← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.171

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.171 Arrest- Rolnummer: 171/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-05-08 Raadplegingen: 477 - laatst gezien 2026-06-17 15:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van de vordering tot schorsing Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vordering tot schorsing van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « betreffende de opschorting van de uitvoering van de beslissingen van administratieve en gerechtelijke uitzettingen », ingesteld door de vzw « Nationaal Eigenaars en Mede-eigenaars Syndicaat » en anderen. Huisvesting - Waals Gewest - Huurder - Uithuiszetting - Tijdelijk verbod van uithuiszettingen - Energiecrisis Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 171/2022 van 22 december 2022 Rolnummer : 7877 In zake : de vordering tot schorsing van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « betreffende de opschorting van de uitvoering van de beslissingen van administratieve en gerechtelijke uitzettingen », ingesteld door de vzw « Nationaal Eigenaars en Mede-eigenaars Syndicaat » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 oktober 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 oktober 2022, is een vordering tot schorsing ingesteld van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « betreffende de opschorting van de uitvoering van de beslissingen van administratieve en gerechtelijke uitzettingen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 oktober 2022) door de vzw « Nationaal Eigenaars en Mede-eigenaars Syndicaat », Igor Pliner, Astrid Van Der Straten, Stéphane Devos en José Grandry, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-M. Rigaux, advocaat bij de balie Luik-Hoei. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van hetzelfde decreet. Bij beschikking van 26 oktober 2022 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 23 november 2022, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 17 november 2022 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de 2 verzoekende partijen over te zenden, alsook aan de griffie van het Hof via mail op het adres « griffie@const-court.be ». Geen enkele memorie werd ingediend. Op de openbare terechtzitting van 23 november 2022 : - zijn verschenen : . Mr. J.-M. Rigaux en Mr. V. Paquet, advocaat bij de balie Luik-Hoei, voor de verzoekende partijen; . Mr. M. Kaiser en Mr. C. Jadot, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1.

  1. De verzoekende partijen voeren aan dat het beroep ontvankelijk is ratione temporis. A.1.
  2. Zij herinneren tevens eraan dat het Hof, bij zijn arrest nr. 97/2022 van 14 juli 2022, het belang heeft erkend van de eerste verzoekende partij om in rechte te treden tegen vrijwel identieke maatregelen. Het statutaire doel van de eerste verzoekende partij omvat « de verdediging van het onroerende en roerende private eigendomsrecht », zodat de aantastingen van het eigendomsrecht die de bestreden bepalingen met zich meebrengen, de ontvankelijkheid van haar beroep verantwoorden. A.1.
  3. De vier andere verzoekende partijen zijn eigenaars die hun onroerend goed verhuren. Twee van de eigenaars beschikken over een vonnis waarin de opzegging van de huurovereenkomst is uitgesproken terwijl de twee andere op een vonnis wachten. De verzoekende partijen zijn van mening dat zij beschikken over een belang om in rechte te treden aangezien die vonnissen niet zullen kunnen worden uitgevoerd vooraleer de maatregel inzake het tijdelijk verbod van de uitzettingen eindigt, namelijk op 15 maart
  4. Ten aanzien van het ernstige karakter van de middelen A.2.
  5. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, enerzijds, van de artikelen 39 en 134 van de Grondwet en, anderzijds, van de artikelen 6 en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Zij verklaren dat het Waalse Gewest zichzelf bevoegd acht om uithuiszettingen tijdelijk te verbieden op grond van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus
  6. Zij zijn van mening dat de afdeling wetgeving van de Raad van State, in haar advies nr. 67.387/3 van 14 mei 2020 over het ontwerp dat 3 ten grondslag ligt aan het volmachtbesluit nr. 2020/023 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 mei 2020 « dat uithuiszettingen tijdelijk verbiedt tot en met 31 augustus 2020 », betwijfelt dat de gewesten bevoegd zijn om de aangelegenheid van de uitzettingen uit plaatsen die krachtens een huurovereenkomst worden betrokken, te regelen. A.2.
  7. Volgens de verzoekende partijen bepaalt artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 dat de gewesten bevoegd zijn inzake regels betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan. De uitzetting werd echter nooit geregeld in de teksten betreffende de huurovereenkomsten, maar wel in het Gerechtelijk Wetboek. Uit de bedoeling van de wetgever volgt dat een uitzetting een in het Gerechtelijk Wetboek beoogde uitvoeringsmaatregel is, die is voorbehouden aan de federale wetgever. De verzoekende partijen voeren aan dat het Waalse Gewest zich in dat kader niet kan beroepen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 om te raken aan de bevoegdheid van de federale overheid inzake justitie, omdat de impact van de bestreden maatregelen op die bevoegdheid niet marginaal is, aangezien zij de vrederechter de volledige bevoegdheid die artikel 1344quater, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek hem toekent, ontzeggen. Zij zijn van mening dat het Hof, bij zijn arrest nr. 97/2022 van 14 juli 2022, heeft geoordeeld dat het tijdelijke uitstel van de uitvoering van de rechterlijke beslissingen tot uitzetting een regeling is die afwijkt van het Gerechtelijk Wetboek en alleen in uitzonderlijke omstandigheden kan worden ingevoerd. Volgens de verzoekende partijen zijn de omstandigheden van de Covid-19-pandemie niet vergelijkbaar met die van de energiecrisis. Zij voeren aan dat de volksgezondheid niet in het geding is. Bovendien heeft België verschillende energie- en economische crisissen ondergaan zonder dat maatregelen inzake de opschorting van de uitzettingen werden genomen. Tenzij het begrip « uitzonderlijke omstandigheden » wordt uitgehold, kan niet worden aangenomen dat bij elke nieuwe economische crisis de overheid over de mogelijkheid beschikt om de uitvoering van de rechterlijke beslissingen tot uitzetting op te schorten. De verzoekende partijen zijn van mening dat de maatregel structureel zou kunnen worden, waardoor kan worden getwijfeld aan het marginale karakter ervan. De verzoekende partijen verklaren eveneens dat, indien het doel van de maatregel erin bestaat de zwakke huurders gedurende de winterperiode te beschermen, het niet noodzakelijk is te verwijzen naar een economische of energiecrisis. Indien het doel daarentegen erin bestaat de zwakke huurders te beschermen tegen elke economische of energiecrisis, dienen de uitzettingen niet tijdelijk te worden opgeschort gedurende de winter en zou die maatregel op elk ogenblik van het jaar kunnen worden genomen. A.3.
  8. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten en van artikel 144 van de Grondwet, alsook van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3.
  9. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat, door de gewone rechtscolleges een deel van hun bevoegdheid inzake de uitzetting van de huurders te ontzeggen, de bestreden bepalingen op onevenredige wijze afbreuk doen aan het beginsel van de scheiding der machten en de voorwaarden van de theorie van de impliciete bevoegdheden, inzonderheid de vereiste van noodzakelijkheid, niet in acht nemen. De verzoekende partijen doen hun redenering steunen op het voormelde advies van de afdeling wetgeving nr. 67.387/3 en op het voormelde arrest van het Hof nr. 97/
  10. Ze zijn van mening dat het Hof, in dat arrest, heeft geoordeeld dat de uitvoerende macht de uitvoering van de rechterlijke beslissingen tot uitzetting kan opschorten wanneer is voldaan aan de volgende zes voorwaarden : de maatregel is strikt tijdelijk; hij beoogt slechts een beperkte periode; hij dient een hoger algemeen doel; hij laat toe het hoofd te bieden aan een onvoorziene en zeer dringende situatie; de situatie is uitzonderlijk en de overheid beschikt niet over de vereiste ervaring om de verwachte gevolgen van de maatregel precies in te schatten; de maatregel heeft tot doel de gezondheid te beschermen, alsook het recht op huisvesting van kwetsbare personen in de context van een crisis. De verzoekende partijen zijn van mening dat de bestreden bepalingen aan geen enkele van die voorwaarden voldoen. A.3.
  11. In een tweede onderdeel zetten de verzoekende partijen uiteen dat de bestreden bepalingen op discriminerende wijze afbreuk doen aan het eigendomsrecht. Zij zijn van mening dat de maatregel geen legitiem doel nastreeft. Zij voeren aan dat de maatregel slechts een symbolische draagwijdte heeft. Zij betwijfelen dat het eigendomsrecht op wettige wijze kan worden beperkt door de bestreden bepalingen, daar economische omstandigheden, soms aanzienlijk, veranderen. Zij zijn van mening dat er geen waarborgen zijn dat de maatregel niet wordt uitgebreid. Zij voeren ook aan dat het risico bestaat dat de 4 essentie zelf van het eigendomsrecht in het geding wordt gebracht. Zij zijn van mening dat de situatie veel meer objectiveerbaar was in het kader van de strijd tegen de gevolgen van de Covid-19-pandemie. Zij voeren aan dat het nagestreefde doel geen doel van algemeen belang is, maar een strikt financieel doel dat veel weg heeft van een verkapte belasting. Volgens hen verkiest het Waalse Gewest dat de private eigenaars de kostprijs dragen van verschillende maanden huur en huurlasten, in plaats van zelf in te staan voor de uitgezette huurders. Daarnaast herinneren zij eraan dat sommige private eigenaars in een onzekere situatie verkeren vanwege de terugbetaling van hun lening wegens door de economische crisis. Het is veel moeilijker een goed te koop te stellen dat wordt bezet door een insolvente huurder die gedurende vier en een halve maand niet kan worden uitgezet, dan wanneer de huurder kon worden uitgezet. Zij zetten uiteen dat een eigenaar mogelijk zelf zijn goed wil betrekken, ongeacht de redenen daartoe, of die mogelijkheid wil bieden aan een familielid. Daar dat goed volkomen onbeschikbaar wordt gedurende een periode van vier en een halve maand, zijn de eigenaars ertoe verplicht andere oplossingen voor zichzelf of voor personen uit hun omgeving te zoeken. Volgens de verzoekende partijen houdt de bestreden maatregel geen rechtstreeks verband met het ontstaan van de energiecrisis en de zware economische gevolgen ervan voor de gezinnen. De verzoekende partijen leiden hieruit af dat de maatregel onevenredige gevolgen heeft. Ten slotte voeren de verzoekende partijen aan dat, indien de eigenaars, op grond van het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten, de overheid moesten dagvaarden voor de gewone rechtscolleges teneinde een compensatie te verkrijgen mocht de maatregel niet worden afgekeurd door het Grondwettelijk Hof, zulks aanzienlijke inspanningen en financiële uitgaven zou inhouden bovenop het verlies dat zij zullen lijden door de uitvoering van de bestreden maatregel. Ten aanzien van het risico op het moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.4.
  12. De vordering tot schorsing en het beroep tot vernietiging zijn ingesteld door de vzw « Nationaal Eigenaars- en Mede-eigenaars Syndicaat » (hierna : het « NEMS ») en vier eigenaars die hun goed verhuren. Twee van de eigenaars beschikken over een vonnis waarin de opzegging van de huurovereenkomst is uitgesproken; de twee andere wachten op een vonnis. Die vonnissen zullen niet kunnen worden uitgevoerd vooraleer de maatregel inzake het tijdelijk verbod van uitzetting eindigt, namelijk op 15 maart
  13. A.4.
  14. Volgens de vzw « NEMS » heeft het Hof, bij zijn arrest nr. 46/2021 van 11 maart 2021, geoordeeld dat een feitelijke vereniging in het belang van haar leden de schorsing van een wetskrachtige norm kan vorderen. Het « NEMS » is van mening dat, wanneer het statutair doel van een vereniging de verdediging van een wezenlijk recht omvat en die vereniging kan aantonen dat de schending van dat recht een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen aan haar leden, het Hof van oordeel is dat de vereniging een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan lijden. Zij voert aan dat, te dezen, een wezenlijk recht, namelijk het eigendomsrecht, kan worden geschonden zodat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan lijden. Zij voert aan dat de vordering tot schorsing zou toelaten die schending van het eigendomsrecht te voorkomen, terwijl het beroep tot vernietiging er pas zou komen nadat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zich heeft voorgedaan. Zij zet uiteen dat de eigenaars-verhuurders die lid zijn van haar vereniging het risico zullen lopen financieel verlies te lijden, namelijk het risico dat tijdelijk geen huur en voorzieningen voor lasten worden betaald. Zij onderstreept tevens het risico dat haar leden de lasten van mede-eigendom zullen moeten betalen zonder de garantie te hebben dat zij door de huurders worden terugbetaald. Daarnaast is het « NEMS » van mening dat de bestreden bepalingen ook een nadeel kunnen teweegbrengen dat niet van financiële aard is, daar zij afbreuk doen aan de voorrechten die inherent zijn aan het eigendomsrecht. Zij voert aan dat de betrokken eigenaars zich in de onmogelijkheid zullen bevinden om binnen een redelijke termijn een andere huurder te vinden of het goed te verkopen. Zij zullen, volgens het « NEMS », evenmin het goed zelf 5 kunnen betrekken of het laten betrekken door een familielid. Het « NEMS » is van mening dat het na het einde van de periode van verbod tot uitzetting nog weken of zelfs maanden zal duren voordat de eigenaars hun voorrechten opnieuw zullen kunnen uitoefenen. A.4.
  15. De vier verzoekende partijen die natuurlijke personen zijn, zijn van mening dat zij individueel worden blootgesteld aan het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat de vzw « NEMS » in verband met haar leden omschrijft. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.
  16. De verzoekende partijen vorderen de schorsing van de artikelen 1 en 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « betreffende opschorting van de uitvoering van de beslissingen van administratieve en gerechtelijke uitzettingen » (hierna : het decreet van 22 september 2022). Het decreet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 oktober 2022 en is in werking getreden op 21 oktober
  17. B.1.
  18. Artikel 1 van het decreet van 22 september 2022 bepaalt : « §
  19. De uitvoering van alle gerechtelijke en administratieve beslissingen waarbij een uithuiszetting wordt bevolen, wordt opgeschort van 1 november 2022 tot en met 15 maart
  20. §
  21. In afwijking van paragraaf 1 kunnen de gerechtelijke en administratieve beslissingen waarbij een uithuiszetting wordt bevolen om redenen van openbare veiligheid, onmiddellijk gevaar voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de bewoners of opzettelijke beschadiging van de woning, uitgevoerd worden ». Artikel 2 van hetzelfde decreet bepaalt : « Van 1 november 2022 tot en met 15 maart 2023 moeten de politiediensten erop toezien dat fysieke uithuiszettingen, zo nodig door middel van dwang en/of geweld, worden verboden ». B.1.
  22. In de parlementaire voorbereiding wordt uiteengezet : « De energiecrisis leidt tot een zeer sterke stijging van de gas- en elektriciteitsprijzen en talrijke burgers worden zwaar getroffen en zullen grote moeilijkheden ondervinden om hun energiekosten en hun huur te betalen. Hierdoor is het zeer waarschijnlijk dat het aantal 6 onbetaalde huurgelden fors zal toenemen zodat gezinnen zullen worden uitgezet die reeds hard worden getroffen en in onzekerheid verkeren door de energiecrisis. Gelet op die elementen dient een maatregel te worden genomen om het risico op verarming te beperken en te voorkomen dat die gezinnen nog meer in de problemen komen doordat zij hun huisvesting verliezen. Die maatregel is gerechtvaardigd op grond van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Hij is immers noodzakelijk om gewestbevoegdheden uit te oefenen, daar de hier ingevoerde regeling de gevolgen beoogt van de toepassing van het decreet van 15 maart 2018 betreffende de woninghuurovereenkomst en van het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen. Die maatregel heeft een marginale impact, daar hij slechts gedurende een zeer beperkte periode in de tijd van toepassing zal zijn. De opschorting van de uitvoering van de beslissingen tot uitzetting beoogt zowel de beslissingen die reeds zijn genomen en die heel binnenkort zullen worden uitgevoerd, als de toekomstige beslissingen die zouden kunnen worden genomen gedurende de energiecrisis, aangezien het noodzakelijk is een maatregel te hebben die onmiddellijk en op uniforme wijze van toepassing is op alle rechterlijke en administratieve beslissingen tot uitzetting die voortvloeien uit een wetgeving die onder het Waalse Gewest valt. Die maatregel tot opschorting van de uitvoering van de beslissingen tot uitzetting brengt de naleving van de rechterlijke beslissingen niet in het geding, daar het gaat om een opschorting van de uitvoering van de beslissingen en niet om een vernietiging van die beslissingen. De maatregel tot opschorting betreft overigens alleen de uitzettingen waartoe is besloten op grond van een aangelegenheid die onder de bevoegdheid van het Waalse Gewest valt. Hij betreft bijgevolg niet de beslissingen tot dringende uitzetting die met name worden genomen om intrafamiliale redenen, zoals huishoudelijk geweld » (Parl. St., Waals Parlement, 2022- 2023, nr. 1028/1, p. 3). Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing B.
  23. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee voorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke toepassing van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. 7 Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
  24. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partijen, een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van die bepaling, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een vernietiging van die norm. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de personen die een vordering tot schorsing instellen, in hun verzoekschrift concrete en precieze feiten moeten uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan zij de vernietiging vorderen, hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die personen moeten met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen. B.4.
  25. De tweede, de derde, de vierde en de vijfde verzoekende partij voeren aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen het risico met zich meebrengt dat de huur en de voorzieningen voor lasten tijdelijk niet worden betaald. Zij doen eveneens gelden dat zij mogelijk de lasten van mede-eigendom zullen moeten betalen zonder de garantie te hebben door de huurders te worden terugbetaald. Zij voeren voorts aan dat de betrokken eigenaars in de onmogelijkheid zullen verkeren om binnen een redelijke termijn een andere huurder te vinden of het goed te verkopen. B.4.
  26. Het loutere risico een financieel verlies te lijden, vormt in beginsel geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Indien het Hof de bestreden bepalingen zou vernietigen, dan zouden de aangevoerde financiële nadelen, in de veronderstelling dat zij zich werkelijk voordoen, herstelbaar zijn. 8 B.5.
  27. Daarnaast voeren de tweede, de derde, de vierde en de vijfde verzoekende partij aan dat uit de bestreden bepalingen voortvloeit dat zij, gedurende de betrokken periode, het verhuurde goed niet zelf zullen kunnen betrekken of hun familieleden of personen uit hun omgeving het niet zullen kunnen laten betrekken. B.5.
  28. Aangezien de verzoekende partijen niet verwijzen naar concrete feiten die hun voornemen zouden aantonen, is om de verhuurde goederen te betrekken of hun familieleden of personen uit hun omgeving het goed te laten betrekken, het aangevoerde nadeel louter hypothetisch en kan het bijgevolg niet worden aangevoerd ter ondersteuning van hun vordering tot schorsing. Bovendien tonen de verzoekende partijen evenmin aan dat zijzelf of hun familieleden of personen uit hun omgeving ertoe verplicht zouden zijn hun woonplaats te verlaten binnen een termijn die zou verstrijken vooraleer de huurder die zijn huur niet langer betaalt, te kunnen uitzetten. Hieruit vloeit voort dat de door de verzoekende partijen aangevoerde nadelen niet een dergelijke impact hebben dat ze als ernstig kunnen worden beschouwd. B.
  29. In zijn arrest nr. 46/2021 van 11 maart 2021, dat door de verzoekende partijen wordt aangevoerd, heeft het Hof geoordeeld dat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vaststond ten aanzien van de verzoekende partijen die natuurlijke personen zijn. Hieruit vloeit voort dat het niet nuttig is dat de verzoekende feitelijke vereniging het bestaan aantoont van een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ten aanzien van haar. Aangezien de tweede, de derde, de vierde en de vijfde verzoekende partij niet het bestaan hebben aangetoond van een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dient echter te worden nagegaan of de eerste verzoekende partij het bewijs levert dat de bestreden bepalingen voor haar een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel inhouden. B.
  30. De eerste verzoekende partij heeft onder meer tot statutair doel « de verdediging van het onroerend goed en roerend privaat eigendomsrecht, met inbegrip van « het aanspannen van alle rechtsgedingen, voor de penale, burgerlijke en administratieve rechtscolleges, zowel gewestelijke, nationale als internationale, die zich zouden rechtvaardigen door de verdediging van haar doel ». 9 B.
  31. Om het ernstig en moeilijk te herstellen karakter van het nadeel te beoordelen, mag een vereniging zonder winstoogmerk die beginselen verdedigt of een collectief belang beschermt, niet worden verward met de personen die in hun persoonlijke situatie worden geraakt en op wie die beginselen en dat belang betrekking hebben. Het nadeel dat door de eerste verzoekende partij wordt aangevoerd met betrekking tot elk van de bepalingen waarvan de schorsing wordt gevorderd, is het materiële nadeel dat haar identificeerbare leden - natuurlijke personen of rechtspersonen - individueel zouden kunnen lijden als eigenaars-verhuurders. Het door de eerste verzoekende partij zelf geleden nadeel is daarentegen een louter moreel nadeel dat voortvloeit uit de aanneming of de toepassing van wetsbepalingen die de individuele belangen van haar leden kunnen raken. Een dergelijk nadeel zou te dezen met de eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen verdwijnen en is derhalve niet moeilijk te herstellen. B.
  32. Aangezien niet is voldaan aan een van de voorwaarden die zijn vereist bij artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, kan de vordering tot schorsing niet worden ingewilligd. 10 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 december
  33. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.171 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.147 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.