← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.001

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.001 Arrest- Rolnummer: 1/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-01-24 Raadplegingen: 1263 - laatst gezien 2026-06-18 19:20 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche

  1. Geen schending (artikel 72 van de wet van 15 december 1980, zo geïnterpreteerd dat het verwijst naar de wet betreffende de voorlopige hechtenis die van kracht was bij de afkondiging van de wet van 15 december 1980, namelijk die van 20 april 1874 « op de voorlopige hechtenis », rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.12)
  2. Geen schending (artikel 27, § 3, van de wet van 15 december 1980, gelet op hetgeen is vermeld in B.18) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 27 en 72 van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Bestuursrecht - Vreemdelingenrecht - Gevangenhouding met het oog op de verwijdering van het grondgebied -
  3. Cassatieberoep - Termijn om uitspraak te doen -
  4. Beslissing tot wederopsluiting - Duur van de gevangenhouding Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 1/2023 van 12 januari 2023 Rolnummer : 7620 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 27 en 72 van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 2 juli 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 augustus 2021, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
  5. Schendt artikel 72, vierde lid, van de wet van 15 december 1980, in de interpretatie volgens welke het niet de toepassing inhoudt van artikel 31, § 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis op het cassatieberoep dat is ingesteld tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij uitspraak wordt gedaan inzake administratieve vrijheidsberoving van een vreemdeling, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5, lid 4, en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, in zoverre het een onverantwoord verschil in behandeling creëert tussen een rechtzoekende die van zijn vrijheid is beroofd in het kader van een voorlopige hechtenis en een illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die van zijn vrijheid is beroofd in het kader van een administratieve hechtenis met toepassing van de wet van 15 december 1980 ? 2
  6. Schendt artikel 27, § 3, artikel 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, in de interpretatie volgens welke het toestaat om een nieuwe beslissing tot vrijheidsberoving te nemen die in de plaats treedt van een beslissing tot verlenging van de hechtenis en die als drievoudig gevolg heeft dat : - het gerechtelijk beroep betreffende de wettigheid van de vroegere titel van vrijheidsberoving zonder voorwerp wordt; - de reeds opgelopen hechtenisduur wordt tenietgedaan en de hechtenistermijn bijgevolg op onvoorzienbare wijze wordt verlengd; - de vreemdeling wordt onttrokken aan de waarborgen die zijn toegekend voor langdurige opsluitingen, zoals met name de maandelijkse controle van de naleving van de voorwaarden van de hechtenis ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - S. M.D., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Huget, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Matray en Mr. C. Piront, advocaten bij de balie Luik-Hoei, en door Mr. S. Arkoulis, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 21 september 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Detienne en W. Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 oktober 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 12 oktober 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 24 mei 2019 wordt S. M.D., Pakistaans onderdaan, aangehouden op het Belgisch grondgebied. ’s Anderdaags wordt hem een bevel toegezonden het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering. Twee beslissingen tot verlenging van zijn hechtenis worden respectievelijk genomen op 23 juli en 2 oktober
  7. Voor de bevoegde rechtbanken vecht S. M.D. de oorspronkelijke titel van hechtenis aan, alsook de voormelde verlengingen. Op 9 september 2019 dient hij daarnaast een verzoekschrift tot invrijheidstelling in, dat, na te zijn ingewilligd door de raadkamer, wordt verworpen door de kamer van inbeschuldigingstelling. Op 1 oktober 2019 stelt S. M.D. cassatieberoep in tegen dat arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling. Op 13 oktober 2019 zou een vlucht plaatshebben om S. M.D. te verwijderen naar Pakistan, maar die vlucht kan niet worden uitgevoerd omdat S. M.D. weigert aan boord te gaan. ’s Anderdaags wordt tegen hem een ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 3 vordering tot wederopsluiting genomen. Op 13 november 2019 is het Hof van Cassatie van oordeel dat het beroep met betrekking tot het op 9 september 2019 ingediende verzoekschrift tot invrijheidstelling zonder voorwerp is geworden gelet op de nieuwe titel van hechtenis. Op 22 januari 2020, na de beslissing tot verlenging van de hechtenis via de vordering tot wederopsluiting en na de verwerping van het verzoekschrift tot invrijheidstelling, stelt S. M.D. de Belgische Staat aansprakelijk door middel van een dagvaarding voor de verwijzende rechter. Op 25 januari van hetzelfde jaar wordt S. M.D. onder dwang verwijderd. De verwijzende rechter, aan wie vragen worden gesteld over de interpretatie die het Hof van Cassatie geeft aan de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », inzonderheid wat betreft de procedure inzake de hechtenis van vreemdelingen, stelt de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.
  8. De eiser voor de verwijzende rechter is allereerst van mening dat de in de prejudiciële vraag vermelde interpretatie van artikel 72, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980), met name de interpretatie van het Hof van Cassatie, verkeerd is. Volgens dat Hof verwijst de in het geding zijnde bepaling noodzakelijkerwijs naar de wet betreffende de voorlopige hechtenis die van kracht was bij de afkondiging van de wet van 15 december 1980 en verwijst zij dus niet naar de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis » (hierna : de wet van 20 juli 1990), maar wel naar de wet van 20 april 1874 « betreffende de voorlopige hechtenis » (hierna : de wet van 20 april 1874), en bijgevolg, wat de cassatieprocedure betreft, naar het Wetboek van strafvordering. De eiser voor de verwijzende rechter is van mening dat niets die interpretatie verantwoordt, daar, voor de strafrechtspleging, de nieuwe wet onmiddellijk van toepassing is. Bovendien kan de wet van 20 april 1874 niet worden toegepast, aangezien die is opgeheven. De in het geding zijnde bepaling is, ondanks het eerdere tijdstip ervan, slechts een algemene verwijzing naar de wet en biedt voldoende ruimte om rekening te kunnen houden met de daarop volgende ontwikkelingen en wijzigingen. Ten slotte voert de eiser voor de verwijzende rechter aan dat de correcte interpretatie in elk geval ook kan worden afgeleid uit het adagium lex speciali derogat generali. A.1.
  9. In ondergeschikte orde voert de eiser voor de verwijzende rechter aan dat de in het geding zijnde bepaling een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen de illegaal verblijvende vreemdelingen die van hun vrijheid zijn beroofd en de rechtzoekenden die van hun vrijheid zijn beroofd in het kader van een voorlopige hechtenis, verschil in het nadeel van de eerstgenoemden. De wet van 20 juli 1990 voorziet immers in artikel 31, §§ 2 en 3 ervan, voor de personen in voorlopige hechtenis in een termijn van vierentwintig uur voor het instellen van een cassatieberoep, te rekenen vanaf de beslissing, alsook in een termijn voor de uitspraak van het arrest binnen vijftien dagen op straffe van onmiddellijke invrijheidstelling, procedurevoorwaarden die kennelijk veeleer de belangen van de gedetineerde beschermen dan die welke van toepassing zijn op de vreemdelingen. Die laatsten moeten, in de interpretatie die het Hof van Cassatie geeft, hun cassatieberoep instellen binnen een termijn van vijftien dagen, maar genieten vooral geen enkele termijn van hoogdringendheid waarin het Hof ertoe gehouden is uitspraak te doen. De situaties zijn vergelijkbaar, daar die personen allen van hun vrijheid zijn beroofd. De eiser voor de verwijzende rechter voegt eraan toe dat het verschil in behandeling des te meer onverantwoord is daar, zoals uit de parlementaire voorbereiding blijkt, de wetgever van 1980 de procedurevoorwaarden van alle personen die van hun vrijheid zijn beroofd, wenste te harmoniseren. Daarnaast merkt de eiser voor de verwijzende rechter op dat het Hof van Cassatie zelf had voorgesteld een artikel 72/1 in te voegen in de wet van 15 december 1980 teneinde de behandelingstermijn van vijftien dagen in te voeren. A.1.
  10. Volgens de eiser voor de verwijzende rechter is de in het geding zijnde bepaling bovendien onverenigbaar met de artikelen 13 en 15 van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 « over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven » (hierna : de richtlijn 2008/115/EG), alsook met artikel 47 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Voormelde artikelen van de ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 4 richtlijn 2008/115/EG waarborgen de vreemdeling die van zijn vrijheid is beroofd het recht op een daadwerkelijk beroep, dat ook wordt gewaarborgd bij artikel 47 van het Verdrag, en het recht op een versnelde jurisdictionele controle. Volgens de eiser voor de verwijzende rechter zijn de lange termijn voor de saisine van het Hof van Cassatie, namelijk vijftien dagen, alsook de andere behandelingstermijnen kennelijk in strijd zijn met de hiervoor vermelde bepalingen. Ten slotte voert de eiser voor de verwijzende rechter aan dat de in het geding zijnde bepaling ook in strijd is met de artikelen 5, lid 4, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met name wat betreft de verplichting, voor een rechtscollege, om binnen een korte termijn uitspraak te doen. Hij vermeldt in dat verband talrijke arresten die ook betrekking hebben op een hele reeks beslissingen waarbij iemand van zijn vrijheid is beroofd (EHRM, 30 juni 2020, Muhammad Saqawat t. België, ECLI:CE:ECHR:2020:0630JUD005496218; 18 februari 2020, Makdoudi t. België, ECLI:CE:ECHR:2020:0218JUD001284815; 14 november 2013, M. D. t. België, ECLI:CE:ECHR:2013:1114JUD005602810; 11 april 2013, Firoz Muneer t. België, ECLI:CE:ECHR:2013:0411JUD005600510). A.1.
  11. De eiser voor de verwijzende rechter onderstreept dat de termijnen vervat in de wet van 20 juli 1990, toegepast op vreemdelingen, heel wat voordelen zouden bieden die volkomen in overeenstemming zijn met de filosofie van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de richtlijn 2008/115/EG. Allereerst zouden zij de duur van de vrijheidsberoving van de vreemdeling in hechtenis verminderen. Ten tweede zouden zij de procedure vereenvoudigen. Ten derde zouden zij de kostprijs, voor de maatschappij, van de lange procedures en hechtenissen doen afnemen. Ten slotte zouden zij het mogelijk maken de in de prejudiciële vraag opgeworpen discriminatie te beëindigen. A.2.
  12. Inleidend is de Ministerraad van mening dat artikel 72 van de wet van 15 december 1980 naar de wetsbepalingen betreffende de voorlopige hechtenis verwijst. Wanneer die wet in werking is getreden, betrof het echter het Wetboek van strafvordering en de wet van 20 april
  13. Daarover bestaat geen enkele twijfel, daar het tot de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie behoort dat de wet van 20 juli 1990 niet van toepassing is, met name omdat die de wet van 15 december 1980 niet heeft gewijzigd. A.2.
  14. De Ministerraad is in ondergeschikte orde van mening dat de categorieën die in de prejudiciële vraag worden vermeld, niet vergelijkbaar zijn. De voorlopige hechtenis en de vrijheidsberoving van de vreemdelingen verschillen allereerst wat de aard en de doelstellingen ervan betreft. De voorlopige hechtenis is een voorlopige vrijheidsberoving in afwachting van een strafrechtelijke beslissing, die alleen in geval van absolute noodzaak plaatsheeft. Het is een uitzonderlijke maatregel waaraan het voordeel is gekoppeld van waarborgen afgeleid uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De bij de wet van 15 december 1980 geregelde vrijheidsberoving is daarentegen een administratieve maatregel die alleen tot doel heeft de verwijdering toe te laten wanneer een bevel tot het verlaten van het grondgebied is afgegeven. Zij is een noodzakelijk accessorium van dat bevel en vloeit voort uit het recht van de Staten om het verblijf van de vreemdelingen op hun grondgebied te controleren. Ten slotte valt de vrijheidsberoving van de vreemdeling niet onder het toepassingsgebied van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Naast dat belangrijke verschil merkt de Ministerraad op dat die regelingen andere verschillen vertonen, waaronder ten eerste de termijnen die moeten worden nageleefd om cassatieberoep in te stellen. Hoewel, in het kader van de voorlopige hechtenis, het cassatieberoep kan worden ingesteld binnen een termijn van 24 uur te rekenen vanaf de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling, wegens de zeer grote snelheid die vereist is ten aanzien van het uitzonderlijke spoedeisende karakter van de situatie, geldt dat niet voor de vreemdelingen die van hun kant beschikken over een termijn van vijftien dagen om zulks te doen. Ten slotte kan op nog andere verschillen worden gewezen. Aldus zijn diegenen die de beslissing tot vrijheidsberoving nemen, niet dezelfde, daar dit voor de gedetineerden gebeurt door de onderzoeksrechter, maar voor de vreemdelingen door de minister of zijn afgevaardigde. De duur van de hechtenis verschilt eveneens : voor de gedetineerden is in geen enkele maximumduur voorzien, terwijl dat wel het geval is voor de vreemdelingen, die ook de eenvoudige mogelijkheid hebben de vrijheidsberoving te beëindigen door de uitvoering van de maatregel tot verwijdering. A.2.
  15. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat, in de veronderstelling dat de situaties vergelijkbaar zouden moeten worden geacht, het verschil in behandeling niet discriminerend is. Hij herinnert allereerst eraan dat, luidens de rechtspraak van het Hof, de toepassing van verschillende procedures op zich niet discriminerend is. De wetgever van 1990 heeft ervoor gekozen een uitzonderlijke afwijkingsregeling in te voeren inzake het cassatieberoep, zonder precies artikel 72 van de wet 15 december 1980 te wijzigen. Uit de toenmalige ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 5 parlementaire voorbereiding blijkt dat de voorlopige hechtenis een bijzondere behandeling verdiende, gelet op de uitzonderlijke hoogdringendheid, de inachtneming van de waarborgen van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook het risico van een dubbele procedure. Echter, noch de uitzonderlijke hoogdringendheid, noch de waarborgen van voormeld artikel 6 gelden voor de vreemdelingen die van hun vrijheid zijn beroofd. Bovendien moet, na verloop van een bepaalde tijd, de vreemdeling in vrijheid worden gesteld. Ten slotte is het risico van een dubbele procedure minder aanwezig, daar er geen automatische maandelijkse controle van de hechtenis is. Het verschil in behandeling steunt dus op een objectief criterium, namelijk de aard van de hechtenis. De Ministerraad merkt op dat het legitieme doel dat te dezen wordt nagestreefd, berust op de kwestie van de afschaffing van de dubbele procedure en op de reactie op de uitzonderlijke hoogdringendheid, die niet geldt voor de vreemdelingen. Ten slotte is de Ministerraad van mening dat het verschil in behandeling niet onevenredig is. Hij herinnert eraan dat artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet meer is dan een lex specialis van artikel 13 van hetzelfde Verdrag en dat het Grondwettelijk Hof de verenigbaarheid ervan met dat laatste dus niet moet onderzoeken. Luidens de eerste bepaling moet de gedetineerde toegang hebben tot een inzake hechtenis bevoegde rechter, hetgeen het geval is voor de vreemdelingen, daar zij niet alleen beschikken over een toegang tot de onderzoeksgerechten, maar ook tot de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is overigens van oordeel dat de voorwaarden inzake een rechterlijke controle kunnen variëren naar gelang van het domein, met name afhankelijk van de soort vrijheidsberoving (EHRM, 1 september 2015, Khlaifia e.a. t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2015:1215JUD001648312, § 129). Bovendien wordt erkend dat de voorwaarde van de snelheid minder strikt is voor het beroepsgerecht (EHRM, 6 juli 2021, Abdulkhanov t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2021:0706JUD003501210, § 198). A.
  16. In zijn memorie van antwoord betwist de eiser voor de verwijzende rechter de conclusies die de Ministerraad trekt wat betreft de doelstelling van de wet van
  17. Het probleem van de dubbele procedure, of de parallelle procedure, bestaat wel degelijk bij de hechtenis van vreemdelingen, hetgeen wordt aangetoond door zijn eigen situatie. In het verlengde van zijn redenering is de eiser voor de verwijzende rechter van mening dat het misplaatst is het argument van het effect « zonder voorwerp » aan te voeren, dat is veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, teneinde een vermindering van het aantal dubbele procedures met betrekking tot vreemdelingen in de praktijk te verantwoorden. Ten aanzien van de beroepsmogelijkheid voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, vermeld als laatste toevlucht, dient te worden opgemerkt dat, hoewel die bestaat, zij slechts een keer geldt, namelijk bij de aanvang van de vrijheidsberoving. A.4.
  18. In zijn memorie van antwoord onderstreept de Ministerraad allereerst dat het Hof niet bevoegd is om een kwestie betreffende de fout die te dezen van de Belgische Staat te beslechten. A.4.
  19. Vervolgens is de Ministerraad van mening dat niet kan worden aangevoerd dat het Hof van Cassatie niet snel optreedt, daar het de zaak bij hoogdringendheid onderzoekt. Het argument van de wil van de wetgever van 1980, die volgens de eiser voor de verwijzende rechter de gedetineerden wilde gelijkstellen met de vreemdelingen die van hun vrijheid zijn beroofd, kan alleen maar worden betwist. De in het geding zijnde bepaling zegt immers niets over de cassatieprocedure en uit de parlementaire voorbereiding van die wet kan niets worden afgeleid. Het in de wet van 15 december 1980 in te voegen ontwerp van artikel 72/1 dat uitging van het Hof van Cassatie en door de eiser voor de verwijzende rechter wordt vermeld, is niet relevant. Enerzijds werd dat ontwerp nooit aangenomen en anderzijds kan het bestaan van een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling niet worden afgeleid uit alleen de wil van het Hof van Cassatie om de procedure te wijzigen. Bovendien merkt de Ministerraad op dat het ontwerpartikel in kwestie niet voorzag in een sanctie in geval van niet-naleving van de termijn van vijftien dagen om uitspraak te doen. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.5.
  20. De eiser voor de verwijzende rechter voert aan dat de vordering tot wederopsluiting, zoals geregeld bij artikel 27, § 3, van de wet van 15 december 1980, onverenigbaar is met de in de prejudiciële vraag beoogde bepalingen. A.5.
  21. In zoverre de vordering tot wederopsluiting het gerechtelijk beroep betreffende de wettigheid van de vroegere titel van vrijheidsberoving, verankerd in de rechtspraak van het Hof van Cassatie, zonder voorwerp maakt, belet zij, volgens de eiser voor de verwijzende rechter, het recht op een daadwerkelijk beroep, zoals ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 6 gewaarborgd door zowel de artikelen 5 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens als artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 13 en 15 van de richtlijn 2008/115/EG. De eiser voor de verwijzende rechter merkt overigens op dat dat mechanisme reeds in 1985 werd bekritiseerd door de rechtsleer. Hij verwijst eveneens naar de conclusies van advocaat-generaal Sharpston van 31 januari 2019 in de zaak nr. C-704/17 (ECLI:EU:C:2019:85), alsook naar het voormelde arrest Muhammad Saqawat t. België. De eiser voor de verwijzende rechter herinnert eraan dat hij zich te dezen ertegen heeft verzet aan boord van het vliegtuig te gaan omdat de procedures betreffende zijn eerste titel van hechtenis nog steeds hangende waren. Het betreft dus een geoorloofde weigering om de maatregel tot verwijdering uit te voeren. A.5.
  22. De vordering tot wederopsluiting heeft bovendien tot gevolg dat de reeds opgelopen duur van opsluiting teniet wordt gedaan en bijgevolg de termijn van opsluiting op onvoorzienbare wijze wordt verlengd. De vermindering van die termijn was echter steeds een doel dat door de wetgever werd nagestreefd, zoals blijkt uit de wet van 29 april 1999 « houdende inkorting van de administratieve hechtenis van buitenlanders die illegaal op het Belgisch grondgebied verblijven » of uit de wet van 10 juli 1996 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ». Uit een verslag van de Senaatscommissie Binnenlandse Zaken in 1998 kon eveneens worden opgemaakt dat men zich moest verzetten tegen de wederopsluiting, begrip waarvan misbruik werd gemaakt, en dat het aangewezen was een absoluut karakter te waarborgen aan de maximale duur van de hechtenis. A.6.
  23. Inleidend vraagt de Ministerraad het Hof de prejudiciële vraag te herformuleren. De woorden « toestaat om een nieuwe beslissing tot vrijheidsberoving te nemen die in de plaats treedt van een beslissing tot verlenging van de hechtenis » zijn onjuist. In werkelijkheid treedt de vordering tot wederopsluiting niet in de plaats van de beslissing tot verlenging, maar wel in de plaats van de oorspronkelijke beslissing tot inhechtenisneming. A.6.
  24. Ten aanzien van het begrip « vordering tot wederopsluiting » herinnert de Ministerraad eraan dat het in het geding zijnde artikel 27 van de wet van 15 december 1980 de specifieke situatie beoogt van de vreemdelingen die geen gevolg hebben gegeven aan een bevel tot het verlaten van het grondgebied. Het zet daarmee gedeeltelijk de richtlijn 2008/115/EG om. Het nagestreefde doel bestaat erin een doeltreffend en menselijk beleid inzake verwijdering te voeren en te voorkomen dat de vreemdeling voordeel haalt uit de weigering om gevolg te geven aan dat bevel. De vordering tot wederopsluiting vormt een autonome titel van hechtenis, overeenkomstig de unanieme rechtspraak. Zij is bovendien beperkt in de tijd. A.6.3.
  25. De Ministerraad betwist de ongrondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling door het drievoudige gevolg dat in de prejudiciële vraag wordt vermeld, ter discussie te stellen. A.6.3.
  26. Ten eerste, wat betreft het gevolg dat erin bestaat de vroegere procedures « zonder voorwerp » te maken, herinnert de Ministerraad eraan dat de vordering tot wederopsluiting een nieuwe titel van hechtenis is. Het gevolg van de vroegere titels voor het voorwerp van het beroep vloeit dus niet voort uit artikel 27 van de wet van 15 december 1980, maar wel uit de artikelen 71 tot 74 van dezelfde wet. Het Hof kan dus geen rekening houden met dat gevolg. In ondergeschikte orde onderstreept de Ministerraad dat het « zonder voorwerp » maken geen automatisch gevolg is. Het is mogelijk dat het rechtscollege bevoegd blijft wanneer de eerste beslissing is aangetast door een onwettigheid waardoor een daarop volgende beslissing ongeldig wordt. De vreemdeling kan de vordering tot wederopsluiting overigens betwisten met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de wet van 15 december
  27. Bovendien wordt de in kort geding voor de Rechtbank van eerste aanleg gevoerde procedure tegen de vrijheidsberoving niet zonder voorwerp door de vordering tot wederopsluiting. Ten slotte is de Ministerraad van mening dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet kan worden afgeleid dat de in het geding zijnde bepaling onverenigbaar zou zijn met de artikelen 5 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De door de eiser voor de verwijzende rechter vermelde arresten zijn in dat opzicht verschillend wat de feitelijke omstandigheden betreft, en kunnen dus te dezen niet worden overgenomen. A.6.3.
  28. Ten tweede, ten aanzien van het gevolg dat erin bestaat de hechtenis van de vreemdeling op onvoorzienbare wijze te verlengen, merkt de Ministerraad op dat, hoewel de in het geding zijnde bepaling inderdaad een nieuwe hechtenistermijn doet ingaan, zulks niet betekent dat de reeds opgelopen duur van de hechtenis wordt tenietgedaan. Het staat aan de onderzoeksgerechten rekening te houden met de duur van de volledige hechtenis wanneer zij hun wettigheidscontrole uitvoeren in het licht van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 7 de Mens (EHRM, 29 januari 2008, Saadi t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0129JUD001322903, § 72; 20 december 2011, Yoh-Ekale Mwanje t. België, ECLI:CE:ECHR:2011:1220JUD001048610, §§ 119-120; 4 april 2017, Thimothawes t. België, ECLI:CE:ECHR:2017:0404JUD003906111, § 64). Daarnaast staat het aan diezelfde rechtscolleges een wettigheidscontrole uit te voeren ten aanzien van de duur van de hechtenis in het licht van artikel 15, lid 6, van de richtlijn 2008/115/EG. De Ministerraad is overigens van mening dat de verlenging van de hechtenis verre van onvoorzienbaar is. Artikel 27 van de wet van 15 december 1980 bepaalt dat de hechtenis zal plaatshebben voor de duur die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel tot verwijdering. Bovendien voorziet artikel 29 van dezelfde wet in een maximumduur van de hechtenis van vijf maanden of acht maanden, naar gelang van de omstandigheden. Er dient te worden vastgesteld dat die duur dus voorzienbaar en beperkt is. De verlenging van de hechtenistermijn is bovendien toegestaan door de richtlijn 2008/115/EG, alsook door het Hof van Justitie van de Europese Unie, enerzijds, en door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, anderzijds, zolang de wettelijke middelen worden nageleefd en regelmatig zijn. De Belgische wet is te dezen echter voldoende nauwkeurig en toegankelijk. Ten slotte moet de hechtenis volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te goeder trouw plaatshebben, hetgeen kennelijk het geval is in het kader van een vordering tot wederopsluiting, gelet op de doelstelling ervan. A.6.3.
  29. Ten derde, wat betreft het gevolg dat erin bestaat de vreemdeling te onttrekken aan de waarborgen die zijn erkend voor langdurige hechtenissen, zoals met name de maandelijkse controle van de naleving van de voorwaarden van de hechtenis, is de Ministerraad van mening dat dat gevolg niet voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling, maar uit de artikelen 29 en 74 van dezelfde wet. In ondergeschikte orde onderstreept de Ministerraad dat het mogelijk blijft de beslissing tot wederopsluiting te betwisten. Die controle gebeurt weliswaar niet automatisch, maar artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft nooit een systeem van automatisch periodiek nieuw onderzoek opgelegd. Ten slotte bestaat die automatische controle toch vanaf het verstrijken van de vierde maand van hechtenis. De in de prejudiciële vraag beoogde normen zijn derhalve niet geschonden. A.7.
  30. In zijn memorie van antwoord verzet de eiser voor de verwijzende rechter zich allereerst tegen de door de Ministerraad gevraagde herformulering. Die herformulering zou erop neerkomen de rechtspraak van het Hof van Cassatie goed te keuren. De vordering tot wederopsluiting is in werkelijkheid niets anders dan een verlenging van de titel van hechtenis waarin de richtlijn 2008/115/EG niet voorziet, in tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert. A.7.
  31. De eiser voor de verwijzende rechter heeft vervolgens twijfels bij het feit dat de vordering tot wederopsluiting werkelijk gelijkstaat met doeltreffendheid en menselijkheid, doelstellingen die worden nagestreefd door middel van de voormelde richtlijn. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 januari 2012 blijkt integendeel dat de wil van de regering erin bestond de duur van de hechtenis van de vreemdeling niet te verlengen, precies om een menselijke, evenredige en doeltreffende behandeling waarbij de grondrechten worden nageleefd mogelijk te maken. Indien de richtlijn in tegenovergestelde zin zou moeten worden geïnterpreteerd, verwijst de eiser voor de verwijzende rechter naar zijn verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.7.
  32. Ten slotte, wat betreft het feit dat talrijke arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarnaar hij in zijn oorspronkelijke memorie verwijst, niet kunnen worden overgenomen omdat te dezen geen sprake is van een onwettigheid van de titel van hechtenis, betwist de eiser voor de verwijzende rechter het feitelijke verschil dat dat er ten opzichte van zijn situatie zou bestaan. De in het geding zijnde rechtspraak had precies gewezen op de overdreven lange duur van de hechtenis en niet uitsluitend op de onwettigheid ervan. Bovendien heeft de raadkamer wel degelijk gewezen op een onwettigheid in de situatie van de eiser voor de verwijzende rechter. A.
  33. In zijn memorie van antwoord onderstreept de Ministerraad dat twee van de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die de eiser voor de verwijzende rechter vermeldt (Makdoudi t. België en Firoz Muneer t. België) losstaan van de prejudiciële vraag. Die twee arresten betreffen een ontstentenis van voorwerp die voortvloeit uit de invrijheidstelling van de vreemdeling, en niet, zoals dat te dezen het geval is, uit het afgeven van een autonome titel van hechtenis. Het argument in verband met de kritiek in de rechtsleer ten aanzien van dat gevolg « zonder voorwerp » dient te worden verworpen. In werkelijkheid is de hechtenis verbonden met de verwijdering. In geval van verwijdering wordt het bevel tot het verlaten van het grondgebied ten uitvoer gelegd en verdwijnt het uit de rechtsordening. Bijgevolg verdwijnt ook de hechtenis als accessorium. Ten slotte is de ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 8 Ministerraad van mening dat het argument betreffende de geoorloofde weigering om aan boord te gaan, volkomen losstaat van de in het geding zijnde zaak. Ten aanzien van de prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie A.
  34. In uiterst ondergeschikte orde verzoekt de eiser voor de verwijzende rechter het Hof de volgende vijf prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen : «
  35. Dienen het Europees recht en met name de artikelen 5, lid 4, 13 en 14 van het EVRM, de artikelen 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten en 13 en 15 van de richtlijn 2008/115/EG van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, die met name een versnelde jurisdictionele behandeling vereisen, zo te worden geïnterpreteerd dat zij zich verzetten tegen de nationale praktijk, zoals in de onderhavige zaak, die toestaat dat de Belgische Staat of het parket binnen een termijn van vijftien dagen een zaak aanhangig maakt bij het Hof van Cassatie, en dat dat cassatieberoep aanleiding geeft tot een arrest dat het Hof van Cassatie dient te wijzen meer dan vijftien dagen na dat cassatieberoep met toepassing van artikel 72 van de wet van 15 december 1980, dat zou verwijzen naar de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis (opgeheven) en naar het Wetboek van strafvordering, terwijl de gemeenrechtelijke beklaagde in voorlopige hechtenis, met toepassing van artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis bij de wet een arrest van het Hof van Cassatie verkrijgt binnen de termijn van vijftien dagen nadat hij zijn cassatieberoep binnen een termijn van vierentwintig uur heeft ingesteld ?
  36. Kunnen artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 107 van het procedurereglement van het Hof van Justitie van de Europese Unie zo worden geïnterpreteerd dat zij verenigbaar zijn met de Belgische en Europese reglementering (artikel 5, lid 4, van het EHRM) zoals geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie van België waarbij, inzake de hechtenis van een illegaal verblijvende vreemdeling die in hechtenis is genomen met het oog op diens verwijdering, wordt geweigerd om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen ‘ zelfs met de procedure bij hoogdringendheid ’ met name om reden dat het door het EVRM gewaarborgde recht van de eiser dat zijn zaak binnen een redelijke termijn wordt gehoord, te dezen riskeert te worden geschonden indien aan het Hof van Justitie van de Europese Unie bij hoogdringendheid een prejudiciële vraag zou worden gesteld ?
  37. Zijn artikel 72 van de wet van 15 december 1980 en de interpretatie daarvan door het Hof van Cassatie – namelijk dat een procedure die wordt ingesteld voor de onderzoeksgerechten en/of het Hof van Cassatie om de wettigheid te betwisten van een beslissing tot vrijheidsberoving genomen met toepassing van de wet van 15 december 1980 ‘ zonder voorwerp ’ wordt, in zoverre nog vóór die procedure kon worden beëindigd voor de onderzoeksgerechten en/of het Hof van Cassatie, ofwel een nieuwe beslissing tot vrijheidsberoving is genomen door de dienst vreemdelingenzaken, ofwel de vreemdeling is verwijderd, ofwel de vreemdeling in vrijheid is gesteld – verenigbaar met de artikel 5, lid 4, en 13 van het EVRM, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 13 en 15 van de richtlijn 2008/115/EG die het recht op het voordeel van een daadwerkelijk beroep waarborgen ?
  38. Zijn artikel 72, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de vreemdelingen en de interpretatie daarvan door het Hof van Cassatie – volgens welke artikel 72, vierde lid van de wet van 1980 niet zou verwijzen naar artikel 31, §§ 2 en 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en het Hof van Cassatie zou toestaan de raadsman van de vreemdeling die in een gesloten centrum in hechtenis is genomen niet tijdig te informeren zodat de termijn van vijftien dagen vóór de datum van de terechtzitting om zijn memorie in te dienen, zou zijn overschreden – verenigbaar met artikel 5, lid 4, en 13 van het EVRM, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 13 en 15 van de richtlijn 2008/115/EG, het beginsel van de inachtneming van de rechten van verweer, het beginsel van de wapengelijkheid onder partijen waarbij het recht op het voordeel van een daadwerkelijk beroep wordt gewaarborgd ?
  39. Zijn artikel 27, § 3, van de wet van 15 december 1980 en de interpretatie daarvan door de rechtscolleges en/of het Hof van Cassatie – namelijk dat de ‘ geoorloofde ’ weigering van de vreemdeling die in een gesloten centrum is geplaatst, om onder dwang te worden verwijderd terwijl een of meer procedures tot invrijheidstelling hangende zijn voor de onderzoeksgerechten en/of het Hof van Cassatie, de Belgische Staat zou toestaan de vreemdeling kennis te geven van een nieuwe beslissing tot vrijheidsberoving genoemd ‘ vordering tot wederopsluiting ’ in plaats van een verlenging van de beslissing tot vrijheidsberoving – verenigbaar met artikel 15, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 9 punt 6, van de richtlijn 2008/115/EG dat uitsluitend een beslissing tot verlenging van een beslissing tot vrijheidsberoving wegens het gebrek aan medewerking van de betrokken onderdaan toestaat ? ». A.10.
  40. In zijn memorie van antwoord is de Ministerraad van mening dat het verzoek om die prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie niet ontvankelijk is, daar de gemeenrechtelijke regeling inzake voorlopige hechtenis geen enkel aanknopingspunt vertoont met het Europees recht en de gesuggereerde vragen bovendien niet relevant zijn voor en losstaan van de in het geding zijnde zaak. De twee prejudiciële vragen die betrekking hebben op artikel 72 van de wet van 15 december 1980 zijn overigens verbonden met de tweede prejudiciële vraag die aan het Grondwettelijk Hof is gesteld en betrekking heeft op artikel 27 van dezelfde wet. Zij moeten bijgevolg onontvankelijk worden verklaard in zoverre zij de saisine van het Grondwettelijk Hof zouden uitbreiden. In elk geval staat artikel 72 los van de gesuggereerde vragen, daar de autonome titel van hechtenis is afgeleid uit artikel 71 van de wet. A.10.
  41. Zelfs indien het Hof zou stellen dat het verzoek om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen te stellen, ontvankelijk is, quod non, dan nog beoogt artikel 15 van de richtlijn 2008/115/EG niet de maatregelen inzake de inhechtenisneming van de vreemdeling. Geen enkele van de bepalingen die worden beoogd in de voor het Grondwettelijk Hof opgeworpen prejudiciële vragen legt overigens op om een cassatieprocedure in te voeren, procedure die valt onder de bewegingsruimte van de lidstaten. De prejudiciële vraag over de « geoorloofde weigering » vloeit voort uit een verkeerde lezing van artikel 15, lid 6, van de richtlijn 2008/115/EG, die zich niet ertegen verzet dat een nieuwe hechtenismaatregel wordt genomen ten aanzien van de vreemdeling die weigert mee te werken aan zijn verwijdering. Volgens de Ministerraad is het bijgevolg dermate duidelijk dat het Europees recht moet worden toegepast dat er geen plaats is voor een redelijke twijfel. Er is dus geen reden om de voorgestelde prejudiciële vragen te stellen. -B- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag Wat de in het geding zijnde bepaling en de context ervan betreft B.1.
  42. Artikel 72 van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980), opgenomen onder titel III (« Procedurele waarborgen en rechtsmiddelen »), hoofdstuk V (« Beroep bij de rechterlijke macht »), bepaalt : « De raadkamer doet uitspraak binnen vijf werkdagen na het neerleggen van het verzoekschrift, na de betrokkene of zijn advocaat, de Minister, zijn gemachtigde of zijn advocaat in hun middelen en het openbaar ministerie in zijn advies te hebben gehoord. Indien de raadkamer geen uitspraak heeft gedaan binnen de gestelde termijn, wordt de vreemdeling in vrijheid gesteld. Zij onderzoekt of de maatregelen van vrijheidsberoving of tot verwijdering van het grondgebied in overeenstemming zijn met de wet zonder zich te mogen uitspreken over hun gepastheid. ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 10 Tegen de beschikkingen van de raadkamer kan hoger beroep worden ingesteld door de vreemdeling, door het openbaar ministerie en door de Minister of zijn gemachtigde Er wordt gehandeld overeenkomstig de wettelijke bepalingen op de voorlopige hechtenis, behoudens deze betreffende het bevel tot aanhouding, de onderzoeksrechter, het verbod van vrij verkeer, de beschikking tot gevangenneming, de voorlopige invrijheidstelling of de invrijheidsstelling onder borgtocht en het inzagerecht in het administratief dossier. De raadsman van de vreemdeling kan het dossier ter griffie van de bevoegde rechtbank raadplegen gedurende de twee werkdagen die aan de terechtzitting voorafgaan. De griffier geeft hiervan bij aangetekende brief bericht aan de raadsman ». De prejudiciële vraag heeft meer bepaald betrekking op het vierde lid van die bepaling. B.1.
  43. De parlementaire voorbereiding van de wet van 15 december 1980 vermeldt : « Dit artikel regelt de rechtspleging voor de Raadkamer. Er wordt namelijk voorzien dat de Raadkamer uitspraak moet doen binnen de vijf dagen na de neerlegging van het verzoekschrift en dat de vreemdeling in vrijheid wordt gesteld indien zij binnen de gestelde termijn geen uitspraak heeft gedaan. Deze bepaling, die in het onderhavig geval de gelijkstelling van de vreemdeling met de Belg beoogt, is rechtstreeks ingegeven door artikel 4 van de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis. Lid 2 van het artikel bakent de bevoegdheid van toezicht van de Raadkamer af; zij moet nagaan ‘ of de maatregelen tot vrijheidsberoving en tot verwijdering van het grondgebied in overeenstemming zijn met de wet ’. De Raadkamer mag niet nagaan of de maatregel tot vrijheidsberoving gerechtvaardigd is, wat door de opstellers van het voorontwerp Rolin gewenst werd, want dit zou tot gevolg hebben dat inbreuk wordt gepleegd op het principe van de scheiding der machten. In lid 3 is het ontwerp afgeweken van de oplossing van artikel 9, lid 2 van de wet van 28 maart 1952, dat het beroep uitsluit. De verwijzing naar de wettelijke bepalingen betreffende de voorlopige hechtenis impliceert namelijk de toepassing van de artikelen 19 en 20 van de wet van 20 april 1874, gewijzigd door de wet van 13 maart 1973, maar het werd nuttig geacht het formeel te bepalen. Om rekening te houden met het advies van de Raad van State wordt nader bepaald wie beroep mag aantekenen, te weten de vreemdeling en het openbaar ministerie (art. 72, lid 3). Lid 4 preciseert voor de rechtspleging ‘ er wordt gehandeld overeenkomstig de wettelijke beschikkingen op de voorlopige hechtenis, behoudens deze betreffende het bevel tot aanhouding, de onderzoeksrechter, het verbod van vrij verkeer, de beschikking tot gevangenneming, de voorlopige invrijheidstelling of de invrijheidstelling onder borgtocht ’. De Raad van State (zie zijn advies, blz. 83) is van oordeel dat deze bepaling moeilijkheden zal opleveren en had liever de rechtspleging volledig zien regelen in de wet. ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 11 De Regering heeft een dergelijke opvatting niet kunnen delen. Zij zou de tekst van het ontwerp aanzienlijk verzwaren, terwijl de verwijzing naar de artikelen van de wetten die in deze aangelegenheid van toepassing zijn het risico zou vergroten van weglatingen en van de noodzakelijkheid de wet te wijzigen wanneer wijzigingen zouden aangebracht worden aan deze op de voorlopige hechtenis. Bovendien dient te worden aangestipt, enerzijds, dat de tekst voorgesteld door de ‘ Commissie Rolin ’, die voor het merendeel uit juristen bestond, nog breder was en simpelweg verwees naar de wet op de voorlopige hechtenis en, anderzijds dat de nog bredere verwijzing naar de bepalingen van het Wetboek van strafvordering in artikel 9 van de wet van 28 maart 1952, geen aanleiding gegeven heeft tot beoordelingsmoeilijkheden. Ten slotte heeft de Regering op de door de Raad van State gestelde vraag (zie zijn advies, blz. 83) of bet niet nodig is, wanneer de vreemdeling in hechtenis blijft, zoals inzake voorlopige hechtenis, te voorzien in een onderzoek van ambtswege, hetzij om de drie, hetzij om de zes maanden, ontkennend geantwoord. Zij is van oordeel dat aan de vreemdeling voldoende waarborgen gegeven worden door lid 2 van artikel 71, dat de betrokken vreemdeling toelaat om de maand beroep in te dienen » (Parl. St., Kamer, 1974-1975, nr. 653/1, pp. 59-60). B.1.
  44. Artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis » (hierna : de wet van 20 juli 1990) bepaalt : « HOOFDSTUK VIII. - Het cassatieberoep. Art.
  45. §
  46. De arresten en vonnissen waardoor de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd, worden binnen vierentwintig uren aan de verdachte betekend in de vorm bepaald in artikel
  47. §
  48. Tegen deze beslissingen kan geen onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld behoudens tegen de arresten gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling op het beroep tegen de beslissingen bedoeld in artikel 21, § 1, tweede lid, waartegen cassatieberoep kan worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren die begint te lopen vanaf de dag waarop de beslissing aan verdachte wordt betekend. §
  49. Het dossier wordt binnen vierentwintig uren te rekenen van het instellen van het cassatieberoep aan de griffier van het Hof van Cassatie toegestuurd. Cassatiemiddelen kunnen worden voorgedragen, hetzij in de akte van voorziening, hetzij in een bij die gelegenheid neergelegd geschrift, hetzij in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen uiterlijk de vijfde dag na de datum van de voorziening. Het Hof van Cassatie beslist binnen vijftien dagen te rekenen van het instellen van het cassatieberoep, terwijl de verdachte inmiddels in hechtenis blijft. De verdachte wordt in vrijheid gesteld als het arrest niet gewezen is binnen die termijn. §
  50. Na een cassatiearrest met verwijzing, doet de kamer van inbeschuldigingstelling waarnaar de zaak verwezen is, uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie, terwijl de verdachte inmiddels in hechtenis blijft. De verdachte wordt in vrijheid gesteld als het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling niet gewezen is binnen die termijn. ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 12 Voor het overige zijn de bepalingen van artikel 30, §§ 3 en 4, mede van toepassing. Als het gerecht waarnaar de zaak verwezen is de voorlopige hechtenis handhaaft, geldt zijn beslissing als titel van hechtenis voor een maand te rekenen van de beslissing. §
  51. Als het cassatieberoep wordt verworpen, dient de raadkamer uitspraak te doen binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie, terwijl de verdachte inmiddels in hechtenis blijft. Hij wordt in vrijheid gesteld als de beschikking van de raadkamer niet gewezen wordt binnen deze termijn ». Wat de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling betreft B.2.
  52. In de interpretatie die door het verwijzende rechtscollege is voorgelegd, beoogt de in het geding zijnde bepaling, in zoverre daarin wordt verwezen naar « de wettelijke bepalingen op de voorlopige hechtenis », niet de wet van 20 juli 1990 maar wel de wet van 20 april 1874 « betreffende de voorlopige hechtenis ». B.2.
  53. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat die interpretatie verkeerd is en bijgevolg dat de prejudiciële vragen bijgevolg geen antwoord behoeven. B.3.
  54. Onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen staat het in de regel aan het verwijzende rechtscollege de bepalingen te interpreteren die het toepast. B.3.
  55. Volgens vaste rechtspraak is het Hof van Cassatie van oordeel : « Artikel 72 Vreemdelingenwet, dat nergens melding maakt van het cassatieberoep, heeft enkel betrekking op de procedure voor het onderzoek van de daarin bepaalde rechtsmiddelen waarover de onderzoeksgerechten uitspraak doen. Die bepaling verwijst noodzakelijkerwijs naar de Voorlopige Hechteniswet die op het ogenblik van de uitvaardiging van de Vreemdelingenwet van kracht was, met name die van 20 april 1874, welke geen enkele bepaling bevatte betreffende het cassatieberoep, dat werd ingesteld en behandeld volgens de regels van het Wetboek van Strafvordering. De Voorlopige Hechteniswet van 20 juli 1990, die een hoofdstuk wijdt aan het cassatieberoep, heeft artikel 72 Vreemdelingenwet niet gewijzigd. Bijgevolg is artikel 31 Voorlopige Hechteniswet, ondanks de inwerkingtreding van de wet van 20 juli 1990, niet van toepassing op het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet over de beslissing tot handhaving van de hechtenis van een vreemdeling, omdat dit cassatieberoep en de behandeling ervan geregeld blijven door de bepalingen van het ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 13 Wetboek van Strafvordering » (Cass., 20 september 2017, P.17.0933.F, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.1; zie ook Cass., 10 september 2014, P.14.1374.F, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140910.5; 21 december 2011, P.11.2042.F, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111221.1; 28 april 2009, P.09.0545.N, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090428.3). B.
  56. De in B.2.1 vermelde interpretatie kan bijgevolg als niet kennelijk verkeerd worden beschouwd. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vraag in die interpretatie. Ten gronde B.5.
  57. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling, in de in B.2.1 vermelde interpretatie, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5, lid 4, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij ten aanzien van de toepasselijke termijnen een verschil in behandeling doet ontstaan tussen de illegaal verblijvende vreemdeling die cassatieberoep instelt tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij uitspraak wordt gedaan over de administratieve vrijheidsberoving, en de gedetineerde die cassatieberoep instelt in het kader van een voorlopige hechtenis. B.5.
  58. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de voorliggende zaak betrekking heeft op een illegaal verblijvende vreemdeling die met het oog op de verwijdering van het grondgebied werd vastgehouden. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.6.
  59. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 14 B.6.
  60. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.6.
  61. Niettegenstaande dienen, gelet op het fundamentele belang van de habeas corpus, alle beperkingen van de individuele vrijheid restrictief te worden geïnterpreteerd en dient de grondwettigheid ervan met de grootste omzichtigheid te worden onderzocht. B.
  62. Artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is ». Artikel 13 van datzelfde Verdrag, met als titel « Recht op daadwerkelijk rechtsmiddel », bepaalt : « Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie ». B.
  63. Het Hof dient te onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5, lid 4, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Wanneer de schending wordt aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met internationale bepalingen, dient het Hof immers na te gaan of een verschil in behandeling wordt ingesteld doordat die fundamentele waarborg wordt ontzegd aan een categorie van personen, terwijl zij voor andere burgers onverminderd geldt. B.9.
  64. Krachtens artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd, het recht ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 15 voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is. B.9.
  65. Met betrekking tot die waarborg van een uitspraak binnen korte termijn over de wettigheid van de gevangenhouding heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens reeds geoordeeld dat « de vraag of het beginsel van een procedure op korte termijn nageleefd is, niet in abstracto moet worden beantwoord maar in het kader van een algemene beoordeling van de informatie, rekening houdend met de context van de zaak, met name in het licht van de complexiteit van de zaak, eventuele bijzonderheden in de nationale procedure en het gedrag van de verzoeker in de loop van de procedure » (EHRM, 15 december 2016, Khlaifia e.a. t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2016:1215JUD001648312, § 131). B.9.
  66. Wanneer meerdere rechtscolleges ten gevolge van een hoger beroep of cassatieberoep zich uitspreken over de wettigheid van dezelfde gevangenhouding, moet die in concreto beoordeling niet alleen gebeuren ten aanzien van elke aanleg afzonderlijk, maar ook ten aanzien van de verschillende procedures globaal beschouwd (EHRM, 23 februari 1984, Luberti t. Italië, ECLI:CE:ECHR:1984:0223JUD000901980, § 33; 23 november 1993, Navarra t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:1993:1123JUD001319087, § 28). B.
  67. Ingevolge de in B.2.1 vermelde interpretatie van de in het geding zijnde bepaling en krachtens artikel 423 van het Wetboek van strafvordering moet een cassatieberoep dat is gericht tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij uitspraak wordt gedaan over de administratieve vrijheidsberoving van een vreemdeling, worden ingesteld binnen een termijn van vijftien dagen na de uitspraak. Wanneer die termijn verstrijkt op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag, wordt hij evenwel verlengd tot de eerstvolgende werkdag. Het Wetboek van strafvordering bepaalt geen termijn waarbinnen het Hof van Cassatie uitspraak moet doen over de zaak. B.
  68. De termijn van in beginsel vijftien dagen om een cassatieberoep in te stellen, is als dusdanig niet onbestaanbaar met het vereiste dat binnen korte termijn over de wettigheid van de gevangenhouding uitspraak wordt gedaan. Het betreft slechts een maximumtermijn, die bovendien niet dermate lang is dat wanneer de volledige termijn benut wordt, er geen sprake ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 16 meer kan zijn van een uitspraak binnen een korte termijn in de zin van artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.12.
  69. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat er geen termijn bepaald is waarbinnen het Hof van Cassatie uitspraak moet doen over het ingestelde cassatieberoep. Uit artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kan niet worden afgeleid dat de wetgever verplicht is om een specifieke korte termijn te bepalen voor de afhandeling van een cassatieberoep dat door de vreemdeling wordt ingesteld tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij uitspraak wordt gedaan over de administratieve vrijheidsberoving. De afwezigheid van een specifieke termijn om uitspraak te doen neemt niet weg dat het Hof van Cassatie dergelijke cassatieberoepen met de vereiste spoed dient te behandelen. Dat Hof dient immers in elke zaak die erbij aanhangig wordt gemaakt krachtens de in het geding zijnde bepaling, erover te waken dat de korte termijn bedoeld in artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in acht wordt genomen. Daarbij kan de in artikel 31, § 3, van de wet van 20 juli 1990 bedoelde termijn van 15 dagen richtinggevend zijn, zonder dat de loutere overschrijding ervan ipso facto een schending van artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens met zich meebrengt. B.12.
  70. De inachtneming van artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dient te worden onderzocht in een concrete zaak, rekening houdend met de in B.9.2 en B.9.3 vermelde criteria. Een eventuele schending is evenwel niet toe te schrijven aan de in het geding zijnde bepaling, maar aan de behandeling van die zaak. B.
  71. Rekening houdend met hetgeen in B.12 is vermeld, is artikel 72 van de wet van 15 december 1980 bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5, lid 4, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 17 Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.14.
  72. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 27, § 3, van de wet van 15 december 1980 met artikel 12 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.14.
  73. Artikel 27 van de wet van 15 december 1980, opgenomen onder titel I (« Algemene bepalingen »), hoofdstuk VII (« Aanvullende veiligheidsmaatregelen ») van de wet, bepaalt : « §
  74. De vreemdeling ten aanzien van wie een maatregel tot verwijdering is genomen en die er binnen de gestelde termijn geen gevolg aan heeft gegeven, kan met dwang worden geleid naar de grens van zijn keuze, in principe met uitzondering van de grens met de Staten die partij zijn bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, of worden ingescheept voor een bestemming van zijn keuze, deze Staten uitgezonderd. Zo de vreemdeling de nationaliteit bezit van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, of beschikt over een geldige verblijfstitel of een tijdelijke verblijfsvergunning van een Verdragsluitende Staat, kan hij naar de grens van deze Staat teruggeleid worden of met deze Staat als bestemming ingescheept worden. §
  75. Onverminderd de toepassing van de artikelen 51/5 tot 51/7, worden de bepalingen van § 1 toegepast op de vreemdeling die een verwijderingsbesluit heeft ontvangen van een bevoegde administratieve overheid van een Staat die gebonden is door de richtlijn 2001/40/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 mei 2001 betreffende de onderlinge erkenning van besluiten inzake de verwijdering van onderdanen van derde landen, waaraan hij geen gevolg heeft gegeven en dat door de Minister of zijn gemachtigde overeenkomstig artikel 8bis werd erkend. §
  76. De in §§ 1 en 2 bedoelde vreemdelingen kunnen onverminderd de bepalingen van Titel IIIquater en tenzij andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast te dien einde worden opgesloten, meer in het bijzonder wanneer er een risico op onderduiken bestaat of wanneer de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert tijdens de periode die voor de uitvoering van de maatregel tot verwijdering strikt noodzakelijk is. De kosten veroorzaakt door de repatriëring van de vreemdeling zijn te zijnen laste. De Staat die het in § 2 bedoelde verwijderingsbesluit heeft afgeleverd, wordt op de hoogte gebracht van het feit dat de vreemdeling werd teruggebracht naar de grens van zijn keuze of, overeenkomstig artikel 28, naar de door de Minister of zijn gemachtigde aangeduide grens ». ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 18 B.14.
  77. In de prejudiciële vraag wordt de in het geding zijnde bestreden bepaling zo geïnterpreteerd dat zij de aanneming toestaat van een nieuwe titel van vrijheidsberoving, ook « beslissing tot wederopsluiting » genoemd, die de vroegere titel van hechtenis vervangt. Die interpretatie wordt niet betwist door de partijen. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vraag in die interpretatie. B.
  78. Artikel 12 van de Grondwet bepaalt : « De vrijheid van de persoon is gewaarborgd. Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter dat uiterlijk binnen achtenveertig uren te rekenen van de vrijheidsberoving moet worden betekend en enkel tot voorlopige inhechtenisneming kan strekken ». Die grondwetsbepaling dient te worden gelezen in samenhang met artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat analoge rechten en vrijheden waarborgt. B.16.
  79. De vrijheidsberoving van een persoon die niet ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd en van wie niet wordt beweerd dat zijn gedrag een gevaar zou vormen voor de openbare orde, houdt een directe aantasting in van de eerbiediging van de individuele vrijheid, gewaarborgd bij artikel 12 van de Grondwet. Volgens artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft ieder recht op vrijheid. De wet kan evenwel van dat beginsel afwijken in geval van rechtmatige vasthouding van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of indien tegen hem een uitwijzingsprocedure hangende is (artikel 5, lid 1, f)) en op voorwaarde dat hij het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is (artikel 5, lid 4). B.16.
  80. Evenzo doet een wetgeving die het beginsel aanneemt dat het aantal verlengingen van de maatregelen waarbij vreemdelingen worden opgesloten of in een welbepaalde plaats worden vastgehouden, onbeperkt is, op onevenredige wijze afbreuk aan de individuele vrijheid, gewaarborgd bij artikel 12 van de Grondwet en bij artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 19 B.16.
  81. In verband met de hechtenis van vreemdelingen heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens geoordeeld dat « de duur van de hechtenis niet langer mag zijn dan de redelijke termijn die nodig is om de nagestreefde doelstelling te bereiken » (EHRM, grote kamer, 29 januari 2008, Saadi t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0129JUD001322903, § 74). Overigens moet een « afzonderlijk onderzoek van de wettigheid van de hechtenis bestaan, los van de wettigheid van de uitzetting » (EHRM, 11 juni 2009, S.D. t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2009:0611JUD005354107, § 73) ». B.17.
  82. De « beslissingen tot wederopsluiting » genomen door de administratie op grond van de in het geding zijnde bepaling zijn onderworpen aan strikte en cumulatieve voorwaarden. Aldus moet ten aanzien van de vreemdeling op wie die nieuwe titel van hechtenis betrekking heeft, een maatregel tot verwijdering zijn genomen en moet hij hebben geweigerd daaraan gevolg te geven binnen de opgelegde termijn. De overheden houden rekening met diens gedrag, inzonderheid wanneer een risico op vluchten bestaat of wanneer de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure vermijdt of belet. De « beslissing tot wederopsluiting » wordt overigens niet afgegeven indien andere toereikende doch minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. Ten slotte geldt die titel van hechtenis alleen voor de duur die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de verwijderingsmaatregel en, overeenkomstig artikel 29 van de wet van 15 december 1980, voor een maximale duur van vijf maanden, of acht maanden indien de vrijwaring van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vereist. B.17.
  83. De administratie kan overigens geen gebruikmaken van de weigering van de vreemdeling om aan boord te gaan met het oog op diens verwijdering, teneinde stelselmatig een nieuwe beslissing tot wederopsluiting te nemen, namelijk een titel van hechtenis die leidt tot het verval van de vorige titel van hechtenis. Een dergelijke gang van zaken, die tot gevolg heeft het beroep van de vreemdeling tegen de titel van hechtenis die voorafgaat aan de beslissing tot wederopsluiting te dwarsbomen, zou een schending inhouden van het recht op toegang tot de rechter en van het recht op een daadwerkelijk beroep. Het Hof van Cassatie heeft immers geoordeeld : ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 20 « De rechter kan, zonder een grief van tegenstrijdigheid tegengeworpen te krijgen, enerzijds eraan herinneren dat het recht op toegang tot een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege en het recht op een daadwerkelijk beroep een concrete uitoefeningsmogelijkheid vereisen, waaraan niet is voldaan indien de administratie stelselmatig een nieuwe beslissing neemt die de vorige doet vervallen teneinde het door een vreemdeling ingestelde beroep te dwarsbomen, en anderzijds vaststellen dat aan die vereisten is voldaan wanneer, zoals te dezen, niet is aangetoond dat de weigering van de eiser om aan boord te gaan met het oog op zijn verwijdering, een voorwendsel vormde teneinde een nieuwe beslissing tot wederopsluiting te nemen » (Cass., 4 oktober 2017, P.17.0951.F, eigen vertaling). B.17.
  84. Tegen de beslissing tot wederopsluiting kan, naar het voorbeeld van de andere titels van hechtenis van een vreemdeling, beroep worden ingesteld voor de bevoegde onderzoeksgerechten. Zoals de Ministerraad opmerkt in zijn memorie, staat het aan de onderzoeksgerechten, bij dat onderzoek naar de wettigheid van de titel van hechtenis, rekening te houden met de duur van de volledige hechtenis die de vreemdeling heeft ondergaan, voornamelijk in het licht van artikel 29 van de wet van 15 december 1980 en van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. B.
  85. Ten slotte kent het feit dat de beroepen ingesteld tegen de vroegere titels van hechtenis zonder voorwerp worden verklaard wanneer een beslissing tot wederopsluiting wordt afgegeven, een beperking die verband houdt met het effect van besmetting van de onwettigheid van de vorige titel van hechtenis op de volgende titel. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie : « Wanneer een nieuwe administratieve beslissing, met een verschillende grondslag, in de plaats komt van de beslissing die de verwijdering van het grondgebied en de bewaring van een vreemdeling beveelt, heeft het beroep daartegen bij de rechterlijke macht, in beginsel, geen bestaansreden meer. Wanneer evenwel wordt aangevoerd dat de eerste beslissing tot vrijheidsberoving is aangetast door een onwettigheid die de daaropvolgende beslissing ongeldig maakt, staat het aan de rechter bij wie die betwisting aanhangig is gemaakt om dat in het licht van artikel 5.4 EVRM te onderzoeken » (Cass., 10 mei 2017, P.17.0447.F, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170510.3). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt eveneens : ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 21 « […] de interne rechtsorde die de in hechtenis genomen vreemdeling niet toelaat zijn invrijheidstelling te verkrijgen ondanks verschillende vaststellingen van onwettigheid van die hechtenis in het licht van het intern recht in samenhang gelezen met het recht van de EU en om de enige reden dat een nieuwe titel van hechtenis zijn hechtenis grondt, en hem vervolgens belet voor een rechter aan te voeren dat de nieuwe titel van hechtenis aangetast zou zijn door de onwettigheid van de oorspronkelijke titel, biedt niet de waarborgen van daadwerkelijkheid en snelheid vereist bij artikel 5, lid 4, van het Verdrag » (EHRM, 30 juni 2020, Muhammad Saqawat t. België, ECLI:CE:ECHR:2020:0630JUD005496218, § 73). B.
  86. Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat de beslissing tot wederopsluiting, zoals die is geregeld bij de in het geding zijnde bepaling, op zichzelf niet tot gevolg heeft dat de duur van de hechtenis wordt verlengd tot na de redelijke termijn die noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken en dat zij geen gevolgen met zich meebrengt die de individuele vrijheid op onevenredige wijze kunnen aantasten. B.
  87. Gelet op de strikte voorwaarden die toelaten een « beslissing tot wederopsluiting » te nemen en op de in B.17.1 tot B.19 vermelde jurisdictionele waarborgen die toelaten de wettigheid ervan te controleren, en gelet op hetgeen is vermeld in B.18, is de in het geding zijnde bepaling, die de wettelijke grondslag van die beslissingen tot wederopsluiting vormt, niet onbestaanbaar met artikel 12 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Ten aanzien van het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie B.
  88. Wanneer een vraag die betrekking heeft op de uitlegging van het Unierecht wordt opgeworpen in een zaak die aanhangig is bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie, overeenkomstig artikel 267, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, gehouden die vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Die verwijzing is evenwel niet nodig wanneer die rechterlijke instantie heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is, dat de betrokken bepaling van het Unierecht reeds door het Hof van Justitie is uitgelegd, of dat de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (HvJ, 6 oktober 1982, C-283/81, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 22 CILFIT, ECLI:EU:C:1982:335, punt 21; grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi SpA, ECLI:EU:C:2021:799, punt 33). Die redenen moeten, in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, afdoende blijken uit de motivering van het arrest waarbij de rechterlijke instantie weigert de prejudiciële vraag te stellen (ibid., punt 51). De uitzondering van het gebrek aan relevantie houdt in dat de nationale rechterlijke instantie van de verwijsplicht is ontheven wanneer « die vraag niet ter zake dienend is, dat wil zeggen wanneer het antwoord erop, hoe het ook luidt, geen invloed zou kunnen hebben op de oplossing van het geschil » (HvJ, 15 maart 2017, Aquino, C-3/16, ECLI:EU:C:2017:209, punt 43; grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi SpA, punt 34). De uitzondering dat de juiste uitlegging van het Unierecht evident is, houdt in dat de nationale rechterlijke instantie ervan overtuigd moet zijn dat de gehanteerde oplossing even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten die in laatste aanleg uitspraak doen, alsook voor het Hof van Justitie. Zij dient in dat verband rekening te houden met de specifieke kenmerken van het Unierecht, met de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan en met het gevaar voor uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie. Tevens dient zij acht te slaan op de verschillen tussen de taalversies van die bepaling waarvan zij op de hoogte is, met name wanneer die verschillen door de partijen naar voren zijn gebracht en onderbouwd zijn. Tot slot dient zij aandacht te hebben voor de eigen terminologie en autonome begrippen die het Unierecht bezigt, alsook met de context van de toepasselijke bepaling in het licht van het Unierecht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi SpA, punten 40-46). Voorts vermag de in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechterlijke instantie ervan af te zien om het Hof een prejudiciële vraag te stellen « om redenen van niet-ontvankelijkheid die eigen zijn aan de procedure bij die rechterlijke instantie, mits het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen » (HvJ, 14 december 1995, Van Schijndel en Van Veen, C-430/93 en C-431/93, ECLI:EU:C:1995:441, punt 17; 15 maart 2017, Aquino, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 23 C-3/16, punt 56; grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi SpA, punt 61). B.
  89. De eerste door de eiser voor het verwijzende rechtscollege voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie heeft betrekking op de artikelen 5, lid 4, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 13 en 15 van de richtlijn 2008/115/EG van 16 december 2008 « over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven ». De aangevoerde bepalingen van Europees Unierecht bevatten waarborgen die analoog zijn aan diegene waaraan het Hof getoetst heeft in het kader van de eerste prejudiciële vraag. Die bepalingen bevatten evenmin een concrete termijnenregeling. Aangezien hetgeen is vermeld in B.12 en B.13 onverkort geldt ten aanzien van die bepalingen, is het evident dat de uitlegging van het Europees Unierecht juist is. B.
  90. De tweede en de vierde door de eiser voor het verwijzende rechtscollege voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie zijn klaarblijkelijk niet relevant. Ze houden geen verband met de aan het Grondwettelijk Hof voorgelegde prejudiciële vragen. B.
  91. De derde door de eiser voor het verwijzende rechtscollege voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie heeft betrekking op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en op de artikelen 13 en 15 van de richtlijn 2008/115/EG van 16 december
  92. Gelet op het antwoord van het Hof op de tweede prejudiciële vraag in B.17.1 tot B.20 is de prejudiciële vraag niet langer relevant. B.
  93. De vijfde door de eiser van het verwijzende rechtscollege voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie betreft uitsluitend artikel 15, lid 6, van de voormelde richtlijn 2008/115/EG. Die bepaling geeft de lidstaten de mogelijkheid om de termijn van bewaring met ten hoogste twaalf maanden te verlengen wanneer, alle redelijke inspanningen ten spijt, het waarschijnlijk is dat de verwijdering meer tijd zal vergen omdat de vreemdeling niet meewerkt of de documentatie uit het derde land op zich laat wachten. Om de redenen vermeld in B.17.1 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 24 tot B.19 is artikel 27, § 3, van de wet van 15 december 1980 daarmee bestaanbaar. De juiste uitlegging van het Europees Unierecht is evident. ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 25 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
  94. Rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.12, schendt artikel 72 van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », zo geïnterpreteerd dat het verwijst naar de wet betreffende de voorlopige hechtenis die van kracht was bij de afkondiging van de wet van 15 december 1980, namelijk de wet van 20 april 1874 « op de voorlopige hechtenis », niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5, lid 4, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
  95. Rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.18, schendt artikel 27, § 3, van de voormelde wet van 15 december 1980 niet artikel 12 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 januari
  96. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.001 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090428.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111221.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140910.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170510.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.1 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 ECLI:CE:ECHR:1984:0223JUD000901980 ECLI:CE:ECHR:1993:1123JUD001319087 ECLI:CE:ECHR:2008:0129JUD001322903 ECLI:CE:ECHR:2009:0611JUD005354107 ECLI:CE:ECHR:2011:1220JUD001048610 ECLI:CE:ECHR:2013:0411JUD005600510 ECLI:CE:ECHR:2013:1114JUD005602810 ECLI:CE:ECHR:2015:1215JUD001648312 ECLI:CE:ECHR:2016:1215JUD001648312 ECLI:CE:ECHR:2017:0404JUD003906111 ECLI:CE:ECHR:2020:0218JUD001284815 ECLI:CE:ECHR:2020:0630JUD005496218 ECLI:CE:ECHR:2021:0706JUD003501210 ECLI:EU:C:1982:335 ECLI:EU:C:1995:441 ECLI:EU:C:2017:209 ECLI:EU:C:2019:85 ECLI:EU:C:2021:799 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.