 23 en 23quater van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », gesteld door de Politierechtbank te Vilvoorde. Gerechtelijk recht - Gebruik der talen in gerechtszaken - Vraag tot taalwijziging voor een Nederlandstalige politierechtbank van het gerechtelijk arrondissement Brussel - Beklaagden die noch het Frans, noch het Nederlands kennen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 166/2022 van 15 december 2022 Rolnummer : 7782 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 23 en 23quater van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », gesteld door de Politierechtbank te Vilvoorde. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 28 maart 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 maart 2022, heeft de Politierechtbank te Vilvoorde de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet, (met name de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet), in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM en artikel 14.3 a en f IVBPR, in de mate dat een beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt, wanneer hij terecht staat voor een politierechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Nederlands is, de bijstand van een tolk Nederlands/Frans - Frans/Nederlands mag weigeren en kan vragen dat de rechtspleging in het Frans zou geschieden, terwijl een beklaagde, hoewel ook van Belgische nationaliteit, die geen Nederlands of Frans kent, die mogelijkheid niet heeft ? 2. Schendt artikel 23quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik ter talen in gerechtszaken de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet, (met name de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet), in samenhang met artikel 6 EVRM en artikel 14.3 a en f IVBPR, in de mate dat het een politierechtbank gelegen in het gerechtelijk arrondissement Brussel zou verhinderen bij het afwijzen van een vraag tot 2 taalwijziging, meteen ook uitspraak te doen over de grond van de zaak, terwijl een politierechtbank gelegen buiten het gerechtelijk arrondissement Brussel wel die mogelijkheid heeft ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 21 september 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers W. Verrijdt en T. Detienne te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 oktober 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 12 oktober 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil L.B. wordt vervolgd voor de Politierechtbank te Vilvoorde, zijnde het verwijzende rechtscollege, omdat zij heeft nagelaten haar rijbewijs neer te leggen ter griffie binnen de termijn voorgeschreven door artikel 40 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », nadat tegen haar een verval van het recht op sturen werd uitgesproken. L.B. heeft gevraagd dat de rechtspleging in het Frans wordt gevoerd en dus dat de zaak wordt verwezen naar een Franstalig rechtscollege, overeenkomstig artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935). Alvorens een beslissing te nemen over dat verzoek, heeft het verwijzende rechtscollege de hierboven weergegeven prejudiciële vragen gesteld. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.1. Volgens de Ministerraad kent het in de eerste prejudiciële vraag vermelde verschil in behandeling een redelijke verantwoording en is artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. A.1.2. De Ministerraad wijst erop dat de wetgever, bij de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken, de individuele rechten van de beklaagde in overeenstemming dient te brengen met de goede werking van de rechtsbedeling, zoals het Hof onder meer heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 124/2019 van 26 september 2019. De taalregeling in gerechtszaken steunt op de indeling van het grondgebied in taalgebieden overeenkomstig artikel 4 van de Grondwet. Het uitgangspunt van die regeling is dat de taal van de rechtspleging de taal is van het taalgebied waar het bevoegde rechtscollege is gevestigd, zoals het Hof heeft aangegeven bij zijn arrest nr. 120/2019 van 19 september 2019. Het is bijgevolg in overeenstemming met de beginselen van de taalwetgeving dat de mogelijkheid om te worden beoordeeld in de eigen taal wordt voorbehouden aan de beklaagden die alleen een van 3 de drie landstalen kennen of zich gemakkelijker in een van die talen uitdrukken. Een taalwijziging is ook enkel ten aanzien van zulke beklaagden zinvol en praktisch haalbaar, aangezien er in België uitsluitend rechtscolleges zijn die recht spreken in het Nederlands, het Frans of het Duits. Bijgevolg blijven, wanneer de taal van de procedure dient te worden gewijzigd in een andere landstaal, de nadelen voor de rechtsbedeling beperkt, aangezien het dan volstaat om de zaak door te verwijzen naar een ander rechtscollege. A.1.3. Volgens de Ministerraad heeft artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 geen onevenredige gevolgen voor de beklaagden die geen enkele landstaal kennen en daardoor geen taalwijziging kunnen vragen. Verschillende wetsbepalingen, waaronder de artikelen 145, 152bis en 164 van het Wetboek van strafvordering en de artikelen 22 en 31 van de wet van 15 juni 1935, maken het immers mogelijk voor zulke beklaagden om de strafprocedure te begrijpen en eraan deel te nemen, ook al zijn zij de taal waarin die procedure wordt gevoerd niet machtig. A.1.4. De Ministerraad vervolgt dat artikel 13 van de Grondwet, artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten geen recht inhouden op een rechtspleging in een door de beklaagde gekozen taal, en evenmin eraan in de weg staan dat slechts aan bepaalde categorieën van beklaagden de mogelijkheid wordt geboden om een taalwijziging te vragen. A.1.5. Tot slot merkt de Ministerraad op dat een verzoek tot taalwijziging op gemotiveerde wijze kan worden afgewezen wanneer de taalwijziging tot een overschrijding van de redelijke termijn zou leiden. De bekommernis van het verwijzende rechtscollege dat de Franstalige rechtbank waarnaar de zaak in het bodemgeschil zou moeten worden verwezen in geval van een taalwijziging, te kampen heeft met een aanzienlijke gerechtelijke achterstand, kan bijgevolg niet doen besluiten tot de ongrondwettigheid van artikel 23 van de wet van 15 juni 1935. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.2. Wat betreft de tweede prejudiciële vraag, is de Ministerraad het eens met de aan het Hof voorgelegde interpretatie van artikel 23quater van de wet van 15 juni 1935, volgens welke een politierechtbank gevestigd in het gerechtelijk arrondissement Brussel niet onmiddellijk uitspraak kan doen over de grond van de zaak wanneer zij een verzoek tot taalwijziging afwijst. Enkel in die interpretatie kan het specifieke beroep waarin artikel 23quater voorziet, dat wordt behandeld zoals in kort geding en de verjaring van de strafvordering schorst, een nuttige uitwerking hebben. De omstandigheid dat de Franstalige en de Nederlandstalige arrondissementsrechtbanken, in verenigde vergadering, krachtens artikel 23quater bevoegd zijn « in volle rechtsmacht », betekent enkel dat die rechtbanken in feite en in rechte over de taalwijziging oordelen, maar niet dat zij ten gronde uitspraak kunnen doen over de strafvordering. A.3. De Ministerraad is van mening dat de tweede prejudiciële vraag niet ontvankelijk is, aangezien het verwijzende rechtscollege niet uiteenzet op welke wijze artikel 23quater van de wet van 15 juni 1935, in de voormelde interpretatie, in strijd zou zijn met de aangehaalde referentienormen. Er valt niet in te zien waarom de onmogelijkheid voor de strafrechter om onmiddellijk uitspraak te doen over de grond van de zaak wanneer om een taalwijziging wordt verzocht, het recht op toegang tot de rechter of het recht op een eerlijk proces in het gedrang zou brengen. Volgens de Ministerraad vergelijkt het verwijzende rechtscollege bovendien geen verschillende categorieën van personen, maar wel verschillende categorieën van politierechtbanken, die geen rechten kunnen ontlenen aan de aangehaalde referentienormen. In werkelijkheid berust de prejudiciële vraag op een opportuniteitskritiek met betrekking tot de gevolgen van de wetgeving inzake taalgebruik in gerechtszaken voor de beoordeling van verkeersmisdrijven door de strafrechter. A.4.1. Ten gronde zet de Ministerraad uiteen dat het in de prejudiciële vraag vermelde verschil in behandeling voortvloeit uit een door de Grondwetgever zelf gemaakte keuze, ten aanzien waarvan het Hof niet bevoegd is. De omstandigheid dat de politierechtbank bij het afwijzen van een verzoek tot taalwijziging wordt verhinderd onmiddellijk uitspraak te doen over de grond van de zaak, vormt immers een wezenlijk kenmerk van het rechtstreeks beroep bij de verenigde Franstalige en Nederlandstalige arrondissementsrechtbanken, die bevoegd zijn in volle rechtsmacht. Die beroepsmogelijkheid behoort tot de essentiële elementen van de hervorming met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel, bedoeld in artikel 157bis van de Grondwet. Uit de parlementaire voorbereiding van die grondwetsbepaling blijkt dat de Grondwetgever niet alleen kennis had van die essentiële elementen, maar zich eveneens de keuzes die eruit voortvloeien eigen heeft gemaakt (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2141/001, pp. 3-5). A.4.2. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de beklaagden die terechtstaan voor een politierechtbank in het gerechtelijk arrondissement Brussel en 4 die in geval van een afwijzing van hun verzoek tot taalwijziging een beroep kunnen instellen overeenkomstig artikel 23quater van de wet van 15 juni 1935 en, anderzijds, de overige beklaagden, die niet over een dergelijke beroepsmogelijkheid beschikken, een redelijke verantwoording kent. Dat verschil in behandeling is bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De Ministerraad wijst erop dat de specifieke beroepsprocedure van artikel 23quater van de wet van 15 juni 1935 deel uitmaakt van het institutioneel akkoord voor de zesde staatshervorming, waarmee werd beoogd de taalrechten van zowel de Nederlandstaligen als de Franstaligen in het gerechtelijk arrondissement Brussel te vrijwaren. Die procedure draagt dus bij tot de communautaire vrede. Het is bovendien pertinent om enkel in het gerechtelijk arrondissement Brussel in een dergelijke beroepsprocedure te voorzien, aangezien het taalgebruik bij de rechtspleging in dat arrondissement om historische, sociale en demografische redenen aanleiding geeft tot de meeste problemen. Volgens de Ministerraad heeft de in het geding zijnde bepaling ten slotte geen onevenredige gevolgen. Voor de beklaagden die geen gebruik kunnen maken van de beroepsmogelijkheid waarin die bepaling voorziet, omdat zij worden berecht buiten het gerechtelijk arrondissement Brussel, staat immers een gemeenrechtelijk hoger beroep open tegen de afwijzing van het verzoek tot taalwijziging, zoals ook blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass., 29 september 2015, P.15.0123.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150929.4). In zoverre het verwijzende rechtscollege meent dat het schorsend effect van de in het geding zijnde beroepsprocedure zou verhinderen dat, in geval van verkeersmisdrijven, bepaalde dringende veiligheidsmaatregelen worden opgelegd, merkt de Ministerraad op dat een dergelijke kritiek vreemd is aan de rechten van de beklaagden die geen gebruik kunnen maken van die beroepsprocedure. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1. De prejudiciële vragen houden verband met de mogelijkheid voor een beklaagde om, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank van het gerechtelijk arrondissement Brussel, een taalwijziging te vragen. B.2. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935). Die bepaling regelt de wijziging van de taal van de rechtspleging bij de politierechtbank en de correctionele rechtbank, op verzoek van de beklaagde : « De beklaagde die alleen Nederlands kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Frans of het Duits is, vragen dat de rechtspleging in het Nederlands geschiedt. De beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Nederlands is, vragen dat de rechtspleging in het Frans geschiedt. 5 De beklaagde die alleen Duits kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Nederlands of het Frans is, vragen dat de rechtspleging in het Duits geschiedt. In de gevallen bedoeld in de leden 1 tot 3, gelast de rechtbank de verwijzing naar het dichtstbij gelegen gerecht van dezelfde rang, waarvan de taal van rechtspleging de taal is die door de beklaagde is gevraagd. De rechtbank kan evenwel beslissen wegens de omstandigheden van de zaak niet op de aanvraag van de beklaagde te kunnen ingaan. De beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt, kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Duits is, vragen dat de rechtspleging in het Frans geschiedt. In dat geval wordt de rechtspleging voor datzelfde gerecht voortgezet in de taal die door de beklaagde is gevraagd. Ingeval in het rechtsgebied van het hof van beroep te Luik geen enkele rechter in strafuitvoeringszaken of substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken het bewijs levert van de kennis van de Duitse taal, wordt een beroep gedaan op een tolk. De verjaring van de strafvordering wordt geschorst voor een termijn van maximum één jaar vanaf het moment van de vraag tot verwijzing tot op de dag van de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak ten gronde, opnieuw door de rechtbank zal worden hervat ». B.3.1. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 23quater van de wet van 15 juni 1935, dat voorziet in een specifiek rechtsmiddel voor beslissingen over verzoeken tot taalwijziging die voor de rechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel worden ingediend : « Bij de in artikel 73, tweede lid, en in artikel 75bis van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde Franstalige en Nederlandstalige arrondissementsrechtbanken, die gezamenlijk bij uitsluiting bevoegd zijn in volle rechtsmacht, worden volgens een procedure zoals in kort geding, beroepen ingesteld door de partijen in geval van schending door de burgerlijke rechtscolleges of de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel van de artikelen 3 tot 7, 7bis, 7ter, 15 en 23. Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid, met redenen omkleed en binnen vijftien dagen na ontvangst van de beslissing over het verzoek tot taalwijziging per aangetekende brief en fax ingesteld. Een kopie van het beroep wordt binnen dezelfde termijn per brief of fax aan de oorspronkelijk gevatte rechtbank en aan de partijen overgemaakt. De partij die het beroep instelt, vermeldt expliciet het adres en het faxnummer waarop de beslissing haar kan worden ter kennis gegeven. Wanneer een beroep wordt ingesteld met inachtneming van de voorgaande vormen, wordt de procedure voor de rechter bij wie de vordering oorspronkelijk aanhangig is gemaakt en, wanneer het gaat om de politierechtbank, de verjaring van de oorspronkelijke rechtsvordering opgeschort totdat de beslissing van de arrondissementsrechtbank ter kennis gegeven wordt. 6 De arrondissementsrechtbank geeft kennis van zijn beslissing per brief of fax aan alle partijen alsook aan de rechter bij wie de zaak aanvankelijk aanhangig werd gemaakt. Deze beslissing is niet vatbaar voor verzet of beroep ». B.3.2. Dat rechtsmiddel werd ingevoerd bij de wet van 19 juli 2012 « betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel ». De memorie van toelichting bij die wet vermeldt daaromtrent : « Het akkoord van 11 oktober 2011 bepaalt dat een onmiddellijk beroepsrecht en met volle rechtsmacht voor de verenigde Nederlandstalige en Franstalige arrondissementsrechtbanken zal worden ingesteld. Bij staking van stemmen geeft de stem van de voorzitter de doorslag. Het voorzitterschap van dit rechtscollege wordt alternerend waargenomen door een Franstalige en een Nederlandstalige magistraat, in functie van de inschrijving op de rol. De procedure zal een procedure zoals in kort geding zijn. Die beroepsprocedure schorst de procedure voor de rechter op waarvan de beslissing het voorwerp ervan is. Aangezien het een procedure in kort geding betreft die het verloop van het proces als dusdanig niet mag vertragen of ertoe toe leiden dat het originele verzoek verjaart, is bepaald dat de kennisgeving per aangetekend schrijven en fax gebeurt en dat de verjaring van de originele actie wordt opgeschort tot aan de mededeling van de beslissing van de rechtbank per post en fax. Daartoe delen de partijen hun specifieke contactgegevens mee. De termijn van 15 dagen begint te lopen de dag na de ontvangst van de uitspraak over de vraag tot verandering van taal. De door de verenigde Nederlandstalige en Franstalige arrondissementsrechtbanken genomen beslissingen zijn niet vatbaar voor verzet of beroep. Dit beroep heeft betrekking op de beslissingen van de verschillende rechtscolleges van het gerechtelijke arrondissement van Brussel die genomen worden in toepassing van de artikelen 3, 4, 5, 6, 7, 7bis, 7ter, 15 en 23 van de wet. Dit betekent dat op strafrechtelijk vlak alleen de beslissingen van de politierechtbanken het voorwerp van dit beroep kunnen uitmaken. De beperking van dit beroepsmechanisme tot de rechtscolleges van het gerechtelijk arrondissement Brussel wordt gemotiveerd door de beslissing van de grondwetgever om enkel nog bij een bijzondere meerderheid wijzigingen toe te staan aan een bepaald aantal kernelementen van de hervorming van het gerechtelijke arrondissement Brussel, waaronder dit beroep en de rechten dat het moet beschermen, vallen. De vaststelling dat de hervorming van het gerechtelijk arrondissement van Brussel in zijn geheel en de invoering van dit beroep in het bijzonder raakt aan de kern van de grote evenwichten die bijdragen aan de communautaire vrede, rechtvaardigt de keuze van de 7 grondwetgever en de beperking van het beroep tot de beslissingen van de rechtscolleges van dit arrondissement » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2140/001, pp. 23-24). Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.4. De eerste prejudiciële vraag handelt over de bestaanbaarheid van artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14, lid 3,
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.