← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.002

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.002 Arrest- Rolnummer: 2/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-01-24 Raadplegingen: 963 - laatst gezien 2026-06-18 09:26 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) », gesteld door het Hof van Cassatie. COVID-19-pandemie - Strafrechtspleging - Schorsing van de verjaring van de strafvordering - Algemene toepasbaarheid Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 2/2023 van 12 januari 2023 Rolnummer : 7661 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) », gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 20 oktober 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 oktober 2021, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de schorsing van de verjaring van de strafvordering ingevoerd bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 algemeen van toepassing is, zonder daarvan de rechtsplegingen uit te sluiten waarvan het vonnis vertraging heeft opgelopen om redenen die losstaan van de gezondheidscrisis die de invoering van die schorsing heeft verantwoord ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - A.D., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Blanmailland, advocaat bij de balie te Brussel; 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Bonbled en Mr. C. Dupret Torres, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 12 oktober 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 26 oktober 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de Ministerraad om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 26 oktober 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 23 november

  1. Op de openbare terechtzitting van 23 november 2022 : - zijn verschenen : . Mr. F. Blanmailland, voor A.D.; . Mr. N. Bonbled, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 12 november 2020 acht het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, A.D. schuldig aan opzettelijke slagen en verwondingen ten aanzien een politie-inspecteur en aan de deelname aan bendevorming. Het oordeelt dat de verjaringstermijn van de strafvordering, die met toepassing van artikel 21, eerste lid, 4°, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, op 29 juli 2020 zou zijn vervallen, was geschorst krachtens het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 « houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID- 19 » (hierna : het koninklijk besluit van 9 april 2020), zodat de verjaring pas op 29 november 2020 verworven kon zijn. Op 27 november 2020 stelt A.D. cassatieberoep in tegen het voormelde arrest. Hij verwijt het Hof van Beroep te hebben beslist dat de verjaring van de strafvordering met toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit van 9 april 2020 gedurende 120 dagen is geschorst, terwijl het die bepaling buiten toepassing had moeten laten. A.D. is van mening dat die bepaling discriminerend is, omdat zij de rechtzoekenden wier vonnis vertraging heeft opgelopen door de Covid-19-pandemie en diegenen die, zoals hijzelf, een dergelijk nadeel niet hebben geleden, op dezelfde wijze behandelt. Het Hof van Cassatie oordeelt dat het koninklijk besluit van 9 april 2020 met toepassing van artikel 159 van de Grondwet niet buiten toepassing kan worden gelaten, daar het het voorwerp uitmaakt van een wettelijke bekrachtiging (artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten 3 genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in strijd met de verspreiding van het coronavirus Covid-19 (II) »). Op verzoek van de eiser voor het Hof van Cassatie stelt dat laatste bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
  2. Volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege leidt de algemene schorsing van de verjaringstermijnen van de strafvordering wegens de Covid-19-pandemie ertoe rechtzoekenden op dezelfde wijze te behandelen, zonder tussen hen een onderscheid te maken naar gelang van de concrete weerslag van de pandemie op de duur van de behandeling van hun zaak. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat een redenering naar analogie met het arrest van het Hof van Cassatie van 19 augustus 2020 (P.20.0840.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200819.VAC.1, ELCI:BE:CASS:2020:AR:20200819.VAC.1) leidt tot de vaststelling dat die identieke behandeling zonder objectieve en redelijke verantwoording is. Bij dat arrest heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de noodzaak van de strijd tegen de verspreiding van Covid-19 niet zou kunnen verantwoorden dat de veroordeelden aan wie de onderbreking van de strafuitvoering in de zin van artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 wordt toegekend, de verrekening van de duur van die onderbreking bij de strafuitvoering wordt ontzegd, terwijl de gedetineerden die penitentiair verlof krijgen, zulks niet wordt ontzegd. Zij voert aan dat, in het kader van de voor het verwijzende rechtscollege hangende zaak, de data van de pleitzittingen voor het Hof van Beroep te Brussel op de terechtzitting van 22 november 2019 zijn vastgesteld op 8 en 9 oktober
  3. De vaststelling van de rechtsdagen had bijgevolg plaats vóór de Covid-19-pandemie. Noch de data van de pleitzitting, noch de datum van de uitspraak van het arrest zijn uitgesteld wegens de pandemie. Zij leidt hieruit af dat de in het geding zijnde bepaling een onevenredige beperking van de rechten van vervolgde personen met zich meebrengt, daar zij voor alle zaken de termijn zonder onderscheid verlengt, terwijl de pandemie niet voor al die zaken gevolgen heeft gehad. A.1.
  4. Daarnaast zet zij uiteen dat, in het advies dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft gewezen over het ontwerp van koninklijk besluit dat het koninklijk besluit van 9 april 2020 is geworden, die afdeling vragen had bij de bestaanbaarheid, met het gelijkheidsbeginsel, van het verschil in behandeling tussen de verjaringstermijnen, die worden geschorst, en de termijnen van beroep tegen een strafrechtelijke veroordeling, die niet worden geschorst (RvSt, advies nr. 67.181/1 van 3 april 2020). De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat dat verschil in behandeling discriminerend is en dat het in strijd is met het beginsel van de wapengelijkheid dat voortvloeit uit het fundamenteel recht op een eerlijk proces. A.2.
  5. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat rechtzoekenden die behoren tot de twee categorieën die in de prejudiciële vraag worden geïdentificeerd, zich niet in wezenlijk verschillende situaties bevinden. Hij herinnert eraan dat het met de maatregel nagestreefde doel erin bestaat de daadwerkelijke toepassing van de strafwetten te waarborgen, de maatschappij te beschermen en de rechtstaat te vrijwaren, gelet op het feit dat de activiteiten van de rechterlijke instanties tot de dringendste en belangrijkste zaken zijn beperkt. Volgens hem is de vraag of een vonnis al dan niet achterstand heeft opgelopen wegens de gezondheidscrisis, geen relevant criterium van onderscheid in het licht van dat doel. Het lijkt hem gewaagd op voorhand te bepalen welke zaken al dan niet door de gezondheidscrisis kunnen worden getroffen. De maatregel gaat integendeel ervan uit dat de crisis de werking van de rechtscolleges op algemene wijze heeft getroffen. Hieruit volgt dat alle zaken op die grond mogelijk achterstand hebben opgelopen. A.2.
  6. Hij voert aan dat evenmin de twee in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van rechtzoekenden kunnen worden onderscheiden naargelang de vaststelling voor de pleidooien van de rechtspleging al dan niet heeft plaatsgehad op de dag van inwerkingtreding van de schorsingsmaatregel. Dat criterium is niet relevant. De Koning 4 kon niet uitsluiten dat handelingen die de rechtspleging schorsen of stuiten zich kunnen voordoen vóór de terechtzitting, of nog, dat een terechtzitting sine die kan worden uitgesteld, vooral tijdens een crisisperiode. De Ministerraad is van mening dat dat onderscheid erop neerkomt te voorzien in een uitzondering op de maatregel tot schorsing van de verjaringstermijn van de strafvordering voor de reeds vastgestelde zaken, zodat de rechtzoekenden wier strafvordering zou zijn verjaard tussen 9 april 2020 en 17 juli 2020, maar wier pleitzitting niet was vastgesteld, die verjaring niet zouden hebben kunnen genieten. Hij is van oordeel dat dat verschil in behandeling niet kan worden verantwoord, noch in de praktijk kan worden uitgevoerd. A.2.
  7. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de identieke behandeling van de twee in het geding zijnde categorieën van rechtzoekenden redelijk verantwoord is. Hij herinnert eraan dat de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt om de regels van de verjaring vast te stellen. Volgens de Ministerraad vermocht de wetgever, gelet op de aanzienlijke impact van de gezondheidscrisis op de rechtscolleges, met inbegrip van de strafgerechten, in het stadium van het opsporingsonderzoek, van het gerechtelijk onderzoek of van de vervolgingen, redelijkerwijs ervan uit te gaan dat een algemene schorsing van de verjaringstermijnen van de strafvordering verantwoord was door de noodzaak om de daadwerkelijke toepassing van de strafwetten te waarborgen, de maatschappij te beschermen en de rechtstaat te vrijwaren, rekening houdend met de beperking van de activiteiten van de rechterlijke instanties tot de dringendste en belangrijkste zaken. De Ministerraad herhaalt de argumentatie die hij in hoofdorde heeft uiteengezet. Daarnaast voert hij aan dat de lering uit het arrest van het Hof van Cassatie van 19 augustus 2020 (P.20.0840.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200819.VAC.1) niet kan worden omgezet naar het onderzoek van de prejudiciële vraag, daar de eiser voor het verwijzende rechtscollege niet de invoering van een grond voor de schorsing van de verjaring van de strafvordering bekritiseert, maar wel de toepassing ervan op de beklaagden wier zaak werd ingeleid vóór de gezondheidscrisis en voor pleidooien werd vastgesteld na het einde van de schorsingstermijn van de verjaring. De Ministerraad zet eveneens uiteen dat het arrest van 19 augustus 2020 betrekking heeft op een schorsingsgrond voor de strafuitvoering. Het staat bijgevolg los van de regels inzake de verjaring van de strafvordering. Bovendien besluit het arrest van 19 augustus 2020 niet dat moest worden voorzien in een uitzondering op de toepassing van die algemene maatregel voor een bepaalde categorie van veroordeelden. A.3.
  8. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege antwoordt dat de twee in het geding zijnde categorieën van rechtzoekenden gemakkelijk te onderscheiden zijn. Zij voert aan dat de identificatie van de zaken die al dan niet te maken hebben met vertragingen ten gevolge van de gezondheidscrisis, geen werkoverlast met zich zou hebben meegebracht, aangezien de magistraten, in gewone tijden, de handelingen moeten onderzoeken die het verloop van de verjaring kunnen beïnvloeden en de beklaagde die zich beroept op een uitzondering op de algemene regel, moet aantonen dat die uitzondering op hem van toepassing is. A.3.
  9. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert eveneens aan dat de maatregel is genomen zonder dat is overgegaan tot een evenredigheidsonderzoek, gelet op het feit dat die niet is gericht op de omstandigheden die de werking van de rechtscolleges of de onderzoeksdiensten aantasten. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat kan worden geredeneerd naar analogie met de evenredigheidstoets die het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 6 oktober 2020 (C-623/17, Privacy International, ECLI:EU:C:2020:790, punten 64 tot 87) heeft uitgevoerd ten aanzien van een nationale reglementering die de algemene overdracht van persoonsgegevens aan de veiligheidsdiensten oplegde. Zij voert aan dat noch het verslag aan de Koning, noch de parlementaire voorbereiding van de wetgeving die het koninklijk besluit van 9 april 2020 bekrachtigt, toelaten de verantwoording van de maatregel te begrijpen. 5 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
  10. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) » (hierna : de wet van 24 december 2020) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de schorsing van de verjaring van de strafvordering ingevoerd bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 « houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 » (hierna : het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020) algemeen van toepassing is, zonder daarvan de rechtsplegingen uit te sluiten waarvan het vonnis vertraging heeft opgelopen om redenen die losstaan van de gezondheidscrisis die de invoering van die schorsing heeft verantwoord. B.2.
  11. Het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 is genomen krachtens de delegatie vervat in de artikelen 2, eerste lid, en 5, § 1, 7°, van de wet van 27 maart 2020 « die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) » (hierna : de wet van 27 maart 2020). Die wet is genomen in het kader van het beheer van de gezondheidscrisis ten gevolge van de Covid-19-pandemie. B.2.
  12. Teneinde het België mogelijk te maken te reageren op de Covid-19-pandemie en de gevolgen ervan op te vangen, kon de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad (artikel 2, eerste lid), maatregelen nemen om de goede werking van de rechterlijke instanties en in het bijzonder de continuïteit van de rechtsbedeling te garanderen, voor zowel burgerlijke en strafzaken, met naleving van de fundamentele beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht en met inachtneming van de rechten van verdediging van de rechtzoekenden. Daartoe kon Hij met name de organisatie aanpassen van de bevoegdheid en de rechtspleging, met inbegrip van de bij de wet bepaalde termijnen (artikel 5, § 1, 7°). 6 B.2.
  13. De bijzonderemachtenbesluiten konden de geldende wettelijke bepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt (artikel 5, § 2). De bijzonderemachtenbesluiten moesten worden bekrachtigd binnen een termijn van een jaar vanaf de inwerkingtreding ervan, zo niet werden zij geacht nooit uitwerking te hebben gehad (artikel 7, tweede en derde lid). De bijzondere machten zijn vervallen op 30 juni 2020 (artikel 7, eerste lid). B.3.
  14. Luidens de artikelen 1, eerste lid, en 3 van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 worden de verjaringstermijnen van de strafvordering voor de inbreuken op het Strafwetboek en voor de inbreuken op de bijzondere wetten geschorst voor een termijn gelijk aan de periode van 18 maart 2020 tot en met 3 mei 2020, aangevuld met een periode van een maand. Overeenkomstig artikel 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 is die periode tweemaal verlengd tot 17 juni 2020 (koninklijke besluiten van 28 april 2020 en van 13 mei 2020). Hieruit vloeit voort dat de schorsingsperiode van de verjaringstermijn van de strafvordering liep tot 17 juli
  15. B.3.
  16. In het verslag aan de Koning van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 wordt uiteengezet : « […] bepalingen [zijn] vereist houdende opschorting van de verjaringstermijnen. Teneinde de goede werking van de gerechtelijke instanties te waarborgen en het personeel en de rechtzoekenden te beschermen tegen de risico's op besmetting met het coronavirus, en teneinde de continuïteit van de strafrechtspleging te verzekeren, dient de strafrechtelijke procedure te worden aangepast, met inbegrip van de termijnen waarin de wet voorziet. Er wordt voorzien in een schorsingsgrond van de verjaringstermijnen in strafzaken voor een termijn gelijk aan de duur van de coronacrisis, aangevuld met een maand. 7 […] die schorsingsgrond [verhindert] dat de verjaringstermijnen van de strafvordering verstrijken. Binnen die verjaringstermijnen, die variëren naargelang van de ernst van het misdrijf (misdaad, wanbedrijf, overtreding), moet de strafvordering zijn uitgeoefend. Door de crisis in samenhang met de coronavirus-pandemie zijn de gerechtelijke instanties echter verplicht om hun activiteiten drastisch te beperken tot de dringendste en belangrijkste zaken. Zij kunnen niet langer hun gewone taken vervullen en kunnen inzonderheid niet langer de misdrijven vervolgen met inachtneming van de prioriteiten van het strafrechtelijk beleid zoals vastgesteld vóór de uitbraak van de pandemie. Derhalve is het, om de daadwerkelijke toepassing van de strafwetten te waarborgen, de maatschappij te beschermen en de rechtsstaat te waarborgen, noodzakelijk om de weerslag van het tijdsverloop op de verjaring van de misdrijven wettelijk en voor beperkte tijd te schorsen. […] Gelet op het feit dat vele strafzaken zowel op het vlak van de strafvordering als op het vlak van de tenuitvoerlegging niet kunnen doorgaan, bepaalt dit artikel dat de verjaringstermijnen zijn opgeschort voor een bepaalde duur. De duur is bepaald op de duur van de crisis aangevuld met één maand. Deze aanvulling van één maand wordt verantwoord door het feit dat na het einde van de crisis dergelijke zaken van onderzoek, berechtingen en tenuitvoerlegging niet meteen op één dag kunnen worden behandeld of ingehaald ». B.
  17. Artikel 4 van de wet van 24 december 2020 bekrachtigt het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020, alsook de koninklijke besluiten van 28 april 2020 en van 13 mei 2020, die de duur van de schorsingsperiode van de verjaring van de strafvordering hebben verlengd. De wet van 24 december 2020 is in werking getreden op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, namelijk 15 januari 2021 (artikel 34). Ten gronde B.
  18. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid, van artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 2020, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de schorsing van de verjaring van de strafvordering ingevoerd bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 algemeen van toepassing is, zonder dat de rechtsplegingen worden uitgesloten waarvan het vonnis vertraging heeft opgelopen om redenen die losstaan van de gezondheidscrisis die de invoering van die schorsing heeft verantwoord. B.
  19. In haar memorie voert de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege aan dat de in het geding zijnde bepaling een discriminatie doet ontstaan tussen personen op wie de 8 verjaringstermijnen, die worden geschorst, toepassing vinden en personen voor wie de termijnen van beroep tegen een strafrechtelijke veroordeling, niet worden geschorst. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de identieke behandeling van twee categorieën van personen : diegenen wier vonnis achterstand heeft opgelopen om redenen die losstaan van de gezondheidscrisis, en diegenen wier vonnis een achterstand heeft opgelopen die aan die gezondheidscrisis toe te schrijven is, gelet op het feit dat die laatste de invoering van de in het geding zijnde schorsing heeft verantwoord. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege kan de inhoud van de prejudiciële vraag niet wijzigen. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de in de prejudiciële vraag opgeworpen identieke behandeling. B.
  20. Uit de motivering van het verwijzingsarrest en van het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 12 november 2020 blijkt dat de laatste verjaringstuitende handeling dateert van 29 juli 2015, zodat, indien het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 niet in werking was getreden, de strafvordering zou zijn verjaard op 29 juli
  21. Uit de door de verwijzende rechter bezorgde stukken blijkt dat, op de terechtzitting van 22 november 2019, de pleitzitting is vastgesteld op twee data na 29 juli 2020, namelijk op 8 en 9 oktober
  22. Met andere woorden, op basis van dat tijdschema zou het arrest van het Hof van Beroep te Brussel niet kunnen zijn uitgesproken vóór 29 juli 2020, datum waarop de strafvordering zou zijn verjaard. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.
  23. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat 9 dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.9.
  24. De Ministerraad voert aan dat het onmogelijk is een onderscheid te maken tussen de zaken die een achterstand hebben opgelopen bij de behandeling ervan wegens de pandemie, en die waarvoor die achterstand toe te schrijven is aan een andere oorzaak, zodat de personen die vallen onder de twee in de prejudiciële vraag geïdentificeerde categorieën, zich niet in fundamenteel verschillende situaties zouden bevinden. B.9.
  25. Uit hetgeen wordt vermeld in B.7, blijkt dat, indien de Covid-19-pandemie en het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 niet hadden bestaan, de tegen de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege ingestelde strafvordering zou zijn verjaard op basis van het vastgestelde tijdschema, tenzij een eventuele grond voor een schorsing of stuiting van de verjaringstermijn zou zijn voorgevallen. Aangezien de pleitzitting is vastgesteld vóór de aanvang van de Covid-19-pandemie in België, houdt de achterstand die de tegen de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege ingestelde rechtspleging heeft opgelopen geenszins verband met die pandemie. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de categorie van personen waartoe de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege behoort, zich bevindt in een situatie die fundamenteel verschilt van die van de personen wier zaak een achterstand heeft opgelopen die is toe te schrijven aan de pandemie, terwijl de in het geding zijnde bepaling zonder onderscheid van toepassing is op die twee categorieën van personen. B.
  26. Zoals is vermeld in B.3.2 heeft het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 tot doel de daadwerkelijke toepassing van de strafwetten te waarborgen, de maatschappij te beschermen en de rechtsstaat te vrijwaren, daar de crisis ten gevolge van de Covid-19-pandemie de rechterlijke instanties ertoe heeft verplicht hun activiteiten drastisch te beperken tot de dringendste en belangrijkste zaken. Die doelstellingen zijn legitiem. B.
  27. De wetgever vermocht redelijkerwijs ervan uit te gaan dat het in de in B.10 vermelde omstandigheden niet noodzakelijk, noch haalbaar was van die instanties te eisen dat zij geval per geval bepalen of de pandemie een concrete weerslag heeft gehad op de behandeling van een 10 zaak om te beslissen dat de verjaring van de strafvordering in die zaak geschorst was. Bovendien, gelet op het feit dat het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 tot doel heeft de goede werking van de rechterlijke instanties en de continuïteit van de rechtsbedeling op strafrechtelijk niveau te garanderen, is het niet onredelijk te voorkomen dat de rechterlijke instanties extra werklast wordt opgelegd. B.
  28. Uit het voormelde volgt dat artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 2020 niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 januari
  29. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.002 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200819.VAC.1 ECLI:EU:C:2020:790 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.